Dirk van Weelden, Christian Filip

De Nederlandse schrijver Dirk van Weelden werd geboren in Zeist op 22 november 1957. Zie ook alle tags voor Dirk van Weelden op dit blog.

Uit: Rond de kerktoren

‘Ik weet niet wat jij ziet, maar ik zie onrendabel geworden landbouwgrond. Decoratieve boerderijdieren. Kunstmatig drooggemalen rivierdelta-moeras. Dat door eeuwenlange bemaling alsmaar verder is weggezakt en ingeklonken. Verder zie ik nuttige wateropslagbekkens, slim gecombineerd met een kunstmatig gediversifieerd poldergebied dat smaakvol is ontworpen voor het recreatief fietsen, kanoën en plantjes en vogels kijken. Het is slim rond watertjes, een eendenkooi en de Vinexwijken gedrapeerd. De weg hindert de watertjes, kikkers en fietsers niet en zelfs de herrie en zichthinder in de omringende dorpen is geminimaliseerd. Er zijn enclaves waar de vogeltjes rust hebben. Het is een hi-tech grootstedelijk park. Geen natuur. Voor natuur moet je naar Noorwegen, Peter, niet naar Pijnacker.’
Peters gezicht werd wat donkerder van opwinding. Hij schreef. Zijn mond verstrakte.
‘En de kerktoren… Heeft die een neoreligieuze betekenis? Een oproep misschien om weer christelijk te worden tegen de oprukkende islam?’

‘Grappig dat je meteen laat weten wat je me graag hoort zeggen. Nee, het beeld is ontleend aan een volgens mij heel herkenbare Hollandse ruimtelijke ervaring. Je schaatst op een heldere winterdag over een plas. Zon. Zwart ijs. Geel ritselend riet. Overal in de verte zie je de kerktorens van de dorpen. Je koerst op die torenspitsen zoekend naar warme chocolademelk, pannenkoeken, een beerenburgje, een bord hachee. De glasplaten verwijzen naar ijs. Ook al werken ze visueel als water. Zoals mijn werk in het land ligt is het een synthese van al die beelden en ervaringen, van de geschiedenis die daarin is opgeslagen. Een heel Hollands soort schoonheid. Het ziet er toch schitterend uit? Voel je niks als je ernaar kijkt?’
Peter haalde zijn schouders op. Hij noteerde de uitspraken van Timon.
Timon kon het niet laten. Hij zei tegen de verslaggever: ‘Dan moet jij zeggen: bij de nazi’s zag alles er ook schitterend uit. Leni Riefenstahl, prachtig! En dan citeer je Armando, schoonheid is niet pluis.’ Hij grijnsde even naar Angela, die niet-begrijpend teruglachte.
Peter van Leunen bedankte voor het vraaggesprek en meed Timons blik. Snel handje. Daarna beende hij wijdbeens achter zijn buik aan naar de tafel met champagne. Timon wist dat de man van de Haagse Courant hem een arrogante klootzak vond. Een mooipratende kontkruiperige kunstenaar, die meelulde met de regenten en een enorme bult belastinggeld in zijn zak stak. En nog een praalhans en rokkenjager bovendien. Maar zou dat ook in de krant komen te staan?”

 

Dirk van Weelden (Zeist, 22 november 1957)

 

De Duitse dichter, schrijver, acteur en regisseur Christian Filips werd geboren op 22 november 1981 in Osthofen. Zie ook alle tags voor Christian Filips op dit blog.

 

Exultate, jubilate!

Weg libido! Weg, boeken! Lichaam, weg!
Jullie willen me toch allemaal slechts te grazen nemen.
Weg liefdesperikelen. Laat niemand toe.
En als je me met kranen belaagt:
Kun je beter naar Kamtsjatka of Leipzig gaan,
Bouw kolonies in de omgeving noem ze
Naar mij (dus: Filips-Congo. Of: Christograd),
Bouw dierentuinen, gedenktekens, nachtclubs,
Schrijf huiswerk over mijn gedichten,
Vertaal me in het Hongaars, verzorg me, smeek maar –
Dit alles laat me koud. Ik, met mijn grandeur,
Heb een snel hart, ga om negen uur naar bed.
Verdwaal niet in mijn denken, speculeer
ook niet langer meer op jullie telefoontjes
– Of iemand juist bereid is om met mij te delen
Zijn beetje leven, werk, aangeboren driften –
Ik ga gewoon slapen. Zeg hardop:
Legendes blijven groeien. Tot ze waar zijn.
De duivel pronkte met zijn geloof en siste.
Werd substantie. En gaf zichzelf over: aan de geest.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Christian Filips (Osthofen 22 november 1981)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e november ook mijn blog van 22 november 2018 en eveneens mijn blog van 22 november 2015 deel 2.

André Gide, George Eliot, Dirk van Weelden, Christian Filips, Suresh en Jyoti Guptara, Viktor Pelevin, Endre Ady, William Kotzwinkle, Elisabeth Maria Post

De Franse schrijver André Gide werd geboren op 22 november 1869 in Parijs. Zie ook alle tags voor André Gide op dit blog.

Uit: La Porte étroite

“J’ai revu Juliette l’an passé. Plus de dix ans s’étaient écoulés depuis sa dernière lettre, celle qui m’annonçait la mort d’Alissa. Un voyage en Provence me fut une occasion de m’arrêter à Nîmes. Avenue de Feuchères, au centre bruyant de la ville, les Teissières habitent une maison d’assez belle apparence. Bien que j’eusse écrit pour annoncer ma venue, j’étais passablement ému en franchissant le seuil.
Une bonne me fit monter dans le salon où, quelques instants après, Juliette vint me rejoindre. Je crus voir la tante Plantier : même démarche, même carrure, même cordialité essoufflée. Elle me pressa tout aussitôt de questions dont elle n’attendait pas les réponses, sur ma carrière, mon installation à paris, mes occupations, mes relations ; qu’est-ce que je venais faire dans le Midi ? Pourquoi n’irais-je pas jusqu’à Aigues-Vives où Edouard serait si heureux de me voir ?… Puis elle me donnait des nouvelles de tous, parlait de son mari, de ses enfants, de son frère, de la dernière récolte, de la mévente… J’apprenais que Robert avait vendu Fongueusemare, pour venir habiter Aigues-Vives ; qu’il était maintenant l’associé d’Edouard, ce qui permettait à celui-ci de voyager et de s’occuper plus spécialement de la partie commerciale de l’affaire, tandis que Robert restait sur les terres, améliorant et étendant les plants.
Cependant je cherchais des yeux, inquiètement, ce qui pouvait rappeler le passé. Je reconnaissais bien, parmi le mobilier neuf du salon, quelques meubles de Fongueusemare ; mais ce passé qui frémissait en moi, il semblait que Juliette à présent l’ignorât ou prît à tache de nous en distraire.
Deux garçons de douze et treize ans jouaient dans l’escalier ; elle les appela pour me les présenter. Lise, l’aînée de ses enfants, avait accompagné son père à Aigues-Vives. Un autre garçon de dix ans allait rentrer de promenade ; c’est celui dont Juliette m’avait annoncé la naissance prochaine en m’annonçant aussi notre deuil. Cette dernière grossesse ne s’était pas terminée sans peine ; Juliette en était restée longtemps éprouvée ; puis, l’an passé, comme se ravisant, elle avait donné le jour à une petite fille qu’il semblait, à l’entendre parler, qu’elle préférât à ses autres enfants.
« Ma chambre, où elle dort, est à côté, dit-elle ; viens la voir. » Et comme je la suivais : « Jérôme je n’ai pas osé te l’écrire… consentirais-tu à être parrain de cette petit ?
– Mais j’accepte volontiers, si cela doit t’être agréable, dis-je, un peu surpris, en me penchant vers le berceau. “


André Gide (22 november 1869 – 19 februari 1951)
Geïllustreerde editie van het boek

 

De Engelse dichteres en schrijfster George Eliot werd geboren op 22 november 1819 in Nuneaton in Warwickshire. Zie ook alle tags voor George Eliot op dit blog.

Uit: Adam Bede

“I was dreadful frightened, and angry with her for going. I didn’t go to give information, because I’d no thought she meant to do any harm, and I knew she had money in her pocket to buy her food and lodging. I didn’t like to set the constable after her, for she’d a right to go from me if she liked.”
The effect of this evidence on Adam was electrical; it gave him new force. Hetty could not be guilty of the crime — her heart must have clung to her baby — else why should she have taken it with her? She might have left it behind. The little creature had died naturally, and then she had hidden it. Babies were so liable to death — and there might be the strongest suspicions without any proof of guilt. His mind was so occupied with imaginary arguments against such suspicions, that he could not listen to the cross-examination by Hetty’s counsel, who tried, without result, to elicit evidence that the prisoner had shown some movements of maternal affection towards the child. The whole time this witness was being examined, Hetty had stood as motionless as before: no word seemed to arrest her ear. But the sound of the next witness’s voice touched a chord that was still sensitive, she gave a start and a frightened look towards him, but immediately turned away her head and looked down at her hands as before. This witness was a man, a rough peasant. He said:
“My name is John Olding. I am a labourer, and live at Tedd’s Hole, two miles out of Stoniton. A week last Monday, towards one o’clock in the afternoon, I was going towards Hetton Coppice, and about a quarter of a mile from the coppice I saw the prisoner, in a red cloak, sitting under a bit of a haystack not far off the stile. She got up when she saw me, and seemed as if she’d be walking on the other way. It was a regular road through the fields, and nothing very uncommon to see a young woman there, but I took notice of her because she looked white and scared. I should have thought she was a beggar-woman, only for her good clothes.”


George Eliot (22 november 1819 – 22 december 1880)
Cover

 

De Nederlandse schrijver Dirk van Weelden werd geboren in Zeist op 22 november 1957. Zie ook alle tags voor Dirk van Weelden op dit blog.

Uit: Training

“De handrem kraakte. De stilte van het bos overspoelde de auto. We stapten uit. De grond rook naar potaarde uit de supermarkt.
‘Iets te drinken meenemen?’ vroeg ik.
‘Heb ik aan gedacht,’ zei Denijs. Hij toonde de inhoud van zijn lichtgewicht rugzakje: druivesuiker, twee bananen en een plastic veldflesje met isotone frisdrank.
Voor de warming up wandelden we naar een open plek waar banken stonden die het stretchen makkelijker maakten. De heldere winterlucht smaakte lekker en ik haalde zo diep mogelijk adem.
Tijdens de warming up zei Denijs:
‘Kijk, daarom belde ik je. We hebben allebei de juiste loopconditie om dit experiment te kunnen doen, als het lopen een probleem is heeft het sowieso geen zin. Je moet aandacht óver hebben.’
Hij had onderweg in de auto verteld van het experiment dat op stapel stond. Het trainen van ons geestesoog. Denijs had een theorie over het afsterven van de visuele verbeeldingskracht. Dat kwam door de overdaad aan kant en klare beelden waarmee een modern mens overspoeld werd. Voorzover de moderne mens zich met gesloten ogen beelden voor de geest kon halen was het een vuilstort van versleten plaatjes. De oosterse meditatie, gericht op het leegmaken van de gedachten wees hij af.
‘Laten we nuchter zijn,’ zei hij, ‘dat veronderstelt toch een soort volkenkundige salto mortale, zo zit ons denken niet in elkaar. Zelfs de mystiekste monniken hebben altijd over Maria, Jezus, een heilige of een bijbeltekst gemediteerd. Niks leegte. Een helder beeld, dat ze zich steeds beter leerden voorstellen. Ze trainden hun geestesoog. Tot ze konden denken in beelden. Geen opgejaagde stroom van ooit vluchtig opgepikte televisiebeelden en foto’s, maar zelf samengestelde en opgeroepen beelden.
‘Die mentale cinema is in onbruik geraakt. Ons geestesoog is lui geworden en luie ogen worden blind. Mensen hebben er tegenwoordig moeite mee iets te lezen en het voor zich te zien. En als ze zich iets voorstellen om het te beschrijven schieten hun alleen vlakke, grauwe beelden te binnen. Ik wil mijn geestesoog trainen om het krachtiger te maken en er een betere controle over te hebben.”

 
Dirk van Weelden (Zeist, 22 november 1957)

 

De Duitse dichter, schrijver, acteur en regisseur Christian Filips werd geboren op 22 november 1981 in Osthofen. Zie ook alle tags voor Christian Filips op dit blog.

Als ich neulich nachts

an die Wand gedrückt, wieder

(Ich-Taste) wie damals, mit sechs
oder sieben, die Eltern (im Traum

sind im Krieg)
kalt weiß massiv

(im Scheidungskrieg) geblieben
der Eindruck, den die Wand

ihm – wem? –
wieder gut macht:

Zugewandter
wendet die Wand sich

zu.

 

Ich sitze da, wo du mich sitzen lässt

auf deines Vaters Mauer, hoch dort oben

(Landschaft mit Kranich, Schilf
und Brise, weiter hinten)

höre ich dich
an dir vorbei …

und höre
einen Flussgott, jung

der an die hohe, hehre

strullt (Mauer in der
Abenddämmerung)


Christian Filips (Osthofen 22 november 1981)

 

De Brits-Indische schrijverstweeling Suresh en Jyoti Guptara werd geboren op 22 november 1988 in Frimley, Hants in het zuidoosten van Engeland. Zie ook alle tags voor Suresh en Jyoti Guptara op dit blog.

Uit: Calaspia, Das Erbe der Apheristen (Vertaald door Frank Böhmert)

„Es roch nach Räucherwerk. Er blickte sich suchend um, bis er die Weihrauchkugeln fand, die in einer Schale brannten. Schnuppernd ging er immer näher heran. Als ihn der Rauch in die Nase biss, schüttelte er mit einem Niesen den Kopf und tastete mit zittrigen Fingern nach der Glut. Er riss die Hand zurück. «Hast du den Verstand verloren, du Narr?» Plötzlich schien ihn der Anblick seines Gemachs zu ängstigen. Er sah sich vergeblich nach einer Wache um. Er hatte längst vergessen, dass sie allesamt draußen postiert waren, und wagte es nicht, die Tür zu öffnen, weil davor unaussprechliche Wesen auf der Lauer liegen mochten. «Peasmi? Rameon? Warum habt ihr mich verlassen?» Klagend und hustend schlich er umher. «Vater? Ich dachte, du wärst tot … Elyon sei Dank, dann bin ich gar nicht Imperator! Ich hatte einen Albtraum … viele Albträume …» Seine wirren Reden endeten in einem Aufschrei: «Holt mich hier heraus!» Er stolperte zu seinem Thron und strich mit den Finger spitzen über die Schatulle auf der Armlehne. Es bereitete ihm einige Mühe, den Deckel zu öffnen. Bald seufzte er erleichtert, versank in immer tieferen Schichten der Bewusstlosigkeit. Außerhalb der Gefangenschaft seiner Gedanken, außerhalb seines Palasts, der ihm wie ein Kerker vorkam, brannte sein Imperium.
***

Hundert Wegstunden von der schwimmenden Hauptstadt des Imperiums entfernt, stapfte ein bebrillter Krieger mit freiem Oberkörper durch den Schnee der Säbelzahnberge. Die behaarten Arme des Zwergs besaßen denselben Umfang wie die Oberschenkel der Soldaten, die er mit einem finsteren Blick bedacht hatte, als sie über diese Kombination von Körperkraft und Sehschwäche zu lachen wagten. Inzwischen befand sich Galar Sturlison im sturmumtosten Grenzland. Er kniff die tränenden Augen zusammen und hielt nach anderen Lebensformen Ausschau. Die Heere der Numenii standen versammelt im Hinterland und warteten auf den Befehl, in das unabhängige Königreich des Nordens einzufallen, und er sollte erkunden, inwieweit Polgaren seine Truppen bereits zusammengezogen hatte. Außer ein paar Bauern, die in der rauen Umgebung ein undankbares Dasein fristeten, lebte im Umkreis von Meilen niemand. Die windgepeitschten Gipfel ließen sich kaum voneinander unterscheiden, die Sonne gleißte schmerzhaft auf den Schneefeldern und Gletschern. Da nahm er ja sogar lieber am Rat von COLA teil, von Calaspias Offiziellen und Landesältesten, die durch ein schmutziges Komplott dazu verleitet worden waren, das Land in diesen Schlamassel zu stürzen. Politik hin oder her, dort gab es wenigstens etwas Anständiges zu futtern.“

 
Suresh en Jyoti Guptara (Frimley, 22 november 1988)

  

De Russische schrijver Viktor Pelevin werd geboren op 22 november 1962 in Moskou. Zie ook alle tags voor Viktor Pelevin op dit blog.

Uit: Buddha’s Little Finger (Vertaald door Andrew Bromfield)

“Vorblei picked up the receiver. `Yes, comrade Babayasin,’ he roared into the ebony cup of the mouthpiece. `Yes, I remember … No, don’t send them … Comrade Babayasin, I can’t do that, it will look ridiculous … Just imagine — with the sailors, it will be a disgrace … What? I will follow orders, but I must register a vigorous protest … What?’
He glanced sideways at me and, not wishing to embarrass him, I went through into the lounge.
The floor there was covered with newspapers — most of them banned long ago. I supposed there must have been files of them left behind in the flat. Other traces of the place’s former life were also visible: there was a delightful Turkish carpet hanging on the wall and below it stood a secretaire decorated with enamel rhomboids of various colours. As soon as I saw it I realized that a well-to-do bourgeois family must have lived there. A large mirror stood against the opposite wall. Beside it hung a crucifix in the art-nouveau style, and for a moment I pondered the nature of the religious feeling which might correspond to such a work of art. A considerable part of the space was occupied by an immense bed under a yellow canopy. The items that stood on the round table in the centre of the room seemed to me — possibly because of their proximity to the crucifix — to be a still-life composed of esoteric Christian motifs: a large bottle of vodka, a halvah tin shaped like a heart, a staircase leading into emptiness constructed out of pieces of black bread laid one on top of another, three tooth glasses and a cross-shaped can-opener.
Lying on the floor beside the mirror was a pile of packages whose shapes put me in mind of contraband; a sour smell of leg-wrappings and stale drink hung in the air, and there were also a great many empty bottles in the room. I sat on the table.”

 
Viktor Pelevin (Moskou, 22 november 1962)

 

De Hongaarse dichter Endre Ady werd geboren op 22 november 1877 in het huidige Adyfalva. Zie ook alle tags voor Endre Ady op dit blog.

Hawk Mating On The Fallen Leaves

Up. Up. And onward into Autumn fly
In shrill pursuit and raucous hunting cry
A pair of hawks with summer-weary wings.

Summer has bred new pirates in her care
And fresher pinions flutter down her air
To join the lists of Love which now are wide.

We fled from Summer, now ourselves pursued,
Till somewhere sometime in an autumn wood
We stooped with fluttered wings for very love.

This is our final mating. Now the keen
Talon on feather tears the quick between
And so we fall together with the leaves

 

Mahnung an die Hüter

Ihr Hüter auf Wache, habt acht!
Die Sterne verstreut jede Nacht,
Erinnerung gestriger Sommer,
Glühwürmchen in Gärten entfacht.
Vermischt florentinischer Sommer
Mit Abschied vom Lido im Herbst,
Erinnerung dämmernder Morgen
An Ballsäle – dunstig – zerweht
An alles vergangene Schöne,
Das niemals durch Sterben vergeht.
Das ferne Lächeln der Herzen,
Lebendiges, Totes, behütet – bedacht,
Sieht auf euch besorgt und verlassen –
Ihr Hüter auf Wache, habt acht!

Ihr Hüter auf Wache, habt acht!
Das Leben will leben und lebt.
Es schenkt nicht deshalb soviel Schönes,
Damit es in Flammen zergeht,
Durch dumme und gierige Greuel.
So traurig das Menschsein auch ist,
Die Losung der heldischen Bestien,
Die Sterne verstreuende Nacht,
Sie lassen auch heut nicht vergessen
Den Glauben, durch Schönheit entfacht.
Ihr, die ihr noch da seid, bewahrend –
Ihr Hüter auf Wache, habt acht!

 

Vertaald door Paul Kárpáti e.a.

 
Endre Ady (22 november 1877 – 27 januari 1919)
Standbeeld in Boedapest

 

De Amerikaanse schrijver William Kotzwinkle werd geboren op 22 november 1943 in Scranton, Pennsylvania. Zie ook alle tags voor William Kotzwinkle op dit blog.

Uit: Fata Morgana

“Paris, 1861
The faces in the crowd were dark, from Spain, Morocco, Constantinople, and a sensuous air prevailed, exotic and violent. The shops were filled with cheap merchandise; a dark-haired prostitute stood on the corner, smiling, and Inspector Picard passed her, making his way through Pigalle. Glancing at his watch, he quickened his step, muttering the usual nonsense to himself about eating less and training more, for he was breathing heavily from his exertion. Yet he moved more swiftly than any other on the busy street, with the surprising swiftness of the bear who has suddenly found reason to move. And like the bear he had a heavy, natural grace, despite his fifty-two years and the extra pounds around his waistline, produced by a particularly delicious lemon tart sold on the rue Dauphine; he longed for one now, for as always when on the scent, a strange hunger stole over him—he felt he could devour Baron Mantes alive, swallow him down and munch his bones. As he hurried along, Picard studied certain faces carefully, taking note of their eyes, and also of their hands—the way they handled a franc note, almost caressing it, ritually folding it and slipping it away—these were men he would see again, in the intimate embrace of arrest, or they would find their fate elsewhere, or they would escape absolutely. The city was vast, sprawling, who could know it all? He left the street of cheap pimps and prostitutes, entering the chausee d’Antin, where the Great Whores had their apartments. The carriages at the curb belonged to diplomats, ambassadors, and the voices he heard were discreet, refined. Nonetheless, last month he’d assisted in the removal of a body from one of the luxurious gardens, where a duel had been fought over a whore’s favor. Madness prevailed everywhere. Ahead he saw the lights of the Opera. The street was lined with waiting carriages. Among them he spotted Paradis the ragman, a wicker basket over his shoulder, a filthy paper flower in his lapel. Picard approached the informer quickly. “He’s still here?” “The box seats,” said Paradis, staring wildly around him. Picard handed him a roll of franc notes. “Stay and point him out to me.” Paradis hurriedly thrust the money in his pocket and shuffled off as fast as he could, his enormous shoes slapping in the mud, his baggy pants trailing over his heels. Picard watched the retreating ragman for a moment, then turned and walked into the lobby of the theatre as the final ovation was being offered the horned and embattled singers. He took his position where he could observe those music lovers who’d held box seats. The crowd filed past, involved in the usual flirtations, the regular boredom. All they’d killed was another evening.”


William Kotzwinkle (Scranton, 22 november 1943)
Cover

 

De Nederlands dichteres en schrijfster Elisabeth Maria Post werd geboren in Utrecht op 22 november 1755. Zie ook alle tags voor Elisabeth Maria Post op dit blog.

Uit: Het land, in brieven

“Ik woon, ’t is waar, bij een klein, afgelegen, en schaarsbezogt Dorpje. Op het hangen van eenen eenzamen heuvel, ligt mijn aangenaam Zorgenvrij. – Mijne eenvoudige woning, is verscholen onder rijzend geboomte. In het vreedzaam dal, dat aan deszelfs voet ligt, vertoonen zig de lage bemoste hutten der Landlieden, met eene bekorende nederigheid. Akkers, Weiden, Bergen, Dalen, Beken, Bronnen, Bosschen en Vlaktens versieren dezen voor mij betoverenden oord en maken dien des Zomers, tot een Eden. – Maar de Winter, vraagt gij? In den Winter, ja, is de Natuur van haar voornaamste sieraad berooft. Zij slaapt. Zij schijnt dood, en draagt alom de merktekenen van eene akelige verwoesting. De digtste bosschen staan nu bladerloos. De gevleugelde zangers zwijgen. De bloemhoven toonen niet meer, dan de dorre overblijfzelen van verdwenen schoonheid. De velden zijn ledig en de weiden zonder vee. Het geruisch der beekjes is niet meer betoverend. Met een woord: er is geen schaduw meer van die heerlijkheid, die alles voor weinig maanden versierde. – Maar zou de Natuur daarom thans alles schoon missen? De gure, de woeste winter, is wel een treurig, maar toch een grootsch toneel van Gods alvermogen: en dit denkbeeld; ‘De Natuur is niet dood – maar rust; zij bereidt zig, om eerlang met grooter luister te schitteren,’ – neemt veel van zijne treurigheid weg. Het vervuld den geest met streelende vooruitzigten, die dikwils meer voldoen dan het genot zelve. – Met welk eene vergenoegde hoop, zie ik aan de boomen de knopjes, waarin de bladeren zitten opgewonden, die mij in een volgend jaar zullen beschaduwen, of het sieraad en den groei der vrugten bevorderen! Ga ik naar eenen kersenboom, ik pluk een knopje, en open het: welk een aangename verwondering volgt op de spijt, waar mede ik een zo konstig natuur-gewrogt vernietig! Welk eene wijsheid, welk eene almagt toont het eenvoudig blaadje! Wat zeg ik eenvoudig? in de bijna onzigtbare deeltjes van deze digt in elkander gerolde blaadjes die reeds de toekomstige vrugt in zig besluiten, is een samenloop van wonderen.
Kunt gij in de stad, daar u zoo veele afleidingen uwen tijd ontrooven, wel om deze dingen denken, die kleinigheden schijnen in het oog van iemand, die er het zagt genoegen niet van kent?”

 
Elisabeth Maria Post (22 november 1755 – 3 juli 1812)
Illustratie uit “Het land, in brieven”

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e november ook mijn blog van 22 november 2015 deel 2.

André Gide, George Eliot, Dirk van Weelden, Christian Filips, Suresh en Jyoti Guptara, Viktor Pelevin, Endre Ady, William Kotzwinkle, Elisabeth Maria Post

De Franse schrijver André Gide werd geboren op 22 november 1869 in Parijs. Zie ook alle tags voor André Gide op dit blog.

Uit: Si le grain ne meur

« Je naquis le 22 novembre 1869. Mes parents occupaient alors, rue de Médicis, un appartement au quatrième ou cinquième étage, qu’ils quittèrent quelques années plus tard, et dont je n’ai pas gardé souvenir. Je revois pourtant le balcon ; ou plutôt ce qu’on voyait du balcon : la place à vol d’oiseau et le jet d’eau de son bassin — ou, plus précisément encore, je revois les dragons de papier, découpés par mon père, que nous lancions du haut de ce balcon, et qu’emportait le vent, par-dessus le bassin de la place, jusqu’au jardin du Luxembourg où les hautes branches des marronniers les accrochaient. Je revois aussi une assez grande table, celle de la salle à manger sans doute, recouverte d’un tapis bas tombant ; au-dessous de quoi je me glissais avec le fils de la concierge, un bambin de mon âge qui venait parfois me retrouver. — Qu’est-ce que vous fabriquez là-dessous ? criait ma bonne. — Rien. Nous jouons. Et l’on agitait bruyamment quelques jouets qu’on avait emportés pour la frime. En vérité nous nous amusions autrement : l’un près de l’autre, mais non l’un avec l’autre pourtant, nous avions ce que j’ai su plus tard qu’on appelait « de mauvaises habitudes ». Qui de nous deux en avait instruit l’autre ? et de qui le premier les tenait-il ? Je ne sais. Il faut bien admettre qu’un enfant parfois à nouveau les invente. Pour moi je ne puis dire si quelqu’un m’enseigna ou comment je découvris le plaisir ; mais, aussi loin que ma mémoire remonte en arrière, il est là. Je sais de reste le tort que je me fais en racontant ceci et ce qui va suivre ; je pressens le parti qu’on en pourra tirer contre moi. Mais mon récit n’a raison d’être que véridique. Mettons que c’est par pénitence que je l’écris. A cet âge innocent où l’on voudrait que toute l’âme ne soit que transparence, tendresse et pureté, je ne revois en moi qu’ombre, laideur, sournoiserie. On m’emmenait au Luxembourg ; mais je me refusais à jouer avec les autres enfants ; je restais à l’écart, maussadement, près de ma bonne ; je considérais les jeux des autres enfants. Ils faisaient, à l’aide de seaux, des rangées de jolis pâtés de sable… Soudain, à un moment que ma bonne tournait la tête, je m’élançais et piétinais tous les pâtés. »

 
André Gide (22 november 1869 – 19 februari 1951)
André Gide et ses amis au Café maure de l’exposition universelle de 1900 door Jacques-Émile Blanche. Gide rechts, met hoed.

Doorgaan met het lezen van “André Gide, George Eliot, Dirk van Weelden, Christian Filips, Suresh en Jyoti Guptara, Viktor Pelevin, Endre Ady, William Kotzwinkle, Elisabeth Maria Post”

André Gide, George Eliot, Dirk van Weelden, Christian Filips, Suresh en Jyoti Guptara, Viktor Pelevin, Endre Ady, William Kotzwinkle

De Franse schrijver André Gide werd geboren op 22 november 1869 in Parijs. Zie ook alle tags voor André Gide op dit blog.

Uit: Les Faux-monnayeurs

“Mais si cela voulait dire quelque chose, tu ne comprendrais tout de même pas.
Quand on parle, c’est pour se faire comprendre.
Veux-tu, nous allons jouer à faire des mots pour nous deux seulement les comprendre.
Tâche d’abord de bien parler français.
Ma maman, elle, parle le français, l’anglais, le romain, le russe, le turc, le polonais, l’italoscope, l’espagnol, le perruquoi et le xixitou.
Tout ceci dit très vite, dans une sorte de fureur lyrique.
Bronja se mit à rire.
Boris, pourquoi est-ce que tu me racontes tout le temps des choses qui ne sont pas vraies ?
Pourquoi est-ce que tu ne crois jamais ce que je te raconte ?
Je crois ce que tu me dis, quand c’est vrai.
(…)

Oui. Non ; écoute : on va prendre un bâton ; tu tiendras un bout et moi l’autre. Je vais fermer les yeux et je te promets de ne les rouvrir que quand nous serons arrivés là-bas.
Ils s’éloignèrent un peu ; et, tandis qu’ils descendaient les marches de la terrasse, j’entendis encore Boris :
Oui, non, pas ce bout-là. Attends que je l’essuie.
Pourquoi ?
J’y ai touché.”

 
André Gide (22 november 1869 – 19 februari 1951)
Hier met zijn jonge geliefde Marc Allégret (links) in 1926

Doorgaan met het lezen van “André Gide, George Eliot, Dirk van Weelden, Christian Filips, Suresh en Jyoti Guptara, Viktor Pelevin, Endre Ady, William Kotzwinkle”

André Gide, George Eliot, Dirk van Weelden, Suresh en Jyoti Guptara, Viktor Pelevi, Erich Przywara

Bij Christus Koning

 

 
Het apsis mozaïek in het Bonner Münster toont Christus als koning op de troon

 

O Du mein Heiland hoch und hehr

O Du mein Heiland hoch und hehr,
dem sich der Himmel beuget,
von dessen Liebe, dessen Macht
die ganze Schöpfung zeuget:

Christus, mein König, Dir allein
schwör ich die Liebe lilienrein,
bis in den Tod die Treue!

Nicht alle Welt und ihre Pracht,
Engel und Menschen nimmer;
o Herr, mich scheidet nichts von Dir,
Dein eigen bleib ich immer:

Christus, mein König, Dir allein
schwör’ ich die Liebe lilienrein,
bis in den Tod die Treue!

Du nur allein lebst nun in mir,
brennst mir in Herz und Händen:
lass mich entflammen alle Welt
mit Deinen Feuerbränden:

Christus, mein König, Dir allein
schenk’ ich die Liebe stark und rein,
bis in den Tod die Treue!

 

 
Erich Przywara (12 oktober 1889 – 28 september 1972)
De Mariakerk in Katowice waar Erich Przywara werd geboren

Doorgaan met het lezen van “André Gide, George Eliot, Dirk van Weelden, Suresh en Jyoti Guptara, Viktor Pelevi, Erich Przywara”

André Gide, George Eliot, Dirk van Weelden, Suresh en Jyoti Guptara, Viktor Pelevi

De Franse schrijver André Gide werd geboren op 22 november 1869 in Parijs. Zie ook alle tags voor André Gide op dit blog.

Uit: Si le grain ne meur

“Roger Martin du Gard, à qui je donne à lire ces Mémoires leur reproche de ne jamais dire assez et de laisser le lecteur sur sa soif. Mon intention pourtant a toujours été de tout dire. Mais il est un degré dans la confidence que l’on ne peut dépasser sans artifice, sans se forcer ; et je cherche surtout le naturel. Sans doute un besoin de mon esprit m’amène, pour tracer plus purement chaque trait, à simplifier tout à l’excès ; on ne dessine pas sans choisir ; mais le plus gênant c’est de devoir présenter comme successifs des états de simultanéité confuse. je suis un être de dialogue ; tout en moi combat et se contredit. Les Mémoires ne sont jamais qu’à demi sincères, si grand que soit le souci de vérité : tout est toujours plus compliqué qu’on ne le dit. Peut-être même approche-t-on de plus près la vérité dans le roman.
(…)

Nos actes les plus sincères sont aussi les moins calculés ; l’explication qu’on en cherche après coup reste vaine. Une fatalité me menait ; peut-être aussi le secret besoin de mettre au défi ma nature ; car, en Emmanuèle, n’était-ce pas la vertu même que j’aimais ? C’était le ciel, que mon insatiable enfer épousait ; mais cet enfer je l’omettais à l’instant même : les larmes de mon deuil en avaient éteint tous les feux ; j’étais comme ébloui d’azur, et ce que je ne consentais plus à voir avait cessé pour moi d’exister. Je crus que tout entier je pouvais me donner à elle, et le fis sans réserve de rien. A quelque temps de là nous nous fiançâmes.”

 
André Gide (22 november 1869 – 19 februari 1951)
Op ongeveer 20-jarige leeftijd

Doorgaan met het lezen van “André Gide, George Eliot, Dirk van Weelden, Suresh en Jyoti Guptara, Viktor Pelevi”

André Gide, George Eliot, Dirk van Weelden, Suresh en Jyoti Guptara, Viktor Pelevin, Endre Ady

De Franse schrijver André Gide werd geboren op 22 november 1869 in Parijs. Zie ook alle tags voor André Gide op dit blog.

Uit: Le journal de Tityre ou Paludes

“De ma fenêtre j’aperçois, quand je relève un peu la tête, un jardin que je n’ai pas encore bien regardé ; à droite, un bois qui perd ses feuilles ; au delà du jardin, la plaine ; à gauche un étang dont je reparlerai.
Le jardin, naguère, était planté de passeroses et d’ancolies, mais mon incurie a laissé les plantes croître à l’aventure ; à cause de l’étang voisin, les joncs et les mousses ont tout envahi ; les sentiers ont disparu sous l’herbe ; il ne reste plus, où je puisse marcher, que la grande allée qui mène de ma chambre à la plaine, et que j’ai prise un jour lorsque je fus me promener. Au soir, les bêtes du bois la traversent pour aller boire l’eau de l’étang; à cause du crépuscule, je ne distingue que des formes grises, et comme ensuite la nuit est close, je ne les vois jamais remonter.
– Moi, ça m’aurait fait peur, dit Angèle ; – mais continuez, – c’est très bien écrit. »
J’étais très contracté par l’effort de cette lecture :
« Oh ! c’est à peu près tout, lui dis-je ; le reste n’est pas achevé.
– Des notes, s’écria-t-elle – ô lisez-les ! c’est le plus amusant ; on y voit ce que l’auteur veut dire bien mieux qu’il ne l’écrira dans la suite. »
Alors je continuai – déçu d’avance et, tant pis, tâchant de donner à ces phrases une apparence inachevée :
Des fenêtres de sa tour, Tityre peut pêcher à la ligne… – « Encore une fois ce ne sont là que des notes…
– Allez donc !
– Attentes mornes du poisson ; insuffisance des amorces, multiplication des lignes (symbole) – par nécessité il ne peut rien prendre.
– Pourquoi ça ?
– Pour la vérité du symbole.“


André Gide (22 november 1869 – 19 februari 1951)
Gide: Detail uit “A Reading by Emile Verhaeren” door Theo van Rysselberghe, (1901)

 

Doorgaan met het lezen van “André Gide, George Eliot, Dirk van Weelden, Suresh en Jyoti Guptara, Viktor Pelevin, Endre Ady”

André Gide, George Eliot, Dirk van Weelden, Suresh en Jyoti Guptara

De Franse schrijver André Gide werd geboren op 22 november 1869 in Parijs. Zie ook alle tags voor André Gide op dit blog.

 

Uit: Les Faux-monnayeurs

“- Je suis heureux que vous n’ayez pas signé. Mais, ce qui vous a retenu ?
– Sans doute quelque secret instinct… Bernard réfléchit quelques instants, puis ajouta en riant : – Je crois que c’est surtout la tête des adhérents ; à commencer par celle de mon frère aîné, que j’ai reconnu dans l’assemblée. Il m’a paru que tous ces jeunes gens étaient animés par les meilleurs sentiments du monde et qu’ils faisaient fort bien d’abdiquer leur initiative, car elle ne les eût pas menés loin, leur jugeote, car elle était insuffisante, et leur dépendance d’esprit, car elle eût été vite aux abois. Je me suis dit également qu’il était bon pour le pays qu’on pût compter parmi les citoyens un grand nombre de ces bonnes volontés ancillaires(1) ; mais que ma volonté à moi ne serait jamais de celles-là. C’est alors que je me suis demandé comment établir une règle, puisque je n’acceptais pas de vivre sans règle, et que cette règle je ne l’acceptais pas d’autrui.
– La réponse me paraît simple : c’est de trouver cette règle en soi-même ; d’avoir pour but le développement de soi.
– Oui…, c’est bien là ce que je me suis dit. Mais je n’en ai pas été plus avancé pour cela. Si encore j’étais certain de préférer en moi le meilleur, je lui donnerais le pas sur le reste. Mais je ne parviens pas même à connaître ce que j’ai de meilleur en moi… J’ai débattu toute la nuit, vous dis-je. Vers le matin, j’étais si fatigué que je songeais à devancer l’appel de ma classe(2) ; à m’engager.
– Echapper à la question n’est pas la résoudre.
– C’est ce que je me suis dit, et cette question, pour être ajournée , ne se poserait à moi que plus gravement après mon service. Alors je suis venu vous trouver pour écouter votre conseil.
– Je n’ai pas à vous en donner. Vous ne pouvez trouver ce conseil qu’en vous-même, ni apprendre comment vous devez vivre, qu’en vivant.
– Et si je vis mal, en attendant d’avoir décidé comment vivre ?
– Ceci même vous instruira. Il est bon de suivre sa pente, pourvu que ce soit en montant.”

 

André Gide (22 november 1869 – 19 februari 1951)

André Gide en Jean Paul Sartre (links), Cabris 1950

Doorgaan met het lezen van “André Gide, George Eliot, Dirk van Weelden, Suresh en Jyoti Guptara”

André Gide, George Eliot, Dirk van Weelden, Viktor Pelevin, Suresh en Jyoti Guptara, William Kotzwinkle, Endre Ady, George Robert Gissing, Elisabeth Maria Post

De Franse schrijver André Gide werd geboren op 22 november 1869 in Parijs. Zie ook mijn blog van 22 november 2006 en ook mijn blog van 22 november 2007 en ook mijn blog van 22 november 2008.

Uit: Les Faux-monnayeurs

 « – Depuis quelque temps, des pièces de fausse monnaie circulent.J’en suis averti. Je n’ai pas encore réussi à découvrir leur provenance. Mais je sais que le jeune Georges – tout naïvement je veux le croire – est un de ceux qui s’en servent et les mettent en circulation. Ils sont quelques-uns, de l’âge de votre neveu, qui se prêtent à ce honteux trafic. Je ne mets pas en doute qu’on n’abuse de leur innocence et que ces enfants sans discernement ne jouent le rôle de dupes entre les mains de quelques coupables aînés. »

(…)

 

Mais, à présent, voici ce que je voudrais savoir: pour se diriger dans la vie, est-il nécessaire de fixer les yeux sur un but?
– Expliquez-vous.
– J’ai débattu cela toute la nuit. À quoi faire servir cette force que je sens en moi ? Comment tirer le meilleur parti de moi-même? Est-ce en me dirigeant vers un but? Mais ce but, comment le choisir ? Comment le connaître, aussi longtemps qu’il n’est pas atteint ?
– Vivre sans but, c’est laisser disposer de soi l’aventure.
– Je crains que vous ne me compreniez pas bien. Quand Colomb découvrit l’Amérique, savait-il vers quoi il voguait? Son but était d’aller devant, tout droit. Son but, c’était lui, et qui le projetait devant lui-même…
– J’ai souvent pensé, interrompit Édouard, qu’en art, et en littérature en particulier, ceux-là seuls
comptent qui se lancent vers l’inconnu. On ne découvre pas de terre nouvelle sans consentir à
perdre de vue, d’abord et longtemps, tout rivage. Mais nos écrivains craignent le large; ce
ne sont que des côtoyeurs.
– Hier, en sortant de mon examen, continua Bernard sans l’entendre, je suis entré, je ne sais
quel démon me poussant, dans une salle où se tenait une réunion publique. Il y était question
d’honneur national, de dévouement à la patrie, d’un tas de choses qui me faisaient battre le
coeur. Il s’en est fallu de bien peu que je ne signe certain papier, où je m’engageais, sur
l’honneur, à consacrer mon activité au service d’une cause qui certainement m’apparaissait
belle et noble.

 

Gide

André Gide (22 november 1869 – 19 februari 1951)

 

De Engelse schrijfster George Eliot werd geboren op 22 november 1819 in Nuneaton in Warwickshire. Zie ook mijn blog van 22 november 2006 en ook mijn blog van 22 november 2008.

 

Uit: Silas Marner

 

In the days when the spinning-wheels hummed busily in the farmhouses–and even great ladies, clothed in silk and thread-lace, had their toy spinning-wheels of polished oak–there might be seen in

districts far away among the lanes, or deep in the bosom of the hills, certain pallid undersized men, who, by the side of the brawny country-folk, looked like the remnants of a disinherited race.  The shepherd’s dog barked fiercely when one of these alien-looking men appeared on the upland, dark against the early winter sunset; for what dog likes a figure bent under a heavy bag?–and these pale men rarely stirred abroad without that mysterious burden.  The shepherd himself, though he had good reason to believe that the bag held nothing but flaxen thread, or else the long rolls of strong linen spun from that thread, was not quite sure that this trade of weaving, indispensable though it was, could be carried on entirely without the help of the Evil One.  In that far-off time superstition clung easily round every person or thing that was at all unwonted, or even intermittent and occasional merely, like the visits of the pedlar or the knife-grinder.

No one knew where wandering men had their homes or their origin; and how was a man to be explained unless you at least knew somebody who knew his father and mother? To the peasants of old times, the world outside their own direct experience was a region of vagueness and mystery: to their untravelled thought a state of wandering was a conception as dim as the winter life of the swallows that came back with the spring; and even a settler, if he came from distant parts, hardly ever ceased to be viewed with a remnant of distrust, which would have prevented any surprise if a long course of inoffensive conduct on his part had ended in the commission of a crime; especially if he had

any reputation for knowledge, or showed any skill in handicraft.  All cleverness, whether in the rapid use of that difficult instrument the tongue, or in some other art unfamiliar to villagers, was in itself suspicious: honest folk, born and bred in a visible manner, were mostly not overwise or clever–at least, not beyond such a matter as knowing the signs of the weather; and the process by which rapidity and dexterity of any kind were acquired was so wholly hidden, that they partook of the nature of conjuring.  In this way it came to pass that those scattered linen-weavers–emigrants from the town into the country–were to the last regarded as aliens by their rustic neighbours, and usually contracted the eccentric habits which belong to a state of loneliness.

 

Eliott

George Eliot (22 november 1819 – 22 december 1880)
Standbeeld in Nuneaton

 

De Nederlandse schrijver Dirk van Weelden werd geboren in Zeist op 22 november 1957. Van Weelden groeide op in Alkmaar, waar hij het gymnasium doorliep. Hij studeerde in de jaren 70 en 80 filosofie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Na zijn afstuderen in 1983 trok hij naar Amsterdam. Hij publiceerde in deze periode in verschillende tijdschriften en werkte als schrijver samen met beeldend kunstenaars. Met Martin Bril, die hij tijdens zijn studententijd in Groningen had leren kennen, vormde hij een schrijversduo. In 1987 debuteerden ze met Arbeidsvitaminen. Het ABC van Bril & Van Weelden. De roman Tegenwoordigheid van geest uit 1989 was zijn solodebuut. Voor Mobilhome uit 1991 ontving Van Weelden in 1992 de Multatuliprijs. In 1999 ontving hij de Frans Kellendonkprijs. Van Weelden was vanaf 1991 redacteur van het kunsttijdschrift Mediamatic. Sinds 1999 maakt hij deel uit van de redactie van het literaire tijdschrift De Gids. Van Weelden is prominent lid van de Nederlandse Academie voor ’Patafysica.

Uit: De wereld van 609

“TWAALF UUR/WIMPERSLAG

Twaalf uur (door heel de stad slaan minutenlang klokken, pendules en carillons) en de Amstel glinstert in het winterlicht. De middag vertrekt van nul. Loop maar naar het raam, kijk naar links, langs de kale bomen waar de Herengracht onder de brug met de Amstel samenvloeit. Zie je hoe de rivier witte stekels opzet in de wind? Lekker stug water, waarover de rondvaartboten stoer voorwaarts schouderen. Vanachter het raam op de tweede verdieping van dit stadspaleis is de winterdag een schouwspel. Een constante stroom lucht, licht, regen, vuilgrijze wolken en over vijf uur alweer

duisternis. Een carrousel van onverstoorbare omstandigheden.

De enige goden die aanspraak op eeuwigheid kunnen maken (en dan nog maar de beperkt houdbare eeuwigheid van de planeet aarde) zijn de weergoden. De atmosfeer, kolkend en stromend, is het langstlevende wezen op onze planeet. Eerst was het een heksenketel van giftige oersoep, vulkaanstof

en methaangas. Jarenlange onweersstormen geselden varens, kakkerlakken en dinosaurussen. Waterapen, homo habilis, neanderthalers en cro magnons inhaleerden allemaal met hetzelfde plezier een lentebries en herkenden de zwartblauwe wolken die een donderbui aankondigen, net als wij.

Het miezerde op de Babylonische beschaving. De Grieken tobden met tocht. De Hunnen hadden tegenwind. Ro meinen onderschatten de dooi en zakten door het ijs. Over de hele wereld gaan al duizenden jaren schepen naar de kelder als het stormt. Oogsten verregenen. Kuddes ver dorsten.

Veldtochten lopen vast in regen, modder en sneeuw. Keizers en bedelaars krijgen zonder onderscheid des persoons stof, wind, regen, hagel en bliksem om de oren. Er zullen altijd mensen zijn die denken dat ze met bepaalde liederen, danspassen of kinderoffers het gewenste weer kunnen bestellen.

Maar een betrouwbare methode is het niet.”

 

dirkvanweelden

Dirk van Weelden (Zeist, 22 november 1957)

 

 

De Russische schrijver Viktor Pelevin werd geboren op 22 november 1962 in Moskou. Zie ook mijn blog van 22 november 2006 en ook mijn blog van 22 november 2008.

Uit: The Helmet of Horror (De helm der verschrikking)

„The foundation of this mind-set on progress is not faith, as happens with traditional cults, but the absence of it. However, the funny thing is that the concept of progress has been around for so long that now it has all the qualities of a myth. It is a traditional story that pretends to explain all natural and social phenomena. It is also a belief that is widespread and false.
Progress has brought us into these variously shaped and sized cubicles with glowing screens. But if we start to analyse this high-end glow in terms of content and structure, we will sooner or later recognise the starting point of the journey — the original myth. It might have acquired a new form, but it hasn’t changed in essence. We can argue about whether we were ceaselessly borne back into the past or relentlessly pushed forward into the future, but in fact we never moved anywhere at all.
And even this recognition is a traditional story now. A long time ago Jorge Luis Borges wrote that there are only four stories that are told and re-told: the siege of the city, the return home, the quest, and the (self-) sacrifice of God. It is notable that the same story could be placed into differe
nt categories by different viewers: what is a quest/return home for Theseus is a brutal God’s sacrifice for Minotaur. Maybe there are more than just ‘four cycles’, as Borges called them, but their number is definitely finite and they are all known. We will invent nothing new. Why?
This is where we come to the third possible defini­tion of a myth. If a mind is like a computer, perhaps myths are its shell programs: sets of rules that we follow in our world processing, mental matrices we project onto complex events to endow them with meaning. People who work in computer programming say that to write code you have to be young. It seems that the same rule applies to the cultural code. Our programs were written when the human race was young — at a stage so remote and obscure that we don’t understand the programming language any more. Or, even worse, we understand it in so many different ways and on so many levels that the question ‘what does it mean?’ simply loses sense.
Why does the Minotaur have a bull’s head? What does he think and how? Is his mind a function of his body or is his body an image in his mind? Is Theseus inside the Labyrinth? Or is the Labyrinth inside Theseus? Both? Neither?“

 

pelevin

Viktor Pelevin (Moskou, 22 november 1962)

 

 

De Brits-Indische schrijverstweeling Suresh and Jyoti Guptara werd geboren op 22 november 1988 in Frimley, Hants in het zuidoosten van Engeland. Zie ook mijn blog van 22 november 2008.

Uit: Calaspia. Die Verschwörung (Vertaald door Frank Böhmert)

 “Bryn wartete, bis sich leise die Tür öffnete und Flüstern zu hören war. Die Abenteuerlust und die Angst der beiden, erwischt zu werden, waberten zu ihm herüber wie leichte Küchendüfte … langsam drückte er die Klinke und öffnete die Tür einen Spalt. Telseara und Dordios verschwanden gerade um die Ecke. Rasch schlüpfte Bryn hinaus und schloss leise hinter sich die Tür. Als er an der Ecke ankam, verschwanden die beiden erneut, diesmal eine Treppe hinauf. Verstohlen eilte er ihnen nach.
Gerade noch rechtzeitig, dachte er und behielt einen kleinen Sicherheitsabstand bei. Nachts wurden die Flure des Regere Mansionums durch weiche, flammenlose Lampen beleuchtet, gerade hell genug, um sich zu orientieren. Geräuschlos bewegten sich die Geschwister an Zimmern vorbei und über Korridore. Ab und zu blieben sie stehen und lauschten, dann schlichen sie weiter. Einmal warf Dordios über die Schulter einen Blick nach hinten, und Bryn befürchtete schon, dass er zu sehen gewesen war, als die beiden Barue scharf abbogen und in einem Stoffwirbel verschwanden. Bryn war völlig perplex, behielt seinen Blick aber auf dieselbe Stelle gerichtet. Als er dort ankam und sich in die Richtung wandte, in der sie verschwunden waren, sah er nichts als einen Bildteppich vor sich.
Diese raffinierten kleinen Gauner, dachte er und schob den Wandbehang beiseite. Wie er es sich gedacht hatte: Dahinter befand sich eine Öffnung von etwa einem Meter Durchmesser. Es war stockfinster darin, und ihm war nicht ganz wohl bei dem Gedanken, ihnen zu folgen, doch am Ende siegte die Neugierde. Er konnte nur staunen, wie gut Telseara und Dordios diesen Bau inzwischen kannten. Auf diese Weise kamen sie also immer so schnell ungesehen vom einen Teil des Gebäudes in den anderen. Bryn kroch in das Loch und tastete sich einen Gang entlang. Er war rund und stabil, und die Steine fügten sich so sauber ineinander, dass der Tunnel eigentlich schon vom Erbauer des Regere Mansionums angelegt worden sein musste. Wo er wohl hinführte? Es ging stetig aufwärts. Telseara und Dordios vor ihm waren weder zu hören oder zu sehen noch zu spüren, aber sie konnten nicht weit weg sein.

Nach einer Weile endete der Tunnel, vorn war abgeblendetes Licht zu erkennen. Bryn eilte dorthin und ertastete einen dicken Wandteppich, schob ihn zur Seite. Hoffentlich kam er nicht zu spät. Er wollte sie nicht länger als nötig ungesehen lassen. Er blickte sich rasch um und erkannte, wo er sich befand. Dies war das Stockwerk über dem Küchentrakt. Wenn er die Flure bis ganz ans Ende ging und dann die Treppe hinunter, kam er in die Haupthalle. Jetzt war er sich ziemlich sicher, wo die Barue hinwollten: in die Speisekammer. Das erboste ihn ziemlich. Sie wurden wie Ehrengäste behandelt (zumindest vom Personal und von Seiten des Imperators, wenn schon
nicht von den übrigen Politikern), und trotzdem zogen die beiden jüngsten Mitglieder ihrer Gruppe los, um noch mehr zu stehlen, als sie ohnehin schon an großartigen Speisen bekamen.

 

guptara twins boat goa

Suresh en Jyoti Guptara (Frimley, 22 november 1988)

 

De Hongaarse dichter Endre Ady werd geboren op 22 november 1877 in het huidige Adyfalva. Zie ook mijn blog van 22 november 2008.

 

 

Longing for Love

Neither the issue nor the sire,
neither fulfilment nor desire
am I for anyone,
am I for anyone.

 

I am as all men, the sunless sea,
the alien thule, mystery,
a fleeing wisp of light,
a fleeing wisp of light.

 

But I must look for friends and brothers;
I want to show myself to others
that seeing they will see,
that seeing they will see.

 

For this my lyric masochism;
I long to close the gaping schism,
and thus belong somewhere,
and thus belong somewhere.

 

 

 

The Magyar Fallow

 

I walk on meadows run to weed,
on fields of burdock and mallow.
I know this rank and ancient ground –
this is the Magyar fallow.

 

I bow down to the sacred soil;
this virgin ground is gnawed I fear.
You skyward groping seedy weeds,
are there no flowers here?

 

While I look at the slumbering earth,
the twisting vines encircle me,
and scent of long dead flowers steep
my senses amorously.

 

Silence. I am dragged down and roofed
and lulled in burdock and in mallow.
A mocking wind goes whisking by
above the mighty fallow.

 

ady

Endre Ady (22 november 1877 – 27 januari 1919)

 

De Amerikaanse schrijver William Kotzwinkle werd geboren op 22 november 1943 in Scranton, Pennsylvania. Zie ook mijn blog van 22 november 2008.

Uit: Dr. Ratte

“In der Kolonie bin ich als Dr. Ratte bekannt. Und da ich diesem Labor schon so lange angehöre und ein so gründliches Studium absolviert habe, ist es nur recht und billig, dass ich ein anderes Unterscheidungsmerkmal besitze als bloß eine Tätowierung im Ohr, ein Zeichen, das auch alle anderen Ratten haben. Einige haben Tätowierungen und keilförmige Einschnitte im Ohr. Manche haben sogar drei oder vier Kerben im Ohr, aber das heißt nur, das man ihnen die Leber entfernt hat (eine Kerbe), Leber und Hypophyse entfernt hat (zwei Kerben), Leber, Hypophyse und Epiphyse entfernt hat (drei Kerben) und so weiter. Und wenn sie einem das Herz entfernt haben, sind keine weiteren Kerben mehr nötig, haha!

Dann legen sie bloß noch deine Knochen ein, legen sie deine Knochen ein.

Aber so langsam finde ich den Geruch von Formalin angenehm – eine 5 %-Lösung reicht aus, alle weichen Teile eines Rattenkörpers abzulösen. Ja, der Geruch ist meiner Nase angenehm, weil ich weiß, die Knochen sind nicht meine.

Von meinem Podium hier im Labyrinth aus kann ich den ganzen Vorgang überbicken – eine tote Ratte wird soeben in Formalin getaucht. Bald fallen alle weichen Teile ihres Körpers von ihr ab Dann genügt eine einfache Lösung aus Natriumcarbonat, Chlorkalk und Wasser, um alle noch hängengebliebenen Muskel- und Fettreste zu entfernen. Die Kosten sind nicht hoch. Für die betreffende Ratte sind die Kosten natürlich tödlich, aber was kümmert sie das, sie ist frei!

Tod heißt Freiheit, so lautet meine Devise. Ich tue für meine Mitratten, was ich kann: ich gebe ihnen meinen besten Rat. Denn wenn alles gesagt und getan ist, heißt die End-Lösung (5% Formalin) Tod, und Tod heißt Freiheit.“

 

WilliamKotzwinkle

William Kotzwinkle (Scranton 22 november 1943)

 

De Engelse schrijver George Robert Gissing werd geboren op 22 november 1857 in Wakefield, Yorkshire. Zie ook mijn blog van 22 november 2008.

Uit: By The Ionian Sea (From Naples)

This is the third day of sirocco, heavy-clouded, sunless. All the colour has gone out of Naples; the streets are dusty and stifling. I long for the mountains and the sea.

To-morrow I shall leave by the Messina boat, which calls at Paola. It is now more than a twelve-month since I began to think of Paola, and an image of the place has grown in my mind. I picture a little marina; a yellowish little town just above; and behind, rising grandly, the long range of mountains which guard the shore of Calabria. Paola has no special interest that I know of, but it
is the nearest point on the coast to Cosenza, which has interest in abundance; by landing here I make a modestly adventurous beginning of my ramble in the South. At Paola foreigners are rare; one may count upon new impressions, and the journey over the hills will be delightful.

Were I to lend ear to the people with whom I am staying, here in the Chiatamone, I should either abandon my project altogether or set forth with dire misgivings. They are Neapolitans of the better class; that is to say, they have known losses, and talk of their former happiness, when they lived on the Chiaia and had everything handsome about them. The head of the family strikes me as a typical figure; he is an elderly man, with a fine head, a dignified presence, and a coldly courteous demeanour. By preference he speaks French, and his favourite subject is Paris. One observes in him something like disdain for his own country, which in his mind is associated only with falling fortunes and loss of self-respect. The cordial Italian note never sounds in his talk. The signora (also a little ashamed of her own language) excites herself about taxation — as well she may — and dwells with doleful vivacity on family troubles. Both are astonished at my eccentricity and hardiness in undertaking a solitary journey through the wild South. Their geographical notions are vague; they have barely heard of Cosenza or of Cotrone, and of Paola not at all; it would as soon occur to them to set out for Morocco as for Calabria. How shall I get along with people whose language is a barbarous dialect? Am I aware that the country is in great part pestilential? — la febbre! Has no one informed me that in autumn snows descend, and bury everything for months? It is useless to explain that I only intend to visit places easily accessible, that I shall travel mostly by railway, and that if disagreeable weather sets in I shall quickly return northwards. They look at me dubiously, and ask themselves (I am sure) whether I have not some more tangible motive than a lover of classical antiquity. It ends with a compliment to the enterprising spirit of the English race.

I have purchases to make, business to settle, and I must go hither and thither about the town. Sirocco, of course, dusks everything to cheerless grey, but under any sky it is dispiriting to note the changes in Naples. Lo sventramento (the disembowelling) goes on, and regions are transformed. It is a good thing, I suppose, that the broad Corso Umberto I. should cut a way through the old Pendino; but what a contrast between that native picturesqueness and the cosmopolitan vulgarity which has usurped its place! “Napoli se ne va!” I pass the Santa Lucia with downcast eyes, my memories of ten years ago striving against the dulness of to-day.“

 

gissing_2

George Robert Gissing (22 november 1857 – 28 december 1903)

 

De Nederlands dichteres en schrijfster Elisabeth Maria Post werd geboren in Utrecht op 22 november 1755. Zie ook mijn blog van 22 november 2006.en ook mijn blog van 22 november 2008.

Aan mijne vrienden in Gelderland (Fragment)

Hoe wonder valt des menschen lod!

 Men woelt, men zorgt en slooft, om naar zijn’ zin te leeven;

 Men kiest, men wederkiest, en wordt,

 Door een onzichtbre hand, in al zijn doen gedreven.

 

 ‘k Gevoel dit sterk op ’t roerend stond,

 Terwijl mijn traanen langs betrokken wangen vloejen,

 Daar ik mijn laatst vaarwel u geef,

 Mijn vrienden! die mijn hart door gulle trouw kost boejen.

 

 Dacht ge ooit dat ik, op Gelderland

 Verliefd, en juist geplaatst in een der schoonste streeken,

 Voor Holland, en een pastorie

 Zoo schuw, om deeze ruil dit oord zou zijn ontweeken?

 Gij ziet het toch – en kent den man,

 Den eenigen om wien ik zoo veel kan verliezen;

 Zijn liefde drong mij zacht; ik zou

 Ook ’t minst bewoond gewest, des noods, om hem verkiezen.

 

 De liefde is sterker dan de dood,

 Veel ligter kan zij dan een andren trek versmooren;

 Door haar zeg ik mijn lief verblijf,

 Bedaard, vaarwel, met al wat daar mij kon bekooren.

 

 Bedaard, maar toch niet blij;

 ‘k Gevoel de wisseling der ondermaansche dingen;

 Mijn korte vreugd, onzeker lot,

 En al de moeilijkheên die mijn geluk omringen.

 

 ‘k Herdenk nog, hoe ik menigmaal

 Hier ’t schoone der Natuur heb aan uw zij genoten;

 ‘k Zie nu dit alles als voorbij,

 En voordan mij geheel uit uwen kring gesloten.

 

 Zal ik dit oord nog wederzien?

 Zal ik, gelukkig, u dan ook zoo vrolijk vinden?

 Of zoek ik dan, welligt vergeefs

 Helaas naar deeze of die van u, mijn beste
vrinden,

 Weg treurig denkbeeld! ach! hoe zwaar

 Maakt gij mij ’t scheiden! neen!..Gods gunst moge u bewaaken!

 Vaart allen wel! vergeet mij nooit!

 Hebt dank voor al het goed, dat mij uw trouw deed smaaken.

 

Post

Elisabeth Maria Post (22 november 1755 – 3 juli 1812)