Der Juni (Erich Kästner), David Leavitt, Jo Govaerts, Rafik Shami, Aart van der Leeuw, Pascal Mercier, Franca Treur, Dolce far niente

Dolce far niente

 

Zomerlandschap met wandelende kinderen door Johan Krouthén, 1913

 

Der Juni

Die Zeit geht mit der Zeit: Sie fliegt.
Kaum schrieb man sechs Gedichte,
ist schon ein halbes Jahr herum
und fühlt sich als Geschichte.

Die Kirschen werden reif und rot,
die süßen wie die sauern.
Auf zartes Laub fällt Staub, fällt Staub,
so sehr wir es bedauern.

Aus Gras wird Heu. Aus Obst Kompott.
Aus Herrlichkeit wird Nahrung.
Aus manchem, was das Herz erfuhr,
wird, bestenfalls, Erfahrung.

Es wird und war. Es war und wird.
Aus Kälbern werden Rinder
Und weil’s zur Jahreszeit gehört,
aus Küssen kleine Kinder.

Die Vögel füttern ihre Brut
und singen nur noch selten.
So ist’s bestellt in unsrer Welt,
der besten aller Welten.

Spät tritt der Abend in den Park,
mit Sternen auf der Weste.
Glühwürmchen ziehn mit Lampions
zu einem Gartenfeste.

Dort wird getrunken und gelacht.
In vorgerückter Stunde
tanzt dann der Abend mit der Nacht
die kurze Ehrenrunde.

Am letzten Tische streiten sich
ein Heide und ein Frommer,
ob’s Wunder oder keine gibt.
Und nächstens wird es Sommer.

Erich Kästner (23 februari 1899 – 29 juli 1974)
Zomer in Dresden, de geboorteplaats van Erich Kästner


De Amerikaanse schrijver David Leavitt werd geboren in Pittsburgh op 23 juni 1961. Zie ook alle tags voor David Leavitt op dit blog.

Uit: The Page Turner

“So what are you working on, Paul?”
“Kreisleriana right now. My teacher’s Olga Novotna, by the way. She said to send you her regards. And on my own, Webern. Miss Novotna doesn’t approve of Webern, so –”
“Old Olga Higginbotham! Isn’t she dead yet?” Isidore Gerstler interrupted.
“No sir, she’s not.”
“Kessler wrote the Second Symphony for her,” said Maria Luisa Strauss. “She is O.”
“I never understood why she changed her name,” Kennington said. “Isn’t an American name good enough? Well, we should go over the program. Pull up a chair.”
Paul did. Brown circles stained the laminated surface of the table, which was empty except for a stack of scores, an eyeglass case, and a plastic bag that appeared to contain knitting.
Kennington opened the first of the scores. “So, we start with the Tchaikovsky –”
“A wonderful choice, sir, if I might say so.”
“I’m glad you approve. Oh, and we take the standard cut in the variations.”
“Fine.”
“Then after the interval, the Archduke. No problems there. And if the audience behaves and we decide to do an encore, it’ll be the andante from the Schubert B-flat. I presume you’re familiar with the Schubert B-flat –”
“I own your 1983 recording of it with DeLaria and Miss Strauss.”
Miss Strauss smiled.
“Well, you’ve clearly done your homework,” Kennington said. “It isn’t often that I get such a gung-ho page turner. In Ravenna once I had an old lady called — if you can believe it — Signora Mozzarella. Remember, Joseph? Charming but palsied.”
“Signora Mozzarella is legendary in the land of Dante,” Mr. Mansourian observed.
“Page turning is an art in its way, I suppose,” Kennington went on. Then, taking a sip from his coffee cup, he abandoned — to Paul’s lasting regret — this fascinating train of thought. “Well, I guess I’m ready. Tushi, you ready?”
“Yes, Richard.”

David Leavitt (Pittsburgh, 23 juni 1961)
Scene uit de film “Food of Love” uit 2002 (gebaseerd op de roman “The Page Turner” met Paul Rhys (Richard Kennington) en Kevin Bishop (Paul)

 

De Vlaamse dichteres, schrijfster vertaalster en columniste Jo Govaerts werd geboren op 23 juni 1972 in Leuven. Zie ook alle tags voor Jo Govaerts op dit blog.

Met mijn kwantorslag

Met mijn kwantorslag
en mijn inwendloopje
kan ik ze wel verslaan.

Ik ben sterker
dan de zwebongbeesten
en niet bang.

Ik ben niet bang.

 

Ik denk, je moet iets hebben

Ik denk, je moet iets hebben
om van te houden, bijvoorbeeld
een steen in je hand, die
langzaam warmer wordt.

Maar wat is het dan
waarvan je houdt, je eigen
warmte die ook weer verdwijnt
met het lossen van je greep.

Ik denk, je moet toch iets
hebben om van te houden, waarom niet
een steen in je hand, die
koelte aan je huid.

Jo Govaerts (Leuven, 23 juni 1972)


De Syrisch-Duitse schrijver Rafik Schami werd geboren op 23 juni 1946 in Damascus. Zie ook alle tags voor Rafik Schami op dit blog.

Uit: Sophia

„Onkel Barakat, Tante Maries Ehemann, soll damals in vier Tagen nach Jaffa und zurück geritten sein, um seiner schwangeren Frau Jaffa-Orangen zu bringen. Sie bekam einen Korb der berühmten süßen Früchte und dazu später ein gesundes Baby. Ich fand Radfahren elegant, und das Gleichgewicht zu halten glich dem Gang eines Zirkusartisten auf dem Hochseil. Und vor allem diese Erhabenheit!«»Das hast du in zwei bis drei Wochen«, sagte er und merkte erst spät seinen Leichtsinn. Beim Oudspielen kann man sich weder Arm noch Bein brechen, beim Radfahren schon. Sie strahlte ihn mit ihren dunk-len Augen an, stürmte zu ihm und küsste ihn innig auf die Lippen, so dass all seine Gewissensbisse wie Fledermäuse aus seinem Kopf hinaus-flatterten. »Bring es mir bei«, flehte sie ihn an, und er sah die Freudentränen in ihren Augen.Merkwürdig, wie lange man mit seinen geheimen Wünschen lebt. Über sechs Monate waren sie bereits ein Paar, und sie hatten sich offen von ihrem bisherigen Leben erzählt, und auf einmal entdeckten beide, dass sie immer noch nicht genug voneinander wussten.»Ich hatte vielleicht Angst davor, dass du mich auslachst«, sagte Aida, eher um sich selbst das Zögern zu erklären. Karim nickte. »Du sprichst mir aus der Seele. Ich habe es ab dem zwanzigsten Lebensjahr nieman-dem mehr verraten. Und wenn jemand mich nach meinen unerfüll-ten Wünschen fragte, so sagte ich tanzen und wie eine Schwalbe flie-gen. Tanzen wollte ich später, nach dem Tod meiner Frau Amira nicht mehr.«
»Und ich konnte mich beim Tanzen nie entspannen. Ich habe im-mer mitgezählt und darauf geachtet, dass die Schritte stimmten. Irgend-wann mit zehn, zwölf Jahren gab ich es auf. Aber das Radfahren, das blieb mein Traum.«Aida war eher klein. Wenn sie barfuß ging, war ihre Stirn auf der Höhe seiner Schulter. Sie war schlank und athletisch, und wenn man nicht wusste, dass sie Mitte fünfzig war, hielt man sie für eine Vierzigjährige. Wenn man ihr Komplimente machte, erwiderte sie: »Liebe verjüngt! Verliebt euch und ihr werdet sehen«, und lachte.Aida war immer schon verwegen. Das erfuhr auch Karim bald und hatte immer Angst um sie, wegen ihres Übermuts. Nach einer Woche mit Übungen auf dem großen, fast immer leeren Parkplatz einer pleitegegangenen Textilfabrik vor dem Osttor, nicht weit von ihrem und Karims Haus entfernt, wollte er, dass sie auch lernte, durch eine belebte Gasse zu fahren. Er begleitete sie zu ihrer Gasse, die etwas breiter war und auf der westlichen Seite parallel zur Jasmingasse verlief. Aida fuhr ganz ruhig, und Karim hielt sie am Sattel. Mehrere Frauen und Männer beobachteten sie am Fenster oder an der Tür ste-hend und schüttelten missbilligend den Kopf.“

Rafik Shami (Damascus, 23 juni 1946)
Poster


De Nederlandse dichter en schrijver Aart van der Leeuw werd geboren in Hof van Delft op 23 juni 1876. Zie ook alle tags voor Aart van der Leeuw op dit blog.

Uit: Ik en mijn speelman

“Ik mompel een verwensching, maar wat baat mij dit. Ja, zooals ik verwacht had, mijn huwelijk; immers al sinds mijn tiende jaar ben ik voor de dochter van den markies van Almonde bestemd, nú tel ik twintig, en nooit heb ik haar nog met de oogen aanschouwd. Hartelijk moet ik er om lachen, wanneer al die mislukte pogingen, om ons te zamen te brengen, in mijn herinnering opduiken. Ik zie me weer in onze galakaros naast mijn vader het slotplein van het kasteel van Almonde oprijden. En dan verschijnt op de bordestrappen een soort major-domus, die wanhopig de handen boven de krulpruik in elkander slaat. Meer dan een week al, meldt hij, is zijn meester wegens een hardnekkigen jichtaanval bedlegerig, en nu heeft juist dezen morgen ook zijn dochter het noodig gevonden, om haar kamer te houden. Wat ze mankeert, begrijpt niemand; frisch als altijd komt haar gezicht boven de dekens te voorschijn. Maar wie van opstaan spreekt, stuurt ze de deur uit.
Mijn vader maakt zijn opwachting bij den gekluisterden gastheer, en van uit de verte hoor ik diens kijvende stem de kuren van de kleine feeks, want zóó wordt ze betiteld, verwenschen. Den volgenden morgen onverrichter zake reizen wij af.
En dan nog dat tegenbezoek van vader en dochter een paar jaren later!
’s Ochtends op den dag van hun aankomst ben ik in mijn besten lijfrok moet en kruipen, hoewel ik het mij meteen al had voorgenomen, dat enkel een spinnekop er tusschen de mazen van zijn web van zou genieten, of een muis, die den kop door een gat van den vloer steekt.
Speurlustig, als jongens dat plegen te wezen, had ik niet lang nog geleden achter de gobelins van de ontvangzaal een verborgen trap ontdekt, die naar een torenkamer voerde, waarvan het bestaan door geen sterveling vermoed werd. Allerlei dingen had ik daar naar toe gesleept, boeken, een oud vuurroer, een stroozak, een drinkkan, wat vaatwerk, en dikwijls sloot ik mij er op, in het gezelschap alleen van mijn adembeklemmende droomen.
Terwijl nu alles voor een plechtige ontvangst in gereedheid werd gebracht, stal ik een brood en een koude kip uit de keuken, en, juist toen de slotdeuren voor het doorluchtige tweetal werden open geworpen, trok ik mij met mijn buit voor een paar dagen terug in mijn schuilhoek.
Eerst toen de zweep beneden mijn tralievenstertje ten afscheid klapte, en ik de wielen van een reiskoets de poort uit hoorde rollen, verwaardigde ik mij, me weer te vertoonen. En de strengste straf bleek niet in staat me mijn geheim te ontwringen.”

Aart van der Leeuw (23 juni 1876 – 17 april 1931)
Delft


De Zwitserse schrijver en filosoof Pascal Mercier (eig. Peter Bieri) werd geboren op 23 juni 1944 in Bern. Zie ook alle tags voor Pascal Mercier op dit blog.

Uit: Perlmann’s zwijgen (Vertaald door Gerda Meijerink)

“Het was een losse opmerking geweest, niet doordacht, en zonder dat hij serieus aan een verwerkelijking had gedacht. Zijn indruk was dat het allemaal erg vaag en vrijblijvend was gebleven, en opeens had hij er haast mee gemaakt naar de vergaderzaal te gaan.
Hij had verder niet meer aan dat gesprek gedacht, totdat hij een paar weken later een brief kreeg van Angelini, en kort daarna een telefoontje van het hoofdkantoor van Olivetti in Ivrea. Perlmann’s voorstel, kreeg hij tot zijn verrassing te horen, was heel goed gevallen bij het bedrijf, vooral bij een paar collega’s van de researchafdeling, maar ook de directie was erg ingenomen met het plan. Bijzonder gecharmeerd waren ze van de mogelijkheid op die manier een project te kunnen opzetten dat enerzijds iets met de producten van het bedrijf te maken had en anderzijds veel verder strekte, omdat het een thema van algemeen belang, zogezegd van grote maatschappelijke betekenis betrof. Hij, Angelini, stelde voor de bijeenkomst volgend jaar in Santa Margherita Ligure te houden, een badplaats in de buurt van Rapallo aan de Golf van Tigullio. Ze hadden daar wel vaker conferenties gehouden en dat was ze goed bevallen. Het geschiktst voor de geplande onderneming waren de maanden oktober en november, zei hij, dan was het nog zacht, maar er waren dan bijna geen toeristen meer, de sfeer die er dan hing was rustig en beschouwelijk, precies wat een onderzoeksgroep nodig had. Voor het overige had Perlmann volledig de vrije hand, met name natuurlijk wat de keuze van de deelnemers betrof. Perlmann beet op zijn lippen en voelde een machteloze irritatie in zich opkomen als hij aan dat gesprek terugdacht. Hij had zich laten overrompelen door de sonore, zo zelfverzekerde stem door de telefoon, zonder dat daar verder enige reden voor was.”

Pascal Mercier (Bern, 23 juni 1944)
Cover


De Nederlandse schrijfster en freelance journaliste Franca Treur werd geboren in Meliskerke op 23 juni 1979. Zie ook alle tags voor Franca Treur op dit blog.

Uit: De woongroep

“Ik had graag nog wat naar haar gekeken, maar ze legt het kind voorzichtig naast zich neer op de bank, het spuugdoekje erbovenop, en staat op om ons te begroeten. Ze drukt Erik tegen zich aan en zoent hem alsof hij behouden terug is gekeerd van de grote vaart.
Freddie is een beetje pappig geworden, maar Caro ziet er heel gezond en blozend uit. Ze heeft een vreemd luchtje bij zich. Iets zuurs. Misschien wast ze zich niet meer zo goed. Misschien heeft ze andere dingen aan haar hoofd dan zichzelf af te gaan zitten sponzen.
Ze hebben wel twee badkamers, zeggen ze. Eentje boven en een op de tweede verdieping. De tweede verdieping staat nog helemaal leeg. Ze hebben er ook nog niet echt een plan voor. Misschien een atelier voor Caro, maar voorlopig komt ze nog nergens aan toe.
Caro vindt het tijd dat we aandacht geven aan de baby’s. Een ligt er boven in zijn bedje, de andere wil niet slapen. De baby die niet wil slapen kijkt me uitdrukkingloos aan. Hij heeft glimmende vetpukkeltjes, maar verder ziet hij er goed uit. Hij heeft het voorhoofd van Caro, wat een gelukje is. Freddies voorhoofd heeft niet de gangbare halfronde vorm van een markies, maar die van een plat zonnescherm, zoals bij prehistorische mensen. Deze baby heeft netjes een markiesje.
‘Ziet er goed uit,’ zegt Erik. ‘Goed gedaan.’
‘Ja, hè?’ zegt Caro.
‘Is die andere net zo?’ vraag ik.
Dat is niet zo. Ze zijn niet eeneiig. De ouders vinden dat maar beter ook. Je moet ze als twee individuen zien en niet als meer van hetzelfde.
We moeten Freddie z’n schuurtje bekijken. Althans, Erik moet het zien, maar ik wil niet bij Caro en de baby blijven. Alle frisse lucht die ik binnenkrijg is meegenomen.
Freddie schuift een grote glazen deur opzij en we lopen zo van de kamer de tuin in. Er staat een schommelbank.
Het is echt een mooie avond. De eerste avond van het jaar dat je buiten kan zitten, als je een vest aantrekt.
In de verte klinken kinderstemmen. Hoog en schril. Een vrouw roept: ‘Joachim, doe wat mama zegt.’
Ik kijk over de schouderhoge schutting. De buren hebben ook een schommelbank. Er zit een vrouw in. Haar lange benen bungelen. Ze leest een vrouwenblad.
Moeten de mensen hier niet eten? Wanneer eten ze?”

Franca Treur (Meliskerke,23 juni 1979)
Cover


Zie voor nog meer schrijvers van de 23e juni ook mijn blog van 23 juni 2018 deel 1 en ook deel 2.

Maxim Februari, Erich Kästner, Elisabeth Langgässer, Samuel Pepys, Henri Meilhac, B. Traven, Amoene van Haersolte, David Kalisch, Josephin Soulary

De Nederlandse schrijver, filosoof en columnist Maxim Februari (eig. M. Drenth) werd geboren in Coevorden op 23 februari 1963. Zie ook alle tags voor Maxim Februari op dit blog.

Uit: Nawoord bij Franz Kafka, Verzameld werk

“Terwijl zijn familie Schnitzel en Sauerbraten at, schrijft Mairowitz in zijn Introducing Kafka, voedde de zoon zich met groente, noten en fruit. En alsof dat nog niet genoeg was om de woede van Hermann Kafka te wekken, ontdekte Franz ook de ideëen van de Amerikaan Horace Fletcher, die als middel tegen alle kwalen masticatie voorschreef. Elke hap moest ten minste tien keer worden gekauwd.
De hongerigheid van Kafkas schrijven en de kortademigheid van zijn verhalen zijn niet alleen de autobiografische weerslag van een neurose, dat zou het werk niet de pijnlijke allure geven die het heeft. Het gaat bij Kafka om een algemeen menselijk verzet tegen handelen, tegen macht uitoefenen en macht ondergaan. Wil je zijn werk lezen als een schets van de menselijke psyche, dan draait het vooral om een mentaal mechanisme dat iedereen wel in meerdere of mindere mate zal herkennen: soms kun je zo verstrikt raken in je eigen claustrofobie en in je apathische angsten dat er uiteindelijk ook inderdaad geen uitweg meer mogelijk is. En precies dat is wat de beklemming in Kafkas verhalen zo huiveringwekkend maakt: niet de situatie zelf, maar het onvermogen van de personages om in die situatie in te grijpen.
In de brief aan zijn vader spreekt hij daarover nog in de ik-vorm. Waarschijnlijk ben ik in aanleg helemaal niet lui, maar er viel voor mij niets te doen. Daar waar ik leefde, was ik verworpen, veroordeeld, verslagen, en ergens heen vluchten was voor mij weliswaar uiterst vermoeiend, maar het was geen werk, want het ging om iets onmogelijks dat voor mijn krachten op kleine uitzonderingen na onbereikbaar was. Voor effectief vluchten is overgave nodig, maar de overgave van liefde, huwelijk of seks, waarin een mens zou kunnen verdwijnen, is voor de schrijver te angstaanjagend en te weerzinwekkend. Dus blijft hij thuis in de veiligheid van zijn ouderlijk huis en het joodse getto: plaatsen die juist zo veilig zijn omdat hij zeker weet dat hij er voorgoed doodongelukkig zal blijven. Terwijl je dat van de buitenwereld nog maar moet afwachten.”


Maxim Februari (Coevorden, 23 februari 1963)
Franz Kafka door Andy Warhol, 1980

  

De Duitse schrijver, dichter en cabaretier Erich Kästner werd geboren in Dresden op 23 februari 1899. Zie ook alle tags voor Erich Kästner op dit blog.

Der April

Der Regen klimpert mit einem Finger
die grüne Ostermelodie.
Das Jahr wird älter und täglich jünger.
O Widerspruch voll Harmonie!

Der Mond in seiner goldnen Jacke
versteckt sich hinter dem Wolken-Store.
Der Ärmste hat links eine dicke Backe
und kommt sich ein bisschen lächerlich vor.
Auch diesmal ist es dem März geglückt:
er hat ihn in den April geschickt.
Und schon hoppeln die Hasen,
mit Pinseln und Tuben
und schnuppernden Nasen,
aus Höhlen und Gruben
durch Gärten und Straßen
und über den Rasen
in Ställe und Stuben.

Dort legen sie Eier, als ob’s gar nichts wäre,
aus Nougat, Krokant und Marzipan.
Der Tapferste legt eine Bonbonniere,
er blickt dabei entschlossen ins Leere –
Bonbonnieren sind leichter gesagt als getan!

Dann geht es ans Malen. Das dauert Stunden.
Dann werden noch seidene Schleifen gebunden.
Und Verstecke gesucht. Und Verstecke gefunden:
Hinterm Ofen, unterm Sofa,
in der Wanduhr, auf dem Gang,
hinterm Schuppen, unterm Birnbaum,
in der Standuhr, auf dem Schrank.

Da kräht der Hahn den Morgen an!
Schwupp sind die Hasen verschwunden.
Ein Giebelfenster erglänzt im Gemäuer.
Am Gartentor lehnt und gähnt ein Mann.
Über die Hänge läuft grünes Feuer
die Büsche entlang und die Pappeln hinan.
Der Frühling, denkt er, kommt also auch heuer.
Er spürt nicht Wunder noch Abenteuer,
weil er sich nicht mehr wundern kann.

Liegt dort nicht ein kleiner Pinsel im Grase?
Auch das kommt dem Manne nicht seltsam vor.
Er merkt gar nicht, dass ihn der Osterhase
auf dem Heimweg verlor.


Erich Kästner (23 februari 1899 – 29 juli 1974)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Elisabeth Langgässer werd geboren op 23 februari 1899 in Alzey. Zie ook alle tags voor Elisabeth Langgässer op dit blog.

Rose im Oktober

Die Hacke schweigt.
Am Waldrand steigt
mit hellem Ton
ein Sagenroß
aus Avalon.
Was ist’s? Der Herbst verschoß
in seinem Kupferschloß
die sanfte Munition.

Die Eichel fällt
und fallend, schellt
entzwei am Grund
(o leichte Schlacht!)
in Pfeifchen und
Granate, nun gib acht,
wie Tag sich trennt und Nacht,
Frucht, Schale, Hauch und Mund.

Es knallt, es pocht,
und brausend, kocht
ein fernes Tal
der Beere Sud
und Mark zumal,
wie es ein Kessel tut,
wenn Windes Liebeswut
entfaltet sein Fanal.

Die Flamme singt.
Es überspringt
den eignen Ort
ihr zarter Laut
und zeugt sich fort.
Die Luft, wie aufgerauht,
gibt Echo ihm und baut
vielblättrig Wort um Wort.

Tief im Azur
– Kondwiramur
und Gral zugleich –
trägt, Rot in Blau,
nicht Geist, noch Fleisch,
die Rose ihren Bau
hoch über Feld und Au
ein in das Ätherreich.


Elisabeth Langgässer (23 februari 1899 – 25 juli 1950)
Cover biografie

 

De Engelse schrijver Samuel Pepys werd geboren op 23 februari 1633 in Londen. Zie ook alle tags voor Samuel Pepys op dit blog.

Uit: The Diary of Samuel Pepys

“April 30th 1664

All the news now is what will become of the Dutch business, whether war or peace. We all seem to desire it, as thinking ourselfs to have advantages at present over them; but for my part I dread it. The Parliament promises to assist the King with lives and fortunes. And he receives it with thanks, and promises to demand satisfaction of the Dutch.
My poor Lady Sandwich is fallen sick three days since of the Mezles.
Never more quiet in my family all the days of my life then now, there being only my wife and I and Besse and the little girl Susan; the best wenches, to our content, than we can ever expect.

May 31st 1664

I was told today that upon Sunday night late, being the King’s birthday – the King was at my Lady Castlemaine’s lodgings (over the hither-gate at Lambert’s lodgings) dancing with fiddlers all night almost, and all the world coming by taking notice of it – which I am sorry to hear.
The discourse of the town is only whether a war with Holland or no. And we are preparing for it all we can, which is but little.
Myself subject more than ordinary to pain by winde, which makes me very sad – together with the trouble which at present lies upon me in my father’s behalf, rising from the death of my brother – which are many and great. Would to God they were over.”


Samuel Pepys (23 februari 1633 – 26 mei 1703)
Cover Nederlandse uitgave

 

De Franse schrijver Henri Meilhac werd geboren op 23 februari 1831 in Parijs. Zie ook alle tags voor Henri Meilhac op dit blog.

Uit: La Belle Hélène

“Scène 3e. _____Les mêmes, Euthyclès.
CALCHAS.
Allons donc, Euthylès, allons donc … tu es en retard…
EUTHYCLĖS.C’est que j’ai été obligé de finir une besogne trèspressée … une commande du bouillant Achille.
CALCHAS Je sais … Je sais, une bottine cuirassée pour ce talonqui l’inquiète toujours.
Euthylès.Justement !
CALCHAS Il m’a parlé de cela, il était enchanté !
EUTHYCLĖS.Et puis, si vous croyez qu’il n’y avait pas d’ouvrage… il était dans un joli état votre tonnerre … Il fautque vous tapiez là-dessus comme un sourd.
CALCHAS.C’est Philocome qui tape ! Il tape dur et il a raison !Il faut frapper l’imagination des peuples ! Marche-t-il bien maintenant ?
Euthycles.Ecoutez plutôt ! (il agite le tonnerre)
EUTHYCLĖS. (se précipitant sur lui.)Veux-tu bien finir … Le peuple va croire que c’estJupiter … Il faut ménager ces effets-là !
EUTHYCLĖS.Pardon, je ne savais pas.
CALCHAS.Allons, la journée commence ! Voici venir la plusbelle moitié de Sparte, les pleureuses d’Adonisconduites par notre gracieuse souveraine …
EUTHYCLĖS.Ah ! ah ! c’est aujourd’hui l’anniversaire.
CALCHAS.Oui, c’est à pareil jour que Vénus courant au secoursd’Adonis, déchira ses petits pieds, et de son sangdivin fit la couleur des roses, blanches avant cetévénement. Cette légende est poétique … allons,Philocome, dépêchons-nous d’aller remettre letonnerre à sa place, il n’est que temps.(Euthyles et Philocome en emportant le tonnerre,l’agitent encore par mégard.”


Henri Meilhac (23 februari 1831 – 6 juli 1897)
Cover

 

De Duitstalige schrijver B. Traven werd (vermoedelijk op 23 februari) 1890 geboren. Zie ook alle tags voor B. Traven op dit blog.

Uit: Canasta de Cuentos Mexicanos (mexikanische Erzählungen)

„Sie sah den Papagei von seiner Schaukel fallen, und sie wußte, dass Juvencio ihn erschossen hatte.
›Hay no‹, sagte sie halblaut. ›Lächerlich.‹
Jetzt, als Don Juvencio die Katze anrief, sagte Donja Luisa laut zu ihm herüber: ›Warum rufst du denn nicht Anita, dass sie dir den Kaffee bringt?‹
›Wenn ich will, dass mir Anita den Kaffee bringen soll, dann rufe ich Anita, und wenn ich will, dass mir die Katze den Kaffee bringen soll, dann rufe ich die Katze.‹
›Meinetwegen‹, sagte darauf Donja Luisa, und sie rekelte sich wieder in ihrer Hängematte ein.
›He, Gato, hast du nicht gehört, was ich dir befohlen habe?‹ wiederholte Don Juvencio seine Anordnung.
Die Katze schlief weiter, in dem sichern Bewußtsein, dass sie, wie alle Katzen, solange es Menschen gibt, ein verbrieftes Anrecht darauf habe, ihren Lebensunterhalt vorgesetzt zu bekommen, ohne irgendeine Verpflichtung zu haben, sich dafür durch Arbeit erkenntlich zu zeigen; denn selbst wenn sie sich doch so weit herablassen sollte, gelegentlich eine Maus zu erjagen, so tut sie es nicht, um den Menschen eine Gefälligkeit zu erweisen, sondern sie tut es, weil ja schließlich selbst eine Katze ein Recht darauf hat, hin und wieder einmal ein Vergnügen zu genießen, das im gewöhnlichen Wochenprogramm nicht vorgesehen ist.
Don Juvencio aber dachte anders über die Pflichten einer Katze, die auf seiner Hacienda lebte. Als die Katze sich nicht regte, um dem Befehle nachzukommen und den Kaffee aus der Küche zu holen, hob er wieder den Revolver und schoß. Die Katze versuchte hochzuspringen, aber sie brach zusammen, rollte sich einmal über und war tot.
›Belario‹, rief Don Juvencio jetzt über den Hof.
›Si, Patron, estoy‹, rief der Bursche aus einem Winkel des Hofes hervor. ›Hier bin ich, was ist zu tun?‹
Als der Bursche auf der untersten Stufe der Treppe stand, mit dem Hute in der Hand, sagte Don Juvencio zu ihm: ›Binde das Pferd los und führe es herbei, hier dicht an die Stufen.‹
›Soll ich es auch gleich satteln?‹ fragte der Bursche.
›Ich werde dich dann rufen‹, antwortete Don Juvencio”


B. Traven (vermoedelijk 1890 – 26 maart 1969)
Scene uit de gelijknamige film uit 1956 op een Duitse promotiekaart

 

De Nederlandse schrijfster Amoene van Haersolte (eig. Ernestine Amoene Sophia van Haersolte-van Holthe tot Echten) werd geboren in Utrecht op 23 februari 1890. Zie ook alle tags voor Amoene van Haersolte op dit blog.

Uit: Een boek over het kloosterleven

“Monnikken zijn door de landen getogen in de Middeleeuwen, zwijgende monniken in donkere kappen en groote pijen, belangwekkend om de sagen en legenden die de vrome verbeelding aan hun levens verbindt, belangwekkend om meer dan dat.
Toenmaals waren de centra van beschaving de kloosters; van deze ging alle geestelijk leven uit. Waar elders volledige ongebondenheid heerschte, werd met de gebondenheid van het kloosterleven veel bereikt.
De geschiedenis van de kloosters welke zich over West-Europa verbreidden heeft ook voor andersdenkenden groote waarde. ‘Klosterleben im Deutschen Mittelalter’ heeft zeer zeker ook belang voor den Nederlandschen lezer. De landsgrenzen waren toen heel anders dan nu; ook stonden ze veel minder vast; zoo handelt een gedeelte van het boek over het bekende klooster Mariengaerde in Friesland en wordt van den heiligen Bonifacius uitvoerig verhaald. En dan, de monnik kent geen vaderland: in een klooster komen lieden uit alle landen der wereld te zamen en waardeeren elkander als broeders.
Hier is minder een volledige kloostergeschiedenis gegeven als wel fragmenten uit oude kronieken, brieven, kloosterregels enz., overgebracht in modern Duitsch.
Johannes Bühler verklaart:
‘Wir schreiben hier keine Geschichte der Orden, wir bringen nur Documente, welche manchen Einblick in diese Geschichte gestatten’.
Zoo heeft het boek gewonnen aan levendigheid, aan levensechtheid, maar het is vooral lezenswaard voor hen die in het middeleeuwsch kloosterwezen goed thuis zijn; voor anderen kan de veelheid der anecdoten verwarring stichten en ook de lengte van het werk een bezwaar zijn; de echte snuffelaars daarentegen zullen het boek oppervlakkig vinden en den wensch niet altijd kunnen onderdrukken dit alles liever in het origineele Oud-Duitsch te mogen lezen.
Toch een aardig boek, om veel levendige beschrijvingen, om veel cultuurhistorische bijzonderheden. Lezenswaard zijn de fragmenten uit de biographie van den heiligen Bonifacius door Willibald. Ieder Nederlandsch kind leert reeds op de lagere school van Bonifacius en hoe hij Thüringen, Hessen en vele andere landen heeft bekeerd en ten slotte in Friesland door lafhartigen moord aan zijn einde kwam.”

 
Amoene van Haersolte (23 februari 1890 – 1 augustus 1952)
Cover van het besproken boek

 

De Duitse schrijver David Kalisch werd geboren op 23 februari 1820 in Breslau. Zie ook alle tags voor David Kalisch op dit blog.

Uit: Paris und London

„Er fing jetzt an, die Biographie des großen Landmanns von Monsheim ausführlich zu erzählen, und da er solche gesunde Lungen hatte, daß er das Wutgeschrei der Lokomotive übertäubte, so hatte ich das Unglück, keines seiner Worte zu überhören. Der Mensch schrie mir fast Löcher in den Mantel und versicherte mir dabei, daß er mich sehr achte, sonst würde er sich gar nicht die Mühe geben, von dem Edelsten der Deutschen so viel mit mir zu sprechen.
Ich wußte nicht, was ich verschuldet, um die Achtung dieses Fanatikers zu verdienen; ich suchte indessen jedes Mittel der Grobheit auf, um sie zu verscherzen. Nichts aber half. Seine Zunge lief beständig Sturm auf meine wohlverschanzte Ungeduld.
In Brüssel angelangt, suchte ich ihm zu entfliehen und fühlte mich schon glücklich, als ich wieder in den Wagen einstieg, ohne eine Spur von ihm zu entdecken. Aber in dem Augenblicke, als der Zug abgehen sollte, kam er, ein Esel zwischen zwei Nachtsäcken, an den Wagen gekeucht und beteuerte mir, indem er einstieg und mir die Nachtsäcke vor die Füße warf, daß er einen viel bessern Platz hätte haben können, daß er aber, sogar mit Gefahr, zurückbleiben zu müssen, jeden Wagen untersucht, um mich ausfindig zu machen. Ich verfluchte im stillen dieses für mich so schmeichelhafte Unglück, und kaum war der Zug in Bewegung, so fing er, nämlich der Enthusiast, im Schweiße seines Angesichts wieder an, die alten Loblieder zu singen. So wenig kannte dieser Mensch den Zorn meiner Ohren, daß er mir vorschlug, in Paris, wo er schon häufig gewesen, mit ihm in einem und demselben Hotel zu wohnen. Er nannte mir das Hotel. Mehr wollte ich nicht wissen. Als wir daher in Paris anlangten, suchte ich, nachdem im Bahnhof die Zöllner Herz und Nieren meiner Koffer geprüft, dem Enthusiasten zu entwischen, nahm eine Droschke und fuhr einem Hotel zu, das wenigstens eine Viertelmeile von dem entfernt ist, das mir der furchtbare Gagern-Enthusiast genannt hatte.
Ich feierte meine Erlösung; ich war in Paris.“


David Kalisch (23 februari 1820 – 21 augustus 1872)
Breslau

 

De Franse dichter Josephin Soulary werd geboren op 23 februari 1815 in Lyon. Zie ook alle tags voor Josephin Soulary op dit blog.

Les ironies de la mort

Enfant mal accueilli, comme un fardeau qui gêne,
« O madame la Mort, disais-je, à mon secours ! »
Mais elle : — « Cher baby, j’aime à trancher des jours
Pleins d’azur ; j’attendrai que le ciel t’en amène. »

A vingt ans, rebuté par la beauté hautaine,
« Cette fois, c’en est fait, criai-je à l’autre, accours ! »
Mais elle : — « J’ai souci des cœurs pris à leur chaîne ;
J’attendrai que tu sois aimé de tes amours. »

Plus tard, nouveaux appels (je débutais poète) ;
Mais elle : — « Je fais cas d’un laurier sur la tête ;
J’attendrai qu’on t’imprime et que tes vers soient lus. »

Aujourd’hui, las de tout, je l’implore ; mais elle :
— « Non pas ! ton âme aspire à l’heure solennelle ;
J’attendrai pour venir que tu n’y songes plus. »

 
Josephin Soulary (23 februari 1815 – 28 maart 1891)
Borstbeeld in Lyon

Der November (Erich Kästner)

Dolce far niente

 

 
November Freshet door John Ottis Adams, 1897

 

Der November

Ach, dieser Monat trägt den Trauerflor …
Der Sturm ritt johlend durch das Land der Farben.
Die Wälder weinten. Und die Farben starben.
Nun sind die Tage grau wie nie zuvor.
Und der November trägt den Trauerflor.

Der Friedhof öffnete sein dunkles Tor.
Die letzten Kränze werden feilgeboten.
Die Lebenden besuchen ihre Toten.
In der Kapelle klagt ein Männerchor.
Und der November trägt den Trauerflor.

Was man besaß, weiß man, wenn man’s verlor.
Der Winter sitzt schon auf den kahlen Zweigen.
Es regnet, Freunde, und der Rest ist Schweigen.
Wer noch nicht starb, dem steht es noch bevor.
Und der November trägt den Trauerflor …

 


Erich Kästner (23 februari 1899 – 29 juli 1974)
Een nevelachtig Dresden, de geboorteplaats van Erich Kästner

 

Zie voor de schrijvers van de 3e november ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

 

September (Erich Kästner), Dolce far niente

Dolce far niente

 

 
Late Summer Landscape door James McDougal Hart, 1876

 

September

Das ist ein Abschied mit Standarten
aus Pflaumenblau und Apfelgrün.
Goldlack und Astern flaggt der Garten,
und tausend Königskerzen glühn.

Das ist ein Abschied mit Posaunen,
mit Erntedank und Bauernball.
Kuhglockenläutend ziehn die braunen
und bunten Herden in den Stall.

Das ist ein Abschied mit Gerüchen
aus einer fast vergessenen Welt.
Mus und Gelee kocht in den Küchen.
Kartoffelfeuer qualmt im Feld.

Das ist ein Abschied mit Getümmel,
mit Huhn am Spieß und Bier im Krug.
Luftschaukeln möchten in den Himmel.
Doch sind sie wohl nicht fromm genug.

Die Stare gehen auf die Reise.
Altweibersommer weht im Wind.
Das ist ein Abschied laut und leise.
Die Karussells drehn sich im Kreise.
Und was vorüber schien, beginnt.

 

 
Erich Kästner (23 februari 1899 – 29 juli 1974)
Dresden, de geboorteplaats van Erich Kästner

 

Zie voor de schrijvers van de 17e september ook mijn vorige blog van vandaag.

 

César Aira, Ljoedmila Oelitskaja, Robert Gray, Jef Geeraerts, Bernard Cornwell, Toon Kortooms, Erich Kästner, Sonya Hartnett, Maxim Februari

De Argentijnse schrijver en vertaler César Aira werd geboren op 23 februari 1949 in Coronel Pringles. Zie ook alle tags voor César Aira op dit blog.

Uit: Hoe ik een non werd (Vertaald door Adri Boon)

“Mijn vader had zich er zo op verheugd me blij te kunnen maken, en dat was zo ongewoon voor hem, een afstandelijke, driftige man zonder merkbare zachtaardige kanten, dat het niet aangrijpen van zo’n gelegenheid me misdadig leek. Even overwoog ik zelfs, hoe vreselijk de gedachte ook, het hele ijsje op te eten, alleen om hem een plezier te doen. Het was een kuipje, het kleinste, voor kleine kinderen, maar het kwam me voor als een ton.
Ik weet niet of mijn heldhaftigheid zoiets zou kunnen opbrengen maar ik kon die niet eens op de proef stellen. De eerste hap had mijn gezicht onwillekeurig van walging doen vertrekken, en dat kon hem onmogelijk zijn ontgaan. Het was haast een overdreven grimas, de fysiologische reactie gepaard gaande met een psychische component van teleurstelling, angst en de tragische droefenis zelfs wat dit soort genoegens betreft mijn vader niet te kunnen volgen. Pogen dat te verbergen zou dwaas zijn geweest; zelfs op dit moment zou het onmogelijk zijn, want die grimas is niet meer van mijn gezicht verdwenen.
‘Wat is er?’
In zijn toon school meteen al alles wat erna kwam.
In normale omstandigheden zouden tranen me hebben verhinderd hem antwoord te geven. Ik huilde altijd heel snel, zoals veel hypergevoelige kinderen. Maar een oprisping van die vreselijke smaak, die was weggegleden naar mijn keel en nu als een zweepslag terugkwam, bezorgde me een schok.
‘Gggh…’
‘Wat is er?’
‘Het is… vies.’
‘Het is wat?’
‘Vies!’ gilde ik wanhopig.
‘Vind je het ijsje niet lekker?’
Ik herinnerde me dat hij onderweg, naast andere dingen die aangename verwachtingen schiepen, had gezegd: ‘Ik ben benieuwd of je ijs lekker vindt.’ Uiteraard in de veronderstelling dat ik het lekker zou vinden. Welk kind vindt ijs nou niet lekker?”

 
César Aira (Coronel Pringles, 23 februari 1949)

Doorgaan met het lezen van “César Aira, Ljoedmila Oelitskaja, Robert Gray, Jef Geeraerts, Bernard Cornwell, Toon Kortooms, Erich Kästner, Sonya Hartnett, Maxim Februari”

César Aira, Ljoedmila Oelitskaja, Robert Gray, Jef Geeraerts, Bernard Cornwell, Toon Kortooms, Erich Kästner

De Argentijnse schrijver en vertaler César Aira werd geboren op 23 februari 1949 in Coronel Pringles. Zie ook alle tags voor César Aira op dit blog.

Uit: Hoe ik een non werd (Vertaald door Adri Boon)

“Mijn verhaal, het verhaal ‘hoe ik non werd’ begon al heel vroeg in mijn leven; ik was net zes geworden. Het begin is getekend door een levendige herinnering die ik tot in het kleinste detail kan reconstrueren. Daarvoor is er niets: daarna bleef alles zich aaneenrijgen in één enkele, lange ononderbroken herinnering, de onderbrekingen dat ik sliep inbegrepen, tot ik het klooster in ging.
We waren verhuisd naar Rosario. Mijn eerste zes jaar hadden wij – vader, moeder en ik – doorgebracht in een plaats in de provincie Buenos Aires, waarvan ik me niets herinner en waar ik nooit meer naar ben teruggekeerd: Coronel Pringles. De grote stad (want dat leek Rosario vergeleken met waar we vandaan kwamen) maakte diepe indruk op ons. Al na een paar dagen loste mijn vader een belofte in: met mij een ijsje gaan halen. Het zou voor mij het eerste ijsje zijn, want in Pringles bestonden ze niet. Hij, die in zijn jeugd steden had gekend, had meerdere malen de loftrompet gestoken over die traktatie, waaraan hij terugdacht als iets verrukkelijks en feestelijks, al kon hij de bekoring ervan niet onder woorden brengen. Hij had me er een heel accurate beschrijving van gegeven, als iets onvoorstelbaars voor een niet-ingewijde, en dat was voldoende volstond om ijs in mijn kinderlijke geest wortel te laten schieten, zo te laten groeien dat het een mythische omvang kreeg.
We liepen naar een ijssalon die we de vorige dag hadden gezien en gingen naar binnen. Hij bestelde een ijsje van vijftig centavo, met pistache, toffee en kumquat whisky, en voor mij een van tien centavo, met aardbeiensmaak. De roze kleur vond ik prachtig. Mijn dag kon niet meer stuk. Ik aanbad mijn vader, vereerde alles wat hij deed. We gingen op een bank zitten onder de bomen die destijds in het centrum van Rosario stonden: platanen. Ik keek toe hoe mijn vader het deed in een mum van tijd het groene bolletje had verorberd, nam toen uiterst voorzichtig een lepeltje ijs en stak het in mijn mond.
Zodra het eerste laagje op mijn tong smolt, begon ik me al ziek van ellende te voelen. Zoiets smerigs had ik nog nooit geproefd. Ik was nogal een moeilijke eter en de komedie van walging kende geen geheimen voor mij, maar dit overtrof alles wat ik ooit had meegemaakt; mijn grootste overdrijvingen, inclusief die welke ik mezelf nog nooit had toegestaan, waren ineens meer dan gerechtvaardigd. Heel even overwoog ik te doen alsof ik het lekker vond.”

 
César Aira (Coronel Pringles, 23 februari 1949)

Doorgaan met het lezen van “César Aira, Ljoedmila Oelitskaja, Robert Gray, Jef Geeraerts, Bernard Cornwell, Toon Kortooms, Erich Kästner”

Ljoedmila Oelitskaja, Robert Gray, César Aira, Sonya Hartnett, Maxim Februari, Toon Kortooms, Erich Kästner

De Russische schrijfster Ljoedmila Jevgenjevna Oelitskaja werd geboren in Davlenkanovo, Basjkirostan, op 23 februari 1943. Zie ook alle tags voor Ljoedmila Oelitskaja op dit blog.

Uit: Een Russische geschiedenis (Vertaald door Arie van der Ent)

“Tamara zat voor een bord met een spiegelei en at terwijl ze haar droom nog afkeek.
Haar moeder Raïsa Iljinitsjna haalde zo teder ze kon de kam met de spaarzame tanden door haar haar en deed haar best het levende vilt zo veel mogelijk te ontzien.
De radio braakte plechtige muziek uit, maar niet te hard: oma lag te slapen achter het scherm. Toen zweeg de muziek. De pauze was te lang en niet zomaar, zo leek. Daarna weerklonk de stem die iedereen kende: ‘Attentie! Dit is Radio Moskou. Alle radiostations van de Sovjet-Unie zijn in de lucht. Dit is een mededeling van de overheid …’
De kam verstarde in Tamara’s haar, zelf was ze mete en klaarwakker, schrokte haar gebakken ei op en zei met hese ochtendstem: ‘Mam, vast een of andere stomme verkoudheid en dan meteen het hele land …’
Ze kreeg geen tijd haar zin af te maken, omdat Raïsa Iljinitsjna opeens met alle kracht een ruk aan de kam  gaf, Tamara’s hoofd abrupt achteroversloeg en haar tanden op elkaar klapten.
‘Hou je mond’, siste Raïsa met verstikte stem.
In de deuropening stond oma in haar kamerjas, zo oud als de Chinese Muur. Ze hoorde het radiobericht stralend aan en zei: ‘Rajetsjka, koop jij iets lekkers bij Jelesejev. Het is vandaag trouwens Poerim. Ik geloof echt dat Samech de pijp uit is.’
Tamara wist toen niet wat Poerim was, waarom er iets lekkers gekocht moest worden, laat staan wie Samech was, die de pijp uit was. Hoe had ze ook moeten weten dat Stalin en Lenin uit veiligheidsoverwegingen in hun familie sinds jaar en dag bij de eerste letter van hun partijnaam werden genoemd, de s en de l, en dan in een geheimzinnige oeroude taal: ‘samech’ en ‘labed’.”

 
Ljoedmila Oelitskaja (Davlenkanovo, 23 februari 1943)

Doorgaan met het lezen van “Ljoedmila Oelitskaja, Robert Gray, César Aira, Sonya Hartnett, Maxim Februari, Toon Kortooms, Erich Kästner”

Erich Kästner, Bernard Dewulf, Tijs Goldschmidt

Dolce far niente

 

 
Daken in de sneeuw door Gustave Caillebotte, 1875

 

Der Januar     

Das Jahr ist klein und liegt noch in der Wiege.
Der Weihnachtsmann ging heim in seinen Wald.
Doch riecht es noch nach Krapfen auf der Stiege.
Das Jahr ist klein und liegt noch in der Wiege.
Man steht am Fenster und wird langsam alt.

Die Amseln frieren.
Und die Krähen darben.
Und auch der Mensch hat seine liebe Not.
Die leeren Felder sehnen sich nach Garben.
Die Welt ist schwarz und weiß und ohne Farben.
Und wär so gerne gelb und blau und rot.

Umringt von Kindern wie der Rattenfänger,
tanzt auf dem Eise stolz der Januar.
Der Bussard zieht die Kreise eng und enger.
Es heißt, die Tage würden wieder länger.
Man merkt es nicht. Und es ist trotzdem wahr.

Die Wolken bringen Schnee aus fremden Ländern.
Und niemand hält sie auf und fordert Zoll.
Silvester hörte man’s auf allen Sendern,
dass sich auch unterm Himmel manches ändern
und, außer uns, viel besser werden soll.

Das Jahr ist klein und liegt noch in der Wiege.
Und ist doch hunderttausend Jahre alt.
Es träumt von Frieden. Oder träumt’s vom Kriege?
Das Jahr ist klein und liegt noch in der Wiege.
Und stirbt in einem Jahr. Und das ist bald.

 

 
Erich Kästner (23 februari 1899 – 29 juli 1974)
Buste door de beeldhouwer Frayber, 1958

Doorgaan met het lezen van “Erich Kästner, Bernard Dewulf, Tijs Goldschmidt”

Erich Kästner, Jef Geeraerts, Bernard Cornwell, Elisabeth Langgässer, Samuel Pepys

De Duitse schrijver, dichter en cabaretier Erich Kästner werd geboren in Dresden op 23 februari 1899. Zie ook alle tags voor Erich Kästner op dit blog.

Nachtgesang des Kammervirtuosen

Du meine Neunte letzte Sinfonie!
Wenn du das Hemd anhast mit rosa Streifen …
Komm wie ein Cello zwischen meine Knie,
und laß mich zart in deine Seiten greifen!

Laß mich in deinen Partituren blättern.
(Sie sind voll Händel, Graun und Tremolo.)
Ich möchte dich in alle Winde schmettern,
du meiner Sehnsucht dreigestrichnes Oh!

Komm, laß uns durch Oktavengänge schreiten!
(Das Furioso, bitte, noch einmal!)
Darf ich dich mit der linken Hand begleiten?
Doch bei Crescendo etwas mehr Pedal!

Oh deine Klangfigur! Oh die Akkorde!
Und der Synkopen rhythmischer Kontrast!
Nun senkst du deine Lider ohne Worte . . .
Sag einen Ton, falls du noch Töne hast!

 

Niedere Mathematik

Ist die Bosheit häufiger
oder die Dummheit geläufiger?
Mir sagte ein Kenner
menschlicher Fehler
folgenden Spruch:
“Das eine ist ein Zähler
das andere ein Nenner,
das Ganze – ein Bruch!”

 
Erich Kästner (23 februari 1899 – 29 juli 1974)
Als jongen op de muur van Villa Augustin (Kästner museum), Dresden 

Doorgaan met het lezen van “Erich Kästner, Jef Geeraerts, Bernard Cornwell, Elisabeth Langgässer, Samuel Pepys”

Jef Geeraerts, Erich Kästner, Bernard Cornwell, Elisabeth Langgässer, Samuel Pepys

De Vlaamse schrijver Jef Geeraerts werd geboren op 23 februari 1930 in Antwerpen. Zie ook alle tags voor Jef Geeraerts op dit blog.

 

Uit: Le Récit de Matsombo (Vertaald door Marie Hooghe)

« J’étais assis dans un de ces fauteuils bas en rotin à la terrasse du Dolar, sans doute le plus fréquenté des bars de Madrid, et buvais un gin-tonic. »

(…)

« “En fait, c’est une longue histoire, docteur, qui commence pendant ces tristes jours de juillet 1960 – nom de Dieu ça fait vraiment déjà quatre ans ? – quand votre collègue Werther a été évacué en toute hâte de Bumba. Pour une raison qui n’en valait même pas la peine d’après moi. Enfin soit, c’était à lui d’en décider et un de mes rares principes est : ne te mêle jamais de la vie privée des autres. »

(…)

« Je dois dire que c’était une justice relativement primitive : les pauvres contre les profiteurs. Une justice basée sur la jalousie et l’envie. Les profiteurs étaient en minorité, ils devaient donc payer les pots cassés. La populace régnait. Les cadavres s’entassaient pêle-mêle contre le mur de la prison. Une puanteur épouvantable. A vous donner la nausée. Parfois, on n’arrivait plus à rien avaler. Un proverbe indigène dit : “L’endroit où pourrit l’éléphant, on le sent de loin.” Simplement ré-pu-gnant. »

 

Jef Geeraerts (Antwerpen, 23 februari 1930)

Hier met acteur Blerim Destani

Doorgaan met het lezen van “Jef Geeraerts, Erich Kästner, Bernard Cornwell, Elisabeth Langgässer, Samuel Pepys”