Linda Pastan, Niels ’t Hooft, Jan Blokker, Louis-Ferdinand Céline, Georges Eekhoud, Said, John Cheever, John Barth, Max Brod

De Amerikaanse dichteres Linda Pastan werd geboren op 27 mei 1932 in New York. Zie ook alle tags voor Linda Pastan op dit blog.

Something About The Trees

I remember what my father told me:
There is an age when you are most yourself.
He was just past fifty then,
Was it something about the trees that make him speak?

There is an age when you are most yourself.
I know more than I did once.
Was it something about the trees that make him speak?
Only a single leaf had turned so far.

I know more than I did once.
I used to think he’d always be the surgeon.
Only a single leaf had turned so far,
Even his body kept its secrets.

I used to think he’d always be the surgeon,
My mother was the perfect surgeon’s wife.
Even his body kept its secrets.
I thought they both would live forever.

My mother was the perfect surgeon’s wife,
I can still see her face at thirty.
I thought they both would live forever.
I thought I’d always be their child.

I can still see her face at thirty.
When will I be most myself?
I thought I’d always be their child.
In my sleep it’s never winter.

When will I be most myself?
I remember what my father told me.
In my sleep it’s never winter.
He was just past fifty then.

 

What We Want

What we want
is never simple.
We move among the things
we thought we wanted:
a face, a room, an open book
and these things bear our names–
now they want us.
But what we want appears
in dreams, wearing disguises.
We fall past,
holding out our arms
and in the morning
our arms ache.
We don’t remember the dream,
but the dream remembers us.
It is there all day
as an animal is there
under the table,
as the stars are there
even in full sun.

 

Vermilion

Pierre Bonnard would enter
the museum with a tube of paint
in his pocket and a sable brush.
Then violating the sanctity
of one of his own frames
he’d add a stroke of vermilion
to the skin of a flower.
Just so I stopped you
at the door this morning
and licking my index finger, removed
an invisible crumb
from your vermilion mouth. As if
at the ritual moment of departure
I had to show you still belonged to me.
As if revision were
the purest form of love.

Linda Pastan (New York, 27 mei 1932)

 

 

De Nederlandse schrijver, journalist, blogger en gamedeskundige Niels ’t Hooft werd geboren in Leiderdorp op 27 mei 1980. Zie ook alle tags voor Niels ‘t Hooft op dit blog.

Uit: De verdwijners

“De
vorige keer dat ze haar ouders om hulp had gevraagd, was dat uitgelopen
op een drama. Inmiddels wilde ze niet alleen Isobel opsporen, maar
waren er nieuwe problemen ontstaan door de afwezigheid van haar zusje:
Marthes psychologiestudie was uitgelopen, en haar spaargeld was opgegaan
aan de huur van het gezamenlijke zolderappartement, dat ze nu in haar
eentje bewoonde. ‘We hebben jou en Isobel tot jullie achttiende
gespekt,’ hadden ze gezegd. `We hebben een fortuin in jullie opleidingen
gestoken. Wat verwacht je in vredesnaam nog meer van ons? We hebben
Isobel steeds onderdak geboden na haar zelfmoordpogingen en haar
psycholoog betaald. Wij vinden het een opluchting dat ze rust heeft
gevonden in Amerika. Ben jij daar dan niet blij mee?’ Er was iets
losgeschoten in Marthes hoofd. Ze was zeldzaam kwaad geworden en gaan
schreeuwen. Haar ouders hadden haar hoofdschuddend het huis uit gezet.
Dit waren mensen die hun hond beter begrepen dan hun bloedeigen dochter.
Het stinkbeest. Ook nu gebeurde aanvankelijk waarvoor ze had gevreesd.
Het gesprek ging er in eerste instantie over hoe zwaar zij het hadden,
twee ploeterende Hollanders die de last van de wereld op hun schouders
droegen. Over hun moeizame relatie en de bijbehorende therapie. Over de
perikelen in het ziekenhuis, haar moeder was arts, en over de krimp in
de 1T -sector, haar vader was reorganisatiemanager. Maar gaandeweg was
de toon veranderd, of misschien had Marthe met een ander oor geluisterd.
`Laat me even uitpraten,’ had haar moeder gezegd. ‘Hoe het filmpje ook
is gemaakt, waar in de wereld ze zich ook bevindt, Isobel wil ons
vertellen dat we ons geen zorgen moeten maken. Je vader en ik hebben ons
bij die boodschap neergelegd, en misschien moet jij dat ook doen.
Isobel zal altijd onze dochter zijn, tot het bittere eind heeft zij een
plekje in ons hart. Daar verandert dit niets aan. Ze zal ook altijd jouw
zusje zijn. Juist daarom zou je verder moeten gaan met je eigen leven.’
Haar vader was naar de kast in de voorkamer gelopen. ‘Kijk eens,’ zei
hij. Hij pakte een Google-bril uit zijn postvakje. Marthe zag dat het
een nieuw model was, met een buffelhoornen montuur waarin de techniek nu
onzichtbaar was verwerkt. ‘De bril legt beelden op de wereld om me
heen. Extra informatie, ontzettend handig. Hij laat me bijvoorbeeld zien
wat de route naar de supermarkt is, en wat jouw hobby’s zijn.’ `Dat
weet ik toch allang,’ had Marthe gezegd. Haar vader zette de bril op en
tikte met zijn wijsvinger tegen de zijkant. ‘Je moeder en ik hebben oude
beelden van Isobel laten bewerken. Homevideo’s, dat soort dingen. Haar
beeltenis is vrijstaand gemaakt en reageert realistisch op de omgeving.’
Er verscheen een glimlach op zijn gezicht. Marthe beet op haar
onderlip. ‘Nu is ze altijd bij ons, als we dat willen.’ Marthe zag haar
vaders ogen vochtig worden. ‘Wil je ook?’ zei hij. ‘Ze heeft nu het
spijkerjasje aan dat ze kreeg op haar vijftiende verjaardag.’

Niels ’t Hooft (Leiderdorp, 27 mei 1980)

 

De Nederlandse schrijver, journalist en columnist Jan Blokker werd geboren in Amsterdam op 27 mei 1927. Zie ook alle tags voor Jan Blokker op dit blog.

Uit: Séjour

“De vrouw zette haastig de boodschappentas naast zich neer en knielde. Tien roodgelakte nagels rustten op de smalle handruggen. Ze schraapte haar keel, keek vluchtig naar de priester en viel in: … que vous nous voyez, que vous nous entendez, que vous connaissez toutes nos pensées, tous nos désirs, les mouvements les plus secrets de nos coeurs… Ze merkte niet, dat haar tas omviel; ze zou evenmin gemerkt hebben, dat ik naast haar schoof. Maar ik schoof niet naast haar. Ik zat in de nachttrein uit Parijs, die net Aurillac had gepasseerd, waar het daagde. We stegen, het bergland van Cantal in. Ik vertelde het meisje tegenover me, dat in Brives was ingestapt, van de mensen die ik in onze coupé had ontmoet sinds ik Parijs verliet, de vorige avond. Een reis als een destillatie, een gefractionneerde. Ze scheen vaag te begrijpen hoe complimenteus mijn relaas voor haar was. Ik noemde de naam Chateauroux, die ze kende. In het holst van de nacht was de trein er binnengelopen. Er waren uit mijn coupé drie mensen gestapt, ik bleef alleen over. Ik had het gevoel dat daarna de trein voor mij alleen reed, maar er moeten nog andere mensen in gezeten hebben. Toch was de destillatie niet voltooid: uit de laatste fractie was damp, gezuiverde damp overgebleven, die condenseerde in Brives van waar het meisje naar Murat reisde, waar de vrouw haar morgengebed zei.
We passeerden een dorp: Polminhac. In de ijle morgen van het hoogland hoorde ik een lichte, hoge stem: ‘J’ai un papillon dans ma main …’ De woorden vormden een melodie, een concert desnoods. De zwevende klank van het ‘main’ bleef in de coupé hangen, nauwelijks vermengd met het harde ratelen van de spoorwagens.
– Bent u hier voor het eerst? vroeg het meisje.
Ik knikte en zag haar wegvallen in gedachten, in een ernstig pogen, zich de omgeving, die haar zeer bekend moest zijn, als nieuw voor te stellen. Zij keek naar buiten. Tegen de steile berghellingen tornden de hoge sparren tot ze de strijd om hun evenwicht verloren en zich moesten vernederen tot struiken en stronken tenslotte. Het meisje zag ze, nieuw en bekend. Ze dacht waarschijnlijk aan de burons en hoorde het melodieuze bellen van de koeien, dat ik nog niet kende. Of aan een bergtocht, een beklimming. Hier wordt hoog boven de aarde bemind.
– Komt u van Parijs? vroeg ze.
– Van nog veel verder, zei ik.
Ze lachte alsof ze het niet geloofde. Daarna moest ze niezen. Ze hief hoog haar hoofd op en ik zag twee neusgaten, sierlijk-kleine olijfbladen.”

Jan Blokker (27 mei 1927 – 6 juli 2010)
In 1966

 

De Franse schrijver Louis-Ferdinand Céline (pseudoniem van Louis Ferdinand Destouches) werd geboren in Courbevoie op 27 mei 1894. Zie ook alle tags voor Louis-Ferdinand Céline op dit blog.

Uit: Journey to the End of the Night (Vertaald door Ralph Mannheim)

“Suddenly our street widened, like a crevasse opening out into a bright clearing. Up ahead of us we saw a great pool of sea-green light, wedged between hordes of monstrous buildings. And in the middle of the clearing stood a rather countrified-looking house, surrounded by woebegone lawns.
I asked several people in the crowd what this edifice was, but most of them pretended not to hear me. They couldn’t spare the time. But one young fellow right next to me was kind enough to tell me it was City Hall, adding that it was an ancient monument dating back to colonial times, ever so historical… so they’d left it there… The fringes of this oasis formed a kind of park with benches, where you could sit comfortably enough and look at the building. When I got there, there was hardly anything else to see.
I waited more than an hour in the same place, and then toward noon, from the half-light, from the shuffling, discontinuous, dismal crowd, there erupted a sudden avalanche of absolutely and undeniably beautiful women.
What a discovery! What an America! What ecstasy! I thought of Lola… Her promises had not deceived me! It was true.
I had come to the heart of my pilgrimage. And if my appetite hadn’t kept calling itself to my attention, that would have struck me as one of those moments of supernatural aesthetic revelation. If I’d been a little more comfortable and confident, the incessant beauties I was discovering might have ravished me from my base human condition. In short, all I needed was a sandwich to make me believe in miracles. But how I needed that sandwich!
And yet, what supple grace! What incredible delicacy of form and feature! What inspired harmonies! What perilous nuances! Triumphant where the danger is greatest! Every conceivable promise of face and figure fulfilled! Those blondes! Those brunettes! Those Titian redheads! And more and more kept coming! Maybe, I thought, this is Greece starting all over again. Looks like I got here just in time.
What made those apparitions all the more divine in my eyes was that they seemed totally unaware of my existence as I sat on a bench close by, slap-happy, drooling with erotico-mystical admiration and quinine, but also, I have to admit, with hunger. If it were possible for a man to jump out of his skin, I’d have done it then, once and for all. There was nothing to hold me back.
Those unlikely midinettes could have wafted me away, sublimated me; a gesture, a word would have sufficed, and in that moment I’d have been transported, all of me, into the world of dreams. But I suppose they had other fish to fry.”

Louis-Ferdinand Céline (27 mei 1894 – 1 juli 1961)

 

De Belgische Franstalige schrijver Georges Eekhoud werd in Antwerpen geboren op 27 mei 1854. Zie ook alle tags voor Georges Eekhoud op dit blog.

Uit: Kees Doorik (Vertaald door August Peeters)

“Nelis Cramp was veel te slim, om niet te begrijpen, wat al voordeelen die openbare liefdadigheid opleveren kon, vooral voor een wroeter en een gierigaard als hij. Als ’t maar voor den scharbij was, deed hij voor niemand onder, en, zoo hij van den beginne af van dit middel geen gebruik gemaakt had om nog maar toe te potten, dan was het slechts, dat er hem nog een greintje eigenliefde overschoot.
Wat zouden de benijders en rondbrievers van Dinghelaar wel niet gezegd hebben, indien Nelis Cramp, de welgezette grondeigenaar van de Wit-Hoef, zijn toevlucht niet meer nam tot de eerlijke diensten van een struischen kerel der streek, om de zwakke armen van een stadskind uit te buiten. Wat een gebabbel! En wat zouden ze af te keuren vinden!
Nochtans, na al de leegloopers en stakkers van ’t omliggende in dienst gehad te hebben, – hij kon er geen enkelen houden, want ze lieten ’t allen bij hem staan, nog méer uitgehongerd dan ze binnen gekomen waren, tenminst als de pachter ze zelf nog niet doorzond, daar hij het karig loon en de harde korst brood nóg te veel betaald vond voor hun zwoegen – besloot hij, al moest zijn schrokkigheid hem het laatst aanzien in de streek kosten, zoo’n verstooteling van ’t ‘Gesticht’ in te nemen. De duivel hale hem, zoo hij ’t niet deed!
Niet alleen zou Nelis hem doen wroeten gelijk een volwassene, maar op den koop toe zou hij het kostgeld, dat die goede, liefdadige lieden uit de stad hem uitbetaalden, nog in den zak steken.
Kees zag dikwijls Cramp terug in den geest, gelijk hij was dien heuglijken dag, op zijn vijf en vijftigste jaar: aamborstig en ineengedrogen, met afgebrokkelde, zwarte tanden, galachtig, het vel zoo verfrommeld als een mispel; met leepoogen, een grijnzende lip, en een als weggedrukten platneus. Peper- en zoutachtige, pikkige haarklissen plakten op zijn slapen, en in de groote, behaarde ooren, die hem wijd van het hoofd stonden, droeg hij zilveren ringskens, als behoedmiddel voor ’t gezicht.
Hij onderbrak slechts zijn opwerpingen betreffende het smeeg uitzicht van den wees, om een trek te doen aan zijn korte, zabberig en doorgerookte steenen pijp – met een dekseltje van koperdraad, dat aan den steel bevestigd was -, of om groenige fluimen in ’t zandbakje te spuwen. Onder zijn borstelige, tot een helm samenlooepnde wenkbrauwen schenen zijn grijze oogen te slapen, onbetrouwbaar, gelijk de stilstaande moerassen in de griendlanden.
De bestuurder drong nog eens aan:
– Hij kan al lezen! Hij is zoo zacht als een lammeken en gehoorzaam gelijk ‘nen hond. Toe, wat geeft ge voor ‘

Georges Eekhoud (27 mei 1854 – 29 mei 1927)

 

De Duits-Iraanse dichter en schrijver Said werd geboren op 27 mei 1947 in Teheran. Zie ook alle tags voor Said op dit blog.

Uit: Der lange Arm der Mullahs

„20. Juni 1981

Heute ist Said Sultanpur zusammen mit acht anderen hingerichtet worden. Er wurde bei seiner Hochzeit verhaftet und jetzt wegen Devisenschmuggels exekutiert.
Er war Dichter, Dramatiker, Schauspieler und Regisseur. Hier eine Geschichte von Said Sultanpur, der auch schon zu Zeiten des Schahs wiederholt im Gefängnis saß. Diese Geschichte erzählte er unmittelbar nach dem Sturz des Schahs bei einer Dichterlesung in Teheran: „1976 übersetzte ich ein Stück von Maxim Gorki, Die Parasi-ten, fand einen Intendanten, der bereit war, das Stück unter meiner Regie in seinem Theater aufzuführen, und fand auch die Schauspieler, die ich brauchte. Dann trug ich das Manuskript zur Zensurbehörde des SAVAK. Auf dem Manuskript standen vorschriftsmäßig der Name des Autors Maxim Gorki, mein Name als Übersetzer, der Name des Theaterintendanten und die Namen der Schauspieler. Ich bat also offiziell um die Genehmigung, das Stück auffüh-ren zu dürfen. Man nahm mir das Manuskript ab, schrieb meine Adresse auf und teilte mir mit, ich werde von der Be-hörde hören. Nach einigen Wochen erhielt ich einen Brief vom SAVAK, in dem man mich aufforderte, an einem bestimmten Tag vorstel-lig zu werden. Weiter unten stand deutlich und von Hand un-terstrichen: ,Der Autor des Stücks ist unbedingt mitzubringen.’ Der SAVAK wollte 1976 Maxim Gorki sehen.” Sultanpur hat all das mit- und überlebt. Dann wurde er vom Regime Chomeinis hingerichtet, während wir noch darüber witzelten, ob er in seiner Hoch-zeitsnacht nichts Besseres zu tun gehabt hätte, als Devisenschmuggel zu betreiben.
Herbst 1981
Puran wurde hingerichtet. Sie war eine schöne Frau, großgewachsen, charakterfest, intelligent und wortgewandt. Als sie hingerichtet wurde, war sie vielleicht 29 Jahre alt. Wir waren gute Freunde, hatten aber nie ein erotisches Verhältnis.“

Said (Teheran, 27 mei 1947)

 

De Amerikaanse schrijver John Cheever werd geboren op 27 mei 1912 in Quincy, Massachusetts. Zie ook alle tags voor John Cheever op dit blog.

Uit: The Journals of John Cheever

“Prolly
want a crackeer.” Woke tired and took the 7:44. The river blanketed
with a mist. The voices overheard. “Well, then she boiled it and then
she broiled it.” He raised his face and drew over it a beatific look as
if he were tasting last night’s dinner again. “Well, we’ve got one of
those electric rotisseries.” “Oh, New York’s nothing like Chicago;
nothing like it.” On Twenty-third Street I read a sign: “DON’T LOSE YOUR
LOVED ONE BECAUSE OF UGLY FAT.” There was a window full of crucifixes
made out of plastic. The surface of the city is paradoxical. For a mind
cast in paradox it is reassuring to find this surface. Thinking again,
in the dentist’s chair, that I am like a prisoner who is trying to
escape from jail by the wrong route. For all one knows, that door may
stand open, although I continue to dig a tunnel with a teaspoon. Oh, I
think, if I could only taste a little success. But don’t I approach it
by deepening the pit in which I stand? Mary in the morning, asleep,
looking like the girl I fell in love with. Her round arms lie outside
the covers. Her brown hair is loose. The abiding quality of seriousness
and pureness.In the dark hour you cannot call on goods and chattels to
save you, or old ski trails or the paths to streams. You must find
something greater. And the mind in which the forces of contumely and
destruction seem greater than the forces of creativity. Creativity is
there, but it seems, in relation to the forces of destruction, like the
nipple on a balloon. So, made up of so much destruction and with such a
slender knowledge of love he appears poorly as a husband, son, and
lover—masked in a rag of a smile and a striped tie and a few faint
observations. Oh so deeply rooted in this mind are the needs and the
habits of prayer. Having triumphantly separated himself from the
foolishness of religion, he goes by the church—he hears the bells in the
morning—in the churlish and unhappy frame of mind of a man who has been
excommunicated. He feels the lash of expulsion. And oh this poor mind,
casting desperately around a room for some detail that will give it form
and meaning, seizes always on an ashtray heaped with butts or a crooked
stocking, a tear in the rug. And then he sees the sky! the poignant
blue, the line of darkness rising like a lid; the perfect clearness of
line and color that means that a northwest wind has scoured the overcast
and blown it out to sea. So his mind wanders between the ashtray and
the twilight while most of the known world lies somewhere in between. He
worries, he worries about his mustache, his old navy raincoat, his
weight, his hair, his teeth, the stiffness in his left knee, and if his
anxiety ever transcends this it is to worry about a nation of paltry
men, conceived in his image and likeness—or, if he is a world
federalist, to worry about a world. Why has the sweetness gone? It would
all come back with a new car or a bonus or a little of the recognition
that he deserves for his hard work.”

John Cheever (27 mei 1912 – 18 juni 1982)
Portret door Henry Koerner, 1964

 

De Amerikaanse schrijver John Barth werd geboren op 27 mei 1930 in Cambridge, Maryland. Zie ook alle tags voor John Barth op dit blog.

Uit:Where Three Roads Meet

“Not to mention what one learned from him in the classroom, as one’s junior instructor in Literature & Philosophy I & II, about Homer and Virgil (and Sappho and Petronius and Catullus), Plato and Aristotle (and the Gnostics and the Kabbalists), Dante and Chaucer and Boccaccio (and Scheherazade and Somadeva, Poggio and Aretino and Rabelais), and other classics on (and off) one’s freshman/sophomore syllabus, up to and including James Joyce’s Ulysses (and Finnegans Wake) …
“And trivia, class, as you may have heard, comes from Latin trivium: literally, a place where three roads intersect-as in Sophocles?-but by extension any public square where people swap idle gossip.” The Trivium was also (he went on) the medieval division of the seven liberal arts into Grammar, Logic, and Rhetoric-not to be confused with Cambridge University’s tripos, which was a different story altogether: “Okay?”
If you say so, Teach. And so indeed Al said, back then back there, in class and out-all which curricular and extracurricular input Will Chase eagerly “downloaded,” as one might put it three decades later, his own background having been a different story indeed from Alfred Baumann’s: Depression-era child of minimally schooled though by no means unintelligent small-town storekeepers in the state’s least affluent county; graduate of a wartime local public school system so strapped for funds and faculty that its eleventh grade was perforce one’s senior year, whence nearly none of the seventeen-year-old diplomates “went off” to college- especially if they’d been lucky enough to escape military service and thus unlucky enough to have no GI Bill to subsidize a higher education that, as a group, they weren’t competitive for admission to anyhow. A few of the girls managed nursing school, secretarial school, or the nearby teachers college; most became store clerks, telephone operators, beauticians, or/and young housewives and mothers. Most of the boys found jobs in local offices and retail stores or became tradesmen, farmers, or crab-and-oyster watermen like their dads before them. A few enlisted in the peacetime military.
And a handful shrug-shoulderedly took the application exam one spring afternoon for “senatorial” scholarships (whereof every Annapolis legislator was allotted a few to award and then to renew or redistribute annually) to various colleges and universities in the Old Line State. Having so done, the applicants proceeded to their summer employment fully expecting that at season’s end it would become their real employment: their life’s work.
Which, however, in Will Chase’s case and that of a few others in his (all-white) graduating class, it did not. Since junior high school-or “upper elementary,” as sixth and seventh grades were called in that abbreviated system-the lad had made an avid, if noisy, hobby of jazz percussion, and with comparably amateur-but-dedicated classmates on piano, trombone, and alto saxophone had formed a combo to play weekend dances at the local yacht and country club.”

John Barth (Cambridge, 27 mei 1930)

 

De Tsjechisch-Israëlische dichter, schrijver, criticus en componist Max Brod werd geboren in Praag op 27 mei 1884. Zie ook alle tags voor Max Brod op dit blog.

Uit: Lord Byron kommt aus der Mode

„„AUGUSTA: Eine alberne Geschichte.
BYRON: Erzähle.
AUGUSTA: Sie ist ziemlich unanständig.
BYRON: Bitte.
AUGUSTA: Nein.
BYRON: Bitte.
AUGUSTA: Niemals. Ich sag’s nicht.
BYRON: Du mußt. AUGUSTA: Müssen?
BYRON: Mein altes Mittel. Aus Aberdeen.
AUGUSTA: Was denn?
BYRON: Weißt du’s nicht mehr? Ich drücke dir die Hand blau —
AUGUSTA (ist schon vorhin zurückgewichen): Das wirst du nicht.
BYRON: Wer hindert mich. (Verfolgt sie erst um den kleinen, dann um den großen Tisch herum) AUGUSTA: Weil du mich nicht fängst!
BYRON
(ereilt sie): Und doch! (Ihre Hand an sich reißend —plötzlich ernst) Es
ist meine Hand. Ich kann dir nichts tun. — Und Augen, Mund — alles wie
bei mir, als sähe ich hinab, zurück, ins Rätsel meiner Zeugung. (Er
streicht ihr über Haar und Wangen) Unseres gemeinsamen Vaters Kopf.
AUGUSTA (ihre Hand losmachend): Er war gewalttätig wie du.
BYRON (wieder heftiger): Jetzt erzähle deine Geschichte.
AUGUSTA: Ich will nicht.
BYRON: Du weißt: schon als Kind hat es mich verrückt gemacht, wenn du ein Geheimnis vor mir hattest. (Pause)“

Max Brod (27 mei 1884 – 20 december 1968)
Hier echts met regisseurs van het Habimah theater in Tel Aviv

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e mei ook mijn blog van 27 mei 2018 deel 2.

Niels ’t Hooft, Jan Blokker, Linda Pastan, Louis-Ferdinand Céline, Georges Eekhoud, Said, John Cheever, John Barth

De Nederlandse schrijver, journalist, blogger en gamedeskundige Niels ’t Hooft werd geboren in Leiderdorp op 27 mei 1980. Zie ook alle tags voor Niels ‘t Hooft op dit blog.

Uit:De verdwijners

`En nu niet meer?’ Marthes onderlip trilde. ‘Het kan niet meer,’ zei ze met onvaste stem. Isobel is weg. Op reis. Ze komt nooit meer terug.’ Ze perste haar lippen op elkaar, maar het was niet genoeg. Zachtjes schokkend begon ze te huilen. ‘Het is beter zo, ik moet er alleen even aan wennen. En dat valt nog niet mee.’ `Vertel mij wat,’ zei de vrouw. ‘Dingen hebben tijd nodig. Ik probeer al mijn leven lang mijn jeugd te verwerken. Mijn vader was een moslimextremist die aan de drank raakte, begrijp je? Er was veel furie bij ons thuis, maar er viel ook veel in het water.’ Marthe slikte. De vrouw zei: ‘Niemand heeft het voor het kiezen met zijn kleine en grote problemen. Hoe je beha zit, waar je zus uithangt, in wat voor nest je wordt geboren. Kun je geloven dat ik mijn vader in de gehaktmolen heb geduwd?’ Door haar tranen heen proestte Marthe het uit. ‘Wat hysterisch.’ `Ik heet trouwens Lua,’ zei de vrouw met een geheimzinnige glimlach, en ze gaf een ferme hand. ‘Dat is Portugees voor maan.’ Toen Marthe losliet en Lua’s hand langs de hare gleed, voelde ze een tinteling. Ze zag Lua kijken: haar gezichtsuitdrukking ging van geamuseerd naar verwonderd en eindigde op neutraal. Zonder nog iets te zeggen verliet de vrouw het toilet. Ze duwde de deur naar de zaal open: als een golf klapte het lawaai over Marthe heen. De deur sloeg dicht en de muziek droop van haar lijf.
Marthe had die middag haar ouders bezocht, een laatste poging om samen een plan te maken. Maanden geleden was haar zusje halsoverkop op reis gegaan. Ze had een instabiele indruk gemaakt. Het had lang geduurd voor er bericht was gekomen: een filmpje waarin Isobel vertelde dat ze op een boerderij in de Verenigde Staten was, en dat het goed met haar ging. Het stelde haar ouders gerust, maar Marthe maakte zich er juist meer zorgen door. Want het filmpje rammelde. Het was knutselwerk. Maar haar ouders wilden er niet van weten. Hoe meer ze doordramde, hoe afstandelijker en killer haar vader en moeder werden, alsof ze koste wat kost in het filmpje wilden geloven. Niet voor Isobel, dacht Marthe, maar omdat ze zelf al genoeg andere zorgen hadden.”

 
Niels ’t Hooft (Leiderdorp, 27 mei 1980)

 

De Nederlandse schrijver, journalist en columnist Jan Blokker werd geboren in Amsterdam op 27 mei 1927. Zie ook alle tags voor Jan Blokker op dit blog.

Uit: The boldest way

“Zo zal iedereen voorbij Nieuwerschans of Wuustwezel een cursus Hollandse politicologie nodig hebben om te begrijpen wat we hier te glimlachen hebben als een satiricus consequent spreekt van ‘het kabinet Leugenaar-Zwendelaar’. Satire is een zaak van sousentendus geworden, wat daarbuiten ligt is, inderdaad, het deftige commentaar waarin zorg wordt uitgesproken over het regime van de ayatolla’s of over de onvrijheid in Polen.
Als Pers zou ik graag een jaartje Khomeini volgen, en als Pool met gretigheid stoken in het huwelijk tussen de edelarbeider Walesa en zijn Simonis. Als Nederlander moet ik wachten tot het de paus belieft deze kant op te reizen, om lucht te geven aan mijn onvrede met zijn institutie.
Dryden leek goedgemutst over het rendement van zijn uitlachen. De plaatsgebonden satiricus van 1985 heeft zo zijn skepsis. Zijn opperste effect lijkt bereikt als de door hem aangevallen institutie – laten we zeggen het kabinet Leugenaar-Zwendelaar – kwaad wordt omdat haar ‘vain deeds and vainer thoughts’ zijn onthuld. Maar wat dan nog? En in negenennegentig van de honderd gevallen is de geattaqueerde partij klaarblijkelijk onschendbaar: ze zwijgt, ze glimlacht mee, ze stellt kalt, of erger nog, ze is gecoiffeerd met de satire en stellt nog kälter. De satiricus wie het ernst is probeert zijn grens te verleggen in verhevigd ongenoegen: herhaalt, herneemt, schreeuwt, scheldt – tot hem weinig meer rest dan z’n pen neer te leggen en z’n mitrailleur te pakken. Het alternatief is de literatuur, het veilige, vruchteloze genre waar tenslotte ook Multatuli in stikte, verre van dat Droogstoppel gestikt zou zijn in koffie.
The boldest way, if not the best.
Maar de tegenpartij heeft ook zo zijn manieren.”

 
Jan Blokker (27 mei 1927 – 6 juli 2010)

 

De Amerikaanse dichteres Linda Pastan werd geboren op 27 mei 1932 in New York. Zie ook alle tags voor Linda Pastan op dit blog.

I Married You

I married you for all the wrong reasons,
charmed by your dangerous family history,
by the innocent muscles, bulging like hidden
weapons under your shirt, by your naive ties,
the colors of painted scraps of sunset.
I was charmed too by your assumptions
about me: my serenity— that mirror waiting to be
cracked, my flashy acrobatics with knives in the kitchen.
How wrong we both were about each other,
and how happy we have been.

 

To A Daughter Leaving Home

When I taught you
at eight to ride
a bicycle, loping along
beside you
as you wobbled away
on two round wheels,
my own mouth rounding
in surprise when you pulled
ahead down the curved
path of the park,
I kept waiting
for the thud
of your crash as I
sprinted to catch up,
while you grew
smaller, more breakable
with distance,
pumping, pumping
for your life, screaming
with laughter,
the hair flapping
behind you like a
handkerchief waving
goodbye.


Linda Pastan (New York, 27 mei 1932)

 

De Franse schrijver Louis-Ferdinand Céline (pseudoniem van Louis Ferdinand Destouches) werd geboren in Courbevoie op 27 mei 1894. Zie ook alle tags voor Louis-Ferdinand Céline op dit blog.

Uit: Journey to the End of the Night (Vertaald door Ralph Mannheim)

“As if I knew where I was going, I put on an air of choosing and hanged my direction, taking a different street on my right, one that was better lit. “Broadway” it was called. I read the name on a sign. High up, far above the uppermost stories, there was still a bit of daylight, with sea gulls and patches of sky. We moved in the lower light, a sick sort of jungle light, so gray that the street seemed to be full of grimy cotton waste.
That street was like a dismal gash, endless, with us at the bottom of it filling it from side to side, advancing from sorrow to sorrow, toward an end that is never in sight, the end of all the streets in the world.
There were no cars or carriages, only people and more people.
This was the priceless district, I was told later, the gold district : Manhattan.You can enter it only on foot, like a church. It’s the banking heart and center of the present-day world. Yet some of those people spit on the sidewalk as they pass. You’ve got to have your nerve with you.
It’s a district filled with gold, a miracle, and through the doors you can actually hear the miracle, the sound of dollars being crumpled, for the Dollar is always too light, a genuine Holy Ghost, more precious than blood.
I found time to go and see them, I even went in and spoke to the employees who guard the cash. They’re sad and underpaid.
When the faithful enter their bank, don’t go thinking they can help themselves as they please. Far from it. In speaking to Dollar, they mumble words through a little grill; that’s their confessional. Not much sound, dim light, a tiny wicket between high arches, that’s all. They don’t swallow the Host, they put it on their hearts. I couldn’t stay there long admiring them. I had to follow the crowd in the street, between those walls of smooth shadow.”

 
Louis-Ferdinand Céline (27 mei 1894 – 1 juli 1961)
Cover

 

De Belgische Franstalige schrijver Georges Eekhoud werd in Antwerpen geboren op 27 mei 1854. Zie ook alle tags voor Georges Eekhoud op dit blog.

Uit: Kees Doorik (Vertaald door August Peeters)

“De pachteres, langs hier en daar nog een opmer-king makend, bezag ze eens met zoo’n „air” van „ge zijt maar werkvolk, en daarmee ál”. Maar onverschillig voor die minachting vanwege de bazin, waren ze slechts ingenomen met Paulien, die ze in ’t geniep knepen, terwijl ze een nieuwen ronde jenever schonk. En de blikken der weed gingen onweerstaan-baar terug op Kees Doorik, haar vertrouweling. Hij was toch zóo niet als die lomperiken, die altijd maar opgepropt waren geworden met spek, patatten en botermelk. Zijn manieren waren ge-heel anders. Er stond toch meer verstand te lezen op dat zonder overdrevenheid bollig gezicht, met z’n gitzwarte oogen, z’n lichten haviksneus met be-weeglijke vleugels;. en om zijn ernstigen mond lag er een ongewone zweem, die bij de anderen niet te bespeuren was. Maar wat er, in dat land van bruinen en blonden, Kees het meest deed afsteken, dat was z’n pikzwart haar, waarvan de lokken zoo maar vrijweg zijn klak oplichtten, en zijn welgevormde ooren bedek-ten, om in losse, weelderige krullen ’t voorhoofd te overschaduwen.
De bestuurder van ’t Vondelingenhuis zou, in dien struischen boer, in ’t geheel niet den zwakken bestedeling herkend hebben dien hij voor tien jaar aan Nelis Cramp toevertrouwde, omdat hij er anders geen blijf mee wist. Al was dit voorval reeds zdolang voorbij, toch herinnerde Kees Doorik zich nog volkomen zijn vertrek uit het „Gesticht”. Zekeren dag werd het, kind, nopens wien de dokter alle hoop op herstel laten varen had, in de tegenwoordigheid van den boer gebracht. Het was in het somber spreekvertrek. Een ver-dufte reuk hing daar over alles heen. Met zijn zes paardsharen stoelen, de mahoniehouten tafel, en den ouden Spaanschen schouwmantel, vanwaar een ivoren Kristus en een Moeder Gods meewarig op die armzaligheid neerblikten, had dit vertrek een pijnende kloosterachtigheid. Het ebbenhouten kruis stond daar, even als op een Kalvarieberg, als om te beduiden.: „Leven is lijden.” Het gebeurt wel eens, dat de stedelijke weldadig-heid de kinderen, welke ze niet in de gestichten houden kan, op den boer steekt, om er als hoeve-knechten of landbouwleerjongens in dienst te tre-den. De dorpelingen, bij wie zulk een arm schaap uitbesteed wordt, hebben volle recht op het werk van hun beschermelingen, die het weldadigheids-bureel voorts blijft onderhouden.”

 
Georges Eekhoud (27 mei 1854 – 29 mei 1927)
Cover

 

De Duits-Iraanse dichter en schrijver Said werd geboren op 27 mei 1947 in Teheran. Zie ook alle tags voor Said op dit blog.

Uit: Der lange Arm der Mullahs

“Mai 1981

H. ruft aus dem Iran an. Er will fliehen. Ich versuche, ihn umzustimmen. Er vergißt jegliche Vorsichtsmaßnahmen und schreit ins Tele-phon: „Du hast keine Ahnung, was hier los ist. Mein Bruder hat sich in den Wäldern versteckt. Ich traue mich kaum aus dem Haus. Ich muß hier weg, sonst ersticke ich!” Er bittet mich um die Vermittlung der Flucht. Ich sage ihm, jemand werde ihn in den nächsten Tagen anru-fen. Er bedankt sich und legt auf. Einige Wochen später flieht er, irrsinnigerweise über den Irak, obwohl der Krieg zwischen den beiden Ländern tobt; der Fluchthelfer hat so entschieden.
H. bleibt drei Monate im Irak, in einer kleinen Stadt nahe der Grenze, unter Hausarrest. Er ist bei einer Familie untergebracht, die Persisch spricht. Er darf das Haus nicht verlassen, keine Zeitung, kein Radio, keine Bücher. Der irakische Geheimdienst nimmt ihm sein ganzes Geld ab — zur Aufbewahrung. Einmal in der Woche kommt ein Unteroffizier des Geheim-dienstes, auch er spricht Persisch. Nach jedem Verhör zahlt der Unteroffizier einen Teil der be-schlagnahmten Summe an die Familie, für Kost und Logis. Dreimal muß H. mit diesem Unteroffizier zum Verhör in die nächste Stadt, jedes Mal mit dem Taxi; der Unteroffizier zahlt auch das Taxi von der beschlagnahmten Summe. Schließlich wird H. in Bagdad einem Offizier des Geheim-dienstes vorgeführt, der für den Iran zuständig ist und eben-falls Persisch spricht. Er teilt H. mit, die Untersuchungen hätten ergeben, daß H. kein Spion sei und das Land verlassen könne. Dann wendet sich der Offizier an den Unteroffizier mit der Frage: „Hat der iranische Gast unsere zauberhafte Haupt-stadt kennengelernt?” Als der Unteroffizier die Frage verneint, ruft der Offizier: ‚Die Gastfreundschaft gebietet, daß du dem Gast die Sehens-würdigkeiten unserer Hauptstadt zeigst!” Der Unteroffizier stimmt willig zu. H. würde gerne auf diese Sehenswürdigkeiten verzichten, aber die Gebote der Gastfreundschaft sind stärker. Der Unteroffizier bestellt ein Taxi. Dann besuchen die beiden den ganzen Tag über diverse Bars, wo der Unteroffizier es sich gutgehen läßt —aus H.’s Kasse.“

 
Said (Teheran, 27 mei 1947)

 

De Amerikaanse schrijver John Cheever werd geboren op 27 mei 1912 in Quincy, Massachusetts. Zie ook alle tags voor John Cheever op dit blog.

Uit: The Journals of John Cheever

“It stinks of peanuts and cheap candy. A love song drifts over from the phonograph-record department. The salesgirl is elaborately painted. You buy what you want; and you leave. The street is sunny. The blind Negress on the bus says, “I’m by myself. I’m by myself at home now. I’m by myself on the street. I’m by myself. I’m by myself so much I’m like a statue. I’m by myself like a statue all the time.” She shakes her portable radio. “She ain’t working. I’ve had her on since Ninety-sixth Street and she ain’t made a sound. I guess I’ll have to get her fixed again. She wears out quick.” The man on the train. “Well, I guess I look cheerful enough, but I’m on my way to the hospital. They just called me from the office to tell me that C. fell out of an apple tree and broke her leg in two places. They called me at the office a few minutes ago and I rushed over here and took the train. . . .”These Westchester Sunday nights. There has usually been a party on Saturday night so you wake up with a faint hangover and a mouth burned by a green cigar. The clothes you have left in a heap on the floor smell of stale perfume. You take a shower. You put on old clothes. You drive your wife to church and your children to Sunday school. You rake the leaves off the flower bed. They are too wet to burn. You put a chemical fertilizer on the lawn and examine the bulbs. The Rockinhams, on their way to a Sunday-lunch party at the Armstrongs’, shout their good mornings from the sidewalk. “Isn’t it a glorious day; glorious, glorious.” Your wife and children return from church, still in their stiff clothes. You have a drink before lunch. Sometimes there are guests. You take a walk; you rake more leaves. The children scatter to play with other children. The southbound local, the train that aunts, uncles, and cousins who have gone into the suburbs for lunch take home; the train that cooks, maids, butlers, and other menservants take into town for their half holiday. Sunday is almost over.Awake before dawn, feeling tired and full of resolutions. Do not drink. Do not et cetera, et cetera. The noise of birdsong swelling: flickers, chickadees, cardinals. Then in the midst of this loud noise I thought I heard a parrot. “Prolly want a crackeer,” he said.”

 
John Cheever (27 mei 1912 – 18 juni 1982)
Cover

 

De Amerikaanse schrijver John Barth werd geboren op 27 mei 1930 in Cambridge, Maryland. Zie ook alle tags voor John Barth op dit blog.

Uit:Where Three Roads Meet

“At puberty he discovered in himself a passion for the arts and for academic scholarship; decided by his junior prep-school year that he’d be a poet, a professor of literature or maybe of art history, and on the side a jazz pianist, although he knew his way around classical guitar and string bass as well. Enrolled in the comparably prestigious but decidedly less classy VVLU instead of Harvard/ Yale/Princeton, because it offered an experimental program wherein selected students could on their adviser’s recommendation become virtual Ph.D. candidates early in their undergraduate careers, commence supervised original research in their chosen disciplines, and complete their doctorates as early as five years after matriculation. Al was, moreover, no stranger to the capitals of Europe and elsewhere, the Baumanns having often vacationed abroad before and after the war as well as having gone with Doctor Dad to oncological conferences in sundry foreign venues-whence their son had acquired what to friend Will, at least, was an enviable familiarity with places and languages, wines and cuisines, and the ways of the world, including self-confidence with the opposite sex: a sophistication the more impressive because worn lightly, even self-deprecatingly.
“Trivia,” Al liked to say about such casually imparted but attentively received life lessons as that slope-shouldered red-wine bottles contain Burgundies and round-shouldered ones Bordeaux, the former to be enjoyed promptly and the latter “laid down” some years to mature; that both kinds need to “breathe” awhile after opening before being drunk (except for Châteauneuf-du-Pape); that provolone has four syllables, not three; that making circles with one’s thumbs and forefingers is a handy reminder that one’s bread plate on a restaurant table is the one at one’s left hand (small “b”) and one’s drinking glass the one at one’s right (small “d”): “It’s what’s here, here, and here that matters,” indicating in turn his or Will’s (or Winnie’s) head, heart, and crotch.
But from whom if not gentle (slope-shouldered, indeed Chianti-bottle-shaped) Al Baumann did Will learn how to tie a full-Windsor necktie knot, navigate the city’s bus and trolley lines, successfully hail a cruising taxicab and compute the driver’s tip, play sambas and rhumbas and kazatskies and frailichs as the occasion warranted in addition to their new jazz trio’s usual repertory?”

 
John Barth (Cambridge, 27 mei 1930)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

Niels ’t Hooft, Jan Blokker, Linda Pastan, Louis-Ferdinand Céline, Georges Eekhoud, Said, John Cheever, John Barth

De Nederlandse schrijver, journalist, blogger en gamedeskundige Niels ’t Hooft werd geboren in Leiderdorp op 27 mei 1980. Zie ook alle tags voor Niels ‘t Hooft op dit blog.

Uit: Hou me vast of ik hyperventileer

“Ze zit tegenover me. Halflang lichtbruin haar, strak rood jasje, stippelblouse, grijsleren handtas. Een gesatureerd graslandschap trekt aan ons voorbij. Elektriciteitsmasten aan de horizon, uitbundige zon. Op ons na is de coupé leeg. Het is maandagochtend, kwart over tien, ik ben op weg naar Maastricht, en ik schat haar 28.
Ze rommelt met een aluminium doosje, afgeronde hoeken, waaruit ze een contactlens haalt. Het doosje heeft één compartiment. Naast de schroefrand zit een lampje. Ze legt de lens op haar wijsvinger en houdt hem tegen het licht. Heel even draait ze een zonnestraal, zonder het te merken, recht in mijn gezicht. Ze doet lenzenvloeistof op de lens, trekt haar ooglid omlaag en laat de lens routineus op zijn plek zakken. Dan klikt ze het doosje dicht. In het deksel zit een lichtgevende appel verzonken, die na sluiting een paar keer pulseert en dan langzaam uitdooft. Ze kijkt op, naar mij, en ik richt me weer op de krant.
Dit is de toekomst, maar aan mij is niets veranderd. De wereld overkomt me als voorheen. ’s Morgens neem ik het nieuws tot me, in inkt gedrukt op papier. Meestal doe ik dat in een koffiezaak, maar als het even kan in de trein, zodat ik toch nog de sensatie van vooruitgang ervaar. De trein is niet goedkoop, maar ik neem boterhammen mee, en een thermoskan koffie. Als de ergste spits voorbij is, stap ik in. Een of twee coupés volstaan om de kranten bij elkaar te sprokkelen, inclusief de weekendbijlages. Her en der heeft iemand iets uitgescheurd, een recensie van een game die ik niet speel of een reportage over een technologie die ik niet gebruik. Maar niemand neemt verhalen over politiek mee. Wie daar om geeft, heeft zelf een abonnement.
Ik ben snel oud geworden. Geboren in 1980, op de grens tussen de laatste generatie die opgroeide zonder internet en mobiele telefoons, en de eerste generatie die niet anders heeft gekend. Met enthousiasme nam ik ze in gebruik, maar toen ik mijn baan verloor en, later, van de bijstand moest gaan leven, liet ik ze net zo makkelijk weer los.”

 
Niels ’t Hooft (Leiderdorp, 27 mei 1980)

Doorgaan met het lezen van “Niels ’t Hooft, Jan Blokker, Linda Pastan, Louis-Ferdinand Céline, Georges Eekhoud, Said, John Cheever, John Barth”

Jan Blokker, Niels ’t Hooft, Louis-Ferdinand Céline, Georges Eekhoud, Said, John Cheever, John Barth

 

De Nederlandse schrijver, journalist en columnist Jan Blokker werd geboren in Amsterdam op 27 mei 1927. Zie ook alle tags voor Jan Blokker op dit blog.

Uit: De locomotief rijdt

“‘Van films wordt verwacht dat ze ergens over gaan, zoals dat ook wordt verwacht van boeken, brochures, krantenartikelen of ander geschreven materiaal. Beeldkijkers zijn daarbij net als letterlezers bijna altijd voorbereid op waar het over zal gaan, want dát vooral bepaalt hun keuze. De één wil wijzer worden en kiest consequent voor documentaires, de ander heeft het avontuur in de tropen lief en sloeg vroeger nooit een film over van Dorothy Lamour en haar lamé zwempakken. Een mededeling, een Boodschap of een verhaal – in alle gevallen wordt het houvast verschaft door een inhoud.
In tegenstelling tot de oudste geschréven inhoud is de oudste filminhoud zeer wel bekend, want die is ook maar van nog geen tachtig jaar geleden. Het ligt overigens voor de hand te veronderstellen dat de inhoud van de eerste geschreven tekst ons even erg zou ‘tegenvallen’ als die van de eerste filmbeelden. Het oerfilmbeeld is een stoomtrein die anno 1895 een Frans station binnenloopt (of een soortgelijke trein langs een Amerikaans perron: net als de boekdrukkunst heeft de cinematografie twee uitvinders), en wat er onmiddellijk aan beelden op volgt is even rauw, ongestileerd en ‘naturalistisch’: arbeiders die een fabriek verlaten, twee meisjes doen een paraplu-dans, een moeder geeft haar kind de borst, een man stapt uit een rijtuig; we schijnen te maken te hebben met het huis-tuin-en-keuken-kiekjes-stadium van de film. Doorslaggevend bij dat alles is de illusie van de werkelijkheidsbetrapping. Parijse kranten schrijven na de eerste demonstratie van de gebroeders Lumière over de ‘mathematische getrouwheid’ van de vertoonde beelden en over ‘tableaux vivants animés d’une vie absolument intense’, en becijferen met vooruitziende blik de dankbaarheid van latere generaties voor wat de Kinematographe kan bewaren: ‘on pourra par exemple revoir agir les siens longtemps après qu’on les aura perdus’. (Le Radical, eind december 1895). Dat laatste is natuurlijk het waarst van alles – wat er ook tegenvalt aan het oerfilmbeeld, het laat ons in ieder geval zien hoe een locomotief er in 1895 uitzag en bewoog, en dan heb ik ’t nog niet eens over de gelukkige omstandigheid dat de Lumières net op tijd waren met hun uitvinding om de kroning van de laatste tsaar aller Russen (14 mei 1896) met mathematische getrouwheid te laten vereeuwigen.”

 
Jan Blokker (27 mei 1927 – 6 juli 2010)

Doorgaan met het lezen van “Jan Blokker, Niels ’t Hooft, Louis-Ferdinand Céline, Georges Eekhoud, Said, John Cheever, John Barth”

Jan Blokker, Niels ’t Hooft, Louis-Ferdinand Céline, Kaur Kender, Georges Eekhoud, Said, Adriaan Venema

De Nederlandse schrijver, journalist en columnist Jan Blokker werd geboren in Amsterdam op 27 mei 1927. Zie ook alle tags voor Jan Blokker op dit blog.

Uit: Anna

“Ik zie hen voor mij staan: midden in de kamer naast een toren van grote blokken die net zo hoog is als hijzelf. Vorsend kijkt hij in mijn richting. ‘Help, Opa, help mij!’ Hij wijst op zijn bouwwerk: ‘Opa, kom hier!’
Ik druk af. Voor de lens schuift een vergeeld plaatje van 35 jaar geleden: Wietske, in deze zelfde kamer. In haar hand houdt ze een kwart appel. Naast haar zit Anna met een aardappelmesje en het klokhuis. Ze lacht vaag naar iets buiten beeld.
Ik laat de camera zakken: Albert kijkt me aan met Anna’s wijd open ogen van verbazing. Dan lijkt hij zich te bedenken; hij loopt op me toe, pakt mijn gezicht met beide handen vast en dwingt me, hem aan te kijken: ‘Kijk, Opa!’
‘Ik zal je eens een foto laten zien van vroeger,’ zeg ik; ‘toen mamma net zo groot was als jij nu; samen met Oma.’
Hij komt tegen m’n knieën staan en steekt z’n duim in z’n mond. Geduldig kijkt hij in het fotoboek. ‘Of zullen we naar buiten gaan,’ zeg ik. Direct rent hij de gang in en pakt z’n jas. ‘Ik doet!’ roept hij terwijl hij, op z’n tenen staande, probeert, de deur te openen. ‘Kan niet,’ zegt hij. ‘Nee, want ik heb de deur op slot gedaan.’
Hij staat voor me en hipt van zijn ene been op ’t andere; ik probeer zijn jas dicht te ritsen en zijn das om te doen. ‘Heb toren gebouwd!’
‘Jazeker, dat heb je; en nu gaan we lopen.’ Ik doe de deur open en hij rent voor me uit tot aan het hek. Ik volg op enige afstand.
Hand in hand lopen we de dijk af in de richting van het oude land. Bij ’t Zant gekomen laat hij me los en rent het pad op. ‘Is boomerd!!’ roept hij juichend. ‘Ja, jongen, ’t Is de bongerd; maar Opa kan niet meer zo hard
.’

 
Jan Blokker (27 mei 1927 – 6 juli 2010)

Doorgaan met het lezen van “Jan Blokker, Niels ’t Hooft, Louis-Ferdinand Céline, Kaur Kender, Georges Eekhoud, Said, Adriaan Venema”

Louis-Ferdinand Céline, Jan Blokker, Niels ’t Hooft, Kaur Kender, Georges Eekhoud

De Franse schrijver Louis-Ferdinand Céline (pseudoniem van Louis Ferdinand Destouches) werd geboren in Courbevoie op 27 mei 1894. Zie ook alle tags voor Louis-Ferdinand Céline op dit blog.

Uit: Journey To The End Of The Night (Vertaald door Ralph Manheim)

 

“Lola had a genuine official uniform, and it was really natty, decorated with little crosses all over, on the sleeves and on the tiny cap that she perched at a rakish angle on her wavy hair. She’d come to help us save France, as she told the hotel manager, to the best of her humble ability but with all her heart! We understood each other right away, but not completely, because the transports of the heart were beginning to give me a pain, I was more interested in the transports of the body. You can’t trust the heart, not at all. I’d learned that in the war, and I wasn’t going to forget it in a hurry.

Lola’s heart was tender, weak, and enthusiastic. Her body was sweet, it was adorable, so what could I do but take her all together as she was? Lola was a good kid all right, but between us stood the war, the monstrous frenzy that was driving half of humanity, lovers or not, to send the other half to the slaughterhouse. Naturally this interfered with our relationship. 

To me her body was a joy without end. I never wearied of exploring that American body. I have to admit that I was a terrible lecher. I still am. And I formed the pleasant and fortifying conviction that a country capable of producing bodies so daringly graceful, so tempting in their spiritual flights, must have countless other vital revelations to offer, of a biological nature, it goes without saying.

I made up my mind, while feeling and fondling Lola, that sooner or later I’d take a trip, or call it a pilgrimage, to the United States, the sooner the better. And the fact is that I knew neither peace nor rest (in an implacably adverse and harassed life) until I managed to go through with that profound and mystically anatomical adventure.

So it was in the immediate vicinity of Lola’s rear end that I received the message of a new world. Of course Lola wasn’t all body, she also had a wee little face that was adorable and just a bit cruel because of her gray-blue eyes that slanted slightly upward at the corners like a wildcat’s.”

 

 

Louis-Ferdinand Céline (27 mei 1894 – 1 juli 1961)

Doorgaan met het lezen van “Louis-Ferdinand Céline, Jan Blokker, Niels ’t Hooft, Kaur Kender, Georges Eekhoud”

Annette von Droste-Hülshoff, Louis-Ferdinand Céline, Jan Blokker, Niels ’t Hooft

Prettige Pinksterdagen!

 

vandyk

The Descent of the Holy Spirit, Anthony van Dyck. 1618-1620

 

Am Pfingstsonntage

Still war der Tag, die Sonne stand
So klar an unbefleckten Domeshallen;
Die Luft in Orientes Brand
Wie ausgedorrt, ließ matt die Flügel fallen.
Ein Häuflein sieh, so Mann als Greis,
Auch Frauen knieend, keine Worte hallen,
Sie beten leis.
Wo bleibt der Tröster, treuer Hort,
Den scheidend doch verheißen du den Deinen?
Nicht zagen sie; fest steht dein Wort,
Doch bang und trübe muß die Zeit wohl scheinen.
Die Stunde schleicht; schon vierzig Tag’
Und Nächte harrten sie in stillem Weinen,
Und sahn dir nach.
Wo bleibt er? wo nur? Stund’ an Stund’,
Minute will sich reihen an Minuten.
Wo bleibt er denn? – und schweigt der Mund:
Die Seele spricht es unter leisem Bluten.
Der Wirbel stäubt, der Tiger ächzt
Und wälzt sich keuchend durch die sand’gen Fluten,
Die Schlange lechzt.
Da horch! ein Säuseln hebt sich leicht!
Es schwillt und schwillt und steigt zu Sturmes Rauschen.
Die Gräser stehen ungebeugt;
Die Palme starr und staunend scheint zu lauschen.
Was zittert durch die fromme Schar,
Was läßt sie bang’ und glühe Blicke tauschen?
Schaut auf! nehmt wahr!
Er ist’s, er ist’s; die Flamme zuckt
Ob jedem Haupt; welch wunderbares Kreisen,
Was durch die Adern quillt und ruckt!
Die Zukunft bricht, es öffnen sich die Schleusen,
Und unaufhaltsam strömt das Wort
Bald Heroldsruf und bald im flehend leisen
Geflüster fort.
O Licht, o Tröster, bist du, ach!
Nur jener Zeit, nur jener Schar verkündet?
Nicht uns, nicht überall, wo wach
Und trostesbar sich eine Seele findet?
Ich schmachte in der schwülen Nacht,
O leuchte, eh das Auge ganz erblindet;
Es weint und wacht!



Annette von Droste-Hülshoff (10 januari 1797 – 24 mei 1848)

Het kabinet ‚Annette von Droste-Hülshoff’ in het Stadtmuseum, Münster

Doorgaan met het lezen van “Annette von Droste-Hülshoff, Louis-Ferdinand Céline, Jan Blokker, Niels ’t Hooft”