Jan Siebelink, M. Vasalis, Arjan Visser, Jan Arends, Georges Simenon, Nynke van Hichtum, Friedrich Christian Delius, Urs Faes, Katja Lange-Müller

De Nederlandse schrijver Jan Siebelink werd geboren op 13 februari 1938 in Velp. Zie ook alle tags voor Jan Siebelink op dit blog.

Uit: Knielen op een bed violen

“Wie vanuit het oosten komt, van bij de Duitse grens, ziet ten slotte, over het onafzienbare veen, een grijze streep aan de horizon, en wie voor de eerste keer die weg aflegt en de rivier wil oversteken, denkt dat hij voetveer en Veluwezoom al nadert. Maar de onwetende reiziger is nog kilometers van de rivier verwijderd en onderscheidt in het platte veen, verspreid opdoemend, wonderlijke opstuikingen in het landschap. Diluviale hoogten, ontstaan in de eerste ijstijd, zoals de meester van de christelijk-nationale Koning Davidschool elk jaar aan zijn leerlingen uitlegt: oorspronkelijk een massief waarin later door erosie valleien ontstonden.
Arbeiders uit de Veendersteeg die in de steenfabrieken aan de rivier werken, en hun kinderen die naar de lagere school in Lathum gaan, beklimmen dagelijks langs smalle uitgesleten paden – eeuwenoude tracés aansluitend op doorwaadbare plaatsen in de rivier – de heuvels aan de ene zijde en dalen af aan de andere. Ze hebben het niet in de gaten: ze dalen elke keer een beetje meer dan ze geklommen hebben. Ook dat verschijnsel kan de meester, die ook hoofd is van de tweemansschool, verklaren. Dichter naar de rivier is het land door zachtere ondergrond sterker ingeklonken.
Zo brengt de aarde je vanzelf, maar heel geleidelijk, de diepte in. Het dijkdorp wekt werkelijk de indruk in een kom te liggen, wat versterkt wordt door de hoge bandijk. De inwoners kijken vanuit hun huizen tegen de dijk aan. Ze moeten door de eeuwen heen het gevoel gekregen hebben dat die barrière niet te nemen viel. Lathum is arm, de mensen zijn kleine pachtboeren of arbeiders op de steenfabriek en zij ondernemen zelden een poging om aan de overzijde van de rivier hun heil te zoeken.
Die golvende meestal blauwe streep vlak boven de dijk is de Veluwezoom: het beloofde land, het land Kanaäns. Daar komen ze slechts om een bruidsjurk of trouwpak te kopen. Het voetveer is vooral bestemd voor de reiziger die van ver komt. Zijn einddoel zal de elegante provinciehoofdstad zijn of een van de rijke dorpen onder haar rook.
Het veen is een lagunenlandschap met riet, watergoten en drijvende eilanden. Van daaruit zie je bij een bepaalde lichtval het dorp met de blauwe klokkentoren daterend uit de twaalfde eeuw eerst als in een luchtspiegeling verschijnen.
Na het veen begint een smalle strook vast land met oude verwilderde weiden, overgroeide paden en karrensporen die niet de indruk wekken ergens heen te lopen.
Aan de voet van de kerk ligt tegenover de kleine begraafplaats de lagere school.”


Jan Siebelink (Velp, 13 februari 1938)

 

De Nederlandse dichteres en psychiater M. Vasalis werd geboren in Den Haag op 13 februari 1909. Zie ook alle tags voor M. Vasalis op dit blog.

Droom

Ik liep vannacht – van een optocht los –
geraakt – ineens onder een hoog en luchtig
viaduct, jong, naast mij liep een grote
vrij zware jonge man. De pijlers werden bomen
en het beton werd losse grond.
En ogenblikkelijk stonden we stil, zijn mond
boog zich half open neer, ik richtte
mijn gezicht omhoog, de zekerheid
van kussen en omhelzen was er toen
ik wakker werd en is er nog altijd.

 

Oktober

Teder en jong, als werd het voorjaar
maar licht nog, want zonder vruchtbegin,
met dunne mist tussen de gele blaren
zet stil het herfstgetijde in.

Ik voel alleen, dat ik bemin,
zoals een kind, iets jongs, iets ouds,
eind of begin? Iets zo vertrouwds
en zo van alle strijd ontheven –
niet als een einde van het leven,
maar als de lente van de dood.

De kruinen ijl, de stammen bloot
en dit door stilte en mist omgeven.

 

Afsluitdijk

De bus rijdt als een kamer door de nacht
de weg is recht, de dijk is eindeloos
links ligt de zee, getemd maar rusteloos,
wij kijken uit, een kleine maan schijnt zacht.

Vóór mij de jonge pas-geschoren nekken
van twee matrozen, die bedwongen gapen
en later, na een kort en lenig rekken
onschuldig op elkanders schouder slapen.

Dan zie ik plots, als waar ´t een droom, in ´t glas
ijl en doorzichtig aan de onze vastgeklonken,
soms duidelijk als wij, dan weer in zee verdronken
de geest van deze bus; het gras
snijdt dwars door de matrozen heen.
Daar zie ik ook mezelf. Alleen
mijn hoofd deint boven het watervlak,
beweegt de mond als sprak
het, een verbaasde zeemeermin.
Er is geen einde en geen begin
aan deze tocht, geen toekomst, geen verleden,
alleen dit wonderlijk gespleten lange heden.

 
M. Vasalis (13 februari 1909 – 6 oktober 1998)
Bronzen plaquette aan het huis in Leiden waar Vasalis van 1927 tot 1934 woonde

 

De Nederlandse journalist en schrijver Arjan Visser werd geboren in Werkendam, Noord-Brabant, op 13 februari 1961. Zie ook alle tags voor Arjan Visser op dit blog.

Uit: Paganinipark

“Niccolò werd een dag te laat geboren.
Had hij zijn hoofdje naar buiten geduwd op de datum die zijn vanwege haar helderziendheid even geliefde als gehate grootmoeder, Maria Di Montelibretto, vijf jaar eerder in Catania van hogerhand had doorgekregen, dan zou hij onder gejuich de wereld in zijn getrokken.
Una grande festa!
Dan had hij zich die twaalfde novemberdag van 1959 hebben kunnen warmen aan de in een wollen doek gewikkelde kruik en zich te goed hebben kunnen doen aan de zoete melk uit de borsten van zijn moeder, Angelina Stokvis-Di Montelibretto. Dan zou de kleine, geparfumeerde slaapkamer op een balzaal hebben geleken, waar een vrolijke vader dit keer om een goede reden dronken kon zijn. Waar zijn moeder, ondanks de pijn, een Italiaans wiegelied voor hem zou zingen. Waar tante Cecilia, de vroedvrouw, die in het dagelijks leven naaister was, hem omhoog zou hebben gehouden alsof de wedergeboorte van de Verlosser eindelijk had plaatsgevonden.
Gooi alle ramen open, laat de natte sneeuw maar binnenwaaien, kou zal ons niet deren!
Dan zou hij – zo zou Angelina later met een gebroken hart beweren – waarschijnlijk veel langer hebben geleefd dan de eenentwintig jaar die hij uiteindelijk op aarde heeft doorgebracht.
Che dolore! Povera me!
Uren achtereen had ze, met steeds kortere tussenpozen en almaar wanhopiger klinkende kreten, geperst. Aan het begin van de avond was ze zich haar omgeving nog bewust geweest, maar gaandeweg had ze ieder gevoel voor decorum verloren. Ze vergat eerst haar kapsel, toen het laken over haar opgetrokken benen. Ze liet boeren en winden, vloekte van narigheid en braakte ten slotte achteloos resten van de nog niet verteerde pasta alla puttanesca uit.
Een minuut na middernacht kwam er een abrupt einde aan Angelina’s barensnood. Haar tranen bleven stromen en ze jammerde zachtjes door, maar de pijn, ja, de pijn was tot haar verrassing verdwenen.
De drukte van die avond, van de weken, maanden, misschien zelfs van de jaren die sinds haar grootmoeders voorspelling waren verstreken, maakte plaats voor gelatenheid. ‘Er gaat voorlopig niets gebeuren,’ zei Angelina somber, ‘porca miseria.’

 
Arjan Visser (Werkendam, 13 februari 1961)

 

De Nederlandse schrijver en dichter Jan Arends werd geboren op 13 februari 1925 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Jan Arends op dit blog.

Ik schrijf gedichten

Ik
schrijf gedichten
als dunne bomen.

Wie
kan zo mager
praten met de taal
als ik?

Misschien is mijn vader
gierig geweest
met het zaad.

Ik heb
hem nooit
gekend,
die man.

Ik heb
nooit
een echt woord gehoord
of het deed pijn.

Om pijn
te schrijven
heb je
weinig woorden
nodig.

 

Om te weten

Om te weten
dat er woord
voor woord
een andere taal is
daarom schrijf ik.


Jan Arends (13 februari 1925 – 21 januari 1974)
Cover

 

De Belgische (Franstalig) schrijver Georges Simenon werd geboren in Luik op 13 februari 1903. Zie ook alle tags voor Georges Simenon op dit blog.

Uit:La porte

« Comme dans beaucoup de vieilles maisons du quartier, les fenêtres, hautes et étroites, descendaient jusqu’à trente centimètres du plancher et des arabesques en fer forgé supportaient la barre d’appui. C’est à travers ces arabesques que Foy, de sa chaise, suivait plus ou moins consciemment les allées et venues de la rue. Il fronça les sourcils quand il vit la petite auto bleue du Dr Aubonne tourner l’angle de la rue des Francs-Bourgeois, s’engager dans la rue de Turenne et, traversant la chaussée en oblique, s’arrêter derrière le camion de la papeterie Herbiveaux. Le docteur passait la tête par la portière pour s’assurer qu’il n’était pas trop éloigné du trottoir, faisait une marche arrière suivie d’un petit bond en avant et se glissait enfin hors de la voiture minuscule. Foy ne savait pas la date exacte. Il ne la savait jamais. Le 5 ou le 6 juillet. Au plus tard le 7. Encore une semaine et ils seraient tenus éveillés toute la nuit par les flonflons et les pétards du 14 Juillet place des Vosges. Les enfants n’étaient pas encore en vacances. Une demi-heure plus tôt, ils avaient jailli de l’école en poussant des cris aigus et s’étaient éparpillés dans le quartier. Si Foy ignorait la date, il savait qu’on était lundi car, la veille, dans l’appartement aux fenêtres larges ouvertes, Nelly et lui auraient pu se croire seuls à Paris tant la rue était vide et silencieuse. A certain moment, aux alentours de midi, il n’y avait vu qu’un chien, l’air dérouté, sur le trottoir désert.
De toute façon, le docteur était en avance. D’habitude, il venait rue de Turenne, en fin d’après-midi, la troisième semaine du mois, le jour où il rendait visite à sa vieille infirme de la rue de Sévigné. Pourquoi, tout à coup, Foy se demandait-il si cette histoire était vraie, si la vieille femme existait réellement ? Le Dr Aubonne refusait de lui laisser payer cette visite mensuelle, prétendant qu’il venait moins en médecin qu’en ami, ce qui, après vingt ans de relations, pouvait paraître plausible. D’ordinaire, après sa marche arrière plus ou moins maladroite, la tête hors de la portière, il levait les yeux vers le quatrième étage où il était sûr de voir Bernard Foy assis dans l’encadrement d’une des fenêtres, tout comme, à une fenêtre d’en face, au-dessus de la papeterie, on apercevait d’un bout de l’année à l’autre la cage d’un canari.”


Georges Simenon (13 februari 1903 – 4 september 1989)

 

De Nederlandse schrijfster Nynke van Hichtum (pseudoniem van Sjoukje Troelstra-Bokma de Boer) werd geboren in Nes op 13 februari 1860. Zie ook alle tags voor Nynke van Hichtum op dit blog.

Uit: Kinderleven (Marietjes verjaardag)

“En in die kleine kamer was maar één bedstee. Daarin sliepen vader en moeder, en aan ’t voeteneind was een houten krib getimmerd voor Marietje. Kleine broer sliep nog in de wieg. ’t Was op een Vrijdagavond. Marietje was uitgekleed, en nu werd ze door moeder in haar kribbetje lekkertjes toegestopt. „Zal Marietje nu dadelijk zoet gaan slapen?” „Ja Moe, en als ik nu heel heel zoet ben — en als ik nu morgenochtend heel vlug zelf mijn nachtkleertjes opvouw en goed op broertje pas, mag ik dan Zondag ook wat moois op mijn verjaardag hebben, Moe?” „We zullen eens kijken, hoor! Maar ga nu eerst maar gauw slapen! Nacht zusl” „Nacht Moetje! Hè, hoe prettig om jarig te zijn t En ik zal ook wat moois krijgen, dat weet ik zeker!” Moeder zei niets meer. Ze zette haastig de deuren van de bedstee op een kier, opdat Marietje niet zien zou, dat zij zoo bedroefd keek; want ze wilde ook heel, hé6I graag wat moois voor haar kleine meisje koopen en — ze wist niet, waar ze ’t geld vandaan zou halen! Daar liep ze nu maar al over te denken, terwijl ze de kamer opredderde en een boterham smeerde voor haar man, die straks thuis zou komen. Daar was hij zeker al! Ze hoorde een voetstap, en de deur werd haastig opengedaan! Nee, ’t was haar zuster Mina, die bij den notaris diende: ,Dag Kee! ben je alleen thuis? En de kinderen al naar bed? Dat is jammer! Ik kwam hun juist een paar mooie appelen brengen, en een taartje. Kijk eens hier I We kregen zooveel lekkers vandaag! — onze Herman was jarig. Wat een pret en een drukte was me dat! Mijnheer bleef thuis van ’t kantoor, om den heelen dag met de kinderen te kunnen spelen en Mevrouw wist ook niet, wat ze zou bedenken om Herman pleizier te doen. Hij mocht zelf kiezen wat we zouden eten; en wat een moois kreeg die jongen! En nu moet ik gauw weer naar huis, want Mijnheer zal de tooverlantaarn nog vertoonen, en daar moet ik bij zijn! Ik kwam alleen maar even om de kinderen een lekker hapje te brengen. — Maar wat nu, Kee? — Je gaat toch niet huilen?” ,Och Mina, ’t is niets.” — Maar terwijl Kee dat zei, liepen haar de tranen over de wangen.”


Nynke van Hichtum (13 februari 1860 – 9 januari 1939)
Scene uit de film “Nynke” met o.a. Monic Hendrickx als Nynke van Hichtum, 2001

 

De Duitse dichter en schrijver Friedrich Christian Delius werd geboren in Rome op 13 februari 1943. Zie ook alle tags voor Friedrich Christian Delius op dit blog.

Uit: Der Reichtum Europas

„Es fehlt nur eines, das Bewusstsein von diesem Reichtum. Also das Glücksgefühl, in einem Schlaraffenland zu leben. Wer sich umschaut in der Welt, selbst in den reichen Ländern der Welt, wird kaum einen solchen Reichtum wie in Europa finden, eine solche Vielfalt von Angeboten, Anregungen, Anstößen, gegen den Mainstream zu denken und zu handeln. Dabei geht es gar nicht um statistische Vergleiche zwischen den Nationen, um die Zahl der Bücher oder Bühnen oder Filmmeter oder Opernsitzplätze pro Kopf und Land. Wichtiger ist die Frage, ob wir unser Schlaraffenland wirklich schon entdeckt haben und es zu genießen und weiterzugeben wissen.
Denn es fehlt noch eines, die Verantwortung, diesen Reichtum an die nächsten Generationen weiterzugeben. Mehr und mehr werden die Künste als Zuflucht und Sinnersatz angesehen und gebraucht. Überall fehlt Orientierung, also sucht man sie, wenn nicht in der Religion, dann in der Kunst. „Das Unbehagen an der Welt,“ ich zitiere Thomas E. Schmidt, „der Verfall der Moral, die Verhässlichung der Welt durch die globale Wirtschaft, der Irrsinn der Wissenschaft, die Verblödung der Massen“, all das führt zu moderaten Heilserwartungen an das irdische Reich der Kultur und Kunst. Es hängt mit diesem immateriellen Reichtum zusammen, dass Hunderttausende von jungen Leuten zum Film, zum Schauspiel, zur Musik, zur Videokunst und Malerei und in den Literaturbetrieb drängen. Ob das immer gut und richtig ist, soll offen bleiben, wichtig ist:
Hier wird ein Ausgleich gesucht gegen den Trend zum alles dominierenden Schema des Ja oder Nein, On oder Off, In oder Out. Die Künste haben nicht-lineare und nicht-entfremdete Tätigkeiten zu bieten. Sie stehen im Widerspruch zur Kosten-Nutzen-Moral, und können, wenns gut geht, den größten, weil unberechenbaren und von keinem McKinsey-Kriterium fassbaren privaten wie öffentlichen Nutzen haben. Der Hunger auf diesen Reichtum ist jedenfalls größer als wir meinen. Und doch wird er als schöne Nebensache betrachtet, nicht als die geistige Goldmine unserer Demokratien.“

 
Friedrich Christian Delius (Rome, 13 februari 1943)

 

De Zwitserse schrijver Urs Faes werd geboren op 13 februari 1947 in Aarau. Zie ook alle tags voor Urs Faes op dit blog.

Uit: Raunächte

„Er setzte Fuß vor Fuß, als müsste jeder Tritt einen Abdruck hinterlassen im Schnee, der auch an diesem Spätnachmittag fiel, Flockenwirbel im Grau, das herabhing, von den Vordächern und Giebeln der Stadt, an denen er seltsam unberührt vorübergegangen war, vom Bahnhof durch die Hauptstraße Richtung Hügel, befremdet darin, dass die Straßen nicht mehr die waren, durch die er einst als Kind gegangen war. Erst am Ortsausgang hielt er an, suchte nach Spuren von etwas, das vertraut wäre nach den langen Jahren, die er fern gewesen war. Sein Blick ging ins Nebelgrau, aus dem die verhüllten Stämme ragten, die Spitzen dunkler Tannen, als würden sie hängen, baumeln an unsichtbaren Wäscheleinen. Erst in dem Augenblick hörte er das Rieseln, entdeckte das Brückengeländer, dann das Wirtshausschild Schwarzer Adler, den gähnend leeren Platz, von dem der Weg abging, talaufwärts, ein schmaler Steig am Bach entlang, wo die Weiden unter der Schneelast tief hingen. Eine Vertrautheit kam ihm entgegen wie eine alte Melodie, als sei etwas mit einem Male wieder da, was ihm all die Jahre gefehlt hatte. Den Weg waren sie jeden Samstag gegangen, der Vater, die Mutter, Sebastian, mit den anderen von den Schottenhöfen: der sonntägliche Kirchgang. Er hatte in der Zeller Pfarreikirche kurz verweilt, an die Mutter gedacht, an Minna. Sie hatte das Marienbild geliebt, war oft, wenn der Tag sie gequält hatte, aufgebrochen: »Ich gehe zu Maria von der Ketten, ein Spaziergang als kleine Wallfahrt. « Sie hatte die Legenden, die um die Kirche sich rankten, nacherzählt, auch die von Magdalene. Nach all den Jahren hörte er Minnas Stimme; sie war da. Seltsam. Aber nicht zu leugnen. Die Lichtgirlanden in der Zeller Hauptstraße hatten ihn daran erinnert, dass Weihnachten nahte, Einkäufe zu tätigen waren. Er hatte nichts besorgt. Der Bruder mochte keine Geschenke. Er zuckte kurz zusammen: Falls sie sich überhaupt sehen würden.
Seine Hände umklammerten die Tragriemen des Rucksacks, der leicht wog, trockene Handschuhe, zwei Brötchen, die Wasserflasche. Bis zum Gasthaus würde das reichen, dort wäre sein Gepäck, das er vorausgeschickt hatte, um zu Fuß in die Landschaft hineinschreiten zu können, eine Stunde vielleicht, auch wenn er langsam ginge, öfter stehen bleiben würde, um genau hinzuschauen, auf das talaufwärts steigende, hüglige Land mit den dunklen Tannen, die dicht und schweigend standen, den Tag zur Tannennacht machten, das Wipfelrauschen zum Abendlied. Langsam wollte er gehen, auf die Häuser zu, die Hütten, die Ställe, die Schober, die aus dem Schneegrau wuchsen, um im allmählichen Vertrautwerden Halt zu gewinnen, ein Gefühl von Ankunft, das er lange vermisst hatte – seit er fort war.“

 
Urs Faes (Aarau,13 februari 1947)

 

De Duitse schrijfster Katja Lange-Müller werd geboren op 13 februari 1951 in Berlijn-Lichtenberg. Zie ook alle tags voor Katja Lange-Müller op dit blog.

Uit: Drehtür

„Blitzgewitter, denkt Asta, das Wort ist mir lange nicht mehr, jetzt aber tatsächlich blitzartig eingefal-len. Artiger Blitz? Bullshit. Also: Unter einem Blitz-gewitter versteht man ein jäh einsetzendes, heftiges Gewitter, das ebenso plötzlich aufhört. — Aufhören, wieder so ein Wort, das Asta irritiert, sie stört in ih-rem Bemühen, sich daran zu erinnern, was ein Blitz-gewitter eigentlich genau ausmacht. Aufhören, denkt sie, könnte ja wohl noch etwas anderes bedeuten; doch würde man dann nicht eher aufhorchen sa-gen, in meiner Muttersprache, die ich nicht verges-sen, nur kaum gebraucht habe, während der letzten zwanzig, nein, zweiundzwanzig Jahre, die ich wo ver-brachte? In der Fremde. In der Fremde? Ach, in all den Fremden. —Muttersprache, auch dies zusammen-gesetzte Substantiv tritt sogleich eine Assoziations-lawine los. Das Hauptwort Mutter, eben noch ganz fern, kommt ihr unangenehm nahe. Haupt = Kopf, denkt sie; mein Kopf hat seinen eigenen Kopf, und der behauptet, er müsse sich Wörter fangen, deut-sche Wörter jetzt. Aber ist es nicht vielmehr so, dass all diese deutschen Wörter bereits gefangen waren in meinem Trotzköpfchen, Kapitalverbrecher, schweigsame Knastgreise, die längst resigniert hat-ten; doch nun, da ich zurückgekehrt bin ins Land meiner Herkunft, rühren sie sich wieder. — Apropos Muttersprache, wie oder was hat Mutter eigentlich gesprochen? Dazu fällt ihr nichts ein, gar nichts, je-denfalls nicht im Moment. Sie weiß bloß noch, wa-rum die schon seit 1980 tote Mutter sie Asta genannt hatte. In ihrer Familie, nein, nicht in ihrer, sie ist ja mann- und kinderlos, in der Familie der Mutter, mei-ne Mutter kann sie nicht mal denken, soll einst eine hübsche, freundliche Schäferhündin mit eben diesem Namen gelebt und jene irgendwie der dänischen Schauspielerin Asta Nielsen ähnlich gesehen ha-ben. — Wenigstens das Wort Wort ist frei, denkt Asta, zumindest frei von jeder Doppelbedeutung, und ein Blitzgewitter heißt Blitzgewitter, weil es blitzschnell losbricht und abrupt endet, nicht wegen der Blitze, die es begleiten. Gewitter, aber keine Blitze, gibt es das? Und den Blitzen folgt Donner, Donnergrollen, Donnerschläge. Kein Gewitter ohne Blitze, keine Blit-ze ohne Donner. Ansonsten wäre ein Gewitter, selbst ein Blitzgewitter, ja gar kein Gewitter, nur ein starker Regen. Der Regen? Das Regen? Sich regen bringt Se-gen. Woher habe ich den Spruch? Von der Mutter? Vielleicht, blöd genug ist er. Platzregen, Regenschauer, seltsame Vokabeln …“

 
Katja Lange-Müller (Berlijn, 13 februari 1951) 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e februari ook mijn blog van 13 februari 2018 en ook mijn blog van 13 februari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

M. Vasalis, Jan Arends, Arjan Visser, Gerard Keller, Georges Simenon, Nynke van Hichtum, Friedrich Christian Delius, Urs Faes, Katja Lange-Müller

De Nederlandse dichteres en psychiater M. Vasalis werd geboren in Den Haag op 13 februari 1909. Zie ook alle tags voor M. Vasalis op dit blog.

Felix was blank met bruine haren en een zachte g.

Felix was blank met bruine haren en een zachte g.
En: hij was kleurenblind, hij keek met scheef
getild gezicht en toegeknepen ogen naar de lucht.
Ik deed het heimelijk na. Wat heb ik hem bemind
toen ik vijf jaar was. Hij was negen.
Er is een bruine foto van ons allen aan de waterkant
gezeten in het gras, en daarop houd ik vlak
boven zijn hoofd, zijn verend haar mijn hand,
kijk met ZIJN toegeknepen ogen (onherroepelijk kleurenblind)
omhoog, je ziet de ouders en de kinderen en de zomerwind
die het gras scheef waait en in al die haren woelt –
je ziet dat ogenblik dat toentertijd nog eeuwig was.
 

 

Rebus in de bus

Wie zaten er vanochtend in de bus
behalve de chauffeur wiens roze wang
zo vloekte met zijn mooie rooie haar.
Een woeste oude boer met grijze ogen
en zijn gezicht in aanslag, en een woelig kind
doofstom, dat met zijn eigen dunne vingers praatte.
Een vrouw van vijftig, een zigeunerin of zo
ze stapte uit bij het woonwagenkamp
ze had een luipaard-jasje aan en kleine oren.
Een papoea-familie, drents van spraak
zo lief, zo lelijk en zo onbevangen.
Ik zat en luisterde en zag het aan
eerlijk gezegd en tegen beter weten in
verwachtend dat nu eindelijk ‘De Zin’
zichzelf in deze bus zou openbaren
van al die raadselachtige aanwezigheden.
Maar nee – natuurlijk nee. De enige conclusie was:
ik houd van mensen in een bus, ik houd van gras
en lucht. Ik rij van Groningen naar Roden.
Ik leef een tijdje. Ik begrijp het niet,
zelfs niet als ‘Het’ zo duidelijk wordt aangeboden.

 

Steen

Verdriet kit al mijn krachten samen,
zodat ik roerloos word als steen.
Mijn hele wezen wordt materie,
een ondoordringbaar star mysterie,
o sla de rots, opdat ik ween.

 
M. Vasalis (13 februari 1909 – 6 oktober 1998)

Doorgaan met het lezen van “M. Vasalis, Jan Arends, Arjan Visser, Gerard Keller, Georges Simenon, Nynke van Hichtum, Friedrich Christian Delius, Urs Faes, Katja Lange-Müller”

M. Vasalis, Jan Arend, Georges Simenon, Nynke van Hichtum, Friedrich Christian Delius, Urs Faes, Katja Lange-Müller

De Nederlandse dichteres en psychiater M. Vasalis werd geboren in Den Haag op 13 februari 1909. Zie ook alle tags voor M. Vasalis op dit blog.

Cannes

In een woestijn van zon, dicht langs de zee
staan de platanen in een brede allee;
dorstige herten, plotseling betoverd
en in hun ren naar ’t water star gebleven,
het groene lichaam wit gevlekt, hoornen geloverd,
het wit gewei breed opgeheven.

Langs lopend, te gezond, te naakt
en door een lichte wijn in een soort droom bewegend,
besef ik plotseling de enig werkelijke zonde:
dat ik door het verwonderlijkste nauw geraakt,
zonder besef door het bestaan gezegend
en door de schadelijkste dingen nauw geschonden,
ver van de werkelijkheid ben weggeraakt.

 

Cet age est sans pitié

Links naast ons – midscheeps – woonde de ex-kapitein
ter zee, weduwnaar, purper van het drinken.
Hij had een dochtertje, dat opzienbarend lelijk was,
zo opgestopt, verkeerd begroeid en kruislings scheel,
dat iedereen wel graag met haar zou willen spelen
alleen al om dichtbij iets zo uitzonderlijks te zijn.
Haar vader maakte dat onmooglijk, want hij bood ons geld
voor als ze mee mocht doen; zo dachten wij
dat het een soort van werkje was – en wilden niet.
Ze glimlachte zo trots en raadselachig bovendien
dat het gevaarlijk leek – wij zagen niets van het verlangen
in ’t uren lang met krabben-armpjes uit het venster handen.
Maar moeder wel – ze bleef vaak even staan, zei wat
en vroeg wat, nauwelijks te verstaan, en op een dag
vertelde zij: ze vroeg of ze me moeder noemen mag.
Je hebt toch zeker nee gezegd! Waarom? zei zij
ik zei natuurlijk: graag. Ze was heel blij.

 

Zoals een hond, verdrinkend in zijn redders handen bijt

Zoals een hond, verdrinkend in zijn redders handen bijt,
bijt mijn gevoel de reddende gedachte,
dat deze nood voorbij gaat en dat zulke nachten
eenmaal weer zullen blussen in de tijd.

Het eerst verdronkene is de verwachting,
de hoop zieltoogt. Maar de herinnering
vecht het hardnekkigst. Lieveling!

 
M. Vasalis (13 februari 1909 – 6 oktober 1998)
Portret door Egbert Bakker, z.j.

Doorgaan met het lezen van “M. Vasalis, Jan Arend, Georges Simenon, Nynke van Hichtum, Friedrich Christian Delius, Urs Faes, Katja Lange-Müller”

M. Vasalis, Jan Arend, Georges Simenon, Nynke van Hichtum, Friedrich Christian Delius

De Nederlandse dichteres en psychiater M. Vasalis werd geboren in Den Haag op 13 februari 1909. Zie ook alle tags voor M. Vasalis op dit blog.

Sprookje
Voor mijn moeder en mijn dochtertje

Zij luisteren beide naar een oud verhaal,
wondere dingen komen aangevlogen,
zichtbaar in hun verwijde ogen,
als bloemen, drijvend in een schaal.

Er is een zachte spanning in hun wezen,
zij zijn verloren en verzonken in elkaar,
-het witte en het blonde haar –
geloof het maar, geloof het maar,
alles wat zij vertelt is waar
en nooit zal je iets mooiers lezen.

 

Duif

Het had geonweerd en de straat was nat,
het asfalt lag als water aan de oever
van het trottoir, waar plechtig trad
een duif en koerde als een kind, maar droever.

De hemel boven ’t park werd licht,
de bomen stonden groen, af

zonderlijk
en ieder leek een bos, zo bol zo wonderlijk
en in zichzelf gekeerd, prevelend opgericht.

Ik liep te kijken in de korte stille straat
en zag de duif, de kleur van onweer op zijn vleugels
en poten roze als de dageraad.

 

Ochtend

Zo kalm als op een vlot van helderheid
en rust, gelegen op mijn rug
dreef ik de ochtend in, het ochtendlicht,
land, lucht en water waren één en zonder dat
er van hun eigenheid maar iets verloren ging.

 
M. Vasalis (13 februari 1909 – 6 oktober 1998)
Portret door Bert Megens, 2013

Doorgaan met het lezen van “M. Vasalis, Jan Arend, Georges Simenon, Nynke van Hichtum, Friedrich Christian Delius”

M. Vasalis, Jan Arend, Georges Simenon, Nynke van Hichtum, Friedrich Christian Delius, Urs Faes

De Nederlandse dichteres en psychiater M. Vasalis werd geboren in Den Haag op 13 februari 1909. Zie ook alle tags voor M. Vasalis op dit blog.

De winter en mijn lief zijn heen

De winter en mijn lief zijn heen.
Er zit een merel op het dak,
zijn keel beweegt, zijn snavel beeft
alsof hij in zichzelve sprak.

Hij luistert: uit een verre boom
klinkt als het ketsen van twee stenen
een vonkenregen van verlangen
zo luid, zo helder en zo bang.

De merel stort zich met een kreet
vol wildheid in de voorjaarsvlagen.
Ik kan het bijna niet verdragen:
mijn voorjaar en mijn lief zijn heen.

 

Als je een landschap was waar ik doorheen kon lopen

Als je een landschap was waar ik doorheen kon lopen,
stil staan en kijken met mijn ogen open
en languit op de harde grond gaan liggen,
er mijn gezicht op drukken en niets zeggen.
Maar ’t meeste lijk je op de grote lucht erboven,
waar ruimte is voor buien licht en donkre wolken
en op de vrije wind daartussen,
die in mijn haren woelt en mijn gezicht met kussen
bedekt, zonder te vragen, zonder te beloven.

 

Afterthought

Maar toch, ik weet niet of het veel verschilt
met vroeger – of alleen verschoven wordt:
die liefdesbrieven, liefdesverzen gingen meestal over
het lief, dat nog geen minnares geworden was.
Maar hoeveel vrouwen bleven ooit beminden èn de kameraad
en medeplichtige in goed en kwaad.
Hoevelen?
Het zal wel niet veel schelen.

 
M. Vasalis (13 februari 1909 – 6 oktober 1998)

Doorgaan met het lezen van “M. Vasalis, Jan Arend, Georges Simenon, Nynke van Hichtum, Friedrich Christian Delius, Urs Faes”

M. Vasalis, Jan Arend, Georges Simenon, Nynke van Hichtum, Urs Faes

De Nederlandse dichteres en psychiater M. Vasalis werd geboren in Den Haag op 13 februari 1909. Zie ook alle tags voor M. Vasalis op dit blog.

 Een witte ochtend

Een witte ochtend, eerste dooi
de lucht wit-grijs, egaal gespreid
en aan de lange horizon
welt nu een witte zon.
Geen wind, beweging of geluid.
Er botten waterdruppels uit;
aan iedre tak en iedre struik
zijn knoppen licht.

Een hartstochtsloze en totale aanwezigheid
maakt zich nu kenbaar en het is
of in een diepe adempauze van de tijd,
dichtbij, een pasgeboren kind
zich stil, volmaakt en ademend bevindt.

 

Eb

Ik trek mij terug en wacht.
Dit is de tijd die niet verloren gaat:
iedre minuut zet zich in toekomst om.
Ik ben een oceaan van wachten,
waterdun omhuld door ’t ogenblik.
Zuigende eb van het gemoed,
dat de minuten trekt en dat de vloed
diep in zijn duisternis bereidt.

Er is geen tijd. Of is er niets dan tijd?

 


Fanfare-corps

De lucht scheen blinkend door de blaren,
bleek en volmaakt als glas geslepen.
Met vaste manlijke gebaren
werden de horens aangegrepen,
en luidkeels, zonder enig schromen
spoot de muziek tussen de bomen;
heldhaftig, trots. Een onverbloemde
voor elk verstaanbare muziek,
die aan het ademloos publiek
ieder gevoel met name noemde.

En even plots werd dit geklater
gedempt, twee koopren kelen weenden…
– over het donkergroene water
gleden twee smalle witte eenden
geluidloos als een droombeeld voort –
De horens, smekend en gesmoord
schenen hen dringend iets te vragen,
hen volgend met haast menslijk klagen.

Een warm en onverwacht verdriet,
eerbied voor de gewoonste dingen,
neiging om hardop mee te zingen,
en dan te huilen om dit lied
ontstond in mijn verwend gemoed.
Ik voelde me bedroefd en goed.

 
M. Vasalis (13 februari 1909 – 6 oktober 1998)
Cover

Doorgaan met het lezen van “M. Vasalis, Jan Arend, Georges Simenon, Nynke van Hichtum, Urs Faes”

M. Vasalis, Jan Arend, Georges Simenon, Nynke van Hichtum

De Nederlandse dichteres en psychiater M. Vasalis werd geboren in Den Haag op 13 februari 1909. Zie ook alle tags voor M. Vasalis op dit blog.

Regressie in de supermarkt, bij de kassa

Diep uit mijn jeugd, waarover nooit een doodsbericht
gekomen is, maar die is zoekgeraakt, vermist
komt dit gevoel: ik zou haar brede rug willen omhelzen,
haar stevige, onopgesmukte hand, nu op mijn hoofd
of in mijn nek af willen smeken –
en in een vlaag van onbeheerste en jaloerse pijn
begeer ik heftig weer als een kindje in haar
zo hoog gevulde, met overleg gepakte, kalm bestuurde
hemelse boodschappenwagentje te zijn.

 

Is het vandaag of gistren, vraagt mijn moeder

Is het vandaag of gistren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag ?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt – het is een s.o.s. –
haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
‘bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.’

Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn moeder bent

 

Op een recht, zwart kousenbeen

Op een recht, zwart kousenbeen
dunne rokjes opgeheven,
dansend in de vroege regen
en de tuin voor zich alleen,

staan twee jonge appelbomen,
’t witte bloed omhoog gestegen,
vlinder-hoofden wijd omgeven
door hun allereerste dromen.

M. Vasalis (13 februari 1909 – 6 oktober 1998)

Cover biografie

Doorgaan met het lezen van “M. Vasalis, Jan Arend, Georges Simenon, Nynke van Hichtum”

Georges Simenon, Nynke van Hichtum, Katja Lange-Müller, Ivan Krylov

De Belgische (Franstalig) schrijver Georges Simenon werd geboren in Luik op 13 februari 1903. Zie ook alle tags voor Georges Simenon op dit blog.

 

Uit: Maigret und der gelbe Hund (Vertaald door Raymond Regh)

„Als der Mann wieder auftauchte, verdunkelte er fast das gesamte Rechteck des Fensters, gab dann die Sicht frei, indem er in den Hintergrund des Raumes ging. Seine große Hand fiel auf die Schulter des Mädchens nieder und versetzte ihr einen solchen Stoß, dass sie eine ganze Kehrtwendung machte, beinahe hingefallen wäre und ihr jämmerlich bleiches Gesicht mit Lippen, die vom Schluchzen geschwollen waren, sichtbar wurde. All das war jedoch so undeutlich, so verschwommen wie ein Film im Kino, wenn die Lampen im Saal wieder eingeschaltet werden. Und noch etwas fehlte: die Geräusche, die Stimmen…
Genau wie ein Film: ein Film ohne Ton. Obwohl es der Mann war, der redete. Und er redete wohl laut. Er war wie ein Gorilla. Den Kopf dicht auf den Schultern, den Oberkörper in einem engen Pullover, der seine Brustmuskeln hervortreten ließ, das Haar kurzgeschoren, wie bei einem Sträfling, die Fäuste in die Hü∫en gestemmt, schleuderte er ihr Vorwürfe, Schimpfwörter oder Drohungen ins Gesicht. Er war wohl drauf und dran, handgreiflich zu werden. So, dass Leroy versuchte, Maigret noch fester zu packen, als wolle er sich selbst beruhigen. Emma weinte noch immer. Ihre Haube saß mittlerweile schief. Ihr Knoten würde sich gleich lösen. Irgendwo wurde ein Fenster geschlossen, was eine Sekunde lang ablenkte. »Kommissar… ob wir…«
Der Tabakgeruch umhüllte die beiden Männer und gaukelte ihnen Wärme vor. Weshalb faltete Emma die Hände? Wieder redete sie…
In ihrem verzerrten Gesicht lag gleichzeitig Entsetzen, Flehen und Schmerz, und Inspektor Leroy hörte, wie Maigret seinen Revolver entsicherte. Nur fünfzehn bis zwanzig Meter lagen zwischen den bei den Gruppen. Ein sprödes Klicken, eine Fensterscheibe, die in Scherben zerspringen würde, und der Hüne wäre außerstande, Schaden anzurichten. Mittlerweile ging er auf und ab, die Hände auf dem Rücken, und er wirkte kleiner, breiter.“

 

Georges Simenon (13 februari 1903 – 4 september 1989)

Doorgaan met het lezen van “Georges Simenon, Nynke van Hichtum, Katja Lange-Müller, Ivan Krylov”

Georges Simenon, Nynke van Hichtum, Katja Lange-Müller, Ivan Krylov

De Belgische (Franstalig) schrijver Georges Simenon werd geboren in Luik op 13 februari 1903. Zie ook mijn blog van 13 februari 2007 en ook mijn blog van 13 februari 2008. en ook mijn blog van 13 februari 2009 en ook mijn blog van 13 februari 2010.

 

Uit: Le chien sans maître 

 

„Vendredi 7 novembre. Concarneau est désert. L’horloge lumineuse de la vieille ville, qu’on aperçoit au-dessus des remparts, marque onze heures moins cinq.

C’est le plein de la marée et une tempête du sud-ouest fait s’entrechoquer les barques dans le port. Le vent s’engouffre dans les rues, où l’on voit parfois des bouts de papier filer à toute allure au ras du sol.

Quai de l’Aiguillon, il n’y a pas une lumière. Tout est fermé. Tout le monde dort. Seules, les trois fenêtres de l’Hôtel de l’Amiral, à l’angle de la place et du quai, sont encore éclairées.

Elles n’ont pas de volets mais, à travers les vitraux verdâtres, c’est à peine si on devine des silhouettes. Et ces gens attardés au café, le douanier de garde les envie, blotti dans sa guérite, à moins de cent mètres.

En face de lui, dans le bassin, un caboteur qui, l’après-midi, est venu se mettre à l’abri. Personne sur le pont. Les poulies grincent et un foc mal cargué claque au vent. Puis il y a le vacarme continu du ressac, un déclic à l’horloge, qui va sonner onze heures.

La porte de l’Hôtel de l’Amiral s’ouvre. Un homme paraît, qui continue à parler un instant par l’entrebâillement à des gens restés à l’intérieur. La tempête le happe, agite les pans de son manteau, soulève son chapeau melon qu’il rattrape à temps et qu’il maintient sur sa tête tout en marchant. Même de loin, on sent qu’il est tout guilleret, mal assuré sur ses jambes et qu’il fredonne. Le douanier le suit des yeux, sourit quand l’homme se met en tête d’allumer un cigare.“

 


Georges Simenon (13 februari 1903 – 4 september 1989)

 

 

Doorgaan met het lezen van “Georges Simenon, Nynke van Hichtum, Katja Lange-Müller, Ivan Krylov”

150 Jaar Nynke van Hichtum, Georges Simenon, Katja Lange-Müller, Ivan Krylov

150 Jaar Nynke van Hichtum

De Nederlandse schrijfster Nynke van Hichtum (pseudoniem van Sjoukje Troelstra-Bokma de Boer) werd geboren in Nes op 13 februari 1860. Dat is vandaag dus precies 150 jaar geleden. Zie ook mijn blog van 13 februari 2009.

Uit: Afke’s tiental

Met groene zeep werd eerst alles fris uitgewassen en daarna de broeken met zwarte verf afgeborsteld. Nu was alles schoon, maar – ’t moest de volgende morgen weer droog zijn! De sokken werden in de oven gelegd, en de broekjes kwamen voor en boven en óm de kachel te hangen. Gelukkig dat er genoeg turf was. Want de kachel moest nu de hele nacht doorbranden!
De nare, benauwde lucht van al dat opdrogende goed verspreidde zich door de kamer. Moeder begon er van te hoesten en de kinderen sliepen onrustig. Maar vooral Wiepkje, die ’t in haar dienst zo fris en ruim gewend was, had er veel last van. Toch klaagde ze niet; want ze wist dat er niets aan te doen was.
Toen zette ze nog vlug ’t vuile goed in ’t water en ’t werk voor die avond was gedaan. Nu maar gauw naar bed, want morgen moest ze alweer vroeg aan ’t kousen stoppen.
“Nacht Mem!” klonk het hartelijk en Wiepkje verdween in ’t keldertje onder Moeders bedstee, bij de kleine meisjes; want op de zolder, waar ze gewoonlijk sliep als ze een nacht thuis logeerde, was ’t in deze tijd veel te koud. Er waren twee pannen van ’t dak gewaaid en de huisheer kwam er maar niet toe, die er weer op te laten maken. – En zo sliepen ze dan met hun elven in één benauwde kamer, waar de geverfde broekjes en de drogende sokken een stiklucht verspreidden…..
.“

afkesTiental

Omslag Afke’s Tiental

 

Uit: Oehoehoe

 „Op de morgen van het feest riep een van de koninginnen hem in haar hut. Ze was een dochter van Matakitakit, en nu had ze gehoord dat Oehoehoe uit dezelfde kraal kwam en ze wou graag eens weten hoe het daar ging met allerlei mensen, die ze zich nog herinnerde.
Oehoehoe dacht wèl aan de waarschuwingen van Inyoes, maar hij wou zich niet bang tonen; hij volgde dus het meisje, dat hem geroepen had. Toch klopte zijn hard toen hij de “witte isigohlo” (de koninginnekraal) binnenstapte.
Daar lag de koningin op de mat in een van de hutten. Ja, daar lag ze, dik en vet, met de hand onder ’t het hoofd. Naast haar stonden een pot met gemalen maïspap, een mand met amasi, en een nog grotere mand met bier.
‘Die heeft hier een goed leventje!’ dacht Oehoehoe. ‘Daar wordt ze dan ook zeker zo dik van!’
De koningin was heel vriendelijk: ze gaf hem pap en bier, en liet hem vertellen van zijn ouders van Matakitakit. Oehoehoe, blij dat hij over dit alles eens mocht praten, vertelde zó aardig, dat de koningin hem lang bij zich hield.
Daar hoorden ze opeens, tot hun schrik, de voetstappen van de koning buiten de hut! — De dienstmeisjes van de koning probeerden de jongen weg te stoppen, maar de koning wist er alles al van, en hij was woedend!“

Hichtum

Nynke van Hichtum (13 februari 1860 – 9 januari 1939)
Boekomslag van de biografie door Anny de Jong

 

De Belgische (Franstalig) schrijver Georges Simenon werd geboren in Luik op 13 februari 1903. Zie ook mijn blog van 13 februari 2007 en ook mijn blog van 13 februari 2008. en  ook mijn blog van 13 februari 2009.

 

Uit: Au Rendez-vous des Terre-neuvas

 

„Il y eut une note grêle, du côté de la falaise, l’horloge de la Bénédictine qui sonnait une heure.
Maigret marchait vers l’Hôtel de la Plage, les mains derrière le dos, mais, à mesure qu’il avançait, son pas devenait plus lent et il finit par s’arrêter tout à fait, au beau milieu du quai.
Devant, c’était l’hôtel, sa chambre, son lit, un ensemble paisible et rassurant.
Derrière… Il se retourna. Il revit la cheminée du chalutier qui fumait doucement, car on avait allumé les feux. Fécamp était endormi. Il y avait une grande flaque de lune au milieu du bassin. La brise se levait, arrivait du large, presque glacée, comme l’haleine de la mer.
Alors Maigret fit demi-tour, lourdement, à regret. Il enjamba à nouveau des cordage lovés aux bittes, se retrouva debout au bon du quai, les yeux braqués sur l’Océan.
Ses yeux étaient tout petits, sa bouche me traçante, ses poings au fond des poches. C’était le Maigret solitaire, mécontent replié sur lui-même, qui s’obstine, sans souci du ridicule.
La marée était basse. Le pont du chalutier était à quatre ou cinq mètres en dessous du niveau du sol. Mais une planche avait été jetée du quai à la passerelle de commandement. Une planche mince, étroite.
Le bruit du ressac devenait plus distinct. Le flux devait commencer, tandis que l’eau blanchâtre rongeait peu à peu les galets de la plage.
Maigret s’engagea sur la planche qui forma un arc de cercle quand il pesa en son milieu. Ses semelles crissèrent sur la passerelle de fer. Mais il n’alla pas plus loin. Il se laissa tomber sur le banc de quart, face à la roue du gouvernail, au compas duquel pendaient les grosses mitaines de mer du capitaine Fallut. Ainsi des chiens viennent se camper, maussades, obstinés, devant un terrier où ils ont flairé quelque chose.“

 

Simenon

Georges Simenon (13 februari 1903 – 4 september 1989)

 

De Duitse schrijfster Katja Lange-Müller werd geboren op 13 februari 1951 in Berlijn-Lichtenberg. Zie ook mijn blog van 13 februari 2007 en ook mijn blog van 13 februari 2008 en ook mijn blog van 13 februari 2009.

 

Uit: Böse Schafe

 

Daß wir uns begegneten, war Zufall. Was sonst? Vielleicht ja doch so was wie Schicksal, denn wir hätten uns ebensogut verpassen können. An dem Tag, da wir einander über den Weg liefen, warst du nicht allein, und ich war noch keine zwölf Monate fort von dort, wo ich aufgewachsen und bis zu meinem neununddreißigsten Jahr geblieben war.
Auch an die Szenen jenes siebzehnten April 1987, die mich und – zumindest für die ersten Stunden – vielleicht sogar dich betrafen, kann ich mich jederzeit erinnern; und im Unterschied zu den Film- oder Diabildern von der Matratzenidylle werden diese Szenen von Mal zu Mal klarer und detaillierter und stehen mir gerade jetzt beinahe textgenau vor Augen, so, als wären sie nicht geschehen, sondern erfunden, das Resultat meiner von mächtiger Sehnsucht befehligten Phantasie: Die U-Bahn hatte gehalten über dem Nollendorfplatz, ich war ausgestiegen und freute mich einmal mehr an der mir zu Füßen liegenden, von Dönerbuden, Cafés, Ramschläden und Blumenständen gesäumten, fast menschenleeren Weite, auch darüber, daß ich am Vortag nur mein Kleingeld samt dem billigen Portemonnaie verloren hatte, aber nicht das Dokument, das einen über das Aufnahmelager Marienfelde eingereisten DDR-Flüchtling berechtigte, ein ganzes Jahr lang kostenlos sämtliche öffentlichen Verkehrsmittel zu benutzen. Die Frühlingssonne stand hoch am Himmel und warf gleißend helles, nahezu weißes Licht hinab auf den Platz, der nach dem Tauwetter, dem jedoch kein Regen gefolgt war, ebenso unschuldig wie heruntergekommen wirkte; ich sehe auch noch dieses Kind, ein schmächtiges Mädchen in einem neongrünen Anorak, das mir von links ins Blickfeld lief, seinen Turnbeutel hinter sich herschleifte und offenbar keinen Spaß am Schuleschwänzen hatte.“

 

Katja-Lange_Mueller

Katja Lange-Müller (Berlijn, 13 februari 1951)

 

De Russische dichter en schrijver Ivan Andrejevitsj Krylov werd geboren op 13 februari 1769 in Moskou. Zie ook mijn blog van 13 februari 2007 en en  ook mijn blog van 13 februari 2009.

 

THE HIND AND THE HERMIT

 

A hind had lost her fawn before Her dugs were dry, and wandered, sore, Disconsolate, forlorn, Until she found, Lying abandoned on the ground, Two wolf cubs, newly born, And suckled them, as if they were her own. A local hermit, wonderstruck, Cried: `Foolish creature! Why give suck To those? Wolves are your foes! The day may come when, fully grown, Without a pang, They’ll tear your tender flesh with claw and fang!’ You may be right,’ replied the hind. `Perhaps they will be so unkind But I don’t mind. To give them suck, and see them grow, These are the only needs I know; And fear of what may come behind Is nothing, to the joy of doing so.’ Unused, unshared, Abundance is a burden. Doing good should make us glad, And virtue not require a guerdon…

 

Vertaald door Gordon Pirie, Robert Chandler

 

Krylov

Ivan Krylov (13 februari 1769 – 21 november 1844)
Standbeeld in St. Petersburg