Dolce far niente, Alfred Schaffer, Annie M.G. Schmidt, Ida Gerhardt, Jonathan Coe, Li-Young Lee, Frederik Lucien De Laere, Louis Th. Lehmann, Ogden Nash

Dolce far niente – Het poëziemuseum op het Museumplein

 

 
View of the Rijksmuseum Amsterdam by night II door Erik Renssen, 2015

 

Het feest kan beginnen

De zee is kalm maar wie belooft ons nog geborgenheid,
wie blijft bij de les.
Voortekens staren ons in het gezicht,
de duisternis heeft ons uitgespuugd.

Alles is aan boord: zuurstof, specerijen, vrouwen, mannen,
trage dieren,
trotse dieren. Een kwestie slechts van overleven
en het hoofd koel houden.

Al dagen is ons tijdperk van subtiele metaforen afgesloten:
een paard
in het ruim van het schip dat ons aan land zal brengen,
het proestte, snoof,
brak los, door demonen opgejaagd, dan stormde het
naar het achterdek
en struikelde overboord. Het gehinnik verzoop in het bruisen
onder de schroeven, in luttele seconden raakte iedereen in rep en roer.

Voortekens staren ons in het gezicht, de duisternis heeft ons
uitgespuugd.

We zullen bossen kappen, een lichtend voorbeeld vinden,
geboortesteden
construeren zonder voorgeschiedenis, geactiveerd door
aromatisch sentiment.

Duisternis, voortekens. Er zullen vallen klappen als het stormt,
zeezieke uren
liggen voor de boeg maar onze droom bestaat. Nu alleen de timing nog.

 
Alfred Schaffer (Leidschendam, 16 september 1973)

 

Aan een klein meisje

Dit is een land waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zijn geen feeën meer, er zijn hormonen.
En altijd is er weer wat anders loos.

En in dit land zijn alle avonturen.
Hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn andere muren.
En nooit een eenhoorn of een bietebauw.

En alle dingen hebben hier twee kanten.
En alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten.
En dat doen boze mannen voor hun brood.

Een bos is hier alleen maar een boel bomen.
En de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is een land waar grote mensen wonen.
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.

 
Annie M.G. Schmidt (20 mei 1911 – 21 mei 1995)

 

Psyche

Ik las de Phaedo met mijn vijfde klas
en in de tekst kwam het woord yuxh/ voor:
ik legde, aan ’t nog kinderlijk gehoor,
uit waarom yuxh/ ‘ziel’ én ‘vlinder’ was.

Terwijl ik nóg eens de passage las
was er ineens een ritseling, en een spoor
van glanzen kwam, van ’t raam, de ruimte door.
Er zat een grote vlinder voor ’t glas.

Het was een dagpauwoog. En ieder zag
de purperen gloed, die op zijn vleugels lag;
de ogen, waar het aetherblauw in brandt.

Ten laatste – hij zat rustig op de hand –
bracht hem een jongen weg. Onaangerand,
zei hij, was hij ontweken naar het blauw.


Ida Gerhardt (11 mei 1905 – 15 augustus 1997)
Cover biografie

 

De Engelse schrijver Jonathan Coe werd geboren op 19 augustus 1961 in Birmingham. Zie ook alle tags voor Jonathan Coe op dit blog.

Uit: Expo 58 (Vertaald door Luud Dorresteijn en Otto Biersma)

“In een schrijven van 3 juni 1954 bracht de Belgische ambassadeur in Londen een uitnodiging over aan de regering van Hare Majes-teit, de koningin van het Verenigd Koninkrijk: een uitnodiging tot deelname aan een nieuwe wereldtentoonstelling die de Belgen ‘de algemene wereldtentoonstelling te Brussel 1958’ noemden. Vijf maanden later, op 24 november 1954, werd Hare Majesteits formele aanvaarding overgebracht aan de ambassadeur, tijdens een bezoek aan Londen van baron Moens de Fernig, de commis-saris-generaal die door de Belgische regering was aangesteld om de organisatie van de tentoonstelling op zich te nemen. Het zou de eerste keer sinds de Tweede Wereldoorlog zijn dat een dergelijk evenement werd georganiseerd, in een tijd waarin de Europese landen die bij die oorlog betrokken waren geweest, zochten naar vreedzame samenwerking en zelfs een verbond; en tegelijkertijd was het ook een periode waarin de politieke verhou-dingen tussen de NAVO en de Oostbloklanden zich op een diepte-punt bevonden. De tentoonstelling zou worden gehouden in een tijd van ongekend optimisme over de recente ontdekkingen op het gebied van de nucleaire wetenschap, en in een periode waar-in dat optimisme werd getemperd door een ongebreidelde angst voor wat er zou gebeuren als die ontdekkingen zouden worden ingezet voor destructieve in plaats van constructieve doeleinden. Het symbool van deze grote paradox zou een reusachtige metalen constructie precies in het midden van het expositieterrein wor-den, het Atomium genaamd, een creatie van de Belgische ingeni-eur André Waterkeyn. Het zou ruim honderd meter hoog worden en het was een weergave van een elementair ijzerkristal, 165 miljard keer uitvergroot. In de oorspronkelijke uitnodiging werd het doel van de ten-toonstelling als volgt omschreven: ‘het bevorderen van een ver-gelijking van de uiteenlopende activiteiten van de diverse naties op het gebied van kunst, wetenschap, economische aangelegen-lieden en technologie.”


Jonathan Coe (Birmingham, 19 augustus 1961)

 

De Amerikaanse dichter Li-Young Lee werd geboren op 19 augustus 1957 in Jakarta, Indonesië. Zie ook alle tags voor Li-Young Lee op dit blog.

Changing Places in the Fire (Fragment)

1
What’s The Word! she cries
from her purchase on the iron
finial of the front gate to my heart.

The radio in the kitchen
is stuck in the year I was born.
The capitals of the world are burning.

And this sparrow with a woman’s face
roars in the burdened air — air crowded with voices,
but no word, mobbed with talking, but no word,
teeming with speech, but no word — 
this woman with the body of a bird
is shrieking fierce
buzzed volts
in the swarming babble, What’s The Word!

This evening
is the year of my birth.
The country has just gained its independence.
Social unrest grows rampant as the economy declines.
Under a corrupt government of the army and the rich come
years of mass poverty, decades of starving children
and racially-fueled mayhem. Word is

armed squads raping women by the hundreds. Word is
beheadings, public lynchings, and riots. Word is
burning, looting, curfews, and shoot-to-kill orders.
And word is more deadly days lie ahead.

Today, tomorrow, and yesterday, the forecast calls
for more misery, more poverty, more starvation,
more families fleeing their homes,
more refugees streaming toward every border.

More horror is to come, that’s the word.
More scapegoating is to come, that’s the word.
More violence is to come
on the roads,
in the streets,
in the homes, violence

in the churches, in the temples
where they preach who to love and who to hate.
How to get to heaven, and who to leave behind.
How to don the fleece of the blameless
and prosecute your neighbor.

 
Li-Young Lee (Jakarta, 19 augustus 1957)

 

De Vlaamse dichter Frederik Lucien De Laere werd geboren in Brugge op 19 augustus 1971. Zie ook alle tags voor Frederik Lucien De Laere op dit blog.

Hero en Leander

Het lijkt onmetelijk
het lijkt onmogelijk
het water doorhouwen in crawl
een donkere massa
doorkomen met klasse
tot bij de fakkel
het waauwgevoel
bij het licht
de lichte zeden
het eden
tot plots het vuur dooft
en hij dobbert
stuurloos en total loss
aanziet een muur van water
aanvaardt de diepte
de dip
definitief
de liefde verstoord
zijn lief mee in zee
gestort.

 

Kraambed 

Het gaat erom spannen.
Er gaat een kanteling vooraf aan het kermen,
geen erbarmen maar smart komt haar toe.
De pijn ligt in de lijn van de uitzetting
van in den beginne.

Het kind wacht op een voorstelling.
De poort opent zich
na een lange ontsluiting
en het verbreken van de zegels.
Het ziet prachtige dingen:
gouden beelden, blauwe tegels,
vazen in albast en meesterlijk gesneden hout.

Neen, het is geen droom, geen nachtmerrie
met klinisch wit en mensen met groene maskers.


Frederik Lucien De Laere (Brugge, 19 augustus 1971)

 

De Nederlandse schrijver, dichter en vertaler Louis Th. Lehmann werd geboren op 19 augustus 1920 in Rotterdam. Zie ook alle tags voor Louis Th. Lehmann op dit blog.

Maastricht , 28 december 2000

Ik ging naar Maastricht om
Moniek Toebosch*) te zien.

Ik lees je hier, ik hoor je hier,
ik zie je hier geprojecteerd
op witte muren. En als pop
zo groot als jij en in de juiste kleren.

Ik lees op een andere muur
meer woorden over meer daden
dan ik van je gezien heb.

Ik mis je grote plastic oor.
Ik mis je antwoord. Ik besluit:

Moniek Toebosch is niet Moniek Toebosch
zonder Moniek Toebosch.

 

Portret

Voor Chris van Geel jr.

Ik ben een ziener als een witte olifant,
ik zie het vasteland al uitgestorven
en zit aan zee met slechts de laatst verworven
stenen en schelpen glijdend door mijn hand

Ik voel met mens noch ding een enkle band,
omdat ‘k geen hartstocht ooit ben nagezworven.
Een ieder heeft het snel bij mij verkorven,
ik wens mijn stil gebied onaangerand.

Maar ik vergeet en kan alleen verlangen
gerespecteerd te blijven in mijn spel
met kralen, veren of zelfs spoken, vrij

in waar ‘k mijn eenzaamheid mee vol wil hangen.
Een wraak is nu alreeds wat ik vertel,
want als ik dood ben speelt men ook met mij.

 
Louis Th. Lehmann (19 augustus 1920 – 23 december 2012)

 

De Amerikaanse dichter Frederic Ogden Nash werd geboren in Rye, New York, op 19 augustus 1902. Zie ook alle tags voor Ogden Nash op dit blog.

First Child … Second Child

FIRST

Be it a girl, or one of the boys,
It is scarlet all over its avoirdupois,
It is red, it is boiled; could the obstetrician
Have possibly been a lobstertrician?
His degrees and credentials were hunky-dory,
But how’s for an infantile inventory?
Here’s the prodigy, here’s the miracle!
Whether its head is oval or spherical,
You rejoice to find it has only one,
Having dreaded a two-headed daughter or son;
Here’s the phenomenon all complete,
It’s got two hands, it’s got two feet,
Only natural, but pleasing, because
For months you have dreamed of flippers or claws.
Furthermore, it is fully equipped:
Fingers and toes with nails are tipped;
It’s even got eyes, and a mouth clear cut;
When the mouth comes open the eyes go shut,
When the eyes go shut, the breath is loosed
And the presence of lungs can be deduced.
Let the rockets flash and the cannon thunder,
This child is a marvel, a matchless wonder.
A staggering child, a child astounding,
Dazzling, diaperless, dumbfounding,
Stupendous, miraculous, unsurpassed,
A child to stagger and flabbergast,
Bright as a button, sharp as a thorn,
And the only perfect one ever born.

SECOND

Arrived this evening at half-past nine.
Everybody is doing fine.
Is it a boy, or quite the reverse?
You can call in the morning and ask the nurse.

 

The Romantic Age

This one is entering her teens,
Ripe for sentimental scenes,
Has picked a gangling unripe male,
Sees herself in bridal veil,
Presses lips and tosses head,
Declares she’s not too young to wed,
Informs you pertly you forget
Romeo and Juliet.
Do not argue, do not shout;
Remind her how that one turned out.

 

 
Ogden Nash (19 augustus 1902 – 19 mei 1971)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e augustus ook mijn blog van 19 augustus 2017.

J. H. Leopold, Ida Gerhardt, Eva Menasse, Eugen O. Chirovici, Andre Rudolph, Rubem Fonseca, Henning Boëtius, Camilo José Cela, Rachel Billington

De Nederlandse dichter en classicus Jan Hendrik Leopold werd geboren in ’s-Hertogenbosch op 11 mei 1865. Zie ook alle tags voor J. H. Leopold op dit blog.

Hoe duizendvoudig lief

Hoe duizendvoudig lief en zacht
in zorg en eerbied zou ik wezen
en zeer omzichtig. Wist gij deze
vriendelijkheid u toegedacht!

Gedenk, wat wij misdeden, niet;
niet toen, maar nu was onze tijd,
wel was voor ons nog weggeleid
een hopen na een lang verdriet.

Een hopen als wij lief en zacht
zijn zullen en gerust voortaan
en mijne stem zal om u gaan:

‘zie mij, hoe ik u heb verwacht.’

 

Op reis

In de donkere wagen reed ik alleen,
Alleen met mijn lief door de nacht;
Wij spraken geen woord, wij hebben stil
Aan onze liefde gedacht.

De lantarens wierpen een haastige schijn
Door ’t raam en begluurden ’t gezicht,
Dat luisterde naar het gehuil van de wind,
De ogen op mij gericht.

En telkens als weer hun matte gloed
De schone vrouw bestraalt,
Dan doemt een lichte droom voor mij op,
Die van vroegere tijd verhaalt.

En vluchtige beelden snellen voorbij
En gestalten uit mijn jeugd
En ik denk terug aan onschuldig geloof,
Aan tedere kindervreugd.

 

De lippen van het water…

De lippen van het water leggen zich
verliefd, verlustigd op de rondom open
gewelfde kring; zij komen toegeslopen
en dringen op en rekken zich…

Gesneden in de alabasten rand
is er een vers van een zo uitverkoren
zoetheid van woorden, dat de zin verloren
wegdeinde in dit bedwelmende verband.

Een strofe, die in jubel zich verhief
en dan zich strengelde en zich ging winden
tot een beschaduwing van de beminde,
van het besloten, zinsbetoovrend lief.

En zwijmend onder alle heerlijkheden
benadert nu een weke en vochte mond
de kostlijke syllaben, snikte en vond
er zijn besterven, stom teruggegleden.

 
J. H. Leopold (11 mei 1865 – 21 juni 1925)
Het kunstwerk “Leopold” van Charlotte van Pallandt in Rotterdam

De Nederlandse dichteres Ida Gerhardt werd geboren in Gorinchem op 11 mei 1905. Zie ook alle tags voor Ida Gerhardt op dit blog.

Aanzegging

Er nadert schaarste van graan.
Tè lang is de gave getart.

De dag zegt het aan de nacht:
‘er zit al zwart in de halm.’

De zon zegt het aan de maan:
‘het ìs al in het gewas.’

De aar verteert in de schacht,
de tarwe is ziek in het hart.

En de wind zegt het in zichzelf:
‘het sterft op plekken al af.’

[b]Een vreemd overspelig gras
legt op de akkers beslag.[/b]

Graaft met nàgels waar het eens was,
waar de aarde wit was van graan:

als er àl te veel is begaan
zal de dag zwart zijn als de nacht.

Dan slaat het zaad niet meer aan.

 

Tussenuur

Midwinterdag – De geur van oude jassen,
de gang met kalken licht om in te dwalen;
een schateren – grindstorting – uit een klasse;
en dan hoort men de school weer ademhalen.

Dit is mijn land. Ik zal niet meer verkassen:
Dr. I.G.M. Gerhardt, oude talen.
Vergeef mij, God, mijn duizendvoudig falen.
Ik kon dit nimmer in mijn schema passen.

En rebelleerde – Maar ik ben gezwicht:
Te sterk zag mij mijn werk in het gezicht.
Het is mijn prachtige, mijn hondse baan.

Waar staat van ‘wandelen voor Uw aangezicht?’
Een tussenuur. In deze geur, dit licht.
Het is mijn arbeid, en Gij ziet mij aan.

 

Dertig eeuwen

Toen Patroklos gelegd was op
de baar,
werd hij door alle jongens
uitgedragen.
Ik zag hen kinderlijk de dode
schragen,
een haag van jonge eiken
naast elkaar.

Maarts voorjaar joeg de
wolken langs het goud.
Er donderde een phalanx
straaljagers over,
toen op de brandstapel
omfloerst met lover
zij hem legden en de vlam
sloeg in het hout.

Myriaden jaren op de palm
der hand. –
Ik dorst niet opzien naar wie
was ter zijde,
lieflijk en stil, Briseïs aller
tijden,
toen hij verbrand werd in dit
lage land.


Ida Gerhardt (11 mei 1905 – 15 augustus 1997)
Dit beeld van Ida Gerhardt door Herma Schellingerhoudt krijgt binnenkort een plekje op de IJsselkade in Zutphen.

De Oostenrijkse schrijfster Eva Menasse werd geboren op 11 mei 1970 in Wenen. Zie ook alle tags voor Eva Menasse op dit blog.

Uit:Tiere für Fortgeschrittene

„Ihr Jugendfreund Martin ist gestorben, und Tom, die Frau, die auf einem Männernamen besteht, sitzt ratlos am Com-puter und bucht einen Türkeiurlauh mit Wasserninchen. Die Herbstferien stehen ins Haus. In acht Wochen werden sich die Kinder nicht mehr daran erinnern können, dass Tom an diesem Abend ein bisschen geweint und sich an Papas Schulter versteckt hat. Geschweige denn, dass die Kinder diesen leicht irritierenden, aber lange zurücklie-genden Umstand als Erklärung dafür akzeptieren würden, dass ihnen nicht die allerbuntesten, ausgefallensten Was-serrutschen geboten werden, nachdem sie am Frühstücks-buffet noch einmal mit Schokoladefingern unterstrichen haben, dass ausgewogene Ernährung in den Ferien ausge-setzt ist. Wenn es ein Unfall gewesen wäre, ein plötzlicher Tod, dann könnte sie das ja nicht, sich durch all die Angebote klicken, Bungalow mit zwei Schlafzimmern, Spa-Land-schaft, indoor-Pool, all inclusive mit oder ohne Tischwein, Direktflug oder nicht. Aber dass Martin sterben würde, war seit Monaten in das Bewusstsein seiner Freunde ge-drungen wie dickflüssiger Schlamm. Der stirbt doch, oder, hat Judith, die ihn ebenso lange kennt und in den letzten Jahren ebenso viele Schwierigkeiten mit ihm hatte, Tom schon zu Ostern gefragt. Typisch Judith, allen anderen ihre frommen Wünsche zu zertrümmern, um aus ihrem Erschrecken einen perversen Trost zu ziehen. Tom, deren Schwester immerhin Ärztin, wenn auch keine Onkologin ist, hat ihr aufgebracht einen mit Fachbegriffen gespick-ten Kurzvortrag gehalten, der das Gegenteil behauptete: Operation, neue Methoden, und mit den Chemos ist man heute ganz woanders als noch vor ein paar Jahren. Dass Judith, die Tom normalerweise provoziert, wo sie nur kann, ihr damals nicht widersprach, ließ allerdings tief blicken. Und jetzt ist Martin tot, liegt irgendwo gekühlt und at-met nicht mehr, und man nimmt es einfach zur Kenntnis, bedauernd, bestürzt, aber nicht entsetzt. Er hätte schon gestern sterben können, oder noch ein paar Stunden län-ger kämpfen. Jetzt, in diesem Moment, könnte er noch kämpfen, wobei sich Toin nicht vorstellen mag, wie das genau aussähe. Wahrscheinlich sehr viel stiller als das lk-wegung vortäuschende Verb. Oder kämpft mau an einem solchen linde vielmehr darum, dem Leben endlich zu ent-kommen? Eineinhalb Stunden später wäre sein Todestag erst der morgige. Es ist aber dieser Tag, der da jetzt liegt wie ein extraharter Riegel zwischen gestern und morgen. Er wird für alle Zeiten Martins letzter bleiben. Für alle Zeiten? Solange noch jemand lebt, der sich an ihn erin-nern kann. Bei solchen gedanklichen Riesensprüngen in die Zukunft wird Tom schwindlig.“


Eva Menasse (Wenen, 11 mei 1970)

De Roemeense schrijver Eugen O. Chirovici werd op 11 mei 1964 geboren in Făgăraș, Transsylvanië. Zie ook alle tags voor Eugen O. Chirovici op dit blog.

Uit: The Book of Mirrors

„There followed an address near Penn Station. I knew the area well, because I’d lived there myself for a while.
The query was rather unusual.
I’d read hundreds, if not thousands of queries during my five years as an agent for Bronson & Matters. The agency, where I’d started as a junior assistant, had always had an open submissions policy. Most of the query letters were awkward, lifeless, lacking that certain something that suggests that the potential author is talking to you personally and not just any of the hundreds of agents whose names and addresses you can find on Literary Market Place. Some of them were too long and full of pointless details.
But Richard Flynn’s letter didn’t fall into either of those categories. It was concise, well written, and above all it gave off human warmth. He didn’t say that he’d only contacted me, but I was almost certain, without being able to say why, that this was the case. For some reason he hadn’t seen fit to declare in that short missive, he’d chosen me.
I was hoping to love the manuscript as much as I loved the submission letter, and to be able to give a positive answer to the man who’d sent it, a man towards whom I already felt, in some almost unexplainable way, a secret sympathy.
I set aside the other manuscripts I’d been planning to take a look at, made some coffee, settled down on the couch in the living room and began to read the excerpt.“


Eugen O. Chirovici (Făgăraș, 11 mei 1964)

 

De Duitse dichter en schrijver Andre Rudolph werd geboren in Warschau op 11 mei 1975 en groeide op in Leipzig. Zie ook alle tags voor Andre Rudolph op dit blog.

destruktive interferenz

dass wir relativ komplexe wesen sind,
siehst du zum beispiel am morgen,
wenn du über eine rolltreppe läufst,
die noch steht, dein körper sich aber
noch an ihre fahrenden stufen erinnert,
so dass du unmerklich schwankst…

wenig später ist der bahnhof längst
außer sichtweite, und der typ, der dir
gegenübersitzt, versucht vergeblich, eine
compact disk aus ihrer haut zu schälen,
die den titel healing harmony trägt.
jetzt hält er sie ans ohr, scheint ihrem
versilberten herzschlag zu lauschen. –
ich sehe es auch, das herz, wie es
auf der spiralbahn des datenträgers
von innen nach außen die pits und
lands abscannt, bis es einmal ganz durch-
gelaufen ist – und steht. nennen wir es,
wie es ist: destruktive interferenz.
(das alles ist völlig sinnlos und gegen
die natur.)

auf der straße, die parallel zur bahn-
strecke verläuft, fahren die autos
noch mit der alten, sehr soliden
klangwalzentechnik; unterm
spielkamm der lider. ihr klingendes,
berührtes, unausgesetztes zucken…

nebenbei schreibe ich jetzt übrigens,
in der bahn, an einem aufsatz
über die nebenwirkungen des
enzyms invertase, das unsere augen
steuert und alles, was wir sehen,
in feinen fruchtzucker ver-
wandelt. meine jüngsten erfolge:
endlich habe ich der zeit eine un-
befristete anstellung verschaffen
können, in meiner firma. sie arbeitet
sich gerade ein. ich selbst mache
eigentlich die meiste zeit gar nichts,
und auch das fällt mir schwer.

eben hat der zug seinen zielbahnhof
erreicht.

 
Andre Rudolph (Warschau, 11 mei 1975)
De Braziliaanse schrijver José Rubem Fonseca werd geboren op 11 mei 1925 in Juiz de Fora. Zie ook alle tags voor Rubem Fonseca op dit blog.

Uit:Crimes of August (Vertaald door Clifford E. Landers)

“The night doorman of the Deauville Building heard the sound of footsteps stealthily descending the stairs. It was one a.m. and the building was enveloped in silence. “Well, Raimundo?” “Let’s wait a little,” the doorman replied. “Nobody else is coming. Everybody’s already asleep.” “One more hour.” “I gotta get up early tomorrow.” The doorman went to the glass door and looked out at the empty, silent street. “All right. But I can’t take very long.” On the eighth floor. The death took place in a discharge of pleasure and release, expelling excremental and glandular residue—sperm,saliva,urine,feces.He backed away in disgust from the lifeless body on the bed, sensing his own body polluted by the filth excreted from the other man’s dying flesh. He went into the bathroom and carefully washed under the shower.A bite in his chest was bleeding a little. In the medicine cabinet on the wall were iodine and cotton, which he used to make a quick bandage. He picked up his clothes from the chair and dressed without looking at the dead man, acutely aware of his presence on the bed. No one was at the reception desk when he left. [2] The man known to his enemies as the Black Angel entered the small elevator,which he filled completely with his voluminous body,and got out on thethirdfloorof thepresidentialresidence,the Catete Palace.He walked some ten steps in the dimly lit hallway and stopped in front of a door. Inside the modest bedroom, wearing striped pajamas, sitting on the bed, his shoulders bowed, his feet several inches from the floor, was the person he protected, an insomniac,pensive,fragile old man:GetúlioVargas,president of the Republic. The Black Angel, after listening to detect any sound coming from the bedroom, withdrew, resting against one of the Corinthian columns laid out symmetrically on the iron tetragonal balustrade that surrounded the central area of the palace hall, silent and dark at that hour. He must be sleeping, he thought. After making sure there was nothing abnormal on the residential floor of the palace, Gregório Fortunato, the Black Angel, head of president Getúlio Vargas’s personal guard, descended the stairs toward the military advisers’ office on the ground floor, checking en route that the guards were at their posts and that all was peaceful in the palace. Major Dornelles was chatting with Major Fitipaldi,another adviser,when Gregório entered the room. After examining the security plan for the president’s visit to the Jockey Club on Sunday, the day of the Brazilian Grand Prix, with the two military advisers, the head of the personal guard went to his room. He removed the revolver and dagger he always carried,placed them on the small table,and sat down on the bed,where several newspapers were strewn.“


Rubem Fonseca (Juiz de Fora, 11 mei 1925)

De Duitse schrijver Henning Boëtius werd geboren op 11 mei 1939 in Langen, Hessen. Zie ook alle tags voor Henning Boëtius op dit blog.

Uit: Der Strandläufer

„Eben quert eine schwarze Katze den kleinen, steinigen Platz vor dem Turm, an dessen Mauer gelehnt ich sitze. Eine Mahnung vielleicht, behutsam vorzugehen im Umgang mit dem eigenen inneren Kontinent der Erinnerung, diesem babylonischen Sprachgewirr einst gesendeter und empfangener Botschaften, ausgehend von Menschen und Dingen oder an sie gerichtet. Sie sind oft entweder vergessen, in alle Winde verstreut, oder sie haben dieses Schicksal noch vor sich. Irgendwann werden sie sich verlieren in den Weiten des Weltalls, werden sie die Heaviside-Schicht durchdringen, diese die Erde einschließende Schale ionisierter Luft, die für Kurzwellen wie ein Spiegel wirkt, nicht jedoch für die Frequenzen, die heutzutage unsere Äußerungen transportieren. Die meisten sind inzwischen auf dem Wege zu anderen Zivilisationen, in denen es vielleicht kein Wort mehr für Liebe gibt und keines für Tod und wo den Botschaften der Vergangenheit ewiges Vergessensein droht. Es ist Marconis Turm oder vielmehr einer seiner Türme, die er für seine Experimente nutzte. Ein breiter Stummel aus Stein inmitten von Zypressen und Wacholderbüschen, gelegen auf einer unter Naturschutz stehenden Halbinsel im Tyrrhenischen Meer. Marconi hat hier einst seine Geräte vor Sturm und Regen bewahrt, hat hier sein Brot verzehrt und seinen Wein getrunken, wenn er nicht auf der Turmterrasse war, um bei schönem Wetter Radiowellen zu versenden, sie mit sanften Gebärden seiner feingliedrigen Hände im Äther zu verteilen, so wie man feine Glaceehandschuhe abstreift, um sie dem Geliebten von der Logenbrüstung aus zuzuwerfen. Ich weiß nichts von Marconi, so wie ich am liebsten möchte, dass ich nichts von mir selber weiß. Denn auch ich besitze insgeheim einen Turm, der einst meinen kleinen Lebensexperimenten als Standort diente. Er ist inzwischen nicht weniger verfallen als Marconis Turm. Allerdings beherbergt er in seinem Kellerverlies nicht jenes Gerümpel alter Radiogeräte, Spulen, Kondensatoren, Röhren, Isolatoren, Kupferdrähte, die dort durcheinander liegen wie die Überreste ausgeweideter Tiere. Dafür enthält er zahllose Relikte wichtiger und unwichtiger Ereignisse, schemenhafte Reminiszenzen an Gesichter und Wolken, an Horizonte, hinter denen ein Unwetter aufzieht, Echos von Eindrücken, Berührungen, die man kaum voneinander unterscheiden kann. Mir scheint übrigens, dass die unwichtigen Erinnerungen oft deutlicher sind als die wichtigen.“

 
Henning Boëtius (Langen, 11 mei 1939)

De Spaanse schrijver Camilo José Cela werd geboren op 11 mei 1916 in Iria Flavia. Zie ook alle tags voor Camilo José Cela op dit blog.

Uit: Mazurka for Two Dead Men (Vertaald door Patricia Haugaard)

“But, Dona Arsenia, do you think that’s a good enough reason to dispatch a body to the next world?” “Look. I say neither yea nor nay, it makes no difference to me, just leave me in peace, that’s all I ask.” “Alright, alright.” Fabian Minguela is a rogue, Fabian Minguela isn’t really small, just smallish, no Carroupo is ever big or strong, there are small ones and smallish ones but there are also some very motley rogues among them. Beside Don Jesus Manzanedo, Fabian Moucho is but a mouse, a mere apprentice. Don Jesus Manzanedo kills people from his high regard for order as well as for pleasure, some folks thrive on the sheer delight of press-ing the trigger, whereas Fabian Minguela kills in order to suck up to someone, who we don’t know, but someone is surely smirking, that’s always the way, he kills from fear, too, nor do we know fear of what, but there must be something that frightens him, that’s always the way, fear scuttles like a creepy crawly up the sewage pipe of terror. Benicia has blue eyes and is always willing. Cidran Segade, Benicia’s father, came from Cazurraque, below the Portelina crags, and he also died in the hullabaloo, as the world spins, men may die at the hands of those pulling the strings, but this won’t happen so long as God remains in charge. “Will you fry me a sausage?” “I will.” The waters of the Miangueiro spring are poisoned, it’s not the flesh they wither but the spirit, whoever drinks from the Miangueiro spring goes crazy and maybe even kills folks as he shits his britches from fear. It’s chilly in the Mercy Church but Gaudencio doesn’t mind. Gaudencio goes to Mass every morning when he finishes playing the accordion, then he sleeps until midday in his little cot under the stairs, there’s no light but what does that matter? what would he need it for anyway? Blind men are easy to please, they have no choice in the matter. “Do you know who the countess was who put a price on Benigno’s head?” “Indeed I do, but I don’t want to say who it was. Anyway, it was a marchioness, not a countess for your information.” St. Andrew the Apostle was jealous of the Apostle St. James because he drew the crowds. »


Camilo José Cela (11 mei 1916 – 17 januari 2002)
Cover

De Britse schrijfster Rachel Billington werd geboren op 11 mei 1942 in Londen. Zie ook alle tags voor Rachel Billington op dit blog.

Uit: The Missing Boy

„Perhaps they didn’t. Not just here. The hedge was thick, backed up by a barbed-wire fence. Still cautiously, because of course he must be trespassing, he headed for the shed.
That really was in a bad condition, the corrugated-iron roof rusty and pitted with holes. The earthen floor was uneven, damp in some places, dusty in others. A trail of feathers led into one corner where the remains of a largish bird lay ransacked. The boy came out again quickly, blinking in the sunlight. He preferred the limousine. The back of it was facing him now, the word ‘Lincoln’ marked out in silver letters. So that was what it was. He’d always liked cars. Eve said all boys liked cars because they wanted to drive away and escape. Too right! Annoying that he was quoting her again. All the same it was funny to think this ‘Lincoln’, all six doors, stretched length of it, wasn’t going any place soon. He kicked a black tyre as flat and wide as a puddle. Not ever. From the back it looked roadworthy. It still had number plates. And another smaller name: ‘TownCar’. That really was funny. Bird muck on the roof, cow pats under the wheels. The name would have suited him well, though: ‘TownBoy’. Born and bred. In a foreign world now the countryside. Perhaps that’s why he was clinging to this car. He walked round to the front and only then noticed there was no glass in the windscreen. Heaving himself half on to the bonnet, he stared down into the dark interior. The front seats were mouldy and unwelcoming, as he’d already noticed, and there was some kind of barrier – perhaps the back seat raised up – so that he could only partly make out the interior but it seemed much cleaner. He slithered down again, stood staring at the darkened windows for a moment before realizing that, as he’d opened the front door, he could most likely open the back. What a loser! He leant forward, pressed the button on the handle and swept the door open – as if he was a doorman at a grand hotel, he thought, pleased at the image. He even gave a little bow before sticking his head in. Just as he’d hoped: dry and relatively clean. One seat had been turned forward, making the barrier; the other, black and spongy, was just where it should be. Without hesitating, he eased himself inside and half sat, half lay on the cushions. Pity they weren’t leather but beggars can’t be choosers. He smiled to himself. To his right was smart polished wood – bottle holders with three champagne bottles – empty, guess what. Above them dangled a row of wine glasses, quite clean. They might be useful. The boy put his feet up. A great weight of tiredness almost overwhelmed him; he longed to shut his eyes. He hadn’t slept properly for weeks – months, even. He let out a long breath. He’d hardly taken a relaxed one since he’d left home – or longer than that. The silence was awesome; he’d never heard silence like it.”

 
Rachel Billington (Londen, 11 mei 1942)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e mei ook mijn blog van 11 mei 2015 deel 2.