Frank Norbert Rieter, Anna Enquist, Laurent Binet, Ghayath Almadhoun, Jean-Pierre Faye, Lucas Malan, Dom Moraes, Gottfried Keller, Dolce far niente

Dolce far niente – Bij de Nijmeegse Vierdaagse

 

Vierdaagse intocht Via Gladiola door Ingrid Claessen, 2013


Geen gedicht

Ik wilde de vierdaagse vangen
het wandelen grijpen in een vers
De ziel beschrijven van de feesten
zonder de woorden bier en blaren
te gebruiken, dat ik kon schrijven
van de mensen, al de dagen en het ritme
van de tocht, zonder herrie of gedruis
dat wat zou blijven, de ervaring
van die tocht naar alle windstreken
en het bewegen door de straten
als het stromen van de Waal
ik kreeg blaren op mijn vingers
door het schrappen en het strepen
vond geen woorden voor de mars,
noch voor het zingen langs de lanen
of het verkoeveren in de luwte van de brug
de zon looide mijn lege hoofd
bier verkoelde mijn ingewanden
de feesten masseerden mijn gemoed
na vier dagen legde ik mijn pen neer
en kocht voor mijzelf een gladiool

 

Frank Norbert Rieter (Nijmegen, 16 juni 1973)
De intocht van de Vierdaagse in Nijmegen


De Nederlandse dichteres en schrijfster Anna Enquist werd geboren op 19 juli 1945 in Amsterdam als Christa Boer. Zie ook alle tags voor Anna Enquist op dit blog.

Uit: Want de avond

“Niets blijft hetzelfde, denkt Jochem terwijl hij langzaam om zijn as draait en zijn blik over het nieuwe atelier laat gaan. Alles verandert, hoe je je ook inspant om de oude situatie in stand te houden. Ik heb ramen, al verberg ik ze achter de elegante lamellen van de modieuze zonwering, zodat ik me in het half ondergrondse hok kan wanen waar ik me thuis voelde. Ik heb witgesausde muren, onbekraste planken, roestvrijstalen werkbladen en keurige kasten met schuifdeuren. Daar vecht ik tegen, gewapend met de troep die ik heb meegenomen: bemorste lijmpannen met aangekoekte strepen, beitels met versleten handgrepen, stokoude mallen en vieze lappen. Om het nieuwe teniet te doen leg ik het oude overal neer. Maar hetzelfde is het niet. De zoldering is hoger, de tl-buizen zijn feller. Boven de werkbank hangt een beweegbare operatielamp. In de lade, die nog net zo moeizaam opengaat als vroeger, liggen de tandartsspiegeltjes en de haken om de f-gaten mee binnen te komen tussen smerige penselen en brokjes hars.
Het atelier heeft een L-vorm en aan het einde van de korte poot lijkt het wel een huisje. Een aanrecht met elektrische plaatjes en een koffiemachine, wc en douche achter een ondoorzichtige glazen wand. Een bank waarop je zou kunnen slapen, een keukentafel met gebruikte kopjes en een suikerpot. Het huiselijke gedeelte is van het atelier gescheiden door een hoge kast. Aan de keukenkant is die volgestouwd met vaatwerk, opgevouwen handdoeken en kleding. Aan de werkzijde zijn de planken gevuld met glazen potten om lak in te bewaren, met tijdschriften over vioolbouw in verschillende talen en met dozen vol noodzakelijke prullen en spullen: sourdines, kammen, snaren, stemknoppen, schoudersteunen. Het ziet er al lekker vol uit, ziet hij met tevredenheid.
Hij knipt de operatielamp aan en kijkt naar een viool die in een wiegje van schuimrubber op de werkbank ligt. Wat is er met je, mag ik even naar je kijken? Hij is een vriendelijke kinderarts. Niet bang zijn, het doet geen pijn en het licht is alleen maar fel om beter te kunnen zien. Voorzichtig tokkelt hij met zijn duim de snaren aan, een voor een. Goed zo. Op de ene schouder van het instrument is de lak weggesleten. De kam staat niet goed recht en ziet eruit of hij zomaar kan omklappen.”

Anna Enquist (Amsterdam, 19 juli 1945)


De Franse schrijver Laurent Binet werd geboren in Parijs op 19 juli 1972. Zie ook alle tags voor Laurent Binet op dit blog.

Uit:De zevende functie van taal (Vertaald door Liesbeth van Nes)

“In de Flore zien ze een blond vrouwtje naast een man zitten die loenst achter dikke brillenglazen en nogal ziekelijk oogt, zijn kikkerhoofd zegt Bayard wel iets, maar voor hem zijn ze niet gekomen. Bayard ontdekt mannen van onder de dertig en spreekt hen aan. Het zijn voor het grootste deel gigolo’s die hier iemand proberen op te pikken. Kenden ze Barthes? Allemaal. Bayard ondervraagt hen een voor een terwijl Simon Herzog Sartre vanuit zijn ooghoeken in de gaten houdt: hij ziet er helemaal niet gezond uit en blijft maar hoesten, terwijl hij trekjes van zijn sigaret neemt. Françoise Sagan klopt hem bezorgd op zijn rug. Een jonge Marokkaan is de laatste die Barthes heeft gezien, op het moment dat de grote criticus in onderhandeling was met een nieuweling, zijn naam kent hij niet, maar ze zijn met zijn tweeën vertrokken, hij weet niet wat ze hebben gedaan, waar ze naartoe zijn gegaan of waar hij woont, maar waar hij die avond te vinden is weet hij wel: in Bains Diderot, een sauna bij het Gare de Lyon. ‘Een sauna?’ zegt Simon Herzog verbaasd, als er een fanaticus met een sjaal binnenkomt en tegen niemand in het bijzonder begint te roepen: ‘Kijk nou toch eens naar die koppen! Die hebben niet lang meer te gaan! Luister goed, een burger moet regeren of sterven, en zo is het! Drink! Drink uw Fernet op de gezondheid van uw maatschappij! Profiteer, profiteer! Verjaag! Takel af! Leve Bokassa!’ Een paar gesprekken vallen stil, de stamgasten bekijken de nieuwkomer met een droefgeestige blik, de toeristen proberen te genieten van de attractie zonder goed te begrijpen wat die precies inhoudt, maar de obers blijven drankjes serveren alsof er niets aan de hand is. Overdreven theatraal met zijn arm zwaaiend richt de profeet met de sjaal zich tot een imaginaire persoon en roept zegevierend uit: ‘Het is niet de moeite om te rennen, kameraad, de oude wereld ligt vlak voor je!’
Bayard vraagt wie dat is, de gigolo zegt dat het Jean-Edern Hallier is, een soort aristocratische schrijver die vaak herrie trapt en beweert dat hij minister wordt als Mitterrand volgend jaar wint. Bayard merkt de omgedraaide v van de mond op, de schitterende blauwe ogen, het voor aristocraten of mensen uit de hogere burgerij typische accent, dat grenst aan een spraakgebrek. Hij gaat verder met de ondervraging: wat is dat voor iemand, die nieuweling? De jonge Marokkaan beschrijft een Arabier met een zuidelijk accent, een oorringetje en haar dat in zijn gezicht hangt. Nog steeds luidkeels geeft Jean-Edern hoog op van de verdiensten van de ecologie, de euthanasie, de piratenzenders en de Metamorphosen van Ovidius, van de hak op de tak. Simon Herzog kijkt naar Sartre die naar Jean-Edern kijkt. Als Jean-Edern merkt dat Sartre daar zit, gaat er een huivering door hem heen. Sartre staart peinzend naar hem. Als een simultaantolk fluistert Françoise Sagan in zijn oor.”

Laurent Binet (Parijs, 19 juli 1972)


De Zweeds – Palestijnse dichter, toneelschrijver, journalist en literair criticus Ghayath Almadhoun werd geboren op 19 juli 1979 in Damascus. Zie ook alle tags voor Ghayath Almadhoun op dit blog.

How I became…

Her grief fell from the balcony and broke into pieces, so she needed a new grief. When I went with her to the market the prices were unreal, so I advised her to buy a used grief. We found one in excellent condition although it was a bit big. As the vendor told us, it belonged to a young poet who had killed himself the previous summer. She liked this grief so we decided to take it. We argued with the vendor over the price and he said he’d give us an angst dating from the sixties as a free gift if we bought the grief. We agreed, and I was happy with this unexpected angst. She sensed this and said ‘It’s yours’. I took it and put it in my bag and we went off. In the evening I remembered it and took it out of the bag and examined it closely. It was high quality and in excellent condition despite half a century of use. The vendor must have been unaware of its value otherwise he wouldn’t have given it to us in exchange for buying a young poet’s low quality grief. The thing that pleased me most about it was that it was existentialist angst, meticulously crafted and containing details of extraordinary subtlety and beauty. It must have belonged to an intellectual with encyclopedic knowledge or a former prisoner. I began to use it and insomnia became my constant companion. I became an enthusiastic supporter of peace negotiations and stopped visiting relatives. There were increasing numbers of memoirs in my bookshelves and I no longer voiced my opinion, except on rare occasions. Human beings became more precious to me than nations and I began to feel a general ennui, but what I noticed most was
that I had become a poet.

Vertaald door Catherine Cobham

Ghayath Almadhoun (Damascus, 19 juli 1979)


De Franse schrijver en filosoof Jean-Pierre Faye werd geboren in Parijs op 19 juli 1925. Zie ook alle tags voor Jean-Pierre Faye op dit blog.

Droit de suite

I
Où monte la crête de montagne
au-dessus des pentes, par
delà l’intervalle
la cassure pleine de son
drainant les échos
vers le soir de fumier et d’insectes et l’odeur de minerai
l’arête de parpaing effritée ou la longue mâchoire de poils
la chaleur lente d’animal le rouge rouillé de la plante
à ce point de soir et de terre, où
convergent les aines et les jambes

où se mêlent sens et son
le goût de fadeur et de fibre
les tiges à hauteur de ventre
le plomb du jour le ton de l’écoute
le gris des mains la mollesse des veines
le sang tombé dans le fond du poignet
la peau fermée et l’impasse des mains
la voix réunie la fonction de fer
le battement de l’artère saignée
le chaud d’aisselle le sel de l’étain
le métal vénéneux à ciel ouvert
la jambe ouverte l’eau de la langue

où ceci est noué et séparé
attaché et tiré

Ghayath Almadhoun (Damascus, 19 juli 1979)

 

De Zuidafrikaanse dichter Lucas Cornelis Malan werd geboren in Nylstroom op 19 juli 1946. Zie ook alle tags voor Lucas Malan op dit blog

Selfportret

Rembrandt van Rijn het hierdie genre vervolmaak.
Hy van die Jodenbreestraat wat só vaardig, keer
op keer vleiende protrette van die rykes kon maak,
het tegelyk sy slag daarmee op homself gekeer.

Soveel keer so het hy dit weergegee: die trotse figuur
van ‘n jonkheer wat swierig geklee staan en pronk;
sy mooi gelaat hooghartig voor dié wat hom begluur
in sy glansende verfgewaad. Skilderagtig jonk.

Vat nou enige van daardie veeltal as eksemplaar
en gaan kyk hoe dit met die laaste twee vergelyk:
Dié gee ons ‘n droewe ou man wat na aan trane lyk.
Daar is niks. Net verdigte verdriet wat na buite staar.

Kyk nou die eie albums deur. Let op die gesig, die lyf.
Hoe meesterlik word jý in die Rembrandt-styl herskryf.

 

Self-portait

This genre was perfected by Rembrandt van Rijn
of Jodenbree Street who so deftly drew
flattering portraits on canvas time and again,
firstly of the wealthy, then his own likeness too.

He painted so often that proud figure there
of a preening nobleman, clothes richly hung
on his haughty frame, eyes holding all who stare
at his lustrously rendered attire. Picturesquely young.

Now, as an example, take the final two,
comparing them with any one of those:
There find a pitiful old man so close
to tears. Just concentrated sorrow confronting you.

Page through your own albums now. Note the face and profile.
How masterfully you are recreated in the Rembrandt style.

 

Vertaald door Charl J.F. Cilliers & Lucas Malan

Lucas Malan (19 juli 1946 – 15 april 2010)


De Indiase dichter en schrijver Dominic Francis Moraes werd geboren op 19 juli 1938 in Bandra. Zie ook alle tags voor Dom Moreas op dit blog.

A Room by the Sea

Will, like the fingers of an empty glove.
A table weighed with silence like a parting.
The sea outside. And a shoe filled with nothing,
Looking for a foot that took its leave.

A fortress of restraint moved by two feet.
Almost books. And a glass without a use.
A bit of old air: two years, perhaps, since it
Refused to go out, and stayed here for always.

And suddenly a seawind feels me
As women feel the cloth in a store;
Is he good, will he wash well in the laundry?

Later I wove a flag of doubt once more.
I hung it up, and looked outside to find
How it clatters, moving in the wind.

 

Architecture

The architecture of an aunt
Made the child dream of cupolas,
Domes, other smoothly rounded shapes.
Geometries troubled his sleep.

The architecture of young women
Mildly obsessed the young man:
Its globosity, firmness, texture,
Lace cobwebs for adornment and support.

Miles from his aunt, the old child
Watched domes and cupolas defaced
In a hundred countries, as time passed.

A thousand kilometres of lace defiled,
And much gleaming and perfect architecture
Flaming in the fields with no visible support.

Dom Moraes (19 juli 1938 – 2 juni 2004)

 

De Zwitserse schrijver Gottfried Keller werd geboren in Zürich op 19 juli 1819. Zie ook alle tags voor Gottfried Keller op dit blog.

Wandl ich in dem Morgentau

Durch die dufterfüllte Au,
Muß ich schämen mich so sehr
Vor den Blümlein ringsumher!

Täublein auf dem Kirchendach,
Fischlein in dem Mühlenbach
Und das Schlänglein still im Kraut,
Alles fühlt und nennt sich Braut.

Apfelblüt im lichten Schein
Dünkt sich stolz ein Mütterlein;
Freudig stirbt so früh im Jahr
Schon das Papillonenpaar.

Gott, was hab ich denn getan,
Daß ich ohne Lenzgespan,
Ohne einen süßen Kuß
Ungeliebet sterben muß?

 

Nachtfalter

Ermattet von des Tages Not und Pein,
Die nur auf Wiedersehen von mir schied,
Sass ich und schrieb bei einer Kerze Schein,
Und schrieb ein wild und gottverleugnend Lied.
Doch draussen lag die klare Sommernacht,
Mild grüsst mein armes Licht der Mondenstrahl,
Und aller Sterne volle goldne Pracht
Schaut hoch herab auf mich vom blauen Saal.

Am offnen Fenster blühen dunkle Nelken
Vielleicht die letzte Nacht vor ihrem Welken.

Und wie ich schreib’ an meinem Höllenpsalter,
Die süsse Nacht im Zorne von mir weisend,
Da schwebt herein zu mir ein grauer Falter,
Mit blinder Hast der Kerze Docht umkreisend;
Wohl wie sein Schicksal flackerte das Licht,
Dann züngelt’ seine Flamme still empor
Und zog wie mit magnetischem Gewicht
Den leichten Vogel in sein Todestor.

Ich schaute lang und in beklommner Ruh,
Mit wunderlich neugierigen Gedanken
Des Falters unheilvollem Treiben zu.
Doch als zu nah der Flamme schon fast sanken
Die Flügel, fasst’ ich ihn mit schneller Hand,
Zu seiner Rettung innerlich gezwungen,
Und trug ihn weg. Hinaus ins dunkle Land
Hat er auf raschem Fittig sich geschwungen.

Ich aber hemmte meines Liedes Lauf
Und hob den Anfang bis auf weitres auf.

Gottfried Keller (19 juli 1819 – 15 juli 1890)
Zürich

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e juli ook mijn blog van 19 juli 2018 en mijn blog van 19 juli 2017 en ook mijn blog van 19 juli 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Sarah Josepha Hale, Anna Enquist, Laurent Binet, Ghayath Almadhoun, Jean-Pierre Faye, Lucas Malan, Dom Moraes, Miltos Sachtouris

Dolce far niente

 

Zomermorgen door Sergey Lutsenko, 2016

 

Summer Morning

How beautiful the morning,
When summer days are long;
O, we will rise betimes and hear
The wild-bird’s happy song–
For when the sun pours down his ray
The bird will cease to sing;
She’ll seek the cool and silent shade,
And sit with folded wing.

Up in the morning early–
‘Tis Nature’s gayest hour!
There’s pearls of dew upon the grass
And fragrance on the flower.
Up in the morning early,
And we will bound abroad,
And fill our hearts with melody,
And raise our songs to God.

 

Sarah Josepha Hale (24 oktober 1788 – 30 april 1879)
Newport, New Hampshire, de geboorteplaats van Sarah Josepha Hale

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anna Enquist werd geboren op 19 juli 1945 in Amsterdam als Christa Boer. Zie ook alle tags voor Anna Enquist op dit blog.

Mijn zoon

Mijn zoon stormt door het huis,
een roffel op de trap. Hij is
zichzelf een motor. Het lied
dat in hem leeft ontsnapt hem
soms. Ik hoor hem zingen
op de gang en zwijg.

’s Nachts is hij bang, hij twijfelt
aan zichzelf, aan ons, de wereld.
Ik neem hem in mijn arm
en zonder spreken vaag ik
de oorlog weg en kinderkanker,
mijn eigen dood, het monster van de tijd.

Ik lieg hem voor en red hem
tot wij beiden slapen in gestolen veiligheid.

 

Winterwerk

De sarabande spelen op de vrieskoude
deel. De uilen hebben het klavier onder-
gescheten. Stom staan de dingen
van de zomer om je heen, strohoed,
trompet. Omhoog die bovenstem, waar
vogels schuilen op de balk, en dan omlaag.

Vertraag het lied, houd in totdat bloed
stolt en adem stokt. Kan zij nu gaan?
Doorspelen. In de bas orgelt een toon
die alle tegenstemmen op zal zuigen.
Hollen of stilstaan – maakt niet uit,
je hamert hoorbaar op het einde aan.

Niet meer dan vilt op staal, lucht
die uittrilt tot stilte. Slechts een dag
in de gestage rij van dagen.

 

Conversatie met de kinderen

Aan tafel gaat het over
wreed. Dat je een lied zingt
waar de ander van moet huilen,
en dat je dat wéét, zeggen zij
zwaaiend met hun lepels. Zeker.

Of met een licht de trage
zwarte kreeften lokt. Jij
in de boot. De dieren spoeden
zich, kunnen niet anders doen
dan ijlen naar wat trillend
fonkelt achter raster dood.

Het ergste is de dolkstoot,
vinden zij. Dat iets geheels en
gaafs zo onverhoeds wordt aangetast
en voortaan niet meer zelf is
maar in binding met het wapen
dat zich toegang eist, en breekt, en krast.

Ontroerd, geobsedeerd, verwond
hoor ik hoe zij het wapentuig
van liefde argeloos als wreed
benoemen. Zonder aarzeling.
Boven de soep houd ik mijn mond.

(Schumann, Kinderszenen, opus 15)

Anna Enquist (Amsterdam, 19 juli 1945)

 

De Franse schrijver Laurent Binet werd geboren in Parijs op 19 juli 1972. Zie ook alle tags voor Laurent Binet op dit blog.

Uit: La septième fonction du langage

“Au Flore, à côté d’une petite bonne femme blonde, ils aperçoivent un homme qui louche derrière de grosses lunettes, il a l’air souffreteux et sa tête de grenouille dit vaguement quelque chose à Bayard, mais ce n’est pas pour lui qu’ils sont là. Bayard repère les hommes de moins de trente ans et va les aborder. La plupart sont des gigolos qui draguent dans le secteur. Est-ce qu’ils connaissaient Barthes ? Tous. Bayard les interroge un par un tandis que Simon Herzog surveille Sartre du coin de l’œil : il n’a pas l’air en forme du tout, il n’arrête pas de tousser en tirant sur sa cigarette. Françoise Sagan lui tapote le dos avec sollicitude. Le dernier à avoir vu Barthes est un jeune Marocain : le grand critique était en pourparler avec un nouveau, il ne connaît pas son nom, ils sont partis ensemble l’autre jour, il ne sait pas ce qu’ils ont fait ni où ils sont allés ni où il habite mais il sait où on peut le trouver, ce soir : aux Bains Diderot, c’est un sauna, à Gare de Lyon. « Un sauna ? » s’étonne Simon Herzog, quand surgit un énergumène en écharpe qui lance à la cantonade : « Regardez-moi ces gueules ! Elles n’en ont plus pour longtemps ! En vérité, je vous le dis : un bourgeois doit régner ou mourir ! Buvez ! Buvez votre Fernet à la santé de votre société ! Profitez, profitez ! Chassez ! Périclitez ! Vive Bokassa ! » Quelques conversations s’interrompent, les habitués observent le nouveau venu d’un œil morne, les touristes essaient de profiter de l’attraction sans bien comprendre de quoi il s’agit, mais les serveurs continuent à servir comme si de rien n’était. Son bras balaie la salle d’un geste théâtral outré et, s’adressant à un interlocuteur imaginaire, le prophète à écharpe s’exclame sur un ton victorieux : « Pas la peine de courir, camarade, le vieux monde est devant toi !
(…)

Quand Jacques Bayard arrive devant la chambre, il découvre une queue de plusieurs mètres dans le couloir. Tous attendent pour rendre visite à l’accidenté. Il y a des vieux bien habillés, des jeunes mal habillés, des vieux mal habillés, des jeunes bien habillés, des styles très variés, des cheveux longs et des cheveux courts, des individus de type maghrébin, plus d’hommes que de femmes. En attendant leur tour, ils discutent entre eux, parlent fort, s’engueulent ou lisent un livre, fument une cigarette. Bayard, qui n’a pas encore bien pris la mesure de la célébrité de Barthes, doit vraisemblablement se demander ce que c’est que ce bordel. Usant de ses prérogatives, il passe devant la queue, dit « Police » et entre dans la chambre.”

Laurent Binet (Parijs, 19 juli 1972)

 

De Zweeds – Palestijnse dichter, toneelschrijver, journalist en literair criticus Ghayath Almadhoun werd geboren op 19 juli 1979 in Damascus. Zie ook alle tags voor Ghayath Almadhoun op dit blog.

For Damascus

This summer seeping through the fractures
of Damascus is killing me. I creep like rust
on the doors of this prison, now turned
into a museum. I sit in a cafe
frightened and shrinking on days
when money is scarce, and laughing loudly
on days when my shifty pockets are full.
Damascus is my cracked home, and
Kasyon is what I grieve. I sprawl
in the evening like horns of cars
and carts of broad beans. Strangers and
tourists take to me. I am fenceless, any
joy that betrays me, returns
in sorrow to my laughing face. I
am a weird blend; my face mirrors
the wretched and the shopfront displays.
My body is fields of burning
wheat and my tongue scolds like a shoe.
The policeman, the teacher and
the mysterious man stare at me, so I sadly
laugh, and they joyfully cry. Damascus
is mine, and I will not share my bed with
anyone other than the wicked and
the whores. I am the descending ladder
to high pits and the footsteps of thieves
on the sand. My body is a departure
motel and my words are tiny gospels that
the prophets had lost, so the prodigal sons
embraced them. Therefore, I will toss the crumbs
to birds on barbed wire, and I will castrate
glory on asphalt. This is what they taught us
in public schools, before they let us off
like rabbits to chew the grass
of submission. I said to you that I will not
allow anyone to sneak in and peek at Damascus
as she bathes alone, her small
breasts timidly uncovered, I will not
let you
in.

Vertaald door Zeina Issa

Ghayath Almadhoun (Damascus, 19 juli 1979)


De Franse schrijver en filosoof Jean-Pierre Faye werd geboren in Parijs op 19 juli 1925. Zie ook alle tags voor Jean-Pierre Faye op dit blog.

Le visage qui va

Le visage qui va
voir, est aussi regardé
juste avant qu’il ne lève
les yeux au-devant, et ne soit traversé
– maintenant il est juste
moulé dans la lumière, modelé
du dehors, caressé
le long du cou, de la hanche
et des reins, jusqu’à la confluence
des jambes et du ventre
et jusqu’où il est ventre et corps
mais lève les yeux, ouvre
ce trou dans la distance, le long
des murs chauds ici, rouges
délabrés, marqués de joints écaillés
et jusqu’au fond et aux arbres
au chemin de son, passé et crissé
à peine prenable, ici
elle, confondue
peu à peu avec les murs
assise, fondue dans le ciment
et les grandes écailles tracées et détachées
écoutant longtemps et voyant
appuyée au revers de main, et
ne cessant pas de rester et d’être
durable et dessinée

Jean-Pierre Faye (Parijs, 19 July 1925)


De Zuidafrikaanse dichter Lucas Cornelis Malan werd geboren in Nylstroom op 19 juli 1946. Zie ook alle tags voor Lucas Malan op dit blog

In Camera 1

Ensconced in Duchess Court she managed to retain
some antique furniture and a precarious dignity:
and after fifty years as midwife also the knack
of charming people. Here she preserves photographs,
old journals and her pain in specific detail.
The Royal Albert tea service (picked out
at Anstey’s as a bride) she uses only
for teas such as this – and all the snacks I made myself.
Now, this is the lounge where we will have our tea.

But let me show you something at the back
– please excuse the mess round here, I am
a dressmaker too, you know – designer stuff –
the place gets terribly untidy; and then, of course
Lindy’s always underfoot. Sit down! Now sit!
She gets so worked up, you see. And this gate
I had installed for my security. But just take a look
out there: You can almost see eternity. Now,
have you ever seen a view like that?

This gown I made for Marguerite. She came
round here this morning – Miss South Africa of ’68.
Never married, do you know? And still
as beautiful, although she’s put on weight.
Poor girl. I wonder, though . . . Oh, never mind,
that’s, after all, the way things go. Now come,
let’s have some tea. Do you know this? Earl Grey,
which Gavin brings from London, always fresh.
He’s with SAA, a gentleman and very kind –

The sun is shifting, she makes more tea. We speak
of this and that: My husband died in ’83, how sad
for me who had no kith or kin. But then, you see,
the Lord provides: my tiny Lindy here
is like a child and always such a joy. But what
is to become of her if I – She speaks, and all the while
the light around us fades. It’s getting late,
she notes, but don’t go yet! You have to see
the view at night. I go along with her to look:

Like a sea the city lies, incandescently inflamed
in outgrowths round the core, the outskirts –
like a nocuous yellow flicker along the seam
dividing elite and deprived neighbourhoods:
a Milky Way torn off by gravity. This is a place
of people, of passion and loneliness. She looks:
You know what this reminds me of? I listen
and then leave. But embedded in that metaphor
(a cemetery alight) I see an old placenta
splayed out – black and terminal with blight.

 

Vertaald door Charl J.F. Cilliers en Lucas Malan

Lucas Malan (19 juli 1946 – 15 april 2010)
De NH kerk in Nylstroom


De Indiase dichter en schrijver Dominic Francis Moraes werd geboren op 19 juli 1938 in Bandra. Zie ook alle tags voor Dom Moreas op dit blog.

KANHERI CAVES

Over these blunted, these tormented hills,
Hawks hail and wheel, toboggan down the sky.
It seems this green ambiguous landscape tilts
And teeters the perspective of the eye.
Only two centuries after Christ, this cliff
Was colonised by a mild antique race
Who left us, like a faded photograph,
Their memories that dry up in this place.

They left no ghosts. The rock alone endures.
The drains and cisterns work, but wrecked the stairs;
Blocks are fallen: sunlight cracks those floors,
And fidgets in a courtyard where a pair
Of giant Buddhas smile and wait their crash.
Then temples, audience-halls, a lonely tomb.
I touch its side. The stone’s worn smooth as flesh.
A stranger dangles peaceful in that womb.

Worm he will be, if born: blink in the sun.
I’ll crawl into his dark; perhaps he’ll climb
Beyond the trippers to the final stone
Flat of the hillock, there to grow in Time.
Dry pubic ferns prickle the bitter sand.
Hawks in a hot concentric ecstasy
Of flight and shriek will wake his vision.
And When the clouds lift, he’ll glimpse the miles-off sea

Dom Moraes (19 juli 1938 – 2 juni 2004)

 

De Griekse dichter Miltos Sachtouris of Miltos Sahtouris werd geboren in Athene op 19 juli 1919. Zie ook alle tags voor Miltos Sachtouris op dit blog.

The Poet’s Head

I cut off my head
I put it on a plate
and took it to my doctor

— There’s nothing wrong, he said,
it’s just overheated
throw it in the river and we’ll see

I threw it in the river with the frogs
and it raised a dreadful racket
it started shrieking and howling
all kinds of strange songs

I picked it up and put it back on my neck

and roamed the streets in a rage

with a poet’s green hexagonometric head

 

For Spring

The sun is green
the trees are burning
awaiting the swallows
our iron swallows’ nests
no longer fool us with their flowers
they cost us our arms and legs
now our arms and legs are hanging
from the trees

Vertaald door Karen Emmerich

Miltos Sachtouris (19 juli 1919 – 29 maart 2005)
Athene

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e juli ook mijn blog van 19 juli 2017 en ook mijn blog van 19 juli 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Anna Enquist, Gottfried Keller, Miltos Sachtouris, Dom Moraes, Hermann Bahr, Robert Pinget, Ferdinand Brunetière, Jean-Marie Déguignet, A. J. Cronin, Lorenz Diefenbach

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anna Enquist werd geboren op 19 juli 1945 in Amsterdam als Christa Boer. Zie ook mijn blog van 19 juli 2006 en ook mijn blog van 19 juli 2007.

Weerzien

Hoe de mensen, hoe deze mensen, hoe
een man en een vrouw na jaren elkaar –
hoe na jaren deze mensen elkaar zullen
zien, harnas van vroeger over het sleets
lichaam, hoe in hun botten moeheid
en deceptie jaar na jaar kerven.

Hoe mensen, door afscheid op afscheid
gestriemd en geslagen, het kijken
verdragen in de laatste smalle kier
die de tijd hen laat, in laat licht
ontluisterd. Dat ligt aan de ogen;
genadig wrikt tovenaar geheugen
aan de deur van de tijd; ontzien
in het zien (weggeblazen heupen,
dood haar). Die daar staan ont-
staan voor elkaar bedrieglijkerwijs
in vijvers van vroeger. Zij bieden
elkaar een diep water, hier.

Zo zien een man en een vrouw na
jaren elkaar of niet of anders. Vuur!

 

Reizen

Een schoorvoetende reiziger
van het bed naar de tafel
die mijn zware armen steunt.

Het papier drinkt de inkt.
De woorden willen wel weg,
ze verheugen zich op roomwitte

geribbelde stranden, op de lichtflits
van een omzwiepende bladzijde.
Wie zullen ze zoenen in het donker,

wie zal hen zien. Reislustig
zijn ze, de woorden, ze verdringen
zich voor de uitgang.

Van het bed naar de keuken
maak ik de kleine rondreis
naar de tuin naar de tafel

 

Ontsnappen

 

In de kooi van dag en nacht,
de kooi van de boodschappen,
blikjes bier, de betere baan.

In de kooi van het fotoalbum,
van de liefde. In de kunstkooi,
in de kooi van het weten:

Sta op, grijp de tralies,
haal de diepste adem en
scheur je hart uiteen.

 

Enquist_Anna_Tee

Anna Enquist (Amsterdam, 19 juli 1945)

 

De Zwitserse schrijver Gottfried Keller werd geboren in Zürich op 19 juli 1819. Zie ook mijn blog van 19 juli 2007.

 

Uit: Romeo und Julia auf dem Dorfe

 

So war der lange Morgen zum Teil vergangen, als von dem Dorfe her ein kleines artiges Fuhrwerklein sich näherte, welches kaum zu sehen war, als es begann die gelinde Höhe heranzukommen. Das war ein grünbemaltes Kinderwägelchen, in welchem die Kinder der beiden Pflüger, ein Knabe und ein kleines Ding von Mädchen, gemeinschaftlich den Vormittagsimbiß heranfuhren. Für jeden Teil lag ein schönes Brot, in eine Serviette gewickelt, eine Kanne Wein mit Gläsern und noch irgendein Zutütchen in dem Wagen, welches die zärtliche Bäuerin für den fleißigen Meister mitgesandt, und außerdem waren da noch verpackt allerlei seltsam gestaltete angebissene Äpfel und Birnen, welche die Kinder am Wege aufgelesen, und eine völlig nackte Puppe mit nur einem Bein und einem verschmierten Gesicht, welche wie ein Fräulein zwischen den Broten saß und sich behaglich fahren ließ. Dies Fuhrwerk hielt nach manchem Anstoß und Aufenthalt endlich auf der Höhe im Schatten eines jungen Lindengebüsches, welches da am Rande des Feldes stand, und nun konnte man die beiden Fuhrleute näher betrachten. Es war ein Junge von sieben Jahren und ein Dirnchen von fünfen, beide gesund und munter, und weiter war nichts Auffälliges an ihnen als daß beide sehr hübsche Augen hatten und das Mädchen dazu noch eine bräunliche Gesichtsfarbe und ganz krause dunkle Haare, welche ihm ein feuriges und treuherziges Ansehen gaben. Die Pflüger waren jetzt auch wieder oben angekommen, steckten den Pferden etwas Klee vor und ließen die Pflüge in der halbvollendeten Furche stehen, während sie als gute Nachbaren sich zu dem gemeinschaftlichen Imbiß begaben und sich da zuerst begrüßten; denn bislang hatten sie sich noch nicht gesprochen an diesem Tage.”

 

gottfried_keller

Gottfried Keller (19 juli 1819 – 15 juli 1890)

 

De Griekse dichter Miltos Sachtouris of Miltos Sahtouris werd geboren in Athene op 19 juli 1919. Zie ook mijn blog van 19 juli 2007.

 

 

THE GARDEN

It smelled of fever
that was no garden
some strange couples were walking inside
wearing shoes on their hands
their feet were large white and bare
heads like wild epileptic moons
and red roses suddenly
sprouted
for mouths
that were set upon and mauled
by the butterfly-dogs

 

 

MORNING AND EVENING

In the morning
you see death
looking through the window
at the garden
the cruel bird
and the quiet cat
on the branch

passing
on the street outside
is the phantom-car
the supposed driver
the man with the broom
the gold teeth
laughs
and in the evening
at the cinema
you see
what you didn’t see in the morning
the joyful gardener
the real car
the kisses with the real couple

that death is not liked
by the cinema

 

 

THE SAINT

He stared deep
deep
into the well
its depth
had no end
in this life

the flesh peeled off
and fell bit by bit
soon nothing would remain
but his skeleton

I’ve decided – he said –
I’ve finally decided
I’ll live among the drowned
and among the lepers

 

Vertaald door David Connoly

 

Sachtouris

Miltos Sachtouris (19 juli 1919 – 29 maart 2005)

 

De Indiase dichter en schrijver Dominic Francis Moraes werd geboren op 19 juli 1938 in Bandra. Zie ook mijn blog van 19 juli 2007.

 

PROPHET

 

I followed desert suns
Alone, these thirty years,
A goatskin knotted round my sex,
My fodder what I found,
My shelter under rocks,
My visions in my eye
That mapped the slow wind flowing
Across the sunwashed dunes, or the
Scuffed dwarf spoor of the ant.
Once these kept me happy.

 

Tufted with tamarisk
The tawny dunes end
Suddenly in shadow.
The ridged rocks rise.
The known desolate land
Kisses my bare feet.
Infested by winged things
The rough hair of the sky
Teems in the sun’s eye.
Kindling the dunes, the enraged
Wind beats up sand. The awkward ant
Gnaws in a dry pasture.

 

I have aged.
 

 

 

KEY

 

Ground in the Victorian lock, stiff,
With difficulty screwed open,
To admit me to the seven mossed stairs
And the badly kept garden.

 

Who runs to me in memory
Through flowers destroyed by no love

 

But the child with brown hair and eyes,
Smudged all over with toffee?

 

I lick his cheeks. I bounce him in air.
Two bounces, he disappears.

 

Fifteen years later, he redescends,
Not as a postponed child, but a letter
Asking me for his father who now possesses
No garden, no home, not even any key
.

 

dommoraes

Dom Moraes (19 juli 1938 – 2 juni 2004)

 

De Oostenrijkse toneelschrijver, romanschrijver, essayist, tijdschriftuitgever, journalist, theaterregisseur, dramaturg en theater-, kunst- en cultuurcriticus Hermann Bahr werd geboren op 19 juli 1863 in Linz. Zie ook mijn blog van 19 juli 2007.

 

Uit: Dostojewski

“Die Größe Dostojewskis berührte mich zum erstenmale in sehr jungen, unreifen Jahren; ich hatte noch drei Klassen des Gymnasiums vor mir, bis zu der sonderbaren Reifeprüfung, die in Deutschland die Pforten der Universität öffnet. Ich las damals so viel, daß ich mich jetzt mit einigem Rechte vom Lesen dispensieren darf. Und ich las, wenn auch nicht mit vollem Verständnis, so doch mit gutem Instinkte: fast nur Bücher, die mir eine Welt auftaten, in der Ziele für mich leuchteten, und nur Bücher von persönlich künstlerischem Ausdruck. Trotzdem ist vieles davon für mich versunken und kaum noch in Erinnerung. Aber Dostojewski ist mir geblieben, und je mehr ich davon abkam, modernen Künstlern Größe zuzuerkennen (was ich nach Jugendart schnellfertig gerne tat, wenn mich ihre Kunst sympathisch berührte und mein Lebensgefühl steigerte), um so mehr fühlte ich: dieser ist wirklich groß, obwohl er mir nicht eigentlich sympathisch ist und mich öfter bedrückt, als erhebt. Ich weiß jetzt: er ist mehr als ein Gipfel, er ist ein Gebirge. Und alle modernen Gipfel, einen einzigen ausgenommen, ragen kaum zur halben Höhe seines Mittelzugs: der Eine aber, der seine Spitze überragt, Nietzsche, wirkt neben seinem ungeheuren Massiv aus gewachsenem Fels fast beängstigend als Kunstwerk: wie etwas Konstruiertes neben etwas Elementarem.

Dieses Bild (es ist nur ein Bild und will nicht als mehr genommen sein) spricht keine Wertvergleichung aus, sondern den Eindruck, den ich vom Nebeneinander der beiden einzigen wirklichen Größen habe, die in der modernen Literatur seit Goethe und Byron erschienen sind. Vielleicht ist Nietzsche ein sublimes Ende und Dostojewski ein riesiger Anfang; jener das Ende der westlichen: europäischen, auf der Antike beruhenden Kultur, dieser der Anfang der östlichen: russischen, die von Byzanz stammt. Das Künstliche in der Erscheinung Nietzsches läßt dieses bange, ja tragische Gefühl aufkommen, und die beklemmende Wucht, mit der uns der slawische Byzantiner Dostojewski entgegentritt als Fürsprech einer ungeheueren, uns trüb chaotisch erscheinenden Masse von urchristlichen Barbaren, verdichtet diese Empfindung zu einer nebligen Beängstigung.”

bahr

Hermann Bahr (19 juli 1863  – 15 januari 1934)

 

De Frans-Zwitserse schrijver Robert Pinget werd geboren op 19 juli 1919 in Genève. Zie ook mijn blog van 19 juli 2007.

 

Uit : Abel et Bela

 

BELA : Nous devions faire du théâtre, pas du caf’conc’. (Un temps.) Cette présidente, quelle idée. Le théâtre ce n’est pas ça.
ABEL : Nous y voilà. (Un temps.) Il faut viser à l’essentiel. (Un temps.) Quelle st l’essence du théâtre ? (Un temps.) Un texte nourri de… de… l’universel. Le cœur humain, son tréfonds. Comment y atteindre ? Descendre en soi-même. (Un temps.) Je descends en moi-même et je trouve quoi ? (Un temps.) Peur de mourir. Regret du passé. Horreur du vulgaire. (Un temps.) Oui il faut renoncer à cette partouse. Faire du théâtre avec le tréfonds, pas avec le fondement. (Un temps.) Qu’est-ce que tu trouves, toi, en descendant ?
BELA : Sommeil.
ABEL : Plus profond.
BELA : Envie de dormir.

 

pinget

Robert Pinget (19 juli 1919 – 25 augustus 1997)

 

De Franse schrijver en criticus Jean-Marie Déguignet werd geboren op 19 juli 1834 in Guengat. Zie ook mijn blog van 19 juli 2007.

Uit : Le naturalisme français, étude sur Gustave Flaubert

Avant tout et par-dessus tout, Flaubert fut un artiste : artiste par ses qualités, artiste aussi par ses défauts.

Précisons, sans tarder davantage, ce que ce mot d’artiste, que l’on emploie de nos jours, comme tant d’autres, un peu au hasard, enferme de sens différents ; ou plutôt, mettons en lumière ce qu’il contient, tout au fond, de restrictions implicites à l’admiration dont il semble, au premier abord, qu’il soit l’expression absolue. Si, comme le dit Flaubert lui-même – un peu lourdement – dans la très curieuse Préface qu’il a mise aux dernières chansons de son ami Louis Bouilhet, si « les accidents du monde, dès qu’ils sont perçus, vous apparaissent comme transposés pour l’emploi d’une illusion à décrire, tellement que toutes les choses, y compris votre existence ne vous semblent pas avoir d’autre utilité », c’est à dire si vous considérez le monde, la nature, la vie, l’homme enfin comme des choses qui seraient faites pour l’art, et non plus l’art comme une chose qui serait faite pour l’homme, vos êtes artiste, au sens entier du mot, dans la force et la profondeur du terme. Alors, en effet, tout autour de vous, si large ou si restreint que soit le cercle de votre expérience ; que vous ayez confiné bourgeoisement votre vie dans un canton perdu de la Basse Bretagne ou de la Normandie ; que vous ayez promené votre observation vagabonde sur les bords du lac Asphaltite ou sur les ruines de Carthage, alors vous n’apercevez &endash; l’expression est encore de Flaubert &endash; que « ce qui peut profiter à votre consommation personnelle » ; et votre horizon, quel qu’il soit, limité par vos aptitudes originelles, a toujours et partout pour bornes les bornes même de votre talent.”

 

brunetiere

Ferdinand Brunetière (19 juli 1849 – 9 december 1906)

 

 Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 19 juli 2007.

 

De Schotse schrijver Archibald Joseph Cronin werd geboren op 19 juli 1896 in Cardross, Dunbartonshire

 

De Duitse dichter en schrijver Georg Anton Lorenz Diefenbach werd geboren op 19 juli 1806 in Ostheim, Hessen.

 

De Franse schrijver en criticus Ferdinand Vincent-de-Paul Marie Brunetière werd geboren op 19 juli 1849 in Toulon.

 

 

 

 

 

Gottfried Keller, Anna Enquist, Miltos Sachtouris, Dom Moraes, Hermann Bahr, Jean-Marie Déguignet, A. J. Cronin, Lorenz Diefenbach, Ferdinand Brunetière, Robert Pinget

De Zwitserse schrijver Gottfried Keller werd geboren in Zürich op 19 juli 1819. Keller was de zoon van een schrijnwerkersbaas (timmerman) uit Zürich, die reeds overleed toen Keller vijf was. Keller wou graag kunstschilder worden; hij verliet Zürich en trok naar München met de bedoeling te gaan leven van het schilderen van landschappen. Hij had weinig succes en moest onverrichter zake naar Zürich terugkeren, waar hij jarenlang bij zijn moeder en zuster bleef wonen, in zware financiële nood. Keller kwam in contact met Freiligrath en Herwegh, schrijvers uit de Vormärz. In 1848 verleende de regering van Zürich hem een beurs om twee jaar te Heidelberg te studeren. Na zijn studie in Heidelberg leefde hij vijf jaar te Berlijn en schreef de eerste versie van zijn autobiografische roman, Der grüne Heinrich. Toen hij naar Zürich terugkeerde, slaagde hij er niet in van de pen te leven en woonde nog zes jaar thuis; zijn roman, een burgerlijk-pessimistisch antwoord op de Bildungsroman naar het model van Goethes Wilhelm Meisters Wanderjahre, werd nauwelijks verkocht. In Die Leute von Seldwyla creëerde hij een satirische pendant van de kleinburgerlijke maatschappij: het is een verzameling novelles in twee delen, waaronder Frau Regel Amrain, Pankraz der Schmoller, Romeo und Julia auf dem Dorfe — een herziening van deze klassieke stof —, Spiegel das Kätzchen, Die mißbrauchten Liebesbriefe, Das verlorene Lachen, Der Schmied seines Glückes, Die drei gerechten Kammacher en een van zijn beroemdste novelles, Kleider machen Leute. Onverwachts werd Keller in 1861 door het kanton Zürich tot staatsschijver benoemd, een functie die hij tot 1876 bekleedde. Als blijk van erkenning werd hij in 1878 ook ereburger van Zürich.

Uit: Der grüne Heinrich

“Das Essen dampfte auf dem Tische, es war ganz still in der Stube, die Mutter wartete, aber ich brachte keinen Laut hervor. Sie wiederholte ihr Verlangen, aber ohne Erfolg; ich blieb stumm und niedergeschlagen, und sie ließ es für diesmal bewenden, da sie mein Benehmen für eine gewöhnliche Kinderlaune hielt. Am folgenden Tage wiederholte sich der Auftritt, und sie wurde nun ernstlich bekümmert und sagte: »Warum willst du nicht beten? Schämst du dich?« Das war nun zwar der Fall, ich vermochte es aber nicht zu bejahen, weil, wenn ich es getan, es doch nicht wahr gewesen wäre in dem Sinne, wie sie es verstand. Der gedeckte Tisch kam mir vor wie ein Opfermahl, und das Händefalten nebst dem feierlichen Beten vor den duftenden Schüsseln wurde zu einer Zeremonie, welche mir alsobald unbesieglich widerstand. Es war nicht Scham vor der Welt, wie es der Priester zu nennen pflegt; denn wie sollte ich mich vor der einzigen Mutter schämen, vor welcher ich bei ihrer Milde nichts zu verbergen gewohnt war? Es war Scham vor mir selber; ich konnte mich selbst nicht sprechen hören, und habe es auch nie mehr dazu gebracht, in der tiefsten Einsamkeit und Verborgenheit laut zu beten.

»Nun sollst du nicht essen, bis du gebetet hast!« sagte die Mutter, und ich stand auf und ging vom Tische weg in eine Ecke, wo ich in große Traurigkeit verfiel, die mit einigem Trotze vermischt war. Meine Mutter aber blieb sitzen und tat so, als ob sie essen würde, obgleich sie es nicht konnte, und es trat eine Art düsterer Spannung zwischen uns ein, wie ich sie noch nie gefühlt hatte und die mir das Herz beklemmte. “

keller

Gottfried Keller (19 juli 1819 – 15 juli 1890)

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anna Enquist werd geboren op 19 juli 1945 in Amsterdam als Christa Boer. Zie ook mijn blog van 19 juli 2006.

Opus 126

Beethoven prijst de klokken van Bonn
om hun denderend zwenken. Hij looft
de storm op de Rijn om het schuim.
Nu neemt hij de wallen van Wenen
in langzame driekwartsmaat. Hoe
mensen gaan: ze zwalken, blijven
staan. Het gras voelt stroef.
In loden rust buigt Beethoven
onder de laatste bagatellen.
Vingers krioelen aan de verste boorden
van het toetsenbord. Niets wil hij nog
vertellen, hij versluit zijn lied
vrij van vervulling door de echte klank
in onze oren. Willekeur. Hij krast
de tekens zonder ze te horen.

 

Op het land

Het huis heeft op ons gewacht,
denken wij. De dubbele bomenrij
wuift ons erheen. Fluisterend
schuift de volle rivier
tussen de oevers.
Precies op tijd kruipt de zon
achter de akker. Duisternis
omvat het huis dat ons beschermt.
Wij maken vuur, wij drinken
tussen de muren.
Ik heb mij aan de veiligheid
verkocht en buig mij uit het raam.
Paarden en hanen slapen, water
knipoogt naar de maan en ik betaal
en ik betaal.

 

Winterstop

Als gras in december, doe niet
aan groeien, kruip weg onder
een kille deken. Het is zwart
in de doelmond.

Er wordt gedroomd van zaadschieten,
bloeien met wuivende pluimen. Noppen
ranselen je recht, het mes
maakt je hard.

anna_enquist

Anna Enquist (Amsterdam, 19 juli 1945)

 

De Griekse dichter Miltos Sachtouris of Miltos Sahtouris werd geboren in Athene op 19 juli 1919. Het eerste gedicht onder zijn schrijversnaam, De muziek van mijn eilanden, verscheen in 1941.

The Gifts

Today I put on
a hot red blood
today people love me
a woman smiled at me
a girl gave me a shell
a child gave me a hammer

Today I kneel on the pavement
and nail to the sidewalk
the bare white feet of passersby
they are all crying
but no one is afraid
they all stay where I put them
they are all crying
but gaze up at the heavenly ads
and a beggar woman selling sweetbreads
in the sky

Two of them whisper
what’s he doing is he nailing our hearts?
yes he’s nailing our hearts
well then he must be a poet

 

Vertaald door Karen Emmerich

 

HET STATION
Guillaume Apollinaire indachtig

Het regent voortdurend in mijn slaap
Mijn droom word gevuld met modder
De plaats is donker
En ik wacht op de trein
De stationschef plukt madeliefjes
Die hebben gebloeid op de sporen
Daar het al een hele poos geleden is
Sinds een trein in dit station is binnengelopen
En plots zijn de jaren voorbijgegaan
Ik zit achter een raam
Haar en baard lang geworden
Alsof ik zeer ziek ben
En net wanneer ik weer opnieuw in slaap val
Komt zij langzaam naar mij toe
Met een mes in haar hand
Zij komt voorzichtig naar mij toe
En plant het in mijn rechteroog

 

Vertaald door Henri Thijs

ThMiltosSahtouris

Miltos Sachtouris (19 juli 1919 – 29 maart 2005)

 

De Indiase dichter en schrijver Dominic Francis Moraes werd geboren op 19 juli 1938 in Bandra. Zijn eerste dichtbundel A Beginning verscheen in 1958 in Londen. Met deze bundel won Moreas, die meer dan 30 titels publiceerde, op de leeftijd van 19 jaar de gerenommeerde Engelse Hawthornden Prize. In 1960 verscheen zijn tweede bundel Autumn Choice. In 1976 werd de dichter, die voornamelijk in het Engels schreef ambassadeur bij de Verenigde Naties in New York.

Absences

Smear out the last star.
No lights from the islands
Or hills. In the great square
The prolonged vowel of silence
Makes itself plainly heard
Round the ghost of a headland
Clouds, leaves, shreds of bird
Eddy, hindering the wind.

No vigils left to keep.
No enemies left to slaughter.
The rough roofs of the slopes,
Loosely thatched with splayed water,
Only shelter microliths and fossils.
Unwatched, the rainbows build
On the architraves of hills.
No wounds left to be healed.

Nobody left to be beautiful.
No polyp admiral to sip
Blood and whiskey from a skull
While fingering his warships.
Terrible relics, by tiderace
Untouched, the stromalites breathe.
Bubbles plop on the surface,
Disturbing the balance of death.

No sound would be heard if
So much silence was not heard.
Clouds scuff like sheep on the cliff.
The echoes of stones are restored.
No longer any foreshore
Or any abyss, this
World only held together
By its variety of absences.

Moreas
Dom Moraes (19 juli 1938 – 2 juni 2004)

 

De Oostenrijkse toneelschrijver, romanschrijver, essayist, tijdschriftuitgever, journalist, theaterregisseur, dramaturg en theater-, kunst- en cultuurcriticus Hermann Anastas Bahr werd geboren op 19 juli 1863 in Linz. In juli 1881 sloot Herman Bahr zijn middelbare studies aan het Gymnasium der Benediktiner in Salzburg met het eindexamen af. Enkele maanden later schreef hij zich in op de Universiteit van Wenen om er Klassieke Taal-en Letterkunde en Filosofie te studeren, maar wisselde echter snel van studierichting om staathuishoudkunde te studeren. In 1886 maakte hij voor het eerst kontakt met de Sociaaldemocraat Viktor Adler, die hij overhaalde tot medewerken aan het weekblad Die Gleichheit. Twee jaar later reisde Bahr via München (waar hij Henrik Ibsen ontmoette) naar Parijs. Meteen daarna maakte hij een reis door Zuid-Frankrijk, Spanje en Noord-Afrika. In mei 1890 werd hij door Otto Brahm en Arno Holz naar Berlijn teruggevraagd om mee te werken aan het tijdschrift Freie Bühne für modernes Leben. In oktober 1891 verbleef hij in Wenen, adviseerde daar E.M. Kafka bij zijn nieuwe tijdschrift Moderne Rundschau, en ontmoette o.a. Hofmannsthal, Schnitzler en Beer-Hofmann in Café Griensteidl. In 1906 nodigde Max Reinhardt hem uit als regisseur naar Berlijn te komen. Tijdens een verblijf van twee weken in Berlijn in 1916 ontmoette hij dagelijks Hugo von Hofmannsthal. Na de Eerste Wereldoorlog kreeg Bahr voor korte tijd de verantwoordelijkheid het programma van het Burgtheater op te stellen. In 1922 verhuisde hij naar München, waar zijn vrouw lesgaf aan de Akademie für Tonkunst. In zijn laatste levensjaren ontwikkelde hij steeds sterker wordende supra-nationalistische opvattingen. Hij beoogde een verbond van Europese staten.

Uit: Mit der Nase

„Wir sind jedesmal riesig fidel, sooft sie wieder in den allgemeinen Verkehr zurückerstattet wird. Erstens gibt’s wenige ihresgleichen, so ausschlagend knospenfrisch und von dieser gassenbübisch geschmeidigen und veränderlichen und rastlosen Anmut unter den schweren, stolzen, üppigen Gewändern und mit solchem Erfolg in allen Graden der Liebe geschult, und sie riecht immer sehr gut und jeder vermißt sie schmerzlich, in bösen Fasten und Entbehrungen. Zweitens, weil auch ihre Rede sich recht unanständig benimmt, kommt wenigstens etwas Geist in unsere aufzufrischende Gesellschaft. Drittens hat man einen Vorwand mehr, Sekt zu trinken, Mensch zu sein.
Da beutelt sie uns dann ihre letzten Abenteuer an die gelben Glatzen.
Gestern war sie wieder höchst gemütlich. Besonders nachher, als es schon mehr heute wurde. Da machte sie sich’s bequem. »Angezogene Unterhaltungen« nämlich mag sie nicht leiden; die sind ihr zu »gespannt«. Aus ihrer malerischen Periode her, als sie noch in der Akademie stand, hat sie die Nostalgie des Aktes. Bloß die Handschuhe, das schwarze Mieder und die Strumpfbänder behält sie, »um die Schamhaftigkeit nicht zu verletzen«. Es ist ein geschmackvolles Kostüm, nicht alltäglich, empfehlenswert. Auch praktisch.
Das heizte uns gut ein. Es wurde eine tatkräftige, schaffensfrohe Begeisterung. Alle waren einig; daß es »ein so liebes Viecher!« nicht wieder gibt.“

Hermann_Bahr_1891

Hermann Bahr (19 juli 1863  – 15 januari 1934)

 

De Franse schrijver Jean-Marie Déguignet werd geboren op 19 juli 1834 in Guengat in een zeer arme familie . Déguigne begon zichzelf te leren lezen terwijl hij werkte als schaapherder voor de burgemeester van  Kerfeunteun, nadat hij in zijn jongere jaren bedelaar was geweest. Dat deed hij door gebruik te maken van een catechismus en een boek over het leven van de heiligen. Rond zijn 35e sprak en las hij niet alleen Bretons en Frans, maar ook Latijn, Italiaans, Spaans en zelfs wat Engels. Een eerste versie van zijn Mémoires d’un paysan bas-breton, verscheen in de  Revue de Paris  in 1904. Veel ervan ging echter verloren. Het werk werd opnieuw ontdekt en uitgegeven in 1998 onder de titel Histoire de ma vie.

Uit : Histoire de ma vie

« Il y en avait quelques vieux qui avaient servi le grand Napoléon et s’ils ne connaissaient pas l’histoire de ce destructeur de peuples, des rois et des empires, en revanche ils connaissaient toutes les légendes qui couraient sur lui en Bretagne à cette époque ; légendes qui prenaient d’autant plus d’intérêt alors qu’on ne parlait partout que de son neveu qui allait peut-être faire comme lui.
Il fallait entendre ces vieux raconter ces choses extraordinaires, surnaturelles qu’ils affirmaient avoir vues. Maintes fois ils avaient vu l’homme au petit chapeau traverser les airs avec son cheval blanc pour aller voir la position de l’ennemi.
Ils l’avaient vu jeter un jeu de cartes dans l’air, et aussitôt une armée imaginaire se formait en présence de l’ennemi, sur laquelle celui-ci épuisait en pure perte toutes ses munitions.

Il était parti en Égypte à l’insu de tout le monde en attirant à lui par magie une armée et une escadre. Et là-bas en Égypte quand les soldats étaient découragés par la fatigue, la chaleur et la soif, du bout de son épée il leur
montrait de belles villes et de grands lacs d’eau limpide qui n’existaient pas mais cela encourageait les soldats. Il était revenu en France, de là en se rendant invisible, lui et le bateau sur lequel il était. Mais là, les vieux se disputaient durement. Les uns soutenaient qu’il avait traversé toute l’escadre anglaise comme la foudre, en écartant leurs navires pour s’ouvrir un passage, mais sans que les Anglais ne vissent rien. Les autres soutenaient qu’il avait passé par-dessus les Anglais à travers les airs et ne descendit sur les eaux que lorsqu’il fut loin d’eux. »

deguignet

Jean-Marie Déguignet (19 juli 1834 – 29 augustus 1905)

 

De Schotse schrijver Archibald Joseph Cronin werd geboren op 19 juli 1896 in Cardross, Dunbartonshire. Cronin is vooral bekend gebleven als de schrijver van The Citadel and The Keys of the Kingdom, twee boeken die verfilmd werden. Beide films kregen een Oscar nominatie.

Uit: Die Zitadelle (Vertaald door Richard Hoffmann)

“An einem Spätnachmittag im Oktober des Jahres 1924 blickte ein schäbig gekleideter junger Mann mit gespannter Aufmerksamkeit durch das Fenster eines Abteils dritter Klasse in dem fast leeren Zug, der sich von Swansea das Penowelltal hinaufarbeitete. Den ganzen Tag war Manson vom Norden her schon auf der Fahrt, war in Carlisle und Shrewsbury umgestiegen, aber auf der Endstrecke seiner mühseligen Reise nach Südwales wurde er von einer immer stärkeren Erregung erfaßt. Er sollte nämlich in dieser fremdartigen, häßlichen Gegend seine erste Stelle als Arzt antreten.
Draußen ging ein schwerer Strichregen zwischen den Bergen nieder, die sich zu beiden Seiten der eingleisigen Bahnlinie erhoben. Die Gipfel waren in grauer Himmelswüste verborgen, die Hänge aber fielen, verunstaltet von großen Schutthalden der Erzbergwerke, schwarz und öde ab. Ein paar schmutzige Schafe streunten darauf umher und suchten vergeblich nach Gras. Kein Busch, kein grüner Fleck war zu sehen. Die Bäume sahen im Zwielicht des scheidenden Tages wie dürre Gespenster aus. An einer Biegung der Strecke blitzte der rote Schein einer Gießerei auf. Er beleuchtete einige Dutzend Arbeiter, die, nackt bis zum Gürtel, mit gestrafftem Rücken ihre Arme zum Schlag erhoben hatten. Obwohl das Bild durch den aufragenden Förderturm eines Bergwerks rasch dem Blick entzogen wurde, hinterließ es doch einen Eindruck von angespannter lebensvoller Kraft.”

A_J_Cronin

A. J. Cronin (19 juli 1896 – 6 januari 1981)

 

De Duitse dichter en schrijver Georg Anton Lorenz Diefenbach werd geboren op 19 juli 1806 in Ostheim, Hessen. Diefenbach was bevriend met Jakob Grimm. Bekend geworden is hij door de, later door de nazi’s op cynische wijze misbruikte spreuk Arbeit macht frei, de titel van een in 1873 in Bremen verschenen roman. De hoofdpersoon in dat boek is een gokker en bedrieger die door geregeld werk weer op het pad van de deugd terugkeert. Diefenbach schreef ook gedichten en talrijke taalkundige werken.

Es kommt die Zeit

Es kommt die Zeit, wo Wanderstraßen reichen
Bis zu der Pole lang verborgnen Küsten,
Sich grüßen die Oasen aller Wüsten,
Nichts unentdeckt blieb in der Erde Reichen.

Wird dann der Forschung Geist die Segel streichen,
Nicht mehr sie zu Columbus-Zügen rüsten?
Der Menschheit Heros tatenlos in Lüsten
Omphales seiner Sehnen Kraft zerweichen?

Äronaute, schiffe dann zu Sonnen
Auf Wegen, die kein Argonaute suchte!
Laßt springen der Saharen tiefe Bronnen,

Daß ihre Flut den wüsten Sand befruchte!
Sind keine Welten übrig zu entdecken,
So lädt das Chaos, neue zu erwecken.

Lorenz_Diefenbach

Lorenz Diefenbach (19 juli 1806 – 28 maart 1883)

 

De Franse schrijver en criticus Ferdinand Vincent-de-Paul Marie Brunetière werd geboren op 19 juli 1849 in Toulon. Na zijn schooltijd in Marseille studeerde hij in Parijs aan het Lycée Louis-le-Grand. Brunetière was een orthodoxe katholiek en zijn politieke overtuigingen waren conservatief. Hij had echter een grote eruditie en was niet bang om van gangbare meningen af te wijken.

Uit: LA POESIE FRANCAISE DU XIX SIECLE

“Si l’on en voulait croire la plupart des historiens du romantisme, et quelques-uns des romantiques eux-mêmes,–Sainte-Beuve, par exemple, ou Theodore de Banville,–c’est avec et par Andre Chenier que commencerait en France la poésie du dix-neuvième siècle. On ne saurait se tromper davantage. Grand poète et surtout grand artiste, a la manière de Racine ou de Ronsard, il est bien vrai que ces deux traits séparent et distinguent profondément Andre Chenier de tous les versificateurs de son temps, Lebrun,
Delille, et ce Roucher, qu’on lui associe d’ordinaire, payée qu’ils montèrent tous deux le même jour sur l’échafaud, ou encore le chevalier de Parny.
Mais d’ailleurs, il n’a rien d’un “romantique”; et de même que l’élégante et ardente sensualité de son siècle respire dans ses Elégies, c’est encore un “classique,” c’est un contemporain de Ronsard, c’est un païen, c’est un Alexandrin, c’est un élève de Callimaque et de Theocrite, qu’on retrouve dans ses Idylles. Nous ajouterons que sas Poésies, dont on n’a connu pendant plus de vingt-cinq ans que des fragments épars, n’ont vu le jour pour la première fois qu’en 1819; et on pourrait bien signaler quelque trace de leur influence dans les premiers Poèmes d’Alfred de Vigny, qui parurent en 1822, mais on en chercherait en vain dans les premières Odes de Victor Hugo, qui sont de 1822, elles aussi, ou dans les Premières Méditations de Lamartine, qui sont datées de 1820.”

180px-Brunetiere_01

Ferdinand Brunetière (19 juli 1849 – 9 december 1906)

 

De Frans-Zwitserse schrijver Robert Pinget werd geboren op 19 juli 1919 in Genève. Hij wordt vaak gezien als een van de groten van de zogeheten nouveau roman. Pinget was eerst korte tijd advocaat maar vertrok na de oorlog naar Parijs om daar schilder te worden. Dat plan gaf hij een paar jaar later op, om zich volledig aan het schrijven te wijden. Pinget speelde cello en was een groot liefhebber van Bach en andere componisten uit de barok. Zijn belangstelling voor de muziek vond een directe weerslag in zijn oeuvre. Veel van zijn boeken hebben een parlando-toon, bestaan uit een onafzienbare stroom woorden die met veel gevoel voor ritme wordt geuit door een ik-figuur. Deze probeert zich niet mooier voor te doen dan hij is, gooit alles eruit wat hem invalt, met alle gevolgen van dien: herhalingen, contradicties enzovoort. Een van Pingets romans heet ‘Passacaille’ (1969), naar de dansmuziek die volledig is opgebouwd uit variaties op een thema.

Uit: Passacaglia  (Vertaald door Roel te Velde)

“Zo kalm en grijs. Niets dat zich roert. Iets in het mechaniek moet stuk zijn maar te zien is er niets. De klok staat op de schoorsteen, de wijzers staan goed. Iemand in het kille vertrek moest net zijn binnengekomen, het huis was afgesloten, het was winter. Zo grijs en kalm. Moest aan tafel zijn gaan zitten. Verstijfd van de kou, totdat het duister werd. Het was winter, de tuin dor, onkruid op de binnenplaats. Maandenlang zou er geen mens zijn, alles is op orde. De weg erheen loopt langs land waar niets op stond. Er vliegen raven op of eksters, niet goed te zien, nog even en het is duister.

De klok op de schoorsteen is van zwart marmer, de wijzerplaat goudomrand met Romeinse cijfers.

De man die een uur of wat eerder aan die tafel had gezeten die dood was aangetroffen op de mestvaalt zou niet alleen zijn geweest, een man op wacht hield een oogje in het zeil, een boer die te vertrouwen was en die op een grijze, kille dag alleen de overledene had zien zitten, naar de kier van het luik zou zijn gelopen en duidelijk zou hebben gezien hoe hij de klok kapot had gemaakt en toen terneergeslagen op zijn stoel was blijven zitten, met de schouders op tafel en het hoofd in de handen. Wat moet men aan met dit gemurmel, het dringt niet door.

Een door oude gebouwen omgeven binnenplaats, met kasseien bestraat en goed onderhouden, een rechthoek met aan de noordkant dus waar je naar binnen gaat een blankhouten poort en twee groepjes roze hortensia’s, met aan de zuidkant tussen schuur en varkensstal wat meer naar achteren een perk irissen, een feest voor het oog in het voorjaar, aan de westkant het woonhuis, aan de oostkant jonge olmen, in het midden de fontein met zijn uitgesleten ronde bak en als afvoer een monsterfiguurtje.”

robert_pinget1

Robert Pinget (19 juli 1919 – 25 augustus 1997)