Hella Haasse, Willem van Zadelhoff, Esther Gerritsen, Kees Torn, James Joyce, Eriek Verpale, Santa Montefiore, James Dickey, Norbert Bugeja

De Nederlandse schrijfster Hella Haasse werd geboren op 2 februari 1918 in Batavia. Zie ook alle tags voor Hella Haasse op dit blog.

Uit: Transit

“Zwarte wollen leggings had ze aan, zwarte rijglaarzen, en over een zwarte trui die tot op haar heupen hing een kort jack van zwart kunstleer. Een scheur in de linkermouw was met zwart gemaakte pleister dichtgeplakt. Haar haren droeg ze kortgeknipt, een donkerblonde kap. Heel haar aardse bezit zat samengeperst in een klein model rugzak. Ze had juist haar gezicht gewassen en haar tanden gepoetst in de wc op het eerste perron. In de nissen, gevormd door de muur van het hoofdgebouw en de uitspringende metalen ribben van de overkapping, zaten en lagen een paar, meest jonge, reizigers te wachten op vroege internationale treinen. Ook zij had geld noch onderdak. Ze was niet meer op reis, maar evenmin thuisgekomen. Ze woonde nergens.
Sinds ze was gaan zwerven bekeek ze stations met andere ogen. In hoeveel van die gewelven van vuil glas, waar altijd schemer heerste, was ze al geweest? Stations om er te slapen, zich te warmen in wachtkamers, om er schuilgaand in de menigte de tijd door te brengen – zelden om er als treinreiziger te vertrekken of aan te komen; liften was onvergelijkbaar veel goedkoper. Overal dezelfde perrons en trappen, dezelfde evenwijdige of in elkaar verglijdende treinsporen, dezelfde geluiden en echo’s; alleen de opschriften verschilden in taal en lettersoort. Hier, terug in eigen land, herkende ze de witte pictogrammen op donkerblauwe ondergrond, de heldergroene telefooncellen, de gele treinen, en ze verstond het geroezemoes. Maar dat bekende veroorzaakte juist een gevoel van vervreemding.
De kiosken en winkels in de brede gang onder het station waren al open. De geur van de croissanterie maakte haar haast misselijk. In de hal treuzelde ze. De toiletten hadden haar vijftig cent gekost. Starend naar het vloermozaïek van bruine, blauwe en zwarte blokjes rekende ze uit hoeveel ze nog te besteden had. De automobilist met wie ze voor het laatste gedeelte van haar tocht was meegereden, had haar afgezet bij een tramhalte aan de stadsgrens. Vandaar naar Centraal was de rit gratis geweest; ze had een van de straat opgeraapte gebruikte strippenkaart in de stempelautomaat gestoken om de vereiste klik te produceren. Maar dat zou de trambestuurder een zorg zijn.
Ze keek op de grote klok. Het was even over negen. Ze rekende erop dat de vriendin bij wie ze ging aankloppen thuis was, om uit te slapen. Na het weerzien zouden ze samen ontbijten met verse koffie en geroosterd brood, zoals vroeger.
Ze zag hem zodra ze buitenkwam. Eerst kon ze niet geloven dat hij het was. Haar ongeloof gold niet het toeval (hoe wonderlijk het ook was dat ze hem, juist hem, hier aantrof, op het stationsplein bij de blauwe paal met de klok) maar de toestand waarin ze hem vond. Ze liep naar hem toe, tot vlak bij hem; ze had zich niet vergist. Ze noemde hem bij zijn naam. Hij reageerde niet, bleef onbeweeglijk staan, hield zijn hoofd wat achterover alsof hij keek naar iets in de lucht of op het dak van het stationsgebouw. Maar zijn blik was leeg, ongericht.”

 
Hella Haasse (2 februari 1918 – 29 september 2011)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Willem van Zadelhoff werd geboren in Arnhem op 2 februari 1958. Zie ook alle tags voor Willem van Zadelhoff op dit blog.

5 Manieren om een stad te zien

1
wij zijn hier niet gekomen om een brug te zien
hier wordt niets verbonden daarom

want wat niets met elkaar te maken heeft
moet van elkaar afblijven duidelijk

stil water en verder geen enkele boot
geen gras om op te liggen geen oneindigheid

geen vrouw zelfs geen matras om God te prijzen
hoogstens een dek vol dofklinkend hout kromhout

gewoon de brug negeren en voor je uitkijken
strak voor je uitkijken en zo min mogelijk waarnemen

je geen strobreed in de weg laten leggen en vooral
geen mist van geluiden en geuren optrekken want

niets zijn niets geweest zijn en nooit iets worden dat besef je
en dat geen hand jou zal bewaren geen vinger geen nagel

 

Tussen taal en teken
een cyclus

1
haar schouder vangt het laatste licht
de pen trekt lijn na lijn op papier cirkels
nu is wat was en ontbreekt het
voorgoed aan herinneringen

niets hoeft meer gestold in inkt
misschien een schaduw op de vloer
bijvoorbeeld de vragende blik op haar gezicht
dat nerveuze trekken van haar mond

wat was is tijd geleden is het lijden
van tijd is uur minuut en seconde
dan steekt een wind op en blaast
papier en bladeren voor zich uit

 
Willem van Zadelhoff (Arnhem, 2 februari 1958)

 

De Nederlandse schrijfster Esther Gerritsen werd op 2 februari 1972 geboren in Nijmegen. Zie ook ook alle tags voor Esther Gerritsen op dit blog.

Uit: De trooster

“Ik herinner me dat ik de deurposten schuurde, dat ik spierpijn had, mijn vingers kapot waren, dat ik het hout blanker en gladder zag worden en ik zeker wist dat ik gelukkig was. Het werk onder je handen zien verbeteren. Het hout en ik, dat was genoeg. Ik was tevreden met mijn gebrekkige lichaam, dat brandt en slijt en toch volstaat, dat doet wat het moet doen. Ik verlangde niets.
Ik ging zitten en keek naar mijn werk. De stilte was weldadig en onmiddellijk was er de wens om hier voor altijd te kunnen blijven zitten. Ik lachte omdat ik net nog dacht niets te willen. Elk vredig ogenblik roept het ongedurige verlangen op om het te verlengen. Steeds weer: en zo moet het blijven.
Op dat moment kwam Henry Loman binnen. Zo op het eerste gezicht een vermoeide man van middelbare leeftijd met overgewicht. Soms probeer ik mijn eerste blik op hem terug te halen, mijn snelle, weinig vleiende oordeel. Dat lukt me nauwelijks.
De gastvrouw was tulpen halen in het dorp, blijkbaar verwachtte zij nu nog niemand. Omdat hij een koff er bij zich had, begreep ik dat het een retraitegast moest zijn die veel te vroeg arriveerde. Hij stak meteen zijn hand uit, stelde zich voor, ik luisterde niet. Ik keek in een reflex nog om me heen of er niet iemand anders was om hem te ontvangen, terwijl ik wist dat ik alleen was. De broeders maakten zich net klaar voor de vespers; ik durfde hen niet te storen, het was aan mij om de gast te verwelkomen. Ik ben het gewend mezelf onmisbaar te maken met het aanpakken van allerhande klussen, maar zelden zijn ze sociaal van aard. Ik zeg eigenlijk altijd ja. Heggen snoeien, een terras aanleggen, de gevel schilderen, de moestuin onderhouden, een muurtje metselen.
Wanneer iemand vraagt: ‘Kun jij dat?’ zeg ik ‘ja’, en denk: hoe moeilijk kan het zijn? Nooit vraagt iemand me om een gast te ontvangen. Ik ga ervan uit dat dit vanwege mijn scheve gezicht is, dat de mensen afschrikt of verwart. Nu zie ik het probleem niet in van een beetje verwarring, ik voel zeker niet de behoefte om daar zelf de oorzaak van te zijn.”

 
Esther Gerritsen (Nijmegen, 2 februari 1972)

 

De Nederlandse dichter, tekstschrijver en cabaretier Kees Torn werd geboren in Oostburg op 2 februari 1967. Zie ook alle tags voor Kees Torn op dit blog.

Ommetje

Er brandt al lang geen licht meer bij de buren
Als ik thuis kom is ’t stil op straat
De hele buurt slaapt om die tijd al uren
Niemand die nog bezig is, zo laat
Maar zelfs wanneer ik best een beetje moe ben
Van lange dagen en van slaap tekort
En aan een welverdiende nachtrust toe ben
Mij maakt ’t niet uit hoe laat ’t wordt
Al moet ik ’s morgens weer vroeg uit bed
Ik maak, voor ik m’n wekkertje zet
En geeuwend op m’n slaapbankje rol
Eerst een ommetje
Een ommetje met m’n mol

Een ommetje met m’n mol
Ik maak echt iedere nacht een ommetje met m’n mol
Terwijl ‘ie braaf wacht schep ik met de wormen
Die ik voor m’n molletje mee heb gebracht
Z’n kommetje lekker vol

Hij hoort ‘t, als ik de trap kom opgelopen
En als ik dan de voordeur openmaak
Is hij allang z’n bloempot uitgekropen
En pakt ‘ie ’t riempje van de haak
Buiten rent ‘ie altijd eerst een stukje
En is ‘ie eenmaal lekker uitgedraaft
Passeert ‘ie altijd even, voor een drukje
Dat ‘ie keurig, meters diep begraaft
Als in de stad ieder drankhuis sluit
En binnen gaan alle lichten uit
En iedereen kruipt onder de wol
Maak ik een ommetje
Een ommetje met m’n mol

Een ommetje met m’n mol
Met dat gezellige beest, een ommetje met m’n mol
Vanavond is het weer feest
Vanavond dan steek ik, want hij is pas namelijk jarig geweest
Een blommetje in z’n hol

 
Kees Torn (Oostburg, 2 februari 1967)

 

De Ierse schrijver James Joyce werd geboren in Dublin op 2 februari 1882. Zie ook ook alle tags voor James Joyce op dit blog.

Uit: Ulysses

“— You were making tea, Stephen said, and I went across the landing to get more hot water. Your mother and some visitor came out of the drawing room. She asked you who was in your room.
— Yes? Buck Mulligan said. What did I say? I forget.
— You said, Stephen answered, O, it’s only Dedalus whose mother is beastly dead.
A flush which made him seem younger and more engaging rose to Buck Mulligan’s cheek.
— Did I say that? he asked. Well? What harm is that?
He shook his constraint from him nervously.
— And what is death, he asked, your mother’s or yours or my own?
You saw only your mother die. I see them pop off every day in the Mater and Richmond and cut up into tripes in the dissecting room. It’s a beastly thing and nothing else. It simply doesn’t matter. You wouldn’t kneel down to pray for your mother on her deathbed when she asked you. Why? Because you have the cursed jesuit strain in you, only it’s injected the wrong way. To me it’s all a mockery and beastly. Her cerebral lobes are not functioning. She calls the doctor Sir Peter Teazle and picks buttercups off the quilt. Humour her till it’s over. You crossed her last wish in death and yet you sulk with me because I don’t whinge like some hired mute from Lalouette’s. Absurd! I suppose I did say it. I didn’t mean to offend the memory of your mother.
He had spoken himself into boldness. Stephen, shielding the gaping wounds which the words had left in his heart, said very coldly:
— I am not thinking of the offence to my mother.
— Of what, then? Buck Mulligan asked.
— Of the offence to me, Stephen answered.
Buck Mulligan swung round on his heel.
— O, an impossible person! he exclaimed.
He walked off quickly round the parapet. Stephen stood at his post, gazing over the calm sea towards the headland. Sea and headland now grew dim.
Pulses were beating in his eyes, veiling their sight, and he felt the fever of his cheeks.
A voice within the tower called loudly:
— Are you up there, Mulligan?
— I’m coming, Buck Mulligan answered.
He turned towards Stephen and said:
— Look at the sea. What does it care about offences? Chuck Loyola, Kinch, and come on down. The Sassenach wants his morning rashers. “

 
James Joyce (2 februari 1882 – 13 januari 1941)
Portret door Patrick Tuohy, 1924

 

De Vlaamse dichter en schrijver Eriek Verpale werd geboren op 2 februari 1952 te Zelzate. Zie ook alle tags voor Eriek Verpale op dit blog.

(Over) de nutteloosheid van het winnen

The winner takes it all, aldus Abba, maar die keer
toen ik bij een tombola in een toch wel zeer naar carboline
ruikende parochiezaal een gifgroene slazwierder
gewonnen had, olala, toen gooide mijn moeder
de gebruikelijke oude keukenhanddoek niet weg
maar verknipte hem tot zakdoeken, voor mij,
de altijd verkouden snotneus die zelfs boven
zijn pannekoeken triestig het water liet lopen.

Daarna won ik een boek, zoiets heette toen nog een prijsboek:
Het leven van Abraham Lincoln, waardoor ik na het lezen
van dat boek een tijdlang niets anders wilde worden dan
Eriek Verpale, president van Amerika én Israël,
hetgeen alleszins beter klonk dan Eriek Verpale,
kakt in de bale! jawel. Maar ik werd dus geen president,
zelfs niet van Gent, maar wél won ik de prijs harer poëzie
en in de feestzaal, tot verdriet mijner collega’s en hun eega’s:
echt vermoord werd ik niet.

Het mocht toen wel ophouden, vond ik, met al dat gewin
vol kattegespin, maar ziet, op het jaarlijkse bal van mijn communistische
doktoren viel ik alweer in de prijzen en won ik voor mijn haar
een gratis brushing zodat de mensen naar mij wel bléven
wijzen, want ik hád al zoveel minderjarige vriendinnetjes
voor wie ik zelfs vaak levend model stond, om op te oefenen
vooralswanneer zij ook dode mensen káál moesten leren scheren.

Godlof, een eind aan al dat gewin kwam er echter slechts dan
nadat ik, straatarm, zeer zwaar op de Lotto begon te spelen
en over de grens zelfs illegale casino’s bezocht waarna
ik, platzak, nog om een sigaret
moest bedelen.

 
Eriek Verpale (2 februari 1952 – 10 augustus 2015)

 

De Britse schrijfster Santa Montefiore (eig. Santa Palmer-Tomkinson) werd geboren op 2 februari 1970 in Hampshire. Zie ook alle tags voor Santa Montefiore op dit blog.

Uit: Onder de Italiaanse zon (Vertaald door Erica Feberwee)

“Gracies blik bleef op de foto rusten. Het kasteel was precies zoals een Italiaans castello zou moeten zijn: fraai en evenwichtig van proportie, met kantelen op de muren, met hoge ramen voorzien van luiken en met daarboven halvemaanvormige timpanen. De hete zomerzon en de gure winterstormen hadden het zandsteen doen verbleken tot grijsgeel. Als een imposante oude vorst verhief het kasteel zich op de top van de heuvel, majestueus oprijzend boven de middeleeuwse huizen die zich als een woud van steen aan de voet van de heuvel hadden verzameld. Gracie sloot haar ogen, en terwijl ze diep inademde, rook ze de geur van wilde tijm en rozemarijn, van jasmijn en kamperfoelie, van uitbundig bloeiende gardenia, bedauwd gras en het harsachtige aroma van pijnbomen. In haar verbeelding hoorde ze het tjirpen van krekels en zag ze de fluweel-zwarte sterrenhemel die zich boven de Toscaanse heuvels spande, als een met diamanten bezaaide baldakijn. Haar hart stroomde over van verlangen, een verlangen dat lang had geslapen maar dat na vele jaren eindelijk weer ontwaakte. Het was een gevoel dat haar bang maakte, want ze wist zich er geen raad mee. Ze was vergeten wat ze ermee aan moest, net zoals ze was vergeten hoe het voelde om jong en verliefd te zijn, om de wereld dapper en avontuurlijk tegemoet te treden. De kunst van het leven, die was ze verleerd. Ze had zich tientallen jaren in haar schulp teruggetrokken, waar ze zich veilig en geborgen had geweten. Maar de foto van het kasteel had haar wakker geschud – alsof er een kurk uit een fles was geschoten, waardoor de bruisende inhoud plotseling naar buiten stroomde.
En het enige wat Gracie zeker wist, was dat ze naar Toscane moest! Ze moest erheen, en wel zo snel mogelijk.
Haar blik ging naar het gezicht dat haar aankeek vanuit de spiegel.
Het bruisen werd op slag minder. Ze was achtenzestig, en ook al zag ze er nog goed uit voor haar leeftijd, achtenzestig was oud. Waar waren de jaren gebleven? Knap was ze nooit geweest. Dus voor haar bracht de ouderdom niet het verdriet om de teloorgang van uiterlijk schoon.”

 
Santa Montefiore (Hampshire, 2 februari 1970)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver James Dickey werd geboren op 2 februari 1923 in Atlanta, Georgia. Zie ook alle tags voor James Dickey op dit blog.

Falling (Fragment)

To watch it. She is hung high up in the overwhelming middle of things in her
Self in low body-whistling wrapped intensely in all her dark dance-weight
Coming down from a marvellous leap with the delaying, dumfounding ease
Of a dream of being drawn like endless moonlight to the harvest soil
Of a central state of one’s country with a great gradual warmth coming
Over her floating finding more and more breath in what she has been using
For breath as the levels become more human seeing clouds placed honestly
Below her left and right riding slowly toward them she clasps it all
To her and can hang her hands and feet in it in peculiar ways and
Her eyes opened wide by wind, can open her mouth as wide wider and suck
All the heat from the cornfields can go down on her back with a feeling
Of stupendous pillows stacked under her and can turn turn as to someone
In bed smile, understood in darkness can go away slant slide
Off tumbling into the emblem of a bird with its wings half-spread
Or whirl madly on herself in endless gymnastics in the growing warmth
Of wheatfields rising toward the harvest moon. There is time to live
In superhuman health seeing mortal unreachable lights far down seeing
An ultimate highway with one late priceless car probing it arriving

In a square town and off her starboard arm the glitter of water catches
The moon by its one shaken side scaled, roaming silver My God it is good
And evil lying in one after another of all the positions for love
Making dancing sleeping and now cloud wisps at her no
Raincoat no matter all small towns brokenly brighter from inside
Cloud she walks over them like rain bursts out to behold a Greyhound
Bus shooting light through its sides it is the signal to go straight
Down like a glorious diver then feet first her skirt stripped beautifully
Up her face in fear-scented cloths her legs deliriously bare then
Arms out she slow-rolls over steadies out waits for something great
To take control of her trembles near feathers planes head-down

 
James Dickey (2 februari 1923 – 19 januari 1997)

 

De Maltese dichter Norbert Bugeja werd geboren in Siġġiewi op 2 februari 1980. Zie ook alle tags voor Norbert Bugeja op dit blog.

Uit: Clamouring to be read

“I am here as the guest writer for Malta, thanks to an excellent collaboration between the Malta Council for Culture and the Arts and the Embassy of Malta in Berlin. I will recite A Tango for the Stairs of Valletta, a lyrical triad that will feature in my upcoming collection, ‘Bliet’ (Cities), now kindly taken up by a major publisher. My first reading is at the bustling ‘Small Languages, Great Literatures’ stand. I read in Maltese, followed by a reading in German. Then I comment on my work. The audience is visibly captivated by the rhythms and sounds of Maltese. They inquire about the Mediterranean context in my poetry. Among them is Zvonko Makovic, one-time president of the Croatian PEN, and perhaps the greatest living Croatian poet. We nod at each other. I met Zvonko for the first time in 2005 at the Lodeve Poetry Festival, where he volunteered valuable comments about my writing. Zvonko is very keen on getting toknow the Maltese creative milieu. At a Croatian stand brimming with translated works I spot the novelist Roman Simic, who was in Malta some time ago on an LAF/Inizjamed collaboration. He pours me a glass of Dalmatian wine. I am introduced to two Cypriot authors: Yorgos Trillidis, who quips about our desire to “become” writers of fame, and the charming playwright Eurydike Pericleus-Papadopoulou. We see a stronger network of Mediterranean writers emerging, a generation clamouring to shed obscurity, to emerge from the shadows of the world’s “official” languages, to speak of regional and cultural spaces rather than of canons and of nations. Deep down, we all know what the pickle is.
We are imprisoned in the languages that contain our work, held up by the very tools that we use so deftly, hindered by the medium that nourishes us. Maltese is my national language as a Maltese citizen, and my gilded Alcatraz as a Maltese writer. The natural course of action for the Maltese writer today is to shun the shallowness of provincial rhetoric and patriotic discourse, to rebut the impulse of ramifying and wallowing in one’s own tradition, to spread one’s wings and fly into other languages. The fare will not be low-cost, but the destination is inexorable. “

 
Norbert Bugeja (Siġġiewi, 2 februari 1980)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 2e februari ook mijn vorige blog van vandaag.

Hella Haasse, Willem van Zadelhoff, Esther Gerritsen, Kees Torn, James Joyce, Eriek Verpale, Santa Montefiore, James Dickey, Monica Camuglia

De Nederlandse schrijfster Hella Haasse werd geboren op 2 februari 1918 in Batavia. Zie ook alle tags voor Hella Haasse op dit blog.

Uit: Een nieuwer testament

“De voorhang dichtgevallen achter de soldaten. Door de arrestanten herkend en met onbehagen veranderd bevonden de nu besloten ruimte van de rechtszaal. Vroeg ochtendlicht, nog dampig, achter de boogvormige ramen, uitgespaard in het metselwerk tussen de zuilen. Ieder van de zojuist binnengebrachten kent het secretarium van de prefect nog uit de periode voor de Gotische verovering. Sommigen zijn hier wel eens opgetreden als getuigen, anderen als aanklagers, een van hen tien jaar tevoren zelfs als beklaagde. Destijds door een open galerij uitzicht op een binnenhof en de muren van de voormalige Tellus-tempel. Nu van de buitenwereld niets waarneembaar dan weerkaatsing van licht in hooggeplaatste raamnissen.
De enige die niet rondkijkt maar de blik gericht houdt op het vloergedeelte vlak voor zijn voeten – witte en zwarte mozaïekmeanders – raadt uit de verandering in de aard van de ook tot nu toe steeds gedempte geluiden, dat de prefect binnengekomen is. Een zetel wordt verschoven.
In het blikveld van de prefect, op de voorgrond (de pretorianen en de ambtenaren die tot zijn eigen gevolg behoren vormen voor hem een nauwelijks meer bewust waargenomen, vanzelfsprekende stoffering bij gelegenheden als deze): zes mannen, van wie hij er drie persoonlijk kent; hij zal hen straks zonder aarzelen met naam en toenaam aanspreken, hij heeft hen verwacht, hun aanwezigheid hier is het resultaat van langdurige en zorgvuldige manoeuvres. Hij kan zich de weelde veroorloven hen nu over het hoofd te zien, de confrontatie met hun beheerste gezichten en koele ogen nog even uit te stellen.
Een meer dan vluchtige blik dus eerst voor de drie anderen; er is niemand bij die hem geheel vreemd voorkomt. Op de laatste van de rij, die met afgewend gezicht, blijven zijn ogen rusten. Een baard, een rafelige toga, een vreemde vogel tussen de patriciërs. Uit de toon vallend, maar ondanks dat voor de prefect van een niet onmiddellijk te achterhalen, toch als doorslaggevend gevoelde importantie. Hij zoekt in zijn herinnering, doorkruist snel de verschillende strata van zijn werkzaamheden: een plaats, een tijd, een gebeurtenis? Op hetzelfde moment weet hij dat er meer is, dat het dieper zit. Zijn voldoening over de arrestatie – eindelijk! – van wat hij een staatsgevaarlijke groep acht, is vertroebeld. Een verschuiving heeft plaatsgehad. Deze zaak betekent geen bedachtzaam proeven van een overwinning, geen demonstratie van overwicht. Er is een voze plek.”

 
Hella Haasse (2 februari 1918 – 29 september 2011)
Cover

Doorgaan met het lezen van “Hella Haasse, Willem van Zadelhoff, Esther Gerritsen, Kees Torn, James Joyce, Eriek Verpale, Santa Montefiore, James Dickey, Monica Camuglia”

Michel Marc Bouchard, Kees Torn, Eriek Verpale, Santa Montefiore, James Dickey, Xuân Diệu

De Canadese toneelschrijver Michel Marc Bouchard werd geboren op 2 februari 1958 in Saint Coeur-de-Marie, Quebec. Zie ook ook alle tags voor Michel Marc Bouchard op dit blog.

Uit: L’histoire de l’oie/Tale of Teeka

«MAURICE [ADULTE].-  Cette voix, c’était celle qu’il avait lorsqu’il faisait brûler des fourmis dans des boîtes de carton, celle qu’il avait lorsqu’il arrachait les ailes des papillons. »
(…)

« MAURICE [ADULTE].– […] Effrayé, il obéit à cette voix. (Maurice [enfant] descend du toit et disparaît derrière la maison) C’est alors que la foudre s’abattit plusieurs fois sur sa tête, sur son corps et surtout sur ses bras! Maurice crut un instant qu’il s’agissait de l’orage… (temps) Ce n’était pas l’orage. »(…)

« MAURICE [ENFANT].– Il me faut une arme. (il prend la ceinture de cuir de son pantalon. Il s’en frappe deux fois la main) Cette « liane » nous protégera. Elle est puissante. Elle est dangereuse. Elle nous protégera. »

 
Scene uit de verfilming “L’histoire de l’oie/Tale of Teeka” door Tim Southam, 1998

 «MAURICE [ENFANT].– ” La nuit tombée, lorsque le vieillard fut repu, Tarzan profita de sa somnolence et lui déroba un gros morceau de la viande de Tantor. ” … »
(…)

« MAURICE [ENFANT].– Je suis Tarzan! Tarzan te protégera. Car Tarzan est tout-puissant. Tout ce qu’il y aura de meilleur dans la jungle sera pour toi. »
(…)

« MAURICE [ENFANT].– Un cauchemar, c’est quand on éteint toutes les lumières, et un rêve, c’est quand on en laisse une. »

 
Michel Marc Bouchard (Saint Coeur-de-Marie, 2 februari 1958)

Doorgaan met het lezen van “Michel Marc Bouchard, Kees Torn, Eriek Verpale, Santa Montefiore, James Dickey, Xuân Diệu”

Santa Montefiore, James Dickey, Xuân Diệu, Ayn Rand

De Britse schrijfster Santa Montefiore (eig. Santa Palmer-Tomkinson) werd geboren op 2 februari 1970 in Hampshire. Zie ook alle tags voor Santa Montefiore op dit blog.

Uit: The French Gardener

“Gus felt a jolt of excitement. He forgot about biting Adam Hudson in the playground, about running out of the school gates and up the High Street, about his mother’s angry voice and his own clawing sense of isolation. He forgot about everything except the sudden rush of blood as he set off in pursuit of the donkey.

“You a scaredy cat?” he hissed as he approached the terrified animal. “Whoooa!” He lunged at him, delighting in the clumsy way the donkey stumbled back before cantering stiffly off towards the woods at the top of the field, braying in panic.What a shame he hadn’t brought the stick. It was more fun when he hit him.

Bored of that game, Gus continued into the woods, leaving Charlie trembling in the corner of the field, surrounded by sheep. The ground was soggy, strewn with twigs and brown leaves amongst which a shiny pheasant scraped the earth for food. The sun shone weakly through the leaves, illuminating the spiders’ webs that adorned the surrounding shrubbery with lace. Gus picked up a twig and began to swipe the webs, squashing the fleeing spiders under foot. The pleasure was fleeting, and he was left with the emptiness of believing, albeit subconsciously, that he was of no value to anyone.

Miranda Claybourne put down the telephone and remained at the window, staring out over the orchard. The ground was littered with apples and the last of the plums. She had sensed her son’s presence at the door, but now he had gone. Of all the days Gus had to choose to play truant, he had chosen Deadline Day. She stubbed out her cigarette, reassuring herself that a lapse in her struggle to quit was absolutely okay; three puffs hardly counted. She didn’t have time to go looking for him, and anyway, she wouldn’t know where to start, the grounds were so large and, she observed with a sinking feeling, desperately overgrown and wet.”


Santa Montefiore (Hampshire, 2 februari 1970)

Doorgaan met het lezen van “Santa Montefiore, James Dickey, Xuân Diệu, Ayn Rand”

Monica Camuglia, Michel Marc Bouchard, James Dickey, Santa Montefiore, Xuân Diệu

De Zwitserse schrijfster Monica Camuglia werd geboren op 2 februari 1960 in St. Gallen. Zie ook ook alle tags voor Monica Camuglia op dit blog.

 

Uit: Irrtum 2012

»Verzeihung, ich möchte Sie nicht stören«, seine graublauen Augen sahen müde aus, sein Blick war weich und eindringlich zugleich.

»Mami, darf ich mit Nathan spielen?«, funkte Lia in ihrem bestimmenden Ton dazwischen, die kleinen Ärmchen in die Hüften gestützt, bevor ich auf ihn eingehen konnte. Diese Haltung hat sie sich von ihrem Vater abgeschaut und setzt sie ein, wenn sie unbedingt etwas will. Das ist ihre Art, mir den Krieg zu erklären, sollte ich ihren Wunsch nicht respektieren. Nathan wurde verlegen, das war mir nicht entgangen.

»Von mir aus«, rutschte es mir spontan über die Lippen. Im gleichen Atemzug meldete sich mein schlechtes Gewissen, unverzüglich ballte sich eine Kugel in meinem Magen zusammen. Setze ich meine Tochter einer Gefahr aus, nur um meine Neugierde zu befriedigen? Doch das sanfte, entschuldigende Lächeln von Nathan löschte diesen mütterlich besorgten Gedanken

umgehend aus.

»Lia, ich muss noch etwas erledigen. Aber dann können deine Mami, du und ich zum Hafen spazieren und ein Eis essen, sofern deine Mami einverstanden ist.« Er blickte mich unsicher an. Na ja, ein Aufreißer war er nicht, aber interessant allemal, zudem einfühlsam und geschickt. Ich nickte schmunzelnd; Lia fiel mir um den Hals, und ich drückte sie mit beiden Armen an mich. Wir beide wussten genau, dass wir gerade einem weiteren Duell zwischen Tochter und Mutter ausweichen konnten und waren vermutlich in gleichem Maße erleichtert darüber. So begann unsere Geschichte vor drei Jahren und sieben Monaten, an einem sommerlichen Tag auf Filicudi.“

 

Monica Camuglia (St. Gallen, 2 februari 1960)

Doorgaan met het lezen van “Monica Camuglia, Michel Marc Bouchard, James Dickey, Santa Montefiore, Xuân Diệu”

James Dickey, Santa Montefiore, Xuân Diệu, Ayn Rand

De Amerikaanse dichter en schrijver James Dickey werd geboren op 2 februari 1923 in Atlanta, Georgia. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007 en ook mijn blog van 2 februari 2008 en ook mijn blog van 2 februari 2009 en ook mijn blog van 2 februari 2010. 

 

Uit: Deliverance (Boek)

 

“We were moving toward the white, light water and were very close to it when I saw Drew’s body backed up between the rocks and looking straight at us … I looked at Drew’s hand floating palm-up with the guitar calluses puckered white and his college class ring on it, and I wondered if his wife might not like to have the ring. But no; I couldn’t even do that; it would mean having to explain. I touched the callus on the middle finger of his left hand, and my eyes blinded with tears. I lay with him in my arms for a moment weeping river-water, going with him. I could have cried as long as the river ran, but there was no time. ‘You were the best of us, Drew,’ I said loud enough for Bobby to hear; I wanted him to hear. ‘The only decent one; the only sane one.’

 

Uit: Deliveranc (Dialoog film)

 

“Lewis: What are we gonna do with him?

Drew: There’s not but one thing to do. Take the body down to Aintry. Turn it over to the Highway Patrol. Tell ‘em what happened.

Lewis: Tell ‘em what exactly?

Drew: Just what happened. This is justifiable homicide if anything is. They were sexually assaulting two members of our party at gunpoint. Like you said, there was nothin’ else we could do.

Ed: Is he alive?

Lewis: Not now. Well, let’s get our heads together. [To vengeful Bobby] Come on now, let’s not do anything foolish. Does anybody know anything about the law?

Drew: Look, I-I was on jury duty once. It wasn’t a murder trial.

Lewis: A murder trial? Well, I don’t know the technical word for it, Drew, but I know this. You take this man down out of the mountains and turn him over to the Sheriff, there’s gonna be a trial all right, a trial by jury.

Drew: So what?

Lewis: We killed a man, Drew. Shot him in the back – a mountain man, a cracker. It gives us somethin’ to consider.”

 

 

James Dickey (2 februari 1923 – 19 januari 1997)

Dickey met de acteur Burt Reynolds (rechts)

 

Doorgaan met het lezen van “James Dickey, Santa Montefiore, Xuân Diệu, Ayn Rand”

James Dickey, Santa Montefiore, Xuân Diệu, Ayn Rand, William Rose Benét

De Amerikaanse dichter en schrijver James Dickey werd geboren op 2 februari 1923 in Atlanta, Georgia. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007 en ook mijn blog van 2 februari 2008 en ook mijn blog van 2 februari 2009.

 

Uit: The Shark’s Parlor

 

„Memory: I can take my head and strike it on a wall on Cumberland Island
Where the night tide came crawling under the stairs came up the first
Two or three steps and the cottage stood on poles all night
With the sea sprawled under it as we dreamed of the great fin circling
Under the bedroom floor. In daylight there was my first brassy taste of beer
And Payton Ford and I came back from the Glynn County slaughterhouse
With a bucket of entrails and blood. We tied one end of a hawser
To a spindling porch-pillar and rowed straight out of the house
Three hundred yards into the vast front yard of windless blue water
The rope out slithering its coil the two-gallon jug stoppered and sealed
With wax and a ten-foot chain leader a drop-forged shark-hook nestling.
We cast our blood on the waters the land blood easily passing
For sea blood and we sat in it for a moment with the stain spreading
Out from the boat sat in a new radiance in the pond of blood in the sea
Waiting for fins waiting to spill our guts also in the glowing water.
We dumped the bucket, and baited the hook with a run-over collie pup. The jug
Bobbed, trying to shake off the sun as a dog would shake off the sea.
We rowed to the house feeling the same water lift the boat a new way,
All the time seeing where we lived rise and dip with the oars.
We tied up and sat down in rocking chairs, one eye on the other responding
To the blue-eye wink of the jug. Payton got us a beer and we sat“

 

Dickey

James Dickey (2 februari 1923 – 19 januari 1997)

 

De Britse schrijfster Santa Montefiore (eig. Santa Palmer-Tomkinson) werd geboren op 2 februari 1970 in Hampshire. Montefiore is de dochter van Charles Palmer-Tomkinson. Haar vader vertegenwoordigde zijn land met skiën op Olympisch niveau tijdens de Olympische Winterspelen van 1964. Voordat ze Spaans en Italiaans leerde aan de Universiteit van Exeter, werkte ze een jaar op een Argentijnse ranch. Voordat ze terug kwam naar het Verenigd Koninkrijk woonde ze in de jaren negentig een tijd in Buenos Aires. Vier van haar boeken spelen zich af in Argentinië.

 

Uit: The Gypsy Madonna

 

„It all began on a snowy January day. January is bleak in New York. The trees are bare, the festivities over, the Christmas tree lights taken down for another year. The wind that races down the streets is edged with ice. I walked briskly with my hands in my coat pockets. Head down, eyes to the ground, lost in thought: nothing particular, just
the business of the day. I tried not to think of my mother. I am an avoider. If something gives me pain I don’t think about it. If I don’t think about it, it isn’t happening. If I can’t see it, it isn’t there, right? My mother had been dead a week. The funeral was over. Only the journalists pestered like flies, determined to find out why an uncatalogued, unknown Titian of such importance had only now come to light. Didn’t they understand that I knew as little as they did? If they were grappling in the dark, I was floundering
in space.

I reached my office. A redbrick building in the West Village with an antique shop on the ground floor. Zebedee Hapstein, the eccentric clockmaker, toiled against a discordant orchestra of ticking in his workshop next door. I fumbled in my pocket for the key. My fingers were numb. I had forgotten to wear gloves. For a moment I looked at my reflection in the glass“.

 

SantaMontefiore

Santa Montefiore (Hampshire, 2 februari 1970)

 

 

De Viëtnamese dichter Xuân Diệu werd geboren op 2 februari 1916 in Gò Bồi, gemeente Tùng Giản. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007 en ook mijn blog van 2 februari 2009.

 

Say It

 

“I am deeply in love, dear, is that not enough?
“How greedy you are, and demanding too!
“You already know, for I’ve told you I love you.
“Why insist on me repeating old stuff so oft?

 

You love me deeply, but is that enough?
If you are in love, but you just keep it inside
And not show it, then words are empty,
And beauty is as cold as marble.

 

I have an immense desire, did you know?
And absolute, too. I’m in constant search of you.
If today’s truth is truth no longer tomorrow,
How can, my dear, love ever be old too?

 

Be deeply in love, but that is still not enough.
You’ve got to say love, hundreds, no, thousands of times.
Be so loving that every night is one of spring,
And birds and butterflies freed in the love garden.

 

Say it, you must say it, you must.

 

With words that dwell privy in your eyes and your brows
With joy, bashfulness, and ecstasy at dusk,
With head cuddling, smile on your lips, and grasping arms,
With wordless intensity, what else do I know!

 

Just make sure you don’t stay frigid as ice
Or be unmoved beside one burning with desire,
Nor be as placid as still water in the pond.
Be deeply in love, but that is still not enough.

 

 

Vertaald door Thomas D. Le

 

XuanDieu

Xuân Diệu (2 februari 1916 – 18 december 1985)

 

De Amerikaanse schrijfster van Russische komaf Ayn Rand (eig. Alissa “Alice” Zinovievna Rosenbaum) werd geboren in Sint-Petersburg op  2 februari 1905. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007 en ook mijn blog van 2 februari 2009.

 

Uit: The Anthem

 

„We look ahead, we beg our heart for guidance in answering this call no voice has spoken, yet we have heard. We look upon our hands. We see the dust of centuries, the dust which hid the great secrets and perhaps great evils. And yet it stirs no fear within our heart, but only silent reverence and pity.

May knowledge come to us! What is the secret our heart has understood and yet will not reveal to us, although it seems to beat as if it were endeavoring to tell it?

I am. I think. I will.

My hands . . . My spirit . . . My sky . . . My forest . . . This earth of mine. . . . What must I say besides? These are the words. This is the answer.

I stand here on the summit of the mountain. I lift my head and I spread my arms. This, my body and spirit, this is the end of the quest. I wished to know the meaning of things. I am the meaning. I wished to find a warrant for being. I need no warrant for being, and no word of sanction upon my being. I am the warrant and the sanction.

It is my eyes which see, and the sight of my eyes grants beauty to the earth. It is my ears which hear, and the hearing of my ears gives its song to the world. It is my mind which thinks, and the judgement of my mind is the only searchlight that can find the truth. It is my will which chooses, and the choice of my will is the only edict I must respect.

Many words have been granted me, and some are wise, and some are false, but only three are holy: “I will it!”

Whatever road I take, the guiding star is within me; the guiding star and the loadstone which point the way. They point in but one direction. They point to me.“

 

ayn_rand

Ayn Rand (2 februari 1905 – 6 maart 1982)

 

De Amerikaanse dichter en uitgever William Rose Benét werd geboren op 2 febrari 1886 in Fort Hamilton, Brooklyn, New York. Zie ook mijn blog van 2 februari 2009.

 

The Falconer of God

 

I flung my soul to the air like a falcon flying.

I said, “Wait on, wait on, while I ride below!

I shall start a heron soon

In the marsh beneath the moon —

A strange white heron rising with silver on its wings,

Rising and crying

Wordless, wondrous things;

The secret of the stars, of the world’s heart-strings,

The answer to their woe.

Then stoop thou upon him, and grip and hold him so!”

 

My wild soul waited on as falcons hover.

I beat the reedy fens as I trampled past.

I heard the mournful loon

In the marsh beneath the moon.

And then — with feathery thunder — the bird of my desire

Broke from the cover

Flashing silver fire.

High up among the stars I saw his pinions spire.

The pale clouds gazed aghast

As my falcon stoopt upon him, and gript and held him fast.

 

My soul dropt through the air — with heavenly plunder? —

Gripping the dazzling bird my dreaming knew?

Nay! but a piteous freight,

A dark and heavy weight

Despoiled of silver plumage, its voice forever stilled, —

All of the wonder

Gone that ever filled

Its guise with glory. Oh, bird that I have killed,

How brilliantly you flew

Across my rapturous vision when first I dreamed of you!

 

Yet I fling my soul on high with new endeavor,

And I ride the world below with a joyful mind.

I shall start a heron soon

In the marsh beneath the moon —

A wondrous silver heron its inner darkness fledges!

I beat forever

The fens and the sedges.

The pledge is still the same — for all disastrous pledges,

All hopes resigned!

My soul still flies above me for the quarry it shall find.

 

Bennet

William Rose Benét (2 februari 1886 – 4 mei 1950)
Hier zittend links temidden van vele collega’s in de Gotham Book Mart, 1948

Hella Haasse, James Joyce, Eriek Verpale, Michel Marc Bouchard, James Dickey, Xuân Diệu, Ayn Rand, Johann Ch. Gottsched, William Rose Benét, Gostan Zarian, Ludwig Eichrodt, Michael Öchsner

De Nederlands schrijfster Hella Haasse werd geboren op 2 februari 1918 in Batavia. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007 en ook mijn blog van 2 februari 2008.

Uit: Zelfportret als legkaart

 „Zodra de dag aanbreekt, meestal nog vóór het ogenblik waarop wij vanzelf opduiken uit de slaap, komt de kleine cavalcade uit de kinderkamer aan iedere vorm van geleidelijk ontwaken bij voorbaat paal en perk stellen. Twee paar snelle beentjes trappelen over het zeil, twee energieke kleine lichamen storten zich op ons. Ik houd mij slapende, maar zij laten zich niet voor de gek houden. Door mijn oogharen heen zie ik boven mij het onderzoekende waakzame gezichtje van de jongste: onder verwarde krullen breed voorhoofd, bolle wangetjes, twee blinkende bedrieglijk onschuldige ogen. Terwijl zij dromerig ea schalks tegelijk naar mij tuurt, als een van die barok-engeltjes bij wie zij in molligheid en buitelzucht niet achterstaat, knijptzij mij deskundig hard in mijn arm en eist: mamma opstaan, pap koken.

De oudste heeft een rutschbaan ontdekt, de dekenhelling tussen mijn opgetrokken knieën en het bed, en laat zich daar gillend van plezier met veel overbodig gespartel telkens opnieuw langs omlaagglijden. Er is geen ontkomen meer aan, wij moeten er iut. In de buizen van de waterleiding het ruisende en gorgelende geluid, signaal van ochtendacdviteit bij zij- en bovenburen. Op straat nadert het flessengerinkel van de melkboer. De kinderen trekken de overgordijnen open, melden dat de zon schijnt, dat er vogels in de tuin zitten. Het kleintje, wijdbeens voor de glazen deur, herhaalt tot in het oneindige de bezwerende tweetonige kreet in mineur die zij iedere ochtend tot de vogels richt: Duifie… kom nou…

Dit is het ogenblik waarop dromen en halfdromen verbannen, ideeën, visioenen en projecten die zich in de korte spanne tijds tussen slapen en waken op de voorgrond van het denken dringen, aandacht, vormgeving eisend, tijdelijk teruggewezen moeten worden. Nu komt, langzaam maar onafwendbaar, het oppermachtige mechaniek van de werkdag op gang, de motor die van pool tot pool door alle etmalen heen de menselijke bedrijvigheid aanzet. De vroege ochtend is nog chaos. In een onderdeel van een seconde moet de eerste beslissende slag geleverd worden om tegenzin en moedeloosheid, de afweerhouding van de onwillige geest voor de Sisyphus-arbeid die te wachten ligt, te overwinnen.“

 

haase

Hella Haasse (Batavia, 2 februari 1918)

 

De Ierse schrijver James Joyce werd geboren in Dublin op 2 februari 1882. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007 en mijn blog van 16 juni 2006 en ook mijn blog van 2 februari 2008.

Uit: Dubliners

 

“There was no hope for him this time: it was the third stroke. Night after night I had passed the house (it was vacation time) and studied the lighted square of window: and night after night I had found it lighted in the same way, faintly and evenly. If he was dead, I thought, I would see the reflection of candles on the darkened blind for I knew that two candles must be set at the head of a corpse. He had often said to me: “I am not long for this world,” and I had thought his words idle. Now I knew they were true. Every night as I gazed up at the window I said softly to myself the word paralysis. It had always sounded strangely in my ears, like the word gnomon in the Euclid and the word simony in the Catechism. But now it sounded to me like the name of some maleficent and sinful being. It filled me with fear, and yet I longed to be nearer to it and to look upon its deadly work.

Old Cotter was sitting at the fire, smoking, when I came downstairs to supper. While my aunt was ladling out my stirabout he said, as if returning to some former remark of his: “No, I wouldn’t say he was exactly . . . but there was something queer . . . there was something uncanny about him. I’ll tell you my opinion. . . .” He began to puff at his pipe, no doubt arranging his opinion in his mind. Tiresome old fool! When we knew him first he used to be rather interesting, talking of faints and worms; but I soon grew tired of him and his endless stories about the distillery.

“I have my own theory about it,” he said. “I think it was one of those . . . peculiar cases. . . . But it’s hard to say. . . .” He began to puff again at his pipe without giving us his theory. My uncle saw me staring and said to me: “Well, so your old friend is gone, you’ll be sorry to hear.”

“Who?” said I.

“Father Flynn.”

“Is he dead?”

“Mr. Cotter here has just told us. He was passing by the house.”

I knew that I was under observation so I continued eating as if the news had not interested me. My uncle explained to old Cotter.

“The youngster and he were great friends. The old chap taught him a great deal, mind you; and they say he had a great wish for him.”

“God have mercy on his soul,” said my aunt piously.”

 

james_joyce

James Joyce (2 februari 1882 – 13 januari 1941)
Standbeeld in Dublin

 

De Vlaamse dichter en schrijver Eriek Verpale werd geboren op 2 februari 1952 te Zelzate. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007 en ook mijn blog van 2 februari 2008.

 

Hoog bezoek

 

Er is altijd een zonderling
die mij wil spreken,
bijvoorbeeld als ik uien sta te bakken,
gezouten kaantjes of tout court spek.
Die zonderling is God.

Hij belt nooit aan.
Hij komt mijn keuken zomaar binnen,
neemt mij de pan uit de handen.
O Veni, Veni Creator!
Alles brandt aan.

Want God houdt niet van orde,
niet van regelmaat, heeft geen gezag.
De vlam in de pan. Precies zijn schepping:
te veel hartstocht en te weinig maat.

 

Verpale

Eriek Verpale (Zelzate, 2 februari 1952)

 

De Canadese toneelschrijver Michel Marc Bouchard werd geboren op 2 februari 1958 in Saint Coeur-de-Marie, Quebec. Hij studeerde theaterwetenschappen aan de universiteit van Ottawa. Sinds zijn debuut in 1983 heeft hij al 25 stukken op zijn naam gebracht. Hij ontving o.a de Prix Journal de Montreal en de Prix du Cercle des critiques de l’Outaouais

 

Uit: Des Yeux de verre / Something In Their Eyes

 

“Les journalistes vont faire un maudit saut en me voyant. Le buffet va leur rester pris dans le gosier. « Chers journalistes… » Moi aussi, j’suis capable de parler à du monde qui sont pas là. « Chers journalistes, comme toutes les ptites filles, je veux me marier avec mon père. » Photos! Chers journalistes : « Je le veux! Pour le meilleur pis pour le pire pis disons que le pire est faite. Ça va être la première fois qu’une mariée va rentrer à l’église, pas au bras de son père, mais au bras de son futur mari, qui est son père!”

 

Bouchard

Michel Marc Bouchard (Saint Coeur-de-Marie, 2 februari 1958)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver James Dickey werd geboren op 2 februari 1923 in Atlanta, Georgia. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007 en ook mijn blog van 2 februari 2008.

 

The Dusk of Horses    

 

Right under their noses, the green

Of the field is paling away

Because of something fallen from the sky.

 

They see this, and put down

Their long heads deeper in grass

That only just escapes reflecting them

 

As the dream of a millpond would.

The color green flees over the grass

Like an insect, following the red sun over

 

The next hill. The grass is white.

There is no cloud so dark and white at once;

There is no pool at dawn that deepens

 

Their faces and thirsts as this does.

Now they are feeding on solid

Cloud, and, one by one,

 

With nails as silent as stars among the wood

Hewed down years ago and now rotten,

The stalls are put up around them.

 

Now if they lean, they come

On wood on any side. Not touching it, they sleep.

No beast ever lived who understood

 

What happened among the sun’s fields,

Or cared why the color of grass

Fled over the hill while he stumbled,

 

Led by the halter to sleep

On his four taxed, worthy legs.

Each thinks he awakens where

 

The sun is black on the rooftop,

That the green is dancing in the next pasture,

And that the way to sleep

 

In a cloud, or in a risen lake,

Is to walk as though he were still

in the drained field standing, head down,

 

To pretend to sleep when led,

And thus to go under the ancient white

Of the meadow, as green goes

 

And whiteness comes up through his face

Holding stars and rotten rafters,

Quiet, fragrant, and relieved.

 

 

Dickey

James Dickey (2 februari 1923 – 19 januari 1997)

 

De Viëtnamese dichter Xuân Diệu werd geboren op 2 februari 1916 in Gò Bồi, gemeente Tùng Giản. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007 en ook mijn blog van 2 februari 2008.

 

 

The Sea

 

I don’t deserve to be the ocean blue
But I want thee to be the white beach sand
The sandy beach stretching calmly its hue
Under the crystal sun.

 

The comely beach of yellow sand
Extending to the rows of pine
So dreamily and quietly
For eons by the roaring brine.

 

Let me be the clear turquoise swells
That kiss ceaseless thy yellow sand
The gentle kiss that softly dwells
The quiet kiss that has no end.

 

I will kiss thee again, again
From here clear to eternity
Till none of this wide world remains
Before my heart can beat calmly.

 

There’re times when I would fain surge in
As if to crush thy edges dear
It’s when my billows roar passion
To drown thee in ceaseless love sheer.

 

I don’t deserve to be the ocean blue
But want to be the turquoise sea
To sing eternal songs by thee
In endless love for dear thee true.

 

So when the foam comes boiling white
And wind gusts in from everywhere,
Insatiably I’ll kiss with might
‘Cause I love so thy sand edge bare.

 

 

Vertaald door Thomas D. Le

 

XuanDieu

Xuân Diệu (2 februari 1916 – 18 december 1985)

 

De Amerikaanse schrijfster van Russische komaf Ayn Rand (eig. Alissa “Alice” Zinovievna Rosenbaum) werd geboren in Sint-Petersburg op  2 februari 1905. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007

Uit: The Fountainhead

Our country, the noblest country in the history of men, was based on the principle of individualism. The principle of Man’s inalienable rights. It was a country where a man was free to seek his own happiness. To gain and produce, not to give up and renounce. To prosper, not to starve. To achieve, not to plunder. To hold as his highest possession, a sense of his personal value. And as his highest virtue, his self-respect. Look at the result. That is what the collectivists are now asking you to destroy. As much of the earth has been destroyed. I am an architect. I know what is to come by the principle on which it is built.

We are approaching a world in which I cannot permit myself to live. My ideas are my property. They were taken from me by force, by breach of contract. No appeal was left to me. It was believed that my work belonged to others – to do with as they pleased. But they had a claim upon me, without my consent. That it was my duty to serve them, without choice or reward. Now you know why I dynamited Cortlandt. I designed Cortlandt. I made it possible. I destroyed it. I agreed to design it for the purpose of seeing it built as I wished. That was the price I set for my work. I was not paid.“

 

Rand_Ayn

Ayn Rand (2 februari 1905 – 6 maart 1982)

 

De Duitse schrijver Johann Christoph Gottsched werd geboren in Juditten (bij Koningsbergen) op 2 februari 1700. Hij hervormde het theater in classicistische zin: met name het drama is op zijn instigatie een hoog ontwikkelde kunstvorm geworden. Hij was de zoon van een protestants dominee en studeerde theologie en filologie. In 1724 verhuisde hij naar Leipzig; vanaf 1730 werkte hij er als professor aan de universiteit, alwaar hij de filosofie van Christian Wolff onderwees, alsmede logica en poëtica. Hij leidde van de ideeën van Wolff een regelsysteem voor het theater af, dat hij in 1730 publiceerde als Versuch einer Critischen Dichtkunst vor die Deutschen. Hiermee oogstte hij een aantal jaren grote belangstelling: de grondgedachte was dat een toneelstuk, en de dichtkunst in het algemeen, een afspiegeling van de realiteit moet zijn. Dit, op zijn beurt, hield een radicale zuivering van alle barokke elementen in, ten gunste van een bijzonder rigoureuze aristotelische eenheid van plaats, handeling en tijd.

 

Uit: Sterbender Cato

 

Cato
Prinzessin, diese Stadt kann Eure Zuflucht sein,
Selbst Cato schließet sich in ihre Mauren ein.
Rom seufzet, und es steht das Capitol in Flammen!
Hier zieht die Freiheit noch die letzte Kraft zusammen,
Mit der die Republik gewiß zugrunde geht,
Und wenn sie einmal fällt, wohl niemals aufersteht.
Das beste Kriegesvolk hat sich hieher gezogen;
Doch ist uns sonderlich die Tugend selbst gewogen:
Sie schützet Turn und Wall, ja selbst die Billigkeit
Scheut hier die Waffen nicht und folgt uns in den Streit.
Hier laß ich unsern Rat noch einst zusammenkommen;
An Anzahl hat er zwar sehr merklich abgenommen:
Doch an der Hoheit nicht, so ihm die Tugend gibt,
Die mehr ein redlich Herz als Glanz und Ansehn liebt.
Hier können Könige noch eins so sicher wohnen,
Als wo man sie verehrt, als auf den höchsten Thronen.
Das Recht beschützt Euch selbst; drum dämpfet Gram und Pein
Und bauet nur, wie Rom, hinfort auf mich allein.
Mein Schicksal lenkt mich stets, die Bosheit zu bestreiten,
Und sollt ich mir dadurch mein eigen Grab bereiten!

Arsene
Nein, Herr, ich bitte, gebt der Ahndung kein Gehör!
Das höchstbedrängte Rom braucht so ein Haupt noch mehr,
Denn zweene können itzt nicht wohl entbehret werden,
Im Himmel Jupiter und Cato hier auf Erden.
Wiewohl, es kömmt vielleicht Pharnaz in kurzem her;
Darum entfern ich mich.
Sein Anblick fällt mir schwer.

gottsched
Johann Ch. Gottsched (2 februari 1700 – 12 december 1766)

 

De Amerikaanse dichter en uitgever William Rose Benét werd geboren op 2 febrari 1886 in Fort Hamilton, Brooklyn, New York. Hij studeerde aam Yale University, waar hij de Yale Record en Yale Courant  uitgaf. Na WO I begon hij te werken voor The Nation’s Business, vanaf 1920 voor de New York Evening Post waarvoor hij samen met anderen de Literary Review en de Saturday Review of Literature bedacht.

Mad Blake

 

Blake saw a treeful of angels at Peckham Rye,

And his hands could lay hold on the tiger’s terrible heart.

Blake knew how deep is Hell, and Heaven how high,

And could build the universe from one tiny part.

Blake heard the asides of God, as with furrowed brow

He sifts the star-streams between the Then and the Now,

In vast infant sagacity brooding, an infant’s grace

Shining serene on his simple, benignant face.

 

Blake was mad, they say, — and Space’s Pandora-box

Loosed its wonders upon him — devils, but angels indeed.

I, they say, am sane, but no key of mine unlocks

One lock of one gate wherethrough Heaven’s glory is freed.

And I stand and I hold my breath, daylong, yearlong,

Out of comfort and easy dreaming evermore starting awake, —

Yearning beyond all sanity for some echo of that Song

Of Songs that was sung to the soul of the madman, Blake!

 

benet

William Rose Benét (2 februari 1886 – 4 mei 1950)
Portret door Luis Quintanilla

 

 

De Armeense schrijver  Gostan Zarian werd geboren op 2 februari 1885 in Shemakha, voormalige hoofdstad van Azerbeidzjan. Hij werd in 1895 door familie naar de College Germain in Asniere, nabij Parijs, gestuurd. Hij zette zijn studies voort in Brussel, waar hij al in het Frans en het Russisch publiceerde en uiteindelijk van Emile Verhaeren het advies kreeg in het Armeens te gaan schrijven. Ook daarna heeft hij buiten de Kaukasus gewoond om zo nu en dan alleen op vakantie terug te keren naar zijn geboorteland Azerbaijan en zijn moederland Armenie. Tussen 1925 en 1963 leidde hij een nomadisch bestaan tussen plaatsen als Parijs, Rome, Florence, het eiland Korfu, het eiland Ischia en New York. In 1963 keerde hij definitief terug naar het toenmalige Sovjet Armenie waar hij nog een boek schreef dat gecensureerd werd gepubliceerd (The Ship on the Mountain).

Uit: The Ship On The Mountain (Vertaald door Shant Norashkharian)

 

As he was coming down he stopped in front of the ancient church which stood above the monastery.

What a miracle it was, that this temple still remained standing! Built on the foundations of a former pagan altar, from the first centuries of Christianity, it had witnessed fierce, dreadful centuries loaded with events and eras molded with iron blood. Dead were great nations, gone were peoples and races, yet it had remained standing.

Unmaintained, orphaned, miserable.

A twisted roof, stones emptied of their cement and eaten by seasons. The broken windows were full of mislaid stones, the doors destroyed, the rafters fallen down.

It was a poor silhouette. A soul beggar.

Inside a few candles were shimmering. Herian, whose attention and mind were directed downward, where Zvart was, wanted to pass by the church in a hurry, but did not, and instead stopped in front of the door and without negotiating with himself, entered inside.

As if someone was calling him.

The church was empty. Humid, cold. There was the smell of honey-candle and putrid vegetation. He stood in front of the altar, the only lighted area. A large Bible with yellowed pages sat open. Small candle-holders supported dripping candles. The murky lights of the flames were disturbing the surrounding darkness by throwing large shadows.”

 

zarian-kostan

Gostan Zarian (2 februari 1885 – 11 december 1969)

 

De Duitse dichter Ludwig Eichrodt werd geboren op 2 februari 1827 in Durlach bij Karlsruhe. Sinds 1845 studeerde hij in Heidelberg en Freiburg rechten, filosofie en geschiedenis. In 1871 werd hij in Lahr Oberamtsrichter. Samen met zijn studievriend Adolf Kußmaul schiep hij de figuur van de Schwabische dorpsschoolleraar Gottlieb Biedermeier voor wie „seine kleine Stube, sein enger Garten, sein unansehnlicher Flecken und das dürftige Los eines verachteten Dorfschulmeisters“ het hoogste geluk op aarde betekenen. Naar deze figuur is een een hele periode in de kunst- en literatuurgeschiedenis genoemd: De Biedermeier.

 

 

Der Kunstdichter

 

Auf das Sonett ein nett Sonett zu machen,

Darauf verfallen wird alsbald ein Dichter,

Sofern ihm sonst nichts beifällt, und der Richter

Wird leicht bestochen durch die Siebensachen.

 

Die guten Freunde halten schon das Lachen,

Gerne zufrieden ist das Zunftgelichter,

Das, selbstbeseelt vom Nürenberger Trichter,

Unendlich fühlt, es könn’ es auch so machen.

 

So den Beruf zur Dichtung aufzuzeigen,

Muß ich nur schnelle das Sonett besingen,

Jedoch ich glaub’, ich darf sofort schon schweigen;

 

Ist Alles doch bekannt, was mag entflammen,

Gottlob, die Form schon stutzet uns die Schwingen,

Auch sind die vierzehn Zeilen jetzt beisammen.

 

nach_eichrodt

Ludwig Eichrodt (2 februari 1827 – 2 februari 1892)

 

De Duitse dichter en leraar Michael Öchsner werd geboren op 2 februari 1816 in München. Hij is vooral bekend gebleven als tekstschrijver van de oorspronkelijke hymne van Beieren uit 1860. Naast gedichten en liederen schreef hij schoolboeken en gaf hij een schoolkrant uit.

 

Für Bayern (Fragment)

 

Gott mit dir, du Land der Bayern,
Deutsche Erde, Vaterland!
über deinen weiten Gauen
ruhe Seine Segenshand!
Er behüte deine Fluren,
schirme deiner Städte Bau
und erhalte dir die Farben
Seines Himmels Weiß und Blau.

 

oechsner

Michael Öchsner (2 februari 1816 – 8 oktober 1893)

 

Hella Haasse 90 jaar! James Joyce, Eriek Verpale, James Dickey, Xuân Diệu, Ayn Rand

Hella Haasse 90 jaar!

De Nederlands schrijfster Hella Haasse werd geboren op 2 februari 1918 in Batavia. Dat is vandaag precies 90 jaar geleden. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007.

Uit: Oeroeg

 

‘Je moet maar een verlanglijst maken,’ begon mijn vader. Ik knikte. Ik was van plan voor Oeroeg en mij buksen te vragen, die wij mee op jacht zouden kunnen nemen, maar ik betwijfelde sterk, of mijn vader de noodzaak van een dergelijk geschenk zou inzien. ‘Over een paar maanden krijg ik verlof,’ ging mijn vader voort. ‘Ik wil graag wat gaan reizen, wat van de wereld zien, nu ik het me nog kan permitteren. Je begrijpt wel, dat ik je niet mee kan nemen. Ik heb er over gedacht om je naar Holland te sturen, naar een kostschool of iets dergelijks. Aan het eind van deze cursus doe je toelatingsexamen, dan zul je toch naar de HBS moeten. En het leven hier…’ hij maakte een gebaar om zich heen. ‘Je komt veel te kort, op deze manier. Je verindischt helemaal, dat hindert me.’ Ik zette me schrap bij de wastafel. ‘Ik wil niet naar Holland,’ stootte ik uit. De verhalen van Gerard flitsten mij door het hoofd: regen en kou, bedompte kamers, saaie stadsstraten. ‘Ik wil hier blijven,’ herhaalde ik, ‘en Oeroeg…’ Mijn vader onderbrak me met een ongeduldige beweging. ‘Oeroeg, Oeroeg,’ zei hij, ‘altijd Oeroeg. Je zult ééns zonder Oeroeg moeten. Die vriendschap duurt me lang genoeg. Ga je nooit om met jongens uit je klas? Vraag er een paar hier, als je jarig bent. Ze kunnen gehaald en thuisgebracht worden met de auto. Ik begrijp wel, dat je aan Oeroeg gehecht bent,’ voegde hij er aan toe, toen hij mijn gezicht zag. ‘Het was ook onvermijdelijk. Ik moest iets voor die jongen doen. Maar Oeroeg gaat aan het werk, als hij van school komt, en jij moet verder leren. Bovendien -’ hij aarzelde even, vóór hij er aan toevoegde: ‘Je kunt dat toch begrijpen, jongen. Jij bent een Europeaan.’ – Ik dacht er over, maar de belangrijkheid van dit laatste feit, dat ik een Europeaan was, vermocht niet tot mij door te dringen.

(……)

‘Oeroeg zei ik, halfluid. De woudduif vloog klapwiekend uit de bomen. Ik weet niet echt hoe lang wij daar tegenover elkaar stonden, zonder te spreken. Ik verroerde me niet, hij evenmin. Ik wachtte, maar zonder angst, in volkomen ontspanning. Het kwam mij voor dat dit het moment was waartoe alle gebeurtenissen, sinds de geboorte van Oeroeg en mij, onherroepelijk geleid hadden. Hier was, voor het eerst, het kruispunt waarop wij elkaar in uiterste eerlijkheid konden ontmoeten. Hij hief zijn wapen. ‘Ik ben niet alleen; zei ik, hoewel ik niet geloof dat het angst was die me daartoe dreef.Het liet mij werkelijk onverschillig of hij me neer zou schieten of niet. ‘Ga weg; zei hij in het Soendanees, ‘ga weg, anders schiet ik. Je hebt hier niets te maken.’

 

Haasse2

Hella Haasse (Batavia, 2 februari 1918)

 

De Ierse schrijver James Joyce werd geboren in Dublin op 2 februari 1882. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007 en mijn blog van 16 juni 2006.

Uit: Ulysses

“He mounted to the parapet again and gazed out over Dublin bay, his fair oakpale hair stirring slightly.–

—-
–God, he said quietly. Isn’t the sea what Algy calls it: a grey sweet mother? The snotgreen sea. The scrotumtightening sea. Epi oinopa ponton. Ah, Dedalus, the Greeks. I must teach you. You must read them in the original. Thalatta! Thalatta! She is our great sweet mother. Come and look.

Stephen stood up and went over to the parapet. Leaning on it he looked down on the water and on the mailboat clearing the harbour mouth of Kingstown.

–Our mighty mother, Buck Mulligan said.

He turned abruptly his great searching eyes from the sea to Stephen’s face.

–The aunt thinks you killed your mother, he said. That’s why she won’t let me have anything to do with you.

–Someone killed her, Stephen said gloomily.

–You could have knelt down, damn it, Kinch, when your dying mother asked you, Buck Mulligan said. I’m hyperborean as much as you. But to think of your mother begging you with her last breath to kneel down and pray for her. And you refused. There is something sinister in you . . .

He broke off and lathered again lightly his farther cheek. A tolerant smile curled his lips.

–But a lovely mummer, he murmured to himself. Kinch, the loveliest mummer of them all.

He shaved evenly and with care, in silence, seriously.

Stephen, an elbow rested on the jagged granite, leaned his palm against his brow and gazed at the fraying edge of his shiny black coat-sleeve. Pain, that was not yet the pain of love, fretted his heart. Silently, in a dream she had come to him after her death, her wasted body within its loose brown grave-clothes giving off an odour of wax and rosewood, her breath, that had bent upon him, mute, reproachful, a faint odour of wetted ashes. Across the threadbare cuffedge he saw the sea hailed as a great sweet mother by the wellfed voice beside him. The ring of bay and skyline held a dull green mass of liquid. A bowl of white china had stood beside her deathbed holding the green sluggish bile which she had torn up from her rotting liver by fits of loud groaning vomiting.”

james-joyce-by-jacque-emile-blanche

James Joyce (2 februari 1882 – 13 januari 1941)
Geschilderd door Jacque Emile Blanche

 

De Vlaamse dichter en schrijver Eriek Verpale werd geboren op 2 februari 1952 te Zelzate. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007.

 

Lied der scheepvaart

Ze wilden wel nog iets zeggen

maar niet zoveel: met andere woorden

misschien scherpe ankers slaan

in het dure weefwerk van hun geweten.

 

En ze dróómden het natuurlijk nog wel:

elkander met een voorzichtige hand

binnen praaiafstand naar oud verlangen

loodsen.

 

Nog een oceaan van tijd, dachten ze,

ligt voor ons open. In het vooronder van een rok

zouden weldra weer handen streng de wacht

of wild van stapel lopen.

 

Maar ik zag het inmiddels wel:

hoe overboord gegooid

en buiten enterbereik reeds

hun laatste gebaren dreven,

zodat ik wist: aan dit tij

valt niets meer te keren.

 

Verpale

Eriek Verpale (Zelzate, 2 februari 1952)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver James Dickey werd geboren op 2 februari 1923 in Atlanta, Georgia. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007.

For the
last wolverine

They will soon be down

To one, but he still will be
For a little while still will be stopping

The flakes in the air with a look,
Surrounding himself with the silence
Of whitening snarls. Let him eat
The last red meal of the condemned

To extinction, tearing the guts

From an elk. Yet that is not enough
For me. I would have him eat

The heart, and, from it, have an idea
Stream into his gnawing head
That he no longer has a thing
To lose, and so can walk

Out into the open, in the full

Pale of the sub-Arctic sun
Where a single spruce tree is dying

Higher and higher. Let him climb it
With all his meanness and strength.
Lord, we have come to the end
Of this kind of vision of heaven,

As the sky breaks open

Its fans around him and shimmers
And into its northern gates he rises

Snarling complete in the joy of a weasel
With an elk’s horned heart in his stomach
Looking straight into the eternal
Blue, where he hauls his kind. I would have it all

My way: at the top of that tree I place

The New World’s last eagle
Hunched in mangy feathers giving

Up on the theory of flight.
Dear God of the wildness of poetry, let them mate
To the death in the rotten branches,
Let the tree sway and burst into flame

And mingle them, crackling with feathers,

In crownfire. Let something come
Of it something gigantic legendary

Rise beyond reason over hills
Of ice SCREAMING that it cannot die,
That it has come back, this time
On wings, and will spare no earthly thing:

That it will hover, made purely of northern

Lights, at dusk and fall
On men building roads: will perch

On the moose’s horn like a falcon
Riding into battle into holy war against
Screaming railroad crews: will pull
Whole traplines like fibers from the snow

In the long-jawed night of fur trappers.

But, small, filthy, unwinged,
You will soon be crouching

Alone, with maybe some dim racial notion
Of being the last, but none of how much
Your unnoticed going will mean:
How much the timid poem needs

The mindless explosion of your rage,

The glutton’s internal fire the elk’s
Heart in the belly, sprouting wings,

The pact of the “blind swallowing
Thing,” with himself, to eat
The world, and not to be driven off it
Until it is gone, even if it takes

Forever. I take you as you are

And make of you what I will,
Skunk-bear, carcajou, bloodthirsty

Non-survivor.

Lord, let me die but not die
Out.

 

JamesDickey

James Dickey (2 februari 1923 – 19 januari 1997)

 

De Viëtnamese dichter Xuân Diệu werd geboren op 2 februari 1916 in Gò Bồi, gemeente Tùng Giản. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007.

 

Orange in green skin

When Autumn nears,
I like the scent of the orange’s skin,
Still green, on my hand after peeling,
The perfume lingers.

Oh! Yellow flesh is sweet,
And the skin is not in a hurry,
Bitterness breaks in the nose
Like a wave of perfume.

In my youth, out of duty,
I returned from far away
Like Autumn nearing,
Crazy with first love.

My hand is eager,
Across thousands of miles of missing love.
For the excitement of peeling
An orange in green skin.

Dieu2

Xuân Diệu (2 februari 1916 – 18 december 1985)

 

Voor onderstaande schrijver zie ook mijn blog van 2 februari 2007

De Amerikaanse schrijfster van Russische komaf Ayn Rand (eig. Alissa “Alice” Zinovievna Rosenbaum) werd geboren in Sint-Petersburg op  2 februari 1905.

 

 

James Joyce, Hella Haasse, Eriek Verpale, James Dickey, Ayn Rand, Xuân Diệu

De Ierse schrijver James Joyce werd geboren in Dublin op 2 februari 1882. Hij studeerde literatuur aan het Dublin University College, alwaar hij het katholicisme afzwoer. Toen in 1902 zijn studie was afgerond, besloot hij schrijver te worden, en bezocht Parijs voor de eerste maal. In 1904 verhuisde hij met zijn kamermeisje Nora Barnacle naar het continent, en woonde 10 jaar in Triëst, in Italië. WO I dwong hen te verhuizen naar Zürich in het neutrale Zwitserland. Hier begon hij te werken aan ‘Ulysses’. Na een korte terugkeer naar Triëst woonde hij vanaf 1920 in Parijs. In Ulysses gebruikt Joyce de mythen van Odysseus, Penelope en Telemachus in een moderne setting. Leopold Bloom, en respectievelijk zijn vrouw Molly Bloom en Stephen Dedalus vervullen de hoofdrollen, en tonen middels een parodie het contrast met hun mythische modellen. Het boek laat het leven in Dublin zien, met de nadruk op de vervallenheid en eentonigheid van de stad. In 1922 werd Ulysses uiteindelijk uitgebracht door een Parijse boekhandel (Shakespeare & Co), en het bleek een onmiddellijk succes. In 1939 werd de eerste versie van Finnegans Wake uitgebracht.

 

Uit: Ulysses

…I know them well who was the first person in the universe bnefore there was anybody that made it all who ah that they dont know neither do I so there you are they might as well try to stop the sun from rising tomorrow the sun shines for you he said the day we were lying among the rhododendrons on Howth head in the grey tweed suit and his straw hate the day I got him to propose to me yes first I gave him the bit of seedcake out of my mouth and it was leapyear like now yes 16 years ago my God after that long kiss I near lost my breath yes he said I was a flower of the mountain yes so we are flowers all a womans body yes that was one true thing he said in his life and the sun shines for you today yes that was why I liked him because I saw he understood or felt what a woman is and I knew I could always get round him and I gave him all the pleasure I could leading him on till he asked me to say yes and I wouldnt answer first onlly looked out over the sea and the sky I was thinking of so many things he didnt know of Mulvey and Mr Stanhope and Hester and father and old captain Groves and the sailors playing all birds fly and I say stoop and washing up dishes they called it on the pier and the sentry in front of the governors house with the thing round his white helmet poor devil half roasted and the Spanish girls laughing in their shawls and their tall combs and the auctions in the morning the Greeks and the jews and the Arabs and the devil knows who else from all the ends of Europe and Duke street and the fowl market all clucking outside Larby Sharons and the poor donkeys slipping half asleep and the vague fellows in the cloaks asleep in the shade on the steps and the big wheels of the carts of the bulls and the old castle thousands of years old yes and those handsome Moors all in white and turbans like kinds asking you to sit down in their little bit of a shop and Ronda with the old windows of the posadas 2 glancing eyes a lattic hid for her lover to kiss the iron and the wineshops half open at night and the castanets and the night we missed the boat at Algeciras the watchman going about serene with his lamp and O that awful deepdown torrest O and the sea the sea crimson sometimes like fire and the glorious sunsets and the figtrees in the Alameda gardens yes and all the queer little streets and the pink and blue and yellow houses and the rosegardens and the jessamine and geraniums and cactuses and Gibraltar as a girl where I was a Flower of the mountain yes when I put the rose in my hair like the Andalusian girls used or shall I wear a red yes and how he kissed me under the Moorish wall and I thought well as well him as another and then I asked him with my eyes to ask again yes and then he asked me would I yes to say yes my mountain flower and first I put my arms around him yes and drew him down to me so he could feel my breasts all perfume and yes his heart was going like mad and yes I said yes I will Yes.”

Joyce

James Joyce (2 februari 1882 – 13 januari 1941)

 

De Nederlands schrijfster Hella Haasse werd geboren op 2 februari 1918 in Batavia. Ze was één van de eersten die haar werk bekend maakte in het buitenland. Momenteel is zij een van de in het buitenland meest gelezen Nederlandse schrijvers. Met maar liefst zestig schrijversjaren is zij nog steeds actief. Zij begon haar carrière met het schrijven van cabaretteksten, onder andere voor Wim Sonneveld. Daarna legde zij zich toe op de literatuur. Een aantal boeken heeft het leven in Nederlands-Indië als onderwerp. Daarnaast heeft ze een aantal historische romans geschreven, waarvan de bekendste Het woud der verwachting is. In 1988 kreeg Haasse een eredoctoraat in de letterkunde van de Universiteit van Utrecht. Koningin Beatrix onderscheide haar met de prestigieuze Eremedaille voor Kunst en Wetenschap van de Huisorde van Oranje.

 

Uit: Het dieptelood van de herinnering

 

‘Soms, als ik toneelspeelde of voordroeg (…) overviel me dat gevoel waarvoor acteurs bereid zijn alle lasten van hun bestaan te dragen: de sterke, ja dwingende gewaarwording, dat het publiek mij wilde zien worden tot wat het zich droomde, maar zelf niet verwezenlijken kon. Ik moest hun fantasie gestalte geven. Dankzij dat collectieve verlangen kon ik het soms min of meer. Tegelijkertijd stond ik zeer kritisch tegenover deze plasticiteit, die me ook in het dagelijks leven kenmerkte, en die de oorzaak was van veel misverstanden, omdat ik – meegesleept door mijn eigen aanpassingsvermogen –  tot op zekere hoogte de gedaante aannam van wat men in mij wilde zien, maar het niet werkelijk kon worden. Aangevuurd door de wens van anderen om aangevuurd te worden, vuurde ik aan. Dit is een eigenschap, die tot grote waakzaamheid verplicht. Vaak heb ik- vele jaren later- als ik ergens een lezing hield, datzelfde fluïdum tussen mij en de toehoorders gevoeld, en waargenomen hoe bijna onmerkbaar de sfeer verandert, tot het niet langer
gaat om de objectieve informatie, maar om de uitstraling van de persoonlijkheid (die weer te danken is aan de vonk die uit het publiek overspringt). Het heeft mij altijd weer overrompeld en soms verbijsterd, hoe dankbaar ik overigens ook mocht wezen voor zoveel warme aandacht. Ik houd niet van dat effect, want het bewijst hoe kwetsbaar de mensen zijn in hun overgave.’

 

haasse

Hella Haasse (Batavia, 2 februari 1918)

 

De Vlaamse schrijver Eriek Verpale werd geboren op 2 februari 1952 te Zelzate. Hij volgde economie-talen als interne leerling bij de broeders in Oostakker-Lourdes en studeerde aan de Universiteit Gent, toen nog RUG, 1 jaar Germaanse filologie en 1 jaar slavistiek (1970-1972). Opgevoed door zijn overgrootmoeder, die vlak naast hem woonde werd zijn belangstelling gewekt voor de joodse cultuur, hij heeft dan ook verschillende vertalingen uit het Jiddisch en Hebreeuws op zijn naam staan.

 

Innamorati

Hoe één mens zo soms

van een ander, en dat maar eens.

Hoe iemand in zijn leven van altijd

maar één vrouw, van haar.

Hoe ik, oud, van jou dus.

 

Hoe een man van geen andere vrouw

dit verdragen kan: een rimpel al,

kwaaltjes, zelfs de muren

van een andere man. En dat je

kunt weggaan, doodgaan, opgaan

in rook, zo simpel. Maar het niet doet.

Er woedt nog oorlog.

 

Want hoe een mens in zijn leven

maar één keer. Hoe een man van

altijd maar één vrouw het meisje,

de poppetjes in haar ogen, het haar

toch snipverkouden.

 

Hoe ik, een trage dwaas,

juist dààrom. En in al mijn winters.

 

VERPALE

Eriek Verpale (Zelzate, 2 februari 1952)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver James Dickey werd geboren op 2 februari 1923 in Atlanta, Georgia. Hij diende zowel in WO II als in de Koreaanse oorlog. Daar tussenin studeerde hij filosofie en Engels. Zijn eerste boek, Into the Stone, werd gepubliceerd in 1962. Voor Buckdancer’s Choice ontving hij in 1966 de National Book Award. Zijn populariteit steeg tot grote hoogte door de verfilming van zijn roman Deliverance in 1972, waarin hij zelf een bijrol speelde als sheriff.

 

In the Child’s Night

On distant sides of the bed
We lie together in the winter house
Trying to go away.

Something thinks, “You must be made for it,
And tune your quiet body like a fish
To the stars of the Milky Way

To pass into the star-sea, into sleep,
By means of the heart of the current,
The holy secret of flowing.”

Yet levels of depth are wrestling
and rising from us; we are still.
The quilt patterns—a child’s pink whale—

Has surfaced through ice at midnight
And now is dancing upon
The dead cold and middle of the air

On my son’s feet:
His short legs are trampling the bedclothes
Into the darkness above us

Where the chill of consciousness broods
Like a thing of absolute evil.
I rise to do battle

With my bare hands.
I enter the faraway other
Side of the struggling bed

And turn him to face me.
The stitched beast falls, and we
Are sewn warmly into a sea-shroud

It begins to haul through the dark.
Holding my son’s
Best kicking foot in my hand,

I begin to move with the moon
As it must have felt when it went
From the sea to dwell in the sky,

As we near the vast beginning,
The unborn stars of the wellhead,
The secret of the game.

dickey

James Dickey (2 februari 1923 – 19 januari 1997)

 

De Amerikaanse schrijfster van Russische komaf Ayn Rand (eig. Alissa “Alice” Zinovievna Rosenbaum) werd geboren in Sint-Petersburg op  2 februari 1905. Zij was de grote filosofe van het Objectivisme en heeft in de VS vele volgelingen. Hoewel ze in Rusland geboren is en in 1926 naar de VS kwam, heeft ze de theorieën van Aristoteles weer doen herleven, maar sloot haar eigen theorieën daarbij in (zoals haar bewondering voor het kapitalisme). Ze heeft de meeste bekendheid gekregen met haar boeken The Fountainhead (geïnspireerd op Frank Lloyd Wright) en Atlas Shrugged (geïnspireerd op de uitvinder Nikola Tesla) maar heeft nog vele andere boeken geschreven.

Uit: ATLAS SHRUGGED, CHAPTER VII, “THIS IS JOHN GALT SPEAKING” (1957)

“The doorbell was ringing like an alarm, in a long, demanding scream, broken by the impatient stabs of someone’s frantic finger.
Leaping out of bed, Dagny noticed the cold, pale sunlight of late morning and a clock on a distant spire marking the hour of ten. She had worked at the office till four A.M. and had left word not to expect her till noon.
The white face ungroomed by panic, that confronted her when she threw the door open, was James Taggart.
“He’s gone!” he cried.
“Who?”
“Hank Rearden! He’s gone, quit, vanished, disappeared!”
&nbsp
;    She stood still for a moment, holding the belt of the dressing gown she had been tying; then, as the full knowledge reached her, her hands jerked the belt tight–as if snapping her body in two at the waistline–while she burst out laughing. It was a sound of triumph.
He stared at her in bewilderment. “What’s the matter with your?” he gasped. “Haven’t you understood?”
“Come in, Jim,” she said, turning contemptuously, walking into the living room. “Oh yes, I’ve understood.”
“He’s quit! Gone! Gone like all the others! Left his mills, his bank accounts, his property, everything! Just banished! Took some clothing and whatever he had in the safe in his apartment–they found a safe left open in his bedroom, open and empty–that’s all! No word, no note, no explanation! They called me from Washington, but it’s all over town! The news, I mean, the story! They can’t keep it quiet! They’ve tried to, but…Nobody knows how it got out, but it went through the mills like one of those furnace break-outs, the word that he’d gone, and then…before anyone could stop it, a whole bunch of them vanished! The superintendent, the chief metallurgist, the chief engineer, Rearden’s secretary, even the bastards! Deserting us, in spite of all the penalties we’ve set up! He’s quit and the rest are quitting and those mills are just left there, standing still! Do you understand what that means?”

 

Rand

Ayn Rand (2 februari 1905 – 6 maart 1982)

 

De Viëtnamese dichter Xuân Diệu werd geboren op 2 februari 1916 in Gò Bồi, gemeente Tùng Giản als zoon van een leraar. Hij studeerde onder andere in Hanoi en haalde een graad als landbouwkundig ingenieur. Hij was een van de leiders van de literaire beweging Thơ Mới (New Poetry). Belangrijke werken van hem zijn Thơ Thơ (Poetry poem, 1938), Gửi Hương Cho Gió (Perfume Flies with the Wind, 1945), en de short story Phấn Thông Vàng (Golden Pine Pollen, 1939). In 1943 sloot hij zich aan bij de Viet Minh en werd een van de belangrijkste dichters die opriepen tot verzet tegen de Fransen.

 

On the phone

On the phone, suddenly I saw you clearly,
Your voice lovely familliar smooth smooth, warm warm.
We embraced forgetting days and nights,
The light of the soul crossed hundreds of miles!

Ten seconds… a half a minute… you speak with me.
We are together, the heart beats in the chest…
Like when thirsty, drinking soft kind water,
Like missing someone for a long time and suddenly meeting
them on the way…

“On the ferry crossing, take care back and forth”
In each of my step, your words echo…
We separate the waves, tear the water to look for each other,
The sea of distance stays quiet.

 

Vertaald door Hoang Giang en Beth Weatherby

 

Dieu

Xuân Diệu (2 februari 1916 – 18 december 1985)