Peter Ghyssaert, Henk van der Waal, Dirk Ayelt Kooiman, J.R.R. Tolkien, Smith Henderson, Marie Darrieussecq, Alex Wheatle, Cicero, Jean Muno

De Vlaamse dichter Peter Ghyssaert werd geboren op 3 januari 1966 te Wilrijk. Zie ook alle tags voor Peter Ghyssaert op dit blog.

Hobo

Te mager zijn zij toch gesteeld
want de ronding der violen blijft
ook achterwege in hun klank.

Nergens heeft de wind dunnere flanken
nergens ook wordt hij daar
rot geknepen dat het godgeklaagd is.

(Zo droog en droevig
als de hobo klinkt, men denkt
aan de ascese van versleten mannen.)

 

De ziekenhuispatiënt

Na de ramp groeiden de baardstoppels
de andere kant op, dus de keel binnen.
Zijn huig zat in de modder vast
als een waardeloos plastic, en verder
was het hele hoofd niet meer in orde.

Of je ook mocht trainen in het ziekenhuis?
vroeg hij de zuster. Ja, het mocht.
Met zwaar vernikkeld bed en al de gangen
op en af, en op en af. Men vond
hem moed hebben voor zo een zwaar geval.

Maar na een week of twee ging het al trager.
En nog drie dagen daarna stopte hij knarsend
voor het rode licht van zuster Beatrijs.
Op zijn lichaam stelde men een derde oog
vast, donker als Malaga-wijn. Het knapte,

Gaf wat ingewandsvlees prijs, en toen
verdween de heldere weg, vanuit de plasma-
zak in ’t langzaam zwartgeworden lijf
gebaand, geheel onder een struikgewas
van zachtwuivende aderen en zenuwen.

 

Moeder

Moeder, ingekuild tussen de meubels
en het porselein, komt nog maar moeizaam
boven hout, mummelt sterfberichten
van vriendinnen.

Boekdelen van pluis schikt ze de kast in
en ze hoest het laatste restje warmte
uit haar schrale rinkelende borst;
schouderbladen van verdriet geblakerd
breken uit de rug te voorschijn.

Langzaam groeien kinderen weg
van haar schoot waarin onvruchtbaarheid
werd afgeworpen.

Dor is moeder; oud machien.
Herinnering hangt als een teder lint
van ingebruikname dwars door haar heen, maar
niemand krijgt haar nog in gang of weet
waartoe ze dient.


Peter Ghyssaert (Wilrijk, 3 januari 1966)
In 1998

 

De Nederlandse dichter en filosoof Henk van der Waal werd op 3 januari 1960 geboren in Hilversum. Zie ook alle tags voor Henk van der Waal op dit blog.

de vierde persoon enkelvoud

waarom zouden die niet bij je zijn, die paar woorden van een toevalling die
de mond brak maken: in plaats van je stilletjes te verkneukelen over de
dood van god en te roepen: zie mij eens, hoe vrij ik ben en opstandig,
vermag je misschien ontvangst te sonderen omtrent hoe de
ontwrichtster de ouwel van de toekomst verkruimelt
op de tong van de tot zich beperkten

die vervanging zoekers in lust en ontwijkers van

de vierde persoon enkelvoud

die halsbreekster en bandeloze jaknikster

die het uiterste geeft en ten
behoeve van de terugdeinzers
voor de dood met fluwelen hand
dominosteentjes uit de rij tegen elkaar
tikkende seconden tilt tot niets meer voort valt en de
tijdgevoeligen gehouden zijn in het nooit van wat wordt: puur hoop

 

Of zoals

Of zoals
wanneer het buiten
regent en je je uitstrekt en
lang maakt en langzaam doortastbaar
laat zodat het water ook van binnen kan
gaan stromen als voorproefje van al het
oeverloze dat komen gaat

simpelweg omdat de stilte,
waar het gonzen van de dingen uit is weggelekt, nu
al aanspraak op je maakt en een vermoeden in je wakker
roept van hoe het zijn zal als je buiten adem over de rand
van de toekomst gekropen bent om je in de gedaante der
mensen aan het menselijke te onttrekken en te wachten
op de streling van de hand die alles weet.

 
Henk van der Waal (Hilversum, 3 januari 1960)

 

De Nederlandse schrijver en essayist Dirk Ayelt Kooiman werd geboren in Amsterdam op 3 januari 1946. Zie ook alle tags voor Dirk Ayelt Kooiman op dit blog.

Uit: De grote stilte

“Wat hij zich tenslotte nog had kunnen verwijten was hoogstens dat hij de landstaal niet beheerste. In dat geval had hij de mogelijkheid gehad de chauffeur opdracht te geven om toch maar liever door te rijden. Nu zat hij verdoofd – maar dat kon ook door de hitte komen – weggezakt op de achterbank van de taxi, en tastte werktuiglijk met zijn linkerhand in zijn binnenzak naar de envelop bankpapier die gedurende de hele rit in opgerolde vorm in zijn rechterhand gekleefd had.
Had hij zich, twintig jaar na dato, nog een voorstelling kunnen maken van dit hotel, waarvan hij gedachteloos de naam aan de chauffeur had opgegeven – zonder eigenlijk te weten dat hij die nog kende of zelfs ooit gekend had? Amper. Toch had hij de gevel met één oogopslag herkend. Niets was eraan veranderd, al verkeerde het gebouw in een verdere staat van verval dan toen. En hij zou er zich misschien over kunnen verbazen dat het zoveel kleiner bleek te zijn dan in zijn herinnering, maar daarbij was het toch in de eerste plaats de verbazing zélf die zijn verwondering moest wekken, want het verschijnsel was hem beslist niet onbekend. De tijd had niet stilgestaan, voor het gebouw noch voor hemzelf. Hij nam zijn koffers over van de chauffeur en liep de stoep op. Met zijn schouder duwde hij de deur open, waarvan een van de geslepen ruitjes door een stuk triplex was vervangen.
In de hal was het koel. Een lange, kaalhoofdige man stond gebogen over de portiersbalie ingespannen een krant te lezen, waarbij hij met iedere hand een poot van zijn bril tussen duim en wijsvinger hield, zodat deze ter hoogte van het puntje van zijn neus zweefde. Hij keek op en staarde kippig door de lenzen van de bril die hij nog steeds op leesafstand van zijn ogen hield. De fout bemerkend glimlachte hij – alsof hij te kennen wilde geven dat hij het die vage schim wel vergaf verder van hem verwijderd te zijn dan de krant – en drukte de bril op zijn neus. Na hem van top tot teen te hebben opgenomen schudde hij het hoofd en zei:
‘Sju’.
Johan deed een stap naar voren. ‘Do you speak English? Sprechen Sie Deutsch?’ Maar de ander volhardde erin het hoofd te schudden:
‘Sju! Sju!’ En hij vulde die uitroep aan met een gebaar dat ‘stop’ en ook wel ‘vol’ uitdrukt. Toch keek hij niet onvriendelijk, als betrof het een spelletje en was hij nu benieuwd naar de tegenaktie van de ander. Het viel ook moeilijk voor te stellen dat het hotel vol was; het wekte een uitgestorven indruk. Misschien is het hier helemaal geen hotel meer, bedacht hij, maar half teleurgesteld. Wanneer het in de hal niet zo heerlijk koel geweest was, en buiten niet zo warm, zou hij waarschijnlijk zijn koffer weer opgepakt hebben – het hotel het hotel latend, en het verleden het verleden. Nu diepte hij met een zucht het wisselgeld op dat hij van de taxichauffeur gekregen had, en legde een roze bankbiljetje waarvan hij aannam dat het een hogere waarde vertegenwoordigde dan de lichtmetalen muntstukken, op de balie.”


Dirk Ayelt Kooiman (3 januari 1946 – 2 oktober 2018)
V.l.n.r. Doeschka Meijsing, Nicolaas Matsier, Dirk Ayelt Kooiman en Frans Kellendonk op de cover van de Haagse Post, september 1977

 

De Engelse schrijver J.R.R. Tolkien werd geboren op 3 januari 1892 in Bloemfontein, Zuid-Afrika. Zie ook alle tags voor J.R.R. Tolkien op dit blog.

Uit: The Lord of the Rings (The Hobbit)

“Lots!” Bilbo found himself answering, to his own surprise; and he found himself scuttling off, too, to the cellar to fill a pint beer-mug, and to the pantry to fetch two beautiful round seed-cakes which he had baked that afternoon for his after-supper morsel.
When he got back Balin and Dwalin were talking at the table like old friends (as a matter of fact they were brothers). Bilbo plumped down the beer and the cake in front of them, when loud came a ring at the bell again, and then another ring.
“Gandalf for certain this time,” he thought as he puffed along the passage. But it was not. It was two more dwarves, both with blue hoods, silver belts, and yellow beards; and each of them carried a bag of tools and a spade. In they hopped, as soon as the door began to open-Bilbo was hardly surprised at all.
“What can I do for you, my dwarves?” he said. “Kili at your service!” said the one. “And Fili!” added the other; and they both swept off their blue hoods and bowed.
“At yours and your family’s!” replied Bilbo, remembering his manners this time.
“Dwalin and Balin here already, I see,” said Kili. “Let us join the throng!”
“Throng!” thought Mr. Baggins. “I don’t like the sound of that. I really must sit down for a minute and collect my wits, and have a drink.” He had only just had a sip-in the corner, while the four dwarves sat around the table, and talked about mines and gold and troubles with the goblins, and the depredations of dragons, and lots of other things which he did not understand, and did not want to, for they sounded much too adventurous-when, ding-dong-a-ling-‘ dang, his bell rang again, as if some naughty little hobbit-boy was trying to pull the handle off. “Someone at the door!” he said, blinking. “Some four, I should say by the sound,” said Fili. “Be-sides, we saw them coming along behind us in the distance.”
The poor little hobbit sat down in the hall and put his head in his hands, and wondered what had happened, and what was going to happen, and whether they would all stay to supper. Then the bell rang again louder than ever, and he had to run to the door. It was not four after all, it was FIVE. Another dwarf had come along while he was wondering in the hall. He had hardly turned the knob, be-x)re they were all inside, bowing and saying “at your service” one after another.”


J.R.R. Tolkien (3 januari 1892 – 2 september 1973)

 

De Amerikaanse schrijver Smith Henderson werd geboren op 3 januari 1954 in Montana. Zie ook alle tags voor Smith Henderson op dit blog.

Uit: Fourth of July Creek

“Pete nodded and wrote some more.
“So then what?”
“So he says ‘fuckit’ and calls it in.”
“And the situation when you got here?”
The situation was a perfect fucking mess. The situation was the kid climbing up onto the slanted, dented aluminum carport and stomping on the rusted thing like an ape. Just making the whole unsound shelter boom and groan under his weight. The mother saying so help her if that thing falls on her Charger she’ll gut him, and the kid just swagging the carport back and forth so that it was popping and starting to bow under his weight. Now the cop was about ready to shoot the ornery shit off the goddamn thing.
Then the situation got interesting.
“The mother has the air rifle and—”
“No way,” Pete said.
“Yeah, fuckin way,” the cop said.
“She shoot him?”
“Before I get to her, yeah, she shoots. You can see the big old welt on his forearm.”
Pete started to write.
“And then what?”
Then the kid leaps off the carport just as the cop has taken the air rifle and ordered the woman inside, but the kid and his mother are already tearing at each other like two wet cats in a sack. Right in front of a goddamn cop, mind you. Like he ain’t even there. All the neighbors are out on their nice, normal lawns in their bathrobes clutched closed at the neck watching the cop trying to disentangle the two of them, taking it in like the fucking rodeo. And the bitch—“pardon my French” the cop at last says about all his cussing—won’t desist, and the kid won’t desist, so the cop wrangles the first one he can get a hand on—the woman it turns out—and wrestles her onto her belly and into the cuffs, but not before the kid makes a run to kick her in the face, which the cop just barely stops with his own body. And realizing he’s just kicked one seriously pissed-off police officer in the chest, the dumbshit turns tail and flees.”


Smith Henderson (Montana, 3 januari 1954)

 

De Franse schrijfster Marie Darrieussecq werd geboren in Bayonne, Pyrénées-Atlantiques, op 3 januari 1969. Zie ook alle tags voor Marie Darrieussecq op dit blog.

Uit: Men

“He talked to her about the Congo. Not any old Congo, not the little Brazzaville Congo, no, the big Kinshasa one, where very quickly the road runs out and there are just the long arms of the river, which she had looked at on Google Earth three hours earlier. The coincidence was disturbing. She was going to chat about the islands—but he had drawn breath to introduce a new topic of conversation, and was now talking about Heart of Darkness. He told her about Conrad’s novel. The story of a man who is looking for a man. Marlow looking for Kurtz, a retired officer from a colonial regiment, a ‘devil of a rapacious and pitiless folly’. Conrad’s Congo is ‘something great and invincible, like evil or truth’. And Europe—white-faced Europe, the premonition of genocides. He cited the African woman in the novel ‘with a slight jingle and flash of barbarous ornaments’, ‘brass leggings to the knees’ (she pictured the sorceress in Kirikou). He cited the ‘Intended’, ‘this pale visage’, blonde and diaphanous (she pictured herself). Was it a racist novel? No. But it was time for an African to seize power in Hollywood. It was time to take back from America the history of indigenous people.
She was overwhelmed with tiredness. Couldn’t they just have a normal conversation? But he kept talking: he wanted to make a film adaptation of Heart of Darkness, something different from Coppola’s Apocalypse Now and, in any case, on location—a crazy project, he was aware of that, his first film as a director and with equatorial ambitions to transport a crew into the heart of the forest and, once there, attempt to mount that masterpiece of a novel. Coppola went to the Philippines in order to film Vietnam; he would go to the Congo to film the Congo.
She interrupted him. She hadn’t read the novel, but wasn’t it a bit of a cliché: Heart of Darkness? A bit too run-of-the-mill for Africa? He protested. What he was interested in was precisely the stereotype, the ultimate cliché, what white people saw when they thought about Africa: darkness and elephants.”

 
Marie Darrieussecq (Bayonne, 3 januari 1969)
Cover

 

De Britse schrijver Alex Wheatle werd geboren op 3 januari 1963 in Londen. Zie ook alle tags voor Alex Wheatle op dit blog.

Uit: Crongton Knights

‘Don’t answer the door!’ barked Dad from the kitchen, the washing-up suds popping on his grimy white vest.
‘Mr Tambo!’ a voice boomed from outside. It was deep. I imagined the owner of that tone strutting in the park with a rhino on a leash. ‘We know you’re in there! Let’s be adult about this, Mr Tambo. Let us in so we can sit down and talk about your repayments. This is notgoing to go away.’
I breathed in a dose of pure fear. Why are we in so much deep debt? Dad’s working.Why won’t he give me the full score on what’s going on?Dad dried his hands on the dishclothand then draped it over his shoulder. He looked at my olderbrother, Nesta, who was standing in the hallway only a couple of metres from our drawbridge. Dad beckoned him to retreat. Nesta shook his head. I put my fork down on my plate.
Suddenly, I didn’t love my pasta and mince even though I had grated some cheese on top to nice it up. The letter box crashed again. My heart rumbled. ‘Mr Tambo!’
Dad walked out of the kitchen and switched off the light in the front room. He gestured to Nesta again but Nesta took a step towards the door. I closed my eyes and willed for the men outside to go missing. I also prayed that Nesta wouldn’t let loose his temper.
‘Why are you scared of them pussies?’ spat Nesta, glaring at Dad like he wanted to go head-to-head with the debt brothers outside. Dad raised his palms, trying to calm Nesta down. I could hardly bear to watch.
I strained my ears and could just about make out muffled conversations. Nesta took another stride forward. We all looked at each other. I sank half of my blackcurrant. When I placed the glass down I nearly knocked it over cos my hands were shaking. Kiss my knights! Will evenings like this ever stop?
‘They’re moving on,’ said Nesta. ‘Yeah, I can hear them bouncing down the stairs.’
My heart put its brakes on. Dad closed his eyes and let out a mighty sigh.
‘Why do you let them chat to you like you’re a pussy?’ charged Nesta. He rolled towards Dad, taking his hands out of his pockets. I stood up from my chair and stepped between them. I didn’t want them to be warring again.
‘Stand up to them!’ raged Nesta. ‘Or go outside our gates and tell them to remove their grimy, money-sucking asses from our slab!’
‘Nesta,’ I called. ‘They’re gone now. Calm down, bro.’


Alex Wheatle (Londen, 3 januari 1963)

 

De Romeinse schrijver, redenaar, politicus, advocaat en filosoof Marcus Tullius Cicero werd geboren in Arpinum op 3 januari 106 v. Chr. Zie ook alle tags voor Cicero op dit blog.

Uit: De Goden (De Natura Deorum, vertaald door Vincent Hunink)

“Toen zei Cotta: ‘Als het waar is wat mijn leermees ter Antiochus zegt in het boek dat hij onlangs aan Balbus heeft opgedragen, dan hoef jij je vriend Piso hier niet te missen. Want volgens Antiochus zitten Stoïci en Peripatetici inhoudelijk op één lijn, maar verschillen ze in hun terminologie. Wat vind je eigenlijk van dat boek, Balbus?’
‘Ik?’, zei hij. ‘Ik sta verbaasd dat zo’n uitzonderlijk scherpzinnig man als Antiochus niet heeft gezien dat er een zeer groot verschil is tussen de Stoïci en de Peripatetici. Bij de eerste school is het onderscheid tussen goed en aangenaam niet nominaal maar reëel, terwijl bij de andere aangenaam en goed zo vermengd zijn dat ze alleen relatief en als het ware gradueel van elkaar verschillen en niet absoluut. Dat is namelijk geen kleine terminologische onenigheid maar een zeer grote inhoudelijke. Maar daarover wellicht een andere keer meer. Laten we nu doorgaan met ons eigenlijke onderwerp, als jullie het goed vinden.’
‘Ik vind het goed’, zei Cotta ‘maar degene die er nu bij gekomen is’ (hierbij keek hij mij aan) ‘moet wel weten waarover het gaat. We hadden het over het wezen der Goden. Ikzelf vond dit probleem, zoals gebruikelijk, geheel ondoorgrondelijk, en daarom vroeg ik Velleius naar de opvatting van Epicurus. Welnu, Velleius, als je het niet erg vindt, begin dan even van voren af aan.’
‘Dat zal ik doen, hoewel niet ik, maar jij nu een medestander krijgt. Want jullie allebei,’ zei hij met een glimlach, ‘hebben van Philo geleerd om “niets te weten.”‘
Toen zei ik: ‘Wat wij geleerd hebben, dat laat ik graag aan Cotta over. Wat jou betreft, geloof me, ik ben hier niet gekomen als medestander van hem, maar als toeschouwer, en wel een onpartijdige en onbevooroordeelde: ik voel me geenszins verplicht om één bepaalde opvatting eventueel tegen heug en meug te verdedigen.’

 
Cicero (3 januari 106 v. Chr. – 7 december 43 v. Chr.)
“Cicero veroordeelt Catilina”. Fresco door Cesare Maccari, 1888 (detail)

 

De Belgische schrijver Jean Muno (pseudoniem van Robert Burniaux) werd geboren in Molenbeek op 3 januari 1924. Zie ook alle tags voor Jean Muno op dit blog.

Uit: Histoire exécrable d’un héros brabançon

« C’est alors queje me suis vu. Dans mon assiette, oui, dans l’épaisseur de mon ris que j’incisais d’une lame circonspecte et vaguement écoeurée. Il y avait là quelque chose d’anormal, d’étranger à la texture conventionnelle de l’organe. Je me suis penché. Etalé de tout mon long, cuit dans le mou, j’étais là, Papin, sous les espèces d’un cloporte. Les antennes coquines, les papattes frisées comme des crosses de fougères, bien peinard, sage pour l’éternité, c’était moi sans aucun doute, cuit et recuit dans le thymus du biengrandir.
(…)

Dans ces lieux, je me sentais vraiment chez moi. Je m’installais bien commodément, comme s’il se fût agi chaque fois d’une occasion majeure, et je poussais un peu, pas trop, afin de ne point gaspiller les matières. Elles venaient doucettement, ce n’était pas désagréable. Autant que possible, je retardais le floc terminal, souvent ténu. Hé oui, nous avions le sens de l’épargne à cette époque-là, la guerre et l’Occupation ne nous surprendraient pas autre mesure.
Entretemps, je continuais même de m’instruire, de mériter en somme mon modique salaire. On mettait à ma disposition des pages du Soir coupées en huit et retenus par une ficelle, elle-même de remploi. A chacune de mes retraites, chose faisant, j’avais l’occasion de parcourir quelques feuilles, recto verso. L’actualité politique, intellectuelle et sportive, les faits divers, les beaux crimes et les scandales financiers, les petites annonces aussi, fidèles reflets de la vie quotidienne…”

 
Jean Muno (3 januari 1924 – 6 april 1988)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e januari ook mijn blog van 3 januari 2018 en ook mijn blog van 3 januari 2017 en eveneens mijn blog van 3 januari 2016 deel 1, deel 2 en deel 3.

Peter Ghyssaert, J.R.R. Tolkien, Smith Henderson, Marie Darrieussecq, Alex Wheatle, Cicero, Jean Muno, John Gould Fletcher, Jacob Balde

De Vlaamse dichter Peter Ghyssaert werd geboren op 3 januari 1966 te Wilrijk. Zie ook alle tags voor Peter Ghyssaert op dit blog.

De spinnen

Sjaals van zilver zijn de webben
in de rododendrons waar de spinnen
ateliers en woonplaats hebben;
langs de uitgebloeide bollen
hangt het franje van hun werk;
als het warme waaien in
de holtes van een struik, zo is
het weven ingewikkeld voor
de domme prooien die hun lijf
en vleugels op de lijm beproeven,
huiverend de koudste
opperklem voorvoelend; zonder
één geluid verschijnt de spin,
het dodelijk geruis van een blad
stijgt op als een applausje uit
het muffe spookhuis van de struik;
de doden drogen hier in lichte
sarcofagen, blind gedaald
in voorraadkamers die naar schimmel
en voorbije zomers ruiken.

 

Het wonderkind

Van doden kende hij de naam,
hij noemde die en maakte hem opmerkzaam
op zijn bestaan.

Hij sprak soms uren met de grond.

Zijn ouders lazen hem uit sprookjesboeken voor.

Hij schreeuwde naar de maan, hij sloeg
zijn vuist stuk op de muur;
het hielp niets:

ze trokken met miljoenen handen
aan zijn naam.

 
Peter Ghyssaert (Wilrijk, 3 januari 1966)

Doorgaan met het lezen van “Peter Ghyssaert, J.R.R. Tolkien, Smith Henderson, Marie Darrieussecq, Alex Wheatle, Cicero, Jean Muno, John Gould Fletcher, Jacob Balde”

Peter Ghyssaert, J.R.R. Tolkien, Marie Darrieussecq, Alex Wheatle, Cicero, Jean Muno, Jacob Balde, John Gould Fletcher, Douglas Jerrold

De Vlaamse dichter Peter Ghyssaert werd geboren op 3 januari 1966 te Wilrijk. Zie ook alle tags voor Peter Ghyssaert op dit blog.

Rijm

De velden zijn vol rijm vanavond. Als ik nu
verdwaal wil ik jou tegenkomen
en je vragen naar de weg. Wat zou je klein
en stil zijn, vol gebaren en
onuitgesproken tekens. En je handen
koud, nerveus en nauwelijks te bedwingen.
Maar je stem, vader, je stem kan ik
me niet herinneren terwijl je onvermurwbaar
van me wegloopt en je witte haar zich oplost
in de avond als een stukgetrokken nest.

 

Reisnecessaire

Ik ken je niet, maar je bent mooi
een golf die op de stenen slaat
bezit je schoonheid niet, en de mist
van water ragfijn over velden
heeft niet dat onaanraakbare
jou eigen; je bent bijna
uit je gezicht afwezig, bijna
vertrokken uit de lijnen
van je voorouders gegeven,
maar voldoende nog aanwezig
om een droom in gang te zetten.
Ik ken je niet, maar je bent mooi;
met jou vertrekkend word ik mooi.

 
Peter Ghyssaert (Wilrijk, 3 januari 1966)

Doorgaan met het lezen van “Peter Ghyssaert, J.R.R. Tolkien, Marie Darrieussecq, Alex Wheatle, Cicero, Jean Muno, Jacob Balde, John Gould Fletcher, Douglas Jerrold”

Peter Ghyssaert, J.R.R. Tolkien, Marie Darrieussecq, Alex Wheatle, Jean Muno, Cicero, Drieu la Rochelle

De Vlaamse dichter Peter Ghyssaert werd geboren op 3 januari 1966 te Wilrijk. Zie ook alle tags voor Peter Ghyssaert op dit blog.

Elegie

In de schaduw van de avond kwamen dan twee
die vertelden dat zijn vader op sterven lag; hij volgde
hen gedwee. Het licht was vreemd; een tere
groene schijn was in de hemel en stilte regeerde
boven twee die aangenaam verdoofd waren,
hun mededeling ver van hen gedragen en gelost –
en een in wie het stormde als in een versomberd bos.

Zo kwamen zij aan bij een wit gebouw;
de avond vluchtte door de witte deuren
witte gangen in waar het toch donker bleef
en schuin over een kamer stond een raam
waarin het buitenlicht steeds heller scheen
naarmate donkerte hém voorstroomde, hém lostrok
uit dat licht, die fluisterende kamer in

 

Léman

Op zondagmiddag, aan de kade van een glasgroen, Zwitsers meer:
het zonlicht als een vijl, de wandelaars spits en schitterend en dui-
ven, imbeciel, altijd verdwaald in kluwens, maar te lui voor angst. Er
dalen trapjes naar het water, lichaam drinkend van zichzelf. Een
kind staat in damp gekleed.

Kom, huiver; klim als een beginner langs het flakkeren rumoer van
duiven naar de koude die ons, nodigend, met zijn gebrek beloont en
ons vergeet.

 
Peter Ghyssaert (Wilrijk, 3 januari 1966)

Doorgaan met het lezen van “Peter Ghyssaert, J.R.R. Tolkien, Marie Darrieussecq, Alex Wheatle, Jean Muno, Cicero, Drieu la Rochelle”

Peter Ghyssaert, J.R.R. Tolkien, Marie Darrieussecq, Alex Wheatle, Cicero, Drieu la Rochelle

De Vlaamse dichter Peter Ghyssaert werd geboren op 3 januari 1966 te Wilrijk. Zie ook alle tags voor Peter Ghyssaert op dit blog.

Eiken

Eiken zijn de bomen van het dies irae;
als de grond breekt zullen zij,
over het land gezaaiden, toekijken
met een oud, houten gezicht
dat onbewogen blijft:

te veel stormwind is in
hun taaie takkenkroon verstard;
zij zijn niet meer verstoord
door groei, dat eeuwenoud tumult
en in hun stilstand glanst niets op
van minachting, van deernis
met het oude land,
alleen geduld.

En vliegen dan zielen der geredden
als briljante edelgassen
naar hun maker; schieten verdoemden,
brandend van de diarree, voorbij
koude, ijzerharde wortels
dieper in de grond:

zij hebben het gezien,
zij hebben het gehoord,
zij doen niet mee.

 

Levensverhaal

Toen hij geboren was begon het al:
zijn moeder had de bijsluiter verloren.

Nooit wist hij waartoe dit
of dat dienen moest. Hoewel
hij toch kon raden
liep het steeds verkeerd.

Zijn vrienden durfde hij niet vragen:
in hun jeugd hadden die goed
hun eigen voorschriften gelezen
en die toen verbrand.

Iedereen hield alles maar geheim
en deed volmaakt wat hij niet kon:
ze lachten hem al op de speelplaats uit:

een tegenstrijdigheid, verlamd
en huilend in de zon.

 
Peter Ghyssaert (Wilrijk, 3 januari 1966)

Doorgaan met het lezen van “Peter Ghyssaert, J.R.R. Tolkien, Marie Darrieussecq, Alex Wheatle, Cicero, Drieu la Rochelle”

Peter Ghyssaert, Alex Wheatle, J.R.R. Tolkien, Marie Darrieussecq, Cicero, Drieu la Rochelle, Henry Handel Richardson

De Vlaamse dichter Peter Ghyssaert werd geboren op 3 januari 1966 te Wilrijk. Zie ook alle tags voor Peter Ghyssaert op dit blog.

Opa

Opa is duizendjarig
en van glas, lijkt het.
Stoot je hem aan, dan begint er
een fijn koperen mechaniek te zingen
in zijn borst: ik heb het warm,
te koud, zit op de tocht.

Zijn eigen handen
zijn een vale nevel voor zijn ogen.
Hij denkt dat bomen brancadiers zijn
– ’s winters wit, altijd beweeglijk –
en morst dagelijks van angst.

’s Avonds leggen wij zijn beweegbare delen
in hun houten kistjes. Maar iemand
maakt zoek, verlegt wat, en bij dageraad
staat opa’s hoofd te schreien
aangebrand van ochtenddauw,
zo eenzaam op de schoorsteenmantel.

 

Kind in de storm

Ze heeft een regendruppel in haar hand,
een klein gezicht
maar slecht gemaakt. Ze wrijft hem droog.

Het waait onder haar vliesdun kleed;
ze vangt, verkleumd, een nieuw gezicht
en spreekt ertegen: lief
is klein en klein is
overboord voorgoed verloren.

Wat ze heeft dat mag ze houden:
mager haar
en wit gezicht van louter wind;
een vuist zo rond
of daar een angst begint.

Eén dunne rug onder de storm
– een juk onder een juk –
twee schouderbladen
om ter bangst.

 
Peter Ghyssaert (Wilrijk, 3 januari 1966)

Doorgaan met het lezen van “Peter Ghyssaert, Alex Wheatle, J.R.R. Tolkien, Marie Darrieussecq, Cicero, Drieu la Rochelle, Henry Handel Richardson”

J.R.R. Tolkien, Marie Darrieussecq, Alex Wheatle, Cicero, Drieu la Rochelle, Xavier Orville, Jacob Balde

De Engelse schrijver J.R.R. Tolkien werd geboren op 3 januari 1892 in Bloemfontein, Zuid-Afrika. Zie ook alle tags voor J.R.R. Tolkien op dit blog.

 

Uit: The Lord of the Rings (The Hobbit)

“Not that Belladonna Took ever had any adventures after she became Mrs Bungo Baggins. Bungo, that was Bilbo’s father, built the most luxurious hobbit-hole for her (and partly with her money) that was to be found either under The Hill or over The Hill or across The Water, and there they remained to the end of their days. Still it is probable that Bilbo, her only son, although he looked and behaved exactly like a second edition of his solid and comfortable father, got something a bit queer in his make-up from the Took side, something that only waited for a chance to come out. The chance never arrived, until Bilbo Baggins was grown up, being about fifty years old or so, and living in the beautiful hobbit-hole built by his father, which I have just described for you, until he had in fact apparently settled down immovably.

 

Scene uit de film “The Hobbit” van Peter Jackson, 2012

 

By some curious chance one morning long ago in the quiet of the world, when there was less noise and more green, and the hobbits were still numerous and prosperous, and Bilbo Baggins was standing at his door after breakfast smoking an enormous long wooden pipe that reached nearly down to his woolly toes (neatly brushed)—Gandalf came by. Gandalf! If you had heard only a quarter of what I have heard about him, and I have only heard very little of all there is to hear, you would be prepared for any sort of remarkable tale. Tales and adventures sprouted up all over the place wherever he went, in the most extraordinary fashion. He had not been down that way under The Hill for ages and ages, not since his friend the Old Took died, in fact, and the hobbits had almost forgotten what he looked like. He had been away over The Hill and across The Water on businesses of his own since they were all small hobbit-boys and hobbit-girls.
All that the unsuspecting Bilbo saw that morning was an old man with a staff. He had a tall pointed blue hat, a long grey cloak, a silver scarf over which his long white beard hung down below his waist, and immense black boots”

 

J.R.R. Tolkien (3 januari 1892 – 2 september 1973)

Doorgaan met het lezen van “J.R.R. Tolkien, Marie Darrieussecq, Alex Wheatle, Cicero, Drieu la Rochelle, Xavier Orville, Jacob Balde”

J.R.R. Tolkien, Marie Darrieussecq, Alex Wheatle, Cicero, Elsa Asenijeff, John Gould Fletcher

De Engelse schrijver J.R.R. Tolkien werd geboren op 3 januari 1892 in Bloemfontein, Zuid-Afrika. Zie ook alle tags voor J.R.R. Tolkien op dit blog.

Uit: The Lord of the Rings

Roads Go Ever On

Roads go ever ever on,
Over rock and under tree,
By caves where never sun has shone,
By streams that never find the sea;
Over snow by winter sown,
And through the merry flowers of June,
Over grass and over stone,
And under mountains in the moon.

Roads go ever ever on,
Under cloud and under star.
Yet feet that wandering have gone
Turn at last to home afar.
Eyes that fire and sword have seen,
And horror in the halls of stone
Look at last on meadows green,
And trees and hills they long have known.

The Road goes ever on and on
Down from the door where it began.
Now far ahead the Road has gone,
And I must follow, if I can,
Pursuing it with eager feet,
Until it joins some larger way,
Where many paths and errands meet.

The Road goes ever on and on
Down from the door where it began.
Now far ahead the Road has gone,
And I must follow, if I can,
Pursuing it with weary feet,
Until it joins some larger way,
Where many paths and errands meet.
And whither then? I cannot say.

The Road goes ever on and on
Out from the door where it began.
Now far ahead the Road has gone.
Let others follow, if they can!
Let them a journey new begin.
But I at last with weary feet
Will turn towards the lighted inn,
My evening-rest and sleep to meet.”

J.R.R. Tolkien (3 januari 1892 – 2 september 1973)

Doorgaan met het lezen van “J.R.R. Tolkien, Marie Darrieussecq, Alex Wheatle, Cicero, Elsa Asenijeff, John Gould Fletcher”

J.R.R. Tolkien, Marie Darrieussecq, Alex Wheatle, Cicero, Drieu la Rochelle

De Engelse schrijver J.R.R. Tolkien werd geboren op 3 januari 1892 in Bloemfontein, Zuid-Afrika. Zie ook mijn blog van 3 januari 2007 en ook mijn blog van 3 januari 2008 en ook mijn blog van 3 januari 2009 en ook mijn blog van 3 januari 2010.

 

Uit: The Lord of the Rings (The Hobbit)

 

„This hobbit was a very well-to-do hobbit, and his name was Baggins. The Bagginses had lived in the neighbourhood of The Hill for time out of mind, and people considered them very respectable, not only because most of them were rich, but also because they never had any adventures or did anything unexpected: you could tell what a Baggins would say on any question without the bother of asking him. This is a story of how a Baggins had an adventure, and found himself doing and saying things altogether unexpected. He may have lost the neighbours’ respect, but he gained-well, you will see whether he gained anything in the end.

The mother of our particular hobbit-what is a hobbit? I suppose hobbits need some description nowadays, since they have become rare and shy of the Big People, as they call us. They are (or were) a little people, about half our height, and smaller than the bearded dwarves. Hobbits have no beards. There is little or no magic about them, except the ordinary everyday sort which helps them to disappear quietly and quickly when large stupid folk like you and me come blundering along, making a noise like elephants which they can hear a mile off. They are inclined to be fat in the stomach; they dress in bright colours (chiefly green and yellow); wear no shoes, because their feet grow natural leathery soles and thick warm brown hair like the stuff on their heads (which is curly); have long clever brown fingers, good-natured faces, and laugh deep fruity laughs (especially after dinner, which they have twice a day when they can get it). Now you know enough to go on with. As I was saying, the mother of this hobbit-of Bilbo Baggins, that is-was the famous Belladonna Took, one of the three remarkable daughters of the Old Took, head of the hobbits who lived across The Water, the small river that ran at the foot of The Hill. It was often said (in other families) that long ago one of the Took ancestors must have taken a fairy wife. That was, of course, absurd, but certainly there was still something not entirely hobbitlike about them, and once in a while members of the Took-clan would go and have adventures. They discreetly disappeared, and the family hushed it up; but the fact remained that the Tooks were not as respectable as the Bagginses, though they were undoubtedly richer“.

 

 

J.R.R. Tolkien (3 januari 1892 – 2 september 1973)

 

 

Doorgaan met het lezen van “J.R.R. Tolkien, Marie Darrieussecq, Alex Wheatle, Cicero, Drieu la Rochelle”

J.R.R. Tolkien, Marie Darrieussecq, Sven Kivisildnik, Alex Wheatle, Cicero, Xavier Orville, Drieu la Rochelle, Wolf von Aichelburg

De Engelse schrijver J.R.R. Tolkien werd geboren op 3 januari 1892 in Bloemfontein, Zuid-Afrika. Zie ook mijn blog van 3 januari 2007 en ook mijn blog van 3 januari 2008 en ook mijn blog van 3 januari 2009.

 

Uit: Der Hobbit oder Hin und zurück (Vertaald door Wolfgang Krege)

 

In einem Loch im Boden, da lebte ein Hobbit. Nicht in einem feuchten, schmutzigen Loch, wo es nach Moder riecht und Wurmzipfel von den Wänden herabhängen, und auch nicht in einer trockenen, kahlen Sandgrube ohne Tische und Stühle, wo man sich zum Essen hinsetzen könnte: nein, das Loch war eine Hobbithöhle, und das heißt, es war sehr komfortabel.
Die Tür war kreisrund wie ein Bullauge, grün gestrichen, mit einem blanken gelben Messingknopf genau in der Mittte. Sie führte in eine röhrenförmige Diele, eine Art Tunnel, aber ein sehr komfortabler, luftiger Tunnel mit holzgetäfelten Wänden, gekacheltem und mit Teppichen belegtem Fußboden, lackierten Stühlen und einer Unmenge Haken an der Wand für Hüte und Mäntel – der Hobbit hatte gern Besuch. Die Diele zog sich in Windungen ein ganzes Stück weit hin, aber nicht tief in den Bühl hinein – so wurde die kleine Anhöhe von den Nachbarn auf etliche Meilen im Umkreis genannt -, und viele kleine runde Türen gingen darauf hinaus, abwechselnd zu beiden Seiten. Treppen brauchte der Hobbit nicht zu steigen: Schlafzimmer, Bad, Keller, Speisekammern (deren er mehrere hatte), Garderoben (ganze Kammern voller Kleider), die Küche und die Speisezimmer, alles lag auf gleicher Höhe und grenzte an diesen Gang. Die besten Zimmer waren auf der linken Seite (wenn man hereinkam), denn nur hier gab es Fenster, tief über dem Boden angesetzte runde Fenster, aus denen der Hobbit auf seinen Garten und die zum Fluß abfallenden Wiesen dahinter hinaussah.
Dieser Hobbit war ein sehr wohlhabender Hobbit, und er hieß Beutlin. Die Beutlins wohnten in der Gegend um den Bühl schon seit unvordenklichen Zeiten und galten als sehr achtbare Leute, nicht nur, weil die meisten von ihnen reich waren, sondern auch weil sie sich nie auf irgendwelche Abenteuer einließen oder etwas Unerwartetes taten: Was ein Beutlin auf irgendeine Frage sagen würde, wußte man immer schon, ohne die Frage erst stellen zu müssen. Unsere Geschichte nun handelt von einem Beutlin, der dennoch in ein Abenteuer hineingeriet und der sich dabei ertappen mußte, wie er Dinge sagte und tat, die ihm niemand zugetraut hätte.”

 

Tolkien_young

J.R.R. Tolkien (3 januari 1892 – 2 september 1973)
Een zeer jonge Tolkien

 

De Franse schrijfster Marie Darrieussecq werd geboren in Bayonne, Pyrénées-Atlantiques, op 3 januari 1969. Zie ook mijn blog van 3 januari 2009.

 

Uit: Truismes

 

„Je sais à quel point cette histoire pourra semer de trouble et d’angoisse, à quel point elle perturbera de gens. Je me doute que l’éditeur qui acceptera de prendre en charge ce manuscrit s’exposera à d’infinis ennuis. La prison ne lui sera sans doute pas épargnée, et je tiens à lui demander tout de suite pardon pour le dérangement.

Mais il faut que j’écrive ce livre sans plus tarder, parce que si on me retrouve dans l’état où je suis maintenant, personne ne voudra ni m’écouter ni me croire. Or tenir un stylo me donne de terribles crampes. Je manque aussi de lumière, je suis obligée de m’arrêter quand la nuit tombe, et j’écris très, très lentement. Je ne vous parle pas de la difficulté pour trouver ce cahier, ni de la boue, qui salit tout, qui dilue l’encre à peine sèche.

J’espère que l’éditeur qui aura la patience de déchiffrer cette écriture de cochon voudra bien prendre en considération les efforts terribles que je fais pour écrire le plus lisiblement possible. L’action même de me souvenir m’est très difficile. Mais si je me concentre très fort et que j’essaie de remonter aussi loin que je peux, c’està- dire juste avant les événements, je parviens à retrouver

des images. Il faut avouer que la nouvelle vie que je mène, les repas frugaux dont je me contente, ce

logement rustique qui me convient tout à fait, et cette étonnante aptitude à supporter le froid que je découvre à mesure que l’hiver arrive, tout ceci ne me fait pas regretter les aspects les plus pénibles de ma vie d’avant.

Je me souviens qu’à cette époque où tout a commencé j’étais au chômage, et que la recherche d’un emploi me plongeait dans des affres que je ne comprends plus maintenant. Je supplie le lecteur, le lecteur chômeur en particulier, de me pardonner ces indécentes paroles. Mais hélas je ne serai pas à une indécence près dans ce livre ; et je prie toutes les personnes qui pourraient s’en trouver choquées de bien vouloir m’en excuser.“

 

Darrieussecq

Marie Darrieussecq (Bayonne, 3 januari 1969)

 

De Estlandse dichter en schrijver Sven Kivisildnik (eig. Sven Sild) werd geboren op 3 januari 1964 in Rakvere. Zie ook mijn blog van 3 januari 2009.

 

The producer’s email to Väinämöinen 

 

Do you understand now Väinämöinen

Your performance is truly splendid

You are the master of song and

This is doubted by no one

Do you get the picture Väinämöinen

 

Do you under
stand now Väinämöinen

We want you to appear

In our popular show with

A number of other reknowned singers

Do you get the picture Väinämöinen

 

Do you understand now Väinämöinen

We reviewed your demo we watched

Your live video and we were dazzled

That is not what we are selling now

Do you get the picture Väinämöinen

 

Do you understand now Väinämöinen

We provide people with entertainment

We fill their free time with stars

But you will sing your rivals under the ground

Do you get the picture Väinämöinen

 

Do you understand now Väinämöinen

It was written in your CV that your rivals

Sink into the ground while listening to you

But we assumed it was just a special effect

Do you get the picture Väinämöinen

 

Do you understand now Väinämöinen

You look good on magazine covers

Your hair stands on end your eyes burn

And your jacket flaps open invitingly

Do you get the picture Väinämöinen

 

Do you understand now Väinämöinen

Here we present big stadium bands

They have contracts with huge enterprises

And they earn tens of millions

Do you get the picture Väinämöinen

 

Do you understand now Väinämöinen

It would be too much if you buried alive two or three

Boy bands or a couple of half naked babes

So that the damage was irrevocable

Do you get the picture Väinämöinen

 

Do you understand now Väinämöinen

You cannot possibly imagine the sums of money

That the insurance companies have been paid

But here we are responsible for security

Do you get the picture Väinämöinen

 

Do you
understand now Väinämöinen

If you start singing the police, press, and

Insurance agencies will lynch us

And the sponsors will desert us immediately

Do you get the picture Väinämöinen

 

Do you understand now Väinämöinen

You should not misinterpret us

We are all for cooperation

But we must find another solution

Do you get the picture Väinämöinen

 

Do you understand now Väinämöinen

If you simply cannot sing in another way, OK

We will find you some film roles

Or a modeling contract–you look very sexy

Do you get the picture Väinämöinen

 

Do you understand now Väinämöinen

You just cannot bury singers in the top 100

But because you have many fans we

Will send you another contract next week

Do you get the picture Väinämöinen

 

* Väinämöinen is het centrale personage in de Kalevala, het nationale epos van Finland.

 

 

Vertaald door Hasso Krull en Brandon Lussier

 

kirisildnik

Sven Kivisildnik (Rakvere, 3 januari 1964)

 

De Britse schrijver Alex Wheatle werd geboren op 3 januari 1963 in Londen. Zie ook mijn blog van 3 januari 2009.

 

Uit: Island Songs (Vertaald door Nicolas Richard)

 

Joseph prit son temps pour répondre, incapable cependant de se tourner pour regarder sa femme en face. Il but une gorgée de rhum à la bouteille. Effectivement, se dit-il, Amy avait droit une explication, mais au bout de trente ans, il n’avait toujours pas réussi à accepter l’horreur de la situation. Il était même incapable de dire pourquoi il était parti ce jour-làprécisément. Mais il avait fallu qu’il mette les bouts. Si Amy apprenait la vérité, elle cesserait sans doute de le respecter. ‘Un bon zigue n’aurait jamais abandonné sa famille dans la détresse’, songea Joseph. C’est pourtant ce qu’il avait fait. La culpabilité avait depuis été sa fidèle compagne. Elle était présente lorsqu’il se levait le matin, elle lui parlait le soir avant qu’il s’endorme.

– Je vais bien, Amy, répondit finalement Joseph. Ne te mouronne pas. Ta famille m’a accueilli, je n’ai besoin de personne d’autre. C’est toi ma racine, maintenant.

(…)

 

Quatorze heures plus tard, Joseph revit enfin son village. Ses jambes avaient manqué à plusieurs reprises de le trahir, et maintes fois il avait envisagé de garer la charrette sur le bas-côté de la route pour rejoindre son fils dans un sommeil éternel. Ne voyant personne dehors, il laissa la charrette sur le coté de la maison et alla dans le cagibi chercher une bâche. Il fourrageait depuis trente secondes quand il entendit des bruits de pas derrière lui. Il se retourna et trouva Amy, debout, les bras croisés, le visage soucieux et compatissant.“

 

Wheatle

Alex Wheatle (Londen,  3 januari 1963)

 

De Romeinse schrijver, redenaar, politicus, advocaat en filosoof Marcus Tullius Cicero werd geboren in Arpinum op 3 januari 106 v. Chr. Zie ook mijn blog van 3 januari 2007 en ook mijn blog van 3 januari 2008 en ook mijn blog van 3 januari 2009.

 

Uit: De kunst van het oud worden (De Senectute)

 

„(Cato aan het woord over een verwijt aan de oude dag)

‘De ouderdom brengt ons af van onze activiteiten.’ Van welke? Activiteiten die horen bij jeugd en kracht? Zijn er soms geen activiteiten van oude mensen, dingen die men doet op geesteskracht, hoe zwak het lichaam ook moge zijn? Was het dan niets wat Quintus Maximus deed, niets wat Lucius Paulus deed, jouw vader, de schoonvader van die geweldige kerel: mijn zoon? En die andere oude heren, de Fabricii, de Curii, de Coruncanii, toen die de staat met hun raad en gezag verdedigden, deden zij dan niets?

Toen Appius Claudius oud werd kwam daar nog bij dat hij blind was. Maar toen de stemming in de senaat omsloeg en men een vredespact met Pyrrhus wilde sluiten, was hij het die niet aarzelde en de uitspraak deed die Ennius in verzen heeft vervat:  

 

waar zijn uw zinnen, die toch altijd rechtop stonden,

tot voor kort, in waanzin <…> weggewend?

 

en zo gaat dat op ernstige toon verder, het gedicht is jullie bekend. Daarnaast is Appius’ eigen rede ook bewaard gebleven. Dat optreden van hem was zeventien jaar na zijn tweede consulaat, nadat er tien jaar was verstreken tussen zijn eerste en tweede consulaat en hij voorafgaand aan zijn eerste consulaat ook nog censor was geweest. Daaruit valt op te maken dat hij ten tijde van de oorlog met Pyrrhus al behoorlijk op leeftijd was. En toch hebben we het zo van onze vaders begrepen.

Wie dus zegt dat ouderdom en activiteiten niet samengaan heeft helemaal geen argument. Het is zoiets als wanneer je beweert dat een stuurman tijdens het varen niets zit te doen. Anderen klimmen in de masten, rennen over het dek of scheppen kielwater uit, terwijl hij met het roer in handen rustig op de achtersteven zit en niet doet wat de jongeren doen. Nee, inderdaad, wat hij doet is veel groter en belangrijker! Niet fysieke kracht of snelheid of beweeglijkheid tellen bij grote activiteiten, maar wijs beleid, gezag en oordeelsvermogen. En daarvan raakt de oude dag niet gespeend, integendeel, die kwaliteiten worden dan sterker.“

 

Vertaald door Vincent Hunink

 

maccari-cicero

Cicero (3 januari 106 v. Chr. – 7 december 43 v. Chr.)
Cicero klaagt Catalina aan, fresco door Cesare Maccari, 1888

 

De Franstalige schrijver Xavier Orville werd geboren op 3 januari 1932 in Case-Pilote, op  Martinique. Hij volgde een opleiding aan het lycée Schoelcher de Fort-de-France. In 1952 verliet hij Martinique en ging hij o.a. studeren aan de Faculté de Lettres de Toulouse. Veel later werd hij cultureel adviseur van president Léopold Sédar Senghor van Senegal en van diens opvolger Abdou Diouf.

 

Uit: Coeur à vie

 

„Les yeux clos, tu vas serrer sur ta poitrine son corps, trop longtemps rebelle à l’usure du désir, rebelle malgré lui à l’abandon corps à coeur avec ses rêves d’amour trop nomades pour passer la barrière des chevelures et des jardins. (…) Son regard dans le tien voudra épier le bonheur qu’il suscite, et tu sauras le détourner vers ses propres yeux, afin qu’il se perde dans la sensation de ce qu’à lui-même il se donne et qu’en lui-même il prend,abandonnant tout ce qu’il donne à ce que tu reçois, sans échange de calculs, oui plus beau que non, pour sa métamorphose en vagues de terre embrassant tes falaises ruisselantes et salées. (…)
J’ai feuilleté déjà bien des existences, et j’ai toujours fait confiance aux soleils de notre histoire. Pour ma part, je n’ai jamais pris mon île pour un enfer où je doive enterrer mes souvenirs et mon imagination.
Soufrières, je suis prêt à profiter d’un témor plus intense pour basculer dans la fontaine et répandre grâce à la mer tout autour de l’île le témoignage de la ferveur de vos vraies vies…

Man Mouna s’était rongée les ongles depuis longtemps ; elle n’était que chimères.
Son corps était devenu une pile de chagrin qu’elle traînait dans le bruit des paroles habituelles. Elle avait les cheveux tout gris, des doigts étrangement secs, le regard blessé de s’être cognée trop souvent à la vie. En elle, plus aucune place pour la joie ; mais elle porta à Bergamote la dernière fleur à cinq pétales qui tremblait au fond de son coeur.“

 

orville

Xavier Orville (3 januari 1932 – 19 augustus 2001)

 

De Franse schrijver en essayist Pierre Eugène Drieu la Rochelle werd geboren op 3 januari 1893 in Parijs. Zie ook mijn blog van 3 januari 2009.

 

Uit: La guerre mondiale de 1936

 

„Je suppose que j’ai écrit cette brève mais curieuse anticipation dans l’hiver de 34 à 35. Je l’adressai à M. de Carbuccia, directeur de Gringoire, qui me la refusa. Je la fourrai dans mes papiers et n’y pensai plus que de très loin en très loin.

Pourtant, une fois, je l’exhumai, la relus et y portai quelques corrections de détail. Ce ne fut pas plus tard que pendant la guerre de 39-40.

En rangeant des papiers, je fai retrouvée et je pense que c’est un bon moment pour la publier. Elle est assez exacte dans son ensemble, cette anticipation, pour que des gens qui me portent dans leur coeur doutent de son authenticité j’ai montré l’a seule copie que j’avais à autant de personnes que j’ai pu pour qu’elles puissent apprécier les signes de vétusté la couleur du papier, de l’encre, etc.

D’ailleurs, il m’aurait fallu être plus malin que je ne suis, et surtout’ plus industrieux, pour doser si finement ce qui touchedans ces pages le f utur avec pertinence et ce qui tombe à côté.

C eh; est bien marqué par le moment où cela a été’fait on ne peut s’y tromper. On pourra se reporter d’ailleurs pour juger de mes dispositions à ^anticipation et ‘â la prophétie à une: autre nouvelle, « Défense de sortir » que j’ai placée à la fin de mon recueil Écrits1 die Jeunesse et qui avait paru dans Bifur; revue d’acantgarde, vers 1928 je crois, et qui avait déjà été recueillie dans un ensemble de nouvelles, ke’ Journal” d’un homme trompé (1934). J’y écrivais par exemple «< L’humanité, à la suite des guerres et: révolutions des années 1940:, avait- réglé les’ questions poltiques et économiqwes en instituant die grandes fédération’» continentales, mi-soviétiques mi-fascistes. »

 

Drieu

Pierre Drieu la Rochelle (3 januari 1893 – 16 maart 1945)

 

De Duitstalige dichter en schrijver Wolf von Aichelburg werd geboren in Pula,Transsylvanië, (destijds Oostenrijke-Hongarije, tegenwoordig Kroatië) op 3 januari 1912. Zie ook mijn blog van 3 januari 2009.

Zeitmale

Die kleine Sanduhr mit dem feinen Rinnen
Ist nie verengt. Die Körner weichen aus.
Ein Sterben und ein ständiges Beginnen
Bringt eines je und alle sanft nach Haus.

Kein Wettbewerb besteht vor diesem Tauschen
Des Standorts jedes Korn mit jedem Korn:
Ein unerhörtes, gleichgemeßnes Rauschen
Weicht aus, nimmt ein, verläßt und treibt nach vorn.

Du läßt sie leer. Der Sand jedoch rinnt weiter,
Dir unsichtbar, in Mauern, Fels und Holz,
Auch du klimmst hoch die sprossengleiche Leiter
Und steigst sie wieder ab, ganz ohne Stolz.

Was könnte auch der Stolz und was das Steigen
Verändern, wo sich eins ins andre zwängt
Und ohne Leidenschaft in Eil und Schweigen
Durch einen Durchschlupf ins Gefälle drängt?

Doch hörst du fern die stolzen Stämme brechen.
Der wahre Gott der Zeit, es ist der Wind.
Er läßt das Meer, die stummen Felsen sprechen.
Der Sand indes ganz leise weiterrinnt.

 

Wolf von Aichelburg

Wolf von Aichelburg (3 januari 1912 – 24 augustus 1994)
Hier met Hans Bergel (links)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e januari ook mijn vorige blog van vandaag.