Hoogtijden IV – Hemelvaart (Willem de Mérode)

Bij Hemelvaartsdag

 

 Hemelvaart door Francisco Camilo, 1651

 

Hoogtijden IV – Hemelvaart

Zij vroegen, waarom ik naar boven tuur,
Daar ‘k U, een stipje, zag verdwijnen,
Ik dacht, Gij zoudt de wolk doorschijnen,
Als een fel vuur.

En toen hun stille licht beneden kwam,
Heeft ’t langs mijn oogen niet geblonken.
Ik stond in aandacht weggezonken….
Toen zag ‘k hun witte vlam.

Nu weet ik, dat Gij zit ten troon
En van mij spreekt bij Uwen Vader.
O, wat komt nu mijn hart Hem nader!
Mijn Broeder is Zijn Zoon!

Want nu ik deel heb aan Uw bloed,
Uw dood, Uw leven,
Nu kan Hij U niets geven,
Dat Gij niet met mij deelen moet.

Wat deert mij dan de korte dag,
Dat Gij zijt weggenomen?
Zij zeggen, dat Gij weer zult komen,
Zooals ‘k U zag.

’t Is maar een weinig donkerheid.
‘k Zie reeds der wolken randen
Van goud en zilver branden,
Wijl Gij er achter zijt.

Straks, plotseling, rijst Uw gezicht.
En ik zal met U blinken.
Mij overzinken
De stroomen van Uw licht.

 

Willem de Mérode
(2 september 1887 – 22 mei 1939)
Spijk (Groningen),
de geboorteplaats van Willem de Mérode

 

Zie voor de schrijvers van de 30e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

De hemelvaart (Nicolaas Beets)

Bij Hemelvaartsdag

 

 
Christi Himmelfahrt. Schilderij boven het hoofdaltaar in de Hofkirche, Dresden, door Anton Raphael Mengs, 1756

 

De hemelvaart
Handel. I. v. 4-12.

De verlatenen

Hij heeft voor ’t laatst den Berg bestegen,
En zijn disciplenschaar met Hem;
Nu klinkt nog eens zijn vriendenstem,
En uit zich in den jongsten zegen;
Daar rijst voor hun verbijsterd oog,
De Heer, nog zegenend omhoog,
En zweeft den ruimen hemel tegen.

Gewis ten hemel moest Hij varen,
Die uit den hemel was gedaald;
Die onder menschen had gedwaald,
Hernam ’t gebied der Englenscharen;
Het elfgetal, verstomd van schrik,
Staat met onafgewenden blik,
En houdt niet op Hem na te staren.

Maar ras onttrekt Hem aan hunne oogen
Een wolk, die om Hem henen zweeft,
En den verheven Christus heeft
Als met een wijd gewaad omtogen.
Is dit de wolke, die voorheen,
Op Isrels heiligdom verscheen,
Der heerlijkheid van God den Hoogen?

De Jongren waren diep verslagen,
En hielden ’t hoofd ter aard gebukt,
Als van een vreemden droom gedrukt,
En durfden vraag noch uitroep wagen.
Hun Heer was heerlijk weggegaan!
Maar wie, wie zou hun ziel voortaan
Versterken, leeren, onderschragen?

Weer beuren zij den blik ten hoogen,
Of niets meer zichtbaar zij van Hem!
– Daar vangt hun oor een hemelstem;
Twee Englen stonden voor hun oogen:
‘Gij Galileërs, staart niet meer!
Uw Heer komt even zeker weer,
Als Hij van u is weggetogen!’

Zoo treurt niet als verlaten weezen,
Keert weder naar Jeruzalem;
Gedenkt, vereert, verkondigt Hem;
Hij zal ook deze smart genezen.
Gaat henen en verwacht den Geest.
Hij komt, Hij komt op ’t Pinksterfeest!
De Zone Gods zij luid geprezen!

 
Nicolaas Beets (13 september 1814 – 13 maart 1903)
Koepel van de Sint Bavo kathedraal in Haarlem, de geboortestad van Nicolaas Beets

 

Zie voor de schrijvers van de 10e mei ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Hemelvaart (Gabriël Smit)

Bij Hemelvaartsdag

 

 
L’Ascension door Gustave Doré, 1879

 

Hemelvaart

Wat hebben zij gezien ? Er was
iets van u, een stem, een oogopslag,
een trillend licht in hun midden,
handen die andere wilden vinden,
een lichaam herinnering, doorzichtig
omringd binnen een landschap van
eindelijk vrede, iets van overkant,
nu nog hier, zwijgend, maar straks
overal opengebroken naar vruchtbare
dalen geluk : waar zij stonden
zagen zij het al allerwegen vervuld, over
het golvende land rondom stroomde
koren, oogsten te zwaar om te dragen,
psalmen van dank, want het zou eigen
zijn, hij had het beloofd, hij reikte
zelf de vlammende schoven aan,
de druiventrossen, de gouden raten
en het nieuwe lied.

Maar hij week,
alles scheen plotseling onzeker, hij
was er wel, maar toch ook niet,
hij scheen van het toegezegde rijk
niet te willen weten, hij beloofde wel
iets van kracht, maar wanneer ? Zij
stonden met lege handen, harten met
nauwelijks nog vermoeden van toekomst
en voor ze konden vragen om zekerheid, was
hij verdwenen, ergens omhoog, achter
een raadselachtige wolk.

Maar uit
het hulpeloos lege land rondom rezen
onverhoeds twee mannen op, gestalten
schitterwit, en klonken stemmen van
vaste belofte : hij komt terug zoals
hij is gegaan. En ook die mannen
verdwenen weer, maar nu had het
landschap een andere horizon, een
verdere verte, midden op de dag
iets van morgenlicht, en zwijgend
in geluk daalden zij samen
van de berg, naar de mensenstad.

 

 
Gabriël Smit (25 februari 1910 – 23 mei 1981)
Utrecht, met in de verte de Dom. Gabriël Smit werd geboren in Utrecht.

 

Zie voor de schrijvers van de 25e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

Christi Himmelfahrt (Theodor Körner)

Bij Hemelvaartsdag

 

 
Die Himmelfahrt Christi door Fritz von Uhde, 1897

 

Christi Himmelfahrt

Als Christus von den Todten auferstanden,
Erscheint er seinen trauernden Gefährten,
Die froh und schnell den Meister, den Verklärten,
Den eingebornen Gottessohn erkannten.

»Euch«, spricht der Herr, »erwählt’ ich zu Gesandten:
»Mein ist die Macht im Himmel und auf Erden;
»Wer an mich glaubet, der soll selig werden.
»Geht hin und lehrt und tauft in allen Landen!«

Jetzt segnet er noch einmal seine Treuen,
Zum großen Bund der Liebe sie zu weihen;
Dann trägt ihn eine Wolke himmelwärts.

Und betend sinken Alle hin im Staube;
Mit stiller Kraft vollendet sich der Glaube,
Der heil’ge Geist glüht siegend durch das Herz.

 

 
Theodor Körner (23 september 1791 – 26 augustus 1813)
De Hofkirche in Dresden. Theodor Körner werd geboren in Dresden

 

Zie voor de schrijvers van de 5e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

Am Tage der Himmelfahrt Christi (Martin Opitz)

Bij Hemelvaartsdag

 

 
Ascensione di Cristo door Pietro Perugino, 1496-1500

 

Am Tage der Himmelfahrt Christi

Wie Christus auferstanden
Und nun entgangen war
Des finstern Todes Banden,
Zeigt’ er sich seiner Schar,
Ließ seine starke Hand
Noch vierzig Tage sehen;
Man hat ihn wohl erkannt
Aus dem, was ist geschehen.

Er sprach: Ihr Jünger, weichet
Von Solyma hier nicht,
Bis ihr die Tauf erreichet,
Die Gott euch selbst verspricht;
Die Zeit wird eilends sein.
Johannes hat genommen
Das Wasser nur allein,
Ihr sollt den Geist bekommen.

Ihr werdet ihn empfangen
Den Geist der Herrlichkeit,
Und solche Kraft erlangen,
Die reiche weit und breit:
Ihr sollt mir Zeugen sein
So weit der Bau der Erden
Durch meinen Sonnenschein
Erleuchtet pflegt zu werden.

Mit diesem wollt’ er enden,
Bis eine Wolke kam
Und ihn aus ihren Händen
Hin in den Himmel nahm,
Von da er nach der Zeit,
Wie er ward aufgenommen,
Mit großer Herrlichkeit,
Und Macht wird wiederkommen.

 ;<>
Martin Opitz  (23 december 1597 – 20 augustus 1639)
Parochiekerk “Maria-Hemelvaart” in Bunzlau. Opitz werd geboren in Bunzlau

 

Zie voor de schrijvers van de 14e mei ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Hemelvaart (Aart van der Leeuw)

 Bij Hemelvaartsdag

 

 
  Hemelvaart door Rembrandt Harmensz. van Rijn, 1636

 

Hemelvaart

Als ik beklim de zilvren treden,
Langzaam, en de aarde diep beneden,
Een klein insect in avondglans,
De vonk doet spranklen van zijn dans,

Laat mij dan in mijn armen dragen
De zacht gepelsde, die behagen
Zelfs in de schim zijns meesters vindt,
Warm aan zijn borst zich vleit, en spint;

En dat de hond, wild als een jongen,
Over de heemlen aangesprongen,
Blaffend met meteoren vecht,
En kwisplend ze aan mijn voeten legt;

Het milde rund laat met mij komen,
Het is misschien wat log voor dromen,
a denk, dat het toch ongevraagd
Zijn uier naar de melkweg draagt;

Dat ook de krekel, op wiens zingen
Ik vaak tot voor de troon mocht dringen,
Nu ik nog nader ben bij Hem,
Mij overweldge met zijn stem;

Laat dan de valk, die zonder vrezen
Tot in het hart der zon kan lezen,
De vleuglen uit elkander slaan,
Zodat de deuren opengaan,

En ik tezaam met mijn geleide,
Op een bebloemde lenteweide,
Een door de wind gebogen vlam,
Zal nederknielen voor het lam.

 


Aart van der Leeuw (23 juni 1876 – 17 april 1931)
Delft, wijk Hof van Delft, Buiyenwatersloot
(Aart van der Leeuw werd geboren in Hof van Delft)

 

Zie voor de schrijvers van de 29e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

Jacques Perk, Pieter Boskma, Jotie T’Hooft, Charles Simic, Jan Drees, Leopold Andrian

Bij Hemelvaartsdag

 

 

The Ascension door Benjamin West, 1801

 

 

Hemelvaart
Est deus in nobis

De ronde ruimte blauwt in zonnegloed
En wijkt ver in de verte en hoog naar boven:
Mijn ziel wiekt als een leeuwriklied naar boven
Tot boven ‘t licht haar lichter licht gemoet.

”Zij baadt zich in den lauwen aethervloed,
En hoort met hosiannaas ‘t leven loven;
Het floers is wèg van de eeuwigheid geschoven
En goddlijk leven gloeit in mijn gemoed.

De hemel is mijn hart en met den voet
Druk ik loodzwaar den schemel mijner aard’,
En, nederblikkend, is mijn glimlach zoet.

Ik zie daar onverstand en zielevoosheid…
Genoegen lacht… ik lach… en met een vaart
Stoot ik de wereld weg in de eindeloosheid.-

 

JacquesPerk (10 juni 1859 – 1 november 1881)

Doorgaan met het lezen van “Jacques Perk, Pieter Boskma, Jotie T’Hooft, Charles Simic, Jan Drees, Leopold Andrian”