De keizer van China spreekt (Hugo von Hofmannsthal)

Dolce far niente

 

Een keizerlijk portret van de Chinese imperator Xianfeng, 1855


Der Kaiser von China spricht

In der Mitte aller Dinge
Wohne Ich, der Sohn des Himmels.
Meine Frauen, meine Bäume,
Meine Tiere, meine Teiche
Schließt die erste Mauer ein.

Drunten liegen meine Ahnen:
Aufgebahrt mit ihren Waffen,
Ihre Kronen auf den Häuptern,
Wie es einem jeden ziemt,
Wohnen sie in den Gewölben.

Bis ins Herz der Welt hinunter
Dröhnt das Schreiten meiner Hoheit.
Stumm von meinen Rasenbänken,
Grünen Schemeln meiner Füße,
Gehen gleichgeteilte Ströme

Osten-, west- und süd- und nordwärts,
Meinen Garten zu bewässern,
Der die weite Erde ist.
Spiegeln hier die dunkeln Augen,
Bunten Schwingen meiner Tiere,

Spiegeln draußen bunte Städte,
Dunkle Mauern, dichte Wälder
Und Gesichter vieler Völker.
Meine Edlen, wie die Sterne,
Wohnen rings um mich, sie haben

Namen, die ich ihnen gab,
Namen nach der einen Stunde,
Da mir einer näher kam,
Frauen, die ich ihnen schenkte,
Und den Scharen ihrer Kinder,
Allen Edlen dieser Erde

Schuf ich Augen, Wuchs und Lippen,
Wie der Gärtner an den Blumen.
Aber zwischen äußern Mauern
Wohnen Völker meine Krieger,

Völker meine Ackerbauer.
Neue Mauern und dann wieder
Jene unterworfnen Völker,
Völker immer dumpfern Blutes,
Bis ans Meer, die letzte Mauer,

Die mein Reich und mich umgibt.

Hugo von Hofmannsthal (1 februari 1874 – 15 juli 1929)


De keizer van China spreekt

In het midden van alle dingen
Woon ik de Zoon des Hemels.
Mijn vrouwen, mijn bomen,
Mijn dieren, mijn vijver
Sluit in de eerste muur.

Beneden ligt mijn voorgeslacht
Opgebaard met hun wapens,
Hun kronen op de hoofden,
Zoals het een ieder past,
Wonen zij in de gewelven.

Tot in’t wereldhart beneden
Dreunt het schrijden van mijn hoogheid.
Stom vanaf mijn zodenbanken
Groene bankjes van mijn voeten,
Gaan stromen in gelijke delen
Oost-en west en zuid-en noordwaarts,

Om mijn tuin er te bevloeien,
Die de wijde aarde is.
Spiegelen hier de donkere ogen,
Bonte vleugels van mijn dieren,
Spiegelen buiten bonte steden,
Donkere muren, dichte wouden

En gezichten veler volkeren.
Mijn edellieden, als de sterren,
Wonen rond om mij, zij hebben
Namen, die ik hun gaf,
Namen naar dat eerste uur,
Toen er een mij nader kwam,

Vrouwen, die ik hun schonk,
En de scharen van hun kinderen ;
Alle edellieden dezer aarde,
Schiep ik ogen, groei en lippen,
Zoals de tuinman aan de bloemen.
Echter tussen buitenste muren

Wonen volkeren, mijn krijgers,
Volkeren, mijn akkerbouwers.
Nieuwe muren en dan weer
Deze onderworpen volkeren,
Volkeren van steeds doller bloed,
Tot aan de zee, de laatste muur,

Die mijn rijk en mij omgeeft.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Zie voor de schrijvers van de 11e september ook mijn blog van 11 september 2018.

Ein Traum von grosser Magie (Hugo von Hofmannsthal)

Dolce far niente

 

The Magician door Alexandre-Evariste Fragonard, z.j.


Ein Traum von grosser Magie

Viel königlicher als ein Perlenband
Und kühn wie junges Meer im Morgenduft,
So war ein großer Traum – wie ich ihn fand.

Durch offene Glastüren ging die Luft.
Ich schlief im Pavillon zu ebner Erde,
Und durch vier offne Türen ging die Luft –

Und früher liefen schon geschirrte Pferde
Hindurch und Hunde eine ganze Schar
An meinem Bett vorbei. Doch die Gebärde

Des Magiers – des Ersten, Großen – war
Auf einmal zwischen mir und einer Wand:
Sein stolzes Nicken, königliches Haar.

Und hinter ihm nicht Mauer: es entstand
Ein weiter Prunk von Abgrund, dunklem Meer
Und grünen Matten hinter seiner Hand.

Er bückte sich und zog das Tiefe her.
Er bückte sich, und seine Finger gingen
Im Boden so, als ob es Wasser wär.

Vom dünnen Quellenwasser aber fingen
Sich riesige Opale in den Händen
Und fielen tönend wieder ab in Ringen.

Dann warf er sich mit leichtem Schwung der Lenden –
Wie nur aus Stolz – der nächsten Klippe zu;
An ihm sah ich die Macht der Schwere enden.

In seinen Augen aber war die Ruh
Von schlafend- doch lebendgen Edelsteinen.
Er setzte sich und sprach ein solches Du

Zu Tagen, die uns ganz vergangen scheinen,
Daß sie herkamen trauervoll und groß:
Das freute ihn zu lachen und zu weinen.

Er fühlte traumhaft aller Menschen Los,
So wie er seine eignen Glieder fühlte.
Ihm war nichts nah und fern, nichts klein und groß.

Und wie tief unten sich die Erde kühlte,
Das Dunkel aus den Tiefen aufwärts drang,
Die Nacht das Laue aus den Wipfeln wühlte,

Genoß er allen Lebens großen Gang
So sehr – daß er in großer Trunkenheit
So wie ein Löwe über Klippen sprang.

………………………………………………………………

Cherub und hoher Herr ist unser Geist –
Wohnt nicht in uns, und in die obern Sterne
Setzt er den Stuhl und läßt uns viel verwaist:

Doch Er ist Feuer uns im tiefsten Kerne
– So ahnte mir, da ich den Traum da fand –
Und redet mit den Feuern jener Ferne

Und lebt in mir wie ich in meiner Hand.

Hugo von Hofmannsthal (1 februari 1874 – 15 juli 1929)


Een droom van grote magie

Voor Alexander

Veel koninklijker dan een parelsnoer
En koen als jonge zee in morgenlucht,
Zo was een grote droom die ik ervoer.

Door open glazen deuren ging de lucht.
Ik sliep in’t paviljoen, dicht bij de aarde
En door vier open deuren ging de lucht

En eerder liepen al getuigde paarden
Erdoor en honden, een hele schaar
Aan mijn leger voorbij. Maar toen gebaarde

De magiër, de eerste, grote; daar
Was plotseling tussen hem en wat ik vond
Zijn trotse knikken, koninklijke haar.

En achter hem geen muren; er ontstond
Een wijde pracht van afgrond, donkere zee,
En uit zijn hand wies groene weidegrond.

Hij bukte zich en trok het diep omhoog.
Hij bukte zich en zie, zijn vingers gingen
Zo, als was het water, de bodem door.

Maar uit dunne bronwateren vingen
Zijn handen zich opalen van gewicht
Die klinkend al weer neervielen in ringen.

Toen wierp hij met een lendenzwaai zich licht,
En als uit trots de klippen op, zozeer nabij, –
Voor hem zag ik de zwaartekracht gezwicht.

En in zijn ogen was het stil getij
Van slapende – maar levende edelstenen.
Toen ging hij zitten en sprak zulk een jij

Tot dagen die ons ver verleden schenen,
Dat zij terugkeerden, vol verdriet en groot;
Toen was hij blij te lachen en te wenen.

Hij voelde zich der mensen lotgenoot,
Zoals hij dromend ook zijn lichaam voelde.
Hem was niets te na of ver, niets klein of groot.

En toen diep onder hem de aarde afkoelde,
Het donker uit de diepten opwaarts drong,
De nacht de lauwheid uit de kruinen woelde,

Genoot hij met wie het leven groots bezong
Zo zeer dat hij in grote dronkenschap,
Zoals een leeuw over de klippen sprong.

………………………………………………………………

Cherub en hoge heer is onze geest –
Woont niet in ons, en in de hoogste sterren
Zet hij zijn stoel en laat ons zeer verweesd:

Maar hij is vuur in onze diepste kern en –
Vermoedde ik, toen in die droom beland –
Hij spreekt ook met de woorden van die verte

En leeft in mij als ik leef in mijn hand.

 

Vetaald door Frans Roumen

 

Zie voor de schrijvers van de 10e september ook mijn blog van 10 september 2018.

Vivaldi “Summer” (Alexander Rybak), Liefdeslied (Rainer Maria Rilke)

 

Alexander Rybak (Minsk, 13 mei 1986)

 

Liefdeslied

voor Alexander

Hoe moet ik mijn ziel nu houden, dat
zij niet de jouwe raakt? Hoe moet ik haar
heentillen over jou naar andere dingen?
Oh, graag zou ik haar nu zomaar wat
Verloren in het donker doen bedaren,
op een vreemde, stille plek die niet
blijft zingen nu al je diepten zingen.
Maar alles wat ons aanraakt, jou en mij,
brengt ons tesamen in een wij,
dat nu een toon vormt uit twee snaren.
Op wiens viool zijn wij beland?
En welke strijker heeft ons in de hand,
Mijn liefste lied?

Vertaald door Frans Roumen

 

Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)
De Sint-Salvatorkerk in Praag, de geboortestad van Rilke


Zie voor de schrijvers van de 10e september ook mijn blog van 10 september 2018.

Mark Jarman, Joël Dicker, August Willemsen, Theo Thijssen, Ronelda Kamfer, Arie Gelderblom, Joyce Carol Oates, Frans Roumen, Dolce far niente

Bij Vaderdag – Dolce far niente

 

Always there door Jean Monti, 2001


Descriptions of Heaven and Hell

The wave breaks
And I’m carried into it.
This is hell, I know,
Yet my father laughs,
Chest-deep, proving I’m wrong.
We’re safely rooted,
Rocked on his toes.

Nothing irked him more
Than asking, “What is there
Beyond death?”
His theory once was
That love greets you,
And the loveless
Don’t know what to say.

 

Mark Jarman (Mount Sterling, 5 juni 1952)
Mount Sterling, de geboorteplaats van Mark Jarman


De Zwitserse schrijver Joël Dicker werd geboren op 16 juni 1985 in Genève. Zie ook alle tags voor Joël Dicker op dit blog.

Uit: De waarheid over de zaak Harry Quebert (Vertaald door Manik Sarkar)

‘Het staat er niet goed voor,’ zei hij in de auto toen hij me naar Manhattan bracht. ‘Zeg me in ieder geval dat je energie hebt opgedaan in Florida en dat je opschiet met je boek! Er is een nieuwe schrijver waar iedereen het over heeft… Zijn boek wordt de grote kerstknaller. En jij, Marcus? Wat heb jij voor kerst?’ 
‘Ik ga direct aan het werk!’ riep ik in paniek uit. ‘Het komt wel goed! We gooien er heel veel publiciteit tegenaan en dan komt het allemaal goed! De mensen vonden m’n eerste boek mooi, dus waarom zouden ze het volgende niet mooi vinden?’ 
‘Je begrijpt het niet, Marc. Dat had gekund als we een paar maanden tijd hadden. Dat was de strategie: meedrijven op het succes van je eerste boek en het publiek voeden, geven waar het om vraagt. Het publiek wou Marcus Goldman, maar Marcus Goldman ging het er lekker van nemen in Florida en nu hebben de lezers een boek van iemand anders gekocht. Heb je je weleens in economie verdiept, Marc? Boeken zijn inwisselbaar geworden: mensen willen een boek dat ze bevalt, ontspant en vermaakt. Als jij dat niet voor ze schrijft, doet je buurman het wel, en dan ben jij rijp voor het grofvuil.’ 
Douglas’ georakel joeg me de stuipen op het lijf, en ik ging harder aan het werk dan ooit tevoren: om zes uur ’s ochtends begon ik met schrijven en ik werkte door tot negen of tien uur ’s avonds. Hele dagen zat ik onafgebroken op kantoor te werken: gedreven door een waanzin die gevoed werd door wanhoop krabbelde ik woorden neer, bouwde ik zinnen en bedacht ik de ene verhaallijn na de andere. Maar jammer genoeg bracht ik niets van waarde voort. En ondertussen zat Denise zich hele dagen ongerust te maken over mijn toestand. Aangezien ze niks meer te doen had, geen dictaat op te nemen, geen post te sorteren, geen koffie te zetten, liep ze te ijsberen op de gang. En als ze er niet meer tegen kon, trommelde ze op mijn deur. 
‘Marcus, ik smeek je, laat me binnen!’ kermde ze. 
‘Ga lekker naar buiten, wandelen in het park. Je hebt vandaag nog niks gegeten!’ 
‘Ik heb geen honger! Geen honger!’ brulde ik dan ten antwoord. ‘Eerst het boek, dan eten!’ Ze stond haast te snikken. 
‘Zeg niet zulke vreselijke dingen, Marcus. Ik ga naar de deli op de hoek om je lievelingsbroodje met rosbief te halen. Ik ben zo terug! Tot zo!’ 

Joël Dicker (Genève,16 juni 1985)


De Nederlandse schrijver essayist en vertaler August Willemsen werd geboren in Amsterdam op 16 juni 1936. Zie ook alle tags voor August Willemsen op dit blog.

Uit: De zucht naar het Zuiden

“Ze kon niet direct mee; ik hing tien dagen rond in een tentenherberg op Cap Ferret. Toen ik haar kwam ophalen ging er al meteen van alles mis, en ik kreeg sombere voorgevoelens. Ook door een brief van Jaap.
Ze zal nooit hebben beseft dat haar manier van voorlezen een foltering was. Ze sloeg stukken over, als om mij in te peperen dat er tussen Jaap en haar een intimiteit bestond waaraan ik niet kon tippen, en de passages die ze voorlas maakte ze nagenoeg onverstaanbaar door middel van een snuivend, licht spastisch gegrinnik (één van haar uniciteiten, moet ik erbij zeggen), vergezeld van mimiek en gebaren die bedoeld waren uitdrukking te geven aan gevoelens van gekwetst, zelfs gechoqueerd zijn, maar die in feite haar gevleidheid verrieden.
Wat me stak was dat Jaap erin slaagde haar van haar stuk te brengen, en wel met, naar ik aannam, ‘harde waarheden’, die hij, als iets oudere kunstenaar, in de wetenschap dat ze toch wel op hem verliefd zou blijven, zich kon veroorloven, die hem alleen maar interessanter maakten, en waarnaar ik kon raden. Elke nieuwsgierigheid naar de inhoud van die passages zou kinderachtig zijn. Van míjn gevoelens mocht ik niets laten blijken. Want we zouden reizen als vrienden – dat waren we intussen geworden, of we hadden afgesproken het te zijn, of we deden alsof we het waren, of ik had gezegd dat ik het was, of beloofd dat ik het zou zijn, of besloten het te zijn, enfin, dat weet ik echt niet meer. Mijn gevoelens en gedachten, de eerste ondoorzichtig, de tweede onoprecht omdat ze niet anders beoogden dan de gunst van Marians nabijheid ten koste van de herinnering aan haar, kenmerkten zich nu door een haast dostojevskiaanse zelfuitvlakking. Paradoxaal genoeg ontleende ik aan de literaire troost dat Dostojevski’s personages ook zo waren mijn laatste beetje eigenwaarde.
Wat de brief betreft: het enige ter zake doende was de mededeling dat Jaap en Mies niet naar Gerona konden komen. Een beetje voorzichtig ten opzichte van elkaar begonnen we de reis naar het Zuiden.
In Perpignan waren zigeuners. Straten vol. Zigeuners waren mooi. Dat was, alweer, een gegeven. Dus ook díe zigeuners. Marian echter, die met haar zwartbruine lange haar, koolzwarte ogen en donkere huid er bijna zelf een zou kunnen zijn, vond ze wel érg mooi.”

August Willemsen (16 juni 1936 – 29 november 2007)
In 1966


De Nederlandse schrijver en onderwijzer Theo Thijssen werd geboren in Amsterdam op 16 juni 1879. Zie ook alle tags voor Theo Thijssen op dit blog.

Uit: Kees de jongen

“Erg was dat nou wel niet. Want dat dooie schooltekenen, nooit es landschapjes of zo, dat was toch niks. En op een goeie dag, als -ie eens een schetsboek had, dan kon de meester met z’n hele avondschool naar de maan lopen, en dan zou-ie wel es willen zien!
Maar natuurlik, de schilders moesten je niet voor een schooier aanzien. Moesten natuurlik merken, dat je een fatsoenlike jongen was. Laatst was-ie op een Woensdagmiddag meegeweest met Jansen uit de zevende klas. Ja, die was ook zuur, die zat in de zevende en die droeg al een soort van lange broek! Dat moest z’n moeder hem, Kees, niet lappen! Hij knipte d’r gewoon stukken van af. Alleen zat-ie dan nog verlegen met z’n bénen, want Jansen had van die korte mannensokken ook, en zo’n gekke onderbroek met bandjes. Maar enfin, dan bleef-ie net zo lief alle dagen in huis zitten, tot z’n moeder hem wel fatsoenlik aankleden moèst. Maar Jansen was van buiten, en boerenjongens hebben allemaal van dat mannengoed aan….
Als ze tegen een uur of twee zorgden, dat ze aan de Baarsjes stonden, dan kwamen er twee schilders voorbij en Jansen was daar al dikwijls mee meegeweest.
Goed, ze stonden er, en eindelik kwam de ene schilder er aan. Had je Jansen stom moeten zien doen. Mag ‘k wat dragen, meneer, mag ‘k wat dragen, meneer. Pak maar an, zei de schilder, en Jansen moest die doos en dat stoeltje dragen; ’t was net zo’n soort van bedeljongen. Kees liet even merken dat hij Kees was: nam z’n pet behoorlik af. De schilder zag het niet. Zo liepen ze mee. Neem jij nou het stoeltje, zei Jansen. Nou, dat deed Kees natuurlik, anders had de schilder gauw gezegd: waarom loopt die jongen mee.
Schuin tegenover een werf hielden ze halt. De schilder begon met tekenen, en de hele middag bleef-ie tekenen, die paar oue rottige schuiten op die werf. Hij tekende om een haverklap wat fout, en hij zat het aldoor weer uit te vegen. Kees twijfelde, of het wel een echte schilder was.
De jongens gingen in het gras zitten. Het was nogal vervelend. De schilder zei tegen Jansen: hier is een dubbeltje, haal jij es een half ons baai voor me, ik heb natuurlik m’n tabak weer vergeten. Jansen holde weg. Toen was Kees met de schilder alleen. Wat zou het nou fijn zijn, dacht Kees, als de schilder nou maar begon te vragen. – Of-ie óók wel ‘es geschilderd had, of-ie graag schilder wou worden. Want natuurlik, hij had ook allang gemerkt, dat Kees ’n ander soort jongen was dan Jansen.”

Theo Thijssen (16 juni 1879 – 23 december 1943)
Cover


De Zuid-Afrikaanse dichteres Ronelda Kamfer werd op 16 juni 1981 in Blackheath, een voorstad van Kaapstad, geboren. Zie ook alle tags voor Ronelda Kamfer op dit blog.

Little Cardo

for Alfonso Cloete and Velencia Farmer

They say it’s the whiteman I should fear, but it’s my own kind
doing all the killing here.
Tupac Amaru Shakur
Cardo was born
but not expected
his mother was sixteen
and his father community builder of the year
his grandmother was a cashier
and his stepgrandfather drank to ease the pain

Cardo was a beautiful child
with dark skin and light eyes
beautiful enough to speak English
he liked playing drie stokkies
and vrottie eier in the street
Tietie Gawa from the mobile said
that Cardo was heaven sent

On the eve of Cardo’s first day
at big school
schoolboys were playing with crackers in the street
Cardo looked through the window
the bullet lodged in his throat
his mother did not cry
the politicians planted a sapling
the Cape Doctor uprooted it
and threw it where the rest
of Cape Town’s dreams lay

on the Cape flats

Ronelda Kamfer (Blackheath, 16 juni 1981)


De Nederlandse dichter Arie Gelderblom werd geboren in Nieuw-Lekkerland op 16 juni 1945. Zie ook alle tags voor Arie Gelderblom op dit blog.

Dit is het

Dit is een onafzienbare sneeuwjacht
van tekens, zelfs video is tevergeefs
gebleken, dit is het raadsel van adem
en water, dit is het en dat
en alles is het

dit is een eeuwig etmaal van een paar
sekonden, dit is voor ogen te groot
bevonden, dit is een wond en een wand
tussen vrouw en man, dit is
alles en dat

dat zijn de ondoorgrondbare wegen
tussen de sterrennevels, dit zijn de
hemels zonder weten, dit is de dorst
om een mond die licht zal maken
in het onbestaanbare

dit is alles, dit is het en dat en of
het is, is onzeker

 

Papier

papier, wit als een maagd
en jij die op de tijd jaagt, soms een werkelijkheid
aanrandt zonder dat het bed kraakt,
geen kussen dat zich verlegt om je woorden,
verlegen word je ervan

papier dat de namen vraagt voor witter,
geen begin daarmee maak je, je geeft een plant
water met zijn eigen bladeren, je verdraagt je geweten
in de zee van een afwasteiltje

papier dat niet verdragen kan,
ook het hart verdraagt het niet en breekt uit verlatenheid,
tijd gaat voorbij in stilte, de eerste dag bleef altijd
in de winternacht, je houdt het papier in een lasvlam
en grijnslacht.

Arie Gelderblom (16 juni 1945 – 12 december 1991)


De Amerikaanse dichteres en schrijfster Joyce Carol Oates werd geboren in Lockport, New York, op 16 juni 1939. Zie ook alle tags voor Joyce Carol Oates op dit blog.

Uit: A Widow’s Story

“Princeton police officers arrived at the accident scene. An ambulance arrived bearing emergency medical workers. I recalled that one of my Princeton undergraduate students, a young woman, was a volunteer for the Princeton Emergency Medical Unit and I hoped very much that this young woman would not be among the medical workers at the scene. I hoped very much that this episode would not be reported excitedly back and circulated among my students Guess who was in a car crash last night—Prof. Oates!
Strongly it was recommended that “Raymond Smith” and “Joyce Smith” be taken by ambulance to the ER to be examined—especially it was important to be X-rayed—but we declined, saying that we were all right, we were certain we were all right. Yet in the faux-euphoric aftermath of the crash in which there was no pain nor hardly an awareness of the very concept of pain we insisted that we were fine and wanted to go home.
Standing in the cold, shivering and shaky and our car pulverized as if a playful giant had twisted it in his hands and let it drop—there was nothing we wanted so badly as to go home.
We were asked if we were “refusing” medical treatment and we protested we weren’t refusing medical treatment—we just didn’t think that we needed it.
Refused then, the officer noted, filling out his report.
Two police officers drove us home in their cruiser. They were kindly, courteous. Near midnight we entered our darkened house. It seemed that we’d been gone for far longer than just an evening and that we’d been on a long journey. Our nerves were jangled like broken electric wires in the street. I’d begun to shiver, convulsively. I was dry-eyed but exhausted and depleted as if I’d been weeping. I saw that Ray was all right—as he insisted—we were both all right. It was true that we’d come close to catastrophe—but it hadn’t happened. Somehow, that fact was difficult to comprehend, like trying to fit a large and unwieldy thought into a small area of the brain.
I began to feel the first twinges of pain in my chest. When I lifted my arm. When I laughed, or coughed.
Ray discovered reddened splotches on his hands—“I’ve been burnt? How the hell have I been burnt?” He ran cold water onto his hands. He took Bufferin, for pain.”

Joyce Carol Oates (Lockport, 16 juni 1939)
Cover

 

En als toegift bij een andere verjaardag:

Zomeravond

Een rose zon sleept zich tot onder weiden,
waar weer een dag nog even warm in baadt.
Als hier de nacht zijn laken over slaat
is het genotzucht en geen medelijden.

Natuur verwordt tot bed van zachte zijde
nu leven zich aan lust te buiten gaat.
Voor mijn teer hart dat gauw in vlammen slaat.
bestaat niets wreders dan dit jaargetijde.

De morgen houdt zich lichtblauw ingetogen
die transparant de huid der aarde kust,
maar ’s middags wordt de tederheid verzengd.

Pas als de herfst weer dood en leven mengt
wordt elke drift tot zwijgen omgebogen
en al mijn zinnen komen dan tot rust.

Frans Roumen (Wessem, 16 juni 1957)
In de zomer door Piotr Konchalovsky 1939


Zie voor nog meer schrijvers van de 16e juni ook mijn blog van 16 juni 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Krankenbesuch (Karl Gerok), Erik Lindner, Jehuda Amichai, Dolce far niente

Dolce far niente

 

 
In het ziekenhuis door Nikolai Petrovich Bogdanov-Belsky, ca. 1910

 

Krankenbesuch

Psalm 80, 4.
Lass leuchten dein Antlitz, so genesen wir.

Frühwinter wars, erstorben Busch und Baum,
Da pilgert‘ ich zu eines Kranken Hütte,
Fern lag sie an der Vorstadt letztem Saum,
In weißer Felder, öder Gärten Mitte.

Eng war die Pforte, niedrig das Gemach,
Gebückt nur trat ich in die düstre Kammer,
Doch wie viel Elend unter niedrem Dach,
Im engen Stüblein wie viel Not und Jammer!

Schwindsüchtig lag der Vater hingestreckt
Und hob mit Müh sein bleiches Haupt vom Lager,
Darauf, mit großem Teppich schlecht bedeckt,
Sein Leib sich krümmte, abgezehrt und mager.

Aus hohler Brust schon röchelte der Tod,
Doch hofft er noch zu leben, nicht zu sterben,
Für Weib und Kinder noch ein kärglich Brot
Mit seiner Hände Arbeit zu erwerben.

Ein holdes Knäblein schlief in seinem Arm,
Mit roten Wangen, leichtem Kinderodem,
Süßträumend mitten unter Not und Harm,
Frischblühend in der Krankenstube Brodem.

Ein ältres Mägdlein aber saß abseits,
Mit frosterstarrten Fingern mühsam strickend,
Ein kränkelnd Blümlein, frühgeknickt vom Kreuz,
Aus trüben Augen scheu und schüchtern blickend.

Wie dann die bleiche Mutter trat hervor,
Und schlicht mir ihrer Leiden Lauf erzählte,
Mit Blicken sagend, was sie vor dem Ohr
Des Kranken sorglich schonend gern verhehlte:

Die Angst um ihres Gatten nahen Tod,
Den schon der Arzt mit dürrem Wort verkündet,
Die Angst dabei um Hauszins, Holz und Brot,
Die mit der Angst der Liebe sich verbündet! –

Nicht am Altar, gedeckt mit Purpursamt,
Auf goldner Kanzel nicht, an heilger Stätte,
Ward mir so schwer, ward mir so süß mein Amt,
Wie hier an dieses Tagelöhners Bette.

Da galts, ein himmlisch Evangelium
Zu predigen den Kranken und den Armen,
Da galts, zum Herrn im obern Heiligtum
Aus tiefer Not zu schreien um Erbarmen.

Da galts, zu spenden Leibes- und Seelenkost,
Und als ich schied aus der betrübten Kammer,
Ließ ich zurück wohl einen Strahl von Trost,
Trug aber weg dafür ein Herz voll Jammer.

Doch sieh! wie grüßt ein wunderholder Glanz
Mein düstres Auge an des Hauses Schwelle:
Der Weg, der Zaun, die weite Landschaft ganz,
Sie lodert rings in rosenroter Helle!

Die Wintersonne wars im Untergehn,
Die noch die Wolken rosig überhauchte,
Die schwarze Stadt, die weißbeschneiten Höhn
In sanfte Glut, in holdes Feuer tauchte.

Das kahle Feld, die blumenleere Flur,
Der Rebenhügel frostig öde[s] Warten,
Die winterlich erstorbene Natur,
Sie blühte wie ein weiter Rosengarten.

Da hob ich zu der Sonne mein Gesicht:
„Gesegnet sei, du freundliche und milde,
Die auch den kurzen Tag verklärt in Licht
Und Rosen zaubert auf das Schneegefilde!

„Du sollst ein Bild mit jener Sonne sein,
Die sich in Christi Antlitz uns erschließet,
Und mit des Himmels goldnem Widerschein
Die dürre Scholle dieser Welt umgießet;

„Die auch den rau’sten Weg im Pilgerland
Mit der Verheißung Rosenlicht bestrahlet,
Und an des Armen kahle Stubenwand
Ein Paradies in Gold und Purpur malet;

„Die noch ein sterbend Auge, eh es brach,
Verklären kann in sel’ge Himmelswonne;
— O, einen Strahl auch unter jenes Dach
Von deinem Glanz, du ew’ge Geistersonne!“

 


Karl Gerok (30 januari 1815 – 14 januari 1890)
Vaihingen an der Enz, de geboorteplaats van Karl Gerok

 

De Nederlandse dichter Erik Lindner werd geboren op 3 mei 1968 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Erik Lindner op dit blog.

Vers

De hemelstaarder staat onder een boom.
Prevelend loopt de regen in zijn oog.
En alle wolken zijn van marmer.
En alle bladeren dragen een andere naam.

Steels is deze voor eeuwig te behouden
overgave, nog in staat tot verzet.
Eens de schoonheid te dicht genaderd
bloedt de inrichting van haar toilet.

Hij glijdt uit de vijver in een vlies
van klank die zijn woorden ontzet.
De takken buigen tot een melodie
de kracht verwerft die hem belet.

 

Au repos

Hier is de deur, daar is een kruk.
Het licht houdt op bij het raam.
De kleur van de vloer vloeit uit.
Het naakt lijkt iets mee te delen.
Het kan niet alleen zijn wat het is.
Er komt dadelijk een keerpunt in
de verlamming die Balthus bracht.
De lingeriereclames van de haltes
en wij op de achterbank van bus vijf,
omringd door het jodoform van Bronovo. Nu

zit ze voor lijk in een fauteuil,
gevlekt waar haar ondergoed was,
in een wit overhemd dat als een doek
om haar schouders valt – en wat haar
rechterborst kon zijn deels bedekt. Een been
raakt net de vloer, het ander ligt onder
de dij, een hand omklemt de leuning,
de ander valt eroverheen. De rug
van de fauteuil boven haar
weggedraaid gezicht.

 

De sleutel

I
De stad oogt onbewoonbaar op deze heldere dag
een jongen van nauwelijks twaalf
klimt vanaf een auto een boom in
en snijdt bebloemde takken af

de resten van het handvat
tussen het stof achter de kachel
en de fles in de greep van zijn hand
en het water dat langs de pols loopt

helder is de stad niet onbewoonbaar is de dag.


Erik Lindner (Den Haag, 3 mei 1968)

 

De Duits-Israëlische dichter en schrijver Jehuda Amichai werd op 3 mei 1924 geboren in Würzburg. Zie ook alle tags voor Jehuda Amichai op dit blog.

Dingen die kwijt zijn

Uit advertenties in de krant en van mededelingenborden
leer ik over dingen die kwijt zijn.
Zo weet ik wat de mensen hadden
en waar ze van houden.

Op een keer zakte mijn hoofd vermoeid op mijn
harige borst en daar vond ik de geur van mijn vader
terug, die jarenlang kwijt was geweest.

En mijn herinneringen zijn als iemand
die niet meer terug mag naar Tsjechoslowakije
of die bang is om weer naar Chili terug te gaan.

Soms zie ik weer
de holle witte kamer
met het telegram
op tafel.

 

Zo’n vrouw

Zo’n vrouw, mooi als een droomontwerp
van een moderne architect, en elegant als was ze uitgeknipt
uit een modeblad voor koningen.

Maar een vergetende en een verliezende vrouw!
En alle dingen die ze vergeet en verliest
zijn het handschrift van haar leven
en het rest mij dat te leren lezen:
maar als ik het eindelijk kan lezen
en opkijk,
is ze al ver weg.

 

Vertaald door Tamir Herzberg

 

Ik ben een gast in dit leven

Ik ben een gast in dit leven, maar ik zie,
mijn gastgevers worden langzaamaan
moe en ongeduldig.
Bomen beven, bergen trekken
van de ene plaats naar de andere, de hemel geeuwt.
In de nachten doen de winden
van alles onrustig bewegen: rook, mensen, lichtjes.

Ik schrijf mijn naam in Gods gastenboek:
Ik kwam, bleef hier even, het was goed,
Ik heb genoten, gezondigd, bedrogen –
Van de ontvangst in deze wereld
was ik erg onder de indruk.

 

Vertaald door Frans Roumen

 
Jehuda Amichai (3 mei 1924 – 22 september 2000)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e mei ook mijn blog van 3 mei 2018 en ook mijn blog van 3 mei 2017 en mijn blog van 3 mei 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

William Shakespeare, Roman Helinski, Pascal Quignard, Peter Horst Neumann, Andrey Kurkov, Halldór Laxness, Christine Busta, Richard Huelsenbeck, Maurice Druon

De Engelse dichter en schrijver William Shakespeare werd geboren in Stradford-upon-Avon op, vermoedelijk, 23 april 1564. Zie ook alle tags voor William Shakespeare op dit blog.

Uit:Loves Labours Lost

“ACT I
SCENE I. The king of Navarre’s park.
Enter FERDINAND king of Navarre, BIRON, LONGAVILLE and DUMAIN
FERDINAND
Let fame, that all hunt after in their lives,
Live register’d upon our brazen tombs
And then grace us in the disgrace of death;
When, spite of cormorant devouring Time,
The endeavor of this present breath may buy
That honour which shall bate his scythe’s keen edge
And make us heirs of all eternity.
Therefore, brave conquerors,–for so you are,
That war against your own affections
And the huge army of the world’s desires,–
Our late edict shall strongly stand in force:
Navarre shall be the wonder of the world;
Our court shall be a little Academe,
Still and contemplative in living art.
You three, Biron, Dumain, and Longaville,
Have sworn for three years’ term to live with me
My fellow-scholars, and to keep those statutes
That are recorded in this schedule here:
Your oaths are pass’d; and now subscribe your names,
That his own hand may strike his honour down
That violates the smallest branch herein:
If you are arm’d to do as sworn to do,
Subscribe to your deep oaths, and keep it too.
LONGAVILLE
I am resolved; ‘tis but a three years’ fast:
The mind shall banquet, though the body pine:
Fat paunches have lean pates, and dainty bits
Make rich the ribs, but bankrupt quite the wits.
DUMAIN
My loving lord, Dumain is mortified:
The grosser manner of these world’s delights
He throws upon the gross world’s baser slaves:
To love, to wealth, to pomp, I pine and die;
With all these living in philosophy.
BIRON
I can but say their protestation over;
So much, dear liege, I have already sworn,
That is, to live and study here three years.
But there are other strict observances;
As, not to see a woman in that term,
Which I hope well is not enrolled there;
And one day in a week to touch no food
And but one meal on every day beside,
The which I hope is not enrolled there;
And then, to sleep but three hours in the night,
And not be seen to wink of all the day–
When I was wont to think no harm all night
And make a dark night too of half the day–
Which I hope well is not enrolled there:
O, these are barren tasks, too hard to keep,
Not to see ladies, study, fast, not sleep!”


William Shakespeare (23 april 1564 – 23 april 1616)
Scene uit een opvoering in The Old Globe in Londen, 2016

 

De Nederlandse schrijver en journalist Roman Helinski werd geboren in Nuth op 23 april 1983. Zie ook alle tags voor Roman Helinski op dit blog.

Uit: Bloemkool uit Tsjernobyl

“Mijn moeder draaide avonddiensten als verpleegkundige in het bejaardentehuis. Zeven dagen wel, zeven dagen niet. We aten vlak voor ze vertrok rond vijven, om elf uur kwam ze weer thuis. Ons zware, stroeve hek kraakte en piepte dan.
Op de dag van de begrafenis hoorde ik haar ’s avonds haar auto de schuur in rijden. We hadden een heel grote schuur, letterlijk zo groot als een huis. Mijn vader had hem met twee Poolse mannen uit het dorp gebouwd, zonder vergunning en zonder bouwtekeningen. Twee weekenden werden ze hierbij geholpen door een verre oom van mijn vader, ook een Pool. Ze hadden wel wat van elkaar weg. Hij woonde het meest dichtbij van de hele club; met zijn tweede vrouw, een Nederlandse, runde hij een varkenshouderij in Noord-Brabant. De paar keer dat hij langskwam in mijn jeugd nam hij altijd een fles wodka mee. Mijn vader verheugde zich telkens erg op zijn komst.
Aan het eind van elke dag dat gewerkt werd aan de schuur, veegde ik samen met mijn moeder het gruis op dat was achtergebleven. Voor de bouw gebruikten ze grote, grijze stenen, in de nok kwam een wirwar aan balken. ‘Zo blijft de schuur staan,’ zei mijn vader. ‘Zelfs als het stormt.’ Hij zei ook, trots: ‘In Polen bouwen ze de huizen van hetzelfde materiaal.’
Toen het dak er eenmaal op zat, stuurde de gemeente een boze brief, en maandenlang hing ons boven het hoofd dat we de schuur weer af moesten breken. Het waren onzekere tijden, de sfeer thuis was gespannen.
Ruim een uur nadat mijn moeder uit haar werk was gekomen, hoorde ik het hek nog een keer open- en dichtgaan. Vaak wandelde mijn vader ’s avonds door het dorp of hij ging naar de tennisbaan die naast ons huis lag. Soms verdween hij een paar uur zonder te zeggen waarheen. Als mijn moeder vroeg: ‘Waar ben je geweest?’ haalde hij zijn schouders op. Ik was bang dat hij op een keer een hele nacht weg zou blijven, of misschien wel twee nachten. Meestal sliep hij op de bank in de woonkamer wanneer hij tot laat was gaan wandelen. Zo ook deze keer.
De volgende morgen aan het ontbijt zei hij: ‘Ze was zo vreselijk eenzaam vlak voor haar dood. Ik ben bang dat…’
‘Dat jij ook zo eindigt?’ vroeg mijn moeder.
‘Bang dat Babunia zo eindigt.’
‘Maar jij bent er toch?’ vroeg ik. ‘En wij zijn er?’
Mijn vader zweeg een tijdje en keek voor zich uit.”


Roman Helinski (Nuth, 23 april 1983)

 

De Franse schrijver Pascal Quignard werd geboren op 23 april 1948 in Verneuil-sur-Avre. Zie ook alle tags voor Pascal Quignard op dit blog.

Uit: Dans ce jardin qu’on aimait

« Un pasteur américain, en 1860, a noté les sons que les gouttes de la pluie faisaient retentir sur l’herbe et les petits sentiers de graviers du jardin de la cure. Il transcrit des mois durant, des saisons durant, des années durant, tous les chants des oiseaux qui viennent y nicher, se percher dans les branches, se dissimuler sous les feuilles des arbres. Il s’appelait Simeon Pease Cheney. Le révérend Cheney vivait exactement au temps où le pasteur Brontë finissait ses jours, alors que ses trois filles et son fils étaient morts. Le révérend a écrit dans un de ses plus beaux sermons : « Dieu dit dans Matthieu XIII, 9:
Audiat ! Qu’il entende ! Celui qui a des oreilles, qu’il entende ! Il n’y a pas que les oiseaux qui chantent ! Le seau, où la pluie s’égoutte, qui pleure sous la gouttière de zinc, près de la marche en pierre de la cuisine, est un psaume ! L’arpège en houle, tourbillonnant, du porte-manteau couvert de pèlerines et de chapeaux, l’hiver, quand on laisse un instant la porte d’entrée ouverte dans le corridor de la cure, lui aussi constitue un Te Deum ! » Je vais vous jouer le morceau de musique que fait le vent quand il s’engouffre dans le portemanteau du corridor de la cure.
Alors le récitant obscur se fait sombre interprète : il ouvre le clavier. Apparaît la bande étroite de velours brodée de fils de soie qui le protège. C’est un long ruban somptueux et doux qu’il ôte. Surgissent les touches d’ivoire et leurs lumières, celles d’ébène du vieux piano et leurs reflets. Le révérend enroule lentement autour de sa main gauche la bande de velours brodée. »

 
Pascal Quignard (Verneuil-sur-Avre, 23 april 1948)
Cover

 

De Duitse dichter, essayist en literatuurwetenschapper Peter Horst Neumann werd geboren op 23 april 1936 in Neisse. Zie ook alle tags voor Peter Horst Neumann op dit blog.

Vroege foto van de ouders

Toen was ik
er nog niet,
toen waren ze pas verloofd,
toen hadden ze het nog
kunnen voorkomen.

Hoe graag ik er ben.

 

De handen, de ogen

Het uur (wanneer
was dat) toen ik begon
met zien, en waren
voordien dan blind
mijn ogen?

Je zei dat twee
niet genoeg zijn
een derde zou nodig zijn
een oog achter de ogen,
maar van jezelf
moest het wel zijn.

Maar de hand, de derde,
die van een ander is,
die ik met beide handen
vastgreep, om de waargenomen wereld
te begrijpen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 
Peter Horst Neumann (23 april 1936 – 27 juli 2009)

 

De Oekraïense schrijver Andrey Kurkov werd geboren op 23 april 1961 in Leningrad. Zie ook alle tags voor Andrey Kurkov op dit blog.

Uit: The Gardener from Ochakov (Vertaald door Amanda Love Darragh)

`Ma, your friend’s at the gate, and she’s got another dodgy man with her!’ Igor shouted cheerfully. `Keep your voice down, will you?’ said his mother, coming out into the hallway. ‘She’ll hear you!’ Elena Andreevna shook her head as she looked reproachfully at her thirty-year-old son, who had never learned to lower his voice when necessary. It was true that their next-door neighbour, Olga, did seem to be taking rather too much of an interest in her personal life. As soon as Elena Andreevna and her son had moved from Kiev to Irpen, Olga — who was also fifty-five years old and single —had taken her under her wing. Elena Andreevna had divorced her husband before she’d retired, largely because he had started to remind her of a piece of furniture, being inert, silent, perpetually morose and apparently incapable of helping out around the house. Olga had been smart enough not to get married in the first place, but she spoke about it casually, without regret. ‘I don’t need to keep a husband on a leash,’ she had once said. ‘Put them on a leash and they start to behave like dogs, always barking and biting!’ Elena Andreevna went out to the gate and saw her neighbour. Next to her stood a wiry, clean-shaven man of around sixty-five with an expressive face and a determined chin, closely cropped grey hair and a faded canvas rucksack on his back. tenochka, I’ve brought someone to meet you! This is Stepan. He fixed my cowshed.’ Elena Andreevna looked sceptically at Stepan. She didn’t have a cowshed, and nothing else needed fixing. Everything was in perfect working order, for the time being, and she wasn’t in the habit of inviting unfamiliar men into the house for no reason. Although the look of amused indifference in Elena Andreevna’s eyes had not escaped his attention, Stepan politely inclined his head. `Do you by any chance need a gardener?’ he wheezed, his voice full of hope. Stepan was dressed smartly in black trousers, heavy boots and a striped sailor’s undershirt. `People usually hire gardeners at the beginning of spring,’ remarked Elena Andreevna, unable to hide her surprise. `I prefer to start now and finish in late winter. I can prune the trees and tidy everything up, and then I’ll be on my way. Trees need looking after all year round. My rates are quite reasonable, too — I’ll be happy with a hundred hryvnas a month, plus board and lodging. Mind you, I’m quite fond of cooking myself.”


Andrey Kurkov (Leningrad, 23 april 1961)

 

De IJslandse schrijver Halldór Laxness (eig. Halldór Guðjónsson) werd geboren in Reykjavik op 23 april 1902. Zie ook alle tags voor Halldór Laxness op dit blog.

Uit: Iceland’s Bell (Vertaald door Philipp Roughton)

“No one owns anything unless he has letters for it,” said the king’s hangman.
“I believe that it says in the old books,” said the old man, “that when the Norwegians arrived in this empty land, they found this bell in a cave by the sea, along with a cross that’s now lost.”
“My letter is from the king, I say!” said the hangman. “And get yourself on up to the roof, Jón Hreggvibsson, you black thief!”
“The bell may not be broken,” said the old man, who had stood up. “It may not be taken away in the Hólmship. It has been rung at the Aljingi by Öxará since the beginning-long before the days of the king; some say before the days of the pope.”
“I could care less,” said the king’s hangman. “Copenhagen must be rebuilt. We’ve been fighting a war against the Swedes and those filthy bastard skulkers have bombarded the place.”
“My grandfather lived at Fíflavellir,* some way up from here on Bláskógaheibi,” said the old man, as if he were starting to narrate a long story. But he got no further.
“Ne’er would king with arms so stout caress her
Drape her in gems that fair bewitch
Drape her in gems that fair bewitch . . .”
The black thief Jón Hreggvibsson was straddling the roof, his feet dangling out over the gable, singing the Elder Ballad of Pontus.* The bell was fastened with a thick rope around the ridgepole, and he hacked at the rope with an ax until the bell fell down into the dooryard:
“Drape her in gems that fair bewitch
-Unless she were both young and r-i-i-i-ch . . .
. . . and now they say that my Most Gracious Hereditary Sire has gotten himself a third mistress,” he shouted down from the roof, as if announcing tidings to the old man. He looked at the edge of the ax and added: “And she’s supposed to be the fattest of them all. That’s what separates the king from me and Siggi Snorrason.”

 
Halldór Laxness (23 april 1902 – 8 februari 1998)
Cover

 

De Oostenrijkse dichteres Christine Busta werd geboren op 23 april 1915 in Wenen. Zie ook alle tags voor Christine Busta op dit blog.

Das Wunder

Auf getan hat die blinde Kastanie,
die du als Weggeleit mir pflücktest,
über Nacht ihre Stachelwimpern.
Aus dem Verdorren der grünen Lider
trifft mich stündlich größer der reine

braune Blick deiner herbstlichen Seele.
Nah blieb der Engel wie einst dem Tobias.

 

Von der Freude

Im Gestrüpp der Verzweiflung
die Freude aufspüren,
aber nicht jagen!

Ihre Laufkraft erkennen,
ihr Innehalten,
den möglichen Haken der Umkehr
erwarten.

Auch ihr Entschwinden wird Zulauf,
nur in eine andere Richtung.
Zu wissen, daß es sie immer noch gibt,
ist Teilhabe in Geduld.

Unzähmbar von den Händen des Fängen
sonnt sie sich in den Augen des Spähers,
bleibt unterm Wimpernschatten ihm ruhn.

 
Christine Busta (23 april 1915 – 3 december 1987)
Portret door Paula Ludwig

 

De Duitse dichter, schrijver, essayist en psychoanaliticus Richard Huelsenbeck (Hülsenbeck) werd geboren op 23 april 1892 in Frankenau. Zie ook alle tags voor Richard Huelsenbeck op dit blog.

Mit güldenen und roten Segeln

Mit güldenen und roten Segeln
fuhr ich hinauf Central Park West zu den
wirren Vierteln, wo die Portorikaner mit Huhn
und Hund, zwischen Decken und Diesteln der
alten Heimat geruhsam Bildnis zurückschrein.

Im Traum und auf den Straßen, eingewickelt in
des Golfstroms nördlichen Dunst und Schein,
mit schweißigen Händen und Haupt –
oh Heimat im Busen des Südens und der Windsbraut,
so gedenken wir dein.

Warum fütternde Brüste gabt ihr nicht
Milch genug, die Zukunft zu düngen?
Und warum wurde das Gold des Abendlichts
Kupfer nicht im Hosenbund und Brot
zu brechen für Hunger und Hund…?

Ach, so fuhr ich mit roten Segeln hinauf
Central Park West, auf dem Zement und ge-
wiegt von des Benzins häutigem Schal.
und die Menschen des Alltags begrüßten
mich und die Wehmut des Wassers

um mich herum und sie winkten der Schön-
heit, die ihre Brust nicht gekannt,
und die Gesichter der Frauen in
starrem Hinblick, Musen der Stunde,
sagten sie Ja zu meinem Beginn.

Hier bin ich, Schiffer der Städte,
dem Mastbaum verbunden, den Falter
der Sehnsucht im offenen Knopfloch,
vorwärts stotternder Kämpfer und Künder
des Hafens, der sich verschließt.

Acht Glas schlägt, und wir sitzen bei
Tisch. Wo ist die Bibel und wo ist der Sinn?
Haben wir nicht Meile um Meile der Hai-
fische Gier betrogen und sind wir nicht,
Voraneiler der Wellen, dem Himmel vereint?

Ach, wir wiegen dich auf den Händen, Jahr-
hundert des Sinns, der Qual und der Schön-
heit der Weiber, die uns bedrängt.
Atemumflossenes Bild der Befreiung –
wir sind dir verhängt.

 
Richard Huelsenbeck (23 april 1892 – 20 april 1974)
Cover autobiografische fragmenten

 

De Franse schrijver en politicus Maurice Druon werd geboren op 23 april 1918 in Parijs. Zie ook alle tags voor Maurice Druon op dit blog.

Uit: Les Rois Maudits

« Dès qu’il apparaissait, tout semblait autour de lui devenir faible, fragile, friable. Il avait le menton rond, le nez court, la mâchoire large, l’estomac fort. Il lui fallait plus d’air à respirer qu’au commun des hommes. Ce géant avait vingt-sept ans, mais son âge disparaissait sous le muscle, et on lui aurait donné tout aussi bien dix années de plus. Il ôta ses gants en s’avançant vers la reine, mit un genou en terre avec une souplesse surprenante chez un tel colosse, et se releva avant qu’on ait eu le temps de l’y inviter. — Alors, messire mon cousin, dit Isabelle, avez-vous fait bonne traversée de mer ?   Exécrable, Madame, horrifique, répondit Robert d’Artois. Une tempête à rendre les tripes et l’âme. J’ai cru ma dernière heure venue, au point que je me suis mis à confesser mes, péchés à. Dieu : Par chance il y en avait si grand nombre que le temps d’en dire la moitié, nous étions arrivés. J’en garde assez pour le retour.
Il éclata de rire, ce qui fit trembler les vitraux. — Mais par la mordieu, continua-t-il, je suis mieux fait pour courir les terres que pour chevaucher l’eau salée. Et si ce n’était pour l’amour de vous, Madame ma cousine, et pour les choses d’urgence que j’ai à vous dire… Vous permettrez que j’achève, mon cousin, dit Isabelle l’interrompant. Elle montra l’enfant. — Mon fils commence à parler aujourd’hui. Puis à lady Mortimer : — J’entends qu’il soit accoutumé aux noms de sa parenté, et qu’il sache, dès que se pourra, que son grand-père Philippe est le beau roi de France. Commencez à dire devant lui le Pater et l’Ave, et aussi la prière à Monseigneur Saint Louis. Ce sont choses qu’il faut lui installer dans le coeur avant même qu’il les comprenne par la raison. Elle n’était pas mécontente de montrer à l’un de ses parents, lui-même descendant d’un frère de Saint Louis, la manière dont elle veillait à l’éducation de son fils. C’est bel enseignement que vous allez donner à ce jeune homme, dit Robert d’Artois. — On n’apprend jamais assez tôt à régner, répondit Isabelle. L’enfant s’essayait à marcher, du pas précautionneux et titubant qu’ont les bébés. Se peut-il que nous ayons nous-mêmes été ainsi ! dit d’Artois. À vous regarder, mon cousin, dit la reine en souriant, on l’imagine mal. Un instant, contemplant Robert d’Artois, elle songea au sentiment que pouvait connaître la femme, petite et menue, qui avait engendré cette forteresse humaine ; puis elle reporta les yeux sur son fils.
L’enfant avançait, les mains tendues vers le foyer, comme s’il eût voulu saisir une flamme dans son poing minuscule. Robert d’Artois lui barra le chemin en avançant la jambe. »


Maurice Druon (23 april 1918 – 14 april 2009)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e april ook mijn blog van 23 april 2018 en ook mijn blog van 23 april 2017 deel 2.

Cynan Jones, Mischa Andriessen, John Steinbeck, Ruy Belo, Lawrence Durrell, André Roy, Elisabeth Borchers, James T. Farrell, Irwin Shaw

De Welshe schrijver Cynan Jones werd geboren op 27 februari 1975 in Aberystwyth, Wales. Zie ook alle tags voor Cynan Jones op dit blog.

Uit: The Long Dry

“He comes in, scraping his feet on the metal grill outside the back door, not because he needs to, but from habit. Or perhaps it is his announcement—a signal they have always had but never spoken of. They had many of these when they were younger.
She rinses the cafetière and warms the cup with water from the kettle, which she’s boiled several times while she has waited for him. She does not make the coffee. Some things she mustn’t do. She’s threatened by the coffee, about how strong to make it, how it tastes when it is made. He makes coffee every day, just for himself as no one else drinks it. He makes a strong potful of coffee at this time of the morning and it does him for the day, warming up the cupfuls in a pan as they are needed, which makes them stronger as the day goes on. No one else touches the pan. She says it’s why he does not sleep. His first coffee each morning is the remnants of the night before because he does not want to wake the house grinding the beans, and the children sleep above the thin ceiling of the kitchen.
He sits at the table with a loose fist and runs his thumb over the first joint of his forefinger in the way he has, so it makes a quiet purring sound, like rubbing leather.
“What about the dosing?”
“It’ll have to wait,” he says.
He rubs his finger. He does this always at the table, talking or reading a paper, even with the handle of a cup held there, so that this part of his finger is smooth and shines. Whenever he’s at rest.
“I don’t know,” he says. “I’ve checked the obvious places and she’s not there. She’s got her head down and gone.”
He does not tell her about the stillborn calf.
“It’s typical. It has to be today,” she says. “I should have gotten up to check.”
“She would have gone anyway,” he says quietly.
He looks down at the missing part of his little finger on his right hand and makes the sound against his thumb again. She still blames herself for this damage to him. He was trying to free the bailer from the new tractor and she had done something and the catch had just bit down. He takes a mouthful of coffee. It was a clean cut and it healed well and he could have lost his hand instead. That’s how he looks at it. In some ways he loves it.”


Cynan Jones (Aberystwyth, 27 februari 1975)

 

De Nederlandse dichter Mischa Andriessen werd geboren in Apeldoorn op 27 februari 1970. Zie ook alle tags voor Mischa Andriessen op dit blog.

De vogelkoning

Het zijn normaal jonge jongens.
In de lente verlaten ze hun huizen
halsoverkop, alsof iemand hen riep.
Wie overleeft, herinnert zich niet
wat het was – het zachte wieken
van wijd uitgestrekte vleugels
een stille roep, zoals stenen zingen
in de hoofden van krankzinnigen.
Van sommigen zijn de vaders
eerder gegaan, er is geen kaart
een richting, geen route; soms
komt er een aan, keert terug
naar waar hij eens vertrok
vertelt het na, vervormd, gehavend
kleren tot op de draad kapot
de blik spreekt louter waanzin:
Een arendsnest op de rotsen
weggedraaide ogen, paarse lippen
heel het gastpad afgedwaald
om weer hier te zijn.
De mare wil dat ze luisteren.

 

Portaal

Vader stond buiten voor de deur.
De zoon stuurde hem weg, wachtte
lange dagen tot hij terugkwam
verjaagde hem telkens opnieuw
maar keek bij elke terugkeer langer
prentte zijn trekken in als zocht hij
ten slotte iets om zich te kunnen herinneren.
Toen vader toch weer op het tuinpad stond
schoot hij ogenblikkelijk zijn jas aan, ging
naar buiten, trok de deur achter zich dicht.
Ze liepen samen op, kenden de richting.


Mischa Andriessen (Apeldoorn, 27 februari 1970)

 

De Amerikaanse schrijver John Steinbeck werd geboren in Salinas, Californië, op 27 februari 1902. Zie ook alle tags voor John Steinbeck op dit blog.

Uit: The Grapes of Wrath

“And all the time the farms grew larger and the owners fewer. And there were pitifully few farmers on the land any more. And the imported serfs were beaten and frightened and starved until some went home again, and some grew fierce and were killed or driven from the country. And farms grew larger and the owners fewer.
And the crops changed. Fruit trees took the place of grain fields, and vegetables to feed the world spread out on the bottoms: lettuce, cauliflower, artichokes, potatoes–stoop crops. A man may stand to use a scythe, a plow, a pitchfork; but he must crawl like a bug between the rows of lettuce, he must bend his back and pull his long bag between the cotton rows, he must go on his knees like a penitent across a cauliflower patch.
And it came about that owners no longer worked on their farms. They farmed on paper; and they forgot the land, the smell, the feel of it, and remembered only that they owned it, remembered only what they gained and lost by it. And some of the farms grew so large that one man could not even conceive of them any more, so large that it took batteries of bookkeepers to keep track of interest and gain and loss; chemists to test the soil, to replenish; straw bosses to see that the stooping men were moving along the rows as swiftly as the material of their bodies could stand. Then such a farmer really became a storekeeper, and kept a store. He paid the men, and sold them food, and took the money back. And after a while he did not pay the men at all, and saved bookkeeping. “These farms gave food on credit. A man might work and feed himself; and when the work was done, he might find that he owed money to the company. And the owners not only did not work the farms any more, many of them had never seen the farms they owned.
And then the dispossessed were drawn west–from Kansas, Oklahoma, Texas, New Mexico; from Nevada and Arkansas families, tribes, dusted out, tractored out. Carloads, caravans, homeless and hungry; twenty thousand and fifty thousand and a hundred thousand and two hundred thousand.”


John Steinbeck (27 februari 1902 – 20 december 1968)
Poster voor de gelijknamige film uit 1940

 

De Portugese dichter, vertaler en essayist Ruy de Moura Belo werd geboren op 27 februari 1933 in São João da Ribeira, nabij Rio Maior. Zie ook alle tags voor Ruy Belo op dit blog.

Anniversary Mass

It’s been one year since your steps
last walked in our parish
Where do you who belonged to these fields
whose wheat is again turning ripe
belong now?
What’s your new name?
Can there be a more unusual weekend
than a saturday like this one that never ends?
How do you fill your time
now that all the time ahead of you is free?
What sort of steps might take you
behind the cooing of a dove in our skies?
Why have you never again had a birthday
even though the table is set and waiting for you
and the mulberry trees along the road are in bloom again?

That’s what his voice was like that’s how he talked
says the yellow-flowered broom that grows here
and that saw him walk on the pathways of childhood
next to his first flight of partridges

Now only in our neckties do we take you who are dead
to those paths where you left the mark of your feet
Only in our neckties. Your death
has stopped dressing us up completely
The summer you departed I clearly remember
thinking profound things
It’s summer again. You have ever less place
in this corner of us where every year
we will piously unearth you
Until the death of your death

 

Vertaald door Richard Zenith


Ruy Belo (27 februari 1933 – 8 augustus 1978)
Cover

 

De Britse dichter en schrijver Lawrence George Durrell werd geboren op 27 februari 1912 in Jalandhar in India. Zie ook alle tags voor Lawrence Durrell op dit blog.

Uit: Bitter Lemons of Cyprus

“Journeys, like artists, are born and not made. A thousand differing circumstances contribute to them, few of them willed or determined by the will — whatever we may think. They flower spontaneously out of the demands of our natures — and the best of them lead us not only outwards in space, but inwards as well. Travel can be one of the most rewarding forms of introspection … These thoughts belong to Venice at dawn, seen from the deck of the ship which is to carry me down through the islands to Cyprus; a Venice wobbling in a thousand fresh-water reflections, cool as a jelly. It was as if some great master, stricken by dementia, had burst his whole colour-box against the sky to deafen the inner eye of the world. Cloud and water mixed into each other, dripping with colours, merging, overlapping, liquefying, with steeples and balconies and roofs floating in space, like the fragments of some stained-glass window seen through a dozen veils of ricepaper. Fragments of history touched with the colours of wine, tar, ochre, blood, fire-opal and ripening grain. The whole at the same time being rinsed softly back at the edges into a dawn sky as softly as circumspectly blue as a pigeon’s egg. Mentally I held it all, softly as an abstract painting, cradling it in my thoughts — the whole encampment of cathedrals and palaces, against the sharply-focused face of Stendhal as he sits forever upon a stiff-backed chair at Florian’s sipping wine: or on that of a Corvo, flitting like some huge fruit-bat down these light-bewitched alleys … The pigeons swarm the belfries. I can hear their wings across the water like the beating of fans in a great summer ballroom. The vaporetto on the Grand Canal beats too, softly as a human pulse, faltering and renewing itself after every hesitation which marks a landing-stage. The glass palaces of the Doges are being pounded in a crystal mortar, strained through a prism. Venice will never be far from me in Cyprus — for the lion of Saint Mark still rides the humid airs of Famagusta, of Kyrenia. It is an appropriate point of departure for the traveller to the eastern Levant … But heavens, it was cold. Down on the grey flagged quay I had noticed a coffee-stall which sold glasses of warm milk and croissants. It was immediately opposite the gang-plank, so that I was in no danger of losing my ship. A small dark man with a birdy eye served me wordlessly, yawning in my face, so that in sympathy I was forced to yawn too. I gave him the last of my liras. There were no seats, but I made myself comfortable on an upended barrel and, breaking my bread into the hot milk, fell into a sleepy contemplation of Venice from this unfamiliar angle of vision across the outer harbour. A tug sighed and spouted a milky jet upon the nearest cloud.”


Lawrence Durrell (27 februari 1912 – 7 november 1990)
Cover

 

De Canadese dichter, schrijver en essayist André Roy werd geboren op 27 februari 1944 in Montréal. Zie ook alle tags van André Roy op dit blog.

Het is nog nacht

Het is nog nacht
de actieve droom,
de machine van actie;
de nacht in de bossen, de woestijnen, de steden.
Ik droomde van twee werelden:
een, zichtbaar en sterfelijk;
de andere, onzichtbaar, met fantomen
moe sinds de geboorte.
Ik observeer, ik zie de dans van de tijd,
de criminelen die ’s nachts terugkwamen.

 

In de nacht houden wij ons op

In de nacht houden wij ons op
jij, ik, wij, de anderen, die zijn zoals wij.
Nogmaals de actie,
de structuur van het denken in actie.
Moderne wereld van bossen en water.
Je behoort tot de reizende kooplieden,
onze voorouders de vampieren.
De steden, de huizen, de bedden,
waar we ons mysterieus, onmogelijk,
onsterfelijk waanden
wat een waanzin!
Het verlangen stroomt;
we zouden onszelf kunnen doden
voor de kennis van het verlangen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 
André Roy (Montréal, 27 februari 1944)

 

De Duitse schrijfster en dichteres Elisabeth Borchers werd geboren in Homberg op 27 februari 1926. . Zie ook alle tags voor Elisabeth Borchers op dit blog.

Niemand behaupte

Niemand behaupte
ich sei taub.
Allabendlich höre ich
die Unrast der Sterne.

Niemand behaupte
ich sei blind oder lahm.
Ich nehme Stock und Stein
bis zum jähen Ereignis.

Niemand behaupte
ich hätte zu träumen versäumt.
Ich werde nicht nach Tibet reisen
und auch nicht nach Tanger.
Mir träumte
ich fände den Weg
nicht zurück.

 

An ein Kind

Wenn wir lange genug warten,
dann wird es kommen.
Heute noch, fragt das Kind.
Heut oder morgen. Ein Schiff,
mußt du wissen, braucht Zeit.
So weit und breit wie das Meer.
Dann bist du groß.
Dann steigen wir ein
und machen die Reise.
Zusammen. Wir beide.
Und jeder auf seine Weise.


Elisabeth Borchers (27 februari 1926 – 25 september 2013)

 

De Amerikaanse schrijver James Thomas Farrell werd geboren op 27 februari 1904 in Chicago. Zie ook alle tags voor James T. Farrell op dit blog.

Uit: Father and Son

“When he’d come home, Bill was there, white and scared. But he hadn’t hit him. He’d talked to Bill like a father. Lizz had gone to see McCarthy, the police sergeant whose boys played with Bill and Danny, and McCarthy had quashed it all. He’d paid for the pocketbook, and it was all forgotten. After that, Bill had settled down. Now, you couldn’t want for a decenter boy. He looked at his leathery face in the mirror. He washed it, dried himself, cleaned out the wash bowl, and left the bathroom. He put on his khaki shirt, passed through the small hallway to the dining room, and was ready to eat. The dining-room table was covered with dishes and papers. In the center of it there was a large glass cake-dish, which contained crumbs and a stale chunk of cake. Lizz pushed dishes aside and set coffee, sugar buns, and a plate of ham and eggs before him. She wore an old apron and had a rag tied under her chin. She looked sloppy. Jim pitched into the ham and eggs. “I was over to see my mother yesterday,” Lizz remarked, sitting down to talk with him. He nodded, but said nothing. He bit into a sugar bun. He was waiting to see whether or not she’d had another scrap with her people. “Mother said that Al isn’t well,” she said. “You wouldn’t think he would be, having a doctor like Mike Geraghty,” Jim said, suddenly bitter. His face clouded. He remembered his Little Arty, now three years dead. All their good luck had to come after Arty was long since dead. He wiped up the yolk from the plate with a bun and ate it, and then he shoved his plate aside and handed Lizz his cup for more coffee. She returned with a filled cup and sat down. “Lizz, it’s a long time since the little fellow left us. You really ought to take off your mourning. If you do that you won’t be sad so often. You have to let time heal old wounds,” he said, his voice kindly. “Oh, Jim, I see the children playing on Calumet Avenue, and it breaks my heart. Not one of them is as beautiful as our Arty was.” “Come on now, Lizz, we’ve got to brace up. We’ve got lots to be thankful for, even with the tough breaks we had in the past,” he said, but the image of little Arty stood in his mind, a lovely, light-haired boy in a dirty dress, staring with those wonderful sad eyes and saying “Fither.” Lizz wiped her eyes with her apron. “Jim, I can’t help it. I look at our new house and I think of him. Oh, how he would have loved it. He’d be going to school this year or next. Everywhere I see, Jim, makes me think of him. I can’t help it. I can’t take off my mourning,” she said in tears.”

 
James T. Farrell (27 februari 1904 – 22 augustus 1979)
Cover

 

De Amerikaanse schrijver Irwin Shaw werd geboren op 27 februari 1913 als Irwin Gilbert Shamforoff in New York. Zie alle tags voor Irwin Shaw op dit blog.

Uit: Rich Man, Poor Man

“Boylan was standing at the bar in his tweed topcoat, staring at his glass, when Rudolph came down the little flight of steps from Eighth Street, carrying the overnight bag. There were only men standing at the bar and most of them were probably fairies. “I see you have the bag,” Boylan said. “She didn’t want it.” “And the dress?” “She took the dress.” “What are you drinking?” “A beer, please.” “One beer, please,” Boylan said to the bartender. “And I’ll continue with whiskey.” Boylan looked at himself in the mirror behind the bar. His eyebrows were blonder than they had been last week. His face was very tan, as though he had been lying on a southern beach for months. Two or three of the fairies at the bar were equally brown. Rudolph knew about the sun lamp by now. “I make it a point to look as healthy and attractive as I can at all times,” Boylan had explained to Rudolph. “Even if I don’t see anybody for weeks on end. It’s a form of self-respect.” Rudolph was so dark, anyway, that he felt he could respect himself without a sun lamp. The bartender put the drinks down in front of them. Boylan’s fingers trembled a little as he picked up his glass. Rudolph wondered how many whiskies he had had. “Did you tell her I was here?” Boylan asked. “Yes.” “Is she coming?” “No. The man she was with wanted to come and meet you, but she didn’t.” There was no point in not being honest. “Ah,” Boylan said. “The man she was with.” “She’s living with somebody.” “I see,” Boylan said flatly. “It didn’t take long, did it?” Rudolph drank his beer. “Your sister is an extravagantly sensual woman,” Boylan said. “I fear for where it may lead her.” Rudolph kept drinking his beer. “They’re not married, by any chance?” “No. He’s still married to somebody else.” Boylan looked at himself in the mirror again for a while. A burly young man in a black turtle-neck sweater down the bar caught his eye in the glass and smiled. Boylan turned away slightly, toward Rudolph. “What sort of fellow is he? Did you like him?” “Young,” Rudolph said. “He seemed nice enough. Full ofjokes.” “Full of jokes,” Boylan repeated. “Why shouldn’t he be full of jokes? What sort of place do they have?” “Two furnished rooms in a walkup.” “Your sister has a romantic disregard of the advantages of money,” Boylan said. “She will regret it later. Among the other things she will regret.” “She seemed happy.” Rudolph found Boylan’s prophecies distasteful.”


Irwin Shaw (27 februari 1913 – 16 mei 1984)
Cover voor een omnibus

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e februari ook mijn blog van 27 februari 2018 en eveneens mijn blog van 27 februari 2016 deel 2.