Anne Vegter, Arjen Duinker, Junot Díaz, Bastian Böttcher, Jacob Israël de Haan, August van Cauwelaert, Paula Dehmel

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anne Vegter werd geboren in Delfzijl op 31 december 1958. Zie ook alle tags voor Anne Vegter op dit blog.

In IJsland
Naar Psalm 116

Ik vond liefhebben altijd lastig:
Hoè zou ik liefhebben, zijnde opgevoed
In luisterrijk verpakte leugen?
Ik toostte op ontluistering, op de nacht
Die de zon verkrachtte, dronk
Op zegeningen van gebrek aan uitzicht,

Niets was mij liever. Mijn ritme
Was de teloorgang van het jaar.
Zolang de winter de herfst, de herfst
De zomer, de zomer etc.
Herkende ik de aanzet der lente:
Kortstondige leugen van leven.

Wie mij teder raakte, sloeg ik hard.
Ontvangen geeft, weet ik nu,
Geen recht op kwijting van schuld.
Mijn gang was niet naar iemand toe,
Maar van iemand weg;
Ik wilde op een rots staan.

In een hitsige wind, onder het dak
Van triljoenen muggen waar God –
Toegang werd ontzegd, was ik thuis.
Mijn land is een heidens pandemonium:
Schede van steen, feest van ontvelling,
Slechting van kunne, geslachten

Schaamteloos hoorde ik mij mompelen:
God, waarom hebt gij mij verlaten?
Dit, dat van u kwam –
Redeloos einde, begin –
IJsland der ziel, wees gestenigd:
Enkele reis naar zichzelf:

Maar onhoorbaar in de wind,
Onzichtbaar op het steen,
Onvindbaar in de nacht
Sprak alles tegen mij,
Ja, alles sprak tègen mij:
‘Het zij zo het zij’

En ik rustte in de armen van de wanhoop,
Ik sliep op de akkoorden van de wind,
Ik droomde de droom der dolers:
‘Het zij zo het zij’
En zo zij het –
Gelooft God!

 

De middelen

Wat helpt is een wonder,
een zintuig is ook een gunst

wat helpt is een tatoeage:
‘liefde is de som van gemis’

wat helpt is de zin van een peer
die openscheurt in de pluk

wat helpt is een dwars kind,
het verandert, het begint

wat helpt is de gift van een vriend,
hij likt zijn schitterende hand

wat helpt is een buigende koning,
hij lekt een traan op zijn land.

 
Anne Vegter (Delfzijl, 31 december 1958)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Arjen Duinker werd geboren in Delft op 31 december 1956. Zie ook alle tags voor Arjen Duinker op dit blog.

Sailor’s home

De roep van de golven rood.
Een bloem glijdt door een glooiing
En geeft haar parfum aan een steilte
Die vrij in de lucht zwijgt.

De trots van de golven zwart.
De ogen roven het onverwachte
Dat de striemen op de huid
Met blaadjes kalmeert.
 

 

Snoepgoed

Mijn liefde voor apen
Heeft weinig to maken met een achternaam
Soorten zijn onbelangrijk
Details doen er niet toe
Leven en dood smaken als dropjes
Ik ben noch familieziek noch verzot op bomen
Ik geef de voorkeur aan kale kades
Die de verte laten zien.

 

Delft is het centrum van de wereld

Ga ik de hoek van de Choorstraat om
Kom ik die kapper tegen die zijn zaak met pokeren verloor

Ga je de hoek van de Peperstraat om
Kom je die uitvinder tegen die met een been in de sloot stond

Loop ik op de Oude Langendijk
Zie ik die fietsenmaker die zijn hond een verkeerd commando gaf

Loop je op Dertienhuizen
Zie je die tuinman die op de markt een tros bananen stal

Delft is het centrum van de wereld
En toevallig wonen wij daar.

 
Arjen Duinker (Delft, 31 december 1956)

 

De Amerikaans-Dominicaans schrijver Junot Díaz werd geboren in Santo Domingo op 31 december 1968. Zie ook alle tags voor Junot Diaz op dit blog.

Uit: The Brief Wondrous Life of Oscar Wao

“Mami, stop it, his sister cried, stop it!
She threw him to the floor. Dale un galletazo, she panted, then see if the little puta respects you.
If he’d been a different nigger he might have considered the galletazo. It wasn’t just that he didn’t have no kind of father to show him the masculine ropes, he simply lacked all aggressive and martial tendencies. (Unlike his sister, who fought boys and packs of morena girls who hated her thin nose and straightish hair.) Oscar had like a zero combat rating; even Olga and her toothpick arms could have stomped him silly. Aggression and intimidation out of the question. So he thought it over. Didn’t take him long to decide. After all, Maritza was beautiful and Olga was not; Olga sometimes smelled like pee and Maritza did not. Maritza was allowed over their house and Olga was not. (A puertorican over here? his mother scoffed. Jamás!) His logic as close to the yes/no math of insects as a nigger could get. He broke up with Olga the following day on the playground, Maritza at his side, and how Olga had cried! Shaking like a rag in her hand-me-downs and in the shoes that were four sizes too big! Snots pouring out her nose and everything!
In later years, after he and Olga had both turned into overweight freaks, Oscar could not resist feeling the occasional flash of guilt when he saw Olga loping across a street or staring blankly out near the New York bus stop, couldn’t stop himself from wondering how much his cold-as-balls breakup had contributed to her present fucked-upness. (Breaking up with her, he would remember, hadn’t felt like anything; even when she started crying, he hadn’t been moved. He’d said, No be a baby.) What had hurt, however, was when Maritza dumped him. Monday after he’d fed Olga to the dogs he arrived at the bus stop with his beloved Planet of the Apes lunch box only to discover beautiful Maritza holding hands with butt-ugly Nelson Pardo. Nelson Pardo who looked like Chaka from Land of the Lost! Nelson Pardo who was so stupid he thought the moon was a stain that God had forgotten to clean. (He’ll get to it soon, he assured his whole class.) Nelson Pardo who would become the neighborhood B&E expert before joining the Marines and losing eight toes in the First Gulf War. At first Oscar thought it a mistake; the sun was in his eyes, he’d not slept enough the night before. He stood next to them and admired his lunch box, how realistic and diabolical Dr. Zaius looked. But Maritza wouldn’t even smile at him! Pretended he wasn’t there.”

 
Junot Díaz (Santo Domingo, 31 december 1968)

 

De Duitse dichter schrijver Bastian Böttcher werd op 31 december 1974 in Bremen geboren. Zie ook alle tags voor Bastian Bötcher op dit blog.

Schnappschüsse
(zum Andenken an H. A.)

Nimm diesen Fotoapparat
Nimm diese Kamera
Schau wie der Spiegel sein Reflex-Spiel treibt
mit Brennweite, Blende und zweiunddreißig Gigabyte

Für die vorübergehende Schönheit, die anhaltende Zeit
sie passiert dir, sie passiert dich
im Vorbeigehen ein Blitzen, das bleibt
So erscheint sie dir und so erscheint sie allen
im Begriff zu strahlen, gleich ihr verfallen

Finde Motive, mach Fotos
Drücke den Auslöser
für die Fortfolge von hell aufbrennenden
keine Sekunde dauernden
jede Hundertstel beginnenden und endenden Momenten

Knips das
Sonne-steht-im-Gegenlichtadrette-
Silhouette-stichtaus-
Massen-in-der-Bahn-zur
Morgen-Frühschicht-hervor-Jetzt

Knips das
Matt-im-Schatten-schlafen-legen
satt-und-schlapp-die-Trägheit-pflegen
rasten-und-die-Lider-zufalln
lassen-unterm-Baum-Jetzt

Knips
Beim-Blick-aus-Flugzeugfensterglänzt-
der-Flügel-Fliegerschattenauf-
den-Wolken-und-nkreisrunder-
Regenbogen-drum-Jetzt

Fokussier die Fortfolge von hell aufbrennenden
keine Sekunde dauernden
jede Hundertstel beginnenden und endenden Momenten

Und so viel du auch knipst
es bleiben Pixel gebannt auf Chips

Und die vorübergehende Schönheit, die anhaltende Zeit
sie passiert dir, sie passiert dich
im Vorbeigehen ein Blitzen, das bleibt
So erscheint sie dir und so erscheint sie allen
im Begriff zu strahlen, gleich ihr verfallen

 
Bastian Böttcher (Bremen, 31 december 1974)

 

De Nederlandse schrijver, dichter, publicist, rechtsgeleerde Jacob Israël de Haan werd geboren in Smilde op 31 december 1881. Zie ook alle tags voor Jacob Israël de Haan op dit blog.

Zaterdagavond

Avond; aan de bleke blauwe lucht, zie
Hoe ’t bloeisel van de sterren stil ontspruit,
Ach: nu vieren vromen de Sabbath uit
Met wijn en wierook, licht en melodie.

Mijn Vader schenkt de wijn over de randen
Van zijn beker, teken van overvloed;
Hij ruikt de specerijen scherp en zoet,
En zegent het licht met geheven handen.

Dit is zijn bede: ‘Die ’t onheilig scheidt
Van ’t heilig hoede ons in zijn veiligheid,
Vermere ons als sterren in ’t nachtgetijde.’

Vader, Vader, hoe fel heb ik geleden
Sinds ik uw zegen schond en uwe beden
En ’t heilig niet van ’t heilloos onderscheidde.

 

De stille nacht

De nacht is stil. Zo wijd als mijn oog ziet
Hangt aan de lucht nu geen bloeiende schijn
Van een Stad. Oovral rust. De sterren zijn
Rondom de maan roerloos. Zij tinklen niet.

Dit is de vrede, die ik zocht. Nooit vond
Ik vrede in u. En nu haat ik u, Stad,
Teedre stad, wrede stad. Ik haat de schat
Van al uw lust, die harten drijft en wondt.

Oceaan, Oceaan, vóór ons duinhuis
Vallen uw golven uit met licht gedruis.
Zonder schuim, zonder wind, want het is zomer.

Ik, die de Stad ziek ontweek, hoor uw Zang
Eindloze Zee, de stille vóórnacht lang
En ‘k ben gelukkig. Mijn lied herleeft schoner.

 

Specerijen-bazar

Dromend gaan door de specerijenstraatjes.
De huisjes zijn van zoete geur doorstoofd.
Het wolkt uit dozen, balen, kast en laadjes
Ene bedwelming om mijn zalig hoofd.

 
Jacob Israël de Haan (31 december 1881 – 30 juni 1924)

 

De Vlaamse dichter, advocaat en rechter August van Cauwelaert werd geboren in Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek op 31 december 1885. Zie ook alle tags voor August van Cauwelaert op dit blog.

Van een jongetje

Hij sloeg zijne armen op en sloot
Zijne ogen op het licht der dagen.
Wie zal zijne arme moeder dragen
De droeve mare van zijn dood?

Zijn moederken was oud en stram
En moe van arbeid en van jaren;
Ze leerde ’t leed: in pijn te baren
Kroost dat de dood weer spade ontnam.

Dan zag ze ’t hoofd van ’t huisgezin
Een morgen van de drempel dragen.
Toen stapte een rei van donkre dagen,
Vertwijfling, schaamte en armoede in.

Maar op een nacht raasde angstgeluid,
En dwaas rumoer van volk dat rende;
Toen trad, naar ’t gruwbare onbekende,
Haar jongste kind haar woning uit.

Veel zorg en ziekte en zwart verdriet
Was al wat de oude geest nog heugde:
Hij was de laatste schaamle vreugde
Die ’t leven in haar handen liet.

Eén hoop doorlichtte nog haar rouw;
Nog sterkte één doel haar wankler schreden:
De wil, na wat ze had doorleden,
Dat ze eens haar jongen weerzien wou.

Ach, beter neeg ze ’t hoofd en sloot
Hare ogen op het licht der dagen;
Want wie zal de arme moeder dragen
De droeve mare van zijn dood.

 
August van Cauwelaert (31 december 1885 – 4 juli 1945)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Paula Dehmel werd geboren op 31 december 1862 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Paula Dehmel op dit blog.

Das Königskind

Wer tanzt mit mir?
Wer spielt mit mir?
Ich bin so sehr allein.
Kam da der gelbe Sonnenstrahl:
Ich tanze Tippel – Huschemal,
Willst du meine Tänzerin sein?
Wer tanzt mit mir?
Wer spielt mit mir?
Der Sonnenstrahl ist zu fein;
Kam da der wilde Pustewind:
Heideih! ich spiele Wegefind,
Lauf doch! fang mich ein!
Wer tanzt mit mir?
Wer spielt mit mir?
Der Wind macht mein Krönchen entzwei.
Kam da unser brauner Junge an,
Macht ′nen Diener wie ′n Edelmann:
Prinzeß, ich bin so frei!

 

Widmung

Klänge wachsen auf den Wegen,
Im Gebüsch, im jungen Grün:
Alle meine Melodien
Möchte ich mit leisem Segen
Abends auf dein Kissen legen.

Wilde Blumen, seltne Früchte:
Was der reife Sommer bringt,
Möcht′ ich in dein Zimmer tragen;
Sollst mir keine Antwort sagen.
Still! – der Traum versinkt – verklingt.

 
Paula Dehmel (31 december 1862 – 9 juli 1918)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 31e december ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Anne Vegter, Arjen Duinker, Junot Díaz, Bastian Böttcher, Jacob Israël de Haan, August van Cauwelaert, Paula Dehmel

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anne Vegter werd geboren in Delfzijl op 31 december 1958. Zie ook alle tags voor Anne Vegter op dit blog.

Dadaab

We zeggen laten we niet naar school gaan, als je naar school gaat
begin je de wereld te begrijpen, dan breekt de pleuris uit.

We zeggen meisjes zijn duurkoop om toekomst mee te betalen
of is de wereld een markt waar je dochters ruilt voor suiker.

We zeggen achter de tenten is een zandweg en de weg is lang
en het zand leidt terug naar de oorlog, waarom zou je gaan.

We zeggen het schieten klinkt in de slaap zo luid als in het
geheugen maar we zijn doof van honger zeggen we en

het tobben zat. Herkent iemand op school de naam Nadifa al,
geboren tussen seizoenen, woede en onschuld, dan breekt

de pleuris maar uit. De meisjes zeggen whatever wij meisjes
zeggen. Onder de zwarte hemel delen we zandlampen uit,

we spellen een handleiding want morgen breken we de tenten af.

 

Aanslag op de liefde

Is dit hoe dood kan gaan, je richt je geweer, je scant
mijn geheugen: de laatste vakantie, de eerste vliegreis,
de beslagen medaille van de laatste vierdaagse: sterven

voor beginners. Je blik houdt schrik en misbaar
samen, je ogen richten een ravage aan in mijn versie
van een mannenhart. Liefde is de som van gemis.

Je graaft een kuil in je naam, het dagelijks bloed
kan er zomaar in verdwijnen, je zegt dat je
geen vrouwen doodt. Iedereen wijst naar je foto,

je hebt het ‘m geflikt. Je wilde ons waarschuwen:
dit is geen gedicht. Je zegt haast vriendelijk dat je
geen vrouwen doodt, maar het loopt wel eens anders,

het blijft mensenwerk. Welke engelen kent je geloof,
in welke woorden kan een verloren god zich nestelen?
Vergeven is gezegd, onmenselijk godenwerk.

 
Anne Vegter (Delfzijl, 31 december 1958)

Doorgaan met het lezen van “Anne Vegter, Arjen Duinker, Junot Díaz, Bastian Böttcher, Jacob Israël de Haan, August van Cauwelaert, Paula Dehmel”

Dolce far niente, Jacob Israël de Haan, Griet Op de Beeck, Jeroen Theunissen, Annie Proulx, Krijn Peter Hesselink, Willem Arondeus

Dolce far niente

 

 
Amsterdam, Marnixstraat

 

Uit: Pijpelijntjes

“Geen mensch op straat, de witte lichten flatterden wild in de wind en wuifden hun lichtbossen door de donkere waterplassen heen en weer.
‘Wat krijg je d’rop?’
‘Een daalder… of misschien vijf en dertig stuivers, dat hangt d’r van af.’
‘Zoo, nou moet je d’res hooren wat ik doe. Laten we nou rekenen, dat je op ’t ringetje ’n daalder krijgt, ik heb nog ’n stuiver of vijftien en jij zeven, dan lossen we mijn klok; daar staat ’n rikspop op, en dan brengen we die naar de Marnixstraat, daar krijg ik d’r drie gulden op’….
‘’t Regent zoo, laten we dat nou niet doen, ik ben zoo koud, we komen d’r nou immers toch wel.’
‘Nee, laten we dat nou wel doen, die tien stuivers zijn gauw verdiend, zoo ver is dat nou ook niet, en die regen, nou ja, die regen… ik ga immers mee.’
Z’n fijne vleiing maakte mij flauw en van binnen streelde zijn stem in mij.
‘Goed, laten we dan maar.’
Op ’t ringetje kregen we één vijf en zeventig en Sam brutaal in eens opdriestend, nou die wat inloste, eischte de klok terug.
Toen, door de regenPijp marcheerden we samen, de donkere Stadhouderskade dan.
Tegen de zwarte regenlucht geelde het pleklicht van de stad, bleek-goud, maar verder alles nat en zwart. En de kade leeggewaaid, en zwarter, waar geen tram meer liep te lichten.
‘Sam.’…
‘Ja, boy.’…
‘Dàg… ’n eind hè?’
Mijn koudgeregende hand nam hij beet en hield hem vast, warm in de zijne, omdat hij z’n handen altijd in z’n zak had. Dicht naast mekaar liepen we voort, gebogen tegen de wind in.
Het Leidscheplein, mal-licht, schater-licht, de drukke tintellichtlachjes van de gloeilampjes en de witte kousjes en de kalme bleekblauwe doodslach van de boogbollen, die wit blauw-grijnzend schommelden op de wind.
De menschen vlug-an uit de zwarte pleinhoeken ’t licht in, en weg weer in een andere donkerte. Op ’t plein liet Sam m’n hand los en we liepen gauw schuin over, ’t zwarte straatgat tusschen het witte Américainhotel en de roode stadsschouwburg in. De Marnixstraat zwart met wat geel, stilte na ’t pleingeluid, de kale boomen druipend van dichtebij; brandde druk de lichte muur van de suikerfabriek, het zwarte stuk er achter, spokig.
‘Jezes, wat is zoo’n stad toch een beroerd beest’….”

 

 
Jacob Israël de Haan (31 december 1881 – 30 juni 1924)
Smilde, de Hoofdvaart. Jacob Israël de Haan werd geboren in Smilde.

Doorgaan met het lezen van “Dolce far niente, Jacob Israël de Haan, Griet Op de Beeck, Jeroen Theunissen, Annie Proulx, Krijn Peter Hesselink, Willem Arondeus”

Anne Vegter, Arjen Duinker, Bastian Böttcher, Jacob Israël de Haan, August van Cauwelaert, Paula Dehmel

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anne Vegter werd geboren in Delfzijl op 31 december 1958. Zie ook alle tags voor Anne Vegter op dit blog.

We weten nog niet hoe

snel alles, hoe snel je zicht verandert
tot je bent wat je verandert,
hoe snel het kind zich in je opbergt.

We weten nog niet hoe ver alles,
hoe ver de echo van je zang reikt,
hoe ver je gaat of buigt.

We weten nog niet hoe licht alles-
hoe licht het dragen van je geluk-
hoe licht van details het gewicht-

We weten nog niet hoe vaak alles,
hoe vaak de stad schittert in je ogen,
hoe vaak de liefde een daad is van genot.

“Kijk, de stad drijft langs!”
“Zie je iets?”
“Zei je iets?”

Je tekent een bed op het water.
“Wacht je daar op me?”
We weten nog niet wanneer je een godensprong waagt.

 

Het geheim van de boekhandelaar

Je verkoopt boeken maar eigenlijk geef je liefde door
je geeft adviezen maar eigenlijk wijs je op vergezichten
je noemt een auteur maar eigenlijk raad je een verlangen
je wacht op een vraag maar eigenlijk stel je vragen

Je verkoopt boeken maar eigenlijk verplaats je taal
je wijst op de kasten maar eigenlijk zijn het horizonnen
je zegt omzet maar eigenlijk fluister je kapitaalbandje
je noemt een titel maar eigenlijk deel je vleugels uit

Je verkoopt boeken maar eigenlijk vertel je verhalen
je wordt getipt maar eigenlijk ben je een lezers lezer
je citeert ‘mooi is de menselijke rede, en onoverwinnelijk’
je bent een eiland maar eigenlijk verkoop je lifelines

 
Anne Vegter (Delfzijl, 31 december 1958)

Doorgaan met het lezen van “Anne Vegter, Arjen Duinker, Bastian Böttcher, Jacob Israël de Haan, August van Cauwelaert, Paula Dehmel”

Anne Vegter, Arjen Duinker, Bastian Böttcher, Jacob Israël de Haan, Kingbotho, August van Cauwelaert, Paula Dehmel

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anne Vegter werd geboren in Delfzijl op 31 december 1958. Zie ook alle tags voor Anne Vegter op dit blog.

Showen en trippen

Er is zielsveel geluk nodig in deze jurk met vertedering naar buren
te kijken die rond middernacht hun afvalzak in een container doen.

Er is zielsveel geluk nodig in deze jurk een taxi aan te houden die onwillig is
je tot buiten de stad te rijden waar loofwoud staat dat zich voortplant.

Er is zielsveel geluk nodig deze jurk dronken en klaarwakker naar een show
te brengen, blind een deur te vinden waardoor je het toneel verlaat.

Er is zielsveel geluk nodig in deze jurk iets te slikken, een ballonvaart
te maken en op het mozaïek van je land neer te kijken als een slome astronaut.

Er is zielsveel geluk nodig in stralend weer voorzichtig te verongelukken.
Stemmen schreeuwen zeggen wade in plaats van jurk.

 

Welkom in Nederland

Iemand zei geschiedenis zoekt naar evenwicht.
De tellingen hebben ons overtuigd:
mensen en mogendheden in ongelijke mate.
Nu lopen de cijfers langs de wegen van Europa
vol speeksel, vol tranen, vol dringende verwachtingen.
En waar zou jij op hopen als je verhaal, je land,
je stad, je monument, je berg, je dorp, je eer,
je school, je huis, je deken, je matras,
je nachtrust dagelijks aan stukken werd gerukt?
Geschiedenis vindt evenwicht, maar niet vanzelf.
En onze harten slaan de tijd, beng, beng,
om het logeermatras te kloppen.

 
Anne Vegter (Delfzijl, 31 december 1958)

Doorgaan met het lezen van “Anne Vegter, Arjen Duinker, Bastian Böttcher, Jacob Israël de Haan, Kingbotho, August van Cauwelaert, Paula Dehmel”

Anne Vegter, Arjen Duinker, Bastian Böttcher, Jacob Israël de Haan, Kingbotho, August van Cauwelaert, Paula Dehmel

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anne Vegter werd geboren in Delfzijl op 31 december 1958. Zie ook alle tags voor Anne Vegter op dit blog.

MH 17

Twintig keer naar het journaal gekeken en het is nog steeds waar: zomaar in het web gevlogen van de oorlog van anderen.

Bestaat er in het Russisch ook een woord voor schuld,
woord voor genade, noem het woord dat macht niet duldt:

voor zulke pijn heb je niet eens een woord.

Twintig keer naar het journaal gekeken en het is nog steeds moord. Je zoekt de weefsels van dit abrupt verhaal. Je vindt

het woord, who cares of het bestaat of niet. Wereldverdriet.

 

GEBED VOOR IEDEREEN

Nog trekt het zich terug als in twee vuisten, reculer pour mieux sauter.
Nog lift het vrolijk mee als op het stuur van een weesfiets, zwenkt uit.
Nog loopt het mee in de optocht van iedereen, het spreekt verdwenen taal.
Nog verstopt het zich in geluidsfragmenten, applaus en partituren.
Nog nestelt het gebed zich in het Nederlands en biedt royaal onthaal.
BENG! KLEDDERRRRR! KLENG!
Een opstelling van stokken en tomaten, stenen uit de straat, de verf.
Tongen die spugen op gebed: ,,Niet buigen broddah! Strek je op!”
Wereldvreemden die maar wat floepen: ,,Wie de staat kent, kent zichzelf.”
Nieuwe talen zingen, roepen: ,,Niks kebed, suster, komt niet koed.”
Daar de mening, hier de uitspraak. Het Laatste Oordeel is bankroet,
roept uit nood en overvloed. Het kruipt door puin en bloeit op stank.
Hecht zich aan honger en verruilt een koninkrijk voor voedselbank,
kijkt, verwart, merkt op. Niet schadevrij, er heerst het schrale tij.
Het lacht en lijdt maar in gelijke mate, dat is de vrijheid van de poëzie.
Bemint een land uit een verlangen naar dat land: gebed laat liefde vrij.
LEVE
majesteit boven dit krachtenveld. Zo’n spiedend oog over de dijk.
Het soort alwetendheid ten dienste van het Crisisrijk. Verheft
in majesteit saamhorigheid tot kunst. Zo dus. O lieve koningin
die levenslang het hele land voorbij zag gaan, nu mag het zomaar,
lekker zomaar in de rij gaan staan.

 
Anne Vegter (Delfzijl, 31 december 1958)

Doorgaan met het lezen van “Anne Vegter, Arjen Duinker, Bastian Böttcher, Jacob Israël de Haan, Kingbotho, August van Cauwelaert, Paula Dehmel”

Anne Vegter, Arjen Duinker, Bastian Böttcher, Jacob Israël de Haan, Kingbotho, August van Cauwelaert

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anne Vegter werd geboren in Delfzijl op 31 december 1958. Zie ook alle tags voor Anne Vegter op dit blog.

Wisselende posities

Zijn de coördinaten waarop jij je bevindt veranderlijk,
reis dan minder grillig. Zo krijg ik geen vlaggetje in de kaart.

Ik wilde je route volgen, je strategie:
< nieuw is het allemaal niet > je komt terug om te gaan.

Je schrijft aan alles te merken dat je in het hoge noorden bent.
Ondanks geringe hoogte liggen gletsjerdelen langs de weg.

Uitglijden zou rampzalig zijn, schrijf je, kranten kopten
je vermissing. Ik schrijf zeur niet, vlucht voor je vertrek.

Die jou niet noemen slapen zoet, morgen willen ze best
een tekening over je maken < niet langer lastigvallen met de eigen,

weinig kan al gezin zijn >. Tragische humor kan wonderen:
je verzoek per sms om een opbeurend woordje. Ik raad je angst

verschijnsel na verloren samenhangen. Helpe iets dierbaars
dat de weg smelt: een sneeuwkonijn. Nog beter: weten. Liefst:

goedzicht.

 

Showen en trippen

Er is zielsveel geluk nodig in deze jurk met vertedering naar buren
te kijken die rond middernacht hun afvalzak in een container doen.

Er is zielsveel geluk nodig in deze jurk een taxi aan te houden die onwillig is
je tot buiten de stad te rijden waar loofwoud staat dat zich voortplant.

Er is zielsveel geluk nodig deze jurk dronken en klaarwakker naar een show
te brengen, blind een deur te vinden waardoor je het toneel verlaat.

Er is zielsveel geluk nodig in deze jurk iets te slikken, een ballonvaart
te maken en op het mozaïek van je land neer te kijken als een slome astronaut.

Er is zielsveel geluk nodig in stralend weer voorzichtig te verongelukken.
Stemmen schreeuwen zeggen wade in plaats van jurk.

 
Anne Vegter (Delfzijl, 31 december 1958)

Doorgaan met het lezen van “Anne Vegter, Arjen Duinker, Bastian Böttcher, Jacob Israël de Haan, Kingbotho, August van Cauwelaert”

Arjen Duinker, Bastian Böttcher, Jacob Israël de Haan, Kingbotho, August van Cauwelaert

De Nederlandse dichter en schrijver Arjen Duinker werd geboren in Delft op 31 december 1956. Zie ook alle tags voor Arjen Duinker op dit blog.

Leve de camouflage!

Het oninteressante is concreet als een hond.
Vorstelijk als een rog, uniek als een kikker,
Het oninteressante is sentimenteel als een vlo,
Ruimhartig als een baviaan, zacht als een raaf.

Laten we de dierenwereld verder vergeten…

Het oninteressante is aandoenlijk als een tas,
Abstract als een koekje, schoon als een bril.
Het oninteressante is nieuwsgierig als een kapstok,
Vrij als een zeem, schitterend als een tafel.

Laten we de wereld van de dingen vergeten, en snel…

Het oninteressante is magazijnchef,
Loodgieter, demagoog, landmeter,
Psychiater, laborant, vuilnisman,
Hofnar, touwslager, empirist.

laten we ook de wereld van de functies onmiddellijk vergeten!

Leve de camouflage!

 

Plattegrond

Ik liet mijn stad zien
Aan drie duidelijke mannen.
De eerste zei: je stad lijkt op een arend.
De tweede zei: je stad lijkt op een dingo.
De derde zei: je stad lijkt op een slang.

De poorten gingen dicht
En de lichten werden zwart
Door het zwijgen van de muren.

Ik liet mijn stad zien
Aan drie duidelijke mannen.
De eerste zei: je stad lijkt op een bizon of op een tijger.
De tweede zei: je stad lijkt op een snoek of op een eland.
De derde zei: je stad lijkt op een havik of op een giraf.

Er kwam beweging in het water,
Er verscheen enige wildernis op de stoep
Maar de mannen ontkenden geluk.

Arjen Duinker (Delft, 31 december 1956)

Doorgaan met het lezen van “Arjen Duinker, Bastian Böttcher, Jacob Israël de Haan, Kingbotho, August van Cauwelaert”

Arjen Duinker, Bastian Böttcher, Jacob Israël de Haan, Kingbotho

De Nederlandse dichter en schrijver Arjen Duinker werd geboren in Delft op 31 december 1956. Zie ook mijn blog van 31 december 2007 en ook mijn blog van 31 december 2008 en ook mijn blog van 31 december 2009.

Zon en maan

Wat een geluiden, wat een oceanen!

Elke letter opent de verte.
Door op een knop te drukken,
Door aan een touw te trekken,
Door een handel over te halen.

Elke lettergreep opent de verte.
Met een donkere zucht uit de diepte,
Met een kameraadschappelijke lach van opzij,
Met een schrille kreet in de wolken.

Elk woord opent de verte
En ruikt de vruchten van geordende plantages
En ruikt cellulose en staal en triplex
En ruikt de inhoud van de tijd.

Wat een stiltes, wat een orkanen!

 

Tafel

Alles is twee keer zo groot.
Het verdriet twee keer de stilte.
De trots twee keer het verdriet.
De zijgevel twee keer de dikte van de huid.

Handen zijn het dubbele van de taal.
Het hemd is het dubbele van de tafel.
Het motorblok is twee keer het hemd.
De herrie is twee keer de geste.

 

Arjen Duinker (Delft, 31 december 1956)

 

 

Doorgaan met het lezen van “Arjen Duinker, Bastian Böttcher, Jacob Israël de Haan, Kingbotho”

Bastian Böttcher, Jacob Israël de Haan, Arjen Duinker, Kingbotho, Irina Korschunow, Nicholas Sparks, Stephan Krawczyk, Nicolas Born, Dieter Noll

De Duitse dichter schrijver Bastian Böttcher werd op 31 december 1974 in Bremen geboren. Zie ook mijn blog van 31 december 2006 en ook mijn blog van 31 december 2007 en ook mijn blog van 31 december 2008.

 

Dran glauben

 

Häng deine Hoffnung

an ein Plastikschwein made in Taiwan

Häng deine Hoffnung

an ein Pflasterstein und andern Kleinkram

Zur Show gibt es Kitsch

Zum Popstar das Image

Zur Schönheit die Bräunung

Zum Glück gibt’s die Täuschung

Also:

Dran glauben!

Kram kaufen!

Augen schließen!

Den Schwindel genießen!

Häng deine Ziele an den Masterplan von Microsoft

Häng deine Ziel an die Straßenbahn zum Luxusloft

Zum Reichtum gibt’s Schätze

Zum Brechen Gesetze

Zur Unschuld die Leugnung

Zum Glück gibt’s die Täuschung

 

 

Babylon 2.8

 

Berlin, Paris, London, Ballermann, Balaton.

Wir leben in Babylon 2.8.

Reden wie im Mythos – verdreifacht geregeltes Mediengerede,

und speisen’s in Festplatten, Köpfe und Geräte.

So wie
in Babel in der Bibel lieben People die Piepen,

und die, die dienen, verdienen viel weniger, als sie verdienten.

Google mal Babylon! Babel mal Googylon,

Bubblegum, Goodie, Booty, Party on, Babylon!

Während wir Wörter wie Werte verwirren,

werden wagenweise Waren vertrieben. Und im Gehirn

platzen Dotcom-Hypotheken-Sprechblasen wie Pustefix.

Komplett Geplättete fragen mich, warum tuste nix.

Propaganda geht runter wie Öl und rauf wie Ölpreise,

nur wer sich selbst umschaut, wird auf seine Weise weise.

Google mal Babylon! Babel mal Googylon,

Bubblegum, Goodie, Booty, Party on, Babylon!

Bubble ma goodylon! Goody ma Babylon,

Berlin, Paris, London, Ballermann, Balaton.

BastianBoett01

Bastian Böttcher (Bremen, 31 december 1974)

 

De Nederlandse schrijver, dichter, publicist, rechtsgeleerde Jacob Israël de Haan werd geboren in Smilde op 31 december 1881. Zie ook mijn blog van 31 december 2007 en ook mijn blog van 31 december 2008.

 

Antwerpsche libertijnen

 

1

Uw stad was machtig en uw vorstlijk volk van zinnen fel,

In koop- en kaapvaart kloek.

Hoe klaar beeldt gij hun werk en spel

In uw schoon boek.

 

Ik las, ik las verheugd en vond voor het hongrend hart schoon,

In vreugdenloozen tijd

Dus worde u, veel of weinig loon

Mijn lied gewijd.

 

2

Geen kapers kloeker en in geene stormen stouter schuimer

Dan een Antwerpsche maat

Zij meten zeeën, ruwer, ruimer

Dan één volk gaat.

 

Maar werven winsten ook méér dan één volk, het vol vertier

Dringt over brug, door poort

Langs weg en water, vaart en veer

Ter Scheldeboord.

 

Daar woelt de vlotte vreugd, vrij door de bonte havenbuurt

Tot in den laten nacht,

Want elk schip boordvol uitgestuurd

Keert schatbevracht.

 

En elke maat, die met zijn zeiler veilig binnenkomt

Brengt van zijn blijde jeugd

Schat, ongewogen, onbesomd

Aan lust en vreugd.

Want in geen stad bloeien zoo schoon de zinnelijke knapen,

Handen smal, rank van voet,

De mond voor lach en min geschapen,

Het hart in gloed.

 

O, jeugd, o jeugd, o schat, die zonder zorgen uitgegeven,

Herwint geen spaarzaamheid,

O, lieve lente van het leven,

Meer dan de oogsttijd.

 

Als drijvers jeugd en lust dringen wilden in ban en band,

Streed het volk nooit getemd,

En brak met wraakwoedende hand,

Wat zinnen klemt.

 

Gent, Brugge noch Brussel, waar het volk voor zijn zinnenvrijheid

Zóó juichend streed en viel

Zijn leus: ‘Niet min der zinnen blijheid

Dan ’t heil der ziel.’

 

dehaan_als_arabier

Jacob Israël de Haan (31 december 1881 – 30 juni 1924)
De Haan hier gekleed als Arabier

 

De Nederlandse dichter en schrijver Arjen Duinker werd geboren in Delft op 31 december 1956. Zie ook mijn blog van 31 december 2007 en ook mijn blog van 31 december 2008.

De steen bloeit

De steen bloeit.
De steen die niet kan bloeien,
Wat bloeit die steen.

Zijn bloesems zijn veelkleurig.
Gekleurd als de wolken wanneer de maan hen beschijnt,
Gekleurd als jouw ogen, liefste,
En warm.
Gekleurd als vrolijke ideeën,
Veelkleurig als golven die tot aan de horizon golven.

Wat bloeit de steen,
Wat bloeit de steen die niet kan bloeien…

Hij geurt naar de wind die het gehuil uiteenslaat,
Hij geurt naar het vanzelfsprekende,
Naar bloed,
Gepofte kastanjes,
Drukte in de straten.
Hij geurt naar een vrijheid van zien en voelen
En betovert veelkleurige vlinders.

Zo bloeit de steen,
De steen die niet kan bloeien.
Ik kom terug,
Ik kom terug, liefste, met een van zijn bloesems.

 

Overzicht

Toen je ouder dan 50 was,
At je alleen nog kreeften en splinters.

Toen je ouder dan 40 was,
Keek je naar gozers met flitsende heupen.

Toen je ouder dan 30 was,
Bezocht je Romaanse kerkjes op dinsdag.

Toen je ouder dan 20 was,
Luisterde je steeds naar kale geluiden.

Toen je ouder dan 10 was,
Begon je al van de hel te dromen.

Toen je ouder dan 0 was,
Kocht je een ouderwetse vissersboot.

Toen je ouder dan -10 was,
Sneed je bij herhaling je polsen door.

Toen je ouder dan -20 was,
Hield je erg van oorlogsdocumentaires.

Toen je ouder dan -30 was,
Spiegelde je graag aan discuswerpers.

Toen je ouder dan -40 was,
Vond je een plek om krankzinnig te zwijgen.

 

arjenduinker

Arjen Duinker (Delft, 31 december 1956)

 

De Surinaamse dichter (Kingbotho), percussionist, beeldend kunstenaar, Surinamist, toneelschrijver, regisseur, acteur en maatschappelijk werker Noeki André Mosis werd geboren in het District Marowijne op 31 december 1954. Hij is een marron, behorend tot het Ndyuka-volk, en sinds 1990 woonachtig in Nederland. Van 1972 tot 1980 werkte Mosis voor de Surinaamse Dienst Bodemkartering (voor het in kaart brengen van het binnenland). Van 1980 tot 1990 was hij verbonden aan de afdeling Cultuurstudies van het Surinaamse Ministerie van Onderwijs en Cultuur. Mosis werkte van 1991 tot 1993 als magazijnmedewerker bij AT&T in Den Haag, en van 1996 tot 1999 als toezichthoudend medewerker bij Werkraat in dezelfde stad. Sinds 1990 is hij verbonden aan de Stichting Het Koorenhuis in Den Haag als medewerker communicatie en voorlichting, en docent Afro-Surinaamse en Afrikaanse percussie. Noeki André Mosis schreef poëzie onder de naam Kingbotho. Van zijn hand verscheen nooit een complete bundel, maar hij gebruikte zijn gedichten wel voor zijn voordrachten. Verspreid werden enkele gedichten in het Ndyuka gepubliceerd, zoals `Mi tyubua’ [Mijn woon¬plaats] in de Spiegel van de Surinaamse poëzie. Tussen 1990 en 1997 schreef en regisseerde Mosis diverse dansdrama’s: Bro [Adem/Geest], Fri Yeye [Vrije geest], Het kapsel en Voetspoor, die zich afspelen binnen verschillende contexten van de Surinaamse samenleving. Buba [Lippen] en Mooi benadrukken het integratieproces in multicultureel Nederland.  Zijn beeldend werk werd geëxposeerd in Suriname, Nederland en Frans-Guyana en bevindt zich ook in collecties elders in de wereld, o.m. in Washington D.C., New York en Hong Kong.

Mijn vaste woonplaats

Loop voorbij dat deel van mijn land,
waar eb en vloed in oneindige beweging
altijd zorgdragen voor het overbrengen van al
wat drijvend is, van de overstromingsvlakten naar de oceaan.

Voorbij dat deel van mijn land,
waar het maaiveld van de klei-afzettingen
onder de waterspiegel ligt.
Sta op een der schollen en rust.

Ga erdoorheen, de dagamabossen in het deklandschap,
waar de pegassen zich ophopen
in de geulen over uitgestrekte arealen.
Sta in het gebleekte broszand van de savana en tuur.

Loop verder, voorbij de plateau’s en de heuveltoppen
van de residuaire gronden, waar ferriet en kwartsgrind
het palet domineren tussen het verweerde graniet
in de dalen, op de hellingen.

De paadjes onder de bossen van de granietgronden
lemig en vruchtbaar,
leiden naar de dorpen
midden in de rivieren.

Daar woon ik.
Een dorp te midden der stroomversnellingen.
De hutten zijn beschilderd met kleuren die spreken:
Harmonische wereld.

Gasten die mijn voetsporen hebben betreden
om mij te bezoeken ontvang ik als mijn vrienden.

Zij die over mijn voetsporen heen willen vliegen
zal ik ontvangen als mijn aartsvijanden.

Ik ben waar ik thuis hoor.

 

andremosis

Kingbotho (District Marowijne, 31 december 1954)

 

De Duitse schrijfster Irina Korschunow werd geboren op 31 december 1925 in Stendal in Sachsen-Anhalt. Zie ook mijn blog van 31 december 2007 en ook mijn blog van 31 december 2008.

 

Uit: Die Sache mit Christoph

 

„Heute haben wir Christoph begraben.

Nein, nicht wir.

Sie haben ihn begraben.

Ich war nicht dabei.

In die Kirche bin ich noch gegangen. Sie liegt oben auf einem Hügel, mitten zwischen den Gräbern,

eine kleine weiße Dorfkirche mit rundem Turm und einem Altarbild ganz in Rosa und Hellblau, von dem Christoph einmal gesagt hatte, dass es sicher ein Gemeinschaftswerk des Oberrieder Jungfrauenvereins sei.

Jetzt stand sein Sarg vor dem Bild. Die Beerdigung sollte um elf anfangen. Kurz vor elf, als ich kam, war die Kirche schon voll. Das halbe Dorf war da, und die Schule natürlich: unsere Klasse, die Parallelklassen, fast sämtliche Lehrer. Die meisten wohnen nicht in Oberried. Sie waren zusammen mit der Bahn herausgefahren, wie bei einem Schulausflug, und eine halbe Stunde zu früh eingetroffen. Ich bekam keinen Platz mehr und musste stehen. Ich stand an der Wand und sah sie

in den Bänken sitzen, einen neben dem andern, die Göbler, Mathe-Mayer, Bio-Mayer, Hansen, den

Musiklehrer. . . Nur der Hansen hatte Christoph gemocht, die anderen nicht, und ich konnte sie kaum aushalten mit ihren dunklen Kleidern und diesen passenden Gesichtern dazu. Der dicke Morgenfeld bekam es sogar fertig, unglücklich auszusehen. Vor ein paar Tagen hatte er noch zu Christoph gesagt: »Das Leben wird Ihnen schon genug blaue Flecken verpassen, Sie arroganter Kerl, und weiß Gott, die gönne ich Ihnen.«

Dass er es überhaupt gewagt hatte herzukommen, nach allem, was geschehen war. Er hätte in die Schule gehen sollen, er und die anderen, vor allem die Göbler, bei der wir im letzten Jahr Deutsch hatten und die wenigstens ehrlich genug war keine Trauermiene aufzusetzen. Niemand von denen hätte kommen dürfen, auch die Klasse nicht. »Die Meute« hatte Christoph sie genannt, obwohl sie ihn nicht gehetzt hatten, weil es nicht ging, weil sie sich nicht rantrauten. Nur
Ulrike hätte dabei sein dürfen, Ulrike und ich. Aber da saßen sie und glotzten auf den Sarg und ich biss mir die Lippen kaputt, weil ich es nicht aushalten konnte, dass sie ihn anstarrten, den braunen Sarg

mit Christoph darin, und sich vorstellten, wie er aussähe, vielleicht in einem weißen Hemd und die

Hände gefaltet. Ja, so war es, ich hielt es nicht aus.“

 

korschunowirina

Irina Korschunow (Stendal, 31 december 1925)

 

De Amerikaanse schrijver Nicholas Charles Sparks werd geboren in Omaha, Nebraska op 31 december 1965. Zie ook mijn blog van 31 december 2008.

 

Uit: The Wedding

 

It’s heartbreaking to think that your wife may not love you, and that night, after Jane had carried the perfume up to our bedroom, I sat on the couch for hours, wondering how this situation had come to pass. At first, I wanted to believe that Jane was simply reacting emotionally and that I was reading far more into the incident than it deserved.
Yet the more I thought about it, the more I sensed not only her displeasure in an absentminded spouse, but the traces of an older melancholy-as if my lapse were simply the final blow in a long, long series of careless missteps.
Had the marriage turned out to be a disappointment for Jane? Though I didn’t want to think so, her expression had answered otherwise, and I found myself wondering what that meant for us in the future. Was she questioning whether or not to stay with me? Was she pleased with her decision to have married me in the first place? These, I must add, were frightening questions to consider—with answers that were possibly even more frightening—for until that moment, I’d always assumed that Jane was as content with me as I’d always been with her.
What, I wondered, had led us to feel so differently about each other?
I suppose I must begin by saying that many people would consider our lives fairly ordinary. Like many men, I had the obligation to support the family financially, and my life was largely centered around my career. For the past thirty years, I’ve worked with the law firm of Ambry, Saxon and Tundle in New Bern, North Carolina, and my income-while not extravagant-was enough to place us firmly in the upper middle class. I enjoy golfing and gardening on the weekends, prefer classical music, and read the newspaper every morning. Though Jane was once an elementary school teacher, she spent the majority of our married life raising three children. She ran both the household and our social life, and her proudest possessions are the photo albums that she carefully assembled as a visual history of our lives. Our brick home is complete with a picket fence and automatic sprinklers, we own two cars, and we are members of both the Rotary Club and the Chamber of Commerce. In the course of our married life, we’ve saved for retirement, built a wooden swing set in the backyard that now sits unused, attended dozens of parent-teacher conferences, voted regularly, and contributed to the Episcopal church each and every Sunday. At fifty-six, I’m three years older than my wife.“

 

sparks

Nicholas Sparks (Omaha, 31 december 1965)

 

De Duitse schrijver en musicus Stephan Krawczyk werd geboren op 31 december 1955 in Weida in Thüringen. Hij studeerde muziek in Weimar. Vanaf 1984 was hij liederenmaker en protestzanger in Oost-Berlijn. In 1985 kreeg hij een „Berufsverbot“ en drie jaar later werd hij gearresteerd en uitgezet naar het westen. Hij publiceerde o.a. “Das irische Kind” (1996) en recent  “Feurio” alsook de cd “Die Queen ist in der Stadt”.

 

Uit: Steine hüten

 

„Manche sind schöner, wenn sie angezogen sind, bei Margaretha ist es anders, nicht umgekehrt, denn wer nackt schön ist, wäre bekleidet ja nur dann weniger schön, wenn es am Geschmack haperte.

Daran hapert es bei ihr nicht, man kann sogar sagen, ihr Geschmack weiß die Nacktheit zu berücksichtigen, sie trägt keinen Schmuck, ihr Hals, zum Beispiel, braucht weder Kette noch Klunkern, ihre Ohrläppchen bieten sich dem Betrachter nackt und auch seinen Lippen, wenn ihm Margaretha gnädig ist.

Ich empfinde dies als Vorteil an einer Begehrten, weil mir persönlich Metall nicht schmeckt. Wenn ich mich auf einen Abstand von etwa zehn Zentimetern an sie herangepirscht habe – sagen wir, ich sitze mit ihr in einem Strandkorb, warme Sommernacht, alles die Paarung Begünstigende wurde herbeirufen, ist gekommen und anwesend -, tauche ich in ihren Duft ein, und dies ist kein künstlicher Lockstoff, er ist von dem edlen Weibe höchstselbst hergestellt.

Dann fange ich an zu vergessen:

Eigentlich wollte ich mit ihr besprechen, daß es so mit uns nicht mehr weitergeht. Es geht von allein weiter. Sie wölbt ihre Stirn gen Himmel. Wann lag die Nacht heller im Vollmondlicht? Ich sehe sie so gern lächeln, wenn ich ihr Ohrläppchen küsse. Sie schließt die Augen und lächelt beseelt. “Mein Kätzchen”, flüstere ich und greife nach ihrer Hand. Die ist feucht geworden. Manchmal wischt sie die Hände vorher am Kleid ab. Aber das nützt meist nichts, bald ist sie wieder feucht. Jetzt ist es ihr egal. Unsere Finger spielen Betasten, Umschließen, Verschränken, während mein Mund immer noch an ihrem Ohrläppchen nuckelt – bis sie schnurrt.“

 

StephanKrawczyk

Stephan Krawczyk (Weida, 31 december 1955)

 

De Duitse dichter en schrijver Nicolas Born werd geboren op 31 december 1937 in Duisburg. Zie ook mijn blog van 31 december 2008.

 

Selbstbildnis

 

»Oft für kompakt gehalten

für eine runde Sache

die geläufig zu leben versteht –

doch einsam frühstücke ich

nach Träumen

in denen nichts geschieht.

Ich mein Ärgernis

mit Haarausfall und wunden Füßen

einssechsundachtzig und Beamtensohn

bin mir unabkömmlich

unveräußerlich kenne ich

meinen Wert eine Spur zu genau

und mach Liebe wie Gedichte nebenbei.

Mein Gesicht verkommen

vorteilhaft im Schummerlicht

und bei ernsten Gesprächen.

Ich Zigarettenraucher halb schon Asche

Kaffeetrinker mit den älteren Damen

die mir halfen

wegen meiner sympathischen Fresse und

die Rücksichtslosigkeit mit der

ich höflich bin.«

 

 

Miniatur


Käfersammlung, begrenzte Farben, blaue Kohle
meine Taschenuhr hab ich zum Reinigen gebracht
nun ist der Uhrmacher gestorben
Fahrräder surren an seinem Laden vorbei
meine Handschrift, liebesunfähig
unter dem Aschenbecher mit Kippen, Kronkorken
Kugelschreiber schwarz, Not am Mann
Kontoauszug als Lesezeichen im Nabokov (Ada)
das Gesicht unserer Erde: eine Riesenlibelle
vor dick aufgetragenem Abendrot
Großer Teddy auf dem Fenstersims im Hof

 

SchriftstellerNicolasBorn1972

Nicolas Born (31 december 1937 – 7 december 1979)

 

 

De Duitse schrijver Dieter Noll werd geboren op 31 december 1927 in Riesa. Zie ook mijn blog van 31 december 2008.

 

Uit: Die Abenteuer des Werner Holt

Dieter ist der Sohn einer halbjüdischen Mutter, die 1943 nach Theresienstadt eingeliefert wurde, und eines nichtjüdischen Apothekers. Ich bin Sprößling einer Frau, die in der Zeit der Weltwirtschaftskrise vom Protestantismus zu den “Zeugen Jehovas” konvertierte – welches Faktum ihr ab 1938 weit über ein halbes Jahrzehnt lebensbedrohlichen Aufenthalts im Frauenkonzentrationslager Ravensbrück einbrachte – und eines Ma
nnes, der als Stabsoffizier der Fliegertruppe und am Ende des Krieges als Kommandeur eines Luftwaffenfeldregiments Dienst tat.
Wir beiden Halbwüchsigen schlossen Freundschaft, wie das so unter 15- (ich) bis 16jährigen (Dieter) Jungen so üblich ist, ohne es zunächst zu bemerken. Ab der 5. oder 6. Klasse der “Oberschule für Jungen”, wie das Realgymnasium in der sächsischen Großstadt seinerzeit firmierte, schrieb ich vor Unterrichtsbeginn seine Mathe- und Physikarbeiten ab. Im Gegenzug warnte ich ihn vor Übergriffen der Mitschüler, die ihn mehr als einmal verprügeln wollten. Ohne jeden ersichtlichen Grund, nur so, möglicherweise, weil er ihnen irgendwie fremd anmutete. Mich erinnerte die aggressive Haltung seiner “Kameraden” an das Verhalten meiner früheren Berliner Volksschulklasse gegen einen Buben mit Familiennamen Mangold. Wir haben den armen Kerl mehrfach auf dem Schulweg verhauen, wohl weil wir wußten, daß er Jude war. Ich schäme mich noch heute dafür und hoffe von Herzen, daß das Knäblein den wenige Jahre später einsetzenden Holocaust überlebt hat.“

 

Noll

Dieter Noll (31 december 1927 – 6 februari 2008)
Noll (helemaal rechts) als hulpje van de luchtmacht, midden 1944.

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 31e december ook mijn vorige blog van vandaag.