Leni Saris, Jaroslav Seifert, Theodor Körner, Euripides, Emma Orczy, Daniel Czepko von Reigersfeld

De Nederlandse schrijfster Leni Saris werd geboren in Rotterdam op 23 september 1915. Zie ook alle tags voor Leni Saris op dit blog.

Uit: Geluk reikt ver

“Zij was Teresa Roberta Valerie van Rossum gedoopt en haar vader klaagde gewoonlijk, met een pretglans in zijn ogen, dat het geen zin had, je dochter bij het begin van haar leven een serie fraaie namen te geven, wanneer je haar onmiddellijk daarna ‘Terry’ wilde gaan noemen. De moeder van Teresa Roberta Valerie lachte erom, maar bleef het kleintje hardnekkig Terry noemen. Misschien vond ze al die namen te zwaar en te gewichtig voor het tere donkerogige hoop-je mens. In ieder geval bleef het altijd bij ‘Terry’ en het kleine meisje was een vrolijk en gelukkig kind, vooral toen later Cora, Inger en ten slotte Ronny arriveerden. Het blonde vrolijke jongetje was vanaf het begin de lieveling van de hele familie en soms merkte zijn moeder weleens bezorgd op, dat het kind de kans liep om een verwend klein mormel te worden, maar Ronny had zon zonnig karakter en was de gulheid en zachtheid in persoon, zodat niemand die klachten al te zwaar opnam. Terry had zich altijd echt ‘de oudste’ gevoeld, die, hoe dol ze ook mee kon doen met de wilde spelletjes van de anderen, tenslotte toch de verantwoordelijkheid voor de drie jongere kinderen bleef voelen. „Kom maar bij Terry,” zei ze beschermend, wanneer Ronny een enkele keer verdriet had. „Terry kan je immers altijd helpen!” Mevrouw Van Rossum keek op een zonnige morgen, toen de familie op het punt stond om met vakantie te gaan, naar buiten, omdat ze Ronny hoorde huilen. Cora wilde hem troosten, maar de kleine jon-gen trok zich los. „Ik wil naar Terry… Terry moet me helpen!” brulde hij. Terry, klein en tenger voor haar twaalf jaren, kwam haastig aandra-ven en hurkte bij haar broertje neer. „Stil maar, Ronny, zo erg is het toch niet?” Ze wreef deskundig over een blonde krullenbol, die er gelukkig onbeschadigd uitzag. „De pijn is alweer weg… kijk, daar vliegt ze… hoog in de lucht!” „Ik zie niks!” pruilde het ventje, met zijn handje aan zijn hoofd, maar hij liet zich toch getroost door zijn zusje meetrekken naar de zand-bak. „Het verveelt me nooit om te zien hoe Terry met Ronny optrekt,” zei mevrouw Van Rossum. „Ze doet het zo leuk en vanzelfsprekend, zonder op de bemoeizuchtige kopie van een volwassen mens te lij-ken. Ik denk weleens…”

 
Leni Saris (23 september 1915 – 9 december 1999)
Cover

 

De Tsjechische dichter Jaroslav Seifert werd op 23 september 1901 geboren en groeide op in Praag. Zie ook alle tags voor Jaroslav Seifert op dit blog.

Struggle With The Angel (Fragment)

Sometimes it’s just a tremor of delight,
more often long and bitter pain.
At other times all sighs and tears.
And sometimes even boredom.
That’s the saddest kind.

Some time in the past I saw a rose-red shade.
It stood by the entrance to a house
facing Prague’s railway station,
eternally swathed in smoke.

We used to sit there by the window.
I held her delicate hands
and talked of love.
I’m good at that!
She’s long been dead.
The red lights were winking
down by the track.

As soon as the wind sprang up a little
it blew away the grey veil
and the rails glistened
like the strings of some monstrous piano.
At times you could also hear the whistle of steam
and the puffing of engines
as they carried off people’s wretched longings
from the grimy platforms
to all possible destinations.
Sometimes they also carried away the dead
returning to their homes
and to their cemeteries.

Now I know why it hurts so
to tear hand from hand,
lips from lips,
when the stitches tear
and the guard slams shut
the last carriage door.

Love’s an eternal struggle with the angel.
From dawn to night.
Without mercy.
The opponent is often stronger.
But woe to him
who doesn’t realize
that his angel has no wings
and will not bless.

 
Jaroslav Seifert ( 23 september 1901 – 10 januari 1986)
In 1981

 

De Duitse dichter en schrijver Theodor Körner  werd geboren op23 september 1791 in Dresden. Zie ook alle tags voor Theodor Körner op dit blog.

Des Feldpredigers Kriegstaten

Ich bin bei englischem Rindfleisch erzogen
Und habe bei englischem Biere studiert.
Der Herr General war mir gewogen;
Drum ward ich zum Feldprediger avanciert.
Denn der Mensch muß etwas versuchen und wagen;
Drum sitz’ ich hier auf dem Bagagewagen.

Bin in Portugal nun Soldatenpastor
Und predige über Ach und Weh
Und warne vor Trunkenheit und Laster,
Die reuige, aber besoffene Armee,
Pfleg’ aufs beste die Kehl’ und den Magen
Und sitze hier auf dem Bagagewagen.

Gestern war eine große Bataille;
Es kam zu einer blutigen Schlacht.
Wir fochten alle en canaille;
Ich hätt’ es kaum als möglich gedacht.
Der Franzose ward aufs Haupt geschlagen,
Und ich saß auf dem Bagagewagen.

Es ward schrecklich viel Blut vergossen
Ich kam in den größten Embarras.
Die Feinde hatten einen Bock geschossen
Und wir, wir schossen Viktoria.
Der gehört zu meinen glorreichsten Tagen;
Und ich saß auf dem Bagagewagen.

Ich sehe schon die Haufen Gedichte,
Die man uns Helden wird billig weihn.
Wir glänzen ewig in der Geschichte
Und ziehn in die Unsterblichkeit ein,
Und von mir auch wird man singen und sagen:
“Ja, der saß auf dem Bagagewagen!”

 
Theodor Körner (23 september 1791 – 26 augustus 1813)
Cover

 

De Griekse schrijver Euripides werd geboren in 480 of 484 voor Christus. Zie ook alle tags voor Euripises op dit blog.

Uit: Medea

KOORr:
Ik hoor de stem, ik hoor de klacht
der rampzalige Colchische.
Weet zij nog niet te berusten; o zeg mij:
´k hoorde hier binnen haar jamm´ren:
´t leed van haar huis verschaft mij geen vreugde:
zij was mij lief geworden.

VOEDSTERr:
Voorbij is alles, verloren haar huis!
D´ een gaat in zijn vorstelijk huwelijk op
en Medea verdwijnt in haar kamer,
voor alles, wat iemand haar zeggen wil doof
en koud voor elke vertroosting.

MEDEA:
O dat het vuur van den hemel mij voer door het hoofd;
wat wacht ik nog van het leven:
ik haat het; o kwam nu de dood mij bevrijden.

KOOR:
Hoort gij, o Zeus, o Aarde en Licht
het klaaglied dier rampzaal´ge vrouw?
Verdwaasde, zal ´t verlangen
naar ongenaakb´re sponde
u drijven naar het eind des levens?
Neen, smeek dat niet.
Stelt uw gemaal
zijn eer in nieuw een verbond,
Zeus zal hem richten;
verteer niet u zelve
van smart om uw bedgenoot.

MEDEA:
O Themis, o Artemis, ziet
wat ik lijd, die met duren eed
mij bond aan dien man, dien vervloekte.
O mocht ik hem zelf en zijn bruid
zien vermalen in ´t puin van zijn huis,
die mij durfde te krenken in recht en eer.
O vader, o stad, die ik schand´lijk ontvlood,
na mijn eigen broeder te hebben gedood.

 

Vertaald door Dr. Chr. Deknatel

 
Euripides (484 v. Chr – 406 v. Chr)
Beeld in het Louvre, Parijs

 

De Hongaarse schrijfster Emmuska Orcy de Orczi, ook wel Baronesse Orczy of Baronesse d’Orczy werd geboren in Tarnaörs op 23 september 1865. Zie ook alle tags voor Emma Orczy op dit blog.

Uit: The Scarlet Pimpernel

“The sun was sinking low down in the west. Bibot prepared himself to close the gates.
“EN AVANT The carts,” he said.
Some dozen covered carts were drawn up in a row, ready to leave town, in order to fetch the produce from the country close by, for market the next morning. They were mostly well known to Bibot, as they went through his gate twice every day on their way to and from the town. He spoke to one or two of their drivers–mostly women–and was at great pains to examine the inside of the carts.
“You never know,” he would say, “and I’m not going to be caught like that fool Grospierre.”
The women who drove the carts usually spent their day on the Place de la Greve, beneath the platform of the guillotine, knitting and gossiping, whilst they watched the rows of tumbrils arriving with the victims the Reign of Terror claimed every day. It was great fun to see the aristos arriving for the reception of Madame la Guillotine, and the places close by the platform were very much sought after. Bibot, during the day, had been on duty on the Place. He recognized most of the old hats, “tricotteuses,” as they were called, who sat there and knitted, whilst head after head fell beneath the knife, and they themselves got quite bespattered with the blood of those cursed aristos.
“He! la mere!” said Bibot to one of these horrible hags, “what have you got there?”
He had seen her earlier in the day, with her knitting and the whip of her cart close beside her. Now she had fastened a row of curly locks to the whip handle, all colours, from gold to silver, fair to dark, and she stroked them with her huge, bony fingers as she laughed at Bibot.
“I made friends with Madame Guillotine’s lover,” she said with a coarse laugh, “he cut these off for me from the heads as they rolled down. He has promised me some more to-morrow, but I don’t know if I shall be at my usual place.”

 
Emma Orczy (23 september 1865 – 12 november 1947)
Cover

 

De Duitse dichter en schrijver Daniel Czepko von Reigersfeld werd op 23 september 1605 in Koischwitz (Pools: Koskowice) geboren. Zie ook alle tags voor Daniel Czepko von Reigersfeld op dit blog.

Ohne Gott nirgend Ruh
An den Ruh suchenden

Ist wohl, so lang’ ein Mensch der Welt noch ist ergeben,
In allem, was er thut, im Tod und auch im Leben,
Er schläffet oder wacht, in Wollust oder Pein,
Er hoffet oder wünscht Ruh anzutreffen? Nein.
Jedoch begehret er nicht einen Tritt zu schreiten,
Er sieht sich keinmal umb, wendt sich zu keiner Seiten,
Kein Eßen stillet ihn, kein Auge macht er zu,
Streckt keine Hand nicht aus, sucht er nicht drinnen Ruh.[28]
Ruh schreyt ein iedes Ding. Ruh ist ein Ziel der Sachen,
Und was das gröste, Got wil selbst zur Ruh sich machen.
Ja sprichst du, welcher ist, der Gott erforschen kan?
O Mensch, du triffst ihn ja in allen Dingen an.
Ich sehe, du wilt fort, bleib wilt du Ruh ergründen,
In dir ist Gott allein, in Gott ist Sie zu finden.

 
Daniel Czepko von Reigersfeld (23 september 1605 – 8 september 1660)
Cover

Leni Saris, Jaroslav Seifert, Theodor Körner, Euripides, Emma Orczy, Daniel Czepko von Reigersfeld

De Nederlandse schrijfster Leni Saris werd geboren in Rotterdam op 23 september 1915. Zie ook mijn blog van 23 september 2010 en eveneens alle tags voor Leni Saris op dit blog.

Uit: Zomaar een dak

“Dorrith en Maxi Sunderman waren in de omgeving minder bekend om het feit dat ze tweelingen waren, als door het feit dat ze in de gekste verwikkelingen verzeild raakten. Dat wilde zeggen, dat Maxi de moeilijkheden veroorzaakte en Dorrith, meestal met succes, probeerde haar eruit te halen. Uiterlijk leken ze verwarrend op elkaar, maar innerlijk waren ze zo verschillend als twee mensen maar kunnen zijn. Maxi was vrolijk, voortvarend en wild. Ze dacht wel degelijk, maar meestal te laat. Dorrith, veel kalmer, was ook vrolijk, maar ze dacht na voor ze iets deed, en ze gaf niet op als ze zich eenmaal iets in het hoofd had gezet. Dat betekende dat ze in haar kleuterjaren vocht voor Maxi als ze het niet anders kon winnen. Maxi deed weinig voor Dorrith, want die kwam nooit in moeilijkheden, tenzij door het beroep dat haar zusje op haar deed. Toch waren ze niet de verknochte tweeling die geen stap zonder elkaar kan doen. Ze hadden hun eigen vrienden en vriendinnen en gingen zo veel mogelijk hun eigen weg. Hun ouders waren er blij mee en mevrouw Sunderman had de meisjes, hoe vreemd iedereen het ook vond, na hun kleuterperiode nooit meer in dezelfde kleren en kleuren gestoken. Dorothea had zichzelf kortweg Dorrith genoemd en Maria Xenia was voor het gemak Maxi geworden. En als mevrouw Sunderman een enkele maal heel moe was, zuchtte ze diep en zei meer dan eens: ‘En dan zeggen ze nog dat een naam er niets toe doet! Maxi… ze is inderdaad in alles Maxi. Zou ze anders zijn geweest als we haar Mini hadden genoemd? Ik word dol van dat kind!’ Dat zei ze niet vaak. Maar wel op de beruchte middag die Maxi enkele ontvellingen opleverde wegens een conflict met een grotere jongen die haar bal had afgepakt, en Dorrith een compleet regenboog-oog, omdat ze gevochten had om de gillende zuster uit de handen van het zeer hardhandig exemplaar van het andere geslacht te halen.
„Ik kon er niets aan doen!” loeide Maxi. „Het was een gemene jongen!”
„Vecht dan voor jezelf,” stelde haar vader vermoeid voor. „Gil niet altijd om je zus. Vertel me nou eens of jij voor haar hetzelfde zou doen, hè?”
„Dat weet ik niet,” bekende Maxi eerlijk. Ze veegde over haar betraande gezicht.”

 
Leni Saris (23 september 1915 – 9 december 1999)
Cover

Doorgaan met het lezen van “Leni Saris, Jaroslav Seifert, Theodor Körner, Euripides, Emma Orczy, Daniel Czepko von Reigersfeld”

Peter Drehmanns, Antonio Tabucchi, Tom de Cock, Mary Coleridge, Jaroslav Seifert, Leni Saris, Theodor Körner, Euripides

De Nederlandse dichter en schrijver Peter Drehmanns werd op 22 september 1960 in Roermond geboren. Zie ook alle tags voor Peter Drehmanns op dit blog.

Uit: De brand in alles

“Verdomme, daar was er weer een. De zevende al. Opnieuw greep hij het tijdschrift dat hij in het laatje van het nachtkastje had aangetroffen. Op de cover prijkte het pontificaal uitgestalde onderlijf van een vrouw, compleet met schaamspleet en roetzwart schaamhaar. Een reproductie van Courbets beroemde schilderij L’Origine du Monde. Dat hij daarmee al zes muggen had doodgemept vond hij ronduit grappig. Als Lise zou bellen om hem te vragen wat hij zoal had uitgespookt, kon hij haar vertellen dat hij met een kut aan plaagdierbestrijding had gedaan. Voordat hij het tijdschrift tot een slagwapen oprolde keek hij nog eens naar de afbeelding. Het schaamhaar, dat hem deed denken aan een berg vergruisde steenkool, was inmiddels besproeid met een mengsel van muggen- en mensenbloed.
Tjak, daar daalde nummer zeven ten grave in de spelonk boven het perineum.
Op de muur boven het bed prijkten nu drie geplette muggen en wat bloedvegen. Naast de kast bevonden zich eveneens sporen van de slachting. De kamer werd er niet fraaier op. Drieveertig bij viervijftig mat hij, zo had Kiezel eerder vastgesteld. Een kwestie van beroepsdeformatie, altijd willen weten hoe groot een ruimte is. Hij had met zijn rolmaat onder het bed (tussen de stofnesten!) moeten kruipen en met behulp van de oplichtende display van zijn smartphone het correcte getal afgelezen. Exact dezelfde afmetingen die zijn vroegere kamer in het huis van zijn ouders had. Toen gebruikte hij een zaklamp om iets te kunnen zien in het duister. Iets: in zijn kindertijd was dat zijn postzegelverzameling, die hij in bed, terwijl hij geacht werd te slapen, bekeek. Later, toen Robert bij hem woonde, waren het boeken geweest, die hij fluisterend voorlas aan zijn blinde vriend.”

 
Peter Drehmanns (Roermond, 22 september 1960)

Doorgaan met het lezen van “Peter Drehmanns, Antonio Tabucchi, Tom de Cock, Mary Coleridge, Jaroslav Seifert, Leni Saris, Theodor Körner, Euripides”

Peter Drehmanns, Antonio Tabucchi, Mary Coleridge, Jaroslav Seifert, Leni Saris, Theodor Körner, Euripides

De Nederlandse dichter en schrijver Peter Drehmanns werd op 22 september 1960 in Roermond geboren. Zie ook alle tags voor Peter Drehmanns op dit blog.

Opvoedkundig

ga niet met die man mee
hij houdt de vinger aan de pols
hij is van de wereld
hij volgt de regen door de greppels
doet het grint grijnzen

ga niet met die man mee
hij wast je handen wit
hij ruikt naar rundvet
ontsnapt aan de nederlaag

ga niet met die man mee
hij zet je zomaar op achterstand
lost de belofte ruimschoots in
ga niet met die man mee
hij verdwijnt waar je bij staat

 

Rob Brentjens (19)

Op de plek waar nu een warenhuis staat
waar men geuren voor vrouwen
riemen voor mannen verkoopt
daar deed ik de havo, het was een dependance,
ik studeerde af en nog eens af, opgeleid
tot leerkracht maar ineens werkend
als tractorenverkoper, een mooie job.

Er kwam een ommezwaai: schepen
voeren mijn leven in en uit, ik
was sluismeester, elf jaar lang. Intussen
betrok ik een huis langs de spoorlijn –
met zoon en dochter keek ik ’s avonds
na het werk naar de treinen die almaar
voorbijgingen.

 
Peter Drehmanns (Roermond, 22 september 1960)

Doorgaan met het lezen van “Peter Drehmanns, Antonio Tabucchi, Mary Coleridge, Jaroslav Seifert, Leni Saris, Theodor Körner, Euripides”

Antonio Tabucchi, Mary Coleridge, Theodor Körner, Euripides

De Italiaanse schrijver, vertaler, en literatuurwetenschapper Antonio Tabucchi werd op 23 september 1943 geboren in Pisa. Zie ook mijn blog van 23 september 2010 en eveneens alle tags voor Antonio Tabucchi op dit blog.

 

Uit: The Missing Head (Vertaald door Patrick Creagh)

“Manolo the Gypsy opened his eyes, peered at the dim light creeping through the cracks in his hovel, and got to his feet trying not to make a sound. He had no need to dress because he slept fully clothed, and the orange jacket given him the year before by Agostinho da Silva, known as Franz the German, tamer of toothless lions in the Wonder Circus, now served him for both day and night. In the faint glimmer of dawn he groped around for the battered sandals-cum-slippers that were his only footwear. He found them and slid his feet in. He knew every inch of the hut, and could move about in its murk knowing perfectly well where its few wretched sticks of furniture were. He took a confident step towards the door, and in so doing his right foot clashed against an oil-lamp standing on the floor.

Damn the woman! exclaimed Manolo between his teeth. He was of course referring to his wife, who the previous evening had insisted on leaving this lamp beside her bed on the pretext that the blackness of night gave her nightmares and she dreamt of her dead. If she kept the flame burning as low as can be, she said, the ghosts of her dead dared not to haunt her, and so she could sleep in peace.

“And what is El Rey about at this hour of the morning, O afflicted spirit of our Andalusian dead?”

His wife’s voice was muffled and drowsy, as it is with anyone still half asleep. She always spoke to him in geringonça, a hotch-potch of Romany, Portuguese and Andalusian. And she called him El Rey—the King.

King of a heap of shit, Manolo felt the urge to answer, but he said nothing. King of a shitheap. To be sure he had once been El Rey, when the gypsies were honoured, when his people freely roamed the plains of Andalusia, when they made copper trinkets to sell in the villages and dressed in black and wore fine felt hats, and their knives were not weapons to fight for your life with, but peerless treasures fashioned in chased silver.”

 


Antonio Tabucchi (23 september 1943 – 25 maart 2012)

Doorgaan met het lezen van “Antonio Tabucchi, Mary Coleridge, Theodor Körner, Euripides”

Antonio Tabucchi, Mary Coleridge, Theodor Körner, Euripides

De Italiaanse schrijver, vertaler, en literatuurwetenschapper Antonio Tabucchi werd op 23 september 1943 geboren in Pisa. Zie ook mijn blog van 23 september2009 en ook mijn blog van 23 september 2010.

 

Uit: Tristano stirbt (Vertaald door Karin Fleischander)

Ich möchte beim Anfang anfangen, sofern es überhaupt einen Anfang gibt, denn… wo beginnt die Geschichte eines Lebens, ich meine, für welchen Beginn entscheidet man sich? Man kann natürlich mit einer Tatsache beginnen, und ich muß mich auch für eine Tatsache entscheiden, eine Tatsache, die in erster Linie dieses mein Leben betrifft, über das du schreiben sollst. Deshalb werde ich eine Tatsache auswählen. Aber beginnt eine Tatsache mit einer Tatsache? Entschuldige, ich bin etwas durcheinander, ich weiß nicht recht, wie ich es ausdrükken soll… ich meine, jemand tut irgend etwas, und das beeinflußt den Lauf seines Lebens, aber was er tut, ergibt sich ja nicht wie durch ein Wunder, es war bereits in ihm angelegt, und wer weiß, wie es begonnen hat… Eine Kindheitserinnerung vielleicht, ein zufällig gesehenes Gesicht, ein Traum, den man vor langer Zeit einmal hatte und glaubte, vergessen zu haben, und so ereignet sich eines Tages die Tatsache, aber der wirkliche Anfang… wer kennt den schon… Tristano sprach über Schubert an diesem Tag in der Plaka, es war Winter, und auf dem gespenstischen Platz stellten sich die Menschen mit einer Schüssel in der Hand an und warteten auf die Koine-Suppe, weißt du, was das ist? Eine Brühe, die die Griechen damals von ihrer komischen Regierung bekamen, damit sie nicht verhungerten, heißes Wasser mit Kartoffeln und Kohlstücken darin… Variationen, sagte Antheos, den Tristano jedoch Marios nannte, weil er ihn an einen Freund aus der Peripherie Turins erinnerte, der ihm wie aus dem Gesicht geschnitten war, an einen lieben Freund, der sich seit neununddreißig mit seiner Gefährtin, einer außergewöhnlichen Frau, in einem Getreidespeicher versteckt hatte, ich möchte lieber nicht, hatte er gesagt und mit seinem Widerstand vorzeitig begonnen, ich meine, noch bevor es die Resistenza überhaupt gab, aber das kommt in deinem Roman nicht vor… Hin und wieder muß ich lächeln, wenn ich daran denke, was in deinem Buch vorkommt, aber davon abgesehen hat es mir gefallen, wirklich, es ist der beste Augenzeugenbericht über diese heroische Zeit, die einzige heroische Zeit übrigens, die wir hatten… Nicht so ganz ein Augenzeugenbericht, denn du kannst ja gar nicht dabeigewesen sein, obwohl du den Eindruck erweckst, dabeigewesen zu sein, als Augen-zeuge einer Atmosphäre, einer Entscheidung, einer moralischen Haltung… aber du hast auch Tatsachen hineingepackt, den achten September, die Republik von Salò, die sich anmaßte, das Geschick Italiens zu entscheiden und den Krieg nicht als Bürgerkrieg zu bezeichnen, heutzutage ist das eine gewagte, vielleicht sogar zu gewagte These, du weißt besser als ich, daß damals auf Freund und auf Feind geschossen wurde, aber das ist nicht wirklich von Belang, an deinem Roman hat mir vor allem gefallen, wie gut du das Wesen des Heroismus, der Treue, der Untreue, des Genusses und der Gefühle erfaßt hast… “

 

Antonio Tabucchi (Pisa, 23 september 1943)

Doorgaan met het lezen van “Antonio Tabucchi, Mary Coleridge, Theodor Körner, Euripides”

Antonio Tabucchi, Mary Coleridge, Theodor Körner, Euripides, Jaroslav Seifert, Leni Saris, Daniel Czepko von Reigersfeld, Emma Orcy

De Italiaanse schrijver, vertaler, en literatuurwetenschapper Antonio Tabucchi werd op 23 september 1943 geboren in Pisa. Zie ook mijn blog van 23 september2009.

Uit: Unter Generälen (Vertaald door Karin Fleischanderl)

»Ich habe nie geglaubt, dass das Leben die Kunst imitiert, das ist ein geistreicher Scherz, der sehr beliebt ist, weil er leicht ist, doch die Wirklichkeit übertrifft stets die Vorstellung, deshalb ist es unmöglich, gewisse Geschichten zu schreiben, denn sie sind nur eine blasse Heraufbeschwörung dessen, was wirklich war. Aber lassen wir die Theorien, ich erzähle dir gern die Geschichte, du kannst sie aber auch selbst erzählen, wenn du möchtest, denn du hast mir gegenüber einen Vorteil, du kennst den nicht, der sie erlebt hat. Um die Wahrheit zu sagen, hast du mir nur die Vorgeschichte erzählt, den Schluss habe ich von einem seiner Freunde erfahren, der sehr wortkarg ist; wenn wir unter uns sind, beschränken wir uns darauf, uns über Musik oder Schachtheorie zu unterhalten. Hätte Homer Odysseus gekannt, hätte er ihn wahrscheinlich für einen banalen Menschen gehalten. Ich glaube, ich habe etwas verstanden, und zwar, dass die Geschichten immer größer sind als wir, sie stoßen uns zu, und wir sind, ohne es zu ahnen, ihre Protagonisten, aber der wahre Protagonist der Geschichte, die wir erlebt haben, sind nicht wir, sondern es ist die Geschichte selbst, die wir erlebt haben. Wer weiß, warum er zum Sterben in diese Stadt gefahren ist, die ihm nichts bedeutete; vielleicht weil die Stadt ein Babel ist und vielleicht weil ihm der Verdacht gekommen ist, dass seine Geschichte für das Durcheinander des Lebens steht und dass sein Dorf zu klein war, um dort zu sterben. Er ist fast neunzig Jahre alt, verbringt die Nachmittage damit, die Wolkenkratzer von New York zu betrachten, am Vormittag kommt ein Mädchen aus Puerto Rico und räumt ihm die Wohnung auf, sie bringt ihm ein Gericht von Tonys Café, das er sich in der Mikrowelle aufwärmt; nachdem er sich ein paar alte Platten von Béla Bártok, die er auswendig kennt, mit religiöser Andacht angehört hat, wagt er einen Spaziergang bis zur Pforte des Central Park; im Schrank, unter einer Plastikhülle, bewahrt er seine Generalsuniform auf, wenn er zurückkommt, öffnet er die Schranktür und gibt ihr einen Klaps auf die Schulter, als wäre sie ein alter Freund; dann geht er schlafen, er hat mir erzählt, dass er nicht träumt, und wenn doch, dann vom Himmel über der ungarischen Ebene, das kommt von dem Schlafmittel, das ihm ein amerikanischer Arzt verschrieben hat. Ich erzähle dir die Geschichte in wenigen Worten, so wie sie mir der erzählt hatte, der sie erlebt hat, der Rest besteht aus Vermutungen, aber das ist deine Angelegenheit.“

Antonio Tabucchi

Antonio Tabucchi (Pisa, 23 september 1943)

 

De Engelse dichteres en schrijfster Mary Elizabeth Coleridge werd geboren in Londen op 23 september 1861. Zie ook mijn blog van 23 september 2008 en ook mijn blog van 23 september2009.

Street Lanterns

Country roads are yellow and brown.
We mend the roads in London town.

Never a hansom dare come nigh,
Never a cart goes rolling by.

An unwonted silence steals
In between the turning wheels.

Quickly ends the autumn day,
And the workman goes his way,

Leaving, midst the traffic rude,
One small isle of solitude,

Lit, throughout the lengthy night,
By the little lantern’s light.

Jewels of the dark have we,
Brighter than the rustic’s be.

Over the dull earth are thrown
Topaz, and the ruby stone.

Coleridge

Mary Coleridge (23 september 1861 – 25 augustus 1907)

 

De Duitse dichter en schrijver Theodor Körner werd geboren op 23 september 1791 in Dresden. Zie ook mijn blog van 23 september 2007 en ook mijn blog van 23 september 2008 en ook mijn blog van 23 september2009.

Uit: Die Reise nach Schandau

 « Ich versprach, Liebster, bald Nachricht von mir zu geben. Kaum bin ich vierundzwanzig Stunden von Dir entfernt, und schon erfülle ich meine Zusage. Du musst gestehn, das heißt pünktlich sein. Diese Tugend der Solidität kommt aber mir, als baldigem Ehemanne, von Rechtswegen zu, deswegen will ich weiter kein Lobens davon machen. Ich glaube, es gibt im ganzen menschlichen Leben keinen gewagtern und weitern Sprung, als mitten aus dem freien, fröhlichen Stundentenleben heraus in das Staatsgefängnis der Ehe. Dieser salto mortale soll manchem schon den Hals gebrochen haben; ich hoffe aber, ich werde glücklich sein. Frisch gewagt ist halb gewonnen. – Du bewunderst, wie Du mir so oft gesagt hast, meinen leichten Sinn bei diesem wichtigen Schritte. Der, wie Du Dich ausdrückst, das Glück meiner Zukunft bestimmen muss. Ich begreife nicht, wie ich anders sein sollte. Du weißt ja, wie es Familienverhältnisse durchaus verlangen, dass ich die junge Gräfin Stellnitz heiraten muss, wenn ich nicht eine bedeutende Erbschaft einbüßen will, die mir nur unter dieser Bedingung zufällt. Die Herren Väter haben die Sache abgemacht, und der meinige hat mir vor kurzem erst alle meine lustigen Burschenstreiche, mit Einschluss einiger tausend Tälerchen Schulden, vergeben, ohne eine saure Miene zu machen, ich kann ihm also diesen Gefallen wieder tun; übrigens soll ja meine Braut ein Engel sein, wie sich mein Vater ausdrückt, sittsam, fromm, gebildet, liebenswürdig und nota bene reich; kurz, wenn ich seinen Beschreibungen trauen darf, so erwartet mich ein paradiesisch Leben. Dass ich mir meine Zukunft nicht mit den zauberischen Farben einer glühenden Leidenschaft ausmale, glaubst Du mir wohl. Ich lasse es nun so über mich ergehen. Bis jetzt hab’ ich die Liebe nie für etwas anders als für eine momentane Belustigung angesehen. Was man mir von ewiger Treue, von häuslicher Glückseligkeit etc. etc. erzählt hat, hab’ ich nur für schöne Träume gehalten.“

 koerner

Theodor Körner (23 september 1791 – 26 augustus 1813)
Portret door Cecil Watson Quinell

 

Annalen net laat de Griekse schrijver Euripides geboren worden op 23 september 484 voor Christus. Zie ook mijn blog van 23 september 2007 en ook mijn blog van 23 september 2008 en ook mijn blog van 23 september2009.

 Uit: Iphigenia in Aulis

Clytaemnestra::
Ga dan. En als je naar de oorlog trekt,
mij daarginds achterlaat en jaren wegblijft,
besef dan hoe ik mij in dat paleis zal voelen,
als ik elke stoel leeg zie staan waarop zij eenmaal zat,
als ik haar meisjeskamer zie,
als ik eenzaam zit te wenen,
en eindeloos dezelfde klacht herhaal:
‘Mijn kind, de man die je van het leven heeft beroofd,
is je vader die je heeft verwekt. Hij heeft je vermoord,
hijzelf en niemand anders, met zijn eigen hand’
En kom je later dan terug naar huis,
waar iemand op je wacht die alle redenen heeft
om je te haten?
Dan vind ik zonder moeite wel een voorwendsel
om, samen met de dochters die me overblijven,
voor jou een welkom te bereiden dat je hebt verdiend.
In naam van de goden, pleeg de misdaad niet
die mij zal drijven tot een misdaad tegen jou.”

 

Vertaald door Willy Courteaux en Bart Claes

 euripides

Euripides (484 v. Chr – 406 v. Chr)
Buste in het Museo Pio-Clementino, Vaticaan

 

De Tsjechische dichter Jaroslav Seifert werd op 23 september 1901 geboren en groeide op in de arbeiderswijk Žižkov in Praag.Zie ook mijn blog van 23 september 2006 en ook mijn blog van 23 september 2008 en ook mijn blog van 23 september2009.

Ze gingen van deur naar deur…

Ze gingen van deur naar deur

als straatverkopers
en boden de dood aan.
Ik schaam me dat ik het heb overleefd.
Vladislav Vancura
schreef zijn grootste gedicht
op de muren van de Pankrác-cel.
En het salvo op het schietterrein
was alleen een donderend applaus
voor zijn leven.

Maar doden waren overal.
Op ijzerdraad van fabrieksmuren,
op stoepranden,
op trappen, het hoofd naar beneden,
op voetsteunen van schoolbanken
op altaartreden en boven riolen.

Ze lagen zoals onze koningen
op graftomben.
En de puinen van hun schoenen
wezen naar de sterren.

 

Vertaald door Jana Beranová

 

Autobiography

Sometimes
when she would talk about herself
my mother would say:
My life was sad and quiet,
I always walked on tip-toe.
But if I got a little angry
and stamped my foot
the cups, which had been my mother’s,
would tinkle on the dresser
and make me laugh.

At the moment of my birth, so I am told,
a butterfly flew in by the window
and settled on my mother’s bed,
but that same moment a dog howled in the yard.
My mother thought
it a bad omen.

My life of course has not been quite
as peaceful as hers.
But even when I gaze upon our present days
with wistfulness
as if at empty picture frames
and all I see is a dusty wall,
still it has been so beautiful.

There are many moments
I cannot forget,
moments like radiant flowers
in all possible colours and hues,
evenings filled with fragrance
like purple grapes
hidden in the leaves of darkness.

With passion I read poetry
and loved music
and blundered, ever surprised,
from beauty to beauty.
But when I first saw
the picture of a woman nude
I began to believe in miracles.

My life unrolled swiftly.
It was too short
for my vast longings,
which had no bounds.
Before I knew it
my life’s end was drawing near.

Death soon will kick open my door
and enter.
With startled terror I’ll catch my breath
and forget to breathe again.

May I not be denied the time
once more to kiss the hands
of the one who patiently and in step with me
walked on and on and on
and who loved most of all.

 

Vertaald door Ewald Osers

 seifert

Jaroslav Seifert ( 23 september 1901 – 10 januari 1986)

 

De Nederlandse schrijfster Leni Saris werd geboren in Rotterdam op 23 september 1915. Zie ook mijn blog van 23 september 2008 en ook mijn blog van 23 september2009.

Uit: De tocht naar het licht

“- Men kreeg toegang tot de tuin door een brede witte poort, dan volgde een met kastanjebomen omzoomde oprijlaan en in de verte lag dan l’Ombre, een laag wit huis met een groot terras en ruime serres aan de zijkanten.

Karin belde heel bescheiden en een vriendelijk meisje opende de deur. Mevrouw Giraud, de dame die Sergius’ huishouden bestuurde, kwam naar haar toe.

“Ik zou maar heel vlug naar boven gaan, mon enfant,” fluisterde ze vertrouwelijk. “Monsieur le Professeur is niet al te best geluimd vanmorgen.” –

(…)

“Entrez,” riep Tania’s zachte beschaafde stem.
Toen stond Karin in een zolderkamertje, laag donker en kaal. Het was er ijzig koud en de scherpe wind gierde ongehinderd door de spleten.
Het was er zo grauw en troosteloos en karin dacht aan haar eigen gezellige, warme kamer en al de zorg, waarmee ze omringgd werd. Er was maar één stoel in het kamertje en daarin zat Tania, in een deken gerold, de voeten op een blik, dat zonderling rammelde, toen ze het verschoof.
Voor haar op het tafeltje lag een boek.
“heb je me toch nog kunnen vinden?” Tania lachte en begon meteen te hoesten. –

saris

Leni Saris (23 september 1915 – 9 december 1999)
In de jaren vijftig

 

De Duitse dichter en schrijver Daniel Czepko von Reigersfeld werd op 23 september 1605 in Koischwitz (Pools: Koskowice) geboren. Zie ook mijn blog van 23 september 2007 en ook mijn blog van 23 september 2008 en ook mijn blog van 23 september2009.

Das Leben ein Schauspiel

Was ist dein Lebenslauff und Thun, o Mensch? ein Spiel.
Den Innhalt sage mir? Kinds, Weibs und Tods Beschwerde.
Was ist es vor ein Platz, darauff wir spieln? Die Erde.
Wer schlägt und singt dazu? Die Wollust ohne Ziel.

Wer heißt auff das Gerüst’ uns treten? Selbst die Zeit.
Wer zeigt die Schauer mir? Mensch, das sind bloß die Weisen,
Was ist vor Stellung hier? Stehn, schlaffen, wachen, reisen,
Wer theilt Gesichter aus? Allein die Eitelkeit.

Wer macht den Schau Platz auff? Der wunderbare Gott.
Was vor ein Vorhang deckts? Das ewige Versehen.
Wie wird es abgetheilt? Durch leben, sterben, flehen.
Wer führt uns ab, wer zeucht uns Kleider aus? Der Tod.

Wo wird der Schluß erwartt des Spieles? in der Grufft.
Wer spielt am besten mit? Der wol sein Ammt kan führen.
Ist das Spiel vor sich gut? Das Ende muß es zieren.
Wenn ist es aus? o Mensch! wenn dir dein JESUS rufft.

reigersfeld

Daniel Czepko von Reigersfeld (23 september 1605 – 8 september 1660)
Koischwitz / Koskowice

 

De Hongaarse schrijfster Emmuska Orcy de Orczi, ook wel Baronesse Orczy of Baronesse d’Orczy werd geboren in Tarnaörs op 23 september 1865. Zie ook mijn blog van 23 september 2008.

Uit: The Scarlet Pimpernel

„But they were nearly always caught at the barricades. Sergeant Bibot especially at the West Gate had a wonderful nose for scenting an aristo in the most perfect disguise. Then, of course, the fun began. Bibot would look at his prey as a cat looks upon the mouse, play with him, sometimes for quite a quarter of an hour, pretend to be hoodwinked by the disguise, by the wigs and other bits of theatrical make-up which hid the identity of a ci-devant noble marquise or count.

Oh! Bibot had a keen sense of humour, and it was well worth hanging round that West Barricade, in order to see him catch an aristo in the very act of trying to flee from the vengeance of the people.

Sometimes Bibot would let his prey actually out by the gates, allowing him to think for the space of two minutes at least that he really had escaped out of Paris, and might even manage to reach the coast of England in safety: but Bibot would let the unfortunate wretch walk about ten mètres towards the open country, then he would send two men after him and bring him back, stripped of his disguise.

Oh! that was extremely funny, for as often as not the fugitive would prove to be a woman, some proud marchioness, who looked terribly comical when she found herself in Bibot’s clutches after all, and knew that a summary trial would await her the next day and after that, the fond embrace of Madame la Guillotine.

No wonder that on this fine afternoon in September the crowd round Bibot’s gate was eager and excited. The lust of blood grows with its satisfaction, there is no satiety: the crowd had seen a hundred noble heads fall beneath the guillotine to-day, it wanted to make sure that it would see another hundred fall on the morrow.“

 orczy

 Emma Orcy (23 september 1865 – 12 november 1947)

 

Antonio Tabucchi, Theodor Körner, Euripides, Mary Coleridge

De Italiaanse schrijver, vertaler, en literatuurwetenschapper Antonio Tabucchi werd op 23 september 1943 geboren in Pisa, maar groeide op bij zijn grootouders in Vecchiana, een dorpje niet ver van zijn geboorteplaats. Hij studeerde letteren aan de universiteit van Pisa en in Parijs. Tijdens zijn studie reisde hij veel door Europa, en voelde zich vooral aangetrokken door Portugal en de Portugese literatuur. Na een wat langer verblijf in Lissabon studeerde hij af met een scriptie over het surrealisme in Portugal. Vanaf 1973 doceerde hij Portugese taal en literatuur aan de universiteit van Bologna.

In dat jaar schreef hij ook zijn eerste roman Piazza d’Italia. In 1978 werd hij hoogleraar aan de universiteit van Genua. Hij publiceerde enkele romans en verhalenbundels, maar verwierf pas echt bekendheid in 1984 met zijn roman Notturno indiano. In 1985 publiceerde hij Piccoli equivoci senza importanza en in 1986 Il filo dell’orizzonte, waarin net als in Notturno indiano de zoektocht van de protagonist naar zijn identiteit centraal staat. In de periode van 1987 tot 1990 publiceerde hij verschillende werken, o.a. het in het Portugees geschreven Requiem.

In 1964 publiceerde hij Gli ultimi tre giorni di Fernando Pessoa en Sostiene Pereira, de roman waarmee hij drie prijzen gewonnen heeft. De protagonist van deze roman is voor veel tegenstanders van antidemocratische regimes het symbool geworden van de verdediging van de vrijheid van informatie, ook voor de politieke tegenstanders van Silvio Berlusconi. In de verfilming van Roberto Faenza speelt Marcello Mastroianni de rol van Pereira. Momenteel verblijft Antonio Tabucchi de helft van het jaar bij zijn vrouw en twee kinderen in Lissabon, waar hij zich aan het schrijven wijdt. De rest van het jaar brengt hij in Toscane door, en is hij letterkundedocent aan de universiteit van Siena.

 

Uit: Lissabonner Requiem (Vertaald door Karin Fleischanderl)

„Ich dachte: Der Typ kommt nicht mehr. Und dann dachte ich: Ich kann ihn doch nicht »Typ« nennen, er ist ein großer Dichter, vielleicht der größte Dichter des zwanzigsten Jahrhunderts, inzwischen ist er seit vielen Jahren tot, ich muß ihn mit Respekt behandeln, besser gesagt, mit höchstem Respekt. Aber so allmählich war ich doch etwas verdrossen, die Sonne brannte, die Spätjuli-Sonne, und ich dachte noch: Ich bin im Urlaub, dort in Azeitäo, im Landhaus meiner Freunde, ging es mir so gut, warum habe ich mich bloß auf dieses Treffen hier an der Mole eingelassen, das Ganze ist doch absurd. Und ich betrachtete meinen Schatten unter mir, und auch er erschien mir absurd und überflüssig, sinnlos, es war ein kurzer Schatten, der von der Mittagssonne flachgedrückt wurde, und da erinnerte ich mich: Er hatte zwölf gesagt, aber vielleicht hatte er zwölf Uhr Mitternacht gemeint, Geister erscheinen immerhin

um Mitternacht. Ich stand auf und ging über die Mole. Auf der Straße war fast kein Verkehr, nur wenige Autos fuhren vorüber, einige davon mit Sonnenschirmen auf dem Gepäckträger, lauter Leute, die zu den Stränden in Caparica unterwegs waren, es war ein glühendheißer Tag, ich dachte: Was mache ich hier, am letzten Sonntag im Juli?

Und ich ging schneller, um so rasch wie möglich in Santos zu sein, vielleicht war es im Park ein wenig kühler. Der Park war menschenleer, nur der Zeitungsverkäufer stand vor seinem Kiosk. Ich ging zu ihm hin, und der Mann lächelte. Benfica hat gewonnen, sagte er strahlend, haben Sie es in der Zeitung gelesen? Ich schüttelte den Kopf, nein, ich hatte es noch nicht gelesen, und der Mann

sagte: Ein Nacht-Match in Spanien, ein Benefizspiel. Ich kaufte A Bola und suchte mir eine Bank, um mich zu setzen.

Ich las gerade, wie es dazu gekommen war, daß Benfica das entscheidende Tor gegen Real Madrid geschossen hatte, als jemand guten Tag sagte, und ich hob den Kopf. Guten Tag, wiederholte der Junge mit dem Bart, der vor mir stand, ich bräuchte Ihre Hilfe. Hilfe wozu, erkundigte ich mich. Hilfe, um zu essen, sagte der Junge, ich habe seit zwei Tagen nichts gegessen. Es war ein ungefähr zwanzigjähriger Junge in Jeans und Hemd, der mir schüchtern die Hand hinhielt, als bettelte er um Almosen. • Er war blond und hatte große Ringe unter den Augen. Seit zwei Tagen hast du dir keinen Schuß gesetzt, sagte ich aus einer Eingebung heraus, und der Junge erwiderte: Das ist dasselbe, es

ist wie essen, zumindest für mich. Im Prinzip bin ich für alle Drogen, sagte ich, leichte wie schwere, aber nur im Prinzip, in der Praxis bin ich dagegen, entschuldigen Sie, ich bin ein bürgerlicher Intellektueller voller Vorurteile, ich akzeptiere nicht, daß Sie in diesem Park Drogen nehmen

und Ihren Körper auf erbärmliche Weise zur Schau stellen, entschuldigen Sie, aber das ist gegen meine Prinzipien, ich könnte gerade noch tolerieren, daß Sie zu Hause Drogen nehmen, in Gesellschaft gebildeter und intelligenter Freunde, und dabei Mozart oder Erik Satie hören.“

 

antonio_tabucchi_foto

Antonio Tabucchi (Pisa, 23 september 1943)

 

De Duitse dichter en schrijver Theodor Körner werd geboren op 23 september 1791 in Dresden. Zie ook mijn blog van 23 september 2007 en ook mijn blog van 23 september 2008.

 

Harras, der kühne Springer

Noch harrte im heimlichen Dämmerlicht
Die Welt dem Morgen entgegen,
Noch erwachte die Erde vom Schlummer nicht,
Da begann sich’s im Tale zu regen.
Und es klingt herauf wie Stimmengewirr,
Wie flüchtiger Hufschlag und Waffengeklirr,
Und tief aus dem Wald zum Gefechte
Sprengt ein Fähnlein gewappneter Knechte.

Und vorbei mit wildem Ruf fliegt der Troß,
Wie Brausen des Sturms und Gewitter,
Und voran auf feurig schnaubendem Roß
Der Harras, der mutige Ritter.
Sie jagen, als gält’ es den Kampf um die Welt,
Auf heimlichen Wegen durch Flur und Feld,
Den Gegner noch heut zu erreichen
Und die feindliche Burg zu besteigen.

So stürmen sie fort in des Waldes Nacht
Durch den fröhlich aufglühenden Morgen.
Doch mit ihm ist auch das Verderben erwacht,
Es lauert nicht länger verborgen;
Denn plötzlich bricht aus dem Hinterhalt
Der Feind mit doppelt stärkrer Gewalt,
Das Hifthorn ruft furchtbar zum Streite
Und die Schwerter entfliegen der Scheide.

Wie der Wald dumpf donnernd widerklingt
Von ihren gewaltigen Streichen!
Die Schwerter klingen, der Helmbusch winkt
Und die schnaubenden Rosse steigen.
Aus tausend Wunden strömt schon das Blut,
Sie achten’s nicht in des Kampfes Glut,
Und keiner will sich ergeben,
Denn Freiheit gilt’s oder Leben.

Doch dem Häuflein des Ritters wankt endlich die Kraft,
Der Übermacht muß es erliegen,
Das Schwert hat die Meisten hinweggerafft,
Die Feinde, die mächtigen, siegen.
Unbezwingbar nur eine Felsenburg,
Kämpft Harras noch und schlägt sich durch,
Und sein Roß trägt den mutigen Streiter
Durch die Schwerter der feindlichen Reiter.

Und er jagt zurück in des Waldes Nacht,
Jagt irrend durch Flur und Gehege,
Denn flüchtig hat er des Weges nicht acht,
Er verfehlt die kundigen Stege.
Da hört er die Feinde hinter sich drein,
Schnell lenkt er tief in den Forst hinein,
Und zwischen den Zweigen wird’s helle,
Und er sprengt zu der lichteren Stelle.

Da hält er auf steiler Felsenwand,
Hört unten die Wogen brausen.
Er steht an des Zschopautals schwindelndem Rand,
Und blickt hinunter mit Grausen.
Aber drüben auf waldigen Bergeshöhn
Sieht er seine schimmernde Feste stehn,
Sie blickt ihm freundlich entgegen,
Und sein Herz pocht in lauteren Schlägen.

Ihm ist’s, als ob’s ihn hinüberrief,
Doch es fehlen ihm Schwingen und Flügel,
Und der Abgrund, wohl fünfzig Klafter tief,
Schreckt das Roß, es schäumt in die Zügel;
Und mit Schaudern denkt er’s und blickt hinab,
Und vor sich und hinter sich sieht er sein Grab!
Er hört, wie von allen Seiten
Ihn die feindlichen Scharen umreiten.

Noch sinnt er, ob Tod aus Feindes Hand,
Ob Tod in den Wogen er wähle;
Dann sprengt er vor an die Felsenwand
Und befiehlt dem Herrn seine Seele.
Und näher schon hört er der Feinde Troß,
Aber scheu vor dem Abgrund bäumt sich das Roß;
Doch er spornt’s , daß die Fersen bluten,
Und setzet hinab in die Fluten.

Und der kühne, gräßliche Sprung gelingt,
Ihn beschützen höh’re Gewalten,
Wenn auch das Roß zerschmettert versinkt,
Der Ritter ist wohl erhalten.
Und er teilt die Wogen mit kräftiger
Hand,
Und die Seinen stehn an des Ufers Rand,
Und begrüßen freudig den Schwimmer. –
Gott verläßt den Mutigen nimmer.

Koerner_Luetzower_Emma__500x680_

Theodor Körner (23 september 1791 – 26 augustus 1813)
Portret door Emma Körner

 

Annalen.net laat de Griekse schrijver Euripides geboren worden op 23 september 484 voor Christus. Zie ook mijn blog van 23 september 2007 en ook mijn blog van 23 september 2008.

 

Uit: De Trojaansen

Poseidon
Ik kom getogen van het zilte diep der zee,
ik, God Poseidon, waar der Nereiden rei
met sierlijke bevalligheid de voeten wendt.
Want sedert wij, Phoebus en ik, om Troje heen
de zware stenen wallen zwoegend bouwden en
langs juist gespannen snoeren richtten, is nog steeds
mijn hart aan Trojes ingezeetnen welgezind.
En thans gaat deze stad in vlammen op, de lans
der Grieken richtte haar te grond´. Een uit de streek
van Phokis, sluw´ Epeüs, sterk door Pallas´ gunst
vervaardigde een paard, zwanger van wapentuig,
en zond dat onheilsbeeld binnen de muur der stad.
Vandaar zal nog zijn naam bij ´t latere geslacht
het sperenpaard zijn, daar ´t verholen speren borg.
Verlaten is elk Godenwoud; elk heiligdom
drijft van het bloed; en bij de treden van ´t altaar
van Zeus, is Priamos vermoord terneer gestort.
Een schat van goud en veel Trojaanse wapenbuit
wordt naar het Griekse schepenkamp gebracht. Men wacht
op gunst´ge wind, om nu, na de tienvoud´ge keer
van ´t zaaien, eind´lijk vrouw en kind´ren weer te zien,
de Grieken, die te velde trokken tegen Trooj´.
En ik – verwonnen toch ben ik door Argos´ god,
door Hera, en door Athene, die de Phrygiërs te saam
verdelgden – ik verlaat het roemrijk Ilion
en mijn altaren; want een stad, verlatenheid
ten prooi, ziet kwijnen godendienst en godeneer.

Euripides_Louvre

Euripides (484 v. Chr – 406 v. Chr)
Beeld in het Louvre, Parijs

 

De Engelse dichteres en schrijfster Mary Elizabeth Coleridge werd geboren in Londen op 23 september 1861. Zie ook mijn blog van 23 september 2008.

 

The Poison Flower

The poison flower that in my garden grew
Killed all the other flowers beside.
They withered off and died,
Because their fiery foe sucked up the dew.

When the sun shone, the poison flower breathed cold
And spread a chilly mist of dull disgrace.
They could not see his face,
Roses and lilies languished and grew old.

Wherefore I tore that flower up by the root,
And flung it on the rubbish heap to fade
Amid the havoc that itself had made.
I did not leave one shoot.

Fair is my garden as it once was fair.
Lilies and roses reign.
They drink the dew, they see the sun again;
But I rejoice no longer, walking there.

Coleridge

Mary Coleridge (23 september 1861 – 25 augustus 1907)
llustratie door Eleanor Vere Boyle in Voices from Fairyland, the fantastical poems of Mary Coleridge Charlotte Mew and Sylvia Townsend Warner. (Geen portret beschikbaar)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e september ook mijn vorige blog van vandaag.

 

 

Theodor Körner, Euripides, Jaroslav Seifert, Leni Saris, Mary Coleridge, Emma Orcy, Daniel Czepko von Reigersfeld

De Duitse dichter en schrijver Theodor Körner werd geboren op 23 september 1791 in Dresden. Zie ook mijn blog van 23 september 2007.

 

 

Gebet vor der Schlacht

Vater, ich rufe Dich!
Brüllend umwölkt mich der Dampf der Geschütze,
Sprühend umzucken mich rasselnde Blitze.
Lenker der Schlachten, ich rufe dich!
Vater, du führe mich!

 

Vater, du führe mich!
Führ mich zum Siege, führ’ mich zum Tode:
Herr, ich erkenne deine Gebote;
Herr, wie du willst, so führe mich.
Gott, ich erkenne dich!

 

Gott, ich erkenne dich!
So im herbstlichen Rauschen der Blätter,
Als im Schlachtendonnerwetter,
Urquell der Gnade, erkenn’ ich dich!
Vater du, segne mich!

 

Vater du, segne mich!
In deien Hand befehl’ ich mein Leben,
Du kannst es nehmen, du hast es gegeben;
Zum Leben, zum Sterben segne mich!
Vater, ich preise dich!

 

Vater, ich preise dich!
’s ist ja kein Kampf für die Güter der Erde;
Das heiligste schützen wir mit dem Schwerte:
Drumm, fallend und siegend, preis’ ich dich,
Gott, dir ergeb’ ich mich!

 

Gott dir ergeb’ ich mich!
Wenn mich die Donner des Todes begrüßen,
Wenn meine Adern geöffnet fließen:
Dir, mein Gott, dir ergeb’ ich mich!
Vater, ich rufe Dich!

 

Theodor_Koerner

Theodor Körner (23 september 1791 – 26 augustus 1813)

 

 

 

Annalen.net laat de Griekse schrijver Euripides geboren worden op 23 september 484 voor Christus. Zie ook mijn blog van 23 september 2007.

 

Uit: Medea

 

Voedster:
Ach, ware de Argo nooit de blauwe poort
der Symplegaden door naar Colchi heen
gevlogen; ware in Pelions dal geen boom
ooit neergevallen, om met riem en roer
de hand te waap´nen van de helden, die
voor Pelias streefden naar d´ algouden vacht.
Dan ware ook nooit Medea, mijn gebiedster,
naar Iolcos´ burchten heengevaren, toen
liefde voor Jason haar van zinnen bracht;
dan waren Pelias´ dochters niet door haar
schuldig geworden aan heur vaders dood,
en zou zij nu ook niet met haar gemaal
en kind´ren in Corinthe hier vertoeven,
in ´t gastvrij ballingsoord welgaarne ontvangen,
en zelve in alles Jasons trouwe bijstand –
want dat is in het leven ´t grootste heil,
als tusschen man en vrouw geen tweespalt is.
Maar nu is ´t haat, en ´t liefste dreigt gevaar.
Jason verraadt haar en zijn eigen kroost;
want bruigom werd hij van een koningskind,
wier vader, Creon, heer is van dit land.
Medea, in haar ziel en eer getroffen,
roept al zijn eeden, roept zijn eerewoord
weer voor den geest en goden tot getuigen,
hoe ´t haar vergaat, hoe Jason ´t haar vergeldt.
Elk voedsel weig´rend ligt zij neer, en kwijnt
van smart, in tranen smeltend al den tijd,
sinds zij zich door haar man verraden weet;
zonder ooit op te zien of van den grond
´t gelaat te beuren; maar een rots gelijk
of als der golven branding blijft zij doof
voor vriendenraad, tenzij ze nu en dan
den hals, d´ alblanken wendt en in zich zelf
om haren vader jammert, om haar land
en huis en zooveel liefs, dat zij verliet,
om hem te volgen, die haar nu verraadt.
Bittre ervaring doet haar ondervinden,
hoe zoet het is, in ´t eigen land te zijn.
Haar kind´ren schuwt ze en ziet ze zonder vreugde;
op booze dingen zint zij, naar ik vrees.
Zwaar is haar geest; zij zal geen smart verdragen;
ik ken Medea, en ik vrees, ik vrees haar:
zij is te duchten; wie haar wraaklust tart,
die zingt zoo spoedig niet zijn zegezang.
Doch zie, het spelen moede met den hoepel
komen haar kind´ren thuis, maar weten, noch
beseffen iets van ´t geen hun moeder lijdt;
een jonge ziel kent ´s werelds zorgen niet.”

 

Vertaald door Dr. Chr. Deknatel

 

euripides

Euripides (484 v. Chr – 406 v. Chr)

 

De Tsjechische dichter Jaroslav Seifert werd op 23 september 1901 geboren en groeide op in de arbeiderswijk Žižkov in Praag. Zie ook mijn blog van 23 september 2006.

 

Transformations

A lad changed to a shrub in spring,
the shrub into a shepherd boy,
A fine hair to a lyre string,
snow into snow on hair piled high.

And words turn into question signs,
wisdom and fame to old-age lines,
and strings revert to finest hair,
the boy’s transformed into a poet
the poet is transformed once more,
becomes the shrub my which he slept
when he loved beauty till he wept.

Whoever falls in love with beauty
will love it to his dying day,
stagger toward it aimlessly,
beauty has feet of charm and grace
in sandals delicate as lace.

And in this metamorphosis
a spell binds him to woman’s love,
a single second is enough
like steam in a retort to hiss
obedient to the alchemist
and drops dead as a hunted dove.

Without a stick old age is lame,
the stick turns into anything
in this ceaseless, fantastic game,
perhaps into an angel’s wings
now spreading wide for soaring flight
bodyless, painless, feather light.

 

 

To Be a Poet

Life taught me long ago
that music and poetry
are the most beautiful things on earth
that life can give us.
Except for love, of course.

In an old textbook
published by the Imperial Printing House
in the year of Vrchlický’s death
I looked up the section on poetics
and poetic ornament.

Then I placed a rose in a tumbler,
lit a candle
and started to write my first verses.

Flare up, flame of words,
and soar,
even if my fingers get burned!

A startling metaphor is worth more
than a ring on one’s finger.
But not even Puchmajer’s Rhyming Dictionary
was any use to me.

In vain I snatched for ideas
and fiercely closed my eyes
in order to hear that first magic line.
But in the dark, instead of words,
I saw a woman’s smile and
wind-blown hair.

That has been my destiny.
And I’ve been staggering towards it breathlessly
all my life.

 

seifert-2

Jaroslav Seifert ( 23 september 1901 – 10 januari 1986)

 

De Nederlandse schrijfster Leni Saris werd geboren in Rotterdam op 23 september 1915. Ze schreef meer dan honderd meisjesboeken, waarvan er in totaal zo’n acht miljoen werden verkocht. Leni Saris brak in de eerste jaren van WO II door bij het grote publiek en schreef vanaf dat moment elk jaar twee boeken. Bijna dertig jaar werkte ze na een secretaresseopleiding bij een notariskantoor. Schrijven deed ze in de avonduren. Pas in 1971 wijdde ze zich fulltime aan het schrijven van haar boeken, die ze als ‘ontspanningsromans’ typeerde. Saris’ boeken gingen over de liefde in een wereld met aardige mensen, maar zonder seks. Bij de romantiek mocht beschaafd gezwijmeld worden. Haar boeken hadden altijd een happy end: aan het eind krijgt het meisje de knappe man die ze zocht. Hoewel Saris nooit beweerde literatuur te schrijven, was ze niet gelukkig met de neerbuigende manier waarop de literaire kritiek met haar omging.

Saris bleef tot aan haar dood actief als schrijfster; haar laatste boek, Wij drieën, verscheen postuum in het voorjaar van 2000 bij haar vaste uitgever, uitgeverij Westfriesland in Hoorn.

 

Uit: Hollands Dagboek

Vrijdag 19 november

Ik ga nu bij mijn vrienden in Laren logeren, dat centraal ligt voor diverse werkzaamheden in verband met het verschijnen van het honderdste boek. Een paar dagen; langer kan niet, er zijn thuis al teveel afspraken genoteerd. Ik wil niet langer met een kruk lopen maar het blijft moeilijk. Autorijden gaat niet, Els en Wim helpen me. Ze komen vroeg en beginnen mijn omvangrijke bagage naar hun wagen te sjouwen.

‘Dat zijn we gewend”, zegt Els blijmoedig. ‘Als jij niet de helft van je garderobe meesjouwt, denken wij dat je ziek bent.” Zij kan het weten, we zijn al vijfendertig jaar bevriend. Els rijdt, ik zit comfortabel naast haar, Wim zit achterin, iets minder comfortabel tussen mijn garderobe die beslist niet mag kreuken.

Blij dat ik weer eens echt uit ben, zonder geworstel om krukken in en uit de wagen te wringen. Ik loop in ieder geval ‘los’, al is het niet fraai.

De fanbrieven heb ik meegenomen, ik beantwoord die brieven per omgaande, dat is een van mijn stelregels. Behalve om boekenlijsten wordt er om foto’s gevraagd maar die zijn op, dus plunder ik nu mijn privé-album, want van nasturen komt niets terecht.

Ik blader in de aantekeningen voor een nieuw boek, maar de vakantiestemming wint het. Anouk, dochter van Els en Wim en mijn petekind, studeert en is ijverig bezig aan een scriptie, maar wil even iets anders en ontvoert De Gouden Handjes. Ze woont in Baarn en belt later, dat ze het boek zo gezellig en ontspannend vindt. Dat is de bedoeling van dit boek, dat door de lichte en gezellige inhoud ook voor mij een ontspanning betekende na alle pech en pijn. Chiara daarentegen, nummer honderd, is gebaseerd op een ware gebeurtenis, die veel indruk op mij heeft gemaakt.”

 

saris

Leni Saris (23 september 1915 – 9 december 1999)

 

De Engelse dichteres en schrijfster Mary Elizabeth Coleridge werd geboren in Londen op 23 september 1861.  Coleridge publiceerde vijf romans, waaronder The Seven Sleepers of Ephesus (1893) en The King with Two Faces (1897). Daarnaast schreef zij essays en kritieken. Zij overleed in 1907 ten gevolge van complicaties die voortkwamen uit een blindedarmonsteking terwijl zij op vakantie was in Harrogate. Zij liet een onvoltooid manuscript van een nieuwe roman achter en honderden onuitgegeven gedichten. Haar gedichten werden pas na haar dood gepubliceerd, waarschijnlijk uit achting voor haar beroemde naamgenoot en verre familielid Samuel Taylor Coleridge. Succesvolle bundels waren Poems Old and New (1907) en Gathered Leaves (prozawerk, 1910). In 1954 verscheen haar verzameld werk onder de titel The Collected Poems of Mary Coleridge.

 

We never said farewell

We never said farewell, nor even looked
Our last upon each other, for no sign
Was made when we the linkèd chain unhooked
And broke the level line.

And here we dwell together, side by side,
Our places fixed for life upon the chart.
Two islands that the roaring seas divide
Are not more far apart.

 

 

To Memory

Strange Power, I know not what thou art,
Murderer or mistress of my heart.
I know I’d rather meet the blow
Of my most unrelenting foe
Than live—as now I live—to be
Slain twenty times a day by thee.

Yet, when I would command thee hence,
Thou mockest at the vain pretence,
Murmuring in mine ear a song
Once loved, alas! forgotten long;
And on my brow I feel a kiss
That I would rather die than miss.

 

Coleridge

Mary Coleridge (23 september 1861 – 25 augustus 1907)
Illustratie door Eleanor Vere Boyle in Voices from Fairyland, the fantastical poems of Mary Coleridge Charlotte Mew and Sylvia Townsend Warner. (Geen portret beschikbaar)

 

De Hongaarse schrijfster Emmuska Orcy de Orczi, ook wel Baronesse Orczy of Baronesse d’Orczy werd geboren in Tarnaörs op 23 september 1865. Haar eerste roman, “The scarlet pimpernel”, het verhaal van een Engelsman, die tijdens de Franse Revolutie allerlei mensen van de guillotine redde, werd eerst door alle uitgeverijen in Londen geweigerd. Toen het toch als toneelstuk met succes werd opgevoerd, kwam er toch een uitgeverij die het wilde publiceren. Het werd een groot succes. Ze stierf in 1947.

 

Uit: The Scarlet Pimpernel

 

“Paris: September 1792

A surging, seething, murmuring crowd, of beings that are human only in name, for to the eye and ear they seem naught but savage creatures, animated by vile passions and by the lust of vengeance and of hate. The hour, some little time before sunset, and the place, the West Barricade, at the very spot where, a decade later, a proud tyrant raised an undying monument to the nation’s glory and his own vanity.

During the greater part of the day the guillotine had been kept busy at its ghastly work: all that France had boasted of in the past centuries, of ancient names, and blue blood, had paid toll to her desire for liberty and for fraternity. The carnage had only ceased at this late hour of the day because there were other more interesting sights for the people to witness, a little while before the final closing of the barricades for the night.

And so the crowd rushed away from the Place de la Grève and made for the various barricades in order to watch this interesting and amusing sight.

It was to be seen every day, for those aristos were such fools! They were traitors to the people of course, all of them, men, women, and children, who happened to be descendants of the great men who since the Crusades had made the glory of France: her old noblesse. Their ancestors had oppressed the people, had crushed them under the scarlet heels of their dainty buckled shoes, and now the people had become the rulers of France and crushed their former masters—not beneath their heel, for they went shoeless mostly in these days—but beneath a more effectual weight, the knife of the guillotine.

And daily, hourly, the hideous instrument of torture claimed its many victims—old men, young women, tiny children, even until the day when it would finally demand the head of a King and of a beautiful young Queen.

But this was as it should be: were not the people now the rulers of France? Every aristocrat was a traitor, as his ancestors had been before him: for two hundred years now the people had sweated, and toiled, and starved, to keep a lustful court in lavish extravagance; now the descendants of those who had helped to make those courts brilliant had to hide for their lives—to fly, if they wished to avoid the tardy vengeance of the people.

And they did try to hide, and tried to fly: that was just the fun of the whole thing. Every afternoon before the gates closed and the market carts went out in procession by the various barricades, some fool of an aristo endeavoured to evade the clutches of the Committee of Public Safety. In various disguises, under various pretext
s, they tried to slip through the barriers which were so well guarded by citizen soldiers of the Republic. Men in women’s clothes, women in male attire, children disguised in beggars’ rags: there were some of all sorts: ci-devant counts, marquises, even dukes, who wanted to fly from France, reach England or some other equally accursed country, and there try to rouse foreign feeling against the glorious Revolution, or to raise an army in order to liberate the wretched prisoners in the Temple, who had once called themselves sovereigns of France.”

 

orczy1

Emma Orcy (23 september 1865 – 12 november 1947)

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 23 september 2007.

 

De Duitse dichter en schrijver Daniel Czepko von Reigersfeld werd op 23 september 1605 in Koschwitz geboren.

 

Jaroslav Seifert, Euripides,Theodor Körner, Daniel Czepko von Reigersfeld

De Tsjechische dichter Jaroslav Seifert werd op 23 september 1901 geboren en groeide op in de arbeiderswijk Žižkov in Praag.Zie ook mijn blog van 23 september 2006.

DANCE OF THE GIRLS’ CHEMISES

A dozen girls’ chemises
drying on a line,
floral lace at the breast
like rose windows in a Gothic cathedral.

Lord,
shield Thou me from all evil.

A dozen girls’ chemises,
that’s love,
innocent girls’ games on a sunlit lawn,
the thirteenth, a man’s shirt,
that’s marriage,
ending in adultery and a pistol shot.

The wind that’s streaming through the chemises,
that’s love,
our earth embraced by its sweet breezes:
a dozen airy bodies.

Those dozen girls made of light air
are dancing on the green lawn,
gently the wind is modelling their bodies,
breasts, hips, a dimple on the belly there —
open fast, oh my eyes.

Not wishing to disturb their dance
I softly slipped under the chemises’ knees,
and when any of them fell
I greedily inhaled it through my teeth
and bit its breast.

Love,
which we inhale and feed on,
disenchanted,
love that our dreams are keyed on,
love,
that dogs our rise and fall:
nothing
yet the sum of all.

In our all-electric age
nightclubs not christenings are the rage
and love is pumped into our tyres.
My sinful Magdalen, don’t cry:
Romantic love has spent its fires.
Faith, motorbikes, and hope.

 


SOMETIMES WE ARE TIED DOWN. . .

Sometimes we are tied down by memories
and there are no scissors that could cut
through those tough threads.
Or ropes!

You see the bridge there by the House of Artists?
A few steps before that bridge
gendarmes shot a worker dead
who was walking in front of me.

I was only twenty at the time,
but whenever I pass the spot
the memory comes back to me.
It takes me by the hand and together we walk
to the little gate of the Jewish cemetery,
through which I had been running
from their rifles.

The years moved with unsure, tottering step
and I with them.
Years flying
till time stood still.

 

Seifert

Jaroslav Seifert ( 23 september 1901 – 10 januari 1986)

 

Zie voor onderstaande schrijvers mijn blog van 23 september 2006.

 

De Griekse schrijver Euripides werd volgens de legende geboren op 23 september 484 voor Christus in Salamis.

 

De Duitse dichter en schrijver Theodor Körner werd geboren op 23 september 1791 in Dresden.

 

De Duitse dichter en schrijver Daniel Czepko von Reigersfeld werd op 23 september 1605 in Koschwitz geboren