Menno Wigman, Jonathan Littell, Ferdinand Bordewijk, Mercè Rodoreda, Harold Pinter, Boeli van Leeuwen, R. K. Narayan, Eugen Egner, Claude Simon

De Nederlandse dichter en vertaler Menno Wigman werd geboren in Beverwijk op 10 oktober 1966. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Menno Wigman op dit blog

 

Oneindig wakker
                    Rühmen, das ists! – Rilke

Mooie dingen, allemaal mooie dingen:
je hand die voor het eerst een kattenvacht streelt,
je moeder die bezorgd je knie verbindt,
zes moegedraafde paarden in de zon,
het onweer waar augustus mee begon,
Diana’s hand die naar je broek afgleed,
haar lichaam waar je blind de weg in vond,
de kleur van een kwatrijn van J.C. Bloem,
Nick Cave die dwars door Paradiso zong,
een woord als moerbei, huisraad, ravelijn,
de vondst van een nog net niet schurftig rijm:—
mooie dingen, allemaal mooie dingen
zoals de treinen waarop ik gezoend heb,
het zachte golven van een dranklokaal,
een meisjeskamer die naar adel geurt,
het wonder dat geen dag zich ooit herhaalt,
o mooie dingen en mijn mond benoemt het
voor ik me met het domme zwart verzoend heb.

 

Binnenbrand

Beelden, beelden, zo helder en geheim
dat ik op slag verstijfde – elke boom,
het hele bos keek mee. Ik schrok niet eens,
ik viel meteen twee dijen in toen ik
het vond. Pas later kreeg het een verhaal.

Zoals vandaag. Wie graaft mijn glimlach op?
Wie engelt me het bed in? De meisjes
onder mijn matras, die zijn zo snel,
die bliksemen op mijn bevel hun kleren uit,
die heten niet, die leven niet, die zijn

zo weggelegd. Maar ’s avonds zie ik soms
dat bos waar ik mijn eerste boekje vond:
een stronk met dijen, schaamgras, lillend licht,
mijn ogen smeulen en de hemel kleurt.
Die middag als een open wond.

 

Tot besluit

Ik ken de droefenis van copyrettes,
van holle mannen met vergeelde kranten,
bebrilde moeders met verhuisberichten,

de geur van briefpapieren, bankafschriften,
belastingformulieren, huurcontracten,
die inkt van niks die zegt dat we bestaan.

En ik zag Vinexwijken, pril en doods,
waar mensen roemloos mensen willen lijken,
de straat haast vlekkeloos een straat nabootst.

Wie kopiëren ze? Wie kopieer
ik zelf? Vader, moeder, wereld, DNA,
daar sta je met je stralend eigen naam,

je hoofd vol snugger afgekeken hoop
op rust, promotie, kroost en bankbiljetten.
En ik, die keffend in mijn canto’s woon,

had ik maar iets nieuws, iets nieuws te zeggen.
Licht. Hemel. Liefde. Ziekte. Dood.
Ik ken de droefenis van copyrettes.

 
Menno Wigman (Beverwijk, 10 oktober 1966)

Doorgaan met het lezen van “Menno Wigman, Jonathan Littell, Ferdinand Bordewijk, Mercè Rodoreda, Harold Pinter, Boeli van Leeuwen, R. K. Narayan, Eugen Egner, Claude Simon”

Menno Wigman, Ferdinand Bordewijk, Jonathan Littell, Harold Pinter, Boeli van Leeuwen, R. K. Narayan, Eugen Egner

De Nederlandse dichter en vertaler Menno Wigman werd geboren in Beverwijk op 10 oktober 1966. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Menno Wigman op dit blog

 

Afscheid van mijn lichaam

Waarom, mijn lichaam, was je mij zo weinig waard?
Waarom bleef ik zo koppig tronen in mijn hoofd
en woonde ik mezelf zo hevig uit?

O ja, ik hield van wijn, van zwaar doorrookte feesten,
lucide kaders en oneindig gulle lakens.
Zo leefde ik verlicht mijn tijd aan stukken.

Nu lig ik op een zaal, mijn hart, die logge spier,
verlaat me, laf als een gedicht laat het me staan
en voor het eind van deze avond zakt de dood
mijn longen in.

De zon was mij nooit opgevallen als hij niet
steeds onderging. Geen lucht, geen flonkering, geen hoop.
Waarom, mijn lichaam, heb ik nooit in je geloofd?

 

Rien ne va plus

‘Ik wou dat ik nooit een gedicht had gezien’
Slauerhoff

Je zult maar zestien zijn en lelijk. Jij bent het.
Maar je wilt dichter worden, melkt de woorden van
Rimbaud en Baudelaire en slurpt je moeders soep
onder vijandig licht. En ’s avonds op je kamer
zit je je ouders tegen de vlakte te schrijven,
je dicht en heerst in het geniep over het leven,
een lelijk joch met een duivel tussen zijn dijen
dat ooit de mooiste meisjes zal berijden –
ja en je hand die nu zo woest papier bekrast
houdt op een dag een vlammend boekwerk vast.
Je naam in druk, de schoonheid van een vrouw: het komt,
het komt. Je bent een dichter nu en haast elk meisje
trapt erin. Gretig ben je, slordig met geluk.
Je leeft. Leeft niet. Schuilt steeds verscheurd in een gedicht
en haalt pas adem als je gure schoonheid ziet.
En nu, haast zesendertig, ziek en mensenschuw,
door poëzie van alles om je heen vervreemd,
nu kijk je naar je hand en spuug je op je pen.
Is het walging? Onmacht? Zelfhaat misschien?
Had je maar nooit een gedicht gezien.

 
Menno Wigman (Beverwijk, 10 oktober 1966)

Doorgaan met het lezen van “Menno Wigman, Ferdinand Bordewijk, Jonathan Littell, Harold Pinter, Boeli van Leeuwen, R. K. Narayan, Eugen Egner”

Eugen Egner, Mercè Rodoreda, Claude Simon, Ivan Boenin, Frederick Barthelme

De Duitse schrijver, tekenaar en musicus Eugen Egner werd geboren op 10 oktober 1951 in Ingelfingen. Zie ook alle tags voor Eugen Egner op dit blog en ook mijn blog van 10 oktober 2010 en ook mijn blog van 10 oktober 2009.

Uit:Aus dem Tagebuch eines Trinkers

“03.01.
tiefe einblicke. den beiden pastoren beim weine von “weltseele” und “gotteslob” gesprochen, unverständnis geerntet.
05.01.
wohnung neu eingerichtet, bett paßt nicht mehr hinein. bei henriette übernachtet. nüchtern geblieben, da sie nur bier im hause hatte. hätte alles lieber getrunken, selbst digitaluhren.
16.01.
früh aufgestanden. nach dem abwasch versucht, mich mit einem hausschuh zu erschlagen. sehr getrunken.
17.01.
den ganzen tag geweint, abends dann kräftig auf die pauke gehauen.
28.01.
schlafstörungen, kopfkissen in wodka getränkt. lautes nächtliches pfeifen läßt sich nicht lokalisieren. gegen morgen den heizkörper abgeschraubt, keine änderung. in der nacht wieder angst, vor dem fenster könnten aborigines auf traumtröten blasen.
30.01. unverändert schlafstörungen. gläschen zählen erfolglos. fläschen baldriantinktur (68%) ex. hätte sicher schlaf gefunden, wenn sich die nachbarskatze nicht schreiend auf meinem gesicht gewälzt hätte. hände gerungen. schwedenbitter, harndrang.
12.02.
früh zu bett, um mitternacht wegen schlaflosigkeit wieder aufgestanden. unter zuhilfenahme aller finger mindestens bis 15 gezählt, dabei manches mal die augen verdreht und den mund verzogen. nachbarskeller aufgebrochen, getrunken.
14.02.
teures mittel gegen magnesiummangel gekauft. viel von paralleluniversen gelesen, versucht hinzugelangen, häßlicher sturz. noch am boden liegend wunder erlebt: verstorbener großvater erschienen, um mir scharlachbergflasche hinzustellen. große hilfe.“

 
Eugen Egner (Ingelfingen, 10 oktober 1951)

Doorgaan met het lezen van “Eugen Egner, Mercè Rodoreda, Claude Simon, Ivan Boenin, Frederick Barthelme”

Ferdinand Bordewijk, Menno Wigman, Jonathan Littell, Eugen Egner, Mercè Rodoreda

De Nederlandse schrijver Ferdinand Bordewijk werd geboren op 10 oktober 1884 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Ferdinand Bordewijk op dit blog.

 

Uit: Knorrende beesten

„De ondergaande zon der hondsdagen zette de kust in een machtig rood. Het rijkelijk bluschwater der zee doofde dit trotsch tafereel. De nachthitte hing op het land, en de dikke zilte geur van de zee, het parfum van een zware vrouw die ruischt in ondergoed van zij.

Hoog kalkig scheen de parade in lange lijn, van Rigel tot Regulus, en verder tot de haven en de blinde dolkstooten van den vuurtoren. Daarlangs de kleine duistere bars, broeisch geflonker van kleur en geteem van muziek. Hooger de golvende promenade, en hooger weer de terrassen met de hotels, Rigel, Beteigeuze, Mizar, Regulus, en daarin gevat het kleine uiterst selecte blok van Alcor.

Het verkeer op de parade wemelde, zijn toon was beschaafd. Het groot gerucht kwam van de pier.

De pier stak een arm en een vuist ver in zee. Ook daar wemelde het, in een eenvoudiger feestelijkheid. De pier had zich overwelfd met een berceau van roze gloeilicht.

Het groote eindcafé trok zijn burgerlijk silhouet in roze lichtlijnen na en herschiep zich tot een onbeholpen fantasmagorie. Het water weerkaatste het roze in gerekte deining. Een maritieme kanonnade gaf het slagwerk van de militaire kapel. Er werd geroepen, gezongen, gedraafd.

In de keten der kleine bars van de parade was de parkeerplaats een breuk. Aan den ingang was de garage en de service, dit woord in bijtend zilverlicht vóór den muur, dan de effen matheid van het plein van betontegels, afgesloten door een rechten steenwal, waarboven de promenade door een peristyle. Aan de verre andere zijde de kleine steenen cylinder van den parkwachter. Het park lag in het halfduister, zonder eigen verlichting, zijdelings beschenen door het booglicht van de parade.

Het park was vol van kleine, stille dieren. Hun eigenaars zochten vreugde op de pier. De tijd kwam nu van de weeldedieren. Zij liepen langzaam over de parade, met gedempte knorren van gevoede beesten, met het rhythmisch namalen van juist passende tanden in een dichten snuit.“

 

Ferdinand Bordewijk (10 oktober 1884 – 28 april 1965)

Doorgaan met het lezen van “Ferdinand Bordewijk, Menno Wigman, Jonathan Littell, Eugen Egner, Mercè Rodoreda”

Ferdinand Bordewijk, Menno Wigman, Jonathan Littell, Eugen Egner, Mercè Rodoreda, Harold Pinter, Claude Simon, Boeli van Leeuwen, Ivan Boenin, Frederick Barthelme, R. K. Narayan, James Clavell, Rie Cramer, Louise Mack, Aleksis Kivi, Robidé van der Aa, Kermit Rooseveldt sr.

De Nederlandse schrijver Ferdinand Bordewijk werd geboren op 10 oktober 1884 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2006 en mijn blog van 10 oktober 2007 en ook mijn blog van 10 oktober 2008 en ook mijn blog van 10 oktober 2009.

Uit: Bint

Was de hel van de grootste geestelijke eentonigheid? De Bree deed dien nacht weer een paar maal zijn ronde. Hij had een zaktoorts. Hij richtte dien naar de plafonds. In de flauwe schemering lagen zij stil, of snurkend, of woelend. Een had zijn dek weggetrapt. Hij legde het recht.

Dien morgen was hij vroeg op, als altijd. Van den waard hoorde hij dat er twee waren weggegaan, zeker een eind om.

– Met de fiets?

– Met de vélo.

– Hoe lang geleden?

– O, al een uur of twee.

De Bree ging naar boven. Er lag een vore tusschen zijn wenkbrauwen. Hij kwam in de kamers. Ze waren allen wakker. Ze hadden gestoeid of gevochten. Ze hadden zich voor den vorm weer toegedekt. Hun bloote teenen staken onderuit de dekens.

Hij kwam in een kamer waar er maar één lag. Heiligenleven en Punselie waren weg. Van der Karbargenbok lag naar hem te kijken, dek tot zijn kin, snavelerboven, kleine oogen somber gloeiend.

– En nou jij.

De Bree trok hem aan zijn kopveeren uit het nest.

– Waar zijn die twee?

– Weet niet.

– Kerel, als je het me niet zegt, krijg je een trap onder je …..

Hij hield op. De gier stond er bij, woedend en vernederd. De Bree begreep in een flits wat er in hem omging. Hij wist misschien niet waar de anderen waren heengegaan. Hij had het wel gezien, maar hij had niet meegewild. Hij had het gewild en toch ook niet gewild. Hij was vernederd omdat de anderen de eenheid hadden verbroken. Hij was woedend omdat hij niet met hen was meegegaan. De Bree moest ten slotte waardeeren, dat de saamhoorigheid het had gewonnen. Wist hij hun doel dan kon hij toch niet klikken.

De gier staarde naar den grond. Hadden de anderen een verleidelijk beeld opgehangen van een reis naar de verte, naar de Middellandsche Zee, werken en bedelen onderweg?

De Bree was woedend als de gier.

– Kleed je aan, zei hij alleen.”

bordewijk

Ferdinand Bordewijk (10 oktober 1884 –  28 april 1965)

 

De Nederlandse dichter en vertaler Menno Wigman werd geboren in Beverwijk op 10 oktober 1966.  Zie ook mijn blog van 10 oktober 2008 en ook mijn blog van 10 oktober 2009.

De kunst van het feesten

is de kunst je als een kenner te vervelen
en langzaam, slok na slok, de doffe streken
van het daglicht te vergeten, is de kunst

je lichter te bewegen, wild en wilder
alle hoop en wanhoop van je af te slaan,
is de kunst een schoonheid te bewegen

naar het Prado van je bed te gaan.

 

Bijna dertig

Nee, die juli bracht bepaald geen
revolutie in mijn bed. Hoe de zomer
zich ook gaf, het leek te laat om nog
een nieuwe hartstocht op te lopen.

Dus dook ik onder voor het zwermen
van de lust en heulde vrolijk
met de slaap. Bijna dertig dacht ik,
wordt mij toch iets te helder. En ik zag
hoe alle parken overbloeiden,
hoe de hitte uit de hemel sloeg,

hoe de horde joeg op ander bloed
en zich vergrijpen wilde aan
een blonde levensgloed. En ik zag af.
Versliep de revolutie in mijn bed.
Vergat alvast te leven.

 

Aan een man in de supermarkt

En toen, gifmuze, kroop hij in mijn blik:
een man, klein, dik, met onbemand gezicht
die keek alsof hij Ron of Ruud moest heten.
En alles wat hij dacht was mij bekend:
belasting, voetbal, Emma, missverkiezing,

broccoli, koffiefilters – heel zijn mond
een dunne brief vol blanco levensdrift.
En ik was in verwachting van een scheef
gedicht, wou hem haten, kon het niet –
want alles wat hij droomt, dacht ik, droom ik

niet beter. Groet, gegroet dus, vale oom
die net zo magisch over lakens droomt.
De rij in, dan naar huis, deurmat, ijskast,
de bank, de oven, later weer die slaap.
Ik ben zo bang dat je niet eens bestaat.

wigman

Menno Wigman (Beverwijk, 10 oktober 1966)

 

De Amerikaanse schrijver Jonathan Littell werd geboren in New York op 10 oktober 1967. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2009.

Uit: The Kindly Ones (Vertaald door Charlotte Mandell)

 „Once, I found myself in Germany on a business trip; I was meeting the head of a big lingerie company, to sell him some lace. Some old friends had recommended me to him; so, without having to ask any questions, we both knew where we stood with each other. After our discussion, which went quite well, he got up, took a book down from his shelf, and handed it to me. It was the posthumous memoirs of Hans Frank, the Generalgouverneur of Poland; it was called Facing the Gallows. “I got a letter from Frank’s widow,” he said. “She had the manuscript, which he wrote after his trial, published at her own expense; now she’s selling the book to provide for her children. Can you imagine that? The widow of the Generalgouverneur! – I ordered twenty copies from her, to use as gifts. And I advised all my department chiefs to buy one. She wrote me a moving letter of thanks. Did you know him?” I assured him I hadn’t, but that I would read the book with interest. Actually I had run into Hans Frank once, briefly, maybe I’ll tell you about it later on, if I have the courage or the patience. But just then it would have made no sense talking about it. The book in any case was awful – confused, whining, steeped in a curious kind of religious hypocrisy. These notes of mine might be confused and awful too, but I’ll do my best to be clear; I can assure you that they will at least be free of any form of contrition. I do not regret anything: I did my work, that’s all; as for my family problems, which I might also talk about, they concern no one but me; and as for the rest, I probably did go a little far toward the end, but by that point I was no longer entirely myself, I was off-balance, and anyhow the whole world was toppling around me, I wasn’t the only one who lost his head, admit it. Also, I’m not writing to feed my widow and children, I’m quite capable of providing for them. No, if I have finally decided to write, it really is probably just to pass the time, and also, possibly, to clear up one or two obscure points, for you perhaps and for myself.“

 littell

Jonathan Littell (New York, 10 oktober 1967)

 

De Duitse schrijver, tekenaar en musicus Eugen Egner werd geboren op 10 oktober 1951 in Ingelfingen. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2009.

Uit: Dies ist gar keine richtige Geschichte

„In letzter Zeit werde ich oft fälschlicherweise für einen Postboten gehalten. Einmal geschah es, daß ich stundenlang völlig selbstvergessen vor dem Gartentor eines Einfamilienhauses verharrte, als traute ich mich wegen eines bissigen Hundes nicht auf das Grundstück.

Im Vorgarten, gleich neben dem Weg zum Haus, stand ein aus vier Holzstücken kreuz und quer zusammengenageltes Gebilde, in dessen Betrachtung ich mich nun vertiefte, bis endlich ein Mann mittleren Alters aus dem Haus gelaufen kam und mir zurief: »Keine Angst, das ist kein richtiger Hund!«

Er öffnete das Törchen, um mich, den vermeintlichen Postboten, einzulassen. Ich tat erleichtert und zog ein paar Briefe aus der Tasche. (Längst habe ich mir angewöhnt, in solchen Situationen den Leuten ein wenig Post zu überreichen, damit keine langen Diskussionen entstehen.) Der Mann ging die Briefe durch.

»Nur wieder Reklame und Rechnungen«, kommentierte er mürrisch.

Ich schlug vor: »Die Rechnungen können Sie gleich bei mir bezahlen.«

»Später«, antwortete er. »Kommen Sie doch mit ins Haus, ich möchte Ihnen etwas zeigen.«

»Geht es um Holz?«

»In der Tat, ja«, erwiderte der Mann verblüfft, »woher wissen Sie das?«

Ich schwieg, um eine geheimnisvolle Wirkung bemüht. In der Diele gesellte sich die Ehefrau zu uns.

»Zeigen wir es ihm?« fragte sie ihren Mann.

Er nickte: »Ich denke schon.«

»Sind Sie ein Ästhet?« erkundigte sie sich sodann bei mir. »Letzte Woche hatten wir nämlich einen homosexuellen Dichter hier, der interessierte sich nicht dafür.«

»Laß ihn, Margret«, sprach der Ehemann besänftigend.

»Ich sehe es in seinen Augen, er hat gewiß den rechten Sinn dafür.«

Inzwischen hatte uns das Wohnzimmer aufgenommen.“

egner

Eugen Egner (Ingelfingen, 10 oktober 1951)

 

De Catalaanse schrijfster Mercè Rodoreda werd geboren op 10 oktober 1908 in Barcelona. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2009.

Uit: The Salamander (Vertaald door Martha Tennent)

I strolled down to the water, beneath the willow tree and through the watercress bed. When I reached the pond I knelt down. As always, the frogs gathered around me. Whenever I arrived, they would appear and come jumping toward me. As soon as I started to comb my hair, the mischievous ones would stroke my red skirt with the five little braids or pull at the festoon on my petticoat full of ruffles and tucks. The water would grow sad and the trees that climbed the hill would gradually blacken. But that day the frogs jumped into the water, shattering the mirror in the pond, and when the water grew still again his face appeared beside mine, as if two shadows were observing me from the other side. So as not to give the appearance of being frightened, I stood up and without saying a word began walking calmly through the grass. But the moment I heard him following me, I looked back and stopped. A hush fell over everything, and one end of the sky was already sprayed with stars. He stopped a short distance away and I didn’t know what to do. I was suddenly filled with fear and began to run, but when I realized he would overtake me, I stopped under the willow tree, my back to the trunk. He came to me and stood there, both arms spread wide so I could not run away. Then, gazing into my eyes, he began to press me against the willow, my hair disheveled, between the willow and him. I bit my lips to keep from screaming; the pain in my chest was so great I thought my bones were on the point of breaking. He placed his mouth on my neck, and where he had laid his mouth I felt a burning.”

 rodoreda

Mercè Rodoreda (10 oktober 1908 – 13 april 1983)

 

De Britse schrijver Harold Pinter werd geboren op 10 oktober 1930 in Londen. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2006  en ook mijn blog van 10 oktober 2008 en ook mijn blog van 28 december 2008 en ook mijn blog van 10 oktober 2009.

Uit Press Conference

„PRESS Sir, before you became Minister of Culture I believe you were the head of the Secret Police.

MINISTER That is correct.

PRESS Do you find any contradiction between those two roles?

MINISTER None whatsoever. As head of the Secret Police it was my responsibility, specifically, to protect and to safeguard our cultural inheritance against forces which were intent upon subverting it. We were defending ourselves against the worm. And we still are.

PRESS The worm?

MINISTER The worm.

PRESS As head of the Secret Police what was your policy towards children?

MINISTER We saw children as a threat if – that is – they were children of subversive families.

PRESS So how did you employ your policy towards them?

MINISTER We abducted them and brought them up properly or we killed them.

PRESS How did you kill them? What was the method adopted?

MINISTER We broke their necks.

PRESS And women?

MINISTER We raped them. It was all part of an educational process, you see. A cultural process.

PRESS What was the nature of the culture you were proposing?

MINISTER A culture based on respect and the rule of law.

PRESS How do you understand you present role as Minister of Culture?

MINISTER The Ministry of Culture hold to the same principles as the guardians of National Security. We believe in a healthy, muscular, and tender understanding of our cultural heritage and our cultural obligations. These obligations naturally include loyalty to the free market.

PRESS How about cultural diversity?

MINISTER We subscribe to cultural diversity; we have faith in a flexible and vigorous exchange of views; we believe in fecundity.“

pinter

Harold Pinter (10 oktober 1930 – 24 december 2008)
Hier als acteur in Samuel Beckett’s “Krapp’s Last Tape“

 

De Franse schrijver Claude Simon werd geboren op 10 oktober 1913 te Tananarive (Madagaskar) als zoon van een Franse legerofficier. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2008 en ook mijn blog van 10 oktober 2009.

Uit: Les Géorgiques

„Cette longue description de la maison de la vieille dame et en particulier ce passage du placard où sont enfouies les preuves du crime du général laissent apparaître de façon nette l’importance du secret dans la vie de la famille et en particulier de la vieille dame qui, ayant gardé cachés ces papiers au point qu’ils sont devenus un poids, se sent soulagée à l’idée de mourir. Mais c’est sans compter sur l’oncle Charles qui va distiller tout le secret puisque c’est lui qui va transmettre les papiers et donc faire éclater la vérité. […]

[…] La description du cadavre ne nous laisse donc aucun doute sur le décès de la vieille dame comme le montrent la périphrase « la gisante » et l’expression « dernière garde pour qu’elle emporte dans sa tombe » : l’arrière-petite-fille du général est morte chez elle, au plus près de son secret. Dans la première partie du texte, on comprend bien que la vieille dame a espéré emporter avec elle le secret dans sa tombe comme le dit clairement ce fragment de phrase : « qu’une fois morte, une fois la dernière chair du nom disparue, cela n’aurait alors plus d’importance ».

simon

Claude Simon (10 oktober 1913 – 6 juli 2005)

 

De Antilliaanse (Curaçaose) schrijver Willem Cornelis Jacobus (Boeli) van Leeuwen werd geboren op 10 oktober 1922 op Curaçao. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2006 en ook mijn blog van 10 oktober 2008 en ook mijn blog van 10 oktober 2009.

Uit: De gorilla

‘In Berlijn te zijn geweest in een dierentuin versierd met flamingoveren, waar ik de grootste gorilla ter wereld heb zien sterven van angst en het paard van Johannes in een brandende etalage heb ontmoet en in een schuilkelder een vrouw met de rug van een wezel heb gestreeld, om daarna in Leiden rechten te studeren…! […] Wat te beginnen met de verlate puberteitsriten van het corps, de platvloersheid van de professoren – wat moet een creool uit Curaçao daarmee beginnen? Hij die onsterfelijk is geweest op de rand van het bestaan, kon geen groentjes verdragen met kaalgeschoren koppen, want hij heeft kaalgeschoren koppen gezien op levende doodshoofden.’

Uit: De Rots der struikeling

 „Niemand wandert ungestraft unter Palmen: wij hebben reeds te lang onder verdorde kokosbomen gelopen, die nog op vervallen plantages te vinden zijn. In het isolement van een benauwde gemeenschap, gevangen in de melancholie van onze eigen situatie, zien we geslachten ten onder gaan als bomen, die langzaam in de dorre grond door gebrek aan voedsel sterven.“

vanleeuwen

Boeli van Leeuwen (10 oktober 1922 – 28 november 2007)

 

De Russische dichter en schrijver Ivan Aleksejevitsj Boenin werd geboren in Voronezj op 10 oktober 1870. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2009.

Midnight

November. Midnight damp. Chalk-white beneath
The moon the village lies, by the oppressive
Hush overcome. The tide sweeps in, impassive,
Its voice all deep solemnity and breadth.

The port flag, soaked, droops on its slender mast.
Just o’er the mast, above the mass of hazy
Clouds torn in parts and running swiftly east,
The disc of moon glides, strangely white and glassy.

I reach the steps. Mysterious the light
And duller here, the tide’s voice fiercer, louder.
The bathhouse piles, defenseless, heave and shudder.

Far out – a grey abyss. No sea in sight.
Below, amid the foam that seethes and hisses,
Like seals wet by the surf the boulders glisten.


The Bedouin

The Dead Sea, and, beyond, the greyish, broken
Line of the hills. Noon. Mealtime. Deft of hand,
He bathes his mare, then sits a hookah smoking
On Jordan’s shore. Like molten bronze the sand.

The Dead Sea, and, beyond, in space suspended,
Mirages swimming in a golden haze.
Light. Warmth. A wild dove coos. The oleander
And storksbill with the reds of springtime blaze.

He sits, a hooded hawk, and smokes, and raises
His voice in song, and, droning sleepily,
The tamarisk and oleander praises.

Bard, robber, nomad tribesman, glad is he
To coils of smoke in simple verse and flowing
The peaks to liken beyond Siddim showing!

 

Vertaald door Natasha Bulashova en Greg Cole

boenin

Ivan Boenin (10 oktober 1870 – 8 november 1953)

 

De Amerikaanse schrijver Frederick Barthelme werd geboren op 10 oktober 1943 in Houston, Texas. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2009.

Uit: Waveland

A year after Katrina swept across the Mississippi Gulf Coast and destroyed everything in or near its path, Vaughn Williams was spending a quiet fall afternoon with the television, waiting for his new girlfriend, Greta Del Mar, to get home from work. It was raining and out the window of Greta’s bungalow, where he’d been living for the last two months, he could still see the devastation of the landscape–everything was gone, vanished, flattened. Three houses on this block of Mary Magdalene Street survived, a few others spotted the landscape here and there, but the rest were leveled. Waveland looked like one of those unpopulated atolls in the Pacific people were always doing TV specials about. Bombing range stuff. By now, a year after the storm, there were a few trailers up on concrete blocks, some tents hooked onto pickups, but that was it. He and Greta were like shipwreck victims washed up on some -blown–out shore. Vaughn was ten years older than Greta, both of them split from their spouses–he by divorce, she by the still-unsolved killing of her husband, Bo, a half-decade before. He’d been shot in the head in his sleep. Their marriage hadn’t been pretty, stuffed with Bo’s infidelities, abuse, ridicule, and embarrassment, but worse was the aftermath, when Greta was indicted for the crime. She was exonerated, of course, and the charges were dismissed; but too much damage was already done.“

 barthelme
Frederick Barthelme (Houston, 10 oktober 1943)

 

De Indiase schrijver Rasipuran Krishnaswami Narayan werd geboren op 10 oktober 1906 in Madras. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2009.

Uit: The English Teacher

“Wife, child, brothers, parents, friends…We come together only to go apart again. It is one continuous movement. They move away from us as we move away from them. The law of life cannot be avoided. The law comes into operation the moment we detach ourselves from our mother’s womb. All struggle and misery in life is due to our attempt to arrest this law or get away from it or in allowing ourselves to be hurt by it. The fact must be recognized. A profound unmitigated loneliness is the only truth of life. All else is false.”

narayan

R. K. Narayan (10 oktober 1906 – 13 mei 2001)

 

De Brits – Amerikaanse schrijver en regisseur James Clavell (pseudoniem van Charles Edmund DuMaresq de Clavelle) werd geboren op 10 oktober 1924 in Sydney. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2008 en ook mijn blog van 10 oktober 2009.

Uit: King Rat

 “I’m going to get that bloody bastard if I die in the attempt.” Lieutenant Grey was glad that at last he had spoken aloud what had so long been twisting his guts into a knot. The venom in Grey’s voice snapped Sergeant Masters out of his reverie. He had been thinking about a bottle of ice-cold Australian beer and a steak with a fried egg on top and his home in Sydney and his wife and the breasts and smell of her. He didn’t bother to follow the lieutenant’s gaze out the window. He knew who it had to be among the half-naked men walking the dirt path which skirted the barbed fence. But he was surprised at Grey’s outburst. Usually the Provost Marshal of Changi was as tight-lipped and unapproachable as any Englishman.
“Save your strength, Lieutenant,” Masters said wearily, “the Japs’ll fix him soon enough.”
“Bugger the Japs,” Grey said. “I want to catch him. I want him in this jail. And when I’ve done with him—I want him in Utram Road Jail.” Masters looked up aghast. “Utram Road?”
“Certainly.”
“My oath, I can understand you wanting to get him,” Masters said, “but, well, I wouldn’t wish that on anyone.”
“That’s where he belongs. And that’s where I’m going to put him. Because he’s a thief, a liar, a cheat and a bloodsucker. A bloody vampire who feeds on the rest of us.”
Grey got up and went closer to the window ofthe sweltering MP hut. He waved at the flies which swarmed from the plank floors and squinted his eyes against the refracted glare of the high noon light beating the packed earth. “By God,” he said, “I’ll have vengeance for all of us.”
Good luck, mate, Masters thought. You can get the King if anyone can. You’ve got the right amount of hate in you. Masters did not like officers and did not like Military Police. He particularly despised Grey, for Grey had been promoted from the ranks and tried to hide this fact from others.“ 

 clavell

James Clavell (10 oktober 1924 – 6 september 1994)

 

De Nederlandse dichteres, schrijfster en illustrator Rie Cramer werd geboren in Sukabumi op Java, ndonesië op 10 oktober 1887. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2009.

Eén in uw diep verdriet

Holland, hoe hebben wij zoovele malen
Uw knusse kalmte hekelend, bespot,
Hoe spraken wij, verwaten, vreemde talen,
En waren zonder aandacht voor uw lot.
Maar zie, – nu weten wij ons diep verbonden,
Ons brandt eenzelfde smaad, eenzelfde smart,
Nu bloeden wij, verscheurd uit eendre wonden,
Nu bonkt ons hart naast aan uw eigen hart.

Nu liggen wij des nachts in ’t donker wakker
En voelen bang het trillen van uw grond,
Als lagen wij dicht naast een ouden makker,
Wakend, waar hij ten doode werd gewond.
Hoe schrijnt het heimwee, nu w’u zien gehavend,
Naar oude stadjes in hun milde rust,
En naar uw weiden, dauwend in den avond,
En naar het wonder van uw zilvren kust.

Naar hooge lanen om een vredig buiten,
Naar ’t kleppend klokje van een klein gehucht.
Naar blanke vaarten, donkre visschersschuiten,
En naar de wijdheid van uw wolkenlucht.
Hoe is het, dat ons hart zoo zelden heugde
De blijdschap om dit schoon, vertrouwd verschiet?
Holland, – nu het te laat is voor uw vreugde,
Laat ons dan één zijn in uw diep verdriet!

cramer

Rie Cramer (10 oktober 1887 – 18 juli 1977)

 

De Australische dichteres en schrijfster Louise Mack werd geboren op 10 oktober 1870 in Hobart, Tasmania. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2009.

To Sydney

CITY, I never told you yet—
O little City, let me tell—
A secret woven of your wiles,
Dear City with the angel face,
And you will hear with frowning grace,
Or will you break in summer smiles?

This is the secret, little town,
Lying so lightly towards the sea;
City, my secret has no art,
Dear City with the golden door;
But oh, the whispers I would pour
Into your ears—into your heart!

You are my lover, little place,
Lying so sweetly all alone.
And yet I cannot, cannot tell
My secret, for the voice will break
That tries to tell of all the ache
Of this poor heart beneath your spell.

Dreaming, I tell you all my tale;
Tell how the tides that wash your feet
Sink through my heart and cut its cords.
Dreaming, I hold my arms, and drag
All, all into my heart—the flag
On the low hill turned harbourwards,

And all the curving little bays,
The hot, dust-ridden, narrow streets,
The languid turquoise of the sky,
The gardens flowing to the wave,
I drag them in. O City, save
The grave for me where I must lie.

Yet humbly I would try to build
Stone upon stone for this town’s sake;
Humbly would try for you to aid
Those whose wise love for you will rear
White monuments far off and near,
White, but unsoiled, undesecrate.

 mack

Louise Mack (10 oktober 1870 – 23 november 1935)

 

De Finse dichter en schrijver Aleksis Kivi werd geboren als geboren Alexis Stenvall in Palojoki op 10 oktober 1834. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2009.

Uit: Seven Brothers

JUHANI: On one corner of the earth a day of peace still gleams for us. Ilvesjärvi lake yonder, below Impivaara, is the harbour to which we can sail away from the storm. Now my mind is made up.
LAURI: Mine was made up last year already.
EERO: I’ll follow you even into the deepest cave on Impivaara, where it is said the Old Man of the Mountains boils pitch, with a helmet made of a hundred sheepskins on his head.
TUOMAS: We’ll all move there from here.
JUHANI: Thither we’ll move and built a new world.”

kivi

Aleksis Kivi (10 oktober 1834 – 31 december 1872)
Standbeeld in Helsinki

 

De Nederlandse dichter en schrijver Robidé van der Aa (eig. Christianus Petrus Eliza van der Aa) werd geboren op 10 oktober 1791 in Oosterbeek. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2009.

Herfstliedje

Wie Lente bezinge, wij wijden ons lied
Het vruchtbaarst saizoen, dat er daagt;
Wanneer ons de tuin zijne bloemen nog biedt,
De boomgaard zijn vruchten reeds draagt;

Als ’t appeltje, gloeijend van sierelijk rood,
Ons lacht uit het looverdak aan,
De saprijke peer als tot plukken ons noodt,
De wingerd zoo rijk is belaân.

’t Is feest voor de landjeugd in boomgaard en veld,
Als, najaar, ge uw schatten ons biedt;
Daarom wordt gij vrolijk en dankbaar vermeld,
En wijden we u heden ons lied.

 vanderAA

Robidé van der Aa (7 oktober 1791 – 14 mei 1851)

 

De Amerikaanse schrijver, zakenman en officier Kermit Roosevelt sr. Werd geboren op 10 oktober 1889 in Sagamore Hill in Oyster Bay, New York. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2009.

Uit: War In The Garden Of Eden

„It was at Taranto that we embarked for Mesopotamia. Reinforcements were sent out from England in one of two ways–either all the way round the Cape of Good Hope, or by train through France and Italy down to the desolate little seaport of Taranto, and thence by transport over to Egypt, through the Suez Canal, and on down the Red Sea to the Indian Ocean and the Persian Gulf. The latter method was by far the shorter, but the submarine situation in the Mediterranean was such that convoying troops was a matter of great difficulty. Taranto is an ancient Greek town, situated at the mouth of a landlocked harbor, the entrance to which is a narrow channel, certainly not more than two hundred yards across. The old part of the town is built on a hill, and the alleys and runways winding among the great stone dwellings serve as streets. As is the case with maritime towns, it is along the wharfs that the most interest centres. During one afternoon I wandered through the old town and listened to the fisherfolk singing as they overhauled and mended their nets. Grouped around a stone archway sat six or seven women and girls. They were evidently members of one family–a grandmother, her daughters, and their children.

The old woman, wild, dark, and hawk-featured, was blind, and as she knitted she chanted some verses. I could only understand occasional words and phrases, but it was evidently a long epic. At intervals her listeners would break out in comments as they worked, but, like “Othere, the old sea-captain,” she “neither paused nor stirred.”

Kermit_Roosevelt_1926

Kermit Roosevelt sr. (10 oktober 1889 – 4 juni 1943)
Portret door John Singer Sargent

125 Jaar Ferdinand Bordewijk, Menno Wigman, Jonathan Littell, Eugen Egner, Mercè Rodoreda, Harold Pinter, Claude Simon, Boeli van Leeuwen

De Nederlandse schrijver Ferdinand Bordewijk werd geboren op 10 oktober 1884 in Den Haag. Dat is vandaag dus precies 125 jaar geleden. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2006 en mijn blog van 10 oktober 2007 en ook mijn blog van 10 oktober 2008.

 

Uit: Karaker

 

„In het zwartst van den tijd, omtrent Kerstmis, werd op de Rotterdamsche kraamzaal het kind Jacob Willem Katadreuffe met de sectio caesarea ter wereld geholpen. Zijn moeder was de achttienjarige dienstbode Jacoba Katadreuffe, zij werd bij verkorting Joba genoemd. Zijn vader was de deurwaarder A. R. Dreverhaven, een man van achter in de dertig, toen reeds bekend als het zwaard zonder genade voor iederen schuldenaar die hem in handen viel.

Het meisje Joba Katadreuffe had bij den ongehuwden Dreverhaven een korten tijd gediend, toen was hij bezweken voor haar onschuldig schoon, en zij voor zijn kracht. Hij was niet een man om te bezwijken, hij was zoo een kerel van graniet, met een hart slechts in letterlijken zin. Hij bezweek alleen dien eenen keer, hij capituleerde meer met betrekking tot zichzelf dan tot haar. Misschien toch, indien zij niet zulke bizondere oogen had gehad, zou er niets zijn voorgevallen. Maar het was geschied na dagen van verkropte woede over een grootsch plan dat hij had uitgedacht, opgezet, en voor zijn oogen zien vergaan omdat de geldschieter zich op het laatst terugtrok. Op het allerlaatst, óver het allerlaatst heen, toen terugtrekken niet meer had gemoogd, omdat de geldschieter bij woord gebonden was. Er was geen snipper bewijs, geen enkele getuige, en Dreverhaven als man der wet wist dat hij tegen den woordbreukige niets kon beginnen. Met diens brief in den zak – een brief zeer voorzichtig gesteld maar tevens pertinent afwijzend – kwam Dreverhaven laat thuis. Hij had het voelen aankomen, de laatste dagen heette de schoelje steeds afwezig als hij opbelde. Hij wist dat dit gelogen was, hij voelde het. Dan werd in den avond de brief bezorgd, het eerste en eenige geschrift, en hij had er geen vat op. Uitmuntend geredigeerd, daarachter moest wel een advocaat steken.

Dreverhaven kwam thuis, inwendig ziedend, en in een woede die hij verborg maakte hij zich meester van het meisje Joba Katadreuffe. Het meisje was niet van een aard om te bezwijken, zij had een sterken wil, maar zij was een meisje. Wat haar gebeurde was op de grens van een overweldiging, het was het niet geheel, en zij beschouwde het ook niet zoo.

Zij bleef bij haar patroon, alleen sprak zij tegen hem geen woord meer. Hij had een zwijgzamen aard, het hinderde hem niet in het minst. Dat draait wel weer bij, dacht hij, als het gevolgen heeft trouw ik haar. En hij zweeg van zijn kant.

Na een paar weken verbrak zij de stilte:

– Ik ben in positie.

– Zoo, zei hij.

– Straks ga ik weg.

– Zoo.

Hij dacht: dat draait wel weer bij. Binnen het uur hoorde hij de voordeur sluiten, niet nadrukkelijk, heel gewoon. Hij liep naar het venster. Daar ging het jonge ding, met een puilenden rieten koffer. Het was een stevig meisje, ze liep niet naar den koffer overgebogen. Hij zag haar gaan in het beginnend grauwen van den avond, het was in het laatst van April.“

 

Bordewijk_Blaman

Ferdinand Bordewijk (10 oktober 1884 – 28 april 1965)
Bordewijk met de schrijfster Anna Blaman in 1957

 

De Nederlandse dichter en vertaler Menno Wigman werd geboren in Beverwijk op 10 oktober 1966.  Zie ook mijn blog van 10 oktober 2008.

Tweeduizendzoveel

Tweeduizendzoveel. Nacht. Krant. Lamp.
Zolang je letters leest werkt je verstand.

Mijn tv – die niet weet dat ik besta –
bewoont een kamer waar ik alles zie.

Zag laatst een leeszaal waar een meisje sliep
en droomde later van bibliotheken

waar ieder boek een boekwerk zat te lezen,
Proust om Lenin, Hitler om Warhol geeuwde.

Tweeduizendzoveel. Pixels, steeds meer pixels.
De nieuwsdienst pokert met je hoofd.

Geloof niet in vrede, geloof in roem,
de drift waarmee we alles overdoen.

En duizend dikke Elvissen maar stralen.
En juichend vaart een oorlogsbodem uit.

Te zeggen dat we niks geleerd… (volgt een citaat
verluchtigd met een woord als god, ras, haat).

 

 

Kaufhaus des Westens

 

Kaufhaus des Westen. Kopen op recept.
Lento, lento langs vitrines schuiven
en betoverd bij een vulpen blijven staan.
Lipstick. Horloges. Lingerie. Kasjmier.
Als ergens ooit genezen wordt, dan hier.

Hier is het warm en druk, hier kun je dromen,
hier kun je kosteloos bij balustrades komen
waar Europa zich ontvouwt: een massagraf
dat blaakt van hoop en voor het donker
rouge, speelgoed en horloges koopt.

 

MennoWigman

Menno Wigman (Beverwijk, 10 oktober 1966)

 

De Amerikaanse schrijver Jonathan Littell werd geboren in New Yorkop 10 oktober 1967. Zijn debuut was de sciencefictionroman Bad Voltage (1989). Zijn tweede roman, Les bienveillantes, of “De welwillenden“, werd bekroond met de Prix Goncourt van 2006. Eerder won hij de “Grand Prix du Roman” voor dit werk. Littells familie is van Russisch-Joodse afkomst en is aan het einde van de 19de eeuw geëmigreerd naar de Verenigde Staten. Littell
studeerde in Yale, maar bracht zijn kindertijd grotendeels door in Frankrijk. In 2001 startte hij met het schrijven van zijn tweede roman, “Les bienveillantes“, die een lijvig fresco is van de Tweede Wereldoorlog en het Oostfront, gezien vanuit de ogen van een gecultiveerde SS-officier, Maximilien Aue. Vanwege zijn Joodse afkomst is Littell veel geconfronteerd geworden met het thema – al is zijn directe familie gespaard gebleven bij de Holocaust. De Tweede Wereldoorlog is het centrale thema van ‘Les bienveillantes’. Om zich voor te bereiden voor deze roman las hij meer dan tweehonderd werken over Nazi-Duitsland, bezocht hij Holocaustarchieven en reisde naar Polen, Oekraïne en Rusland. 
Zie ook mijn blog van 7 november 2006.

 

Uit: The Kindly Ones (Vertaald door Charlotte Mandell)

 

„Oh my human brothers, let me tell you how it happened. I am not your brother, you’ll retort, and I don’t want to know. And it certainly is true that this is a bleak story, but an edifying one too, a real morality play, I assure you. You might find it a bit long—a lot of things happened, after all—but perhaps you’re not in too much of a hurry; with a little luck you’ll have some time to spare. And also, this concerns you: you’ll see that this concerns you. Don’t think I am trying to convince you of anything; after all, your opinions are your own business. If after all these years I’ve made up my mind to write, it’s to set the record straight for myself, not for you. For a long time we crawl on this earth like caterpillars, waiting for the splendid, diaphanous butterfly we bear within ourselves. And then time passes and the nymph stage never comes, we remain larvae—what do we do with such an appalling realization? Suicide, of course, is always an option. But to tell the truth suicide doesn’t tempt me much. Of course I have thought about it over the years; and if I were to resort to it, here’s how I’d go about it: I’d hold a grenade right up against my heart and go out in a bright burst of joy. A little round grenade whose pin I’d delicately pluck out before I released the catch, smiling at the little metallic noise of the spring, the last sound I’d hear, aside from the heartbeat in my ears. And then at last, happiness, or in any case peace, as the shreds of my flesh slowly dripped off the walls. Let the cleaning women scrub them off, that’s what they’re paid for, the poor girls. But as I said, suicidedoesn’t tempt me. I don’t know why, either—an old philosophical streak, perhaps, which keeps me thinking that after all we’re not here to have fun. To do what, then? I have no idea, to endure, probably, to kill time before it finally kills you. And in that case, writing is as good an occupation as anything else, when you have time to spare. Not that I have all that much spare time; I am a busy man, I have what is called a family, a job, hence responsibilities; all that takes time, and it doesn’t leave much to recount one’s memories. Particularly since memories are what I have quite a lot of. I am a veritable memory factory. I will have spent my whole life manufacturing memories, even though these days I’m being paid to manufacture lace. In fact, I could just as easily not write. It’s not as if it’s an obligation. After the war I remained a discreet man; thank God I have never been driven, unlike some of my former colleagues, to write my memoirs for the purpose of self-justification, since I have nothing to justify, or to earn a living, since I have a decent enough income as it is.“

 

jonathan-littell

Jonathan Littell (New York, 10 oktober 1967)

 

De Duitse schrijver, tekenaar en musicus Eugen Egner werd geboren op 10 oktober 1951 in Ingelfingen. Hij werkte aanvankelijk als graficus, was rockmuzikant in de band “Armutszeugnis” en vertaler van o.a. Monty Python. Verder leverde hij tekeningen en geluisbijdragen voor de Westdeutschen Rundfunk. Vanaf 1988 verschenen zijn tekeningen en teksten in o.a. , taz, Der Rabe, Kowalski, Eulenspiegel, Italien, Die Zeit, Junge Welt, Rolling Stone en Zitty. Egners teksten zijn voornamelijk surrealistisch en grotest van aard.

 

Uit: Schmutz

 

„In letzter Zeit wurde immer häufi ger vom Auftauchen r
ätselhaft er Gegenstände berichtet, für deren Existenz niemand eine Erklärung hatte und die als Auslöser von Gemütsbrand bezeichnet wurden. Erst gestern hatte Martin wieder davon gelesen, und jetzt, während der Autofahrt zu Nora, hörte er
in den Nachrichten, ein solcher Gegenstand sei in einem geschlachteten Schwein gefunden worden. Martin nahm die Meldung nur beiläufig zur Kenntnis, denn er war in Gedanken ganz woanders. Für ihn gab es auf dieser Welt nichts als Nora, seit er sie vor einigen Tagen bei Freunden getroff en hatte.

Er hatte sich ihre E-Mail-Adresse besorgt und ihr sein heftiges Entflammtsein mitgeteilt. Und sie hatte ihn daraufh in tatsächlich für heute nachmittag eingeladen.

Nora wohnte eine halbe Autostunde entfernt in einer rußigen Stadt, über der der Himmel von Schwerindustrie-Emissionen verdunkelt war. Aufgeregt, wie er war, verfuhr Martin sich kurz vor dem Ziel und kurvte einige bange Minuten lang fluchend herum, bis er schließlich direkt vor dem alten Mehrfamilienhaus, in dem Nora ihre Wohnung hatte, einen Parkplatz fand. Gerade noch rechtzeitig! Wenige Augenblikke später stand er ihr dann gegenüber, und die restliche Welt verblaßte sang- und klanglos, als sie ihn hereinbat.

Martin spürte augenblicklich, daß er Nora sympathisch war. Sein größter Wunsch war Wirklichkeit geworden! Er konnte sein Glück kaum fassen. Es kam ihm vor wie ein Wunder. Obwohl sie einander vorher erst einmal gesehen hatten, entstand sogleich eine derart vertraute Atmosphäre, daß man meinen konnte, sie wären bereits seit Jahren ein Paar. Bei Tee und Kuchen küßten sie einander. Am Abend, als ihr Leben nicht mehr dasselbe war wie noch vor wenigen Stunden, suchten Martin und Nora ein chinesisches Lokal in der Nähe auf.“

 

EugenEgner

Eugen Egner (Ingelfingen, 10 oktober 1951)

 

De Catalaanse schrijfster Mercè Rodoreda werd geboren op 10 oktober 1908 in Barcelona. Zij groeide uit tot een van de meest internationale catalaanse schrijvers, want haar werk is in bijna dertig talen vertaald, waaronder het Nederlands. Ze schreef voornamelijk romans en korte verhalen, maar hield zich ook bezig met journalistiek, poëzie en toneel. Zij heeft in Nederland vooral succes gehad met de roman Colometa uit 1962. Dit verhaal van een vrouw die staande blijft in de Burgeroorlog en de maatschappelijke ontreddering,

 

Uit: The Time of the Doves (Vertaald door David H. Rosenthal)

 

Julieta came by the pastry shop just to tell me that, before they raffled off the basket of fruit and candy, they’d raffle some coffeepots. She’s already seen them: lovely white ones with oranges painted on them. The oranges were cut in half so you could see the seeds. I didn’t feel like dancing or even going out because I’d spent the day selling pastries and my fingertips hurt from tying so many gold ribbons and making so many bows and handles. And because I knew Julieta. She felt fine after three hours’ sleep and didn’t care if she slept at all. But she made me come even though I didn’t want to, because that’s how I was. It was hard for me to say no if someone asked me to do something. I was dressed all in white, my dress and petticoats starched, my shoes like two drops of milk, my earrings white enamel, three hoop bracelets that matched the earrings, and a white purse Julieta said was made of vinyl with a snap shaped like a gold shellfish.

When we got to the square, the musicians were already playing. The roof was covered with colored flowers and paper chains: a chain of paper, a chain of flowers. There were flowers with lights inside them and the whole roof was like an umbrella turned inside out, because the ends of the chains were tied much higher up in the middle where they all came together. My petticoat had a rubber waistband I’d had a lot of trouble putting on with a crochet hook that could barely squeeze through. It was fastened with a little button and a loop of string and it dug into my skin. I probably already had a red mark around my waist, but as soon as I started breathing harder I began to feel like I was being

martyred. There were asparagus plants around the bandstand to keep the crowd away, and the plants were decorated with flowers tied together with tiny wires. And the m
usicians with their jackets off, sweating. My mother had been dead for years and couldn’t give me advice and my father had remarried. My father remarried and me without my mother whose only joy in life had been to fuss over me. And my father remarried and me a young woman all alone in the Plaça del Diamant waiting for the coffeepot raffle and Julieta shouting to be heard above the music. “Stop! You’ll get your clothes all wrinkled!” and before my eyes the flower-covered lights and the chains pasted on them and everybody

happy and while I was gazing a voice said right by my ear, “Would you like to dance?”

 

Rodoreda1

Mercè Rodoreda (10 oktober 1908 – 13 april 1983)

 

 De Britse schrijver Harold Pinter werd geboren op 10 oktober 1930 in Londen. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2006  en ook mijn blog van 10 oktober 2008 en ook mijn blog van 28 december 2008.

 

Uit: The Homecoming

       Act Two.

 

LENNY (to Ruth). What about one dance before you go?

TEDDY: We’re going.

LENNY: Just one.

TEDDY: No. We’re going.

LENNY: Just one dance, with her brother-in-law, before she goes.

LENNY bends to her.

Madam?

RUTH stands. They dance, slowly. TEDDY stands, with RUTH’s coat. MAX and JOEY come in the front door and into the room. They stand. LENNY kisses RUTH. They stand, kissing.

JOEY. Christ, she’s wide open. Dad, look at that.

Pause.

She’s a tart.

Pause.

Old Lenny’s got a tart in here.

JOEY goes to them. He takes RUTH’S arm. He smiles at LENNY. He sits with RUTH on the sofa, embraces and kisses her.

He looks up at LENNY.

Just up my street.

He leans her back until she lies beneath him. He kisses her. He looks up at TEDDY and MAX.

It’s better than a rubdown, this.

LENNY sits on the arm of the sofa. He caresses RUTH’s hair as JOEY embraces her. MAX comes forward, looks at the cases.

MAX. You going, Teddy? Already?

Pause.

Well, when you coming over again, eh? Look, next time you come over, don’t forget to let us know beforehand whether you’re married or not. I’ll always be glad to meet the wife. Honest. I’m telling you.“

 

Pinter

Harold Pinter (10 oktober 1930 – 24 december 2008)

 

De Franse schrijver Claude Simon werd geboren op 10 oktober 1913 te Tananarive (Madagaskar) als zoon van een Franse legerofficier. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2008.

 

Uit: La Route des Flandres

 

„sans doute aurait-il préféré ne pas avoir à le faire lui-même espérait-il que l’un d’eux s’en chargeait pour lui, lui éviterait ce mauvais moment à passer mais peut-être doutait-il encore qu’elle (c’est-à-dire la Raison c’est-à-dire la Vertu c’est-à-dire sa petite pigeonne) lui fût infidèle peut-être fut-ce seulement en arrivant qu’il trouva quelque chose comme une preuve comme par exemple ce palefrenier caché dans le placard, quelque chose qui le décida, lui démontrant de façon irréfutable ce qu’il se refusait à croire ou peut-être ce que son honneur lui interdisait de voir, cela même qui s’étalait devant ses yeux puisque Iglésia lui-même disait qu’il avait toujours fait semblant de ne s’apercevoir de rien racontant la fois où il avait failli les surprendre où frémissante de peur de désir inassouvi elle avait à peine eu le temps de se rajuster dans l’écurie et lui ne lui jetant même pas un coup d’œil allant tout droit vers cette pouliche se baissant pour tâter les jarrets disant seulement Est-ce que tu crois que ce révulsif suffira il me semble que le tendon est encore bien enflé Je pense qu’il faudrait quand même lui faire quelques pointes de feu, et feignant toujours de ne rien voir pensif et futile sur ce cheval tandis qu’il s’avançait à la rencontre de sa mort dont le doigt était déjà posé dirigé sur lui sans doute tandis que je suivais son buste osseux et raide cambré sur sa selle tache d’abord pas plus grosse qu’une mouche pour le tireur à l’affût mince silhouette verticale au-dessus du guidon de l’arme pointée grandissant au fur et à mesure qu’il se rapprochait l’œil immobile et attentif de son assassin patient l’index sur la détente voyant pour ainsi dire l’envers de ce que je pouvais voir ou moi l’envers et lui l’endroit c’est-à-dire qu’à nous deux moi le suivant et l’autre le regardant s’avancer nous possédions la totalité de l’énigme (l’assassin sachant ce qui allait lui arriver et moi sachant ce qui lui était arrivé, c’est-à-dire après et avant, c’est-à-dire comme les deux moitiés d’une orange partagée et qui se raccordent parfaitement) au centre de laquelle i
l se tenait ignorant ou voulant ignorer ce qui s’était passé comme ce qui allait se passer dans cette espèce de néant (comme on dit qu’au centre d’un typhon il existe une zone parfaitement calme) de la connaissance, de point zéro :…“

 

Simon

Claude Simon (10 oktober 1913 – 6 juli 2005)

 

De Antilliaanse schrijver Willem Christiaan Jacobus (Boeli) van Leeuwen werd geboren op 10 oktober 1922 op Curaçao. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2006 en ook mijn blog van 10 oktober 2008.

 

Uit: De eerste Adam

 

Hij was gestold tot wie hij was, zoals destijds toen hij was gezien door de dochter van Jamel: een mens los van alle mensen, die niet in een ander verloren kon gaan, die niet in een ander op kon lossen als suiker in water, die niet één vlees kon worden met een ander omdat zijn geest niet meer in het vlees was. Hij werd toen die hij was, onvervreemdbaar gevangen in zijn eigen huid, in de kringloop van zijn eigen bloed, in de hartslag van zijn eigen hart. En naast hem op het strand lag een medemens, eveneens een gesloten systeem van zenuwen en aderen en bloedsomloop in wiens lichaam hij was geweest: een medemens, niet meer een vrouw.“

 

Uit: Een vreemdeling op aarde

 

En zelf heeft hij als kind en jonge man, minder vaak naarmate hij ouder werd, deze geheimzinnige ogenblikken gekend, momenten van honingpuur en bloemenrein geluk, die de tranen in zijn ogen deden opwellen: op het achterbalkon van een tram, wanneer hij in de verte grachtenhuizen over een brug zag hangen; in de concertzaal, wanneer de violen onder de handen van de dirigent ineens een melodie tot zingende bloei brachten; in bed met een vrouw, wanneer hij plotseling in de lichaamswarmte van een medemens het geluk terugvond van het Paradijs.“

 

VanLeeuwen

Boeli van Leeuwen (10 oktober 1922 – 28 november 2007)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e oktober ook mijn vorige blog van vandaag.