Jan Eijkelboom, Franz Hohler

De Nederlandse dichter, vertaler en journalist Jan Eijkelboom werd op 1 maart 1926 in Ridderkerk geboren. Zie ook alle tags voor Jan Eijkelboom op dit blog.

Wie schrijft geschiedenis

–je liep daar naast mij
in je gouden jack. —
(21 november 1981)

Ligt er ergens nog dat jack, van goud
dat toen al was gaan slijten?
Door barsten zag je mosgroen leer.

Hoe anders liep ik naast je
dan toen ik tussen andere soldaten
marcheerde met mijn schietgeweer.

Andere oudgedienden
schreven toen in de lucht:
Ga toch in Moskou demonstreren.

Wie schrijft geschiedenis?
Niet zij die met hun lichtste voeten
meelopen in bevlogen stoeten.

Maar ook niet de benarde heren
die vanuit burcht of binnenhof
een vloedgolf denken te dicteren.

Een dagje mensenzee. Of was het meer?
Een ommekeer of nieuwe wijn
voor oude poëzie? Ik weet alleen:

Gelukkig liepen wij toen, daar,
verliefd op honderdduizend mensen
en ook nog op elkaar.

 

Noordereiland

Toen in die hoek
waar eerdere wind dood blad had vergaard
bracht onverhoeds een stormvlaag werveling teweeg
die als een bruine tol de lucht inging.

En uit de top daarvan
ontsprong vervolgens een fontein, een zwerm
voorheen verscholen, luid
kwetterende mussen.

Ze leken meer te twisten dan te zingen.
Toch hoorde ik in al dat leven
de leeuwerikjes van de winter.

 

Hooglied

In de verte ben ik al bij je,
toch wil ik steeds naar je toe,
tegen je aan gaan staan,
bij je naar binnen gaan.
En ook dat is nog niet genoeg.

Door je heen wil ik gaan,
mij omkeren en dan
je prachtige hoofd
half naar mij omgedraaid
op je prachtige rug zien staan.

Ingres heeft dat geschilderd
en die is toch al tijden lang dood.
Zelf kan ik nooit meer sterven
en jij blijft voor eeuwig mooi bloot.

 

Jan Eijkelboom (1 maart 1926 – 28 februari 2008)

 

De Zwitserse dichter, schrijver, cabaretier en liedjesmaker Franz Hohler werd geboren op 1 maart 1943 in Biel. Zie ook alle tags voor Franz Hohler op dit blog

Aanvulling bij de spreeuwenbomen

Wat de twee
dinsdag gevelde
schijncipressen betreft
in het centrum van Örlikon

jullie kennen ze misschien
de bomen
op elk waarvan zich
de spreeuwen verzamelen voor vertrek

zo kan ik jullie
na gesprekken met alle betrokkenen
zeggen:

Niemand kan het helpen
iedereen handelde slechts
in opdracht van
of omdat het niet anders kon
en het was in elk geval
de meest verstandige oplossing.

Ik zal het
in de herfst
aan de spreeuwen uitleggen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Franz Hohler (Biel, 1 maart 1943)

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e maart ook mijn romenu blog van 1 maart 2019  en ook mijn blog van 1 maart 2018 en ook mijn blog van 1 maart 2015 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3.

Jan Eijkelboom, Jim Crace, Delphine de Vigan, Franz Hohler, Lytton Strachey, Robert Lowell, Myrthe van der Meer, Franzobel, Steven Barnes

De Nederlandse dichter, vertaler en journalist Jan Eijkelboom werd op 1 maart 1926 in Ridderkerk geboren. Zie ook alle tags voor Jan Eijkelboom op dit blog.

Ja het klopt

Alles verklaarbaar en van een
regelmaat die koestert en sust
al jaagt het sommigen de deur uit
naar tomelozer oorden.

Zie ze dansen op de maan
in hun opgeblazen hansop.
Hunkerend kijken ze terug
naar de blauwgroene aarde.

Ja het klopt,
als de hartslag van een heelal vol
wentelende sterren, prieelvogels,
kleine middenstanders, kalm
wiekende adelaars en een losbol
die het aanziet en zich
plotseling verbaast.

 

Rafels

Toen ving een roodbruine stam nog
de ochtendzon op, puur cederhout
van caran d’ache.

Later fladderden er raven
tussen de al even gerafelde takken
van de lariks.

Een schicht: de schaduw
van een zwaluw schoot
door de zomer.

En in het sprookjesbos
is plotseling de stinkzwam
dwingend aanwezig.

Doodgaan behoort tot het zeer weinige
dat niet zou mogen. Toch
wordt het veel gedaan.

 

Een haan kraait

De schreeuw van wie
de zon doet opgaan
helemaal in z’n, met
prachtvolle veren bedekte,
eentje. Triomf
die als doodskreet
kan worden verstaan.
Zoals, andersom,
de schreeuw van wie
heelhuids ter wereld komt:
in woede en pijn
je moeder verlaten en
dan toch luidkeels
willen leven en leven.
Onbegrijpelijk, later.

 
Jan Eijkelboom (1 maart 1926 – 28 februari 2008)

Doorgaan met het lezen van “Jan Eijkelboom, Jim Crace, Delphine de Vigan, Franz Hohler, Lytton Strachey, Robert Lowell, Myrthe van der Meer, Franzobel, Steven Barnes”

Jan Eijkelboom, Jim Crace, Delphine de Vigan, Franz Hohler, Lytton Strachey, Robert Lowell, Myrthe van der Meer, Franzobel, Steven Barnes

De Nederlandse dichter, vertaler en journalist Jan Eijkelboom werd op 1 maart 1926 in Ridderkerk geboren. Zie ook alle tags voor Jan Eijkelboom op dit blog.

Camping, Frankrijk

Voor het eerst dat ik sliep in een tent,
voor het eerst naar een ruisen geluisterd
dat voor het ruisen van regen,
het vallen van regen te zacht was
en ook voor de wind te gelijk, te gelijk aan zichzelf.

En ’s ochtends gezien hoe water
bijna rechtstandig,
toch zonder te breken, naar lager
water kan gaan, onzichtbaar verschietend.

Hadden wij zo kunnen leven,
zo blijven leven als toen
in die tent, in dat gras

Geen woede, geen andere hartstocht,
geen weten wie zo stil overstroomt
in wie.

 

Ik liep in een straat

Ik liep in een straat
die doodliep,
op het spoor van iemand
die hier gelopen had
maar die nu dood was.
In kieren tussen de keien
groeide fris gras
want doodlopende straten
bieden meer levenskans
dan straten die doorlopen
naar mensen die
nog volop leven.

 

Een ijzersterke mist

Eerste najaarsnevel boven de sloot
tussen spoorbaan en snelweg
en heel dat doen alsof
wordt nu het zwijgen opgelegd.

Het lijkt blijvend door afwezigheid
van wind. Het is ijl en standvastig.
Waarom trekt dit versterven meer
dan bloesemtak of eerste sneeuw?

Alle begin verheldert, roept beelden op
van eerdere aanvang die te snel verliep
om dicht te slibben, tijdstippen
met de gedegen zwaarte van een eeuw.

Maar deze nevel laat geen modder na,
wekt geen verwachting, lost slechts op
en laat toch in ’t voorbijgaan weten
dat wij nog niet, nog lange niet
zijn uitgekeken.

 
Jan Eijkelboom (1 maart 1926 – 28 februari 2008)

Doorgaan met het lezen van “Jan Eijkelboom, Jim Crace, Delphine de Vigan, Franz Hohler, Lytton Strachey, Robert Lowell, Myrthe van der Meer, Franzobel, Steven Barnes”

Jan Eijkelboom, Jim Crace, Franz Hohler, Lytton Strachey, Robert Lowell, Myrthe van der Meer

De Nederlandse dichter, vertaler en journalist Jan Eijkelboom werd op 1 maart 1926 in Ridderkerk geboren. Zie ook alle tags voor Jan Eijkelboom op dit blog.

De kunst

In die tijd trokken amateurs
met zwarte kastjes er op uit
om in een poortdoorgang
het tegenlicht te vangen

dat door de lindeblaadjes scheen.
Of ze betraden gretig het park
op de dag van de eerste sneeuw.
Vanaf meegenomen keukentrapjes

legden zij vast hoe ijzel of rijp
van takjes toverstokjes maakte.
Ook ik verbalisant betrapte

dat voortvluchtig licht en
sloot het op in een sonnet
waaruit het ijlings is ontsnapt.

 

Hij had geen talent

Hij had geen talent voor tragiek,
verdonkeremaande rampspoed
bij het leven, meanderde
door een landschap tot aan
een toevallige stad
waar hij plotseling zag:
hier kom ik vandaan.

Af en toe viel hem in
dat hij misschien wel bestond.
Ook zag hij een vrouw
van wie het bestaan
met geen pen
te ontkennen.

Ze paarden en hadden geluk.
Toen hij later tot zijn verbazing
het leven moest laten
liet hij één boodschap na:
als jullie mij gaan verstrooien
ga dan met je rug naar de wind toe staan.

 

Vox humana

In een klein dijkhuis staat,
ziet hij door ’t uitvergrote raam,
het oude orgel bijna naakt.
Over de toetsen ligt een loper.
Tussen de twee koop’ren kandelaars
staat een gezangboek open.
Hij hoort weer het asmatisch steunen:
loflied of klaagzang – eender zeurt
deze muziek, tot hij die deur
snel weer vergrendelt. En toch,
o mocht hij nog een keer,
geknield voor ’t orgelfront,
de trappers voor de vrouw bewegen
die boven hem haar psalmen zong.

 
Jan Eijkelboom (1 maart 1926 – 28 februari 2008)

Doorgaan met het lezen van “Jan Eijkelboom, Jim Crace, Franz Hohler, Lytton Strachey, Robert Lowell, Myrthe van der Meer”

Jan Eijkelboom, Franzobel, Jim Crace, Franz Hohler, Lytton Strachey

De Nederlandse dichter, vertaler en journalist Jan Eijkelboom werd op 1 maart 1926 in Ridderkerk geboren. Zie ook alle tags voor Jan Eijkelboom op dit blog.

Tuin Dordrechts museum

Als ik gestorven ben
zal in de tuin van dit museum
boven het warrig bladerengedruis
een merel net zo helder zingen
op net zo’n late voorjaarsdag

En ik, ik zal er niet meer zijn
om door dit zingen te vergeten
dat ik moet sterven mettertijd.

Maar aan de andre kant zal ik
– je weet maar nooit –
veel langer leven dan die vogel
En als ik dan toch onder de zoden lig
dan zal mijn zoon nog eens
een merel net zo horen klinken
op net zo’n late voorjaarsdag.
En hij zal weten wie ik was
en ach, een vogel weet van niets.

Maar aan de andre kant alweer:
als merels aan hun vaders konden denken
wellicht dat ze dan krasten als een raaf.

 

Een schilder

Op dijkjes langs de balkegaten
stonden wij stil te schetsen in de kou,
en dan maar over kunst en toekomst praten
als jij in elk geval een schilder wezen zou.
Ik wist nou nooit eens wat ik worden wou
en kon mezelf soms om die vaagheid haten.
Maar onder mijn bewondering voor jou
school toch dédain voor missers en hiaten

bij iemand die te weinig boeken las.
Jij slikte dankbaar, of het manna was,
al wat ik je vertelde over morgen
en over wat er vroeger is geweest.
Je schildert nu decors in Avereest,
in godsdienstwaan gekerkerd, of geborgen.

 

Moeilijk moment

Net als hij op ’t café-toilet
in de verschoten spiegel kijkt
barst er een bloedrivier
zijn oogbal binnen.
Ook wordt het ademen beperkt:
de refusal is nog aan ’t werk.

Toch weet hij in zijn ademnood
dat het maar even duurt,
dan kan het weer beginnen,
de zachte levensdood.

De stortbak heet Silentium.
Grijs bovenlicht zakt om hem heen.
Een vrede buiten kijf
vult hem, die net niet stierf,
van top tot teen.

 
Jan Eijkelboom (1 maart 1926 – 28 februari 2008)

Doorgaan met het lezen van “Jan Eijkelboom, Franzobel, Jim Crace, Franz Hohler, Lytton Strachey”

Jan Eijkelboom, Franzobel, Jim Crace, Franz Hohler, Lytton Strachey

De Nederlandse dichter, vertaler en journalist Jan Eijkelboom werd op 1 maart 1926 in Ridderkerk geboren. Zie ook alle tags voor Jan Eijkelboom op dit blog.

21 november 1981

Je liep daar naast mij in je gouden jack.
Ik liep je nog te leren kennen,
jij moest nog aan de oorlog wennen
die ik nog niet had afgelegd.
Wij gingen tegendraads de mensen tegemoet
die als een kalme waterval
vanaf de hoge bruggen kwamen.
Het was de allereerste stoet
die ik ooit zag waarin de namen
van allen waren uitgewist
en waarin elk gezicht
toch toebehoren bleef
aan wie daar samen waren.

Geen leus kwam uit de vele monden,
alleen ging keer op keer de donder,
de zachte donder van de vrede door
de gelederen die niet marcheerden.

Wij gingen stroomopwaarts over de Rozengracht,
legden soms aan en dronken om de naam
likeuren die op andre dagen
te zoet zijn zouden voor een keel
die meer op rauw geweld
was ingesteld, maar die nu mede
te fluisteren begon, wat
allengs aanzwol tot de donder,
de zachte donder van de vrede.

Jij stond daar naast me in je gouden jack.
Het oproer bleef uitbundig stromen.
Ik heb mijn ransel afgenomen
en achteloos opzijgelegd.

 

De omgekeerde zuilen van Venasque

Na lange wandeling over cols, door ravijnen
dronken wij op het dorpsplein de wijn
met volle teugen, als was dit het water
door de waard uit de ronde fontein
in het midden gehaald.

Ik behoorde nog tot de gelukzaligen
die zich laven en het er dan bij laten.
In het uit de rotsen gehouwen kerkje
zagen wij toen antieke zuilen
ondersteboven geplaatst:

kapiteel op de grond, voet tegen ’t plafond.
Wisten die christenen veel van de Ouden –
en zouden wij zelf ook niet zo willen leven:
omgekeerd, achterstevoren, andersom
als het kon?

 
Jan Eijkelboom (1 maart 1926 – 28 februari 2008)
Cover

Doorgaan met het lezen van “Jan Eijkelboom, Franzobel, Jim Crace, Franz Hohler, Lytton Strachey”

Jan Eijkelboom, Franzobel, Jim Crace, Franz Hohler, Lytton Strachey

De Nederlandse dichter, vertaler en journalist Jan Eijkelboom werd op 1 maart 1926 in Ridderkerk geboren. Zie ook alle tags voor Jan Eijkelboom op dit blog.

Pictures in your head

Beweging zit er niet in:
het zijn stills uit een movie;
meestal stom,
soms met geluid,
kreten van vogels bijvoorbeeld,
zelden een stem.
Ze komen terug, steeds vaker:
Er komen er ook wel bij.

Duizenden plaatjes in
een o zo zwaartillend hoofd.
Je zit er maar mee
op de achterste rij
van je eigen theater.

 

Een uit de hand gelopen haiku

Maansikkel, koud schoudertje
tegen haast donkerblauw
van zonnige wintermorgen.

Te klein om er mijn hoofd
moe tegenaan te vlijen.

Eerder geschikt om er een hand
zorgzaam omheen te leggen.

Gesteld dan dat ik groter was
tot kosmische proporties uit kon dijen.

Ik zie daar, schurkend in mijn jas
en trouwens onderweg naar jou,
voorlopig nog van af.

 

Dit Eiland

Heden voelen mijn voeten zich goed
in hun sokken en die weer
in hun ruime maar nog niet
sloffende schoenen.

Waarom dan niet de paden op,
de bergen in, de velden over
bij deze stad vandaan
waar stegen uitlopen op steigers

niet meer door boten gebruikt.
Wel kan men daar gaan staan uitkijken
over het eeuwig veranderlijk
zichzelf blijvende water,

ervaren dat tussen benauwenis
en ruimtezucht een afgepaald
maar onbeklemd domein kan liggen:
dit met een dagmars af te ronden

eiland.

Jan Eijkelboom (1 maart 1926 – 28 februari 2008)

Doorgaan met het lezen van “Jan Eijkelboom, Franzobel, Jim Crace, Franz Hohler, Lytton Strachey”

Jan Eijkelboom, Franzobel, Jim Crace, Franz Hohler, Jacques Chessex

De Nederlandse dichter, vertaler en journalist Jan Eijkelboom werd op 1 maart 1926 in Ridderkerk geboren. Zie ookalle tags voor Jan Eijkelboom op dit blog.

Non omnis moriar*

Soms, als een distel door dik asfalt,
barst er een regel poëzie
de taal van mensen in.

Zo werd de Dapperstraat een plek
van hoge adel en duurt de Mei
al meer dan honderd jaar.

Zo wijs ik soms mijn kleine zoon
des avonds op een fonkelend verschijnsel
en roep: O Venus, felle star.

Hij corrigeert mij wel, maar geeft
het later toch misschien weer door.
Het lijkt zo’n magere troost,

te bedenken dat lang na je dood
een jonge vrouw een woord van jou
nog op de tong kan nemen.

Het is ook wel een weelderig genoegen,
niet geheel dood te hoeven.

* niet geheel zal ik sterven

 

O

O, dat ik ooit nog eens
een vers met o beginnen mocht,
dat het dan ongezocht een ode
werd waarin zeg maar een dode
dichteres tot leven kwam
ofwel een warm lief lijf
tot marmer werd waardoor
voor wie daarvoor gevoelig is
een adem ging als was het
leven nu voorgoed betrapt.

Maar nee, wat bij mij ingaat
moet bezinken,
verdicht zich tot een sprake-
loos substraat
dat roerig wordt en uit wil breken
en soms vermomd de mond verlaat.

O, klonk het nog eens ongehinderd.

Jan Eijkelboom (1 maart 1926 – 28 februari 2008)

Doorgaan met het lezen van “Jan Eijkelboom, Franzobel, Jim Crace, Franz Hohler, Jacques Chessex”

Jan Eijkelboom, Franzobel, Jim Crace, Franz Hohler, Jacques Chessex, Lytton Strachey

De Nederlandse dichter, vertaler en journalist Jan Eijkelboom werd op 1 maart 1926 in Ridderkerk geboren. Zie ook mijn blog van 1 maart 2008 en ook mijn blog van 28 februari 2008 en ook mijn blog van 1 maart 2009. en ook mijn blog van 1 maart 2010.

Schilderij, Duits, 19de eeuw

Dit is de liefde:
stilstand van de tijd.
De jongeling die met het meisje
in suizend onbewegen
de steile rots afspringt.

Tussen Teutoonse sparren heeft,
onhoorbaar tandenknarsend
boven een stalen baard,
de man te paard
– rivaal of vader –
het zwaard vergeefs ontbloot.
Zie ook de tanden van de honden
die doodstil grommen aan de rand.

Tanden en zwaard bereiken nooit het paar.
Het paar haalt nooit de grond.
Het blijft ontheven in een val
die op een dans gelijkt,
zo losjes houden zij elkander
bij de hand en bij
de smalle leest.

Dit is de tijd die blijft,
omdat er niets beweegt.

 

Slikkerveer

Hier hoorde mijn moeder in negentien vijf
het drinkwater aan komen ruisen
door de net aangelegde buizen.

Hier zag ik tegen de ochtendzon
mijn grootvader thuiskomen van de Noord
die hij heen-en-terug was overgezwommen
om zijn zestigste verjaardag te vieren.

Hier hoorde ik als jongen
een uiteenvallende briket ritselen
in het fornuis en dacht:
het klinkt als zilverpapier
dat terug tracht te komen
uit zijn verfrommeling.

Ik borg dat op voor later –
voor nu.

 

Voor wat hoort wat

Voor wat hoort wat
Een kind vraagt nooit
waarom, waartoe het toch
op aarde werd geworpen.

Daarom en niet omdat
het hulpeloos zou zijn
verzorgen wij het trouw,

vereren het als god.
Tot het de dood ontdekt
en een der onzen wordt.

 

Jan Eijkelboom (1 maart 1926 – 28 februari 2008)

 

 

Doorgaan met het lezen van “Jan Eijkelboom, Franzobel, Jim Crace, Franz Hohler, Jacques Chessex, Lytton Strachey”

Jan Eijkelboom, Franzobel, Jim Crace, Franz Hohler, Jacques Chessex, Lytton Strachey, Ryūnosuke Akutagawa

De Nederlandse dichter, vertaler en journalist Jan Eijkelboom werd op 1 maart 1926 in Ridderkerk geboren. Zie ook mijn blog van 1 maart 2008 en ook mijn blog van 28 februari 2008 en ook mijn blog van 1 maart 2009. 

 

Sluitertijd

 

Zie de afbladderende dichter.

Heb ik het goed? Kijkt hij

vanuit die plooien, de gelaagdheid

van aanzicht en overjas

nog steeds de lens tegemoet?

 

Zal ik hem vertellen hoe het

eindtraject moet worden afgelegd?

Ach, je gelooft je ogen niet

en wat hij zegt of prevelt

gaat ook al op de prent verloren –

 

De plek heeft hij zelf uitgekozen.

Een dichtgemetseld godshuis.

Maar in verweerde steen en brokkelige

kalk schuilt een betekenis

die nog verwoord wil zijn

wie weet nog uitgelegd.

 

 

Dreamtime

 

Er is geen begin en het einde is zoek.

 

Moge het sterven sereen zijn

toch zet het zich voort

in het bloedbad van een geboorte,

de geboorte van iemand anders dan,

dat valt niet te ontkennen.

 

Maar in het leven is ons gegeven

te doen alsof er geen dood was,

niet met de kop in het zand

maar juist op de uitkijk

naar weer een ander land,

een te bevaren kust.

 

En onderweg vermaan je nog een kind

dat zegt dat het zich dood verveelt:

ga in gods naam wat doen.

En het kind roept: maar ik bèn er toch?

 

Liefst zijn ook wij ons van geen kwaad bewust.

 

 

Lege kerk 1

 

Het hoog karkas, de nutteloze ruimte,

preekstoel en orgel afgedekt, een leegte

die het licht naar binnen zuigt.

 

De jongen die daar zat op bikkelharde,

nu weggehaalde banken, verzon eens

hoe je slingerend van lichtkroon

 

naar lichtkroon als Tarzan kon ontkomen

aan ’t herderlijke dwangbevel

dat onder hem de kudde deed verstarren.

 

Wat bleef is een afwezigheid

die heel die ruimte vult en reikt

tot aan het tongewelf, het schedeldak

 

van wie hier staat en ongeschonden

straks weer het heiligdom verlaat.

jan_eijkelboom.jpg

 

De Oostenrijkse schrijver, dichter en schilder Franzobel werd geboren op 1 maart 1967 in Vöcklabruck. Zie ook mijn blog van 1 maart 2007 en ook mijn blog van 28 februari 2008 en ook mijn blog van 1 maart 2009. 

 

Deutschland marschiert

 

Es dampfte das Entgegenkommen, Mensch

mit Wandervereinen, Pokalen gesteinigt,

als man noch schlechte Kragenknöpfe hatte,

mit Schmerzen ging, um die Zehen Watte,

da man noch nichts von Pediküre geahnt,

Blasen, als ob das Erdreich jählings zerrisse

und Schritte linkshin zur Fläche

ekligen Leichnams Schwarzfinsternis,

Gesichter, todmüde, fertig die Nacht,

die halbvollen aus unendlichen Rücken

kommenden Blasen, die stinken im Schritt

und faulend noch schreien:

Deutschland marschiert.

 

 

Autoscooter/Loveparade: Sehne

 

Wie Sehnen, Sucht und See
Schnecken tief im Gras wie
Füße hat es nie gegeben,
keine Sonne, Flüstern nicht,
Milchgefühl, mit Abstand,
Blümchenmuster wie wir sind
unnahbar, Zuseher und/oder was
hat uns gestülpt. Heraus.  

franznobel.jpg

Franzobel (Vöcklabruck, 1 maart 1967)

 

 

De Engelse schrijver Jim Crace werd geboren op 1 maart 1946 in St. Albans, Hertfordshire. Zie ook mijn blog van 1 maart 2009. 

 

Uit: The Pesthouse

 

„Everybody died at night. Most were sleeping at the time, the lucky ones who were too tired or drunk or deaf or wrapped too tightly in their spreads to hear the hillside, destabilized by rain, collapse and slip beneath the waters of the lake. So these sleepers (six or seven hundred, at a guess; no-one ever came to count or claim the dead) breathed their last in passive company, unwarned and unexpectedly, without experiencing the fear. Their final moments, dormant in America.

But there are always some awake in the small times of the morning, the love-makers, for instance, the night workers, the ones with stone hard beds or aching backs, the ones with nagging consciences or bladders, the sick. And animals, of course.

The first of that community to die were the horses and the mules, which the travelers had picketed and blanketed against the cold out in the tetherings, between the houses and the lake, and beyond the human safety of stockades. They must have heard the landslide – they were so close and unprotected – though it was not especially bulky, not bulky enough, probably, to cause much damage on its own. In the time that it would take to draw a breath and yawn, there was a muted stony splash accompanied by a barometric pop, a lesser set of sounds than thunder, but low and devious, nevertheless, and worrying – for how could anyone not know by now how mischievous the world could be? The older horses, connoisseurs of one-night stands when everything was devious and worrying, were too weary after yet another day of heading dawnways, shifting carts, freight and passengers, to do much more than tic their ears and flare their nostrils. Even when, a moment later, the displaced waters of the lake produced a sloshing set of boisterous waves where there had not been any waves before, the full-growns would not even raise their heads. But the younger horses and the ever-childish mules tugged against their ropes, and one or two even broke free but hadn’t the foresight to seek high ground in the brief time that remained.“

jim-crace.jpg

Jim Crace (St. Albans, 1 maart 1946)

 

De Zwitserse schrijver, cabaretier en liedjesmaker Franz Hohler werd geboren op 1 maart 1943 in Biel. Zie ook mijn blog van 1 maart 2009. 

 

Uit: Die Steinflut

 

„Als die siebenjährige Katharina Disch mit ihrem vierjährigen Bruder Kaspar am Freitag, dem 9. September 1881 das Haus ihrer Großmutter betrat, wußte sie nicht, daß sie erst wieder bei ihrer Hochzeit von hier weggehen würde.

Ihr Vater hatte sie für ein paar Tage weggeschickt, weil die Geburt eines Kindes bevorstand, und ohne

Widerspruch hatte Katharina das Bündelchen mit den beiden Nachtgewändern und etwas Leibwäsche, das ihre älteste Schwester Anna bereitgemacht hatte, genommen, hatte noch ihre Holzpuppe Lisi so hineingesteckt, daß sie mit dem Kopf herausschaute, und war dann mit Kaspar

an der Hand aufgebrochen. Sie war froh, daß sie nicht daheim bleiben mußte.

Wie verändert war ihr die Mutter beim Abschied vorgekommen!

Sie lag im Schlafzimmer im oberen Stock, ihre Haare, die sie sonst immer aufgesteckt hatte, waren

offen über das Kissen ausgebreitet und hingen sogar über den Bettrand hinunter, sie war bleich und schwitzte, von Zeit zu Zeit preßte sie die Lippen zusammen, kniff die Augen zu und drückte mit beiden Händen auf die Bettdecke, unter der sich ihr Bauch wölbte. Katharina wollte ihr nur schnell von der Türschwelle aus auf Wiedersehn sagen, aber die Mutter winkte sie zu sich heran, strich ihr mit ihrer Hand, die ganz kalt war, über die Haare und sagte leise, sie solle die Großmutter grüßen, und sobald ihr neues Geschwisterehen da sei, werde sie jemanden schicken. Dann drehte sie sich tief einatmend

zur Seite, griff in die Schublade des Nachttischchens, holte einige gedörrte Zwetschgen heraus und gab sie ihrer Tochter mit, »für unterwegs, für dich und Kaspar«,

fügte sie hinzu und versuchte zu lächeln. Katharina steckte sie schnell in die Tasche ihrer Schürze, blieb stumm stehen und suchte immer noch mit den Augen die Mutter, die sie kannte und die derjenigen, die dalag, so wenig glich. »Muesch ke Angscht ha«, flüsterte ihr die Frau aus dem Bett zu, legte sich wieder auf den Rücken und schloß ihre Augen.“

franz_hohler.jpg

Franz Hohler (Biel, 1 maart 1943)

 

 

De Franstalige, Zwitserse schrijver Jacques Chessex werd geboren op 1 maart 1934 in Payerne. Zie ook mijn blog van 1 maart 2009. 

 

Uit: Le vampire de Ropraz

 

Ropraz, dans le Haut-Jorat vaudois, 1903. C’est un pays de loups et d’abandon au début du vingtième siècle, mal desservi par les transports publics à deux heures de Lausanne, perché sur une haute côte au-dessus de la route de Berne bordée d’opaques forêts de sapins. Habitations souvent disséminées dans des déserts cernés d’arbres sombres, villages étroits aux maisons basses. Les idées ne circulent pas, la tradition pèse, l’hygiène moderne est inconnue. Avarice, cruauté, superstition, on n’est pas loin de la frontière de Fribourg où foisonne la sorcellerie. On se pend beaucoup, dans les fermes du Haut-Jorat. A la grange. Aux poutres faîtières. On garde une arme chargée à l’écurie ou à la cave. Sous prétexte de chasse ou de braconne on choie poudre, chevrotine, gros pièges à dents de fer, lames affûtées à la meule à faux. La peur qui rôde. A la nuit on dit les prières de conjuration ou d’exorcisme. On est durement protestants mais on se signe à l’apparition des monstres que dessine le brouillard. Avec la neige, le loup revient. Il n’y a pas si longtemps qu’on a tué le dernier, en 1881, sa dépouille empaillée s’empoussière à douze kilomètres dans une vitrine du musée du Vieux-Moudon. Et l’horrible ours venu du Jura. Il a éventré des génisses il n’y a pas quarante ans dans les gorges de la Mérine. Les vieux s’en souviennent, ils ne rient pas à Ropraz ni à Ussières. Au temps de Voltaire, qui a habité le château d’en bas, au hameau d’Ussières, les brigands attendaient sur la route principale, celle de Berne, des Allemagnes, plus tard les soldats revenus des guerres de la Grande Armée rançonnaient les honnêtes gens. On fait très attention quand on engage un trimardeur pour la moisson ou la pomme de terre. C’est l’étranger, le fouineur, le voleur. Anneau à l’oreille, sournois, le laguiole glissé dans la botte.“

 

Chessex.jpg

Jacques Chessex (1 maart 1934 – 9 oktober 2009)

 

 

De Britse schrijver Giles Lytton Strachey werd geboren op 1 maart 1880 in Londen. Zie ook mijn blog van 1 maart 2007 en ook mijn blog van 28 februari 2008 en ook mijn blog van 1 maart 2009.

 

Uit: Lytton Strachey (Biografie door R. A. Scott-James)

 

MANNING was now thirty-eight, and it was clear that  he was the rising man in the Church of England.’  Eminent Victorians, from which these words are  quoted, appeared in 1918, when Lytton Strachey himself  was thirty-eight and was recognized as a rising man — perhaps  the rising man — in the world of letters. Frank Swinnerton  has said that he and another publisher’s reader, Geoffrey  Whitworth, ‘were as excited before publication as the world  was after it’. Augustine Birrell responded as wit to wit; the  Liberal leader, Asquith, in his Romanes Lecture spoke of  ‘Mr. Strachey’s subtle and suggestive art’. In the fourth  year of war this provocative book vied with the war itself  as a topic of conversation. It delighted and it scandalized.
By some it was admired for its subtle portraiture, its deft  handling of the theme, its irony, its flexible prose. Others  were thrilled by this cool attack, this scathing flanking movement, against old idols of the market-place already slightly  discredited by the Edwardians and now sufficiently demoded
to invite hue and cry. Later, Strachey was to write a more  important and equally entertaining book, Queen Victoria,  but it was Eminent Victorians which made his name and fixed  his reputation; and by that more than anything else he has  been judged and often misjudged.

He was acclaimed as a new writer, but he was not a new  writer. He had been almost continuously contributing articles  to weeklies, monthlies, or quarterlies for over fourteen years,  and a piece of masterly critical writing, Landmarks in French  Literature, had appeared in book form in 1912 — but hardly  anybody at that time read it. He is perhaps generally thought  of as a man of letters belonging essentially to the decade that  followed the Great War — that period of disillusion and  clever flippancy, ingenious experiment and delicate fantasy,  unsentimental, anti-romantic, playfully frank, and gracefully uninsistent upon anything too serious.“

 

Lytton_Strachey.jpg

Lytton Strachey (1 maart 1880 – 21 januari 1932)

Buste van Stephen Tomlin

 

 

 

De Japanse dichter en schrijver Ryūnosuke Akutagawa werd geboren op 1 maart 1892 in Tokio. Zie ook mijn blog van 1 maart 2009.

 

Uit: Rashomon

 

“I’m taking this hair… I’m taking this woman’s hair to… Well, I thought I’d make a wig.”

The servant was disappointed that the old woman’s answer was so unexpectedly dull. Along with the disappointment, those old feelings of hatred and contempt came flooding back to him. And somehow, he must have conveyed these feelings to the old woman. With the hairs she had stolen from the corpse still clutched in one hand, she mumbled in a raspy, toadish voice:

“I see. Well, perhaps it is immoral to pull out the hairs of the dead. But these corpses up here—all of them—they were just the sort of people who wouldn’t have minded. In fact, this woman whose hair I was just pulling out a moment ago—she used to cut snakes into 5-inch pieces, dry them, and go sell them at the camp of the crown prince’s palace guard, saying it was dried fish. If she hadn’t died in the plague, she would probably still be going there now. And yet, the guards said this woman’s dried fish tasted good, and they always bought it to go with their rice. I don’t think what she did was immoral. If she hadn’t done it, she would have starved to death, so, she just did what she had to. And this woman, who understood so well these things we have to do, would probably forgive me for what I’m doing to her too.”

 

Akutagawa.jpg 

Ryūnosuke Akutagawa (2 maart 1892 – 24 juli 1927)

 

 

De Duitse schrijfster en dichteres Sabina Lorenz werd geboren op 1 maart 1967 in München. Zij is mede-uitgeefster van het literatuurtijdschrift “außer.dem”. Zij publiceerde korte prozateksten en gedichten in bloemlezingen en tijdschriften. In 2007 verscheen haar dichtbundel Die Fremde ist ein Ort. 

 

Und nun

 

Wie sich auf der Durchreise Gänse
unter Touristen mischten, ich saß, du sprangst
an den Gleisen entlang, still verwachsen
mit Heckenrosen, Hornkraut im Schienenbett.
Vergessen, dass du keine Steppschuhe trugst
und auf einmal dieser Angstflügel, die Gänse
kehren wieder und ihr Schrei:
Eil! Eil! Wann
geht der Zug. Verlorene Federn
vom letzten Jahr. Du hobst sie auf, grinstest
in die Augen der Touristenkameras, breit, und
strichst und strichst diese zerzausten
Dinger. Versuch. Ein Spiel.
Du saßt
ich sprang.
War ja nichts zu sehen als Licht.

image001.jpg

Sabina Lorenz (München, 1 maart 1967)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e maart en de 29e februari ook mijn vorige twee blogs van vandaag.