Jamie McKendrick, Fran Lebowitz, Josef Václav Sládek, Enid Bagnold, Kazimierz Brandys, Reza Allamehzadeh

De Engelse dichter en vertaler Jamie McKendrick werd op 27 oktober 1955 in Liverpool geboren. Zie ook alle tags voor Jamie McKendrick op dit blog.

A Mole of Sorts

The digging creature has been at work again
out there — first a modest trough with a crest
of dry earth, fit for a starling or a thrush
to rest in. No big deal except to some yellow ants
doing repairs, carrying stuff on their hods.
Next day the hole was deeper,
deeper and wider, encroaching on the lawn
which yielded inch by inch each clump of turf
as though to a pendulum or scythe.

Asleep, I sat talking to an animal:
three-, four-foot long with silky white fur
and slim interminable fingernails
lucid as biro shafts or goose quills.
They made the plasticky click
of knitting needles as he waved them
in front of his pink snout as if to dry
the shining varnish. He was indeed
he declared to me a mole of sorts.

In a question of days, two weeks at most,
the lavender, the rose bush, the bay plant,
the bindweed, the lilac tree, the brambles
and the potato vine had disappeared
leaving a long rectangular pit
like the foundations of a house
that would never be built, never be lived in.
Then I suppose that was the job done
and the digger moved on to another plot

 
Jamie McKendrick (Liverpool, 27 oktober 1955)

 

De Amerikaanse schrijfster Frances Ann “Fran” Lebowitz werd geboren op 27 oktober 1950 in Morristown, New Jersey. Zie ook alle tags voor Frans Lebowitz op dit blog.

Uit: Fran Lebowitz Doesn’t Have a Cell Phone, But Knows Everything That Happens on Social Media Anyway (Interview door Stephanie Eckardt op W Magazine)

“Have you read any new novelists lately that you’re excited about?
By new novelists you probably mean people right out of writing school, which didn’t use to exist. I mean, it’s not that I’m against the idea of new novelists. I’m always asking people if they’ve read anything new that is really good. They very rarely say yes, and when they do, they’re often wrong. My idea of a new novelist is someone who’s still alive. I read Darryl Pinckney’s novel, Black Deutschland. I’m sure he’s not your idea of young, but he’s younger than me. That might be the most recent novel I read by someone who’s alive.

What about by someone who’s not?
My great preference. You know what, I just read Little Dorrit, because I asked a friend of mine what she recommended and she said “Did you ever read Little Dorritt?” And I said, “I think I did not,” because when I was young, I was not the world’s biggest [Charles] Dickens fan. So I did read it, and I would highly recommend it, and he is definitely not alive. The great thing about writers who are not alive is that you don’t meet them at parties.

Do you watch any TV shows?
I watch TV all night long, I flip it on and off. But I have to tell you that watching TV is really an exact description, by which I mean if something interests me I’ll watch it ‘til the commercial, then I’ll flip and I don’t even remember that I watched it anymore. I know this is against the law, but I am also the only person I know of who is not presently obsessed with television. I never imagined that I would live to see a day where people talked about television all the time. I’m astounded by the number of people who — do you realize how much TV you’re watching? Thousands of hours. Thousands of hours. And people now think it’s like a requirement. I have to go, I have 75 episodes of such and such I have to watch. I’m not saying these shows are not good, I’m just saying maybe if I was three years old and I imagined I had this amount of time ahead of me, I might start pursuing it.

Do you have cable?
I do. When they first invented cable television, I didn’t get it. I thought it was ridiculous to pay to watch television. It should be free, like water. [Laughs.] I didn’t get it until they built the World Trade Center (I mean the initial one) because that cut off the TV reception to downtown. So I do have cable television.”

 
Fran Lebowitz (Morristown, 27 oktober 1950)

 

De Tsjechische schrijver, dichter, journalist en vertaler Josef Václav Sládek werd geboren op 27 oktober 1845 in Zbiroh. Zie ook alle tags voor Josef Václav Sládek op dit blog.

We’ll Last, As We’ve Lasted

We’ll last, as we’ve lasted
up till now, awoken,
though fate-battered, blasted,
never crushed or broken.

Many tidal surges
at our promontory
fought off down the ages,
we’ll fight on, yield nary!

Though our flags be rended,
rooftop torn, storm-blustered,
we’ll stay, our house tended
by our hands, own-mastered.

Let seas seethe, rapacious,
by our blood outlasted,
gutsy, contumacious,
we’ll last, as we’ve lasted!

 

Vertaald door Václav Z J Pinkava

 
Josef Václav Sládek (27 oktober 1845 – 28 juni 1912)

 

De Britse schrijfster Enid Algerine Bagnold werd geboren op 27 oktober 1889 in Rochester, Kent. Zie ook alle tags voor Enid Bagnold op dit blog.

Uit: A Diary Without Dates

“When one shoots at a wooden figure it makes a hole. When one shoots at a man it makes a hole, and the doctor must make seven others.
I heard a blackbird sing in the middle of the night last night – two bars, and then another. I thought at first it might be a burglar whistlingto his mate in the black and rustling garden.
But it was a blackbird in a nightmare.
Those distant guns again tonight…
Now a lull and now a bombardment; again a lull, and then batter,batter, and the windows. Is the lull when they go over the top?
I can only think of death tonight. I tried to think just now, ‘What is it, after all! Death comes anyway; this only hastens it.’ But that won’tdo; no philosophy helps the pain of death. It is pity, pity, pity, that I feel, and sometimes a sort of shame that I am here to write at all.
Summer… Can it be summer through whose hot air the guns shakeand tremble? The honeysuckle, whose little stalks twinkled and shone that January night, has broken at each woody end into its crumbled flower.
Where are the frost, the snow? … Where are the dead?
The sound of a bombardment at the Front, which could be heard in England.
Where are my trouble and my longing, and the other troubles, and the happiness in other summers?
Alas, the long history of life! There is that in death that makes the throat contract and the heart catch: everything is written in water.
We talk of tablets to the dead, there can be none but in the heart, and the heart fades.”

 
Enid Bagnold ( 27 oktober 1889 – 3 maart 1981)

 

De Poolse schrijver Kazimierz Brandys werd geboren op 27 oktober 1916 in Lodz. Zie ook alle tags voor Kazimierz Brandys op dit blog.

Uit: Maanden (Vertaald door Liesbeth Schnack-Dijkhuis)

“November 1978
Honderd passen van mijn poortdeur. Al twintig jaar blijven daar groepen buitenlandse toeristen even staan, al twintig jaar hoor ik diezelfde hese bariton: ‘That is the old gothic door of fifteenth century!’ Daarop weerklinkt het toeristisch gekakel, de groep bekijkt mijn poort. Sinds twintig jaar vervloek ik dat wezen en haat ik zijn heesheid. Pas een maand geleden heb ik, op weg naar huis, die gids voor het eerst gezien. Het was een vrouw, al wat ouder, met donkere, lachende ogen, waarmee ze me niet zonder sympathie een steelse blik toewierp, alsof ze mijn langjarige kwellingen begreep. Haar schoenen zaten onder de modder. Ik voel sindsdien geen haat meer als ik haar bariton beneden hoor. Op honderd passen van mijn poort gebeuren wonderen. Niet overdrachtelijk, nee, echte wonderen, met een wonderdoener die uit Engeland is gekomen. Tussen het Bastion en de Swietojerskastraat staat al sinds vroeg in de ochtend een menigte. Mensen op karretjes, mannen met kinderen op de arm, grijsaards, verlamde vrouwen, zonen die hun moeders in rolstoelen voortduwen, een hoop mensen met een schijnbaar gezond uiterlijk, veel jonge gezichten. De zijstraten zijn aan het eind versperd met auto’s, er komen ziekenauto’s aangereden. De menigte staat uren te wachten, om de zoveel tijd klinkt er aan de voet van de Heilige-Jacekkerk een megafoon die nummers en namen afroept. De healer, Clive Harris, geneest door handoplegging. De zieken schuiven ieder op hun beurt naar voren, er is een stem van een vrouwelijke tolk te horen: ‘Head… Leg… Breast…’ De healer, zijn ogen halfdicht, beroert hoofden, armen, borsten. Naar het schijnt neemt hij de pijn weg en doet zijn aanraking gezwellen wijken. Harris is een veertigjarige man, kort van gestalte, met kleine handen en voeten; hij heeft iets ziekelijks over zich, een soort kreupele jongensachtigheid. Hij beroert de zieken als in trance. De header uit roeping straalt – naar ik heb gehoord – elektromagnetische golven uit. Om de paar uur drinkt hij twee, drie bekers melk. De wonderen berusten ook op belangeloosheid. Harris neemt geen geld aan.
Over dat alles vertelde mevrouw Helenka, die op haar reumatische benen even bij ons langs was gekomen om uit te rusten nadat ze vijf uur in de menigte had gestaan. Ontdaan kwam ze binnen, een zilvervos aan, een vilten, roestbruine baret op het hoofd en ringen in de oren. Ze werkt nu al acht jaar niet meer bij ons, maar twintig jaar lang heeft ze bij ons gediend, na de oorlog aanbevolen door mevrouw Bronia, de vroegere huishoudster van tante Klima Heyman, de overleden zuster van mijn moeder. Ik schoof mijn werk opzij om wat met haar te praten. We hadden het over ziektes, over mensen die overleden waren, over de duurte.”

 
Kazimierz Brandys (27 oktober 1916 – 11 maart 2000)
Cover

 

De Iraanse schrijver en filmmaker Reza Allamehzadeh werd geboren op 27 oktober 1943 in Sari, Mazandaran. Zie ook alle tags voor Reza Allamehzadeh op dit blog.

Uit: Steril und illusorisch. Iranische Erfahrungen mit dem „islamischen Kino“

“Vierzehn Jahrhunderte nach Erscheinen des Propheten hat es die islamische Revolution im Iran auf sich genommen, endlich das heilige Bilderverbot des Koran durchzusetzen. Mit zu den ersten Aktionen der damals noch jungen Bewegung gehörte das Abbrennen von Kinos in Teheran und anderen Städten. Die Brandstiftungen erreichten im September 1978 einen Höhepunkt, als das „Rex“ im südiranischen Abadan von religiösen Fanatikern und Khomeini-Anhängern angezündet wurde; sie verschlossen alle Ausgänge des mit 400 Menschen besetzten Kinosaales und legten Feuer. Von den 400 Männern, Frauen und Kindern, die sich dort eingefunden hatten, um einen iranischen Film zu sehen, verbrannten 377 bei lebendigem Leibe. In diesem Kontext sah das iranische Kino der Ankunft der islamischen Revolution entgegen.
Nach seinem Machtantritt 1979 ließ sich Khomeini von engen Beratern überreden, zwei Filme des in den USA lebenden arabischen Regisseurs Mostafa A’ghad anzusehen; beide Filme, The Messenger und Omar Mokhtar, sind Beispiele für aufwendige Hollywoodproduktionen, in denen ein islamisches Thema im Zentrum steht. Wenig später machte Khomeini eine seiner obskuren und orakelhaften Äußerungen, die seinen Ruf als unbestrittener Meister der Doppeldeutigkeiten begründeten: „Wir sind nicht gegen das Kino, wir sind gegen Prostitution.“ Seit diesem Tag versucht die iranische Filmindustrie herauszufinden, was genau der Meister damit gemeint haben könnte. Die orthodoxe Auffassung ist simpel genug: „Wir sind gegen das Kino, weil es Prostitution ist.“ Der zur Zeit gültige Trend in den Regierungsinstitutionen, die die Filmindustrie kontrollieren, läßt den Satz folgendermaßen interpretieren: „Wir sind gegen die Art von Kino, die Prostitution bedeutet, nicht aber gegen ein islamisches Kino.“ Das islamische Regime hat einige Jahre gebraucht, um zu erkennen, daß die Konzeption eines islamischen Kinos illusorisch ist.
Der Direktor der Kulturabteilung in einer der größten Regierungsstellen „für islamische Filmproduktion“, Mohsen Tabatab’i, hat erklärt: „Die beste Definition des islamischen Kinos besagt, daß das Kino in der Propagierung des Islam eine eigene Rolle zu spielen hat — so wie auch die Moschee ihre Aufgabe hat.“ Um dieses Ziel zu erreichen, gibt die Filmstiftung jährlich 25 bis 40 Millionen US-Dollar aus — „zur Förderung des neuen islamischen Films“. Die „Bonyad-e-Mostafazan“ („Stiftung der Schwachen“) besitzt etwa 80 Prozent aller iranischen Kinos.”


Reza Allamehzadeh (Sari, 27 oktober 1943)

Sylvia Plath, Dylan Thomas, Zadie Smith, Nawal el Saadawi, Albrecht Rodenbach, Jamie McKendrick, Fran Lebowitz, Josef Václav Sládek, Enid Bagnold

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Sylvia Plath werd geboren op 27 oktober 1932 in Jamaica Plain, een buitenwijk van Boston. Zie ook mijn blog van 27 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Sylvia Plath op dit blog.

Ariel

Stasis in darkness.
Then the substanceless blue
Pour of tor and distances.

God’s lioness,
How one we grow,
Pivot of heels and knees!—The furrow

Splits and passes, sister to
The brown arc
Of the neck I cannot catch,

Nigger-eye
Berries cast dark
Hooks—

Black sweet blood mouthfuls,
Shadows.
Something else

Hauls me through air—
Thighs, hair;
Flakes from my heels.

White
Godiva, I unpeel—
Dead hands, dead stringencies.

And now I
Foam to wheat, a glitter of seas.
The child’s cry

Melts in the wall.
And I
Am the arrow,

The dew that flies
Suicidal, at one with the drive
Into the red

Eye, the cauldron of morning.

 

Edge

The woman is perfected.
Her dead

Body wears the smile of accomplishment,
The illusion of a Greek necessity

Flows in the scrolls of her toga,
Her bare

Feet seem to be saying:
We have come so far, it is over.

Each dead child coiled, a white serpent,
One at each little

Pitcher of milk, now empty.
She has folded

Them back into her body as petals
Of a rose close when the garden

Stiffens and odors bleed
From the sweet, deep throats of the night flower.

The moon has nothing to be sad about,
Staring from her hood of bone.

She is used to this sort of thing.
Her blacks crackle and drag.

 
Sylvia Plath (27 oktober 1932 – 11 februari 1963)

Doorgaan met het lezen van “Sylvia Plath, Dylan Thomas, Zadie Smith, Nawal el Saadawi, Albrecht Rodenbach, Jamie McKendrick, Fran Lebowitz, Josef Václav Sládek, Enid Bagnold”

Sylvia Plath, Dylan Thomas, Zadie Smith, Nawal el Saadawi, Albrecht Rodenbach, Jamie McKendrick, Fran Lebowitz, Reza Allamehzadeh

 De Amerikaanse dichteres en schrijfster Sylvia Plath werd geboren op 27 oktober 1932 in Jamaica Plain, een buitenwijk van Boston. Zie ook mijn blog van 27 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Sylvia Plath op dit blog.

All Appearance

The smile of iceboxes annihilates me.
Such blue currents in the veins of my loved one!
I hear her great heart purr.

From her lips ampersands and percent signs
Exit like kisses.
It is Monday in her mind: morals

Launder and present themselves.
What am I to make of these contradictions?
I wear white cuffs, I bow.

Is this love then, this red material
Issuing from the steele needle that flies so blindingly?
It will make little dresses and coats,

It will cover a dynasty.
How her body opens and shuts-
A Swiss watch, jeweled in the hinges!

O heart, such disorganization!
The stars are flashing like terrible numerals.
ABC, her eyelids say.

 

Incommunicado

The groundhog on the mountain did not run
But fatly scuttled into the splayed fern
And faced me, back to a ledge of dirt, to rattle
Her sallow rodent teeth like castanets
Against my leaning down, would not exchange
For that wary clatter sound or gesture
Of love : claws braced, at bay, my currency not hers.

Such meetings never occur in marchen
Where love-met groundhogs love one in return,
Where straight talk is the rule, whether warm or hostile,
Which no gruff animal misinterprets.
From what grace am I fallen. Tongues are strange,
Signs say nothing. The falcon who spoke clear
To Canacee cries gibberish to coarsened ears.

 

Dirge for a Joker

Always in the middle of a kiss
Came the profane stimulus to cough;
Always from the pulpit during service
Leaned the devil prompting you to laugh.

Behind mock-ceremony of your grief
Lurked the burlesque instinct of the ham;
You never altered your amused belief
That life was a mere monumental sham.

From the comic accident of birth
To the final grotesque joke of death
Your malady of sacrilegious mirth
Spread gay contagion with each clever breath.

Now you must play the straight man for a term
And tolerate the humor of the worm.

 
Sylvia Plath (27 oktober 1932 – 11 februari 1963)
Hier met dichter en echtgenoot Ted Hughes

Doorgaan met het lezen van “Sylvia Plath, Dylan Thomas, Zadie Smith, Nawal el Saadawi, Albrecht Rodenbach, Jamie McKendrick, Fran Lebowitz, Reza Allamehzadeh”

Sylvia Plath, Dylan Thomas, Zadie Smith, Nawal el Saadawi, Albrecht Rodenbach, Jamie McKendrick, Reza Allamehzadeh

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Sylvia Plath werd geboren op 27 oktober 1932 in Jamaica Plain, een buitenwijk van Boston. Zie ook mijn blog van 27 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Sylvia Plath op dit blog.

Child’s Park Stones

In sunless air, under pines
Green to the point of blackness, some
Founding father set these lobed, warped stones
To loom in the leaf-filtered gloom
Black as the charred knuckle-bones

Of a giant or extinct
Animal, come from another
Age, another planet surely. Flanked
By the orange and fuchsia bonfire
Of azaleas, sacrosanct

These stones guard a dark repose
And keep their shapes intact while sun
Alters shadows of rose and iris —
Long, short, long — in the lit garden
And kindles a day’s-end blaze

Colored to dull the pigment
Of azaleas, yet burnt out
Quick as they. To follow the light’s tint
And intensity by midnight
By noon and throughout the brunt

Of various weathers is
To know the still heart of the stones:
Stones that take the whole summer to lose
Their dream of the winter’s cold; stones
Warming at core only as

Frost forms. No man’s crowbar could
Uproot them: their beards are ever-
Green. Nor do they, once in a hundred
Years, go down to drink the river:
No thirst disturbs a stone’s bed.

 

Doom of Exiles

Now we, returning from the vaulted domes
Of our colossal sleep, come home to find
A tall metropolis of catacombs
Erected down the gangways of our mind.

Green alleys where we reveled have become
The infernal haunt of demon dangers;
Both seraph song and violins are dumb;
Each clock tick consecrates the death of strangers

Backward we traveled to reclaim the day
Before we fell, like Icarus, undone;
All we find are altars in decay
And profane words scrawled black across the sun.

Still, stubbornly we try to crack the nut
In which the riddle of our race is shut.
 

 

Family Reunion

Outside in the street I hear
A car door slam; voices coming near;
Incoherent scraps of talk
And high heels clicking up the walk;
The doorbell rends the noonday heat
With copper claws;
A second’s pause.
The dull drums of my pulses beat
Against a silence wearing thin.
The door now opens from within.
Oh, hear the clash of people meeting —
The laughter and the screams of greeting :

Fat always, and out of breath,
A greasy smack on every cheek
From Aunt Elizabeth;
There, that’s the pink, pleased squeak
Of Cousin Jane, out spinster with
The faded eyes
And hands like nervous butterflies;
While rough as splintered wood
Across them all
Rasps the jarring baritone of Uncle Paul;
The youngest nephew gives a fretful whine
And drools at the reception line.

Like a diver on a lofty spar of land
Atop the flight of stairs I stand.
A whirlpool leers at me,
I cast off my identity
And make the fatal plunge.         

 
Sylvia Plath (27 oktober 1932 – 11 februari 1963)
Hier met dichter en echtgenoot Ted Hughes

Doorgaan met het lezen van “Sylvia Plath, Dylan Thomas, Zadie Smith, Nawal el Saadawi, Albrecht Rodenbach, Jamie McKendrick, Reza Allamehzadeh”

Sylvia Plath, Dylan Thomas, Zadie Smith, Nawal el Saadawi, Albrecht Rodenbach, Jamie McKendrick, Reza Allamehzadeh

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Sylvia Plath werd geboren op 27 oktober 1932 in Jamaica Plain, een buitenwijk van Boston. Zie ook mijn blog van 27 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Sylvia Plath op dit blog.

The Everlasting Monday

Thou shalt have an everlasting
Monday and stand in the moon.

The moon’s man stands in his shell,
Bent under a bundle
Of sticks. The light falls chalk and cold
Upon our bedspread.
His teeth are chattering among the leprous
Peaks and craters of those extinct volcanoes.

He also against black frost
Would pick sticks, would not rest
Until his own lit room outshone
Sunday’s ghost of sun;
Now works his hell of Mondays in the moon’s ball,
Fireless, seven chill seas chained to his ankle.

 

April Aubade

Worship this world of watercolor mood
in glass pagodas hung with veils of green
where diamonds jangle hymns within the blood
and sap ascends the steeple of the vein.

A saintly sparrow jargons madrigals
to waken dreamers in the milky dawn,
while tulips bow like a college of cardinals
before that papal paragon, the sun.

Christened in a spindrift of snowdrop stars,
where on pink-fluted feet the pigeons pass
and jonquils sprout like solomon’s metaphors,
my love and I go garlanded with grass.

Again we are deluded and infer
that somehow we are younger than we were.

 

Ode For Ted

From under the crunch of my man’s boot
green oat-sprouts jut;
he names a lapwing, starts rabbits in a rout
legging it most nimble
to sprigged hedge of bramble,
stalks red fox, shrewd stoat.

Loam-humps, he says, moles shunt
up from delved worm-haunt;
blue fur, moles have; hefting chalk-hulled flint
he with rock splits open
knobbed quartz; flayed colors ripen
rich, brown, sudden in sunlight.

For his least look, scant acres yield:
each finger-furrowed field
heaves forth stalk, leaf, fruit-nubbed emerald;
bright grain sprung so rarely
he hauls to his will early;
at his hand’s staunch hest, birds build.

Ringdoves roost well within his wood,
shirr songs to suit which mood
he saunters in; how but most glad
could be this adam’s woman
when all earth his words do summon
leaps to laud such man’s blood!

 
Sylvia Plath (27 oktober 1932 – 11 februari 1963)
Hier met dichter  en echtgenoot Ted Hughes

Doorgaan met het lezen van “Sylvia Plath, Dylan Thomas, Zadie Smith, Nawal el Saadawi, Albrecht Rodenbach, Jamie McKendrick, Reza Allamehzadeh”

Jamie McKendrick

De Engelse dichter en vertaler Jamie McKendrick werd op 27 oktober 1955 in Liverpool geboren. Zie ook alle tags voor Jamie McKendrick op dit blog.

 

 

Nostalgia

 

I woke drenched in sweat and homesick
for nowhere I could think of, a feeling
scuffed and quaint as farthings or furlongs.

Then I remembered the room of the sirocco
in a Sicilian palace made of pink volcanic sugar.
There was a scent of waxed oak and pistachios.

Two maids were making up our nuptial bed,
smoothing the white linen with their dark hands.
You’d never have finished finding fault with their work

if I hadn’t intervened, so that you turned on me
saying
Their family were turnip doctors
at the time o the Bourbons ~ an old enmity then,

and more imperious even than pleasure.
How to get out of that windowless room,
with not one of its walls adjoining the air

was all I could think of, from that point on.
Your voice pursued me down the marbile stairway:
Don’t think you’ll ever find a home again!

 

 

 

Heimwee

 

Ik ontwaakte badend in het zweet en vol heimwee
naar ik wist niet waar, een gevoel
afgetrapt en oubollig als duiten of ellen.

Toen herinnerde ik mij de kamer van de sirocco
in een Siciliaans paleis gemaakt van roze vulkanische suiker.
Er hing een geur van boenwas en pistache.

Twee meisjes maakten ons huwelijksbed op,
streken het witte linnen glad met hun donkere handen.
Jij zou zijn blijven vitten op hun werk

als ik niet tussenbeide was gekomen, zodat je je tegen mij keerde
en zei
Hun voorouders waren knollendokters
ten tijde van de Bourbons – een oude vijandschap dus,

en dwingender nog dan genot.
Hoe uit die raamloze kamer te komen,
waarvan geen enkele muur aan de buitenlucht grensde

was het enige waaraan ik nog denken kon.
Je stem achtervolgde mij langs de marmeren trap omlaag:
Denk maar niet dat jij ooit nog een thuis zult vinden!

 

 

Vertaald door Ko Kooman

 

 

Jamie McKendrick (Liverpool, 27 oktober 1955)

Michael Mann, Meira Delmar, Alistair MacLean, Jamie McKendrick, Népomucène Lemercier

De Duitse literatuurwetenschapper en musicus Michael Mann werd als jongste kind van Thomas en Katia Mann geboren op 21 april 1919 in München. Zie ook alle tags voor Michael Mann op dit blog.

 

Uit: Als Michael Mann geboren wurde: München 1919 (Lezing door Wolfgang Frühwald)

Im Haus der Familie von Thomas und Katia Mann, in der Münchner Poschinger Straße 1, herrschte am 21. April 1919, es war der Ostermontag dieses Jahres, große Aufregung. Seit Mitternacht hörte der Hausherr eilige Schritte im Fremdenzimmer, im zweiten Stockwerk des Hauses. Der Raum war seit dem 10. April als Entbindungszimmer hergerichtet worden und seine hochschwangere Frau war am 11. April (das heißt am Freitag vor Palmsonntag) dort eingezogen. Katia Mann erwartete ihr letztes Kind, Michael, genannt Bibi. Am 21. April kam es schließlich um die Mittagszeit zur Welt. Die Hebamme war an diesem Tag schon seit dem frühen Morgen am Werk, doch Katias schwere Anfangswehen blieben folgenlos. Der Gynäkologe Professor Amann wurde geholt. Die Wöchnerin, bei dieser Geburt ihres sechsten Kindes längst eine sturmerprobte Mutter, litt sehr. Der Arzt erwog sogar

eine Gabe von Morphium gegen die Schmerzen. Am frühen Nachmittag („nach Tisch“) notierte dann Thomas Mann in sein Tagebuch: „Es ist vorüber, ein gesunder Knabe zur Welt gebracht. Der Verlauf sehr schwer, schreckliche Stunden, entnervend besonders das Warten in der Allee auf die Droschke, die den Assistenten mit den Instrumenten bringen sollte; denn die völlige Fruchtlosigkeit der äußerst

qualvollen Eröffnungswehen seit 8 Uhr machte den Zangeneingriff notwendig […].“

Im Haus von Thomas und Katia Mann im Herzogpark haben die Sorgen um die Zangengeburt von Michael die Sorgen darum überdeckt, dass zur gleichen Zeit die bürgerliche Welt, in der sie und für die sie lebten, in Scherben fiel. In den zehn Tagen zwischen dem Einzug Katias in das Entbindungszimmer und der Geburt Michaels spaltete sich Bayern in einen von der Landtagsregierung beherrschten Nordteil (um Bamberg und Nürnberg) und einen von Unabhängigen Sozialdemokraten und Anarchisten beherrschten Südteil, um München, Starnberg und Augsburg.”

 

Michael Mann (21 april 1919 – 1 januari 1977)

Doorgaan met het lezen van “Michael Mann, Meira Delmar, Alistair MacLean, Jamie McKendrick, Népomucène Lemercier”