Kader Abdolah, Helen Dunmore

De Iraans – Nederlandse schrijver Kader Abdolah (pseudoniem van Hossein Sadjadi Ghaemmaghami Farahani) werd geboren in Arak op 12 december 1954. Zie ook alle tags voor Kader Abdolah op dit blog.

Uit: Farao van de Vliet

“Zayed Hawass was zijn geheugen kwijt. Hij was alles vergeten en wist niet meer wie hij was. Van zijn hele verleden had hij alleen deze naam en een geheim onthouden. Hij was eigenlijk de bekende Nederlandse egyptoloog professor Herman Raven. Zayed Hawass was een pseudoniem.
Herman Raven had een bloeiende carrière als archeoloog in Egypte achter de rug en hij had een reeks boeken en talloze artikelen over de Oudheid van het land geschreven. Hij woonde jarenlang in Egypte en was zo verbonden geraakt met dat land dat hij een Arabisch pseudoniem voor zichzelf bedacht had.
In zijn tijd was Zayed Hawass altijd betrokken geweest bij belangrijke opgravingen in de grafkelders van farao’s. Hij was meestal de eerste die de oude trap van een nieuw ontdekte grafkelder afdaalde, en de eerste die het deksel van de kist opzijschoof om een blik op de mummie te werpen. Daarnaast was hij lid geweest van een roboticateam dat voor het eerst met een kabelcamera onderzoek deed naar een mysterieuze schat in de grootste piramide.
Maar Zayed Hawass wist niets meer over die tijd, zelfs niets meer over de grote invloedrijke farao’s als Hatsjepsoet, Thoetmoses III, Amenhotep III, Achnaton en Ramses III. Van zijn interessante glorieuze carrière had hij alleen een naam van een koningin uit een vroege dynastie onthouden. Deze naam was in hiërogliefen geschreven en klonk als Mrjt Njt. Dit betekende iets als ‘Geliefde van de Nijl’.
Zayed Hawass had een dochter die Merie heette, naar diezelfde koningin. Zijn vrouw was jong gestorven, toen Merie nog een kind was. Om die reden had hij Egypte definitief verlaten en was hij als egyptoloog aan de Universiteit Leiden gaan werken.
Hij woonde nu in Den Haag, aan de Haagse Vliet. Het was een groot oud huis met twee verdiepingen en een grote achtertuin. De woonkamer had een breed raam waar grote vrachtschepen regelmatig langs voeren.
Er kwamen later andere vrouwen in het leven van Zayed Hawass, maar hij hertrouwde niet en bracht die vrouwen nooit thuis want zijn huis behoorde toe aan zijn vrouw en was het nest van zijn dochter.
Omdat Hawass’ geheugen niet meer werkte wilde zijn dochter hem in een bejaardentehuis onderbrengen, maar het was haar niet gelukt hem zover te krijgen. Zayed wilde onder geen enkel beding zijn huis verlaten. Hij was alles vergeten, maar niet dat hij in de kelder van zijn woning heimelijk iets kostbaars bewaarde. Daarom had Merie een verzorgster voor haar vader geregeld, een oude weduwe die doordeweeks in het huis verbleef en beneden in haar eigen kamer sliep. De vrouw, die Anneke heette, deed huishoudelijke taken voor hem en hield een oogje in het zeil. De weekenden waren Merie en haar gezin vaak bij Zayed en was Anneke vrij.”

 

Kader Abdolah (Arak, 12 december 1954)

 

De Britse dichteres en schrijfster Helen Dunmore werd geboren op 12 december 1952 in Beverley, Yorkshire. Zie ook alle tags voor Helen Dunmore op dit blog.

 

Stad seringen

In desolate drugssteegjes, onder overkappingen,
in percelen vol zure aarde die doorgaan voor tuinen,
in de ruimte tussen muur en afvalbak,
waar mannen met mobiele telefoons een dringend gesprek voeren,

waar meisjes met blote benen huiveren in de aprilwind,
waar een jonge moeder voor haar deur staat en met haar ogen knippert
tegen de schittering van de ochtend, zo plotseling geboren –

op al deze plaatsen duwen de seringen van de stad
hun kegels van bloesem de lente in,
om te worden meegenomen door de warme wind.

Een sering maakt, net als liefde, geen onderscheid.
Hij gaat voor iedereen open.
Zelfs voordat liefde weet dat het liefde is
weet de sering dat hij moet bloeien.

In desolate drugssteegjes, onder overkappingen,
in iemands voortuin
prijsgegeven aan verkreukelde pakjes en blikjes,

op fraai aangelegde rotondes van snelwegen,
in de diepte van parken
waar mannen en vrouwen zich verliezen in transacties
van vlees en geld, waar mobiele telefoons rinkelen

en de deal gesloten wordt – hier geven de stad seringen
hun zoete, wilde parfum af,
buigen dan door, zwaar van de regen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Helen Dunmore (12 december 1952 – 5 juni 2017)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e december ook mijn blog van 12 december 2018 en ook mijn blog van 12 december 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

Susanna Tamaro, Kader Abdolah, Sophie Kinsella, Helen Dunmore, Gustave Flaubert, John Osborne, Vassilis Alexakis, Shrinivási, Hans Keilson

De Italiaanse schrijfster Susanna Tamaro werd geboren in Triëst op 12 december 1957. Zie ook alle tags voor Susanna Tamaro op dit blog.

Uit: Ein jeder Engel ist schrecklich. Aus meinem Leben (Vertaald door Barbara Kleiner)

“Ich wurde an einem der Tage des Jahres geboren, die am wenigsten Licht haben, mitten im tiefsten Herzen der Nacht. Es weine eine düstere, starke Bora mit Schnee und Eis. Sie wehte noch immer, als ich aus der Klinik kam. Der steile Anstieg, der zu uns nach Hause führte, war praktisch unbegehbar, und so gelangte ich, dem un-sicheren Gleichgewicht meiner Eltern anvertraut, ans Ziel. Der Wind packte sie an den Schultern und stieß sie vorwärts, mit solchen unvorhergesehenen und heftigen Böen, wie nur die Um sie kennt, während das Eis jeden ihrer Schritte zu einem Wunderwerk der Geschicklichkeit machte. Meine drei Kilo und noch was Menschenwesen waren wie ein cannolo in eine von meiner Mutter gemachten rosa-blau-weißen Decke eingeschlagen und wurden schließlich in Sicherheit gebracht.
Wenige Dinge faszinieren mich so sehr wie Neuge-borene. Jedes Mal, wenn ich eins sehe, kann ich nicht anders als es zu befragen: Wer bist du? Woher kommst du? Welches Geheimnis birgst du in deinen Augen, die noch nicht sehen? Nein, vielleicht wäre es besser zu sagen, die anderes sehen…
Neun Monate im Bauch der Mama, aber vor diesem Bauch ist da noch die Geschichte ihrer Eltern, ihrer Großeltern und ihrer Urgroßeltern. Und die Geschichte ihrer Eltern und Großeltern ist die Geschichte von deren Entscheidungen, Erfolgen und Irrtümern, ihrer Erbärmlichkeit und Größe. In ihre kleinen Geschich-ten greift die große Geschichte ein, diejenige, in die man, auch wenn man es nicht will, verwickelt wird und die einen oft auch zermalmt. Und Geschichte, häufig bedeutet das Krieg und Hass Gewalt und Tod – Schmer-zen, die auf subtile Weise von Generation zu Genera-tion weitergegeben werden. Jedes Kind, das geboren wird, kommt mit gebeugten Schultern auf die Welt, wie Atlas. Nur dass es statt der Weltkugel Seiten um Seiten von Geschichten trägt -Geschichten und Geschichte -, und es sind ebendiese Seiten, die seine Augen in den ersten Tagen so müde und so fern wirken lassen. Nur einige besonders naive und optimistische Eltern können glauben, das Neugeborene sei eine tabula rue, ein Klumpen Lehm, den sie mit ihrer Liebe und ihrem guten Willen in das Wesen ihrer Träume verwandeln können. Man müsste etwas weniger ahnungslos sein, um gewahr zu werden, dass diese Händchen ein langes, aufgerolltes Pergament halten, in dem, wenn Vater und Mutter den Mut härten, es zu öffnen, sie in großen Zügen das Schicksal des Wesens vorgezeichnet sähen, das sie soeben auf die Welt gebracht haben. Wo wird man geboren? Von wem wird man geboren? Wann wird man geboren? Liegt in diesen drei Fragen nicht eines der großen Mysterien beschlossen, in denen unser Leben gehüllt ist?“

 
Susanna Tamaro (Triëst, 12 december 1957)

 

De Iraans – Nederlandse schrijver Kader Abdolah (pseudoniem van Hossein Sadjadi Ghaemmaghami Farahani) werd geboren in Arak op 12 december 1954. Zie ook alle tags voor Kader Abdolah op dit blog.

Uit: Het pad van de gele slippers

“Zo ging het en op een dag kwam een oude kameraad bij mij langs. Hij heet Sultan Gholestan Farahandji en ik zal hem in dit verhaal Sultan noemen.
Ik ken hem lang, eigenlijk heel lang. Toen ik in het vaderland een jonge schrijver was, was Sultan een nationaal bekende revolutionaire filmregisseur.
Ik volgde zijn leven en had zijn eerste films en recente documentaires allemaal gezien. Maar in het vaderland had ik hem slechts één keer in levenden lijve ontmoet. Het was in een bioscoop in Teheran tijdens de première van een van zijn films, en daar hebben we elkaar een hand gegeven.
Dat was dus lang, lang geleden. Nu zijn we oude vrienden en wonen we allebei in Nederland. Hij woont ergens op een boerderij in de omgeving van de oude stad Delft en ik woon in de havenstad Rotterdam. Niet zo ver van elkaar dus.
Sinds hij in Nederland woont maakt hij voornamelijk documentaires, want met lege handen en ook nog in ballingschap kun je geen lange, dure bioscoopfilms maken. Zijn documentaires zijn bedoeld voor het vaderland en ze worden daar door BBC-Persian of de Amerikaanse televisiezenders via satellieten uitgezonden. Tot ergernis van de machthebbers van het land zenden die vierentwintig uur per dag Amerikaanse en Britse programma’s uit, die door miljoenen mensen worden bekeken. Dat geldt ook voor de documentaires die Sultan maakt. Al zijn zijn films verboden en is hij verbannen, hij is een geliefde persoonlijkheid in het vaderland.
Ook voor Nederlandse filmmakers is hij een bekende. Een paar van zijn speelfilms zijn ooit in Nederland uitgezonden. En de filmfestivals in Amsterdam en Rotterdam nemen altijd zijn recente documentaires op in hun programma’s.”

 
Kader Abdolah (Arak, 12 december 1954)

 

De Britse schrijfster Sophie Kinsella (pseudoniem van Madeleine Wickham) werd geboren in Londen op 12 december 1969. Zie ook alle tags voor Sophie Kinsalla op dit blog.

Uit: Ken je me nog? (Vertaald door Mariëtte van Gelder)

“Van alle waardeloze, waardeloze avonden die ik in mijn hele waardeloze leven heb gehad, hebben we het, op een schaal van 1 tot 10, over… een -6. En dan leg ik de lat nog niet eens zo gek hoog. Ik wip van de ene voet met blaren op de andere en voel de regen in mijn kraag druppen. Ik hou mijn spijkerjack bij wijze van paraplu over mijn hoofd, maar het is niet bepaald waterdicht. Ik wil alleen nog maar een taxi aanhouden, naar huis gaan, die stomme laarzen uitschoppen en een lekker warm bad nemen, maar we staan hier al tien minuten en er is nog steeds geen taxi te bekennen. Ik crepeer van de pijn in mijn tenen. Ik koop nooit meer schoenen bij Cut-Price Fashion. Ik heb deze laarzen vorige week in de uitverkoop gekocht (zwart lakleer, lage hakken, ik draag nooit hoge). Ze waren een halve maat te klein, maar de verkoopster zei dat ze nog uitliepen en dat mijn benen er zo lang in leken. En ik geloofde het. Echt, ik ben de grootste oen van de wereld. We staan op een hoek ergens in het zuidwesten van Londen waar ik nooit eerder ben geweest en de muziek van de ondergrondse disco dreunt zwak door onze voeten. Carolyns zus, die propper is, had korting op de entree voor ons geregeld, daarom zijn we helemaal hierheen gesjouwd. Alleen moeten we nu nog zien thuis te komen, en ik ben de enige die zelfs maar naar een taxi uitkijkt. Fi heeft de enige portiek in de buurt ingepikt en staat de amandelen te knippen van een jongen die ze eerder aan de bar heeft versierd. Hij is leuk, ondanks dat enge snorretje. Hij is ook kleiner dan Fi, maar dat geldt voor veel mannen, want ze is bijna een meter tachtig. Ze heeft lang haar, een brede mond en de bijbehorende bovenmaatse lach. Als Fi echt iets leuk vindt, legt ze het hele kantoor plat. Even verderop schuilen Carolyn en Debs onder een krant, arm in arm, It’s Raining Men’ brullend alsof ze nog steeds op het karaokepodium staan. Debs steekt haar arm naar me uit en roept: `Lexi! Het regent mannen!’ Haar lange blonde haar is helemaal piekerig van de regen, maar ze kijkt nog vrolijk. Debs grote hobby’s zijn karaoke en sieraden maken; ik heb toevallig een paar oorbellen in die ze voor mijn verjaardag heeft gemaakt: kleine zilveren L’s waar cultivéparels aan bungelen. `Het regent helemaal geen mannen!’ roep ik chagrijnig terug. ‘Het regent gewoon!’ Normaal ben ik ook gek op karaoke, maar vanavond ben ik niet in de stemming om te zingen. Ik voel me helemaal beurs vanbinnen en zou het liefst in een hoekje kruipen. Was Duffe Dave maar komen opdagen, zoals hij had beloofd. Hij had me al die sms’jes met luv u Lexi gestuurd en me bezworen dat hij er om tien uur zou zijn. Ik heb de hele tijd naar de deur zitten kijken, ook toen de meiden zeiden dat ik het moest opgeven, en nu voel ik me een kwezelige debiel.”


Sophie Kinsella (Londen, 12 december 1969)
Londen, Trafalgar Square in de Adventstijd

 

De Britse dichteres en schrijfster Helen Dunmore werd geboren op 12 december 1952 in Beverley, Yorkshire. Zie ook alle tags voor Helen Dunmore op dit blog.

Wild Strawberries

What I get, I bring home to you:
a dark handful, sweet-edged,
dissolving in one mouthful.

I bother to bring them for you
though they’re so quickly over,
pulpless, sliding to juice

a grainy rub on the tongue
and the taste’s gone. If you remember
we were in the woods at wild strawberry-time

and I was making a basket of dock-leaves
to hold what you’d picked,
but the cold leaves unplaited themselves

and slid apart, and again unplaited themselves
until I gave up and ate wild strawberries
out of your hands for sweetness.

I licked at your palm:
the little salt-edge there,
the tang of money you’d handled.

As we stayed in the woods, hidden,
we heard the sound system below us
calling the winners at Chepstow,
faint as the breeze turned.

The sun came out on us, the shade blotches
went hazel: we heard names
bubble like stock-doves over the woods

as jockeys in stained silks gentled
those sweat-dark, shuddering horses
down to the walk.

 

Litany

For the length of time it takes a bruise to fade
for the heavy weight on getting out of bed,
for the hair’s grey, for the skin’s tired grain,
for the spider naevus and drinker’s nose
for the vocabulary of palliation and Macmillan
for friends who know the best funeral readings,

for the everydayness of pain, for waiting patiently
to ask the pharmacist about your medication
for elastic bandages and ulcer dressings,
for knowing what to say
when your friend says how much she still misses him,
for needing a coat although it is warm,

for the length of time it takes a wound to heal,
for the strange pity you feel
when told off by the blank sure faces
of the young who own and know everything,
for the bare flesh of the next generation,
for the word ‘generation’, which used to mean nothing.

 
Helen Dunmore (12 december 1952 – 5 juni 2017)

 

De Franse schrijver Gustave Flaubert werd op 12 december 1821 geboren in Rouen. Zie ook alle tags voor Gustave Flaubert op dit blog.

Uit: L’Éducation sentimentale

“Le 15 septembre 1840, vers six heures du matin, la Ville-de-Montereau, près de partir, fumait à gros tourbillons devant le quai Saint-Bernard.
Des gens arrivaient hors d’haleine ; des barriques, des câbles, des corbeilles de linge gênaient la circulation ; les matelots ne répondaient à personne ; on se heurtait ; les colis montaient entre les deux tambours, et le tapage s’absorbait dans le bruissement de la vapeur, qui, s’échappant par des plaques de tôle, enveloppait tout d’une nuée blanchâtre, tandis que la cloche, à l’avant, tintait sans discontinuer.
Enfin le navire partit ; et les deux berges, peuplées de magasins, de chantiers et d’usines, filèrent comme deux larges rubans que l’on déroule.
Un jeune homme de dix-huit ans, à longs cheveux et qui tenait un album sous son bras, restait auprès du gouvernail, immobile. À travers le brouillard, il contemplait des clochers, des édifices dont il ne savait pas les noms ; puis il embrassa, dans un dernier coup d’œil, l’île Saint-Louis, la Cité, Notre-Dame ; et bientôt, Paris disparaissant, il poussa un grand soupir.
M. Frédéric Moreau, nouvellement reçu bachelier, s’en retournait à Nogent-sur-Seine, où il devait languir pendant deux mois, avant d’aller faire son droit. Sa mère, avec la somme indispensable, l’avait envoyé au Havre voir un oncle, dont elle espérait, pour lui, l’héritage ; il en était revenu la veille seulement ; et il se dédommageait de ne pouvoir séjourner dans la capitale, en regagnant sa province par la route la plus longue.
Le tumulte s’apaisait ; tous avaient pris leur place ; quelques-uns, debout, se chauffaient autour de la machine, et la cheminée crachait avec un râle lent et rythmique son panache de fumée noire ; des gouttelettes de rosée coulaient sur les cuivres ; le pont tremblait sous une petite vibration intérieure, et les deux roues, tournant rapidement, battaient l’eau.
La rivière était bordée par des grèves de sable. On rencontrait des trains de bois qui se mettaient à onduler sous le remous des vagues, ou bien, dans un bateau sans voiles, un homme assis pêchait ; puis les brumes errantes se fondirent, le soleil parut, la colline qui suivait à droite le cours de la Seine peu à peu s’abaissa, et il en surgit une autre, plus proche, sur la rive opposée.
Des arbres la couronnaient parmi des maisons basses couvertes de toits à l’italienne. Elles avaient des jardins en pente que divisaient des murs neufs, des grilles de fer, des gazons, des serres chaudes, et des vases de géraniums, espacés régulièrement sur des terrasses où l’on pouvait s’accouder. Plus d’un, en apercevant ces coquettes résidences, si tranquilles, enviait d’en être le propriétaire, pour vivre là jusqu’à la fin de ses jours, avec un bon billard, une chaloupe, une femme ou quelque autre rêve. Le plaisir tout nouveau d’une excursion maritime facilitait les épanchements. Déjà les farceurs commençaient leurs plaisanteries. Beaucoup chantaient. On était gai. Il se versait des petits verres.”

 
Gustave Flaubert (12 december 1821 – 8 mei 1880)
Cover

 

De Engelse toneelschrijver John James Osborne werd geboren op 12 dezember 1929 in Fulham. Zie ook alle tags voor John Osborne op dit blog.

Uit: Look Back in Anger

“Oh, they beat me in the end—I had to go. I expect they’re still at it. Or they’re probably married by now, and driving some other poor devils out of their minds. Slamming their doors, stamping their high heels, banging their irons and saucepans—the eternal flaming racket of the female. Church bells start ringing outside.
JIMMY: Oh, hell! Now the bloody bells have started! He rushes to the window.Wrap it up, will you? Stop ringing those bells! There’s somebody going crazy in here! I don’t want to hear them!
ALISON: Stop shouting!
(Recovering immediately.)You’ll have Miss Drury up here.
JIMMY I don’t give a damn about Miss Drury—that mild old gentlewoman doesn’t fool me, even if she takes in you two. She’s an old robber.
She gets more than enough out of us for this place every week. Anyway, she’s probably in church,
(points to the window) swinging on those bloody bells!
Cliff goes to the window, and closes it.
CLIFF: Come on now, be a good boy. I’ll take us all out, and we’ll have a drink.
JIMMY: They’re not open yet. It’s Sunday. Remember? Anyway, it’s raining.
CLIFF Well, shall we dance?
He pushes Jimmy round the floor, who is past the mood for this kind of fooling. Do you come here often?
JIMMY: Only in the mating season. All right, all right, very funny.
He tries to escape, but Cliff holds him like a vice. Let me go.
CLIFF Not until you’ve apologised for being so nasty to everyone. Do you think bosoms will be in or out, this year?
JIMMY: Your teeth will be out in a minute, if you don’t let go!
He makes a great effort to wrench himself free, but Cliff hangs on. They collapse to the floor C, below the table, struggling. Alison carries on with her ironing. This is routine, but she is getting close to breaking point, all the same. Cliff manages to break away, and finds himself in front of the ironing board. Jimmy springs up. They grapple.
ALISON: Look out, for heaven’s sake! Oh, it’s more like a zoo every day!
Jimmy makes a frantic, deliberate effort, and manages to push Cliff on to the ironing board, and into Alison. The board collapses. Cliff falls against her, and they end up in a heap on the floor. Alison cries out in pain. Jimmy looks down at them, dazed and breathless.
CLIFF
(picking himself up). She’s hurt. Are you all right? “


John Osborne (12 december 1929 – 24 december 1994)
Scene uit een opvoering in New York, 2012

 

De Griekse schrijver Vassilis Alexakis werd geboren op 12 december 1943 in Athene. In 1961 trok hij naar Frankrijk om journalistiek te studeren in Lille. Zie ook alle tags voor Vassilis Alexakis op dit blog.

Uit: Les mots étrangers

“Je n’avais pas prévu que la mort de mon père me coûterait tant. Ne l’aimais-je pas suffisamment? Pensais-je qu’il ne m’aimait pas assez? Je croyais néanmoins que sa disparition me blesserait moins que celle de ma mère, qu’elle laisserait un vide moins grand. A Paris j’ai constaté que je m’étais trompé. Je songeais tant à lui que j’évitais de faire du bruit pour ne pas le déranger. Je posais tout doucement les assiettes sales dans l’évier, je marchais sur la pointe des pieds, j’avais baissé au minimum la sonnerie du téléphone comme s’il dormait sur le canapé du salon.
Lorsqu’on m’interrogeait sur mon emploi du temps, je répondais invariablement:
– En ce moment, je m’applique à faire le moins de bruit possible.
Je n’écrivais pas, ne sortais que rarement, recevais peu de visites. De temps en temps je m’approchais de mon père, mais je ne lui parlais pas. Je me contentais de remarquer qu’il pouvait toujours ouvrir les yeux, qu’il me reconnaissait. J’avais la nostalgie de son sourire. Son activité professionnelle ne l’avait pas rendu sombre, ni même triste. Il se souvenait d’une multitude d’incidents comiques qui s’étaient produits lors d’une mise en bière, d’un enterrement, d’une exhumation. Il souriait furtivement, comme s’il se reprochait la légèreté de son esprit.
Certaines nuits je ressentais le manque d’une présence féminine, pourtant je ne faisais rien pour le combler. Je ne téléphonais pas à mes anciennes amies et ne cherchais nullement à faire de nouvelles rencontres. J’ai juste appelé Alice pour lui annoncer le décès de mon père. L’idée que j’étais trop vieux pour vivre des aventures s’imposait petit à petit à moi. L’image que me renvoyait le miroir me chagrinait un peu plus chaque jour. Je m’exerçais à marcher en traînant la jambe pour voir comment c’est. Je préparais l’avenir, en quelque sorte.
Est-ce pour me distraire que je me suis remis à songer à cette langue africaine que j’avais envisagé de découvrir? Ce projet, qui m’était sorti de la tête pendant mon séjour en Grèce, m’a paru plus excitant que jamais. Comment aurait réagi mon père s’il m’avait entendu réciter des mots africains? Il aurait souri, bien sûr. Peut-on apprendre une langue uniquement pour amuser un absent? Il m’arrive de formuler des questions dont je ne cherche pas la réponse. Ce ne sont que des points d’interrogation nus qui surgissent dans le désert de mon esprit tels des cactus.”

 
Vassilis Alexakis (Athene, 12 december 1943)

 

De Surinaamse dichter Shrinivási werd geboren op 12 december 1926 op de grond Vaderszorg, Kwatta, in het district Beneden-Suriname. Zie ook alle tags voor Shrinivási op dit blog.

nu ik schrijf ervaar ik wat poëzie is

nu ik schrijf ervaar ik wat poëzie is
maar als ik het overdenk
ontgaat het mij per definitie

precies zoals water binnen je handen
wegglipt tussen gespreide vingers

of de hemel die je erin zag schijnen
fragmenteert en ineens niet meer is

toch ben ik verrast en bekijk
die cosmos hier op een bladzij

woorden schoon zonder bijsmaak
gered uit een brein vol van twijfels

gedachten ingekleed weer in taal
expressie van het menselijk hart
bloed alzuiver binnen ons lichaam

grootsprakigheid staat poëzie naar het leven
diepgang noch waarde bezit zij

maar onbekommerd praten nog kinderen
onbevreesd houdt de jeugd mijn hand vast

zij bevrijden mij uit mijn coma
ongeremd, driftig, vol vuur
brengen zij nieuw ritme mijn hart in

in een droom zoen ik hun ogen
rijp ik met hen mee

als zij proef ik zuiverheid, vriendschap
een vrucht van vertrouwen en liefde


Shrinivási (Vaderszorg, Kwatta, 12 december 1926)

 

De Duits-Nederlands schrijver, arts en psychiater Hans Alex Keilson werd geboren in Bad Freienwalde op 12 december 1909. Hans Keilson overleed op 31 mei van dit jaar op 101-jarige leeftijd. Zie ook alle tags voor Hans Keilson op dit blog.

Uit: Liever Holland dan heimwee. Gedachten en herinneringen (Vertaald door Piet de Moor)

“In haar in 1969 in het tijdschrift Merkur verschenen laudatio voor Martin Heidegger bij zijn tachtigste verjaardag merkt Hannah Arendt in een voetnoot op dat Heideggers flirt met het nationaalsocialisme – Hannah Arendt spreekt van ‘escapade’ en ‘vergissing’, anderen noemden het ‘dwaalweg’ – cultuurhistorisch niet door bouwstenen uit denksystemen van andere grote Duitse denkers gevoed werd. ‘Deze vergissing,’ aldus Hannah Arendt, ‘is irrelevant tegenover het veel belangrijker dwalen dat erin bestond naar schijnbaar belangrijker regionen te vluchten voor de werkelijkheid in de Gestapokelders en de folterkelders van de concentratiekampen, die direct na de Rijksdagbrand ontstonden.’ Wat in die lente van 1933 werkelijk gebeurde, heeft Robert Gilbert, de Duitse volkse schlagerschrijver, in vier onvergetelijke dichtregels uitgedrukt:

Keiner braucht mehr anzupochen,
mit der Axt durch jede Tür –
die Nation ist aufgebrochen
wie ein Pestgeschwür.

En Hannah Arendt gaat voort: ‘Heidegger heeft deze vergissing na korte tijd ingezien en daarna aanzienlijk meer geriskeerd dan destijds aan Duitse universiteiten gebruikelijk was. Maar hetzelfde kan men niet beweren van de talloze intellectuelen en zogenaamde wetenschappers die er niet alleen in Duitsland nog altijd de voorkeur aan geven in plaats van over Hitler, Auschwitz, volkerenmoord en het “verdelgen” als permanent bevolkingsbeleid te spreken, zich naar eigen ingeving en smaak vastklampen aan Plato, Luther, Hegel, Nietzsche of ook aan Heidegger, Jünger of Stefan George om dat vreselijke fenomeen uit de goot geesteswetenschappelijk of cultuurfilosofisch op te smukken. Men kan wel zeggen dat het ontwijken van de werkelijkheid intussen tot een beroep geworden is, een vlucht, niet in spiritualiteit, waarmee de goot nooit iets te maken had, maar in een fantoomrijk van denkbeelden’ – ik zou hier graag het begrip ‘vooroordeel’ aan toevoegen (H.K.) –, ‘dat van elke ervaren en ervaarbare realiteit zo ver in het puur “abstracte” weggegleden is dat de grote gedachten van de denkers daarin elke consistentie verloren hebben en zoals wolkenformaties, waarin ook de ene wolk voortdurend in de andere overgaat, in elkaar overvloeien.’


Hans Keilson (12 december 1909 – 31 mei 2011)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e december ook mijn blog van 12 december 2017 en ook mijn blog van 12 december 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

Helen Dunmore

De Britse dichteres en schrijfster Helen Dunmore werd geboren op 12 december 1952 in Beverley, Yorkshire. Zij was het tweede kind van haar ouders en volgde de school in Nottingham. In haar romans behandelde ze herhaaldelijk de psychologie van interpersoonlijke relaties, vooral in crisissituaties. Helen Dunmore studeerde Engels aan de Universiteit van York en doceerde twee jaar in Finland voordat ze haar eerste roman publiceerde. Naast het schrijven, bleef ze lesgeven en schreef zij ook recensies voor The Times en de Observer. Zij werkte ook mee aan programma’s over kunst op radio BBC. Dunmore won de eerste Orange Prize for Fiction in 1996 “A Spell of Winter”. In 2001 was ze genomineerd voor de Orange Prize for Fiction en de shortlist voor de Whitbread Book Award met “The Siege”. Haar boek “The Betrayal” stond op de longlist van de Booker Prize 2010. Helen Dunmore zat in de jury voor zowel de T. S. Eliot-prijs als de Whitbread Book Award en was lid van de Royal Society of Literature. In maart 2017 had ze publiekelijk aangekondigd dat ze aan kanker leed en een lage kans op genezing had. Op 25 april 2017 schreef ze haar laatste gedicht, dat ze naar haar uitgever stuurde. In het gedicht met de titel “Hold out your arms”, spreekt zij rechtstreeks tot de dood.

Uit: A Spell of Winter

‘I saw an arm fall off a man once,’ said Kate. She turned the toasting-fork to see how the muffin was browning, then held it up to the fire again. We stared at her.
‘Yes,’ she went on, ‘it was in my grandfather’s house in Dublin. They were bringing my uncle Joseph down the stairs. Narrow, twisty stairs they put in houses where they’d given no thought to the living or the dead. You couldn’t get a coffin up them. But my grandmother had kept the body too long in the house. She was mad with grief, she didn’t want him to go. She kept putting more flowers in the room, shovelling flowers in on top of him to hide the smell. Then she’d be sitting with him all night long.’
‘Was that your grandmother O’Neill?’ I whispered to the flames.
‘Who else would it be? You know my daddy was the eldest of the twelve. But this one, Joseph, was his next brother and the favourite. If there was meat or meal, it would be Joseph got the meat.’
‘Did you know him before he was dead?’
‘Who’s telling this story? He was twenty-six when he died with a kick from a cart horse. How could I not know my own uncle?
‘Well now, Joseph must have been up there a week or more, with my grandmother lighting fresh candles round him and saying prayers enough to wear out the saints. No one else’s prayers were good enough for Joseph, only hers. I remember the talk in the house. We were giving scandal. It was the middle of summer, and hot. My mother wouldn’t go near the house in her condition, and the smell had driven everyone but my grandmother from the room. That was when it was decided that they would force her to have him brought down and taken out of the house for burial. She wouldn’t even see the priest, so it was my father had to go up and talk to her. But she wouldn’t listen. In the end four of them had to take her by the ankles and elbows, kicking and screaming to wake the dead. They shut her in the scullery until it was done.’
‘Did they lock her in?’
‘There was no lock on the door. My aunts sat in with her and there were two men set to guard it so she couldn’t burst out. But the noise she made was terrible. So it was left to my father to bring Joseph down, with only Dodie to help. That was his next brother after Joseph.’
We nodded. We knew about Dodie, who never held a job or went out of the house if he could help it.”

 
Helen Dunmore (12 december 1952 – 5 juni 2017)