Dolce far niente, Godfried Bomans, Multatuli, Frank Albers, Mona Van Duyn

Dolce far niente

 

 
The Letter door James Carroll Beckwith, 1910

 

Letters From A Father

Ulcerated tooth keeps me awake, there is
such pain, would have to go to the hospital to have
it pulled or would bleed to death from the blood thinners,
but can’t leave Mother, she falls and forgets her salve
and her tranquilizers, her ankles swell so and her bowels
are so bad, she almost had a stoppage and sometimes
what she passes is green as grass.There are big holes
in my thigh where my leg brace buckles the size of dimes.
My head pounds from the high pressure.It is awful
not to be able to get out, and I fell in the bathroom
and the girl could hardly get me up at all.
Sure thought my back was broken, it will be next time.
Prostate is bad and heart has given out,
feel bloated after supper. Have made my peace
because am just plain done for and have no doubt
that the Lord will come any day with my release.
You say you enjoy your feeder, I don’t see why
you want to spend good money on grain for birds
and you say you have a hundred sparrows, I’d buy
poison and get rid of their diseases and turds.

 

 
Mona Van Duyn (9 mei 1921 – 2 december 2004)
Waterloo, Iowa, de geboorteplaats van Mona van Duyn

 

De Nederlandse schrijver Godfried Bomans werd geboren in Den Haag op 2 maart 1913. Zie ook alle tags voor Godfried Bomans op dit blog.

Uit: Pieter Bas

“Voor Prick, die vlak naast hem lag, was dit niet zo erg. Maar Jozef, en vooral ik, die aan de uiterste rand lag, moesten maar zien hoe we de nacht doorkwamen. Dit was reden voor een soort bondgenootschap tussen ons tweeën die ons hele leven geduurd heeft; altijd is mijn broeder Jozef mij het meest na geweest. Niettemin bleven wij verre in de minderheid. Een volle nacht, ik weet het nog goed, hebben wij samen schouder aan schouder om de dekens gevochten, doch telkenmale werd de aanval afgeslagen. Ten slotte besloten wij aan het voeteneind te gaan slapen, met de benen in hun richting. En zo is het jaren gebleven, tot grote tevredenheid van beide partijen. Zolang wij gezamenlijk sliepen, gingen wij gelijk naar bed. Ik geloof dat het acht uur was, maar ik weet het niet zeker. Voordat hiertoe echter werd overgegaan, had er een kleine ceremonie plaats. Anna, die ‘nog bij meneer zelf gediend had’, stond erop dat wij alle vier op de po gingen. Want, zo meende zij, een christenmens kon niet slapen als niet alle `kwaje stoffen’ d’r uit waren. Derhalve werden er vier po’s op een rijtje tegen de muur geplaatst, de gebroeders Bas zetten zich erop, en keken elkander gespannen aan. Want het was zaak wie hem het eerste ‘eruit’ had. Had iemand hem het eerste eruit, dan stapte hij zegevierend in het bed, en wachtte op de volgende winnaar. En samen vuurden zij de twee achterblijvers aan om ‘zich niet te laten kennen’; en deze keken elkander met rode gezichtjes aan, vastbesloten zich tot het uiterste te geven. Die arme Jozef! Hij verloor altijd, en wanneer de een na de ander in het bed kroop, en hij eenzaam op de vloer zat te steunen, kreeg ik wel eens medelijden met hem. Dan richtte ik mij op, en riep: `Hoever?’ `Bijna,’ klonk het dan ernstig terug. Goede Jozef! Maar soms werd hij beloond. `Kom ’s allemaal kijken,’ riep hij dan opgewonden. En wij vlogen gedrieën het bed uit, want ‘die van Jozef waren niet mis’. En wij bezagen het werk met de ogen van kenners, die weten wat de prijs is, en zeiden dat het een ‘knaap’ was, terwijl de gelukkige eigenaar met een dankbaar lachje de hulde in ontvangst nam.
Wanneer ik aan mijn jeugd terugdenk, zie ik altijd bepaalde plaatsen of bepaalde momenten voor mij. Zo zal het met ieder zijn. Een avond tussen vader en moeder op een bank aan de Merwede, herinner ik mij, terwijl de zon brandend achter de witte schepen onderging of bepaalde morgens — die zo wonderbaar kunnen zijn. Ik weet nog zo goed die ene sprookjesachtige morgen, dat ik vroeg uit bed was gekropen en in mijn nachthemdje ademloos op de vensterbank naar buiten keek, hoe de grijze nevels statig uit de Merwede omhoogrezen, en de blanke meeuwen daarboven geluidloos wiekten in de zuivere lucht, en hoe ik God hardop bad dat het toch alsjeblieft zo mocht blijven, altijd maar door zo rein, zo zuiver, zo stil.”

 
Godfried Bomans (2 maart 1913 – 22 december 1971)

 

De Nederlandse schrijver Multatuli (pseudoniem van Eduard Douwes Dekker) werd geboren in Amsterdam op 2 maart 1820. Zie ook alle tags voor Multatuli op dit blog.

Uit: Max Havelaar

“Ik ben ook deugdzaam, maar vraag ik hiervoor beloning? Als mijn zaken goed gaan — en dit doen ze — als mijn vrouw en kinderen gezond zijn, zodat ik geen gemaal heb met dokter en apotheker … als ik jaar-in jaar-uit een sommetje kan terzij leggen voor de oude dag … als Frits knap opgroeit, om later in mijn plaats te komen als ik naar Driebergen ga … zie, dan ben ik heel tevreden. Maar dit alles is een natuurlijk gevolg van de omstandigheden, en omdat ik op de zaken pas. Voor mijn deugd eis ik niets.
En dat ik toch deugdzaam bèn, blijkt uit mijn liefde voor de waarheid. Deze is, na mijn gehechtheid aan het geloof, mijn hoofdneiging. En ik wenste dat ge hiervan overtuigd waart, lezer, omdat het de verontschuldiging is voor ’t schrijven van dit boek.
Een tweede neiging, die mij even sterk als waarheidsliefde beheerst, is de hartstocht voor mijn vak. Ik ben namelijk makelaar in koffie, Lauriergracht No 37. Welnu, lezer, aan mijn onkreukbare liefde voor de waarheid, en aan mijn ijver voor de zaken, hebt gij te danken dat deze bladen geschreven zijn. Ik zal u vertellen hoe dit is toegegaan. Daar ik nu voor ’t ogenblik afscheid van u neem — ik moet naar de beurs — nodig ik u straks op een tweede hoofdstuk. Tot weerziens dus!
Eilieve, steek het bij u … ’t is een kleine moeite … het kan te pas komen … ei zie, daar is het: een adreskaartje! Die Co. ben ik, sedert de Meyers er uit zijn … de oude Last is mijn schoonvader.”

 
Multatuli (2 maart 1820 – 19 februari 1887)
Cover

 

De Vlaamse schrijver Frank Albers werd geboren op 2 maart 1960 in Schoten. Zie ook alle tags voor Frank Albers op dit blog.

Uit: Caravantis

“Hij hoort hoe zij de keukendeur zachtjes sluit en even later ziet hij haar het tuinpad afgaan, grijze dot, groene regenjas, witte boodschappentas, de grijze laarzen die ze een paar weken geleden heeft gekocht tegen de koude die komen zou – door het zwarte smeedijzeren hek, naar de auto op straat, de motor die aanslaat, de stilte die wijkt, dan terugkomt. De oud-rechter buigt zich weer over zijn krant. Amerikaanse staat, zeven letters.
‘Daar heb je hem weer,’ zegt de dienster tegen de eerste klant terwijl ze hem een koffie voorzet en door het raam van De Zeehoorn wijst naar een oud mannetje dat het nog verlaten plein oversteekt.
‘De sandwichman. Sinds de Onafhankelijkheid komt hij hier bijna dagelijks voorbij.’ De klant is een jaar of veertig, kort grijzend haar, scherpe neus, krachtige kaaklijn, nooit eerder heeft ze hem in De Zeehoorn of elders gezien. Ze vindt hem aantrekkelijk, zelfs nu, zo vroeg. ‘Wie is de sandwichman?’ vraagt hij. Ze opent de glazen deur van De Zeehoorn en zegt: ‘Hoor.’
Landinwaarts, onzichtbaar vanaf de dijken en de fietspaden langs wegen en kanalen, voorbij de laatste huizen, de stortplaats en de kroegen met de dichtgetimmerde ramen, voorbij de gebarsten parkeerterreinen van het oude stadion waar het laatste applaus, de laatste supportersliederen al jaren zijn verklonken, daar, diep in het zompige niemandsland, aan het eind van een okergele grindweg, tussen de waterwilgen en de elzen, woont de vergeten sterspeler Balint met zijn honden Figo, Diego en Juan.
‘Ik hoop dat u allemaal goed heeft geslapen,’ zegt de gids in het Engels tegen de toeristen die zoals afgesproken na het ontbijt in de hal van het hotel hebben verzameld. Men knikt, men glimlacht, aan vele polsen bungelen digitale camera’s, sommigen drukken een reisgids tegen hun borst, anderen hebben een flesje water bij zich. De gids, een meisje van twee-, drieëntwintig met kort blond haar, gaat op haar tenen staan, telt de aanwezigen en kijkt op een blad. Veertig reizigers uit verschillende landen, stellen en individuele deelnemers, niemand jonger dan dertig, meer vrouwen dan mannen. Ondanks de eerste verkennende gesprekken tijdens het ontbijt aan twee grote ronde tafels is de groep nog geen groep, men kijkt elkaar afwachtend aan. ‘Goed,’ zegt de gids, ‘ik denk dat we er allemaal zijn. Dan gaan we nu naar de bus.’ Feloranje jekker. De glazen deur splijt open, weg is het warmeluchtgordijn”


Frank Albers (Schoten, 2 maart 1960)
Cover

 

Zie voor de schrijvers van de 2e maart ook mijn blog van 2 maart 2018 en ook mijn blog van 2 maart 2014 deel 2.

Godfried Bomans, Multatuli, Frank Albers, John Irving, Thom Wolfe, Michael Salinger, János Arany, Olivia Manning, Rinske Kegel

De Nederlandse schrijver Godfried Bomans werd geboren in Den Haag op 2 maart 1913. Zie ook alle tags voor Godfried Bomans op dit blog.

Uit: Pieter Bas

“Zij trok langs ons huis dwars over het Muntplein; ik stond ademloos met mijn neus tegen het vensterglas, en was in het bijzonder verbaasd dat er zoveel rijtuigen nodig waren om één dode man te vervoeren.
Ik herinner mij ook de merkwaardige voorstelling, die ik mij hierover vormde, als zou in elk rijtuig een stukje van zijn lichaam gelegd zijn.
Soldaatje spelen was reeds vroeg mijn lust en mijn leven. Wij bezaten, ik weet het nog goed, zestig loden soldaatjes, waarvan er één geen hoofd had zodat wij hem generaal maakten. De overige stelden wij op in een indrukwekkende slagorde, waaraan wij minstens een uur besteedden, en dan – dan was het uit. Want het lodensoldatenspel bezit deze eigenaardigheid dat het afgelopen is op het ogenblik, dat het eigenlijk beginnen moet. Als het excerceren, het opstellen en het paraderen voorbij is en het gevecht een aanvang behoort te nemen, is de aardigheid eraf. Ik heb later opgemerkt dat dit ook bij andere soldaten het geval is.
’s Avonds zaten wij allen, vader, moeder, vier jongens en twee meisjes, onder het lamplicht bijeen aan een grote tafel. Als ik aan die tijd terugdenk zie ik mij altijd op één bepaalde avond, die mij in het bijzonder goed in het geheugen is gebleven, toen de wind om het oude huis woei en vader met halfluide stem een artikel uit De Dordtsche Bazuin voorlas, waarvan wij allen niets begrepen, doch dat ons een bijzonder gevoel van veiligheid en rust gaf. Later, als gevolmachtigde te Genève, heb ik dikwijls langs de vergadertafel gekeken en gewenst dat mijn vader met De Dordtsche Bazuin daar zat, en mijn moeder, mijn drie broers en mijn twee zusters; en soms – men vergeve het mij – heb ik gemeend dat het een weldaad voor de wereld zou geweest zijn
De eerste mannelijke wezens die ik op mijn levenspad ontmoette, waren mijn drie broeders, Vincent, Prick en Jozef. Zij sliepen gedrieën in één groot bed, en toen ik oud genoeg was, werd er een stukje aangebouwd en kwam ik erbij. Dit was een uitvinding van mijn vader; hij vond het zo overzichtelijk.
Dit enorme bed was een bron van onenigheid. Want Vincent, die de oudste en sterkste was, placht zich een onrechtvaardig groot deel van de dekens toe te eigenen: hij stopte zich goed van alle kanten in en viel genoeglijk knorrend in slaap.”

 
Godfried Bomans (2 maart 1913 – 22 december 1971)
Cover

Continue reading “Godfried Bomans, Multatuli, Frank Albers, John Irving, Thom Wolfe, Michael Salinger, János Arany, Olivia Manning, Rinske Kegel”

Godfried Bomans, Multatuli, Frank Albers, John Irving, Thom Wolfe, Michael Salinger, János Arany, Olivia Manning, Rinske Kegel

De Nederlandse schrijver Godfried Bomans werd geboren in Den Haag op 2 maart 1913. Zie ook alle tags voor Godfried Bomans op dit blog.

Uit: Pieter Bas

“Doch mijn moeder keek hem stralend aan en noemde hem een malle.
Ik heb later meermalen de gelegenheid gehad op te merken hoe gering de belangstelling van vrouwen is in zaken van politieke strekking. Zelfs mijn eigen lieve Catharina kende het verschil niet tussen de Eerste en Tweede Kamer, en wanneer het gesprek die kant opging werd zij onrustig en trachtte de aandacht te vestigen op de jampot of op andere voorwerpen welke in generlei verband stonden met het besprokene. Misschien is dit te verklaren uit een zekere vrees voor de ernst van het leven. In elk geval is het beter terug te keren tot de loop der gebeurtenissen, waarvan mijn geboorte het begin was.
Ik moet die eerste dag geweldig geschreeuwd hebben; doch daar het juist de verjaardag van koning Willem III was, stak hierin niets opvallends. Van dat eerste levensjaar kan ik mij, hetgeen te verontschuldigen is, niets herinneren. Het is het noodlot van memoires dat zij haperen op de twee belangrijkste punten: het einde en het begin, de dood en de geboorte. Omtrent het eerste kan de schrijver niets mededelen zonder met zichzelf in tegenspraak te geraken en omtrent het laatste is hij letterlijk genoodzaakt zich naar bakerpraatjes te richten. De bijzonderheden, die ik nochtans weet, zijn mij overgeleverd bij monde van Anna, een grote dikke vrouw, waarvan ik mij alleen haar twee blinkende zwarte ogen herinner. Ik moet dan een bijzonder groot hoofd gehad hebben, dat ik reeds toen gewoon was een weinig schuin te houden, een gewoonte waarvan, zoals ge weet, duur mijn politieke tegenstanders zulk een laaghartig gebruik is gemaakt.
Naar aanleiding hiervan schijnt mijn oom Jozef in scherts gezegd te hebben dat er nog een minister uit mij Zou groeien. Deze voorspelling kwam mij echter pas ter ore toen ik minister was, hetgeen de betrouwbaarheid aanzienlijk vermindert. Een neiging tot spelen schijn ik niet gehad te hebben; gewoonlijk lag ik stil op mijn rug naar boven te kijken ‘alsof ik over iets nadacht’. Ik groeide snel op en reeds in mijn eerste jaar kon ik lopen. Ook mijn bevattingsvermogen was al vroeg rijp; zo zal ik wel de enige in Holland zijn die zich de begrafenis van burgemeester Sanders weet te herinneren. Hij stierf toen ik drie jaar was en ik kan mij de stoet nog zeer goed voorstellen.”

 
Godfried Bomans (2 maart 1913 – 22 december 1971)
Ilustratie uit Pieter Bas door Harry Prenen

Continue reading “Godfried Bomans, Multatuli, Frank Albers, John Irving, Thom Wolfe, Michael Salinger, János Arany, Olivia Manning, Rinske Kegel”

Godfried Bomans, Multatuli, John Irving, Thom Wolfe, Michael Salinger, János Arany

De Nederlandse schrijver Godfried Bomans werd geboren in Den Haag op 2 maart 1913. Zie ook alle tags voor Godfried Bomans op dit blog.

Uit:Moeder de gans
     Over sprookjes in het algemeen en over Charles Perrault in het bijzonder

“Wie herinnert zich niet haar wonderlijke stem, murmelend in onze verre, verre kinderjaren? Wie heeft niet gezucht van opwinding als de arme vrouw van Blauwbaard (was het zijn tiende? was het zijn twaalfde?) daar hoog op de toren roept: ‘Zuster Anna! Zuster Anna! Ziet gij nog niets komen?’ Nu, zolang zuster Anna nog niets ziet mogen wij opblijven, dat is zeker. Want zelfs uw oudste broer, die geheimzinnige bezigheden heeft op een groot kantoor ergens in de wereld, heeft zijn pijp laten uitgaan en luistert met een vreemde glimlach. Doch als hij zich betrapt ziet, schrikt hij en duikt weg achter zijn krant, want sprookjes vindt hij onzin.
Dat zijn ze ook. Maar we zijn ermee groot geworden en er is iets van die onzin diep in ons zelf blijven zitten. Op sommige zomeravonden komt dat nog wel eens naar boven en dan weten we zelf niet goed hoe we het hebben. Het kan dan gebeuren, dat een ernstig makelaar in effecten plotseling achter het rozenboompje in zijn tuin een kabouter meent te zien; hij wrijft zijn ogen uit en de kabouter is weg. Wat was dat? Het was veel meer van Moeder Gans in ons gebleven dan wij zelf wel weten. […]
Hoe oud ze precies zijn weet geen sterveling, evenmin als men de plaats kent waar ze vandaan komen. Hierover zijn boeken geschreven, veel dikker dan de sprookjes zelf, maar ik moet mijn lezers waarschuwen: ze zijn niet zo spannend. Het eerst hielden Duitse vorsers zich met deze vraag bezig en zij kwamen na veel nadenken tot de natuurlijke slotsom, dat de sprookjes uit Duitsland stamden. Zo zegt bijvoorbeeld Franz Linnig in zijn Deutsche Mythenmärchen (1883), over Roodkapje sprekend: ‘Das Märchen von der kleinen süssen Dirne, die alle Leute so lieb haben, ist den deutschen Kinderherzen so innig verwachsen, das mann an einen fremden Ursprung kaum zu denken wagt’ Niet treffender kan worden aangetoond dat de wens de vader van gedachte is! Een andere Duits geleerde Theodor Pletscher, tekent tegen deze doorzichtige inbeslagneming dan ook protest aan [en merkt op dat de bekendste sprookjes, ook die in Duitsland het bekendst zijn, al lang in Frankrijk hun definitieve vorm hadden gevonden voor zij in Duitsland als volkssprookjes werden opgeschreven].”

 
Godfried Bomans (2 maart 1913 – 22 december 1971)

Continue reading “Godfried Bomans, Multatuli, John Irving, Thom Wolfe, Michael Salinger, János Arany”

Godfried Bomans, Multatuli, John Irving, Thom Wolfe, Michael Salinger, János Arany

De Nederlandse schrijver Godfried Bomans werd geboren in Den Haag op 2 maart 1913. Zie ook alle tags voor Godfried Bomans op dit blog.

Uit: Wandelingen door Rome

“Ja mijne heren, de beste gids van Rome komt uit Sittard. Het is een klein stevig gebouwd mannetje, met borstelige, witte wenkbrauwen, een witte snor en een wit baardje dat aan de stevige kin vol moed begonnen is, maar zich dan plotseling bedenkt en er ineens mee uitscheidt. Hij draagt een wit hemd, dat van voren open is en daar een kettinkje laat zien, vermoedelijk eindigend in een gouden penning of medaille, doch daarover worden geen inlichtingen vertrekt. Opzij van de mond hebben zich twee kuiltjes gegraven, die op een algemene geneigdheid wijzen het leven een prettige instelling te vinden. De ogen zijn blauw en hebben de argeloze uitdrukking van een Walt Disney-kabouter. De schedel is opzij met een vermoeden van haar bekropen, doch in het midden volkomen kaal. Onder deze schedel bevindt zich Rome.’
(…)

“Naar het schoonmaken van de Trevi-fontein ben ik ook gaan kijken, maar om een heel andere reden. De Fontana di Trevi is de fontein, waar alle vreemdelingen, die later in Rome nog eens willen terugkeren, een munt ingooien. (..) Ik ging daar heen om te kijken, wat ze met al die duizenden munten zouden doen. Hoe vindt u die gedachte? Mij dunkt, dit is een typisch burgerlijke gedachte, die alleen door een Hollander kan worden voortgebracht. Niet de poëzie van zo’n munt in ‘t water gooien, met de volle maan boven je hoofd en een meisje aan je zij, nee, niets daarvan. Alleen de vraag: wáár blijven de duiten? Gaan ze naar de fiscus? Pikt de waterleiding ze in? Of verdwijnen ze in het potje der omliggende percelen? Kijk, aan zo’n vraag heb ik, als Hollander, houvast, daar kan ik mij uren in verdiepen.”
(…)

“Met honderden liepen ze in de stoet mee, allemaal als patertjes, nonnetjes, engelen of martelaren verkleed, met grote, oneindig verbaasde ogen, sommigen met hun eigen martelwerktuigjes in de hand en er verzonken op zuigend. Ik zag één engel, wier beide vleugels tot op de billetjes waren afgezakt en die liep nu juist heel ingetogen te bidden, in een brevier, dat zij precies omgekeerd in de beduimelde handjes hield. (..) Zestig Franciscaner paters trokken voorbij, ieder zeven jaar oud, met echte bruine pijtjes en hagelwitte koordjes, onder leiding van een dik gardiaantje, dat bijna omviel van de slaap.”

 
Godfried Bomans (2 maart 1913 – 22 december 1971)

Continue reading “Godfried Bomans, Multatuli, John Irving, Thom Wolfe, Michael Salinger, János Arany”

Godfried Bomans, Multatuli, Thom Wolfe, John Irving, Michael Salinger

De Nederlandse schrijver Godfried Bomans werd geboren in Den Haag op 2 maart 1913. Zie ook alle tags voor Godfried Bomans op dit blog.

Uit: Erik of Het klein insectenboek

“De kleine Erik lag, juist op het ogenblik dat dit boekje begint, in het oude bed van grootmoeder Pinksterblom met den troonhemel en -de zijden kwasten, en keek over den rand van het blanke laken de schemerige kamer in.
Het was het uur waarop de kleine mensen naar bed gaan, het uur waar de grote mensen niet van weten: alle vertrouwde dingen van den muur vervagen zoetjes aan in het groeiende duister, en de wereld wordt stil, zo stil dat zij zelfs niet meer ademt… Buiten stapt nog iemand voorbij: stap, stap, zo klinkt het, en in de verte roept een jongetje hoog en fijn naar een ander jongetje. Zijn stem klinkt in den avond en je denkt- daar is toch een jongetje op de wereld dat nog niet in bed ligt…
Erik lag stil te.kijken naar het raam in de verte en naar de schemerende portretten van den muur. “Het is net,” dacht hij, “of er iets gebeuren gaat. En misschien gaat er ook wel iets gebeuren?” En hij besloot om nu eens niet, gelijk op andere avonden. in slaap te vallen, maar goed op te letten of er misschien , @iets gebeuren ging”. Nu was daar een goed middel voor. Want onder zijn hoofdkussen lag een boekje, “Solrns’ Beknopte Natuurlijke Historie” geheten, en Erik moest daar voor morgen alle insecten uit kennen. Hij had er dezen helen Woensdagmiddag uit zitten leren en was tot aan de meikevers gekomen. Morgenochtend, onder het speelkwartier, zou hij de meikevers er bij nemen.
“Laat eens kijken,” mompelde Erik, “hoeveel poten heeft een wesp ook al weer? Zes. De ogen zijn apart verstelbaar e ’n staan voor in den kop. Mooi. Zij leven niet in korven, gelijk de bijen, maar – ja, waar leven zij dan? Zij zullen apart leven, denk ik Nu, dat doet er ook niet toe. Zij behoren tot de familie der vliesvleugeligen en hebben geknikte sprieten.
En hoe staat het met de vlinders? De vlinder verbaast den aandachtigen natuurliefhebber door haar fraaie kleurenpracht. (Erik zei dezen zin twee keer, zo mooi vond hij hem.) Wij kunnen hen rekenen onder de zogenaamde nuttige insecten, maar de kinderen die zij krijgen – welke rupsen worden genoemd – kunnen zeer schadelijk zijn.”

 
Godfried Bomans (2 maart 1913 – 22 december 1971)
Hier eind jaren 1960 op de basisschool die hij zelf bezocht

Continue reading “Godfried Bomans, Multatuli, Thom Wolfe, John Irving, Michael Salinger”

Honderd jaar Godfried Bomans, Multatuli, Thom Wolfe, John Irving, Michael Salinger

De Nederlandse schrijver Godfried Bomans werd geboren in Den Haag op 2 maart 1913. Zie ook alle tags voor Godfried Bomans op dit blog. Dat is vandaag precies honderd jaar geleden.

Uit: Pieter Bas

“Dit heb ik voorzeker met vele grote mannen gemeen: dat ik in Dordrecht geboren ben. De inwoners – die ik vanaf deze plaats hartelijk groet – kunnen u het eenvoudige huis aanwijzen: op de hoek van de Jan de Witstraat en het oude Muntplein. Zo van buiten gezien maakt het niet de indruk dat een minister daar geboren is; dit was althans mijn indruk toen ik het jaren later bezocht. Wanneer ge de moeite wilt nemen het Muntplein over te steken en u tegenover de slagerij van Bos op te stellen, krijgt ge een goede kijk op het geheel. Het raam

links, met de ijzeren spijltjes ervoor, is de kamer waar ik geboren ben. De gedenksteen erboven is natuurlijk later aangebracht. De twee ramen daarnaast werpen het licht in een vertrek dat wij gewoonlijk ‘het Kabinet’ noemden, vanwege het kleine eikenhouten bureau waaraan mijn vader te werken placht, wanneer zijn aanwezigheid niet op het stadhuis vereist werd. Hij vervulde daar de plaats van gemeentesecretaris, een woord dat wij moeilijk konden uitspreken. Zozeer waren wij destijds van zijn hoge positie en onmisbaarheid doordrongen, dat, toen hij een keer met verkoudheid in bed lag, wij verbaasd waren het verkeer op straat gewoon te zien doorgaan.

Naast ‘het Kabinet’, dat is dus het laatste raam rechts, bevond zich mijn slaapkamertje, sindsdien geheel verbouwd en veranderd; doch, naar ik hoor, zijn er reeds stappen gedaan alles in de vorige toestand te restaureren.

De dag dat ik het eerste licht zag, was een zeer bewogene. Het ministerie Brouwer-Kortenhoef was juist de vorige avond gevallen op een onderwijswet en ’s ochtends om acht uur kwam de mare hiervan tegelijk met het bericht van mijn geboorte ‘het Kabinet’ binnen, het eerste door de krant, het tweede door de baker.

Mijn vader schijnt een ogenblik in beraad te hebben gestaan aan welke van de twee bronnen hij het eerste zijn nieuwsgierigheid zou bevredigen, doch ten slotte zegevierde de vader in hem over de ambtenaar en kwam hij naar mijn toestand informeren.

‘Het is een gezonde jongen,’ zei hij, zich over het bed van zijn vrouw buigend en haar kussend, ‘het is een gezonde jongen en Kortenhoef is gewipt.”

Godfried Bomans (2 maart 1913 – 22 december 1971)

Continue reading “Honderd jaar Godfried Bomans, Multatuli, Thom Wolfe, John Irving, Michael Salinger”