Mark Jarman, Joël Dicker, August Willemsen, Theo Thijssen, Ronelda Kamfer, Arie Gelderblom, Joyce Carol Oates, Frans Roumen, Dolce far niente

Bij Vaderdag – Dolce far niente

 

Always there door Jean Monti, 2001


Descriptions of Heaven and Hell

The wave breaks
And I’m carried into it.
This is hell, I know,
Yet my father laughs,
Chest-deep, proving I’m wrong.
We’re safely rooted,
Rocked on his toes.

Nothing irked him more
Than asking, “What is there
Beyond death?”
His theory once was
That love greets you,
And the loveless
Don’t know what to say.

 

Mark Jarman (Mount Sterling, 5 juni 1952)
Mount Sterling, de geboorteplaats van Mark Jarman


De Zwitserse schrijver Joël Dicker werd geboren op 16 juni 1985 in Genève. Zie ook alle tags voor Joël Dicker op dit blog.

Uit: De waarheid over de zaak Harry Quebert (Vertaald door Manik Sarkar)

‘Het staat er niet goed voor,’ zei hij in de auto toen hij me naar Manhattan bracht. ‘Zeg me in ieder geval dat je energie hebt opgedaan in Florida en dat je opschiet met je boek! Er is een nieuwe schrijver waar iedereen het over heeft… Zijn boek wordt de grote kerstknaller. En jij, Marcus? Wat heb jij voor kerst?’ 
‘Ik ga direct aan het werk!’ riep ik in paniek uit. ‘Het komt wel goed! We gooien er heel veel publiciteit tegenaan en dan komt het allemaal goed! De mensen vonden m’n eerste boek mooi, dus waarom zouden ze het volgende niet mooi vinden?’ 
‘Je begrijpt het niet, Marc. Dat had gekund als we een paar maanden tijd hadden. Dat was de strategie: meedrijven op het succes van je eerste boek en het publiek voeden, geven waar het om vraagt. Het publiek wou Marcus Goldman, maar Marcus Goldman ging het er lekker van nemen in Florida en nu hebben de lezers een boek van iemand anders gekocht. Heb je je weleens in economie verdiept, Marc? Boeken zijn inwisselbaar geworden: mensen willen een boek dat ze bevalt, ontspant en vermaakt. Als jij dat niet voor ze schrijft, doet je buurman het wel, en dan ben jij rijp voor het grofvuil.’ 
Douglas’ georakel joeg me de stuipen op het lijf, en ik ging harder aan het werk dan ooit tevoren: om zes uur ’s ochtends begon ik met schrijven en ik werkte door tot negen of tien uur ’s avonds. Hele dagen zat ik onafgebroken op kantoor te werken: gedreven door een waanzin die gevoed werd door wanhoop krabbelde ik woorden neer, bouwde ik zinnen en bedacht ik de ene verhaallijn na de andere. Maar jammer genoeg bracht ik niets van waarde voort. En ondertussen zat Denise zich hele dagen ongerust te maken over mijn toestand. Aangezien ze niks meer te doen had, geen dictaat op te nemen, geen post te sorteren, geen koffie te zetten, liep ze te ijsberen op de gang. En als ze er niet meer tegen kon, trommelde ze op mijn deur. 
‘Marcus, ik smeek je, laat me binnen!’ kermde ze. 
‘Ga lekker naar buiten, wandelen in het park. Je hebt vandaag nog niks gegeten!’ 
‘Ik heb geen honger! Geen honger!’ brulde ik dan ten antwoord. ‘Eerst het boek, dan eten!’ Ze stond haast te snikken. 
‘Zeg niet zulke vreselijke dingen, Marcus. Ik ga naar de deli op de hoek om je lievelingsbroodje met rosbief te halen. Ik ben zo terug! Tot zo!’ 

Joël Dicker (Genève,16 juni 1985)


De Nederlandse schrijver essayist en vertaler August Willemsen werd geboren in Amsterdam op 16 juni 1936. Zie ook alle tags voor August Willemsen op dit blog.

Uit: De zucht naar het Zuiden

“Ze kon niet direct mee; ik hing tien dagen rond in een tentenherberg op Cap Ferret. Toen ik haar kwam ophalen ging er al meteen van alles mis, en ik kreeg sombere voorgevoelens. Ook door een brief van Jaap.
Ze zal nooit hebben beseft dat haar manier van voorlezen een foltering was. Ze sloeg stukken over, als om mij in te peperen dat er tussen Jaap en haar een intimiteit bestond waaraan ik niet kon tippen, en de passages die ze voorlas maakte ze nagenoeg onverstaanbaar door middel van een snuivend, licht spastisch gegrinnik (één van haar uniciteiten, moet ik erbij zeggen), vergezeld van mimiek en gebaren die bedoeld waren uitdrukking te geven aan gevoelens van gekwetst, zelfs gechoqueerd zijn, maar die in feite haar gevleidheid verrieden.
Wat me stak was dat Jaap erin slaagde haar van haar stuk te brengen, en wel met, naar ik aannam, ‘harde waarheden’, die hij, als iets oudere kunstenaar, in de wetenschap dat ze toch wel op hem verliefd zou blijven, zich kon veroorloven, die hem alleen maar interessanter maakten, en waarnaar ik kon raden. Elke nieuwsgierigheid naar de inhoud van die passages zou kinderachtig zijn. Van míjn gevoelens mocht ik niets laten blijken. Want we zouden reizen als vrienden – dat waren we intussen geworden, of we hadden afgesproken het te zijn, of we deden alsof we het waren, of ik had gezegd dat ik het was, of beloofd dat ik het zou zijn, of besloten het te zijn, enfin, dat weet ik echt niet meer. Mijn gevoelens en gedachten, de eerste ondoorzichtig, de tweede onoprecht omdat ze niet anders beoogden dan de gunst van Marians nabijheid ten koste van de herinnering aan haar, kenmerkten zich nu door een haast dostojevskiaanse zelfuitvlakking. Paradoxaal genoeg ontleende ik aan de literaire troost dat Dostojevski’s personages ook zo waren mijn laatste beetje eigenwaarde.
Wat de brief betreft: het enige ter zake doende was de mededeling dat Jaap en Mies niet naar Gerona konden komen. Een beetje voorzichtig ten opzichte van elkaar begonnen we de reis naar het Zuiden.
In Perpignan waren zigeuners. Straten vol. Zigeuners waren mooi. Dat was, alweer, een gegeven. Dus ook díe zigeuners. Marian echter, die met haar zwartbruine lange haar, koolzwarte ogen en donkere huid er bijna zelf een zou kunnen zijn, vond ze wel érg mooi.”

August Willemsen (16 juni 1936 – 29 november 2007)
In 1966


De Nederlandse schrijver en onderwijzer Theo Thijssen werd geboren in Amsterdam op 16 juni 1879. Zie ook alle tags voor Theo Thijssen op dit blog.

Uit: Kees de jongen

“Erg was dat nou wel niet. Want dat dooie schooltekenen, nooit es landschapjes of zo, dat was toch niks. En op een goeie dag, als -ie eens een schetsboek had, dan kon de meester met z’n hele avondschool naar de maan lopen, en dan zou-ie wel es willen zien!
Maar natuurlik, de schilders moesten je niet voor een schooier aanzien. Moesten natuurlik merken, dat je een fatsoenlike jongen was. Laatst was-ie op een Woensdagmiddag meegeweest met Jansen uit de zevende klas. Ja, die was ook zuur, die zat in de zevende en die droeg al een soort van lange broek! Dat moest z’n moeder hem, Kees, niet lappen! Hij knipte d’r gewoon stukken van af. Alleen zat-ie dan nog verlegen met z’n bénen, want Jansen had van die korte mannensokken ook, en zo’n gekke onderbroek met bandjes. Maar enfin, dan bleef-ie net zo lief alle dagen in huis zitten, tot z’n moeder hem wel fatsoenlik aankleden moèst. Maar Jansen was van buiten, en boerenjongens hebben allemaal van dat mannengoed aan….
Als ze tegen een uur of twee zorgden, dat ze aan de Baarsjes stonden, dan kwamen er twee schilders voorbij en Jansen was daar al dikwijls mee meegeweest.
Goed, ze stonden er, en eindelik kwam de ene schilder er aan. Had je Jansen stom moeten zien doen. Mag ‘k wat dragen, meneer, mag ‘k wat dragen, meneer. Pak maar an, zei de schilder, en Jansen moest die doos en dat stoeltje dragen; ’t was net zo’n soort van bedeljongen. Kees liet even merken dat hij Kees was: nam z’n pet behoorlik af. De schilder zag het niet. Zo liepen ze mee. Neem jij nou het stoeltje, zei Jansen. Nou, dat deed Kees natuurlik, anders had de schilder gauw gezegd: waarom loopt die jongen mee.
Schuin tegenover een werf hielden ze halt. De schilder begon met tekenen, en de hele middag bleef-ie tekenen, die paar oue rottige schuiten op die werf. Hij tekende om een haverklap wat fout, en hij zat het aldoor weer uit te vegen. Kees twijfelde, of het wel een echte schilder was.
De jongens gingen in het gras zitten. Het was nogal vervelend. De schilder zei tegen Jansen: hier is een dubbeltje, haal jij es een half ons baai voor me, ik heb natuurlik m’n tabak weer vergeten. Jansen holde weg. Toen was Kees met de schilder alleen. Wat zou het nou fijn zijn, dacht Kees, als de schilder nou maar begon te vragen. – Of-ie óók wel ‘es geschilderd had, of-ie graag schilder wou worden. Want natuurlik, hij had ook allang gemerkt, dat Kees ’n ander soort jongen was dan Jansen.”

Theo Thijssen (16 juni 1879 – 23 december 1943)
Cover


De Zuid-Afrikaanse dichteres Ronelda Kamfer werd op 16 juni 1981 in Blackheath, een voorstad van Kaapstad, geboren. Zie ook alle tags voor Ronelda Kamfer op dit blog.

Little Cardo

for Alfonso Cloete and Velencia Farmer

They say it’s the whiteman I should fear, but it’s my own kind
doing all the killing here.
Tupac Amaru Shakur
Cardo was born
but not expected
his mother was sixteen
and his father community builder of the year
his grandmother was a cashier
and his stepgrandfather drank to ease the pain

Cardo was a beautiful child
with dark skin and light eyes
beautiful enough to speak English
he liked playing drie stokkies
and vrottie eier in the street
Tietie Gawa from the mobile said
that Cardo was heaven sent

On the eve of Cardo’s first day
at big school
schoolboys were playing with crackers in the street
Cardo looked through the window
the bullet lodged in his throat
his mother did not cry
the politicians planted a sapling
the Cape Doctor uprooted it
and threw it where the rest
of Cape Town’s dreams lay

on the Cape flats

Ronelda Kamfer (Blackheath, 16 juni 1981)


De Nederlandse dichter Arie Gelderblom werd geboren in Nieuw-Lekkerland op 16 juni 1945. Zie ook alle tags voor Arie Gelderblom op dit blog.

Dit is het

Dit is een onafzienbare sneeuwjacht
van tekens, zelfs video is tevergeefs
gebleken, dit is het raadsel van adem
en water, dit is het en dat
en alles is het

dit is een eeuwig etmaal van een paar
sekonden, dit is voor ogen te groot
bevonden, dit is een wond en een wand
tussen vrouw en man, dit is
alles en dat

dat zijn de ondoorgrondbare wegen
tussen de sterrennevels, dit zijn de
hemels zonder weten, dit is de dorst
om een mond die licht zal maken
in het onbestaanbare

dit is alles, dit is het en dat en of
het is, is onzeker

 

Papier

papier, wit als een maagd
en jij die op de tijd jaagt, soms een werkelijkheid
aanrandt zonder dat het bed kraakt,
geen kussen dat zich verlegt om je woorden,
verlegen word je ervan

papier dat de namen vraagt voor witter,
geen begin daarmee maak je, je geeft een plant
water met zijn eigen bladeren, je verdraagt je geweten
in de zee van een afwasteiltje

papier dat niet verdragen kan,
ook het hart verdraagt het niet en breekt uit verlatenheid,
tijd gaat voorbij in stilte, de eerste dag bleef altijd
in de winternacht, je houdt het papier in een lasvlam
en grijnslacht.

Arie Gelderblom (16 juni 1945 – 12 december 1991)


De Amerikaanse dichteres en schrijfster Joyce Carol Oates werd geboren in Lockport, New York, op 16 juni 1939. Zie ook alle tags voor Joyce Carol Oates op dit blog.

Uit: A Widow’s Story

“Princeton police officers arrived at the accident scene. An ambulance arrived bearing emergency medical workers. I recalled that one of my Princeton undergraduate students, a young woman, was a volunteer for the Princeton Emergency Medical Unit and I hoped very much that this young woman would not be among the medical workers at the scene. I hoped very much that this episode would not be reported excitedly back and circulated among my students Guess who was in a car crash last night—Prof. Oates!
Strongly it was recommended that “Raymond Smith” and “Joyce Smith” be taken by ambulance to the ER to be examined—especially it was important to be X-rayed—but we declined, saying that we were all right, we were certain we were all right. Yet in the faux-euphoric aftermath of the crash in which there was no pain nor hardly an awareness of the very concept of pain we insisted that we were fine and wanted to go home.
Standing in the cold, shivering and shaky and our car pulverized as if a playful giant had twisted it in his hands and let it drop—there was nothing we wanted so badly as to go home.
We were asked if we were “refusing” medical treatment and we protested we weren’t refusing medical treatment—we just didn’t think that we needed it.
Refused then, the officer noted, filling out his report.
Two police officers drove us home in their cruiser. They were kindly, courteous. Near midnight we entered our darkened house. It seemed that we’d been gone for far longer than just an evening and that we’d been on a long journey. Our nerves were jangled like broken electric wires in the street. I’d begun to shiver, convulsively. I was dry-eyed but exhausted and depleted as if I’d been weeping. I saw that Ray was all right—as he insisted—we were both all right. It was true that we’d come close to catastrophe—but it hadn’t happened. Somehow, that fact was difficult to comprehend, like trying to fit a large and unwieldy thought into a small area of the brain.
I began to feel the first twinges of pain in my chest. When I lifted my arm. When I laughed, or coughed.
Ray discovered reddened splotches on his hands—“I’ve been burnt? How the hell have I been burnt?” He ran cold water onto his hands. He took Bufferin, for pain.”

Joyce Carol Oates (Lockport, 16 juni 1939)
Cover

 

En als toegift bij een andere verjaardag:

Zomeravond

Een rose zon sleept zich tot onder weiden,
waar weer een dag nog even warm in baadt.
Als hier de nacht zijn laken over slaat
is het genotzucht en geen medelijden.

Natuur verwordt tot bed van zachte zijde
nu leven zich aan lust te buiten gaat.
Voor mijn teer hart dat gauw in vlammen slaat.
bestaat niets wreders dan dit jaargetijde.

De morgen houdt zich lichtblauw ingetogen
die transparant de huid der aarde kust,
maar ’s middags wordt de tederheid verzengd.

Pas als de herfst weer dood en leven mengt
wordt elke drift tot zwijgen omgebogen
en al mijn zinnen komen dan tot rust.

Frans Roumen (Wessem, 16 juni 1957)
In de zomer door Piotr Konchalovsky 1939


Zie voor nog meer schrijvers van de 16e juni ook mijn blog van 16 juni 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Rain (Don Paterson), Dolce far niente

Dolce far niente

 

Dancing in the Rain door Fatema Josh, 2012

 

Rain

I love all films that start with rain:
rain, braiding a windowpane
or darkening a hung-out dress
or streaming down her upturned face;

one long thundering downpour
right through the empty script and score
before the act, before the blame,
before the lens pulls through the frame

to where the woman sits alone
beside a silent telephone
or the dress lies ruined on the grass
or the girl walks off the overpass,

and all things flow out from that source
along their fatal watercourse.
However bad or overlong
such a film can do no wrong,

so when his native twang shows through
or when the boom dips into view
or when her speech starts to betray
its adaptation from the play,

I think to when we opened cold
on a rain-dark gutter, running gold
with the neon of a drugstore sign,
and I’d read into its blazing line:

forget the ink, the milk, the blood—
all was washed clean with the flood
we rose up from the falling waters
the fallen rain’s own sons and daughters

and none of this, none of this matters.

 

Don Paterson (Dundee, 1963)
Dundee, de geboorteplaats van Don Paterson

 

Zie voor de schrijvers van de 15e juni ook mijn vorige blog van vandaag.

Dolce far niente, James Whitcomb Riley, Marguerite Yourcenar, Nino Haratischwili, Jaroslav Rudi¨, Marie Howe, Frank Keizer

Dolce far niente

 

Een dag in juni door Isaac Levitan, ca. 1895

 

Knee-Deep In June

Tell you what I like the best —
‘Long about knee-deep in June,
‘Bout the time strawberries melts
On the vine, — some afternoon
Like to jes’ git out and rest,
And not work at nothin’ else!

Orchard’s where I’d ruther be —
Needn’t fence it in fer me! —
Jes’ the whole sky overhead,
And the whole airth underneath —
Sort o’ so’s a man kin breathe
Like he ort, and kind o’ has
Elbow-room to keerlessly
Sprawl out len’thways on the grass
Where the shadders thick and soft
As the kivvers on the bed
Mother fixes in the loft
Allus, when they’s company!

Jes’ a-sort o’ lazin there –
S’lazy, ‘at you peek and peer
Through the wavin’ leaves above,
Like a feller ‘ats in love
And don’t know it, ner don’t keer!
Ever’thing you hear and see
Got some sort o’ interest –
Maybe find a bluebird’s nest
Tucked up there conveenently
Fer the boy ‘at’s ap’ to be
Up some other apple tree!
Watch the swallers skootin’ past
Bout as peert as you could ast;
Er the Bob-white raise and whiz
Where some other’s whistle is.

Ketch a shadder down below,
And look up to find the crow —
Er a hawk, – away up there,
‘Pearantly froze in the air! —
Hear the old hen squawk, and squat
Over ever’ chick she’s got,
Suddent-like! – and she knows where
That-air hawk is, well as you! —
You jes’ bet yer life she do! —
Eyes a-glitterin’ like glass,
Waitin’ till he makes a pass!

Pee-wees wingin’, to express
My opinion, ’s second-class,
Yit you’ll hear ‘em more er less;
Sapsucks gittin’ down to biz,
Weedin’ out the lonesomeness;
Mr. Bluejay, full o’ sass,
In them baseball clothes o’ his,
Sportin’ round the orchad jes’
Like he owned the premises!
Sun out in the fields kin sizz,
But flat on yer back, I guess,
In the shade’s where glory is!
That’s jes’ what I’d like to do
Stiddy fer a year er two!

Plague! Ef they ain’t somepin’ in
Work ‘at kind o’ goes ag’in’
My convictions! – ‘long about
Here in June especially! —
Under some ole apple tree,
Jes’ a-restin through and through,
I could git along without
Nothin’ else at all to do
Only jes’ a-wishin’ you
Wuz a-gittin’ there like me,
And June wuz eternity!

Lay out there and try to see
Jes’ how lazy you kin be! —
Tumble round and souse yer head
In the clover-bloom, er pull
Yer straw hat acrost yer eyes
And peek through it at the skies,
Thinkin’ of old chums ‘ats dead,
Maybe, smilin’ back at you
In betwixt the beautiful
Clouds o’gold and white and blue! —
Month a man kin railly love —
June, you know, I’m talkin’ of!

March ain’t never nothin’ new! —
April’s altogether too
Brash fer me! and May — I jes’
‘Bominate its promises, —
Little hints o’ sunshine and
Green around the timber-land —
A few blossoms, and a few
Chip-birds, and a sprout er two, —
Drap asleep, and it turns in
Fore daylight and snows ag’in! —
But when June comes – Clear my th’oat
With wild honey! — Rench my hair
In the dew! And hold my coat!
Whoop out loud! And th’ow my hat! —
June wants me, and I’m to spare!
Spread them shadders anywhere,
I’ll get down and waller there,
And obleeged to you at that!

James Whitcomb Riley (7 oktober 1849 – 22 juli 1916)
Greenfield, Indiana, de geboorteplaats van James Whitcomb Riley

 

De Belgisch-Amerikaanse, Franstalige schrijfster Marguerite Yourcenar werd geboren in Brussel op 8 juni 1903. Zie ook alle tags voor Marguerite Yourcenar op dit blog.

Uit: Memoirs of Hadrian (Vertaald door Grace Frick, in samenwerking met de schrijfster)

“His mind, however, was not wholly uncultivated; after his death they found in his house a trunk full of mathematical instruments and books untouched by him for twenty years.
He was learned in his way, with a knowledge half scientific, half peasant, that same mixture of narrow prejudice and ancient wisdom which characterized the elder Cato. But Cato was a man of the Roman Senate all his life, and of the war with- Carthage, a true representative of the stern Rome of the
Republic. The almost impenetrable hardness of Marullinus came from farther back, and from more ancient times.
He was a man of the tribe, the incarnation of a sacred and awe-inspiring world of which I have sometimes found vestiges among our Etruscan soothsayers. He always went bareheaded, as I was criticized for doing later on; his horny feet spurned all use of sandals, and his everyday clothing was hardly distinguishable from that of the aged beggars, or of the grave tenant farmers whom I used to see squatting in the sun. They said that he was a wizard, and the village folk tried to avoid his glance. But over animals he had singular powers. I have watched his grizzled head approaching cautiously, though in friendly wise, a nest of adders, and before a lizard have seen his gnarled fingers execute a kind of dance.
On summer nights he took me with him to study the sky from the top of a barren hill. I used to fall asleep in a furrow, tired out from counting meteors. He would stay sitting, gazing upward and turning imperceptibly with the stars. He must have known the systems of Philolaus and of Hipparchus, and that of Aristarchus of Samos which was my choice in later years, but these speculations had ceased to interest him. For him the stars were fiery points in the heavens, objects akin to the stones and slow-moving insects from which he also drew portents, constituent parts of a magic universe in which were
combined the will of the gods, the influence of daemons, and the lot apportioned to men. He had cast my horoscope. One night (I was eleven years old at the time) he came and shook me from my sleep and announced, with the same grumbling laconism that he would have employed to predict a good
harvest to his tenants, that I should rule the world. Then, seized with mistrust, he went to fetch a brand from a small fire of root ends kept going to warm us through the colder hours, held it over my hand, and read in my solid, childish palm I know not what confirmation of lines written in the sky.”

Marguerite Yourcenar (8 juni 1903 – 17 december 1987)
Tentoonstelling Marguerite Yourcenar en Hadrianus in Bavay, 2016

 

De Georgische schrijfster en regisseuse Nino Haratischwili werd geboren op 8 juni 1983 in Tbilisi. Zie ook alle tags voor Nino Haratischwili op dit blog.

Uit: Het achtste leven (Vertaald door Elly Schippers en Jantsje Post) 

“Op de avond dat Aman zei dat hij met mij ‘normaal wilde worden; ging Brilka, de dochter van mijn dode zus en mijn enige nichtje, naar Wenen, naar een plaats die ze zich had voorgesteld als haar tweede thuis, als haar persoon-lijke utopie, en dat allemaal uit een gevoel van verbondenheid met een dode vrouw. Van die dode vrouw, mijn oudtante en dus Brilkis overoudtante, had ze in haar fan-tasie haar heldin gemaakt. Ze wilde in Wenen de rechten op de liederen van haar overoudtante zien te krijgen. En door de sporen van die geest te volgen hoopte ze ver-lossing te vinden en een definitief antwoord op de gapen-de leegte in zichzelf. Maar daar had ik toen nog geen idee van. Nadat ik op de bank was gaan zitten en mijn gezicht in mijn handen had verborgen, nadat ik mijn ogen had uitgewreven en Amans blik zo lang mogelijk had ontweken, wist ik dat ik weer zou moeten huilen, maar niet nu, niet op het moment dat Brilka door het raam van de trein het oude, nieuwe Europa voorbij zag glijden en voor het eerst sinds haar aankomst op het continent van de onverschil-ligheid glimlachte. Ik weet niet waar ze bij het verlaten van de stad met die kleine bruggetjes om moest glim-lachen, maar dat doet er niet meer toe. Het belangrijkste is dat ze glimlachte. Ik zou moeten huilen, dacht ik precies op dat moment. Om het niet te doen draaide ik me om, liep naar de slaap-kamer en ging op bed liggen. Lang hoefde ik niet op Aman te wachten; een verdriet als het zijne is heel snel te gene-zen als je ter genezing je lichaam aanbiedt — vooral als de zieke zevenentwintig is. Ik kuste mezelf wakker uit mijn doornroosjesslaap. En toen Aman zijn hoofd op mijn buik legde, verliet mijn twaalfjarige nichtje Nederland en passeerde ze in haar naar blikbier en eenzaamheid stinkende coupé de Duitse grens, terwijl haar nietsvermoedende tante hon-derden kilometers verderop liefde veinsde voor een zevenentwintigjarige schim. Ze doorkruiste Duitsland in de hoop verder te komen.”

Nino Haratischwili (Tbilisi, 8 juni 1983)

 

De Tsjechische schrijver, journalist en muzikant Jaroslav Rudiš werd geboren in Turnov op 8 juni 1972. Zie ook alle tags voor Jaroslav Rudiš op dit blog.

Uit: Die Stille in Prag (Vertaald door Eva Profousová)

»Wie fühlt sich das an?«
»Deine Brüste zu küssen?«
»An meinem Herzen zu horchen!«
»Lang.«
»Wie: lang?«
»Wie ein unendlich langer, fließender Song.«
»Kein Techno?«
»Genau die Art Song, die du haben willst.«
»Ich will es auch mal hören.«
Er streichelt sie.
Oben. In der Mitte. Unten.
Eine Weile lässt sie es zu.
Sie stöhnt. Noch einmal. Als er nach ihrer Pobacke fasst, bewegt sie das Becken. Dann aber schiebt sie seine Hand auf die Bettdecke zurück.
»Schluss.«
»Woher weißt du, dass ich was wollte?«
»Wir kennen das Spiel. Die Frau wird nur benutzt. Und ausgenutzt.«
»Das musst ausgerechnet du sagen.«
Vanda steht auf und geht zu dem beleuchteten Aquarium, das auf einem niedrigen Tisch steht, auf den in anderen Wohnungen eher der Fernseher gestellt wird. Sie klopft an die Glasscheibe, um den kleinen dicken Fisch zu begrüßen, der auf sie zugeschwommen kommt, und setzt sich auf den Parkettfußboden. Sie ist nackt, und die beleuchteten Pflanzen und Wasserbläschen im Aquarium werfen gelbe zitternde Lichtstreifen auf sie. Vanda sieht aus wie ein kleines Wasserzebra, das sich im tiefen, dunklen Ozean verlaufen hat. Sie ist nicht mehr die traurige, patzige junge Frau mit den schwarz gefärbten Haaren und der frischen Schultertätowierung, die Petr vor ein paar Stunden kennengelernt hat. Aus dem Nebenzimmer kommt Malmö und stupst sie gähnend mit der Schnauze an. Vanda krault sie zwischen den Ohren und Malmö streckt sich neben ihr aus.“

Jaroslav Rudiš (Turnov, 8 juni 1972)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Amerikaanse dichteres Marie Howe werd geboren in 1950 in Rochester, New York. Zie ook alle tags voor Marie Howe op dit blog.

What the Angels Left

At first, the scissors seemed perfectly harmless.
They lay on the kitchen table in the blue light.

Then I began to notice them all over the house,
at night in the pantry, or filling up bowls in the cellar

where there should have been apples. They appeared under rugs,
lumpy places where one would usually settle before the fire,

or suddenly shining in the sink at the bottom of soupy water.
Once, I found a pair in the garden, stuck in turned dirt

among the new bulbs, and one night, under my pillow,
I felt something like a cool long tooth and pulled them out

to lie next to me in the dark. Soon after that I began
to collect them, filling boxes, old shopping bags,

every suitcase I owned. I grew slightly uncomfortable
when company came. What if someone noticed them

when looking for forks or replacing dried dishes? I longed
to throw them out, but how could I get rid of something

that felt oddly like grace? It occurred to me finally
that I was meant to use them, and I resisted a growing compulsion

to cut my hair, although in moments of great distraction,
I thought it was my eyes they wanted, or my soft belly

—exhausted, in winter, I laid them out on the lawn.
The snow fell quite as usual, without any apparent hesitation

or discomfort. In spring, as expected, they were gone.
In their place, a slight metallic smell, and the dear muddy earth.

 

The Copper Beech

Immense, entirely itself,
it wore that yard like a dress,

with limbs low enough for me to enter it
and climb the crooked ladder to where

I could lean against the trunk and practice being alone.

One day, I heard the sound before I saw it, rain fell
darkening the sidewalk.

Sitting close to the center, not very high in the branches,
I heard it hitting the high leaves, and I was happy,

watching it happen without it happening to me.

Marie Howe (Rochester, 1950)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Frank Keizer werd geboren in Leeuwarden in 1987. Zie ook alle tags voor Frank Keizer op dit blog.

Uit: lief slecht ding

iedereen wil wel naar huis, zei je. er wordt gekookt voor
activisten, seks is er lekker lui, je bent er vrij van de krachten
van de markt en zo. ik weet wat je denkt, de revolutie heeft
haar kinderen verminkt

en we praten er niet meer over. fluisterend misschien. over
wat er de afgelopen tijd gebeurd is. de anderen, alles wat na
het opsommen komt. niemand zou een enzovoort moeten zijn.
daarom zijn we allemaal gebroken. ook het huis is ingestort,
en dat noemen we nieuwbouw. zo verstild klinkt dit 
individualisme, dat de luidruchtigste band met de productieve
wereld het innigste is. als je luistert, hoor je haar zingen,
het is een parodie en gaat van huisje, boompje, weesje

ik dacht: er is een leer die taai geworden is. ik kauwde erop, 
vroeg me af wie het werkgezin vormden, wat we tegenover
de familie zetten die aan tafel zat, de ethiek van de arbeid, 
het professionele knechtschap, de vaderpolitiek

zaten we niet scheef, jij en ik, in deze geschiedenis. wie gingen
ons voor. en hoe konden we ze leren kennen door de waas
van onze isolatie

Frank Keizer (Leeuwarden, 1987)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e juni ook mijn blog van 8 juni 2018 en eveneens mijn blog van 8 juni 2017.

Luise Hensel, Walt Whitman, Frank Goosen, Gabriel Barylli, Dolce far niente

Bij Maria Visitatie – Dolce far niente

 

Maria Visitatie door Heinrich Maria Hess, 1829

 

Mariä Heimsuchung

O Jungfrau, welch ein sel’ger Gruß
Erfüllt Dein Herz mit Freude!
Wie eilt Dein leichtbesohlter Fuß
Hin über blühende Haide!

Es duftet süß der Thymian,
Gestreift von Deinem Saume.
Die Blumen sehn Dich wonnig an;
Wie rauscht’s im Palmenbaume!

Leicht eilst Du über Bergeskamm,
Die Andacht giebt Dir Schwingen.
Die lieben Vögel wonnesam
Die schönsten Lieder singen. –

O nimm mich mit, o Jungfrau rein!
Will Dir Dein Bündlein tragen;
Will fromm auch und andächtig sein,
Kein einzig Wörtlein sagen. –

Da steht im Abendschein das Haus,
Drin walten Fried’ und Segen,
Die greise Freundin schaut heraus
Und eilt Dir froh entgegen.

Ihr Gruß tönt Dir wie Engels Gruß,
Der noch im Herzen klinget.
Demüthig sinkt sie Dir zu Fuß,
Die zärtlich sie umschlinget.

Und hell erschallt Dein Hochgesang,
Das höchste aller Lieder;
Die Himmel lauschen seinem Klang,
Der Erdball hallt ihn wieder.

Luise Hensel (30 maart 1798
– 18 december 1878)
De dorpskerk van Linum, de geboorteplaats van Luise Hensel

 

De Amerikaanse dichter Walt Whitman werd geboren op 31 mei 1819 in Westhills, Long Island, New York. Zie ook alle tags voor Whalt Whitman op dit blog.

Te denken aan tijd

1
te denken aan tijd… te denken door de terugblik,
Te denken aan vandaag… en de eeuwen die voortgaan.
Heb jij beseft dat jij zelf niet zult voortgaan? Heb je de angst gekend voor die aardkevers?
Heb je gevreesd dat de toekomst voor jou niets zou zijn?

Is vandaag niets? Is het beginloze verleden niets?
Als de toekomst niets is zijn ze even zeker niets.

Te denken dat de zon opkwam in het oosten… dat man en vrouw buigzaam waren en echt en in leven… dat alles echt was en in leven;
Te denken dat jij en ik niet voelden niet dachten ons deel niet droegen,
Te denken dat wij nu hier zijn en ons deel dragen.                                                                                                                             

2
Geen dag gaat voorbij… geen minuut of seconde zonder verlossing;
Geen dag gaat voorbij… geen minuut of seconde zonder een lijk.

Wanneer de trage nachten voorbij zijn, en de trage dagen ook,
Wanneer de pijn van zoveel in bed liggen voorbij is,
Wanneer de dokter, na lang uitstel, de stille en vreselijke blik geeft als antwoord,
Wanneer de kinderen gehaast en huilend komen, en de broers en zussen geroepen worden,
Wanneer medicijnen ongebruikt op de plank staan, en de geur van kamfer door de kamers trekt,
Wanneer de trouwe hand van de levende de hand van de stervende niet loslaat,
Wanneer de trillende lippen licht op het voorhoofd drukken van de stervende,
Wanneer de adem stokt en de hartslag stilvalt,

Dan strekken de lijkenledematen zich uit op bed, en de levenden kijken ernaar,
Ze zijn tastbaar zoals de levenden tastbaar zijn.

De levenden kijken naar het lijk met hun blik,
Maar zonder blik talmt een ander leven en kijkt nieuwsgierig naar het lijk.

3
Te denken dat de rivieren zullen komen om te stromen, en de sneeuw zal vallen, en de vruchten zullen rijpen… en ze zullen van invloed zijn op anderen zoals op ons nu… en niet op ons van invloed zijn;
Te denken aan al deze wonderen van de stad en het land… en anderen die groot belang erin stellen… en wij die klein belang erin stellen.

Te denken hoe gedreven wij zijn in het bouwen van onze huizen,
Te denken dat anderen net zo gedreven zullen zijn… en wij onverschillig.

Ik zie iemand een huis bouwen dat hem enkele jaren zal dienen… of zeventig of tachtig jaar op zijn hoogst;
Ik zie iemand een huis bouwen dat hem langer dan dat zal dienen.

Langzaam bewegende zwarte lijnen kruipen over de hele aarde… zij stoppen nooit… het zijn de graflijnen,
Hij die President was is begraven, en hij die nu President is zal zeker worden begraven.

Vertaald door Ilja Leonard Pfeijffer

Walt Whitman (31 mei 1819 – 26 maart 1893)

 

De Duitse schrijver en cabaretier Frank Goosen werd geboren op 31 mei 1966 in Bochum. Zie ook alle tags voor Frank Goosen op dit blog.

Uit: Pokorny lacht

“Hallo Papa, wie geht es dir?”
“Ach, wie soll es mir gehen …” Pause.
So war das immer. Sein Vater rief an, beklagte sich und wartete darauf, dass sein Sohn das Gespräch bestritt. Friedrich tat ihm den Gefallen.
“Was macht der Rücken?”
“Ach, was soll mein Rücken schon machen …”
“Soll ich heute Abend mal vorbeikommen?”
“Tja, wenn du meinst…”
“Möchtest du, dass ich vorbeikomme?”
“Also, wenn es dein Terminplan erlaubt…”
“Er erlaubt es.”
“Tja, wenn du einen Teil deiner kostbaren Freizeit mit deinem alten Vater verbringen möchtest…”
Friedrich atmete hörbar aus. Konnte sein Vater überhaupt noch einen Satz sagen, der nicht in drei Punkten endete?
“Also, wenn dir das alles zu viel wird”, sagte der alte Pokorny, “dann bleib lieber zu Hause.”
“Ich komme am frühen Abend vorbei.”
“Sehr genaue Zeitangabe!”
“Gegen sieben.”
“Gegen sieben? Na ja, dein alter Vater hat ja nichts mehr vor. Der sitzt nur blöd rum und wartet darauf, dass der Herr Sohn mal vorbeikommt.”
“Ich bin um Punkt sieben bei dir. Zufrieden?”
“Ich weiß nicht. Hört sich an, als wäre es eine enorme Überwindung für dich.” “Das stimmt nicht. Also um sieben?” “Tja, wenn du meinst…”
Sie legten auf.”

 Frank Goosen (Bochum, 31 mei 1966)

 

De Oostenrijkse schrijver, toneelspeler en regisseur Gabriel Barylli werd geboren op 31 mei 1957 in Wenen. Zie ook alle tags voor Gabriel Barylli op dit blog.

Uit: Die Botschaft des Himmels

„Als Madeleine zum ersten Mal erlebte, dass sie eine besondere Gabe besaß, war sie sieben Jahre alt. Es war einer jener tiefheißen Sommertage, an denen sie immer in den Wald ging. Der Waldesrand lag nur einige wenige Schritte hinter dem Haus, in dem Madeleine mit ihren Eltern lebte. Das Haus war sehr alt und aus dikken, langen Baumstämmen gebaut. Ihr Vater hatte Madeleine oft erzählt, dass in früheren Zeiten Bauern in diesem Haus gelebt hatten. Dann ging er mit Madeleine über die schrägen Wiesen, die vor dem Haus lagen, und setzte sich mit ihr auf einen der Felsen, die aus der Erde herausragten wie uralte Bauklötze, die die Kinder der Riesen beim Spielen verloren hatten … Er zeigte dann hinunter ins Tal, wo die Häuser klein und aneinander gedrückt an den Ufern des Flusses standen. Der Fluss war von der schrägen, steilen Wiese aus gesehen so breit wie die Hand von Madeleine. „Siehst du da unten die Häuser der Menschen und die Felder, die sie umgeben?”, fragte ihr Vater und Madeleine antwortete: „Ja, es sieht aus wie meine Spielzeugstadt.” „Da unten im Tal können die Bauern ihre Felder mit Maschinen bearbeiten. Hier oben aber mussten die Bauern jeden Tag auf diesem steilen Hang die Wiesen nur mit ihren Händen bewirtschaften. Jeden Tag konnten sie all ihre Arbeit nur zu Fuß und nur mit ihren Händen erledigen, und das Haus, in dem wir jetzt leben, haben sie aus den Steinen gebaut, auf denen wir jetzt sitzen. Und das Holz, aus dem unsere Zimmer gemacht sind, haben sie aus dem Wald geholt. Dieses Leben war kein Leben wie in deiner Spielzeugstadt. „Ja …”, sagte Madeleine und nahm die Hand ihres Vaters in ihre Hände. Sie edilte sich warm und stark an, und Madeleine liebte den Geruch der Farben, die die Jacke ihres Vaters überzogen und die auch in kleinen Resten an seinen Fingern zu sehen waren … Lange saß Madeleine dann an solchen Tagen mit ihrem Vater auf den Felsen der Riesenkinder und dann schwiegen sie und sahen dem Blütenstaub zu, der am Ende des Sommers über die Wiesen flog.“

 Gabriel Barylli (Wenen, 31 mei 1957)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 31e mei ook mijn blog van 31 mei 2017 en ook mijn blog van 31 mei 2015 deel 2.

Robert Binyon, Alan Hollinghurst, Radwa Ashour, Hugo Raes, Vítězslav Nezval, Dolce far niente

 

Dolce far niente

 

 
 The Road Home door Padraig McCaul, 2018

 

The Way Home

Many dreams I have dreamed
That are all now gone.
The world, mirrored in a dark pool,
How unearthly it shone!

But now I have comfort
From the things that are,
Nor shrink too ashamed from the self
That to self is bare.

More than soft clouds of leaf
I like the stark form
Of the tree standing up without mask
In stillness and storm,

Poverty in the grain,
Warp, gnarl, exposed,
Nothing of nature’s fault or the years’
Slow injury glozed.

From the thing that is
My comfort is come.
Wind washes the plain road:
This is the way home.

 
Robert Binyon (10 april 1869 – 10 maart 1943)
Lancaster, de geboorteplaats van Robert Binyon

 

De Britse schrijver Alan Hollinghurst werd geboren op 26 mei 1954 in Stoud, Gloucestershire. Zie ook alle tags voor Alan Hollinghurst op dit blog.

Uit: The Sparsholt Affair

Victor?’ The world knew Evert’s father as A. V. Dax, but we claimed this vicarious intimacy. Evert had already slipped away towards the window, and stood there peering into the quad. There was always some tension between him and Peter, who liked to provoke and even embarrass his friends. ‘Oh, I’m not sure about that,’ said Evert, over his shoulder. ‘Things are rather difficult at present.’ `Well, so they are for everyone,’ said Charlie. Evert politely agreed with this, though his parents remained in London, where a bomb had brought down the church at the end of their street a few nights before. He said, rather wildly, `I just worry that no one would turn up.’ `Oh, they’d turn up, all right,’ said Charlie, with an odd smile. Evert looked round, he appealed to me – ‘I mean, what do you make of it, the new one?’ I had The Gift of Hermes face down on the arm of my chair, about halfway through, and though not exactly stuck I was already alternating it with something else. It was going to break my daily rhythm, and was indeed rather like tackling a book in a foreign language. Even on the wretched thin paper of the time it was a thick volume. I said, ‘Well, I’m a great admirer, as you know.’ `Oh, well, me too,’ said Peter, after a moment, but more warmly; he was a true fan of A. V. Dax’s large symbolic novels, admiring their painterly qualities, their peculiar atmospheres and colours, and their complex psychology. ‘I’m taking the new one slowly,’ he admitted, ‘but of course, it’s a great book.’ `Any jokes in it?’ said Charlie, with a hollow laugh. `That’s never quite the point,’ I said, ‘with a Dax novel.’
`Anyway, haven’t you read it?’ said Peter, going over to the window to see what Evert was looking at. Poor Evert, as I knew, had never read more than the opening pages of any of his father’s books. ‘I just can’t,’ he said again now, ‘I don’t know why’ – and seeing Peter join him he turned back into the room with a regretful look. After a moment Peter said, ‘Good grief . . . did you see this, Dax?’ `Oh . . . what’s that . . . ?’ said Evert, and I was slow to tell the new confusion from the other. `Freddie, have you seen this man?’ `Who is it?’ I went across. `Oh, the exhibitionist, I suppose you mean,’ I said. `No, he’s gone . . .’ said Peter, still staring out. I stood at his shoulder and stared too. It was that brief time between sunset and the blackout when you could see into other people’s rooms. Tall panes which had reflected the sky all day now glowed companionably here and there, and figures were revealed at work, or moving around behind the lit grid of the sashes. In the set directly opposite, old Sangster, the blind French don, was giving a tutorial to a young man so supine that he might have been asleep. And on the floor above, beneath the dark horizontal of the cornice and the broad pediment, a single window was alight, a lamp on the desk projecting a brilliant arc across the wall and ceiling. `I spotted him the other day,’ I said. `He must be one of the new men.’ Peter waited, with pretended patience; and Evert, frowning still, came back and looked out as well. Now a rhythmical shadow had started to leap and shrink across the distant ceiling.”

 
Alan Hollinghurst (Stoud, 26 mei 1954)
Cover

 

De Egyptische schrijfster en literatuurwetenschapster Radwa Ashour werd geboren op 26 mei 1946 in Caïro. Zie ook alle tags voor Radwa Ashour op dit blog.

Uit:Granada (Vertaald door William Granara)

“The inside room of the bathhouse was packed with clients. Some were seated on the tile bench next to the furnace sweating in the thick steam; others went into the pool to purify themselves before bathing. There were men lying down, on their stomachs and on their backs, submitting themselves to a servant or a bath attendant who busily groomed them, massaged them, or simply poured hot water over their heads. All of the men were engaged in some kind of conversation as their voices cut across both ends of the bath. Even those in the private rooms for hair-removal contributed to the banter from behind a curtain that shielded the others from their stark nakedness. Saad and his master sat cross-legged in their usual spot next to one of the water heaters. His master stretched out his arms while Saad poured water and lathered the washcloth, then he began to scrub his right hand and arm, then the underarm, before moving over to the left. Someone yelled out: “Abu Jaafar, may God be pleased with you! We don’t have the privilege of choosing one thing or another. It’s our fate! We’re defeated, so how can we choose?” Another bather interrupted. “I’m with you! The agreement is evil, there’s no doubt about it. Our leader was in a difficult situation, and the resistance that Ibn Abi Ghassan wanted to launch was doomed from the start. So what could he do, and what can we do in the face of their awesome army and their new Italian artillery?”
“We can fight them. I swear by the God of the Kaaba,’ we can fight them,” responded Abu Jaafar. Saad was following the conversation, straining to listen since he wasn’t able to see who was speaking because he was seated facing his master, and all that was in his view was the wall and the water heater to his left. “Why should we fight them? Aren’t ten years of war enough? Do you want us to end up like the people of Malaga eating our own mules and the leaves off the trees?” “After submission, they’ll teach us a lesson we’ll never forget. The treaty is nothing but a worthless piece of paper. If we surrender Granada to them, they’ll force us to drop to our knees whenever a clerical procession passes by. They’ll force us to live in separate quar-ters with only one gate, and they’ll put the sword of expulsion to our throats. What will prevent them from doing all of this once they take control of our country?” The master stretched out on his back while Saad worked on his knees. He massaged his upper body, stomach, and legs before the master turned over and Saad massaged his back. “Surrender will prevent them from doing any further damage to us, and it will allow us to maintain some of our rights.” “How so?” Other voices followed in repetition, in piercing tones that came close to screeching. The master pulled away his hand and sat upright. “The treaty stipulates that we be treated honorably, and that our religion, customs, and traditions be respected, and that we be free to buy and sell, and that we preserve our rights to our property, our arms and horses, and that we have legal recourse to our judges in ar-bitrating matters of dispute. Even our prisoners shall be returned to us, pardoned and free.” “Merely ink on paper:’ retorted Abu Jaafar.”

 
Radwa Ashour (26 mei 1946 – 30 november 2014)
Cover;

 

De Belgische schrijver Hugo Raes werd geboren in Antwerpen op 26 mei 1929. Zie ook alle tags voor Hugo Raes op dit blog.

Uit: Het jarenspel

“Ze zet hem dan flink op zijn plaats. Of ze neemt de verdediging op zich van een zwakkere, en zegt dat het een schande is. Zo is de tv-kijkkast de psychiater geworden van de gewone mens. Hij herkent er zijn eigen tekorten en gebreken in, met een glimlach, bij blijspelen en familiefeuilletons; zijn onzekerheid en angst, bij criminele geschiedenissen en geweldscènes, identificeert zijn verlangens met die op het scherm. De tv bevredigt zijn drang naar erotiek of melancholie, bevestigt zijn meningen, prikkelt en bevredigt nieuwsgierigheid, sterkt en neemt spanningen weg, en ook verveling. Hij laat pijn en smart vergeten, schenkt een zin aan zijn bestaan. Hij is zijn begeleider, zijn mentor, zijn priester, zijn niet-schoolse leraar, zijn persoonlijke hofnar, zijn troubadour. Hij is God. God is televisie. Is er wat bijzonders te melden? of niet? vraagt Willem. De telexmachine zwijgt even, overdenkt zijn situatie en antwoordt tetterend. Ja, inderdaad, er zijn een paar leerzame dingen bij, mompelt zijn menselijke compagnon. Hij leest. btl 037 – katmandu (reuter) in siddharthanagar in het zuidwesten van nepal wordt nog een primitieve versie van de leugendetector gebruikt om iemands schuld of onschuld vast te stellen: de vuurproef. naar het nepalese persbureau zondag jl. meedeelde, moet de beschuldigde drie stappen doen met in de handpalm een witgloeiend ijzeren bord. tussen de handpalm en het bord mag de beschuldigde wel bladeren met ghy (een soort boter) houden. als de handpalm brandwonden vertoont is de verdachte schuldig, zo niet is hij onschuldig. volgens het nepalese persbureau heeft onlangs een vijftigjarige van diefstal beschuldigde vrouw de vuurproef met succes doorstaan./.kv-ws.”

 
Hugo Raes (26 mei 1929 – 23 september 2013)
De ZOO in Antwerpen

 

De Tsjechische dichter en vertaler Vítezslav Nezval werd geboren op 26 mei 1900 in Biskoupky. Zie ook alle tags voor Vítězslav Nezval op dit blog.

Goodbye And A Wave

Goodbye and if we should not ever meet anew
it really was delightful and quite enough for some
Goodbye and if we should yet make a rendezvous
maybe instead of us another guest will come

It really was delightful but everything has an end
Hush tolling bell I know that sadness from before
A kiss a napkin siren ship’s bell to portend
three or four smiles and then to be alone once more

Goodbye and if we should not ever speak again
let there be something left a keepsake what we meant
as airy as a napkin more than a postcard plain
with suppositious scent of gilded ornament

And if I chanced to notice what others did not see
so much the better swift as you seek your home byre
You have shown me the south your nest there in etui
Your fate is flight my fate is song without a lyre

Goodbye and if this shall have been the final call
so much the worse my hope and nothing left all-told
If we would meet again then best not part at all
Goodbye and silken wave Let fate fulfilled unfold!

 

Vertaald door Václav ZJ Pinkava

 
Vítězslav Nezval (26 mei 1900 – 6 april 1958)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e mei ook mijn blog van 26 mei 2018.

Wim Hijmans, Joseph Brodsky, Michael Chabon, Bob Dylan, Dolce far niente

Dolce far niente – Bij een bijzondere verjaardag

 

 
Vaders verjaardag door Mihály Munkácsy, 1882

 

In memoriam patris

O, nu moest hij maar sterven, zeiden wij,
want zo kan niemand leven, die zijn tijd
een levend mens was, vol van de verlangens
waardoor wij leven in bezetenheid.
Maar hij was hulpeloos als een kind geworden
en hij sprak zeer verward over de dagen
van zijn volwassenheid toen ik zijn kind was.
Hoe moeilijk is de mannelijkheid te dragen,
zijn vader als een kind gerust te stellen –
Doe nu je ogen dicht en ga maar slapen,
ga maar slapen en rust heerlijk uit,
hoor hoe die merel in de bomen fluit,
we krijgen regen, ga nu rustig slapen.
Praat niet zoveel, ja, ik blijf altijd bij je,
ik ga niet weg, ik ben toch steeds gekomen?
Je moet niet van die nare dingen dromen,
doe nu je ogen dicht, heus, ik blijf bij je. –
Hoe moeilijk is de mannelijkheid te dragen
als men een kind wil zijn en bij zijn vader schreien.
En hoe eenzaam waren je laatste dagen,
hoe stierf met jou het kind in mij en
hoe stierven mijn kindervragen.

 

 
Wim Hijmans (17 augustus 1926 – 1980)
De Nieuwe Kerk in Groningen, de geboorteplaats van Wim Hijmans

 

De Russisch-Amerikaanse dichter en schrijver Joseph Brodsky werd op 24 mei 1940 in Leningrad (het huidige St.Petersburg) geboren als Iosif Brodski. Zie ook alle tags voor Joseph Brodsky op dit blog.

Uit: Anna Achmatova

“In het tijdperk dat wordt gekenmerkt door zoveel technische experimenten in de poëzie was zij opvallend non-avantgardistisch. Zo al met iets, dan kwamen haar middelen uiterlijk overeen met wat die golf van vernieuwingen veroorzaakte in de Russische poëzie net als overal elders tegen het einde van de vorige eeuw: met de kwatrijnen van de Symbolisten, alomtegenwoordig als gras. Vooralsnog werd deze uiterlijke overeenkomst door Achmatova opzettelijk gehandhaafd: daarmee zocht ze niet haar taak te vergemakkelijken maar de verschillen te verkleinen. Ze wilde gewoon eerlijk spel spelen zonder de regels geweld aan te doen. Kortom, ze wilde haar poëzie het gezicht op laten houden.
Niets onthult de zwakheden van een dichter zozeer als klassieke poëzie, en daarom wordt die op zo’n grote schaal ontweken. Een aantal regels onvoorspelbaar laten klinken zonder een komisch effect te veroorzaken of iemand anders te herhalen is een uiterst verwarrende zaak. Dit echo-aspect van strenge versmaten is heel vervelend, en daaraan ontkom je zelfs niet door de regel vol te stoppen met concrete fysieke details. Achmatova klinkt zo onafhankelijk omdat zij vanaf het prille begin wist hoe de vijand uit te buiten.
Dat deed ze door een collage-achtige verscheidenheid van de inhoud. Vaak behandelde zij binnen één couplet een veelheid van schijnbaar niet-verwante zaken. Als iemand in één adem spreekt over de ernst van haar ontroering, kruisbessebloesem en het aantrekken van haar linkerhandschoen aan haar rechterhand, dan beneemt dat je de adem – die in het gedicht het metrum is – in die mate dat je de herkomst ervan vergeet. De echo, met andere woorden, wordt ondergeschikt aan de discrepantie van objecten en verleent hun in feite een gemeenschappelijke noemer: hij is niet langer een vorm en wordt een norm van taalgebruik.”

 
Joseph Brodsky (24 mei 1940 – 28 januari 1996)

 

De Amerikaanse schrijver Michael Chabon werd geboren op 24 mei 1963 in Washington. Zie ook alle tags voor Michael Chabon op dit blog.

Uit:Gentlemen of the Road

“For a moment after the insult was hurled, the African went on eating, without looking up from the shatranj board, indeed without seeming to have heard the remark at all. Then, before anyone quite understood that a calumny so apposite went beyond the powers even of the myna and that the bird was innocent, this once, of slander, the African reached his left hand into his right buskin and, in a continuous gesture as fluid and unbroken as that by which a falconer looses his fatal darling into the sky, produced a shard of bright Arab steel, its crude hilt swaddled in strips of hide, and sent it hunting across the benches.
Neither the beardless stripling who was sitting just to the right of its victim, nor the one-eyed mahout who was the stripling’s companion, would ever forget the dagger’s keening as it stung the air. With the sound of a letter being sliced open by an impatient hand, it tore through the crown of the wide-brimmed black hat worn by the victim, a fair-haired scarecrow from some fogbound land who had ridden in, that afternoon, on the Tiflis road. He was a slight, thin-shanked fellow, gloomy of countenance, white as tallow, his hair falling in two golden curtains on either side of his long face. There was a rattling twang like that of an arrow striking a tree. The hat flew off the scarecrow’s head as if registering his surprise and stuck to a post of the daub wall behind him as he let loose an outlandish syllable in the rheumy jargon of his homeland.
In the fireplace a glowing castle of embers subsided to ash. The mahout heard the iron ticking of a kettle on the boil in the kitchen. The benches squeaked, and travelers spat in anticipation.
The Frankish scarecrow slipped out from under his impaled hat and unfolded himself one limb at a time, running his fingers along the parting in his yellow hair. He looked from the African to the hat and back. His cloak, trousers, hose and boots were all black, in sharp contrast with the pallor of his soft hands and the glints of golden whisker on his chin and cheeks, and if he was not a priest, then he must, thought the mahout, for whom a knowledge of men was a necessary corollary to an understanding of elephants, be a physician or an exegete of moldering texts.”

 
Michael Chabon (Washington, 24 mei 1963)

 

De Amerikaanse zanger, songwriter en dichter Bob Dylan werd geboren als Robert Allen Zimmerman op 24 mei 1941 in Duluth, Minnesota. Zie ook alle tags voor Bob Dylan op dit blog.

Subterranean Homesick Blues

Johnny’s in the basement
Mixing up the medicine
I’m on the pavement
Thinking about the government
The man in the trench coat
Badge out, laid off
Says he’s got a bad cough
Wants to get it paid off
Look out kid
It’s somethin’ you did
God knows when
But you’re doin’ it again
You better duck down the alley way
Lookin’ for a new friend
The man in the coon-skin cap
By the big pen
Wants eleven dollar bills
You only got ten

Maggie comes fleet foot
Face full of black soot
Talkin’ that the heat put
Plants in the bed but
The phone’s tapped anyway
Maggie says that many say
They must bust in early May
Orders from the D.A.
Look out kid
Don’t matter what you did
Walk on your tiptoes
Don’t try “No-Doz”
Better stay away from those
That carry around a fire hose
Keep a clean nose
Watch the plain clothes
You don’t need a weatherman
To know which way the wind blows

Get sick, get well
Hang around a ink well
Ring bell, hard to tell
If anything is goin’ to sell
Try hard, get barred
Get back, write braille
Get jailed, jump bail
Join the army, if you fail
Look out kid
You’re gonna get hit
But users, cheaters
Six-time losers
Hang around the theaters
Girl by the whirlpool
Lookin’ for a new fool
Don’t follow leaders
Watch the parkin’ meters

Ah get born, keep warm
Short pants, romance, learn to dance
Get dressed, get blessed
Try to be a success
Please her, please him, buy gifts
Don’t steal, don’t lift
Twenty years of schoolin’
And they put you on the day shift
Look out kid
They keep it all hid
Better jump down a manhole
Light yourself a candle
Don’t wear sandals
Try to avoid the scandals
Don’t wanna be a bum
You better chew gum
The pump don’t work
‘Cause the vandals took the handles

 
Bob Dylan (Duluth, 24 mei 1941)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e mei ook mijn blog van 24 mei 2017 en ook mijn blog van 24 mei 2015 deel 2.

Sterfbed (Jean Pierre Rawie), Dolce far niente, Romenu

Dolce far niente

 

 
Boten aankomend bij de haven door Nicolaas Riegen, 19e eeuw

 

Sterfbed

Mijn vader sterft; als ik zijn hand vasthoud,
voel ik de botten door zijn huid heen steken.
Ik zoek naar woorden maar hij kan niet spreken
en is bij elke ademtocht benauwd.

Dus schud ik kussens en verschik de deken,
waar hij met krachteloze hand in klauwt;
ik blijf zijn kind, al word ik eeuwen oud,
en blijf als kind voor eeuwig in gebreke.

Wij volgen éen voor éen hetzelfde pad,
en worden met dezelfde maat gemeten;
ik zie mijzelf nu in zijn bed gezeten

zoals hij bij zijn eigen vader zat:
straks is hij weg, en heeft hij nooit geweten
hoe machteloos ik hem heb liefgehad.

 

 
Jean Pierre Rawie (Scheveningen, 20 april 1951)
Scheveningen bij zonsondergang

 

Zie voor de schrijvers van de 22e mei ook mijn blog van 22 mei 2018 en eveneens mijn blog van 22 mei 2017.