Pavane For The New Year (Elder Olson), W. S. Merwin, Ernest van der Kwast

 

Alle bezoekers en mede-bloggers een gelukkig Nieuwjaar!

 

Een dorpsstraat in de winter door Alfred Sisley, 1893

 

Pavane For The New Year

Soul, plucking the many strings
Of my limbs like puppet’s, make them dance,
Dance, dance, in sombre joy,
That after all the sullen play
The old world falls, the new world forms.

A thought like music takes us now,
So like, that every soul must move,
Move in a most stately measure,
And souls and bodies tread in time
Till all the trembling towers fall down.

And now the stones arise again
Till all the world is built anew
And now in one accord like rhyme,
And we who wound the midnight clock
Hear the clock of morning chime.

 

Elder Olson (9 maart 1909 – 25 juli 1992)
Chicago in eindejaarssfeer. Elder Olson werd geboren in Chicago.

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en vertaler William Stanley Merwin werd geboren in New York op 30 september 1927.

 

Aan het nieuwe jaar

Met wat voor stilte je tenslotte
verschijnt in de vallei
en je eerste zonlicht naar beneden valt
om de toppen van een paar hoge bladeren
aan te raken die zich niet verroeren
alsof ze het niet hadden gemerkt
en je helemaal niet kenden
dan roept de stem van een duif
van ver weg op zichzelf
tot de stilte van de ochtend

dus dit is het geluid van jou
hier en nu of al dan niet
iedereen het hoort, dit is
waar we zijn gekomen met onze leeftijd
onze kennis zoals die is
en onze verwachtingen zoals die zijn
onzichtbaar voor ons
onaangeroerd en nog steeds mogelijk

 

Vertaald door Frans Roumen

 

W. S. Merwin (30 september 1927 – 15 maart 2019)

 

De Nederlandse schrijver Ernest van der Kwast werd geboren in Bombay, India, op 1 januari 1981. Zie ook alle tags voor Ernest van der Kwast op dit blog.

Uit: Het wonder dat niet omvalt

“Met een fiets word je actieradius groter,’ vertelt Tatjana, ‘en daarmee ook de kans op een baan, bijvoorbeeld in de thuiszorg.’ De lessen worden daarom betaald door de sociale dienst. Mensen zonder uitkering zijn tien euro per maand kwijt, ‘maar daar krijg je wel acht lessen voor,’ zegt de fietsjuf.
Ze werft haar cursisten in de hele stad en gaat met flyers rond, die ze in winkels, moskeeën en slagerijen neerlegt. Zelfs het centrum voor besnijdenis gaat ze langs. Overal wordt de blonde fietsjuf met enthousiasme verwelkomd. ‘Op de Zwart Janstraat kent ieder- een mij,’ zegt ze. Het is de drukke winkelstraat waar de vrouwen aan het einde van de cursus doorheen moeten fietsen. De ultieme test. Daarna zijn ze klaar voor het examen, waarvoor sommige cursisten slapeloze nachten hebben. ‘Maar iedereen haalt het,’ zegt Tatjana trots.
Het diploma geeft de vrouwen vertrouwen, en zet aan tot meer. ‘Je ziet dat ze ook andere cursussen gaan doen, om een taal te leren of om met een computer te kunnen werken.’
Ik vraag of er nooit iets misgaat. ‘O, jawel hoor,’ antwoordt Tatjana. ‘Ze botsen geregeld op elkaar, of er valt weer een vrouw van haar fiets.’ Ze kijkt even naar haar kuikens die tegen de wind in trappen, wapperende haren en hoofddoekjes. ‘Het is eigenlijk een metafoor voor het leven,’ zegt ze. ‘Vallen, opstaan en weer doorgaan.’ De vreselijkste verhalen komen haar ter ore, van vrouwen uit oorlogsgebieden die al- les hebben moeten achterlaten. ‘Ze zijn ontzettend sterk en hebben soms zeven kindjes,’ zegt Tatjana. ‘Ze moesten trouwen met een of ander fossiel uit de familie, maar ze hebben de kracht om van hem te scheiden en langzaamaan te emanciperen, om te leren fietsen.’
Er wordt gelukkig ook veel gelachen. Voor de mees- te vrouwen is de fietsles een uitje. Ze brengen cakejes mee en laten elkaar zien hoe er in hun land wordt ge- danst. ‘Sommige vrouwen balen zelfs als ze geslaagd zijn.’ Niet voor niets wordt de fietsjuf met enige regel- maat bijna doodgeknuffeld op straat. Het zijn vrouwen die nu hun kinderen op de fiets naar school bren- gen of met hun man langs de Rotte kunnen fietsen.
‘Iedereen kan het leren,’ zegt Tatjana. ‘Dik, dun, Turks, Ghanees, jong en oud.’ Zo had ze vorig jaar een Nederlandse vrouw van 64 in haar groep en geeft ze sinds kort fietsles aan een jongetje met het syndroom van Down. Ook heeft inmiddels de eerste man bij Tatjana een diploma behaald.
Fietsen zijn duur en niet iedereen heeft geld om er een aan te schaffen en dus helpt ze soms ook met het zoeken naar een tweewieler. Maar daarna moeten ze zelf de wijde wereld in, de kuikens van Tatjana Wechgelaar.”

 

Ernest van der Kwast (Bombay, 1 januari 1981)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e januari ook mijn vier blogberichten van 1 januari 2019.

Elder Olson

De Amerikaanse dichter, leraar en literatuurcriticus. Elder James Olson werd geboren op 9 maart 1909 in Chicago, Illinois. Hij bezocht de Carl Schurz High School. Als undergraduate aan de Universiteit van Chicago publiceerde hij een dichtbundel. Daarna publiceerde hij tijdens zijn carrière meerdere dichtbundels en literaire kritiek, waarvoor hij meerdere onderscheidingen ontving. Nadat hij in 1934 afstudeerde met een BA, behaalde hij in 1935 een MA aan de University of Chicago. In hetzelfde jaar ontving hij een Friends of Literature award. In 1937 trouwde hij met Ann Elisabeth Jones en het echtpaar zou twee kinderen krijgen (Ann en Elder). Hij behaalde inn 1938 een Ph.D. aan de Universiteit van Chicago met het proefschrift, General Prosody, Rhythmis, Metric, Harmonic. Hij werd een van de oprichters en leidende figuren van de zogenaamde “Chicago School” van literaire kritiek. In 1942 begon hij les te geven aan de Universiteit van Chicago als assistent-professor bij de afdeling Engels. Hij scheidde van Ann Elisabeth Jones en trouwde in 1948 met Geraldine Louise Hays, en ze zouden kinderen Olivia en Shelley krijgen. In 1955 ontving hij de Poetry Society of America Chap-book Award. Hij werd hoogleraar in 1955 en werd in 1973 benoemd tot Emeritus Distinguished Service Professor in Engels. Tijdens zijn carrière reisde hij verschillende keren naar het buitenland als gasthoogleraar, maar hij bleef tot zijn pensionering in 1977 lid van de universitaire faculteit.

The Russian Doll

Six inches tall, the Russian doll
stands like a wooden bowling pin.
The red babushka on her painted head
melts into her shawl and scarlet
peasant dress, and spreading over that,
the creamy lacquer of her apron.
A hairline crack fractures the equator
of her copious belly,
that when twisted and pulled apart,
reveals a second doll inside,
exactly like her, but smaller,
with a blue babushka and matching dress,
and the identical crack circling her middle.

Did Faberge’ fashion a doll like her
for a czar’s daughter? Hers would be
more elaborate, of course, and not a toy-
emerald eyes, twenty-four carat hair,
and with filigreed petticoats
like a chanterelle’s gills blown inside out.
An almost invisible fault line
would undermine her waist,
and a platinum button that springs her body open.

Now I have two dolls: mother and daughter.
Inside the daughter, a third doll is waiting.
She has the same face,
the same figure,
the same fault she can’t seem to correct.
Inside her solitary shell
where her duplicate selves are breathing,
she can’t be sure
whose heart is beating, whose ears
are hearing her own heart beat.

Each doll breaks into
a northern and a southern hemisphere.
I line them up in descending order,
careful to match each womb
with the proper head – a clean split,
for once, between the body and the mind.
A fourth head rises over the rim
of the third doll’s waist,
an egg cup in which her descendants grow
in concentric circles.

Until last, at last, the two littlest dolls,
too wobbly to stand upright,
are cradled in her cavity as if waiting to be born.
Like two dried beans, they rattle inside her,
twin faces painted in cruder detail,
bearing the family resemblance
and the same unmistakable design.

The line of succession stops here.
I can pluck them from her belly like a surgeon,
thus making the choice between fullness
and emptiness; the way our planet, itself,
is rooted in repetitions, formal reductions,
the whole and its fraction.
Generations of women emptying themselves
like one-celled animals; each reproducing,
apparently, without a mate.

I thought the first, the largest, doll
contained nothing but herself,
but I was wrong.
I assumed that she was young
because I could not read her face.
Is she the oldest in this matriarchy –
holding withing her hollow each daughter’s
daughter? Or, the youngest –
carrying the embryo of the old woman
she will become? Is she an onion
all the way through? Maybe,
like memory shedding its skin,
she remembers all the way back to when

her body broke open for the first time,
to the child of twelve who fits inside her still;
who has yet to discover that self,
always hidden, who grows and shrinks,
who multiplies and divides.

 

Elder Olson (9 maart 1909 – 25 juli 1992)