Vader (Rutger Kopland), Michael Chabon, Joseph Brodsky

Bij een bijzondere verjaardag

 

De onzichtbare man door Salvador Dali, 1930

 

Vader, ik zie je gezicht weer, jaren
na je dood -bijna een schaduw
in deze ruimte, een schaduw
wit van de hitte -eenzame
steen in de hemel, de zee.


Een romeins veldherenhoofd, kapot
geslagen neus, opengereten mond,
lege oogkassen omhoog naar
de zon, in een woestijn.

Bijna een schreeuw nog om
deze dood.

Vader, je gezicht daar, zo’n
eiland waar nooit iemand
heeft gewoond, waar
nooit iemand komt.

 

Rutger Kopland (4 augustus 1934 – 11 juli 2012)

 

De Amerikaanse schrijver Michael Chabon werd geboren op 24 mei 1963 in Washington. Zie ook alle tags voor Michael Chabon op dit blog.

Uit: Moonglow

“Nothing can be done about a boy who throws cats out of windows,” said old Abraham, my grandfather’s grandfather, in his Pressburger German. Abraham ruled from his corner of the parlor that doubled as a dining room, enthroned atop his hemorrhoid donut among his books of commentary. It was nearly dark, one of the last free evenings of the summer.
“But what if he’s lost?” my grandmother said, for the thousandth or millionth time.
“He isn’t lost,” Uncle Ray said, issuing the finding that ultimately prevailed in the family Talmud. “He knows where he is.”
At that moment, he found himself under a boxcar, hiding from a railroad bull, a big man named Creasey with a film on his left eye and patches of carroty hair growing on parts of his face where no hair ought to be. Creasey had already thrashed my grandfather soundly a number of times that summer. The first time he had jerked my grandfather’s arm up behind his back so hard the bones sang. The second time he had dragged my grandfather across the yard by an earlobe, to the main gate, where he applied his boot heel to the seat of my grandfather’s trousers. My grandfather claimed the earlobe still bore the print of Creasey’s thumb. The third time Creasey caught my grandfather trespassing, he strapped him thoroughly with the leather harness of his Pennsy uniform. This time my grandfather planned to stay under that boxcar until Creasey moved on or dropped dead.
At last Creasey trampled his fifth cigarette, took another swig, and moved off. My grandfather counted to thirty and then slid out from under the boxcar. He brushed the grit from his belly, where the skin prickled. He spotted Creasey, carrying a knapsack, making for one of the little stucco houses scattered, here and there, across the lots. On his first forays into the Greenwich Yards my grandfather had been charmed by the idea that railmen were cottaged like shepherds among the herded trains. He soon determined that the little bungalows were no one’s habitations. They had mesh grilles over their blackwashed windows, and if you put your ear to their doors you could hear a thrum of power, and sometimes a thunk like the clockwork of a bank vault. Until now my grandfather had never seen anybody going into one, or coming out.
Creasey fished a keyring from his hip and let himself in. The door closed softly behind him.
My grandfather knew that he ought to head for home, where a hot supper and an operetta of reproach awaited him. He was hungry, and practiced in deafness and the formulation of remorse. But he had come here, today, to stand one final time at the top of one particular signal bridge that he had come to think of as his own, and tell another summer goodbye.”

 

Michael Chabon (Washington, 24 mei 1963)

 

De Russisch-Amerikaanse dichter en schrijver Joseph Brodsky werd op 24 mei 1940 in Leningrad (het huidige St.Petersburg) geboren als Iosif Brodski. Zie ook alle tags voor Joseph Brodsky op dit blog.

Debuut

1
Van de tentamenlast bevrijd, had zij
voor zaterdag een vriendje uitgenodigd;
’t was avond, en op tafel stond in ’t kaarslicht
de stevig dichtgekurkte rode wijn.

Maar zondagmorgen ving met regen aan;
en de logé sloop, een ervaring rijker,
steels weg en nam zijn kleren van de spijker,
die losjes in het pleisterwerk bleef staan.

Ze pakte van ’t burootje bij de muur
een beker, goot een restje thee naar binnen.
De woning sliep nog op dit vroege uur.
Ze lag in bad en voelde hoe in ’t midden

de bodem bladderde, en plotseling
kroop toen de leegte, licht naar badschuim geurend,
bij haar naar binnen via nog een opening,
die na vannacht bekend was met de wereld.


2
De hand, die stil de deur geopend had,
was – hij schrok op – besmeurd; hij stak hem weg en
het geld, nog van de wijn teruggekregen,
liet horen dat het in de voering zat.

De straat was leeg. Er dreven peukjes rond
in ’t water, stromend uit de regenpijpen.
Hij zag opnieuw het stucwerk en de spijker
en van zijn opgezwollen lippen klonk

ineens een vloek. De leegte bleef onaangedaan,
hij bloosde hevig en – bewust van ’t vreemde
van zijn gedrag – was door de grond gegaan,
als daar de trolleybus niet was verschenen.

Weer thuisgekomen, kleedde hij zich uit,
niet kijkend naar de sleutel, die nu afhing,
op vele deuren past en stonk naar zweet,
verbijsterd bij de allereerste draaiing.

 

Vertaald door Pieter Zeeman

 

Joseph Brodsky (24 mei 1940 – 28 januari 1996)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e mei ook mijn blog van 24 mei 2019 en ook mijn blog van 24 mei 2018 en ook mijn blog van 24 mei 2015 deel 2.

Adriaan Roland Holst, Jane Kenyon

De Nederlandse dichter Adriaan Roland Holst werd geboren op 23 mei 1888 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Adriaan Roland Holst op dit blog.

De belijdenis van de stilte

V.
Eens in een woud liep ik en dacht in droomen
Aan u, tot bij een open plek mijn pas
Inhield…. het scheen of even voor mijn komen
Daar uw gestalte heengeschreden was.

Ik zag er langzaam nog het laat licht doven
Zooals een lamp die men vergeten heeft –
De hooge bloemen en het loof er boven
Wiegden nog waar uw kleed was heengezweefd.

En alles wat in de eeuwen is verdwenen
Was in die bloemen en hun wiegeling –
Het eigen leven was toen lang al henen,
Nauwlijks de schaduw van een mijmering –

En toen ik eindlijk opzag uit mijn droomen
Stond aan de woudzoom dier geheimenis,
Hoog voor het diepe duister van de boomen
Uw vreemde zuster, die de Scheem’ring is.

VI.
Uw zuster – zij, die ik de Scheemring noem
En die ik liefheb…. Troostte zij mij niet
Eens toen ik zwak was? Zong ik niet haar roem
Eens in het eigen weemoed zingend lied?

Maar nu ik die verloor, en luistrend leun
Tegen de steilte van den Tijd, en hoor
In ’t donker diep der eeuwen zeegedreun
Zingen wat de Aard eens zong, en lang verloor,

Is zij mij meer geworden dan een vrouw,
Die troost en die een kind uit meêlij kust –
Háar liefde werd mijn wonder en mijn trouw
Geheim van wijsheid en mijn dal van rust –

Én mijn bedwelming, die zij om mij wond
Wanneer zij mijm’rend naar mij zag, en naar
Mijn mond haar langzaam openende mond
Neeg in de breede schaduw van heur haar.

 

Adriaan Roland Holst
(23 mei 1888 – 5 augustus 1976)
Portret door door Carel Willink, 1948

 

De Amerikaanse dichteres en vertaalster Jane Kenyon werd geboren op 23 mei 1947 in Ann Arbor, Michigan. Zie ook alle tags voor Jane Kenyon op dit blog.

De open plek

De hond en ik dringen door de ring
van druipende jeneverbessen
om de open ruimte hoog op de heuvel binnen te gaan
waar ik hem van de riem af laat.

Hij springt snuffelend tussen bosjes mos;
twijgen knakkend onder zijn gewicht; hij rolt
en wrijft zijn wangen over de aromatische aarde;
de roze tong uit zijn bek.

Ik zoek stokken van het juiste gewicht
om voor hem te gooien, terwijl hij zit, alert
en oprecht in zijn liefde, als het liefde is.

De hele nacht een kletsnatte regen en nu ademt
de heuvel verlichting uit en de geur
van warme aarde. . . . De zegge
is sinds gisteren een centimeter gegroeid,
en varens ontvouwden zich, en zelfs als ze het proberen
kunnen de seringen bij de schuur
niet voorkomen dat ze open gaan vandaag.

Ik verlangde naar de duizend zachte groentinten van de lente,
en de roep van de witkeelmus
die grenst aan grofheid. Weet je-
sinds je wegging
is alles wat ik kan doen
wachten tot je bij me terugkomt.

Vertaald door Frans Roumen

 

Jane Kenyon (23 mei 1947 – 22 april 1995)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e mei ook mijn blog van 23 mei 2019.

Christi Himmelfahrt (Annette von Droste-Hülshoff ), Robert Creeley

Bij Hemelvaartsdag

 

Christi Himmelfahrt. Altaarstuk door Jan Baegert in de Kirchspielkirche in Liesborn, 1517-22

 

Christi Himmelfahrt

Er war ihr eigen drei und dreißig Jahr.
Die Zeit ist hin, ist hin!
Wie ist sie doch nun alles Glanzes bar,
Die öde Erd’, auf der ich atm’ und bin!
Warum durft’ ich nicht leben, als sein Hauch
Die Luft versüßte, als sein reines Aug’
Gesegnet jedes Kraut und jeden Stein?
Warum nicht mich? Warum nicht mich allein
O Herr, du hättest mich gesegnet auch!

Dir nachgeschlichen wär’ ich überall
Und hätte ganz von fern,
Verborgen von gebüschesgrünem Wall,
Geheim betrachtet meinen liebsten Herrn.
Zu Martha hätt’ ich bittend mich gewandt
Um einen kleinen Dienst für meine Hand:
Vielleicht den Herd zu schüren dir zum Mahl,
Zum Quell zu gehn, zu lüften dir den Saal –
Du hättest meine Liebe wohl erkannt.

Und draußen in des Volkes dichtem Schwarm
Hätt’ ich versteckt gelauscht,
Und deine Worte, lebensreich und warm,
So gern um jede andre Lust getauscht;
Mit Magdalena hätt’ ich wollen knien,
Auch meine Träne hätte sollen glühn
Auf deinem Fuß; vielleicht dann, ach, vielleicht
Wohl hätte mich dein selig Wort erreicht:
Geh hin, auch deine Sünden sind verziehn!

Umsonst! Und zwei Jahrtausende nun fast
Sind ihrem Schlusse nah’,
Seitdem die Erde ihren süßen Gast
Zuletzt getragen in Bethania.
Schon längst sind deine Märtyrer erhöht,
Und lange Unkraut hat der Feind gesät;
Gespalten längst ist deiner Kirche Reich,
Und trauernd hängt der mühbeladne Zweig
An deinem Baume; doch die Wurzel steht.

Geboren bin ich in bedrängter Zeit;
Nach langer Glaubensrast
Hat nun verschollner Frevel sich erneut;
Wir tragen wieder fast vergeßne Last,
Und wieder deine Opfer stehn geweiht.
Ach, ist nicht Lieben seliger im Leid?
Bist du nicht näher, wenn die Trauer weint.
Wo Drei in deinem Namen sind vereint,
Als Tausenden in Schmuck und Feierkleid?

‘S ist sichtbar, wie die Glaubensflamme reich
Empor im Sturme schlägt,
Wie Mancher, der zuvor Nachtwandlern gleich,
Jetzt frisch und kräftig seine Glieder regt.
Gesundet sind die Kranken; wer da lag
Und träumte, ward vom Stundenschlage wach;
Was sonst zerstreut, verflattert in der Welt,
Das hat um deine Fahne sich gestellt,
Und jeder alte, zähe Firnis brach.

Was will ich mehr? Ist es vergönnt dem Knecht,
Die Gabe seines Herrn
Zu meistern? Was du tust, das sei ihm recht!
Und ist dein Lieben auch ein Flammenstern,
Willst läutern du durch Glut, wie den Asbest,
Dein Eigentum von fauler Flecken Pest:
Wir sehen deine Hand und sind getrost,
Ob über uns die Wetterwolke tost,
Wir sehen deine Hand und stehen fest.

 

Annette von Droste-Hülshoff (10 januari 1797 – 24 mei 1848) Schloss Hülshoff, waar de dichteres werd geboren.

 

De Amerikaanse dichter Robert Creeley werd geboren op 21 mei 1926 in Arlington, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Robert Creeley op dit blog.

Naar Lorca
voor M. Marti

De kerk is een bedrijf en de rijken
zijn de zakenlieden.
Als ze de klokken luiden, komen
de armen binnen en wanneer een arme man sterft, heeft hij een houten
kruis, en ze haasten zich door de ceremonie.

Maar wanneer een rijke man sterft, slepen
zij het sacrament naar buiten
en een gouden kruis, en gaan doucement, doucement
naar de begraafplaats.

En de armen zijn er dol op
en denken dat het te gek is.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Robert Creeley (21 mei 1926 – 30 maart 2005)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e mei ook mijn blog van 21 mei 2019 en ook mijn blog van 21 mei 2018.

Ellen Deckwitz, William Michaelian

De Nederlandse dichteres en schrijfster Ellen Deckwitz werd geboren op 20 mei 1982 in Deventer. Zie ook alle tags voor Ellen Deckwitz op dit blog.

Sint Barbara

De laatste kanarie heeft
het begeven en ligt in vederlicht
doch fluorescerend doodskleed
op de bodem van de kooi,
het beestje had niets op
haar geweten.

Hoe nu verder, nog ongeplet
en deze gang houdt het
niet langer. Lammert neemt
zijn pet af, Andries bladert in de al-
manak en zegt dat er in dit soort
gevallen wordt gebeden tot sint
Barbara, een meisje dat stierf
vanwege haar geloof, dat omhoog
vluchtte om bovenin een toren
door haar vader te worden
onthoofd.

Uit gewoonte of wie weet
wanhoop knielen de eersten
en prevelen. Maar degene
aan wie we werkelijk denken is
de dochter van de pastoor. Zij
raakte kwijt en werd weken later
gevonden in een put, de enkels
gebroken, handen gevouwen,
haast in gebed.

 

Fietsen

Toch knap dat u erin slaagde
het evenwicht te bewaren
op enkele pinkdunne buisjes
die met schroefjes en wat draad
aan twee wieltjes waren vastgemaakt.

Het enige wat u moest doen,
was de boel draaiende houden en de bel
alleen in noodgevallen aan te slaan
het kost wat

maar een melkgehit later
schept u er tijdens feestjes over op
tot u echt naar huis moet.

Daar gaat u dan

Daar gaat u dan
– op uiteraard de fiets –

toch even tonen dat u
ook met één hand kan
en dan ook de andere boven
het is net watertrappelen
voor gevorderden met als grande finale
voeten op het stuur en met de punt
van uw neus nog even tingeling en dan zoveel applaus
dat wanneer u op de brancard geladen wordt
er nog even door uw gedachten schiet

hoe knap het is,
dat u fietst.

 

Ellen Deckwitz (Deventer, 20 mei 1982)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver William Michaelian werd geboren op 20 mei 1956 in Dinuba, Californië. Zie ook alle tags voor William Michaelian op dit blog.

Droogte

Boven de show met landbouwmachines,
en de plek waar ooit oude eiken waren geweest,
wolken, maar geen regen: wolken, die met hun kleur
doorgaan voor stof: stof en een treurige ontbijtgeur
vanaf de rand van de stad: stad, waar de eerste
vroege knipbeurt erop zit, het klapje van de lotion
erna: erna, in een vrachtwagen die ruikt
naar stro van vorig jaar: stro,
of een bed op de schuurvloer
met je meisje
weg.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

William Michaelian (Dinuba,  20 mei 1956)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e mei ook mijn blog van 20 mei 2019 en ook mijn blog van 20 mei 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Constantin Göttfert, William Michaelian

De Oostenrijkse dichter en schrijver Constantin Göttfert werd op 19 mei 1979 in Wenen geboren. Zie ook alle tags voor Constantin Göttfert op dit blog.

Uit: Steiners Geschichte

„In der Dunkelheit einer Marchfelder Kindheit waren das die Zähne eines Ungeheuers gewesen. Ein rostiges Schild warnte vor der Besteigung der Stumpen, ein anderes sagte: Achtung Staatsgrenze! und rostete im frostigen Schilf. «Wieso bin ich nie dorthin gefahren?», fragte sie. Ich spürte, dass sie fror, aber als ich vorschlug, doch wieder zurück zum Wagen zu gehen und die Heizung anzustellen, auch dort könne man reden, streckte sie den Arm durch die Luke, zeigte auf eine Stelle in der Nähe der Brückenpfeiler und sagte: «Dort ist es passiert.» «Was passiert?», fragte ich. «ich zeig’s dir.» Ich folgte dem Pochen ihrer Stiefel hinaus bis an die Auspuffe des Motorblocks. Der Schnee hatte eine kleine Haube auf den senkrecht in die Höhe stehenden Rohren gebildet.
«Der Kopf im Eis», sagte sie. Dort, bei einem Baum in der Nähe der gesprengten Brücke, sei es passiert. Eine Erinnerung an ihren Großvater. Seit seinem Tod tauchten immer mehr solcher Geschichten auf. Während sie erzählte, schob ich meine Hände in ihre Achselhöhlen, sie öffnete die obersten Knöpfe meines Mantels und vergrub ihr Gesicht darunter. Und trotzdem spürte ich, wie sie vor Kälte zitterte.
An einem Wintertag im Jahr 1987 hatte es den ganzen Vormittag über geschneit. Das Läuten der Schulglocke schellte noch gedämpft durch den grauen, windigen Nachmittag, als Ina — die Kapuze mit einer Hand gegen die Schneeflocken in die Stirn gezogen — durch das Hoftor und vorbei an den verschneiten Beeten in ihr Elternhaus trat. An der Türschwelle streifte sie sich den Schnee von den Absätzen, sie klopfte sich die Jacke ab. Sie wollte ihre Schultasche abwerfen und dann in die Küche, um nach Arbeit zu fragen. Das war eine Selbstverständlichkeit. Aber als sie eintrat, stand ihr Großvater, der für gewöhnlich zu dieser Zeit auf der Küchenbank seinen Mittagsschlaf hielt, an der Tür.“

 

Constantin Göttfert (Wenen, 19 mei 1979)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver William Michaelian werd geboren op 20 mei 1956 in Dinuba, Californië. Zie ook alle tags voor William Michaelian op dit blog.

Vrienden

Op de stoep
zit de oude vrouw
aan een kleine tafel
te praten met haar hond.
Ze drinkt koffie,
biedt hem kruimels aan
van haar papieren bord.
Croissant, zegt ze,
en de hond antwoordt
met een niezerig klein blafje
dat exact klinkt
als het woord vlokkig.
Ze glimlachen naar elkaar,
pauzeren dan even
krabben tegen hun vlooien.
De ochtendzon komt op
boven het bakstenen gebouw
aan de overkant van de straat.
Het is een goede zon,
vol begrip
en oude wijsheid.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

William Michaelian (Dinuba,  20 mei 1956) Portret door Sandra Cana Komlenovic, 2012

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e mei ook mijn blog van 19 mei 2019 en ook mijn blog van 19 mei 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Markus Breidenich

De Duitse dichter en schrijver Markus Breidenich werd geboren in Düren op 18 mei 1972. Zie ook alle tags voor Markus Breidenich op dit blog.

Letzte Nacht

Es war dieses Fingerspitzengefühl auf deiner Haut,
das sich einstellte, wenn man dir nahe kam. Über
dem Hals zum Beispiel, der unmerklich – aber
pars pro toto – für dich stand. Nur gelegentlich
konnte man, abends vor allen Dingen, spüren,
dass etwas dir über die Zunge kam. Die Lippen.
Dann wischte man mit angefeuchteten Tüchern
über deinen Mund. Während du fernsahst. Etwas,
das aussah wie ein Kreis oder Stern, der jetzt in
deinem Gesicht geschrieben stand. So konnte man
in einem der fallenden Abendblätter lesen, dass
der Mond über dem Schützen aufgehe und
allmählich in dein Zimmer scheine. Für ein
Licht auf die trüben Linsen. All die Krater und
Furchen erinnerten an Bestandsaufnahmen. An
Röntgen- und Spiegelbildliches im Dimmerlicht
einer kleinen, verrauchten Lunge. Nach der Sperr-
stunde. Der letzten Ölung einer Kneipentür, die dir
dort, im Augenblick deines Nach-Hause-Weges, zu-
oder einfach nur eingefallen war. So sehr lief jetzt
jeder Film über deinen Augen noch einmal an dir ab.
Die Mitwirkenden, die im Abspann ihre Erwähnung
fanden. Die Haupt- und Nebenrollen unter deinen
Stühlen. Die Gitter und Stäbe. Alles vor und
hinter deinem Rücken Gewesene. Hin und zurück
durch dein Haar Gefahrene. Jedes Streicheln, Streichen.
Alles Kuscheln und Kuschen. Zur Ruhe gesetzte,
all das Schlafen gelegte, sedierte, traumhafte Leben.

 

Luftraum

Wir kreisen. Im Kritzeln der Flugschreiber.
Tonbänder, -scherben. Drei Sauerstoff-Masken.
Passanten. Im Hintergrund: Schall.

Die Götter – hier gaben sie Helden im Spiel –
nahmen die Sicht. So lange noch Treibstoff war
in den Flügeln der Engel. Waren wir es,
auf einem der Rückflüge, heimlich, ins Paradies,
die Runde um Runde spielten. Mit Glück
berührte ein Steward den Knopf an der Jacke
des Autopiloten, nahm jedes Schicksal zur Hand.
Ein wenig noch mit den Steuerknüppeln zu lenken
und über die Tastatur am Seitenruder zu drehen.
Die Räder ein Stück weit auszufahren.
Kratzer in Wolken zu ritzen.

Was wissen wir noch nach dem Reinemachen
der Platten. Wie viele verlorene Leben?
Über den Punktestand. Die Auswertung
innerer Stimmen. Gegen Ende der Simulation:

Absturz des Rechners über Attikas Feldern.

 

HOE JE DAT VOLHOUDT.
Dat je binnen bent.
En de huid over de dingen.

Hoe je ’s avonds laat nog
op de bus wacht. Als het
mogelijk is dat hij niet komt.

Dan te voet gaat. Dan
op handen. Ondersteboven in
de regen. In het bos.

Hoe dat gaat. Hoe dat
mogelijk is. Dat met de ogen.
Dat het altijd zo blijft.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Markus Breidenich (Düren, 18 mei 1972)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e mei ook mijn blog van 18 mei 2019 en ook mijn blog van 18 mei 2018 en eveneens mijn blog van 18 mei 2014 deel 2.

Lars Gustafsson, Adrienne Rich

De Zweedse dichter en schrijver Lars Gustafsson werd geboren in Västeras, op 17 mei 1936. Zie ook alle tags voor Lars Gustafsson op dit blog.

KILLING TIME

The magazine was brick yellow and quickly read.
It was the cheapest thing in the company store

and I quickly discovered, at eleven years old,
that there wasn’t much to find there.

Daydreams for maids
and detective stories from the Riviera

which at that time was a distant land.
But the name stuck.

Can one kill time?
And if one could,

is that not a pity for an only life?
Still I know I have killed a great deal of time.

The endless boring hours in school
and the obstinate minute hand which never –

no, not even the minute hand wanted to move.

 

SMOOTHNESS

Here the calm smoothness ruled
which could be disturbed by a single oarstroke.
The season slowly cooling.
The sound of a chain being taken off
and laid in the bottom of a rowboat.
And, afraid to disturb this
surface’s rare great calm
I held my oar hovering in the air.

 

TRIVIAL PIECES OF KNOWLEDGE

Olive oil is an outstanding rust remover.

Individual events have no probability.
They are points.

Therefore
Even I lack probability

The dead don’t know
that they ever existed.

Time can’t have started with the universe.
Time can’t have a beginning.

Because a beginning is always an event.

It’s difficult for horses to sleep
if they are left out alone in the night.

Horses guard each other’s sleep.

Persons who have a disturbed relationship with their mothers
become poets.

Persons who have a disturbed relationship with their fathers
become boring.

 

Vertaald door Susan W. Howard

 

Lars Gustafsson (17 mei 1936 – 3 april 2016)

 

De Amerikaanse dichteres Adrienne Rich werd 16 mei 1929 geboren te Baltimore. Zie ook alle tags voor Adrienne Rich op dit blog

Wat voor tijden zijn dit

Er is een plek tussen twee rijen bomen waar het gras bergop groeit
en de oude revolutionaire weg afbreekt in schaduwen
in de buurt van een ontmoetingsplaats, verlaten door de vervolgden
die in die schaduwen verdwenen.

Ik heb daar paddenstoelen geplukt aan de rand van angst, maar laat je niet misleiden
dit is geen Russisch gedicht, dit is nergens anders dan hier,
terwijl ons land dichter bij zijn eigen waarheid en angst komt,
zijn eigen manieren om mensen te laten verdwijnen.

Ik zal je niet vertellen waar de plaats is, het donkere netwerk van bossen
de ongemarkeerde lichtstrook ontmoet —
door spoken geteisterde kruispunten, paradijs voor blaadjes:
Ik weet al wie het wil kopen, verkopen, laten verdwijnen.

En ik zal je niet vertellen waar het is, dus waarom vertel ik je
eigenlijk ook iets? Omdat je nog steeds luistert, want om in tijden als deze
je hoe dan ook te laten luisteren, is het nodig
om over bomen te praten.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Adrienne Rich
(16 mei 1929 – 27 maart 2012)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e mei ook mijn blog van 17 mei 2018 en ook mijn blog van 17 mei 2015 deel 2.