Anton Korteweg, Hasso Krull

De Nederlands dichter en neerlandicus Anton Korteweg werd geboren in Zevenbergen op 31 januari 1944. Zie ook alle tags voor Anton Korteweg op dit blog.

Geboorte II

Ik ben opeens gebaard;

een hand houdt mij bij de enkels,
ik hang met het hoofd naar mijn buik,
ik ben uit mijn schoot gejaagd.

Licht botst tegen mij aan,
geluiden vallen op mij.

ik schreeuw; ik kan niet terug.

Plotseling ben ik te groot,
hang ik aan leven bloot.

 

Op verzoek

Dat ik van je hou, dat wil ik dan
ook wel eens schrijven, nu je dat
zo vraagt. Want ik hou van je en
niet eens zo zelden, gezien de
vierduizend dagen en nachten.

Dat het lijkt of je nauwelijks
ouder geworden bent, dat
je soms nog ver weg kijkt als
was je verliefd, dat
je handen nog mooi zijn, verder
zou ik toch niet willen gaan.

Dat ik je wang soms zoek en niet
je mond.

 

Zijn stoutste dromen

Dat hij nog eens krakend door ’t ijs zal zakken
en – zonder brommen zachtjes uitgekleed, verschoond –
aan dampende anijs de mond zal branden,

dat hij nog eens met tranen in de ogen
zal horen hoe zijn moeder aan granieten aanrecht
psalmen verhaspelt bij het kloven van een kip,

dat hij ooit nog eens veilig thuis zal komen,
als in een streekroman met Kerst een moegezworven zoon,

dat alles is nog slechts bereikbaar in zijn stoutste dromen.

 

Anton Korteweg (Zevenbergen, 31 januari 1944)
Portret door Trudy Kramer, 2003

 

De Estse dichter Hasso Krull werd geboren op 31 januari 1964 in Tallinn. Zie ook alle tags voor Hasso Krull op dit blog.

 

Nu meteen, nu meteen zou ik iemand

Nu meteen, nu meteen zou ik iemand
anders willen worden. Kan dat? Ik weet het niet. Ik
hoor stormgebulder, een trein doet de spullen
op tafel schudden, dan is het over. Ben ik nu
 
veranderd? Nee. Waarschijnlijk niet. Ik open
het raam, de sneeuw valt naar binnen,
een verandering, ik drink een glas sinaasappelsap
met een extract van grapefruitzaadjes
 
en mijn gezicht raakt gevlekt, rood bespikkeld.
Was dat een verandering? Ik kijk in de spiegel,
echt, nu heb ik een heel ander gezicht.
Ik ben een ander mens. Zo wil ik niet zijn.
 
Ik wil veranderen. Nu, dadelijk, nu meteen
wil ik heel anders worden. De storm gaat
liggen. Er rijdt geen enkele auto. Ben ik

 

Vertaald door Iris Réthy en Jan Sleumer

 

Hasso Krull (Tallinn, 31 januari 1964)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 31e januari ook mijn blog van 31 januari 2019 en ook mijn blog van 31 januari 2017 en ook mijn blog van 31 januari 2016 deel 2.

Anton Korteweg, Hasso Krull, Alfred Kossmann, Anna Blaman, Henk van Straten, Jozef Eijckmans, Marcus Roloff, Norman Mailer, Stefan Beuse

De Nederlands dichter en neerlandicus Anton Korteweg werd geboren in Zevenbergen op 31 januari 1944. Zie ook alle tags voor Anton Korteweg op dit blog.

Inwoner

Beschouw hem als je gast,
verzorg hem als was je hemzelf.
Je kamt toch ’s morgens nauwgezet je haar
en scheert je zorgvuldig?

Hij woont al lang bij je in,
in alle kamers nog wel.
Vult hoeken, gaten en kasten,
laatjes en plinten zelfs.

Als ik je ook nog eens een keer
een goede raad mag geven:
trek met hem op,
leef met hem mee.

Begint hij je te pesten
(bril, kaal, reuma, tiaatje),
laat hem zijn gang maar gaan,
bind vooral de strijd niet aan.

Krijgt hij genoeg van je,
heb je dat ook weer gehad.

 

Een vrolijk vooruitzicht

Echte steden hebben
verkeersagenten in werking,
nachttreinen, schoenpoetsers, vrouwen in bont.
Men rookt er en jogt in de parken.

Er zijn ook fonteinen.
Kerken zijn open, bedelaars beenloos.
Langs lanen met schilferige platanen
flaneert men heel mooi.

Hotels ruiken naar boenwas;
je krijgt er badschuim en shampoo
en in je nachtkastje het evangelie.

Nu ben ik nog niet in zo’n stad,
maar volgende week lekker wel.

 

Crematorium

Je gaat er met de bus of tram naar toe
en volgt vandaar de richtingbordjes maar.

Gebeurt het goed, kom je er met een kerst-
gevoel of zoiets moois getroost vandaan.

Het is heel erg naar maar ook weer niet zo erg.

Bedenk bij onweerstaanbaar opkomend verdriet:
Die hebben ze – mij hebben ze nog niet.

 
Anton Korteweg (Zevenbergen, 31 januari 1944)

 

De Estse dichter Hasso Krull werd geboren op 31 januari 1964 in Tallinn. Zie ook alle tags voor Hasso Krull op dit blog.

Dawn has already broken

Dawn has already broken. Already, dawn has broken.
Branches appear on the trees. Leaves appear on the branches.
Color appears on the leaves. Tone appears in the color.
Depth appears in the tone. Softening into the depth.

A rug appears on the floor. Slippers appear on the rug.
A glass appears on the table. Water appears in the glass.
A tapestry appears on the wall. A pattern appears in the tapestry.
Books appear on the shelves. Letters appear in the books.

Hair appears on the pillow. A face appears in the hair.
Eyes appear on the face. Lids appear on the eyes.
Lashes appear on the lids. A shiver appears on the lashes.
A screen appears in the shiver. Dreams appear on the screen.

Dreams move on the screen of the retina.
You move your elbow. I touch you.
You turn over. Warmth appears under the blanket.
A dream appears in the warmth. The sun appears in the dream.

 

Right now

Right now, right now I would like to change
into something different. Can I? I don’t know. I
listen to the angry blizzard, a train rattles the things
on the table, then is gone. Did I change

now? No. Probably not. I open
the window, snow falls in, this is
change, I drink a glass of orange juice
with grapefruit seed extract

and my face goes red, mottled.
Was that change? I look in the mirror,
now I am really, entirely, another face.
Another person. I don’t want to be like this.

I would like to change. Immediately, now,
to change into something different. The storm goes
quiet. No cars on the roads. Did I
change? I don’t know. Probably not so much.

 

Vertaald door Brandon Lussier

Hasso Krull leest het gedicht “Dawn has already broken” tijdens Poetry International

 
Hasso Krull (Tallinn, 31 januari 1964)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Alfred Kossmann werd geboren op 31 januari 1922 in Leiden. Zie ook alle tags voor Alfred Kossmann op dit blog.

Uit: De thuiskomst van Gottfried Keller

“Nog nooit was in Zürich iemand met zoveel hartelijke eer begraven als op 18 juli 1890 Gottfried Keller. De stad zelf organiseerde de plechtigheid. Achter de baar, met ontelbare kransen versierd, liep heel Zwitserland. Vertegenwoordigers van de Bondsraad, alle regeringspersonen van de stad Zürich, vertegenwoordigers van de Kanton- en Stadsraad, van beide universiteiten, van de belangrijke verenigingen, van de academische jeugd uit het hele land, volgden de dode. Een woud van ruisende vaandels omsloot hem. Langs de weg die de stoet volgde stond, het hoofd ontbloot, een zwijgende menigte. In de volle Fraumünsterkerk werd met het spelen van de treurmars uit de ‘Eroica’ de plechtigheid begonnen. Een liturgisch gebed, een professorale rede, het zingen van liederen. Toen werd de kist in een lange optocht door de donkere, regenachtige avond naar het stedelijk kerkhof gebracht. De stadspresident bracht de dode de laatste groet van het dankbare vaderland.
Men kwam bij het crematorium. In de schemerige hal van de kleine tempel werd de witte, met bloemen overdekte dennehouten kist neergezet. Een klok luidde. De kist gleed zacht naar een ijzeren deur. Deze ging open. Een gloed als van de zon lichtte op. Na een ogenblik ging de poort onhoorbaar dicht. Wat aan Gottfried Keller sterfelijk was, werd in een kort bad van vuur vernietigd.
Maar tegen middernacht drong uit alle lichte vensters van de stad het gezang van de jeugd, het klinken van wijnglazen. De studenten herdachten, in hun stijl en in zijn stijl, de grootste Zwitserse schrijver.
De man, die met zoveel plechtigheid uitgeleide werd gedaan, zou zich waarschijnlijk, als hij ertoe bij machte was geweest, aan al dit eerbetoon hebben onttrokken. Toen hij vijftig werd, hadden ze hem met hun feest overvallen en hij had zich aangenaam verrast overgegeven aan een hulde die hij liever was ontlopen. Bij zijn zeventigste verjaardag was hij inderdaad niet thuis. In zijn geest, menen de biografen, was eigenlijk alleen de wijze waarop de studenten hem na zijn dood eerden: met fakkeloptocht en drinkgelag. En hij had tijdens zijn leven de wens uitgesproken, dat die jongelieden zijn as in de Limmat, de rivier van Zürich, zouden strooien. ‘Natuurlijk moesten ze dan met een goed vat wijn worden beloond’ had hij eraan toegevoegd.
Toch is het te gemakkelijk om van Gottfried Keller iemand te maken, die men met de beker wijn in de hand had moeten cremeren of wiens lichaam men naar een stil en beschouwelijk dichtergraf had moeten dragen, zoals hij ook eens heeft gevraagd. Want hij was een gretige drinker, hij was een schrijver van blijmoedige boeken en hij was een romantisch dichter.”

 
Alfred Kossmann (31 januari 1922 – 27 juni 1998)
Gottfried Keller. Portret door Leo Reiffenstein, 1890

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anna Blaman werd geboren op 31 januari 1905 te Rotterdam. Zie ook alle tags voor Anna Blaman op dit blog.

Uit: Vrouw en Vriend

“Door de dood van mijn vader kon ik niet studeren. Ik weet nog goed hoe de familiale wanhoop om dit feit het rouwbeklag bijna ging overstemmen. Zo’n knappe kop. Ik zou de eerste meester in de rechten, of de eerste dokter in de familie Blanka geworden zijn. Wij waren bezig, van arbeiders-tot burgerstand, van burgerstand ‘gegoeden’ te worden. Dat was een sociale terugval, die premature dood van de verdiener. Ik zelf was daar, diep in mijn hart, niet al te rouwig om. Ten eerste leefde ik zo bij de dag, dat toekomstdromen mij opgedrongen leken en ik mij er niet in vermeien kon. En verder had ik, ondanks de knapheid, die mij aangewreven werd, een vage vrees niet aan die hooggestemde verwachtingen te zullen beantwoorden. Het is potsierlijk vanuit een onontwikkeld en klein-burgerlijk gezin naar hogerop in intellectuele zin gestuwd te worden. En nog potsierlijker, wanneer je dan nog zou mislukken. En bovendien, was ik dan een pion, die op het schaakbord van hun levensspel een Pyrrhus-overwinning moest behalen? Want had ik ook geen kwellend langoureus verlangen naar zelfstandigheid? Ik had nog jaren van m’n vader zakgeld moeten krijgen, en van m’n moeder te zijner tijd een zomerpak, een winterjas. Ik had nog jaren kind-van-mijn-ouders moeten blijven en mijn vrijheidszin zou in het duister door een achterdeur z’n rechten hebben laten gelden. Nu kwam die frank de voordeur uit, na werktijden op zondag. En het beviel me dadelijk uitstekend, in de stad, toen ik daar aan De Krant kwam en op kamers woonde; ik had lang geen spijt van graad of titel, die ik misgelopen was. Ik stelde veel belang in letterkunde en ik las, ik las de nacht door, soms wel tot het ochtendgloren en het ontwaken van de vogels; ik leerde Spaans en turnde. Ik wilde leren tekenen, ik deed het. Uit mijn tekenperiode bezit ik nog een map vol schetsen; alle zijn het dwaze karikaturen van mensen om mij heen. Ze hebben niet de minste waarde, dan alleen voor mij. En als ik ze nog eens bekijk, dan is dat nog in hoofdzaak om dat stuntelige, mooie portret ten voeten uit van Jonas, mijn vriend. Hij stond toen in de tuin en keek naar een ontloken magnolia. Hij deed dat, weet ik nu, op een manier die weinig stervelingen met hem gemeen hebben. Hij stond met ingetrokken buik en kromme rug, de handen in de zakken, slungelig, maar met een prachtige, hautaine, dromerige aandacht. Zijn benig, bleek profiel was lang, er viel een sluik stuk haar over zijn mooi voorhoofd.”


Anna Blaman (31 januari 1905 – 13 juli 1960)

 

De Nederlandse schrijver, journalist en columnist Henk van Straten werd geboren in Rotterdam op 31 januari 1980. Zie ook alle tags voor Henk van Straten op dit blog.

Uit; Salvador

“Cali me Ishmael. Sinds hij tijdens zijn eerste jaar rechten Moby Dick had gelezen, schoten Hendrie Perenboom op dit soort momenten steeds weer die drie woorden te binnen, steevast gevolgd door een golf van trots omdat hij zich destijds door de originele, Engelstalige versie van dat boek heen had geworsteld, en daarmee dacht de af-stand definitief te hebben aangebracht tussen hem en de achterbuurt waar hij vandaan kwam. Maar na die trots, zoals altijd, de walging. Immers, voor de man die hij was geworden, de zelfgekroonde ‘nieu-we Hendrie’ – intellectueel en beschaafd – was het niet meer dan vanzelfsprekend een klassiek boek als Moby Dick in de originele taal te kunnen lezen en begrijpen. Die nawee van zelfgenoegzaamheid sloeg iedere keer weer het fundament onder zijn pretenties vandaan. Dit soort momenten. Momenten waarop hij het gevoel had met nog maar een paar draadjes te bungelen aan een reeds langgeleden in de steek gelaten wereld, maar tegelijkertijd een odyssee verwijderd te zijn van hetgeen er voor hem in liet verschiet lag. Momenten van eenzaamheid en vervreemding. Momenten waarop hij zich verloren waande in een eindeloos, kaderloon middengebied. Ontworteld. Een niemandskind. Hij was Ishmael, de verloren vreemdeling uit zijn fa-voriete boek, ogen tot spleetjes geknepen in de gure haven van Nan-tucket, klaar om aan boord van een walvisvaarder te gaan en maar te zien waar het schip hem brengen zou, gestuurd en voortgedreven door een kracht waarvan hij de dimensies niet kende. De machisti-sche romantiek van lotsbestemming. Hendrie, halverwege de trap van het strand naar de boulevard en verzwaard door zijn eigen pseudoromantische ijdeltuiterij, voelde de drang zich achterover te laten vallen. Een smak tegen de stenen tre-den zou de teller moeiteloos terugbrengen tot nul.”


Henk van Straten (Rotterdam, 31 januari 1980)

 

De Nederlandse dichter Josephus Egidius Eijckmans werd geboren in Gorinchem op 31 januari 1907. Zie ook alle tags voor Jozef Eijckmans op dit blog.

Op de grens

met recht alleen zijn
in lange straten
op het eind van de dag
ver van het centrum af

lichten voorbij laten gaan
eerbiedwaardige lichten
van de grote stad

na zoveel jaren
met recht de ruimte hebben
(iemand post een brief
een vrouw staat voor een etalage)

de nacht is zoel
en herhaling doet de doden
niet opstaan
maar begraaft ze dieper
in de vreemdeling

(een kat steekt de weg over)

voor niemand staat daar
die verlichte klok

18 graden
mensen zijn spoken
op dit uur

ik bereik de buurt
ik sta voor mijn huis
ik breek in bij mijn dubbelganger


Jozef Eijckmans (31 januari 1907 – 12 november 1996)

 

De Duitse dichter en schrijver Marcus Roloff werd geboren op 31 januari 1973 in Neubrandenburg. Zie ook alle tags voor Marcus Roloff op dit blog.

korrespondenzen

der adressat bin ich inzwischen selbst
ich adressiere an mich jede naturbeobachtung
ich weiß nicht ob restlos klar wird was
beobachtung meint (natur z.b. ist nebensächlich)
es kommt (im moment) darauf an dass ich einen
gesehen hab’ (für sekunden) der zweieinhalb wochen
in der hotellobby über sein verlorenes gepäck
nachgedacht hat. der trockenpfirsich im glas
bei der ankunft in o. war natürlich er selbst.

 

dämmerung (schaubude)

beweis dass ich sehe (ich-taste)
ich totes werkzeug stehe

im leeren raum
versagt mir das licht
wie zu boden gefallene milch

die ahnung

klopfenden flimmerns des films
der ununterbrochen beginnt

die leinwand das
gefrorene handtuch in dem ich
verschwand

mein nicht geschnittener
blick (immanenz), wirf mich durch etwas
gegen null gehendes

aus dem raum zurück

 
Marcus Roloff (Neubrandenburg, 31 januari 1973)

 

De Amerikaanse schrijver Norman Mailer werd op 31 januari 1923 in Long_Branch, New Jersey geboren. Zie ook alle tags voor Norman Mailer op dit blog.

Uit: Marilyn

“She was born on June 1, 1926 at 9.30 in the morning, an easy birth, easiest of her mother’s three deliveries. As the world knows, it was out of wedlock. At the time of Marilyn’s fi rst marriage to James Dougherty, the name of Norma Jean Baker was put on the marriage license (Baker by way of her mother’s first husband). On the second marriage to Joe DiMaggio, the last name became Mortenson, taken from the second husband. (Even the middle name, Jean, was originally written as Jeane; a quint-essentially prairie spelling like Choreanne for Corinne.) There is no need to look for any purpose behind the use of the names. Uneducated (that familiar woe of a beau-tiful blonde), she was also cultureless — can we guess she would not care to say whether Rococo was three hundred years before the Renaissance, any more than she would be ready to swear the retreat of Napoleon from Moscow didn’t come about because his railroad trains couldn’t run in the cold. Historically empty, she was nonetheless sensi-tive — as sensitive as she was historically empty — and her normal state when not under too much sedation was, by many an account, vibrant to new perception. It is as if she was ready when exhilarated to reach out to the washes of a psychedelic tide. So, talking to one publicity man, it would seem natural in the scheme of things that her last name was Baker — maybe that sounded better as she looked at the man’s nose. Another flack with something fl accid in the look of his muscles from the solar plexus to the gut would inspire Mortenson. Since it was all movie publicity, nobody bothered to check. To what end? Who knew the real legal situation? If the mother, Gladys Monroe Baker, had been married to Edward Mortenson, ‘an itinerant lover,’ he had already disappeared by the time Marilyn was born; some reports even had him dead of a motorcycle accident before Norma Jean was conceived. There may also have been some question whether Gladys Monroe was ever divorced from the fi rst husband, Baker, or merely separated. And the real father, according to Fred Guiles, was C. Stanley Gifford, an employee of Consolidated Film Industries, where Gladys Baker worked. A handsome man. Shown a picture of him by her mother when still a child, Marilyn described him later ‘wearing a slouch hat cocked on one side of his head. He had a little mustache and a smile. He looked kind of like Clark Gable, you know, strong and manly.’ In her early teens, she kept a picture of Gable on her wall and lied to high school friends that Gable was her secret father. Not too long out of the orphanage where she had just spent twenty-one months, then veteran of numerous foster homes, it is obvious she was looking for a sense of self-importance, but we may as well assume some-thing more extravagant: the demand upon a biographer is to explain why she is exceptional.”


Norman Mailer (31 januari 1923 – 10 november 2007)
Cover

 

De Duitse schrijver Stefan Beuse werd geboren op 31 januari 1967 in Münster. Zie ook alle tags voor Stefan Beuse op dit blog.

Uit: Das Buch der Wunder

„Die erste Frau der Welt stand lächelnd in einem Kornfeld, das genauso gelb leuchtete wie der Ginster hinter Pennys Kopf. Sie lächelte etwas an, das sich außerhalb des Bildes befand, und Penny hatte immer wissen wollen, was das war.
Adam natürlich, hatte Tom gesagt, ohne einen Witz machen zu wollen. Wer denn sonst.
Ihn selbst hatte immer bloß interessiert, wie das Kornfeld ins Paradies gekommen war. Er glaubte nicht, dass Adam und Eva so viel Getreide brauchten, dass sie gleich ein ganzes Feld anlegen mussten. Und Gott erschuf nur die wichtigen Dinge. Den Himmel. Das Meer. Aber bestimmt
keine Kornfelder.
Ach, die Bibel, hatte ihr Vater erklärt. Die Bibel ist so eine Art Märchenbuch. Man muss das alles nicht immer so wörtlich nehmen.
Das Korn steht für etwas anderes, sagte ihre Mutter.Die Bibel ist voller Bilder, die weit mehr bedeuten als das Offensichtliche.
Dass das Buch voller Bilder war, sah Tom selbst. Aber seine Mutter meinte gar nicht die Zeichnungen. Sie meinte etwas, das überhaupt nichts mit gemalten Bildern zu tun hatte, und Tom fand das anstrengend. Er verstand nicht, warum seine Mutter Dinge sagte, die sie nicht meinte. Er verstand nicht, warum in der Bibel Sachen standen, die eigentlich etwas anderes bedeuteten. Und er verstand auch nicht, wieso er, nur weil seine Schwester vor einem Ginsterbusch hockte, an dieses Bild vom Paradies denken musste.
Immer weiter tanzte das grüne Licht über ihre Haut. Penny blinzelte an dem Glas vorbei in die Sonne und kniff die Augen zusammen.“


Stefan Beuse (Münster, 31 januari 1967

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 31e januari ook mijn blog van 31 januari 2017 en ook mijn blog van 31 januari 2016 deel 2.

Dolce far niente, Bert Leston Taylor, Anton Korteweg, Hasso Krull, Alfred Kossmann

Dolce far niente

 

 
Dolce far niente door Frank Buchser, 1857

 

Dolce Far Niente

Ship me to the far Marquesas,
Where there ain’t no daily pape;
For from whittling witless wheezes
I would very fain escape.

I would sit unnumbered days out
With my back against a palm,
Where I’d read and smoke and gaze out
On the ocean wide and calm.

Far away from witless wheezes,
In those islands of the blest,
In the sleepy old Marquesas,
I would get a longed-for rest.

Every day there is manana,
For the native’s one ambish
Is to pick the gay banana
And to snare the festive fish.

I would take some dusky tulip —
Not to rear a savage race,
But to shake me up a julep
When I felt the need of brace.

Oh, it’s there that I’d be winging,
From this world of guff and gab,
For the bulbul is a-singing
In his ancient baobab.

In those isles of peace and plenty
I would loaf beneath a palm,
In a dolce far niente
And a transcendental calm.

 

 
Bert Leston Taylor (13 november 1866 – 19 maart 1921)
Three Sisters Sanctuary in Goshen, MA, de geboorteplaats van Bert Leston Taylor

Doorgaan met het lezen van “Dolce far niente, Bert Leston Taylor, Anton Korteweg, Hasso Krull, Alfred Kossmann”

Anton Korteweg, Hasso Krull, Alfred Kossmann, Anna Blaman, Henk van Straten, Jozef Eijckmans, Marcus Roloff, Norman Mailer, Stefan Beuse

De Nederlands dichter en neerlandicus Anton Korteweg werd geboren in Zevenbergen op 31 januari 1944. Zie ook alle tags voor Anton Korteweg op dit blog.

Zee

Ze is zo groot.

En, hoewel grijs in middels,
Zo mooi in haar groenblauwe jurk nog.

We mogen met z’n allen aan haar zitten,
nog steeds. Vindt ze niet erg.

We mogen er zelfs in, helemaal.
Merkt ze niet eens.

Ze is zo groot.

Haar kou gooit ons terug als een visje.

 

Bij het zien van een weegbree in een scheur van het asfalt

Een weegbree – drie ovale blaadjes –
gebroken uit een asfaltscheur

Nu je er toch bij stil moet staan,
wil je er niets van denken.

Of, moest het toch, iets als allicht,
de weegbree immers is heel algemeen
op asfalt, tussen puin en bij gebouwen.

Maar wat je ziet ben je natuurlijk zelf,
door je omgeving wreed gefnuikt maar niet
vergeefs naar volle wasdom strevend, toch,
de Zeeuwse wapenspreuk, zeg maar, maar anders,
zoiets, en anders is het die etterbak die steeds
waar je het niet verwacht z’n kop opsteekt
of, evenmin onaardig, ’t onweerlegbaar teken
dat het het leven is dat altijd wint.

Enfin, het is je blijkbaar niet gegeven
een overblijvend, veel voorkomend plantje
in z’n natuurlijke omgeving waar te nemen
als wat het is: gewoon een weegbree. Jammer.

 
Anton Korteweg (Zevenbergen, 31 januari 1944)
Portret door Lia Laimbock, 1996

Doorgaan met het lezen van “Anton Korteweg, Hasso Krull, Alfred Kossmann, Anna Blaman, Henk van Straten, Jozef Eijckmans, Marcus Roloff, Norman Mailer, Stefan Beuse”

Hasso Krull

De Estse dichter Hasso Krull werd geboren op 31 januari 1964 in Tallinn. Na de middelbare school studeerde hij Estse taal en literatuur aan de Pedagogische Universiteit in Rallinn. In 1998 verdedigde hij zijn proefschrift over het vertalen van Jacques Lacan’s psychoanalytische theorie.Vanaf 1990 doceerde hij met kleine onderbrekingen literaire theorie aan het Estse Instituut voor Geesteswetenschappen. Krull schreef talloze boeken, waaronder Meeter ja Demeeter (Meter en Demeter, 2004); Talv (Winter, 2006) en Neli korda neli (Vier keer vier, 2009). Hij publiceerde ook essays in kranten en tijdschriften, waarvan er een aantal werd gebundeld in Millimallikas (Medusa, 2000) en Paljusus ja ainulisus (Pluraliteit en singulariteit, 2009). Bovendien vertaalde Krull werk van Jacques Derrida, Paul Valéry, Allen Ginsburg en andere bekende schrijvers en filosofen. Hij ontving onder meer de Literatuurprijs van de Baltische Assemblee, twee essayprijzen en twee poëzieprijzen van het Cultuurinstituut van Estland, een Juhan Liiv Poëzieprijs, een Ivar Ivask Werkbeurs en een docentenprijs van de Universiteit van Tallinn. Zijn werk is vertaald in talloze talen, waaronder in het Fins, Zweeds, Engels, Duits, Spaans en Russisch.

Kijk hem

Kijk hem. Waarom is die man verdrietig?
Is er iets gebeurd? Ik weet het niet. Misschien wel.
Misschien inderdaad. Misschien is er inderdaad iets gebeurd.
Maar misschien ook niet. Misschien is hij helemaal niet verdrietig.

Misschien was het gisteren. Maar misschien niet.
Misschien wel. Misschien een paar dagen eerder.
Misschien nooit. Misschien toch een keer.
Er werd stevig gedronken. Misschien meer dan goed was.

Misschien minder. Er had misschien meer gedronken moeten worden.
Er was toch een meer? Waarom heb je het meer niet leeggedronken?
Maar misschien was er geen meer. Maar meer een rivier.
Misschien zelfs de zee. Misschien was er helemaal geen water.

Misschien was er een meisje. Misschien een ander meisje.
Is er iets gebeurd? Ik weet het niet. Misschien wel.
Maar misschien niet. Er werd vreselijk gedronken.
Maar misschien ook niet. Misschien was er helemaal geen water.

 

De nacht zit vol gaten

De nacht zit vol gaten. Ze glinsteren,
fonkelen, twinkelen, ramen in de nacht
en ramen aan de hemel, ramen van het bestaan
en ramen zonder bestaansreden.

We staan op een trap en roken.
Sigaretteneindjes zijn bewegende ramen,
bewegende gaten, vuur zonder vlammen
en wij moeten hier zijn op een trap.

Lampen in het trappenhuis. Ruiten in de nacht.
Beelden, waarin je naakt op het strand ligt
als een glimmende hagedis in oplichtend zand:
elke zandkorrel is een schitterend raam.

Elk raam is een gat. Elk gat is een raam,
dat geboren wil worden, laat het er maar uitkruipen,
uit het menselijk raam, uit het raam van het bestaan
onder de ramen van maan en zon.

 

Vertaald door Iris Réthy en Jan Sleumer

 
Hasso Krull (Tallinn, 31 januari 1964)