A. F.Th. van der Heijden, Heinz Helle, Boualem Sansal, Riekus Waskowsky, Friedrich Nietzsche, Alfred Neumann

De Nederlandse schrijver A. F. Th. van der Heijden werd geboren in Geldrop op 15 oktober 1951. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2010 en eveneens alle tags voor A. F.Th. van der Heijden op dit blog en alle tags voor van der Heijden op dt blog.

Uit: Kwaadschiks

“Met de vurige kegel van een half opgerookte Marlboro brandt cliënt zorgvuldig gaatjes in een bijna leeg koffiebekertje. De kleine ruimte vult zich met een scherpe menggeur van tabak, koffie en verschroeid plastic. Hij verwijdt met de peuk een van de ontstane openingen, en opeens ziet Quispel wat het voorstelt: niet zomaar een gezicht, maar een rudimentaire versie van De schreeuw van Edvard Munch. Alles om maar geen kennis te hoeven nemen van de filmbeelden. Langs de overvloedig met grind bestrooide oprijlaan naar de aula staat een rij politieagenten, eerder ‘op de plaats rust’ dan in de houding. Bij het gebouw heeft zich een kleine menigte verzameld, waaruit bossen bloemen opwolken. `Zo’n teraardebestelling krijgen doorgaans alleen de zogeheten Bekende Nederlanders,’ zegt Quispel. ‘Of vaderlandse criminelen van aanzien.’ `Jouw begrafenis, Ernst,’ zegt cliënt, rook uitblazend, ‘wordt opgeluisterd door alle misdadigers die jij uit de bak hebt weten te houden. De oude seriemoordenaar Peddemors voorop. Honderden dankbare onschuldigen, die zich alleen in zoverre schuldig voelen dat ze een nagel aan jouw doodskist waren. Ik hoop ook van de partij te zijn.’ `Praat wat zachter,’ zegt de advocaat, geschrokken van het plotselinge stemgeluid. Hij werpt een waarschuwende blik op het one-way venster in de wand. ‘Let op wat je uitkraamt. Het klinkt al bijna als een bekentenis.’ ‘Ik dacht dat je mij juist van mijn zwijgrecht afwenste te helpen.’ `Ik wil gewoon dat je ophoudt met stommetje spelen tijdens de verhoren.’ Quispel fluistert nu bijna. ‘Je beroepen op het zwijgrecht, akkoord, maar je moet het wel consequent doen. Jou een beetje kennende, Nico… jij houdt dit niet lang vol. Daar neem ik vergif op in.’ Voor hem zit een gedrongen man van zevenenveertig, niet buitensporig gezet, maar wel met een puntig embonpoint. Zijn gezicht, al wat minder pafferig na een week ‘in volledige beperking’, staat dodelijk vermoeid, met onder de ogen wallen van een goor blauw dat aan verkleurde stempelinkt doet denken. Als hij het hoofd over zijn kunstwerk buigt om er met zijn sigaret nog wat aan te veranderen, wordt zijn kalende kruin zichtbaar. De huid daar heeft de tint van bloedsinaasappel, ongeveer zoals Quispel zich een gescalpeerde in de boeken van Karl May voorstelde, die hij rond zijn twaalfde las. De haarkrans rondom is nog donker maar grijst aan de slapen — en ook in de oren, waar vlassige plukken uitsteken. Iemand moet hem in het huis van bewaring kleren gebracht hebben, want hij draagt niet langer de plunje die hij bij zijn arrestatie aanhad. Zijn verder niet versleten, zelfs nog nieuw ogende sweater zit vol schroeigaatjes, als van iemand die regelmatig onder invloed in slaap valt met een brandende peuk. De zwarte merkbroek is vol grijze asvingers gestempeld, alsof een bakker zijn meelhanden aan zijn zondagse kledij heeft afgeklopt. Wat ik zocht,’ zegt cliënt, ‘was niet het zwijgen, maar de stilte.’

 
A. F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)

Doorgaan met het lezen van “A. F.Th. van der Heijden, Heinz Helle, Boualem Sansal, Riekus Waskowsky, Friedrich Nietzsche, Alfred Neumann”

Gethsemane und Golgatha (Friedrich Nietzsche)

Bij Witte Donderdag

 

 
Christus in de tuin van Gethsemane door Heinrich Hofmann, 1890

 

Gethsemane und Golgatha

Des Mondes Helle zuckt in ungewissen,
Zerstreuten Strahlen durch die Mitternacht;
Die Wolken fliegen wie vom Sturm zerrissen,
Ein aufgelöstes Heer nach wilder Schlacht,
Der Kidron braust in ungestümem Drängen –
Der Ölberg ruht auf stummen Felsenhängen.

Herr, deine Jünger schlafen, hingestreckt
Auf feuchtem Boden, und manch’ ängstlich Bild
Scheucht ihrer Seelen Ruhe und erschreckt
Die Stille, die die Schlummernden umhüllt.
Sie sehen dich im Traum zu ihnen treten,
Sie sehn dich seufzen, sehn dich ängstlich beten.

Doch du liegst einsam! Keine Welt erfaßt
Die Qualen, die dein großes Herz umfluten;
Du liegst gebeugt von ungemess’ner Last,
Und alle Wunden brechen auf und bluten.
Das ist dein letztes, schwerstes Todesringen,
Und Erd’ und Hölle will dich niederzwingen.

Da steht vor deinem Blick ein Berg der Qual
Darauf ein Kreuz und frecher Spötter Fülle;
Das ist dein Berg, dein Kreuz, dein Marterpfahl.
Das ist dein Los, – nein, ’s ist dein eigner Wille.
Und nicht genug – was nie ein Mensch kann sagen –
Die Hölle selber kommt dich anzuklagen.

Du willst die Sünde tragen, und sie naht,
Aus tiefster Finsternis ans Licht gekrochen;
Da naht verstörten Blicks des Zweifels Saat,
Und Greuel, stumm und tief, nie ausgesprochen!
Sie nahen dir mit drohender Gebärde,
Sie wolln dich niederziehn zu Tod und Erde.

Du ringst gewaltig – blutger Tränen Flut
Sie künden deiner Seelen tiefstes Wehe,
“Vorüber geht er nicht, der Kelch voll Blut,
Du mußt ihn trinken, Gott, Dein Will’ geschehe.”
Und wieder naht mit leisem Flügelschlage
Ein Engel, wie an dem Versuchungstage.

O Stätten heiligster Vergangenheit!
Gethesemane und Golgatha! Ihr tönet
Die frohste Botschaft durch die Ewigkeit,
Ihr kündet, daß der Mensch mit Gott versöhnet,
Versöhnet durch das Herz, das hier gerungen,
Das dort verblutet und den Tod bezwungen!

O Stätten heilig ernster Gegenwart!
Zu denen sich die müde Seele führet
Und still der ewigen Lebensfluten harrt,
Die auch noch jetzt ein Engel Gottes rühret.
Es nah’n die Kranken – und der Himmel schließet
Sich auf, und Lebenswasser fließet!

O Stätten, ihr, der Zukunft Weltgericht,
Der Frommen Hoffnung und der Sünder Grauen!
Vor euch wird eitler Ruhm und Glanz zunicht,
Von euch wird Segen auf die Welten tauen.
So schaut ihr, vorwärts, rückwärts, auf die Zeiten,
Merksteine in dem Strom der Ewigkeiten.

 


Friedrich Nietzsche (15 oktober 1844 – 25 augustus 1900)
Röcken, de geboorteplaats van Friedrich Nietzsche

 

Zie voor de schrijvers van de 13e april ook mijn vorige blog van vandaag.

A. F.Th. van der Heijden, Heinz Helle, Boualem Sansal, Friedrich Nietzsche, Michail Lermontov

De Nederlandse schrijver A. F. Th. van der Heijden werd geboren in Geldrop op 15 oktober 1951. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2010 en eveneens alle tags voor A. F.Th. van der Heijden op dit blog en alle tags voor van der Heijden op dt blog.

Uit: Kwaadschiks

“Er is geen geluid bij. Het scherm toont afwisselend een kleine boot met een lijkkist aan boord en een zwarte rouwkoets die zich, getrokken door een vierspan, over het pad langs de rivier beweegt. Het vaartuig wordt gefilmd vanaf de wal, het rijtuig vanaf de scheepsvloer, allebei door een lichte nevel en vervagende rietpluimen heen. Close-up koetsier: hij draagt een zwarte mantel en een driekantige steek omlijst met rafelige franje. Over de paarden zijn lila dekkleden gelegd, die op de ogen en de neusgaten na ook hun hoofden omhullen, als bij een middeleeuws toernooi.
Het camerastandpunt aan boord verandert enigszins, zodat nu de doodskist op de voorgrond in z’n geheel te zien is. Er ligt een Nederlandse vlag overheen, met op de witte baan een bloemstuk van rode rozen en blauwe linten. De lens richt zich weer op, en kijkt dan recht in het binnenste van de lijkkoets: leeg nog.
‘Beetje audio erbij?’ stelt Quispel zijn cliënt voor. ‘Ik mis het klossen van die knollen.’
Over het morsige tafelblad heen reikend steekt de advocaat zijn hand naar de muis uit, maar cliënt, die zich voortdurend al in bochten heeft zitten wringen om niets van het scherm te hoeven zien, schudt heftig het hoofd: ‘Alsjeblieft, Ernst, doe me ’n lol.’
Met zijn onderarmen steunend op de rug van een stoel blijft Quispel het filmverslag volgen. Linksonder in beeld geven witte computercijfers de datum en het tijdstip, tot op rennende tienden van seconden precies, maar hij hoeft zijn Rolex niet te raadplegen om te weten dat de opnames live zijn. Het bootje richt de steven naar de aanlegsteiger, waarbij het een moment dwars op de stroom ligt. Het cameraoog glijdt omhoog langs de open poort, en onthult de naam van de begraafplaats, in gietijzeren krulkapitalen:

commervlugt

Voordat de rechercheurs, De Knegt en Van Baars, de verhoorkamer verlieten, kreeg cliënt na aandringen van zijn advocaat toestemming om een sigaret op te steken. (De Knegt had met heel zijn rossige drift nog geprotesteerd: ‘Sinds begin deze maand geldt er een rookverbod voor de horeca… en dan zullen wij er hier even een doorgepaft hol van laten maken’ – maar de buikige Van Baars, de veronderstelde good cop van de twee, deed het met een sussend gebaar af: ‘Een saffie maakt hem misschien wat spraakzamer.’)”

 
A. F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)

Doorgaan met het lezen van “A. F.Th. van der Heijden, Heinz Helle, Boualem Sansal, Friedrich Nietzsche, Michail Lermontov”

A. F.Th. van der Heijden, Heinz Helle, Boualem Sansal, Friedrich Nietzsche, Michail Lermontov, Italo Calvino

De Nederlandse schrijver A. F. Th. van der Heijden werd geboren in Geldrop op 15 oktober 1951. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2010 en eveneens alle tags voor A. F.Th. van der Heijden op dit blog en alle tags voor van der Heijden op dt blog.

Uit: De lange mars langs de literaire cafés

‘Als het laatste deel van je trilogie op tijd af is,’ had mijn uitgever met de hem eigen gulheid gezegd, ‘dan maken wij, samen, een triomftournee door heel Nederland en Vlaanderen de komende Boekenweek. Zelfs de Wadden zullen eraan moeten geloven. ’s Middags signeren in de plaatselijke boekhandel, en ’s avonds voordracht in het literaire café of in de schouwburg. Desnoods twee optredens per avond, wat kan ons het schelen. Ik zorg voor een snelle auto, en ga zelf achter het stuur zitten met een goudgebiesde pet op. Ondertussen laten we het ons aan niets ontbreken …’
Het najaar liep op z’n eind, het werd december, januari, maar ofschoon het laatste hoofdstuk al was voltooid – het boek kwam niet af. Op het achterbalkon van lijn 3 had al eens een student zijn gezicht vlakbij het mijne gebracht, zeggende: ‘Ah, u heeft dus ook een bruin vlekje in uw linkeroog, net als de hoofdpersoon. Wanneer verschijnt deel drie?’ En in een druk café was mij in dezelfde tijd door de barman een bierviltje toegeschoven met in balpeninkt de tekst: ‘Waar blijft het slotdeel?’ (zonder dat ik kon achterhalen wie de afzender was). Ook het slopen van mijn naamplaatje van de deurpost kon erop wijzen dat ik mighty popular aan het worden was …
Het kon de voltooiing van nummer drie allemaal niet bespoedigen. Toch zat ik bij het aanbreken van de Boekenweek met al die afspraken, zonder dat me een ‘snelle auto’ met chauffeur ter beschikking stond om ze allemaal af te gaan. Het werd de trein.
Ondanks een in het bad genoten Alka-Seltzer Breakfast had ik in de trein naar Utrecht nog hoofdpijn van het Boekenbal. Ik zat met mijn rug naar de rijrichting, maar toen mijn oudere collega, die tegenover me zat, mij zijn plaats aanbod – ‘Ik kan goed tegen achteruit rijden’ – werd het alleen maar erger.
‘Te veel op, gisteravond?’
‘Het komt door die verdomde circusstallen van Carré. Ik ben de hele avond en de hele nacht in de stallen blijven rondhangen. Het stinkt daar naar kamelevijgen en olifantsdrollen en leeuwestront van het Chinese staatscircus, god nog aan toe. Een verpletterende atmosfeer. Vooral leeuwestront is erg. Van de lucht alleen al slaat een paard op hol, lees maar na in Bericht aan de rattenkoning. In mijn kop zijn de paarden in ieder geval op hol geslagen … owh!’

 
 A. F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)

Doorgaan met het lezen van “A. F.Th. van der Heijden, Heinz Helle, Boualem Sansal, Friedrich Nietzsche, Michail Lermontov, Italo Calvino”

A. F.Th. van der Heijden, Heinz Helle, Boualem Sansal, Friedrich Nietzsche, Michail Lermontov, Italo Calvino

De Nederlandse schrijver A. F. Th. van der Heijden werd geboren in Geldrop op 15 oktober 1951. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2010 en eveneens alle tags voor A. F.Th. van der Heijden op dit blog.

Uit: Vallende ouders

“Waar ik het aan verdiend had, wist ik ‘t, maar juni was schitterend dat jaar. Ik voerde geen bal uit en elke nieuwe dag leek in zijn volmaaktheid zo sprekend op de vorige, dat de dagen vanzelf over elkaar heen schoven en op elkaar bleken te passen en ik me die maand ben gaan herinneren als één perfecte zomerdag. Een dag die zelfs langer dan een maand duurde, want hij strekte zich uit tot diep in juli. Onverstoorbaar sliep de ene maand een gat in de volgende. Zo’n veertig dagen telde juni en elke dag was een Wiederkehr des Gleichen. Zelfs dat de eerste twintig dagen lengden, en het tweede twintigtal kromp, viel niet op. De junimaand was in zijn geheel een ‘langste dag’.
Behalve diep in die dag kijken, deed ik eigenlijk niets. In plaats van snelle indrukken in zich op te nemen hebben mijn zinnen veertig dagen lang als een camera naar die ene junidag opengestaan en het resultaat, zie ik nu, is verbluffend. De schaduwen van de tuin waarin ik zat zijn scherper dan ze in werkelijkheid ooit geweest kunnen zijn. Het zonlicht is onwaarachtig fel en het zand van de bloemperkjes schittert als suiker. Niets beweegt. Geen blaadje, niets. De kleine witte vlinders hangen roerloos als bloesems tussen de struiken. De coniferen zijn massieve rotskegels. Aan de lijn drie of vier vereeuwigde wasknijpers… Een gaaf daguerrotype.
Het lijkt wel of ik mijn eigen bewegingloosheid op die veertigvoudige dag heb overgedragen.
Maar ook akoestisch manifesteert die dag zich als geen andere. Op het aanrecht in de keuken achter me worden kopjes neegezet… in de zachte stem van mijn moeder is haar hele geschiedenis te beluisteren… een hond gromt… en boven dat alles uit is de pneumatische boor van een bij in een bloem hoorbaar… Zo’n dag die zich dertig, veertig keer herhaalt is uit het geheugen niet meer weg te branden.
En schamen deed ik me tegenover al dat moois: de tuin, de dag, de zon, en de zomer die er al was terwijl hij nog moest komen… Schamen voor de dingen die ik gedaan had, maar meer nog voor wat ik verzuimd had te doen.”

 
A. F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)

Doorgaan met het lezen van “A. F.Th. van der Heijden, Heinz Helle, Boualem Sansal, Friedrich Nietzsche, Michail Lermontov, Italo Calvino”

A. F.Th. van der Heijden, Boualem Sansal, Friedrich Nietzsche, Michail Lermontov, Italo Calvino, Tessa de Loo

De Nederlandse schrijver A. F. Th. van der Heijden werd geboren in Geldrop op 15 oktober 1951. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2010 en eveneens alle tags voor A. F.Th. van der Heijden op dit blog.

 

Uit: De helleveeg

 

“Ze ontving me in een crèmekleurige deux-pièces, die de duurdere kledingwinkel verried, en perfect om haar heen sloot: op haar achtendertigste had ze nog net zo’n mooi figuur als vijftien jaar eerder op haar trouwdag. Hoe kon het dat mijn moeder, die sterk op haar leek, al voor haar dertigste grijs begon te worden, en dat Tiny haar eigen donkerbruine haarkleur had behouden, zonder een enkel zilveren draadje? En dat de oudste van de twee zussen al tien jaar een rimpelig oudevrouwtjesgezicht had, terwijl dat van de jongste nog knap en strak was, met grote bruine ogen, waarvan de leden niet door permanente vermoeidheid waren gaan hangen? Tiny had zich bescheiden opgemaakt, precies genoeg om het bijzondere aan haar trekken te accentueren. Een dame, every inch. Maar pas op.
Misschien moest ik zeggen trois-pièces, want over het mantelpak droeg ze een huishoudschortje in dezelfde crèmekleur, met ruches en een grote strik, waarvan de lussen op haar billen dansten toen ze voor me uit naar de woonkamer liep. In de flat was weinig veranderd sinds ik er als jongen van elf, twaalf een paar keer gelogeerd had. Hetzelfde meubilair, nog als nieuw, de teakhouten leuningen zelfs niet een beetje verschoten. Er stond nu een grote kleurentelevisie op de plaats waar vroeger de kleine, lichtblauwe radio stond, waaraan ik me had gelaafd in die bloeitijd van de rock-‘n-roll. Wat meer planten misschien, en nergens asbakken, althans niet zichtbaar – verder alles bij het oude. Ik ging wat ongemakkelijk op de bank zitten, onverminderd (en sinds de ontvangst zelfs in meerdere mate) gehinderd door het priapisme van Guy de Maupassant.
Ik vroeg Tiny of ze nog altijd op dezelfde wijze koffie maakte: heel sterk, met kokende melk aangelengd.
‘Koos drinkt hem nu anders,’ zei ze weinig vriendelijk, ‘maar voor jou kan ik het nog wel een keer op de oude manier doen.’ Tiny verdween naar de keuken. Ze hield er nog altijd die aanstellerig schokkerige manier van zich voortbewegen op na, met half opgeheven onderarmen en geknakte polsen – een beetje slofferig ook, zelfs nu ze haar hoogste hakken droeg. Het was in strijd met haar aanvankelijke verschijning als dame, wat misschien ook precies in haar bedoeling lag. Een clown met een schortje voor, dat is wat ze konden krijgen, de mensen.”

 

 

A. F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)

Doorgaan met het lezen van “A. F.Th. van der Heijden, Boualem Sansal, Friedrich Nietzsche, Michail Lermontov, Italo Calvino, Tessa de Loo”

A. F.Th. van der Heijden, Boualem Sansal, Friedrich Nietzsche

De Nederlandse schrijver A. F. Th. van der Heijden werd geboren in Geldrop op 15 oktober 1951. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2010 en eveneens alle tags voor A. F.Th. van der Heijden op dit blog.

 

Uit: Tonio

“Er was die keer dat hii voor me uit de trap afdaalde, terwijl hij lachend iets over zijn schouder zei. Halverwege stond hij opeens stil, zodat ik tegen hem op botste.

‘Dat ik dat toch ooit geweest ben.’

Op ooghoogte hing tegen de muur van de overloop zrjn portret als kaalhoofdige zuigeling, in een gestreept rompertje dwars in

zijn ledikant liggend, met boven zich kleurige houten ringen waaraan hij zich nog moest leren optrekken. Hij keek schuins in

de camera, happend in het dons.

Tonio schudde zijn hoofcl, alsof het een onbezonnen keuze betrof ‘dat daar ooit te zqn geweest’. Jaren eerder had ik in mijn dagboek

genoteerd dat hij, net zo ongelovig zijn hoofd schuddend, had gezegd: ‘Dat ik toch ooit dood zaI gaan.’

(…)

Soms wil ik hem heel dicht tegen me aan houden. De gedachte doet zich meestal voor als ik in bed lig te lezen, en zomaar opeens mijn boek ter zijde leg. Kom maar, zeg ik dan geluidloos. Kom maar, Tonio, onder het dek. Ik zal je warm houden.
Zijn lichaam is willoos, slap, maar niet koud. Het is de Tonio die na de aanrijding op het plaveisel heeft gelegen, een half etmaal voor zijn dood. De inzittenden van de rode Suzuki Swift staan buiten de auto, en durven niet naar het verderop neergekwakte lijf te kijken. De sirenes van politie en ambulance zijn nog niet hoorbaar. Het blauwe geflakker van de zwaailichten moet nog komen. Het is dan dat ik hem opraap en naar mijn bed draag, waarvan ik het dek opensla.
Kom maar. Dicht tegen me aan. Dat zal je warm houden. Ze komen zo om je beter te maken.”

 

A. F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)

Doorgaan met het lezen van “A. F.Th. van der Heijden, Boualem Sansal, Friedrich Nietzsche”

A. F.Th. van der Heijden, Friedrich Nietzsche, Michail Lermontov, P.G. Wodehouse

De Nederlandse schrijver A. F. Th. van der Heijden werd geboren in Geldrop op 15 oktober 1951. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2010 en eveneens alle tags voor A. F.Th. van der Heijden op dit blog.

 

Uit: Das Scherbengericht (Vertaald door Helga van Beuningen)

1.

Der Bart brannte ihm im Gesicht. Es fühlte sich an, als stäche jedes der harten Haare einzeln. Warum seine Haut so glühte, ob vor Juckreiz oder Scham, wußte er nicht. An einen Bart war er nicht gewöhnt. Wenn die Aufseher mal einen Augenblick nicht auf ihn achteten, wagte er es, sich mit zwei Fingern gleichzeitig zu kratzen, wobei er die Nägel tief zwischen die Haarwurzeln grub. Doch jedesmal, wenn er den Juckreiz geortet zu haben glaubte, sei es am Kinn, sei es an der Wange, hatte sich das Kribbeln rasend schnell woandershin bewegt und tauchte in der Nähe eines Ohrs auf, unter der

Nase oder im Bereich des Adamsapfels. Am liebsten hätte er mit beiden Händen in seinem Gestrüpp gewühlt – hätten Scham und Handschellen es ihm nicht verwehrt.

2.

Vor zwei Monaten hatte sein Anwalt, Douglas Dunning von der Kanzlei Dunning & Hendrix, ihm geraten, vorsorglich etwas an seinem Äußeren zu ändern. »Für eine graue Maus, die mein und dein verwechselt hat, ist Choreo schon kein Ferienparadies. Geschweige denn für eine Berühmtheit wie

dich. Und dann noch bei einer solchen Anschuldigung.«

Dunnings Stimme klang noch hohler und trockener als gewöhnlich. Seine langen Hände, sonst immer hackend in Bewegung, um seiner eintönigen Rede Profil zu verleihen, hingen ihm schlaff zwischen den Oberschenkeln. Genauso viele schlechte Zeichen, wie Finger an ihnen saßen.

»Ach, Doug, diese angebliche Berühmtheit … das empfinde ich überhaupt nicht so. Schauspieler, die auf dem Strip erkannt werden, ja, klar. Meine Tätigkeit habe ich immer als dienenden Beruf betrachtet. Agieren im Off … Im Schatten.«

»Kann man wohl sagen.«

»Nach Choreo werde ich völlig unsichtbar.«

»Ich weiß«, sagte der Anwalt müde. »Das olympische Feuer vor dem Grab des Unbekannten … sag’s noch mal. Aber nicht: Soldaten.«

»Ich bin reif für ein inneres Exil.«

»Verbannt wirst du jetzt erst mal nach Choreo. Äußerst sichtbar. Um nicht zu sagen … ins Auge springend. Du mit deinem tragischen Hintergrund. Dein Leben ist noch viel mehr Allgemeinbesitz als das deiner Kollegen. Und dazu gehört ein Gesicht.«

»Hört das denn nie auf ? Vor acht Jahren hat man mein eigenes Unglück auch schon gegen mich verwandt. Undjetzt …«

 

A. F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)

Doorgaan met het lezen van “A. F.Th. van der Heijden, Friedrich Nietzsche, Michail Lermontov, P.G. Wodehouse”

A. F.Th. van der Heijden, Friedrich Nietzsche, Michail Lermontov, P.G. Wodehouse, Italo Calvino, Tessa de Loo, Mario Puzo, Vergilius

De Nederlandse schrijver A. F. Th. van der Heijden werd geboren in Geldrop op 15 oktober 1951. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2006 en ook mijn blog van 15 oktober 2007 en ook mijn blog van 15 oktober 2008 en ook mijn blog van 15 oktober 2009.

Uit: Het hof van barmhartigheid (De tandeloze tijd, 3)

“Zaterdag 17 februari 19**, middaguur. Het bleef even stil in het café na de laatste uitzending over ‘de zaak-Gea L.’ Geen extra land- en tuinbouwberichten.
‘Mooie muziek ook,’ zei iemand.
‘Het is me wat. Eerst dat achthonderdjarig bestaan. Nu die heks weer. Lummel wordt nog ’s wereldberoemd.’
‘Benieuwd of er vanmiddag weer dagjesmensen komen.’
‘Als het weer het toelaat.’
‘Hee, Cor, kom hier zitten.’
‘Als je maar niet weer begint te zeiken.’
‘Twee pilsjes hier, Siem. Vond je ervan, Cor? Heeft ze het nou gedaan, volgens jou, of toch niet?’
‘Zij of een ander, wat maakt het uit?’
‘Het mens houdt voet bij stuk.’
‘Hardnekkige tante, ja. Maar veroordeeld is veroordeeld.’
‘Zeg nou ’s eerlijk, Cor…’
‘Beginnen we weer?’
‘Nee, nou ’s effetjes serieus. Heb jij er ooit eentje koud gemaakt, ja ofte nee?’
‘Jij?’
‘Nee, ik vraag ’t jou. Eerst jij.’
‘Als je beter had opgelet, niet had zitten slapen, zou je die vraag niet hoeven stellen.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Precies wat ik zeg.’
‘Ik vat je niet.’
‘Laat maar.’
‘Ik vroeg je iets.’
‘Voor de zoveelste keer, Cas: ik heb het altijd handiger aangepakt. Niet dat geknoei van een oud baasje een kopje kleiner maken voor honderd gulden of minder. ’t Sop is de kool niet waard. Veel te link. Ik speculeer met de hormonen van weeuwtjes, ouwe vrijsters, gescheiden vrouwen. Ik geef ze wat terug voor hun geld.’
‘Slaag…’
‘Als ’t moet.’
‘Nooit te hard geslagen?’
‘Wat bedoel je? Een blauw oog?’
‘Nee, echt, het betere werk. Dat ze niet meer opstonden en zo.’
‘Och… meteen opstaan deden ze soms niet. Later weer wel. Je kunt niet aldoor blijven liggen.’
‘Zo kunnen we doorgaan. Ik bedoel natuurlijk: dat ‘r geen leven meer in zat en zo.’
‘O, op die manier. Nooit. Tenminste…’
‘Ik luister.’
‘Wie ben jij nou helemaal dat ik zin heb om ’t te vertellen. Dat snap ik niet.’

 van der Heijden

A. F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)

 

De Duitse dichter, filosoof, filoloog en schrijver Friedrich Nietzsche werd geboren op 15 oktober 1844 in Röcken ten zuidwesten van Leipzig. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2008 en ook mijn blog van 15 oktober 2009.

Allen Schaffenden geweiht

Welt-Unabtrennliche
Laßt uns sein!
Das Ewig-Männliche
Zieht uns hinein.

 

Am Gletscher

Um Mittag, wenn zuerst
Der Sommer in’s Gebrige steigt,
Der Knabe mit den müden, heißen Augen:
Da spricht er auch,
Doch sehen wir sein Sprechen nur.
Sein Athem quillt wie eines Kranken Athem quillt
In Fieber-Nacht.
Es geben Eisgebirg und Tann’ und Quell
Ihm Antwort auch,
Doch sehen wir die Antwort nur.
Denn schneller springt vom Fels herab
Der Sturzbach wie zum Gruß
Und steht, als weiße Säule zitternd,
Sehnsüchtig da.
Und dunkler noch und treuer blickt die Tanne,
Als sonst sie blickt
Und zwischen Eis todtem Graugestein
Bricht plötzlich Leuchten aus — —
Solch Leuchten sah ich schon: das deutet mir’s. —

Auch todten Mannes Auge
Wird wohl noch Ein Mal licht,
Wenn harmvoll ihn sein Kind
Umschlingt und hält und küßt:
Noch Ein Mal quillt da wohl zurück
Des Lichtes Flamme, glühend spricht
Das todte Auge: ‘Kind!
Ach Kind, du weißt, ich liebe dich!’ —
Und glühend redet Alles–Eisgebirg
Und Bach und Tann —
Mit Blicken hier das selbe Wort:
‘Wir lieben dich!
Ach Kind, du weißt, wir lieben, lieben dich!’

Und er,
Der Knabe mit den müden heißen Augen,
Er küßt sie harmvoll,
Inbrünst’ger stets,
Und will nicht gehn;
Er bläst sein Wor wie Schleier nur
Von seinem Mund,
Sein schlimmes Wort
‘mein Gruß ist Abschied,
mein Kommen Gehen,
ich sterbe jung.’

Da horcht es rings
Und athmet kaum:
Kein Vogel singt.
Da überläuft
Es schaudernd, wie
Ein Glitzern, das Gebirg.
Da denkt es rings —
Und schweigt — —

Um Mittag war’s,
Um Mittag, wenn zuerst
Der Sommer ins Gebirge steigt,
Der knabe mit den müden heißen Augen.

Nietzsche

Friedrich Nietzsche (15 oktober 1844 – 25 augustus 1900)

 

De Russische dichter en schrijver Michail Joerjevitsj Lermontov werd geboren op 15 oktober 1814 in Moskou. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2006. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2008 en ook mijn blog van 15 oktober 2009.

Den Freunden

Geborn bin ich mit heißem Herzen,
Bei Freunden liebe ich’s zu sein,
Und, wenn die Flasche kreist, mit Scherzen
Die Zeit zuweilen zu zerstreun.

Bin nicht dem lauten Ruhm gewogen,
Die Liebe wärmt mein Herz allein;
Der volle Leierklang, sein Wogen,
Kann gleichsam mir das Herz erfreun.

Doch oft im hemmungslosen Schwärmen
Quält sich mein Geist in Schmerz und Leid
Und noch im wilden Rausch, im Lärmen,
Zerdrückt mein Herz des Denkens Stein.

 

Mein Stoßgebet

Gott soll vor Fliegen mich bewahren,
Vorm Mädchen, das nicht lieben kann,
Vor Freunden, die sich offenbaren,
Vorm alten Weib, das liebeskrank.

 

Vertaald door Eric Boerner

 

Verlangen

O, waaróm geen vogel zijn, raaf, die daar hoog
In de lucht pas nog boven me vloog,
Is hemelwaarts zweven niet doenlijk voor mij,
Er de vrijheid beminnen niet bij?

Dan was ik naar ’t westen, het westen gesneld,
Naar het bloeiend voorvaderlijk veld,
Naar nevelig bergland, een ledig kasteel,
Waar hun stof rust, vergeten geheel.

Hun erfelijk schild hangt geblutst aan de muur,
Met hun roestige slagzwaard als buur,
Op schild en op zwaard vloog ik dadelijk af,
Met mijn vlerk veegde ik stof ervanaf.

Een harpsnaar, een Schotse, sloeg ik dan aan,
En de klank zou het weefsel langs gaan,
Door maar één gehoord, en gewekt maar door één,
Klonk hij óp, en zo ging hij ook heen.

Maar dromen: vergeefs, en onnut het gebed
Tegen noodlots draconische wet.
Tussen mij en mijn vaderlands heuvelen strekt
Zich een zee uit, met golven bedekt.

Van dappere strijders de laatste verwant,
Kwijn ik weg in de sneeuw van vreemd land;
Hiér werd ik geboren, van ziél woon ik daar…
O, was ik zo’n stepperaaf maar!

 

Vertaald door Kees Jiskoot

lermontov

Michail Lermontov (15 oktober 1814 – 27 juli 1841)
Standbeeld in Pjatigorsk

 

De Brits-Amerikaanse schrijver Grenville Wodehouse werd geboren op 15 oktober 1881 in Guildford. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2006 en ook mijn blog van 15 oktober 2008 en ook mijn blog van 15 oktober 2009.

Uit: Uneasy Money

“In trying interviews, as in sprint races, the start is everything. It was the fact that she recovered more quickly from her astonishment that enabled Claire to dominate her scene with Bill. She had the advantage of having a less complicated astonishment to recover from, for, though it was a shock to see him there when she had imagined that he was in New York, it was not nearly such a shock as it was to him to see her here when he had imagined that she was in England. She had adjusted her brain to the situation while he was still gaping.

‘Well, Bill?’

This speech in itself should have been enough to warn Lord Dawlish of impending doom. As far as love, affection, and tenderness are concerned, a girl might just as well hit a man with an axe as say

‘Well, Bill?’ to him when they have met unexpectedly in the moonlight after long separation. But Lord Dawlish was too shattered by surprise to be capable of observing nuances. If his love had ever waned or faltered, as conscience had suggested earlier in the day, it was at full blast now.

‘Claire!’ he cried.

He was moving to take her in his arms, but she drew back.

‘No, really, Bill!’ she said; and this time it did filter through into his disordered mind that all was not well. A man who is a good deal dazed at the moment may fail to appreciate a remark like

‘Well, Bill?’ but for a girl to draw back and say, ‘No, really, Bill!’ in a tone not exactly of loathing, but certainly of pained aversion, is a deliberately unfriendly act. The three short words, taken in conjunction with the movement, brought him up with as sharp a turn as if she had punched him in the eye.

‘Claire! What’s the matter?’

She looked at him steadily. She looked at him with a sort of queenly woodenness, as if he were behind a camera with a velvet bag over his head and had just told her to moisten the lips with the tip of the tongue. Her aspect staggered Lord Dawlish. A cursory inspection of his conscience showed nothing but purity and whiteness, but he must have done something, or she would not be staring at him like this.

‘I don’t understand!’ was the only remark that occurred to him.

‘Are you sure?’

‘What do you mean?’

‘I was at Reigelheimer’s Restaurant–Ah!’

wodehouse

P.G. Wodehouse (15 oktober 1881 – 14 februari 1975)

 

De Italiaanse schrijver Italo Calvino werd geboren in Santiago de las Vegas op Cuba op 15 oktober 1923. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2008 en ook mijn blog van 15 oktober 2009.

Uit: Die unsichtbaren Städte (Vertaald door Burkhart Kroeber)

Die Städte und der Wunsch

Despina erreicht man auf zweierlei Weise: per Schiff oder per Kamel.

Die Stadt präsentiert sich unterschiedlich, je nachdem, ob man vom Land oder vom Meer zu ihr kommt. Der Kamelreiter, der am Horizont der Hochebene die Spitzen der Wolkenkratzer, die Radarantennen, die flat ternden weißroten Windsäcke und die rauchenden Schlote auftauchen sieht, denkt an ein Schiff, er weiß, daß es eine Stadt ist, aber er denkt sie sich wie ein großes Wasserfahrzeug, das ihn aus der Wüste fortbringt, ein Segelschiff, das gleich ablegen wird, während der Wind bereits die noch nicht losgebundenen Segel bläht, oder ein Dampfschiff mit vibrierendem Kessel im eisernen Rumpf, und er denkt an all die Häfen, an die Waren aus Übersee, die von den

Kränen auf den Docks entladen werden, an die Tavernen, in denen Crews aus verschiedenen Ländern einander Flaschen auf den Schädeln zerbrechen, an die erleuchteten Fenster im Erdgeschoß, jedes mit einer Frau darin, die sich kämmt.

Im Dunst der Küste unterscheidet der Seemann die Form eines Kamelhöckers, eines mit glitzernden Fransen verzierten Sattels zwischen zwei gefleckten Buckeln, die schwankend näher kommen, er weiß, daß es eine Stadt ist, aber er denkt sie sich wie ein Kamel, von dessen Tragsattel Schläuche und Doppelsäcke mit kandierten Früchten, Dattelwein, Tabakblättern hängen, und er sieht sich schon an der Spitze einer langen Karawane, die ihn aus der Meereswüste fortbringt zu Süßwasseroasen im gestreiften Schatten der Palmen, zu Palästen mit dicken Kalkmauern und gekachelten Höfen, in denen Tänzerinnen barfuß tanzen und die Arme mal unter, mal über dem Schleier bewegen.

Die unsichtbaren Städte | Italo Calvino Jede Stadt empfängt ihre Form von der Wüste, der sie sich

entgegenstellt; und so sehen der Kamelreiter und der Seemann Despina, die Stadt auf der Grenze zwischen zwei Wüsten.”
calvino
Italo Calvino (15 oktober 1923 – 19 november 1985)

 

De Nederlandse schrijfster Tessa de Loo (pseudoniem van Tineke Duyvené de Wit) werd op 15 oktober 1946 in Bussum geboren. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2008 en ook mijn blog van 15 oktober 2009.

Uit: Isabelle

“Jij denkt dat ‘t heerlijk is om mooi te zijn…’Isabelle had haar benen opgetrokken en haar armen om haar enkels geslagen.
‘Je gaat me toch niet vertellen dat je eronder gebukt gaat,’zei Jeanne vinnig.
‘Ze houden van me…’ Isabelle haalde diep adem,’om mijn buitenkant , mijn omhulsel, niet om mezelf. Of ze haten me erom zoals jij, zonder me te kennen. Voor veel regisseurs ben ik niet meer dan een domme, blonde pop. Als ik met een eigen visie kom, luisteren ze niet. Ik moet enorme stennis maken om gehoord te worden. Dan wordt er geschreven dat ik een kreng ben, dat de roem me naar het hoofd gestegen is.’
Jeanne stond op. Er gebeurde iets wat ze niet kon bevatten: ineens kwamen er woorden terug. Klachten, over een wereld die zijn niet kende en haar niet interesseerde.”

deloo

Tessa de Loo (Bussum, 15 oktober 1946)

 

De Amerikaanse schrijver Mario Puzo werd geboren in New York op 15 oktober 1920. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2008 en ook mijn blog van 15 oktober 2009.

Uit: Der letzte Pate (Vertaald door Gisela Stege, Veronika Dünninger, Bernhard Schmidt)

“Am Palmsonntag, ein Jahr nach dem Großen Krieg gegen die Santadios, feierte Don Domenico Clericuzio die Taufe zweier Neugeborener aus dem Kreis seiner Blutsverwandten und traf die wichtigste Entscheidung seines Lebens. Er lud die größten Familienchefs von Amerika zu sich ein, dazu Alfred Gronevelt, den Eigentümer des Hotels Xanadu in Vegas, und David Redfellow, der sich in den Vereinigten Staaten ein riesiges Drogenimperium aufgebaut hatte. Sie alle waren mehr oder

weniger seine Partner.

Nun wollte das mächtigste Familienoberhaupt Amerikas, Don Clericuzio, seine Macht abtreten – nach außen hin. Es wurde Zeit, mit anderen Karten zu spielen; demonstrative Macht war zu gefährlich. Der Machtwechsel an sich barg jedoch einige Gefahren. Deswegen musste er äußerst behutsam und mit großem Wohlwollen vorgehen. Und zwar auf eigenem Grund und Boden, im Zentrum seiner Macht.

Das Anwesen der Clericuzios in Quogue war zwanzig Morgen groß und von einer drei Meter hohen roten, mit Stacheldraht und elektronischen Sensoren bewehrten Mauer umgeben. Auf diesem Areal lagen außer dem Herrenhaus die Villen seiner drei Söhne sowie zwanzig kleinere Häuser für zuverlässige Gefolgsleute der Familie.

Bevor die geladenen Gäste eintrafen, setzte sich der Don im Spaliergarten hinter dem Herrenhaus mit seinen Söhnen an einem weißen gusseisernen Tisch zusammen. Giorgio, der älteste, war hochgewachsen, trug einen kleinen, flotten Schnurrbart und besaß die schlaksige Figur eines britischen Gentlemans, die er mit maßgeschneiderten Anzügen noch betonte. Er war siebenundzwanzig, verschlossen, hatte einen scharfen Verstand und harte Gesichtszüge. Der Don teilte Giorgio mit, dass er sich um die Aufnahme in die Wharton School of Business bewerben solle, um alle Tricks zu erlernen, mit deren Hilfe man Geld stehlen könne, ohne das Gesetz zu übertreten.

Giorgio erhob keine Einwände; dieser Befehl seines Vaters kam einem königlichen Edikt gleich und stand nicht zur Diskussion. Also nickte er gehorsam.”

 puzo

Mario Puzo (15 oktober 1920 – 2 juli 1999)

 

De biografische data zijn onzeker en berusten op verhalen en legenden, maar de internationale internet encyclopedie Wikipedia geeft 15 oktober 70 v. Chr. als geboortedatum van Publius Vergilius Maro. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2006 en ook mijn blog van 15 oktober 2008 en ook mijn blog van 15 oktober 2009.

Uit: Aeneis I  (Vertaald door P. W. de Koning)

Oudtijds was er een stad, een kolonie van Tyrische mannen,
Over Italië lag zij, Karthago, ver over de monding
Van den Tiber, welvarende en stout in de kunsten van d’oorlog:
Welke Juno gezegd wordt het meeste te hebben bevoorrecht,
Meer dan Samos zelfs, dat dáár haar wapenen waren,
Dáár haar strijdkar stond, terwijl zij háár, van den aanvang
Af, tot gebiedster van d’aard had bestemd: – zoo het lot het gedoogde.
Maar ook was haar voorspeld, dat een stam, uit Troje gesproten,
Eens die Tyrische stad zou verwoesten en sedert uit dezen
’t Volk zou komen, dat Koning zou zijn, door de zege verheerlijkt,
Tot verderf van het Libysche Rijk: dat de Parcen dit dreven.
Dit dus vreesde Saturnus’ kind en herdacht zich den oorlog
Dien zij, bij Troje, gevoerd had, vóór allen, uit gunst tot d’Argivers;
Ook waren nog niet die reednen van toorn, die haar hart eens zoo griefden,
Uit haar zinnen gegaan; want diep in haar binnenste wrokten
’t Rechterlijk oordeel van Paris, de hoon der geminachte schoonheid
En het gehate geslacht en het eereambt van Ganymedes.
Zoo dus, te meer nog vergramd, heeft zij ’t overschot van de Trojanen,
Wat de Danäers niet hadden gedood noch de grimmige Achilles,
Rondgeslingerd op zee en van Latium verre gehouden.
Heel veel jaren dus zwierven zij om, door het Noodlot gedreven;
Zóó veel werks had het in, het volk van Rome te gronden.

vergilius

Vergilius (15 oktober 70 v. Chr. – 21 september 19 voor Chr.)
Buste in Rome

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Nederlandse schrijver Kees Beekmans (1961) studeerde Nederlandse Taal en Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam voordat hij als journalist bij de Volkskrant aan de slag ging. Ruim tien jaar geleden wilde hij wat anders; hij besloot les te gaan geven op een ‘zwarte school’ in Amsterdam. Over zijn ervaringen schreef hij verhalen, die werden gepubliceerd in Margriet, Trouw en NRC Handelsblad. Met zijn artikelen in laatstgenoemde won hij in 1995 zijn eerste Zilveren Zebra. De bundeling van zijn verhalen ‘Eén hand kan niet klapt’ (2004) sleepte in 2004 de E. du Perronprijs in de wacht. Momenteel schrijft hij onder meer columns voor De Groene Amsterdammer en de Volkskrant over zijn verblijf in Marokko.

Uit: Sirocco

„Wat míj vooral aan hem opviel, was wat ikzelf miste: zijn daadkracht, zijn brutaliteit ook, zijn lef. Van die rondreis keerde hij ’s avonds laat terug, doodmoe, nam zijn intrek in hotel Terminus, en viel onmiddellijk in slaap — niet gehinderd door de smoezeligheid van de kamer of de kakkerlakken die voor hem wegvluchtten. Integendeel, geheel verkwikt door een goede nachtrust liet hij zich de volgende morgen – dus nog geen dag in Rabat — door een taxi naar de letterenfaculteit van Universiteit Mohammed v rijden, om bij het secretariaat te informeren of hij op dinsdag- en donderdagochtend een lokaal kon krijgen voor een cursus creative writing. Het was in eerste instantie maar voor een trimester, zei hij erbij, een workshop van twaalf bijeenkomsten.
‘Zo’n verzoek,’ zou Alain me later vertellen, ‘krijgen ze toch niet iedere dag, leek me, maar de vrouw die daar zat, tegen de veertig, niet onknap, liet niets van verbazing blijken. Ze knikte ten teken dat ze me begrepen had — alsof er dagelijks Fransen komen binnenlopen die een leslokaal nodig hebben.’
Als dat Marokkko was, dan mocht hij dit land wel. Alain meende zelfs te zien dat de secretaresse hem met een zekere belangstelling bekeek. Ze zei vriendelijk dat hij een dergelijk verzoek schriftelijk moest richten aan de decaan van de faculteit. Als hij haar die brief gaf, wilde zij er wel voor zorgen dat die bij haar baas terechtkwam.
‘Kan ik ’m hier schrijven?’ vroeg Alain, en hij wees op de computer op het andere bureau, waar niemand zat.
De secretaresse glimlachte en maakte een uitnodigend gebaar.
‘Wat moet er precies in staan?’
Nog diezelfde middag belde ze Alain om te zeggen dat hij toestemming had van de decaan. Zo schopte hij het binnen een dag — zijn rondreis niet meegerekend — tot onbezoldigd docent van Marokko’s meest prestigieuze universiteit.
En in de loop der maanden kwamen er steeds meer studenten, en studentes, op zijn workshop af — wat me, Alain inmiddels wat beter kennende, absoluut niet verbaasde. ‘De eerste keer waren het er vier, twee weken later al acht, en nu, alweer het derde trimester dat ik de cursus geef, zitten we daar iedere week met z’n dertigen, soms nog wel meer. Hoop lekkere wijven ook.’
‘Dat je ooit hebt gedacht dat je zo’n cursus kón geven…’ zei ik met bewondering in mijn stem. ‘Je zei dat je twéé verhalen in een literair tijdschrift had gepubliceerd?’
‘Hoeveel zou ik er dan gepubliceerd moeten hebben, volgens jou?“

 beekmans

Kees Beekmans (1961)

A. F.Th. van der Heijden, Friedrich Nietzsche, Michail Lermontov, P.G. Wodehouse, Italo Calvino, Tessa de Loo, Mario Puzo, Vergilius

De Nederlandse schrijver A. F. Th. van der Heijden werd geboren in Geldrop op 15 oktober 1951. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2006 en ook mijn blog van 15 oktober 2007 en ook mijn blog van 15 oktober 2008.

 

Uit: The Movo Tapes

Now that all parties directly involved are dead (only Movo’s daughter Jolente is still alive), I can finally unfold the story in its entirety. For my own entertainment and that of my fellows, all of whom still possess their own name.
Movo died six months ago, just before his fiftieth birthday. Since then, Jolente has been working with two employees of the Constantijn Huygens Institute on a compilation of excerpts from her father’s impossible magnum opus
God’s Poems. The book has been announced for next autumn and will be published by De Spiegel, an imprint of the Hoek Keizersgracht-Spiegelstraat publishing company. It’s been in the papers and even made the TV news. I was moved to see that Hoek had survived all the mergers and reorganisations, as well as rising illiteracy, despite years of having to cope without the free advice of Movo’s grandfather, Olle Tornij. Their offices hadn’t even moved, they were still in the old building on the corner of Keizersgracht and Spiegelstraat. It seemed that they now came under the umbrella of an even larger group: Uitgeverijen Nederland & Vlaanderen BV, soon to be subsumed within European Publishers Ltd. The “highly distinctive character? of De Spiegel’s list would not be compromised, I read. Excellent, that means that Movo’s God’s Poems will reach the public, who for the first time will be able to read a book that cannot humanly be written, it testifies to that and bears the traces of that impossibility. Wonders will never cease.“

 

Uit: Der Anwalt der Hähne Vertaald door Helga van Beuningen)

„Montag, 29. April 1985

Er hätte besser daran getan, allein seinem Geruchs- und seinem Geschmackssinn zu trauen, und auch nur so weit, wie sie ihn seine eigene Verrottung riechen und schmecken ließen: Was sein Ohr auffing, war durch Angst bis zur Unkenntlichkeit verzerrt, unter seiner Berührung erhielten die Dinge auf der Stelle eine andere Haut, während seine Augen, sogar weit geöffnet, kaum mehr etwas anderes sahen als das Schauspiel, das sein vergiftetes Hirn für sich selbst inszenierte.

»Weg da. Weg, sag ich.«

Der erste verschaffte sich Zugang durch das Souterrainfenster, der zweite, indem er die Eingangstür mit einer Brechstange aufstemmte, woraufhin ein Dritter und ein Vierter sich an einem Seil im Lichthof herunterließen, an dem die Schlafzimmerfenster lagen. »Ksstt … haut ab! Laßt mich in Frieden.«

Nein, es war kein Traum. Er träumte nicht. Er schlief nicht. Er war schmerzhaft wach. Er hörte sie ins Haus eindringen einen nach dem anderen, zum Teil auch zu mehreren zugleich, konnte ihnen aber mit dem Gehör schon bald nicht mehr folgen. Immer wieder verlor er die Spur der Geräusche, und dann war es wieder still – bis erneut irgendwo ein Fenster aufgehebelt wurde. »He, ihr da. Macht, daß ihr wegkommt! «

 

vanderheijden2
A. F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)

 

De Duitse dichter, filosoof, filoloog en schrijver Friedrich Nietzsche werd geboren op 15 oktober 1844 in Röcken ten zuidwesten van Leipzig. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2008.

 

Diesen ungewissen Seelen

Diesen ungewissen Seelen

Bin ich grimmig gram.

All ihr Ehren ist ein Quälen,

All ihr Lob ist Selbstverdruß und Scham.

Daß ich nicht an ihrem Stricke

Ziehe durch die Zeit,

Dafür grüßt mich ihrer Blicke

Giftig – süßer hoffnungsloser Neid.

Möchten sie mir herzhaft fluchen

Und die Nase drehn!

Dieser Augen hilflos Suchen

Soll bei mir auf ewig irregehn.

 

Nach neuen Meeren

Dorthin – will ich; und ich traue

Mir fortan und meinem Griff.

Offen liegt das Meer; ins Blaue

Treibt mein Genueser Schiff.

Alles glänzt neu und neuer,

Mittag schläft auf Raum und Zeit –

Nur dein Auge – ungeheuer

Blickt mich’s an, Unendlichkeit!

 

Das trunkene Lied

O Mensch! Gib acht!

Was spricht die tiefe Mitternacht?

“Ich schlief, ich schlief -,

aus tiefem Traum bin ich erwacht: –

Die Welt ist tief,

und tiefer als der Tag gedacht.

Tief ist ihr Weh -,

Lust – tiefer noch als Herzeleid:

Weh spricht: Vergeh!

doch alle Lust will Ewigkeit -,

– will tiefe, tiefe Ewigkeit!”

 

friedrich-nietzsche

Friedrich Nietzsche (15 oktober 1844 – 25 augustus 1900)

Portret door Edvard Munch, 1906

 

De Russische dichter en schrijver Michail Joerjevitsj Lermontov werd geboren op 15 oktober 1814 in Moskou. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2006. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2008.

 

Der Engel

Den Mitternachtshimmel ein Engel durchzog,
Sang leise ein Lied, als er flog,
Der Mond und die Sterne, die Wolken gesamt,
Sie lauschten dem heiligen Liede gebannt.

Er sang von der Seligkeit sündloser Seelen
In den Gebüschen der Gärten von Eden,
Er sang von der göttlichen Größe, sein Lob
Keinesfalls trog.

Er trug eine Seele, die jung war, im Arm
In eine Welt voller Tränen und Harm;
Der Ton seines Lieds in der Seele noch lang
Lebendig auch ganz ohne Worte erklang.

Sie quälte im Weltlauf noch lange sich still
Von herrlicher Sehnsucht erfüllt,
Nie konnte verdrängen den himmlischen Klang
Der irdische, öde Gesang.

 

Schwarze Augen

Sommernacht hat viele Sterne;
Warum du nur ihrer zwei?
Südens Augen! Tiefe Schwärze!
Trafen uns zur schlechten Zeit.

Wer auch fragt, die Sternennächte
Sprechen nur vom Himmelsglück;
Schwarze Augen, eure Sterne
Sind mein höllisches Entzücken.

Südens Augen, schwarze Augen,
Las der Liebe Urteil hier,
Tages- und auch Nachtgestirne
Seid ihr seit dem Zeitpunkt mir! –

 

Herbst

Laub im Feld hat angefangen
Gelber kreisend zu entfliehn;
Nur im Nadelwald die Tannen
Hängen voller finstrem Grün.
Unter Felsens Überhange
Liebt’s der Schnitter schon nicht mehr,
Zwischen Blumen auszuspannen
Mittags von der Arbeit schwer.
Instinktiv fliehn wilde Tiere
Irgendwo in ihr Versteck.
Blasser Mondschein: nur noch silbern
Glänzt im Nebel schwach das Feld.

Mikhail_lermontov
Michail Lermontov (15 oktober 1814 – 27 juli 1841)
Portret door A. Chelyshev

 

De Brits-Amerikaanse schrijver Grenville Wodehouse werd geboren op 15 oktober 1881 in Guildford. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2006 en ook mijn blog van 15 oktober 2008.

 

Uit: Uncle Fred in the Springtime

“That pig is too fat.”

“Too fat?”

“Much too fat. Look at her. Bulging.”

“But my dear Alaric, she is supposed to be fat.”

“Not as fat as that.”

“Yes, I assure you. She has already been given two medals for being fat.”

“Don’t be silly, Clarence. What would a pig do with medals? It’s no good trying to shirk the issue. There is only one word for that pig—gross. She reminds me of my aunt Horatia, who died of apoplexy during Christmas dinner. Keeled over halfway through her second helping of plum pudding and never spoke again. This animal might be her double. And what do you expect? You stuff her and stuff her and stuff her, and I don’t supposed she gets a lick of exercise from one week’s end to another. What she wants is a cracking good gallop every morning and no starchy foods. That would get her into shape.”

Lord Emsworth has recovered the pince-nez which emotion had caused, as it always did, to leap from his nose. He replaced them insecurely.

“Are you under the impression,” he said, for when deeply moved he could be terribly sarcastic, “that I want to enter my pig for the Derby?”

The duke has been musing. He had not liked that nonsense about pigs being given medals and he was thinking how sad all this was for poor Connie. But at these words, he looked up sharply. An involuntary shudder shook him and his manner took on a sort of bedside tenderness.

“I wouldn’t, Clarence.”

“Wouldn’t what?”

“Enter this pig for the Derby. She might not win, and then you would have had all your trouble for nothing.”

We jump forward about 70 pages. Here the Duke is now discussing Lord Emsworth and his pig with Lord Ickenham. The Duke again begins the exchange.

“Here are the facts. He’s got a pig, and he’s crazy about it.”

“The good man loves his pig.”

“Yes, but he doesn’t want to run it in the Derby.”

“Does Emsworth?”

“Told me so himself”

Lord Ickenham looked dubious.

“I doubt the stewards would accept a pig. You might starch its ears and enter it as a greyhound for the Waterloo Cup, but not the Derby.”

“Exactly. Well, that shows you.”

“It does, indeed.”

 

wodehouse2
P.G. Wodehouse (15 oktober 1881 – 14 februari 1975)

 

De Italiaanse schrijver Italo Calvino werd geboren in Santiago de las Vegas op Cuba op 15 oktober 1923. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2008.

Uit: The Adventure of a Poet (Vertaald door Tim Parks)

 

“THE LITTLE island had a high, rocky shoreline. On it grew the thick, low scrub, the vegetation that survives by the sea. Gulls flew in the sky. It was a small island near the coast, deserted, uncultivated: in half an hour you could circle it in a rowboat, or in a rubber dinghy like the one the approaching couple had, the man calmly paddling, the woman stretched out, taking the sun. As they came nearer, the man listened intently.
“What do you hear?” she asked.
“Silence,” he said. “Islands have a silence you can hear.”
In fact, every silence consists of the network of minuscule sounds that enfolds it: the silence of the island was distinct from that of the calm sea surrounding it because it was pervaded by a vegetable rustling, the calls of birds, or a sudden whirr of wings.
Down below the rock, the water, without a ripple these days, was a sharp, limpid blue, penetrated to its depths by the sun’s rays. In the cliff faces the mouths of grottoes opened, and the couple in the rubber boat were going lazily to explore them.
It was a coast in the South, still hardly affected by tourism, and these two were bathers who came from elsewhere. He was one Usnelli, a fairly well known poet; she, Delia H., a very beautiful woman.
Delia was an admirer of the South, passionate, even fanatical, and, lying in the boat, she talked with constant ecstasy about everything she was seeing, and perhaps also with a hint of hostility toward Usnelli, who was new to those places and, it seemed to her, did not share her enthusiasm as much as he should have.
“Wait,” Usnelli said, “wait.”
“Wait for what?” she said. “What could be more beautiful than this?”
He, distrustful (by nature and through his literary education) of emotions and words already the property of others, accustomed more to discovering hidden and spurious beauties than those that were evident and indisputable, was still nervous and tense. Happiness, for Usnelli, was a suspended condition, to be lived holding your breath. Ever since he began loving Delia, he had seen his cautious, sparing relationship with the world endangered; but he wished to renounce nothing, either of himself or of the happiness that opened before him. Now he was on guard, as if every degree of perfection that nature achieved around him a decanting of the blue of the water, a languishing of the coast’s green into gray, the glint of a fish’s fin at the very spot where the sea’s expanse was smoothest were only heralding another, higher, degree, and so on to the point where the invisible line of the horizon would part like an oyster revealing all of a sudden a different planet or a new word.
They entered a grotto. It began spaciously, like an interior lake of pale green, under a broad vault of rock. Farther on, it narrowed to a dark passage. The man with the paddle fumed the dinghy around to enjoy the various effects of the light. The light from outside, through the jagged aperture, dazzled with colors made more vivid by the contrast. The water there sparkled, and the shafts of light ricocheted upward, in conflict with the soft shadows that spread from the rear. Reflections and flashes communicated to the rock walls and the vault the instability of the water.
“Here you understand the gods,” the woman said.”

Calvino-1

Italo Calvino (15 oktober 1923 – 19 november 1985)

 

De Nederlandse schrijfster Tessa de Loo (pseudoniem van Tineke Duyvené de Wit) werd op 15 oktober 1946 in Bussum geboren. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2008.

 

Uit: De zoon uit Spanje

“De wijkverpleegster werd afgebeld, de kinderen wilden geen vreemden over de vloer op mijn verjaardag. Het gevolg hiervan was dat ik duizend doden stierf terwijl ik boven de po-stoel hing, aan een belachelijk onesthetisch apparaat dat tillift heet. Als een autowrak aan een hijskraan hing ik daar voor de ogen van mijn eigen dochter. Dit is het einde, zei ik tegen mezelf, ik ben er niet meer bij om dit mee te maken. Ik val niet meer samen met mijn lichaam, dat eropuit is me ook nog van mijn waardigheid te beroven. Hierbij verklaar ik mijn lichaam de oorlog, we kunnen onmogelijk langer bevriend blijven.
Zo begon die gedenkwaardige dag Ida, die nog heel wat verrassingen voor mij in petto had. Je denkt: ik ben oud en ziek, ik heb mijn plichten vervuld, nu komt de beloning. Vergeet het maar Ida, niet in dit leven.
Ik zou mijn gedachten wel eens even uit willen zetten. Innerlijke rust en stilte, dat is waar ik behoefte aan heb. In plaats daarvan hoor ik binnen in mijn hoofd mijn eigen stembuigingen, mijn eigen dictie en intonatie, steeds dezelfde zender met steeds hetzelfde programma. Het is onmogelijk op bestelling aangename, milde gedachten te krijgen waarop je prettig kunt wegzeilen.
Je denkt toch niet dat ik medelijden heb met mezelf? En wat dan nog? Als niemand anders het heeft? Ik zou je laten lachen, zeg je, goed dan.
Ze hadden de kamer versierd en overal stonden vazen met bloemen. Mijn rolstoel werd naar het raam gereden, zodat ik naar buiten kon kijken. En daar zag ik op die druilerige dag in mei, terwijl de takken van de struiken bogen onder het gewicht van regendruppels, mijzelf als jonge man, blakend van gezondheid, druk aan het spitten in de tuin. Af en toe komt hij overeind om met zijn zakdoek het zweet van zijn voorhoofd te vegen, vergenoegd om zich heen kijkend. Hou maar op, roep ik hem toe, hou op met dat idiote gespit en wees zuinig op je spieren! Zet je schop in de schuur en laat de natuur haar gang gaan. Ze doet sowieso wat ze wil vroeg of laat, de natuur.
‘Ik heb zin in een borrel,’ zeg ik.
‘U weet best dat u geen sterke drank mag.’ Hilde is compromisloos op dit punt.
‘Zelfs ter dood veroordeelden krijgen een galgenmaal,’ protesteer ik, ‘gun een man die stervende is toch zijn opkikkertje.”

loo

Tessa de Loo (Bussum, 15 oktober 1946)

 

De Amerikaanse schrijver Mario Puzo werd geboren in New York op 15 oktober 1920. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2008.

Uit: The Godfather

“Amerigo Bonasera sat in New York Criminal Court Number 3 and waited for justice; vengeance on the men who had so cruelly hurt his daughter, who had tried to dishonor her.

The judge, a formidably heavy-featured man, rolled up the sleeves of his black robe as if to physically chastise the two young men standing before the bench. His face was cold with majestic contempt. But there was something false in all this that Amerigo Bonasera sensed but did not yet understand.

“You acted like the worst kind of degenerates,” the judge said harshly. Yes, yes, thought Amerigo Bonasera. Animals. Animals. The two young men, glossy hair crew cut, scrubbed clean-cut faces composed into humble contrition, bowed their heads in submission.

The judge went on. “You acted like wild beasts in a jungle and you are fortunate you did not sexually molest that poor girl or I’d put you behind bars for twenty years.” The judge paused, his eyes beneath impressively thick brows flickered slyly toward the sallow-faced Amerigo Bonasera, then lowered to a stack of probation reports before him. He frowned and shrugged as if convinced against his own natural desire. He spoke again.

“But because of your youth, your clean records, because of your fine families, and because the law in its majesty does not seek vengeance, I hereby sentence you to three years’ confinement to the penitentiary. Sentence to be suspended.”

Only forty years of professional mourning kept the overwhelming frustration and hatred from showing on Amerigo Bonasera’s face. His beautiful young daughter was still in the hospital with her broken jaw wired together; and now these two animales went free? It had all been a farce. He watched the happy parents cluster around their darling sons. Oh, they were all happy now, they were smiling now.”

puzo

Mario Puzo (15 oktober 1920 – 2 juli 1999)

 

De biografische data zijn onzeker en berusten op verhalen en legenden, maar de internationale internet encyclopedie Wikipedia geeft 15 oktober 70 v. Chr. als geboortedatum van Publius Vergilius Maro. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2006 en ook mijn blog van 15 oktober 2008.

Uit: Aeneis II Vertaald door P. W. de Koning)

“Allen zwegen daarop en richtten den blik op Aeneas,
Stil van aandacht, en deze begon van den statigen rustbank:
“O koningin, ’t is een vreeselijk leed dat gij vraagt te hernieuwen,
Hoe de Danaërs de macht en ’t beklagelijk rijk der Trojanen
Uiterlijk delgden van de aard: wat ik zelf in zijn jamren aanschouwde,
Waar ik wel mijn rol heb gespeeld. Wie hield, bij ’t verhalen,
Myrmidoon of Doloop of soldaat van den harden Ulysses,
Dan nog zijn tranen terug. En zie, aan den vochtigen hemel
Daalt reeds de nacht en ’t verglijdend gestarnte vermaant ons tot sluimer.
Maar, is uw liefde zóó groot, het verhaal onzer rampen te kennen,

En in ’t kort den uiteindlijken strijd van Troje te hooren,
Dan, schoon mijn ziel die herinnering gruwt en nog immer terugschrok –
Dan maak ik aanvang. Door d’oorlog verzwakt en door ’t noodlot weerhouden,
Waar zoo jaar op jaar al vergleed, vervaardigden toen de
Vorsten der Grieken een paard, (naar de kunst van de hemelsche Pallas),
Groot als een berg, en bekleedden zijn ribben met planken van dennen,
Liegende dat het een wijgeschenk was, voor een veilige thuiskeer.
Zóó het gerucht. Toen lootten ze en sloten den kern van hun leger
In zijn duisteren flank en vulden, ter sluiks, het geheele
Ruim van dat ontzaglijke lijf met gewapende benden.

Nog in ’t gezicht van den wal ligt Tenedos, eens zoo roemruchtig,
Eens welvarend en rijk, toen Priamus’ koningschap duurde,
Thans een kwalijk betrouwbare ree en een baai voor de schepen.

Busto-di-Virgilio.jpg
Vergilius (15 oktober 70 v. Chr. – 21 september 19 voor Chr.)
Buste bij de ingang van zijn graf in Napels