Tom Lanoye, Kristien Hemmerechts, Paul Verhuyck, Jeanette Winterson, Lolita Pille, David Rowbotham, Norah Lofts, Lernert Engelberts, Cecil Scott Forester, Heinz Liepman

De Belgische dichter, schrijver en vertaler Tom Lanoye werd geboren te Sint-Niklaas op 27 augustus 1958. Zie ook alle tags voor Tom Lanoye op dit blog.

Uit: Sprakeloos

“Aan alle anderen: kijk nog maar eens naar die foto op het voorplat. Dat is wel degelijk zij. Schoonheid is niet per se overerfelijk van moeder op zoon.
Ook in haar eigen familie, de Verbeken — een oud geslacht van architecten, aannemers en metselaars, waarvan de mannen meestal groot maar altijd schonkig waren, de vrouwen meestal rijzig maar altijd ietwat hoekig van gezicht — ook in haar familie dus, was niet duidelijk waar zo veel schoonheid en elegantie opeens vandaan waren komen spruiten. Ze was het jongste meisje uit een gezin van twaalf. Het hadden er veertien moeten zijn, maar één broertje stierf naamloos bij zijn geboorte, en een ander, gedoopt en wel, stierf in zijn wieg. Er bleven broers genoeg over om het gemis niet echt te voelen.
Zij, de kleinste en fijnste van het dozijn, mocht als enige en al op haar zestiende een schooljaar lang gaan studeren in het Frans, in Dinant, daarna zelfs een paar maanden in het Engels, in Northampton. Iets met Huishouding, Boekhouding, Etiquette en de Vervolmaking Van Dat Alles. Iets met strenge reglementen, opwindende verplaatsingen en een paar vriendschappen, gesloten voor het leven.
We spreken nu van vlak voor de Tweede Wereldoorlog, de nadagen van een onbedreigd en eindeloos lijkend interbellum, waarin het kleine België, la petite Belgique, bloeide als nooit tevoren. Voor het eerst sinds de ravage van la Grande Guerre, de wereldbrand van ’14- ’18, werd zijn frank weer de Europese dollar genoemd, voor het eerst ook raakten zijn handvuurwapens en zijn streekbieren beroemd over heel de planeet. Zijn uitgestrekte Congo — een wereld binnen de wereld, ondoorgrondelijk van zeden en moordend van klimaat — braakte een eindeloze stroom aan koloniale waren uit over het moederland, dat met behulp van meetlat en schoenlepel gerust een keer of tachtig had gepast in zijn kolonie. Uit dat woeste tropenrijk bleef, als uit een hoorn des overvloeds, alles opwellen wat kon dienen tot fundament en ornament van welstand. Van rubber tot ivoor, van koper tot kobalt, een hoogvlakte van zink en tin, een waterval van diamanten, een zee van palmolie en cacao, oceanen van petroleum, zonder het goud te vergeten, en het uranium, en de kunstwerken in ruw brons en ebbenhout.”


Tom Lanoye (Sint-Niklaas, 27 augustus 1958)

 

De Belgische schrijfster Kristien Hemmerechts werd geboren in Brussel op 27 augustus 1955. Zie ook alle tags voor Kristien Hemmerechts op dit blog.

Uit: Alles verandert

‘En ik?’ Ze bedoelt: en wij?
‘Andere artsen zullen mijn werk overnemen.’
‘Andere artsen? Welke andere artsen? Hou me als je enige patiënte. Ik zal je meer betalen. Hoeveel wil je?’
Afgelopen is het met ‘u’, en met de schijn van hoffelijkheid.
‘Er zijn meer patiënten die dat vragen. Mijn vrouw en ik hebben een huisje in het zuiden gekocht. Het is daar beter voor haar. België is rampzalig voor astmalijders.’
Meer patiënten. Hoeveel meer? Nooit eerder heeft ze bij die vraag stilgestaan. Ze heeft zichzelf de uitverkorene gewaand.
‘En dit huis? Deze kamer?’ Ze kijkt naar de mahoniehouten kast waarin hij de verzameling dildo’s van grootvader Wouters bewaart. De hele wereld heeft de goede man ervoor afgereisd, forse bedragen heeft hij neergeteld, stamhoofden omgekocht.
‘Je bent jong, Iris. Zie het als een nieuwe start. Een nieuwe kans.’
‘Hoe kun je zo banaal zijn?’ Ze bedoelt: hoe kan ik verliefd zijn op een banale man? Met vlakke hand slaat ze op het bureau waaraan hij getuigschriften en voorschriften van onleesbare krabbels voorziet. ‘Denk je dat ik hier iedere week zou komen als ik jong was, dat ik een man zou betalen om …?’ Boos gooit ze haar boek voor zijn neus. ‘Lectuur voor in je schommelstoel.’
Haar woede glijdt van hem af, als water van een eend.
Rustig pakt hij het boek op, leest de titel, vraagt of die naar Lou Reeds ‘Walk on the Wild Side’ verwijst. Wanneer ze niet antwoordt, slaat hij het open, leest de opdracht, bedankt haar. Dan neemt hij de karaf portwijn, vult een glas met dieprood vocht, reikt het haar aan: medicijn om te kalmeren.


Kristien Hemmerechts (Brussel, 27 augustus 1955)

 

De Vlaamse schrijver Paul Verhuyck werd op 27 augustus 1940 in Antwerpen geboren. Zie ook alle tags voor Paul Verhuyck op dit blog.

Uit: Inmiddels op aarde

“Twee breuken dus. Dat zijn zekerheden. Maar ook wetenschappelijke zekerheden duren niet lang, ze hangen af van de staat van het onderzoek op een bepaald moment. Steeds weer komen er nieuwe inzichten in de fysica aankloppen. En aan de andere kant van de sterrenkunde is er de letterkunde die de wereld hertovert, die het mysterie herstelt en groter maakt. De maanlanding was niet het einde van de poëzie over de maan. En na de demystificatie van de regenboog is men Somewhere over the Rainbow blijven zingen. De mythe houdt stand, de naam van de maan, de naam van de regenboog, de naam van de roos. We gaan naar de maan. Dat is het enige, achteraf gezien, wat we in ons volwassen leven hebben geleerd, het enige zekere. We gaan allemaal naar de maan, naar de lege maan. Later, veel later, gaan de maanzielen naar de zon. Daar kom ik nog op terug; dat is veel moeilijkere materie. Wat er daar gebeurt, valt niet zomaar te begrijpen. En zoals de schrijver die een boek begint de leerling is van wie het boek beëindigt, zo ook is de lezer aan het begin van een boek de leerling van wie het boek uitleest. Johan wacht, staart, mijmert over de elf zonen van Kafka. Zij zullen niet als individuen op de maan overleven, maar als een roedel, een groepsziel. Johan wacht rustig op de anderen, geduld is niet moeilijk, het is ook geen wachten als er geen tijd is. Het is altijd april 1958. *** Johan mijmert over de elf zonen van Kafka. Over april 1958 en hoe de wereld er toen uitzag. Johans wereld was de school, het Gymnasium van Dürer, zo geheten omdat Albrecht Dürer anderhalf jaar in Antwerpen had gewoond. Boven de poort prijkte zijn arduinen portret in bas-reliëf. April 1958, West-Europa. Een gymnasium bevolkt door uitsluitend blanke jongens. Nog geen drugs leverbaar. Elk gezin koopt een auto en een televisietoestel.De breekbare schellakplaat wordt vervangen door de vinylplaat. Er wonen bijna drie miljard mensen op de aarde. En wij. April 58 is een lentegevoel, een wij-gevoel. We zitten met elf jongens in de eindexamenklas. Elf jongens van zeventien jaar, bijna los, bijna vrij. Vol verwachtingen tussen ooit en nooit. We noemen onszelf de elf zonen van Kafka. Daar is heel wat denkwerk aan voorafgegaan. Een elftal deed aan voetbal denken, maar niet elk van ons voetbalde. Elf was een moeilijk getal in vergelijking met twaalf. Waren we met z’n twaalven geweest, hadden we onszelf misschien de tekens van de dierenriem genoemd, de twaalf apostelen, de ridders van de ronde tafel of twelve angry men, naar de film van Sidney Lumet die toen liep. Maar elf… eigenlijk een raar getal, iets meer dan de voleinding van tien, iets minder dan de perfectie van twaalf. Een anarchist, een eenzaam priemgetal, dobberend, hangend of zwevend. Het was Cyriel die met een hoogst bedenkelijke analyse van het getal elf kwam aanzetten.”


Paul Verhuyck (Antwerpen, 27 augustus 1940)

 

De Britse schrijfster Jeanette Winterson werd geboren in Manchester op 27 augustus 1959. Zie ook alle tags voor Jeanette Winterson op dit blog.

Uit:The Stone Gods

“This new world weighs a yatto-gram.
But everything is trial-size; tread-on-me tiny or blurred-out-of-focus huge. There are leaves that have grown as big as cities, and there are birds that nest in cockleshells. On the white sand there are long-toed clawprints deep as nightmares, and there are rock pools in hand-hollows finned by invisible fish.
Trees like skyscrapers, and housing as many. Grass the height of hedges, nuts the swell of pumpkins. Sardines that would take two men to land them. Eggs, pale-blue-shelled, each the weight of a breaking universe.
And, underneath, mushrooms soft and small as a mouse ear. A crack like a cut, and inside a million million microbes wondering what to do next. Spores that wait for the wind and never look back.
Moss that is concentrating on being green.
A man pushes forward with a microphone – ‘And is there oxygen?’ Yes, there is. ‘And fresh water?’ Abundant.
‘And no pollution?’ None. Are there minerals? Is there gold? What’s the weather like? Does it rain a lot? Has anyone tried the fish? Are there any humans? No, there are not any humans. Any intelligent life at all?
Depends what you mean by intelligent. There is something there, yes, and it’s very big and very good at its job.
A picture of a scaly-coated monster with metal-plated jaws appears on the overhead screen. The crowd shrieks and swoons. No! Yes! No! Yes!
The most efficient killing machine ever invented before gunpowder. Not bad for a thing with a body the size of a stadium and a brain the size of a jam-jar.
I am here today to answer questions: ‘The lady in pink –’
‘Are these monsters we can see vegetarian?’
‘Ma’am, would you be vegetarian with teeth like that?’
It’s the wrong answer. I am here to reassure. A scientist steps forward. That’s better. Scientists are automatically reassuring.
This is a very exciting, and very reassuring, day.
We are here today to witness the chance of a lifetime. The chance of many lifetimes. The best chance we have had since life began. We are running out of planet and we have found a new one. Through all the bright-formed rocks that jewel the sky, we searched until we found the one we will call home. We’re moving on, that’s all. Everyone has to do that some time or other, sooner or later, it’s only natural.”

 
Jeanette Winterson (Manchester, 27 augustus 1959)

 

De Franse schrijfster Lolita Pille werd geboren op 27 augustus 1982 in Sèvres. Zie ook alle tags voor Lolita Pille op dit blog.

Uit: Hell

« Que dire du bonheur ? Rien. Je ne vais pas vous raconter mon sourire niais ? Ca ne se raconte pas un sourire, surtout niais ! Je ne vais pas vous retranscrire les adorables bêtises qu’on se débite à longueur de nuits, ni décrire sa façon de replacer mes mèches derrière mon oreille, la douceur de sa joue contre la mienne, et son regard plongé dans le mien… Vous voyez, je tombe très vite dans les mauvais clichés. Joue contre joue, yeux dans les yeux, mains dans la main… Ce qu’on est con quand on aime ! Ce qu’on est niaiseux, mielleux, fleur bleue, inactif, improductif, égoïste, aveugle et sourd ! Je promène ma tête d’autiste heureuse dans les rues de Paris, sans me préoccuper le moins du monde d’effrayer ou non mon entourage qui n’existe plus, ou les passants que je ne vois même pas.
Six mois de bonheur. Partagé. Des souvenirs désordonnés, et cette sensation au creux du ventre quand je les évoque… Un entrelacs de rires, de jambes, de fumée… l’hiver puis le printemps… mes mains crispées sur sa peau… sa voix qui me rend folle… l’obscurité radieuse qui règne dans ma chambre quand je dors dans ses bras… la fièvre qui nous anime, nos discussions exaltées et nos inlassables étreintes… le désir qui renaît aussitôt satisfait… l’oubli total de ce monde insignifiant… juste lui… juste moi… nos membres confondus… nos rires accordés… l’entente… et noyer mon regard dans ses yeux limpides… et offrir mon cou à ses lèvres avides… Allumer une cigarette qu’on fume à deux… ne plus rien désirer… ne plus rien redouter… l’imperfectible satiété du corps à corps… du cœur à cœur… bercé par la musique extatique de mots d’amour qui me sont destinés… Délicieuse lassitude qui freine quelques instants l’enthousiasme de la passion… nos deux êtres épuisés gisent côte à côte… en silence… et exultent uniquement d’être ensemble…”

 
Lolita Pille (Sèvres, 27 augustus 1982)

 

De Australische dichter, schrijver en journalist David Rowbotham werd geboren in Toowoomba.in de Darling Downs van Queensland op 27 augustus 1924. Zie ook alle tags voor David Rowbotham op dit blog.

Rogue Moon

Dying and difficult old men, the last
of their century, the war’s age, shake sticks and boast.
They wish to relive the stories their powers made.
They wish to be brave rogue moons again.
They want to be planetary men.

The blue and golden lights of green slopes shade
valleys that bequeath twilight tunnels of theft
a hundred years; only old men are left.

It has to be the moon. They stand on the moon
to be seen with the eminence of the thing they did,
sandbag and bunk guarded by the vigilant tongue
speaking as others, being alien, never could:
rogue moons of aimed metal from a bruising gun,
besieged, dying difficult old men.

 

Blossoms Mean Omens

It was her wish, as summer circled in
To seize him, that every season might be green.
She was all women murmuring of the men
They love in rooms of omens blossoms mean
When thrusting through the winter wood, through walls
And boughs of sable. Bright ascent distils
Beauty no sooner found than threatened, falls
Of green withering down again to walls
From which, bearing the springtide of his knees
Bending towards the crook that shakes the trees,
She could not save him; the seasons’ circles grew.
But this is why she wished, and wisely knew
She was was all women murmuring of the men
They love in rooms of omens blossoms mean.

 
David Rowbotham (27 augustus 1924 – 6 oktober 2010)
Cover

 

De Nederlandse dichter en schrijver Lernert Engelberts werd geboren op 27 augustus 1977 in Leerdam. Zie ook alle tags voor Lernert Engelbert op dit blog.

Schending

Tussen een droge vingerplant en een vogelkooi

Tussen een droge vingerplant en een vogelkooi
breit oma al jaren het strakke achterpand
van een trui.
Wie het kledingstuk krijgt is onbekend;
ze vraagt echter veel wat ik er van vind.

Tijdens een visite zit ze met haar rug naar de
toekomst gekeerd, het verleden in te staren.
Ze legt haar breiwerk neer, waarna ze
fluisterend zegt:
‘Als je ooit over ons schrijft, beloof dan dat je
zwijgt over dat opa fout was in de oorlog.’

Tussen twee vingers door spuug ik op de vloer;
ik beloof

 
Lernert Engelberts (Leerdam, 27 augustus 1977)

 

De Engelse schrijver Cecil Scott Forester (pseudoniem van Cecil Lewis Troughton Smith) werd geboren in Cairo, Egypte, op 27 augustus 1899. Zie ook alle tags voor C. S. Forester op dit blog.

Uit: Hornblower and the Hotspur

‘The happiest day of my life,’ he said; if a thing had to be done it might as well be done thoroughly, so that in the same spirit he continued. ‘In my life so far.’
It was actually painful to note the unbounded happiness of the smile that answered this gallant speech. Maria put her other hand up to him, and he realised she expected to be kissed, then and there, in front of the altar. It hardly seemed a proper thing to do, in a sacred edifice–in his ignorance he feared lest he should affront the devout–but once more there was no drawing back, and he stooped and kissed the soft lips that she proffered.
‘Your signatures are required in the register,’ prompted the parson, and led the way to the vestry.
They wrote their names.
‘Now I can kiss my son-in-law,’ announced Mrs Mason loudly, and Hornblower found himself clasped by two powerful arms and soundly kissed on the cheek. He supposed it was inevitable that a man should feel a distaste for his mother-in-law.
But here was Bush to disengage him, with outstretched hand and unusual smile, offering felicitations and best wishes.
‘Many thanks,’ said Hornblower, and added, ‘Many thanks for many services.’
Bush was positively embarrassed, and tried to brush away Hornblower’s gratitude with the same gestures as he would have used to brush away flies. He had been a tower of strength in this wedding, just as he had been in the preparation of the Hotspur for sea.
‘I’ll see you again at the breakfast, sir,’ he said, and with that he withdrew from the vestry, leaving behind him an awkward gap.
‘I was counting on Mr Bush’s arm for support down the aisle,’ said Mrs Mason, sharply.
It certainly was not like Bush to leave everyone in the lurch like this; it was in marked contrast with his behaviour during the last few whirlwind days.
‘We can bear each other company, Mrs Mason,’ said the parson’s wife. ‘Mr Clive can follow us.’
‘You are very kind, Mrs Clive,’ said Mrs Mason, although there was nothing in her tone to indicate that she meant what she said. ‘Then the happy pair can start now. Maria, take the captain’s arm.’
Mrs Mason marshalled the tiny procession in business-like fashion. Hornblower felt Maria’s hand slipped under his arm, felt the light pressure she could not help giving to it, and–he could not be cruel enough to ignore it–he pressed her hand in return, between his ribs and his elbow, to be rewarded by another smile. A small shove from behind by Mrs Mason started him back in the church, to be greeted by a roar from the organ. Half a crown for the organist and a shilling for the blower was what that music had cost Mrs Mason; there might be better uses for the money.“

 
Cecil Scott Forester (27 augustus 1899 – 2 april 1966)
Ioan Gruffudd als Horatio Hornblower in de tv-serie uit 1998

 

De Duitse schrijver Heinz Liepman (eig. Liepmann) werd geboren op 27 augustus 1905 in Osnabrück. Zie ook alle tags voor Heinz Liepman op dit blog.

Uit: Karlchen oder die Tücken der Tugend

« Der mit dem Regenmantel stoppte scharf, als habe ihn wer an einem Draht zurückgezuckt. Er wandte sich um, starrte Karlchen mit leeren Augen an. Der in Uniform begriff langsamer, er runzelte zwar die Stirn, weil da etwas passierte, was nicht zur Ordnung gehörte, jemand macht einen Witz, das gehört sich nicht, er in Ausübung seines Dienstes — er runzelte Karlchen an. Karlchen hatte seine Stimme wiedergefunden, er wiederholte, eifrig, das Wohlwollen des Polizisten zurückzugewinnen: »Ich habe keine Fahrkarte; ich werde sofort verschwinden, ich muß nur noch mein Bier bezahlen …« »So …« Der mit dem Regenmantel hatte sich plötzlich verwandelt. Er war beleidigt worden in Ausübung seiner Pflicht. Seine Stimme war offiziell, schneidig, scharf: »Das ist ja liebenswürdig von Ihnen, daß Sie gleich verschwinden wollen. Sie wissen ganz genau, daß es streng verboten ist, im Wartesaal rumzulungern nach Mitternacht ohne Fahrkarte. Ich will Ihren Ausweis sehen, wenn Sie einen haben …« Und während er auf eine Antwort wartete, wandte er sich an den Bahnpolizisten und wurde strategisch. »Stellen Sie sich am Ausgang auf, daß uns keiner abhaut. Nur die ich von jetzt an kontrolliert habe, dürfen raus. Die Kerle denken, wir wären zum Spaß hier. Das hat man davon, wenn man menschlich ist.« Er erhob seine Rasiermesserstimme, sie schnitt durch den Mief und die Tabakwolken und die Müdigkeit: »Alles mal herhören … Fahrkartenkontrolle, Herrschaften. Ich möchte jetzt die Fahrkarten sehen. Und wer keine hat, Ausweise bereithalten. Werden euch mal zeigen, daß wir auch dienstlich sein können.« Die vielen Menschen in dem großen Wartesaal gerieten in Bewegung. Sie erhoben sich mit grauen Gesichtern von den Bänken, sie nahmen die Zeitungen von den Augen und Stirnen, blickten sich um, wohin sie entfliehen könnten. Kinder wachten auf und begannen zu plärren. Der Kellner war plötzlich hellwach und fing eilig an zu kassieren. Jeder sah vorsichtig, mißtrauisch, feindselig auf den Nachbarn. Der neben Karlchen auf der Bank gelegen hatte, setzte sich langsam, schwerfällig auf, reckte sich. »Du Schweinehund«, sagte er ohne Leidenschaft zu Karlchen, »jetzt muß ich wieder in ’n Knast, wo ich doch Bewährung habe …« Die blonde junge Frau mit den beiden Kindern starrte Karlchen an, offenen Mundes, verständnislos, ihre Augen schwer vor Müdigkeit. Sie schüttelte den Kopf und sagte vor sich hin, aber er hörte sie genau. »So dämlich wie Sie möchte ich auch mal sein — dann kann einem doch gar nichts passieren …«


Heinz Liepman (27 augustus 1905 – 6 juni 1966)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e augustus ook mijn blog van 27 augustus 2017 deel 1 en eveneens deel 2.

Lolita Pille, David Rowbotham, Norah Lofts, Cecil Scott Forester, Lernert Engelberts

De Franse schrijfster Lolita Pille werd geboren op 27 augustus 1982 in Sèvres. Zie ook mijn blog van 27 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Lolita Pille op dit blog.

Uit: Crépuscule Ville

“Les brumes qui étaient à l’origine du mal semblaient s’être épaissies ce soir-là et leurs strates blanchâtres descendaient à hauteur d’homme comme pour manifester leur sympathie envers le chaos. Malgré sa situation, au cœur de l’ancien centre, épargné par l’urbanisation maladive qui avait frappé partout ailleurs, la Vingtième rue n’en croulait pas moins, d’ordinaire, sous les ornements vains, sous les mille feux bidons dont la ville s’était attifée pour planquer sa misère. Toute en ombres dansantes, sa version noir et blanc donnait la chair de poule. L’immeuble d’en face, soulagé des lueurs qui révélaient la vie au creux des meurtrières, avait tout à fait l’aspect d’un bunker ou d’un colombarium. Syd leva les yeux au ciel pour y trouver l’orage. Les réverbères halogènes avaient rendu l’âme et des écrans-titans qui poinçonnaient les façades, provenaient l’unique éclairage, l’image par défaut des appareils en veille ou en dysfonctionnement.
Comme des bouts de ciel disséminés çà et là pour narguer le désordre, pour narguer le présent. Le logo sempiternel. Le logo de Clair-monde. Au-dessous les hommes couraient le long d’une route qui ne menait nulle part. Au-dessous, de la tôle froissée répandue sur des kilomètres avec le crépitement du feu qui gagnaient les moteurs, promettant aux accidentés, coincés dans les habitacles, un brasier funéraire en bonne et due forme.
Au-dessous, à la faveur des pleins phares survivants, des photographes amateurs shootaient des macchabées en variant les angles. (…) Syd vit la porte vitrée éclater en miettes. (…) Il poursuivit sa course. (…) Une balle troua la ville blindée d’une bijouterie.
Vingt blocs.
Une explosion derrière lui.
Ce qu’il avait sous les yeux, c’était bel et bien l’apocalypse. Une apocalypse modernisée. Remise au goût du jour. Réactualisée aux phobies du moment. Feux de signalisation qui flanchent, clim’ externe H.S, écrans en veille, accidents de bagnole, redistribution des biens à main armée, systèmes de sécurité en rade, lignes mortes.
Décidément le monde n’était plus habitable.”

 
Lolita Pille (Sèvres, 27 augustus 1982)

Continue reading “Lolita Pille, David Rowbotham, Norah Lofts, Cecil Scott Forester, Lernert Engelberts”

Lolita Pille, David Rowbotham, Norah Lofts, Cecil Scott Forester, Lernert Engelberts

De Franse schrijfster Lolita Pille werd geboren op 27 augustus 1982 in Sèvres. Zie ook mijn blog van 27 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Lolita Pille op dit blog.

Uit:Bubble gum

“Celui-ci, je l avais nommé Bubble gum parce que tout y semblait creux, rose et gluant : decors, propos, sentiments, les personnages eux mêmes, moi compris, étaient creux, roses et gluants, au bord de l éclatement, et ce derrière quoi ils courraient, la sacro-sainte reconnaissance, la sacro-sainte célébrité, était devenue, a l époque où le non-film était supposé se dérouler, aussi creuse, rose, banale et brève qu une pauvre petite bulle de chewing-gum qui finissait inéluctablement par vous exploser a la gueule. »
(…)

Nous sommes rentrés pour démarrer cette promo et Mano s’y croyait à mort. Elle sy croyait à mort quand elle traversait Paris et qu’elle voyait sa gueule en 6 par 6 absolument partout, elle s’y croyait à mort pendant les interviews, elle virait ses attachés de presse, elle envoyait promener les types qui lui demandaient des autographes dans la rue, elle se sentait tellement unique, tellement privilégiée, elle avait l’impression d’être dans le secret de l’origine du monde, elle jubilait tout en faisant mine de se plaindre d’être trop exposée, son ego n’avait plus de limite.”

 
Lolita Pille (Sèvres, 27 augustus 1982)
Cover

Continue reading “Lolita Pille, David Rowbotham, Norah Lofts, Cecil Scott Forester, Lernert Engelberts”

Kristien Hemmerechts, Tom Lanoye, Jeanette Winterson, Lolita Pille, Lernert Engelberts, David Rowbotham

De Belgische schrijfster Kristien Hemmerechts werd geboren in Brussel op 27 augustus 1955. Kristien Hemmerechts viert vandaag haar 60e verjaardag. Zie ook mijn blog van 27 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Kristien Hemmerechts op dit blog.

Uit: Een huwelijk

“Hij is pas een dag in Amsterdam en eet mee aan de grote zwarte tafel. Hij zit er stilletjes bij, verstaat geen woord van het Nederlandse gekwebbel. Ik zwijg, wacht mijn moment af, oefen zorgvuldig het zinnetje dat ik hem straks wil zeggen. Of het waar is dat Britten geen identiteitskaart hebben. Ik had hem ook kunnen vragen of Londen inderdaad de hoofdstad van het koninkrijk is. En of de aarde rond de zon draait.
Maar hij hapte meteen toe. Was waarschijnlijk niet zo groot en sterk als iedereen dacht.
Daarna ging het zo snel dat er nog maar net de tijd was om hem aan de overkant van de straat te zien lopen zonder dat hij me zag, en hem te bekijken zoals je alleen iemand kan bekijken die jou niet ziet. Hij droeg de bruine houtje-touwtjejas die hij van zijn grootvader had geërfd en waarvan een zoekgeraakt houtje door een denneappel aan een ijzerdraadje was vervangen. Verder droeg hij een groen hoedje met een veer dat hij kort nadien ergens zou laten liggen. Een Tiroler hoedje. Ik zag hem lopen maar riep niet zijn naam. Ik haalde mijn schouders op en dacht: gewoon een man. Een beetje een sjofele man. Een man die toevallig in dezelfde flat woont als ik.
We gingen naar de film, we gingen naar het park, we gingen naar het strand, we gingen naar de kroeg. Nog geen maand later stapte hij mijn kamer binnen, zette zijn tas neer en zei dat hij een nieuwe huurder voor zijn kamer had gevonden. Dat we immers hadden afgesproken dat hij dat zou doen. O, zei ik en maakte plaats in mijn bed. Het was vroeg en ik was nog niet opgestaan. Maar ik had nog altijd iemand anders. Iemand die me lange brieven schreef uit een Belgische kazerne in Duitsland waar hij zijn legerdienst deed. Iemand die ik even was vergeten maar die het weekend daarop naar Amsterdam zou komen. Wat moest ik straks met die twee mannen in mijn kamer, in mijn bed? Dus vertelde ik hem wat ik al veel vroeger had moeten vertellen. En ik sprak de zin uit die jaren ons leven zou bepalen. ‘Het spijt me. Jij bent de eerste man met wie ik graag zou zijn getrouwd.’ Een zin als een ander. Als geen ander”.

 
Kristien Hemmerechts (Brussel, 27 augustus 1955)

Continue reading “Kristien Hemmerechts, Tom Lanoye, Jeanette Winterson, Lolita Pille, Lernert Engelberts, David Rowbotham”

Tom Lanoye, Jeanette Winterson, Lolita Pille, Lernert Engelberts, Kristien Hemmerechts, David Rowbotham

De Belgische dichter en schrijver Tom Lanoye werd geboren te Sint-Niklaas op 27 augustus 1958. Zie ook mijn blog van 27 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Tom Lanoye op dit blog.

Het is een magere troost

Het is een magere troost
dat alles moet verdwijnen

en ik je hoe dan ook op een keer
toch zou moeten missen, bij voorbeeld

door de dood. Ik hou van je, al
kunnen we waarschijnlijk niet meer
worden wat we vroeger waren of dachten
te zijn. Geen verhalen over afkeer,

over waanzin of grote trouw: ik
verlang naar toen terwijl
ik ouder word. Ik denk
nog veel aan jou.

 

In the mood

Daarnet, twee uur in de nacht alweer,
floepte de TV aan en daar stond ik,
in Madison Square Garden, tien jaar
jonger en goochelend als geeneen.

Door een onzichtbare massa opgezweept,
cirkelzaagde ik mijn assistente rats
in twee, de wekker die ik stuksloeg
werd niet heel en de konijnen vluchtten
naar de concurrentie. Het werd ze allemaal
teveel.

‘Kop op, ouwe jongen!’ Mijn hoofd
schoot door het scherm. ‘Zo zie je maar:
tien jaar geleden ging je ook al naar
de kloten. Encore, mijn beste, het kan er
alleen maar op verbeteren. Encore!’

Showmuziek werd ingezet, warm applaus, en
goedgebouwde vrienden die ik lang vergeten was,
dansten en swingden on the floor, als gek.

‘Welcome back, crazy Jack.
Welcome back.’

 

Kurma (schildpad)

Hoewel er geen bewijzen zijn. Misschien
als ik slaap, maar bij het minste geluid
verdwijnen zijn geschubde pootjes langs mijn
oren en mijn ogen, ze worden als het ware

in een schild gezogen. Zijn magere kop
raspt soms over mijn tong, en praat maar
zo vertraagd dat men het nauwelijks

verstaat: hij noemt mijn klieren
liefde en ik hou van hem. Ik ben

blij dat hij bestaat.

 
Tom Lanoye (Sint-Niklaas, 27 augustus 1958)
Hier met Herman Brusselmans (rechts) in 1989

Continue reading “Tom Lanoye, Jeanette Winterson, Lolita Pille, Lernert Engelberts, Kristien Hemmerechts, David Rowbotham”

Tom Lanoye, Jeanette Winterson, Lolita Pille, Lernert Engelberts, Kristien Hemmerechts, David Rowbotham

De Belgische dichter en schrijver Tom Lanoye werd geboren te Sint-Niklaas op 27 augustus 1958. Zie ook mijn blog van 27 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Tom Lanoye op dit blog.

 

Uit: Het derde huwelijk

 

“Waarschijnlijk heeft zijn bezitter hier lang staan wachten op klandizie, heeft hij de inwendige mens proberen te versterken met een zakje borrelnootjes, en heeft hij een opkomende kriebel bedwongen door met zijn eethand eens flink aan zijn zak te scharten.
Op zich begrijpelijk ? maar stel nu eens dat ik allergisch was geweest voor noten? Dan lag ik nu schuimbekkend achterover op mijn rug te stuiptrekken, vermoord of toch minstens in coma door een scrotum met notensmaak. Je mag van de immer oprukkende civilisatie zeggen wat je wilt, maar de mogelijkheden om volstrekt surrealistisch aan je eind te komen nemen exponentieel toe.’

(…)

 

Het gaat om Tamara. Dit kan ik haar niet aandoen.
En zelfs dat is het niet. Ik wil haar dit niet aandoen.
Nee, het ligt nog anders. Ik wil het ook zelf niet. Ik heb dit niet meer nodig. Als ik na dit avontuur ooit nog zin krijg in scharrels, kan ik altijd nog in een of ander park opnieuw op mijn knieën gaan zitten. Maar ik neem niemand nog in huis. Behalve Tamara. Zij is iets anders. Onze band is, zeg maar, puur. En ik ben gesteld geraakt op haar. Ik wil haar trouwdag niet verknallen. Haar entree. Haar redding.

(…)

 

Ik zou wel kunnen schreien, soms. Maar zo wil ik me niet ook nog eens zien zitten. Het is al gênant genoeg, met al dat schransen, en dat tv kijken, en de rest. Laat het schreien maar over aan wie dáár talent voor heeft. Er zijn er genoeg. Het klagen neem ik wel voor mijn rekening. Klagen zonder janken. Een mens moet zich toeleggen op waar hij goed in is. Klagen en medicijnen slikken. Lijden en aarzelen.”

 

 

 

Tom Lanoye (Sint-Niklaas, 27 augustus 1958)

Continue reading “Tom Lanoye, Jeanette Winterson, Lolita Pille, Lernert Engelberts, Kristien Hemmerechts, David Rowbotham”

Kristien Hemmerechts, David Rowbotham, Norah Lofts, Cecil Scott Forester

De Belgische schrijfster Kristien Hemmerechts werd geboren in Brussel op 27 augustus 1955. Zie ook mijn blog van 27 augustus 2007 en ook mijn blog van 27 augustus 2008 en ook mijn blog van 27 augustus 2009 en ook mijn blog van 27 augustus 2010.

 

Uit: Over literaire honden

„De staart, de nieuwe roman van Patricia de Martelaere, heeft wat met honden. Theo, de hoofdfiguur, denkt ‘aan de alfabetische lijst van honderassen die hij ooit, samen met de rasbeschrijvingen en de standaardnormen, uit het hoofd heeft geleerd.’ De lezer krijgt exacte informatie over de sint-bernard, de bokser, de dobermann, de poedel, de Duitse herdershond, de Afghaanse windhond, de golden retriever, de chihuahua, de collie, de rottweiler, de buldog, de Chinese shar-pei, de chow-chow, de karabash of Anatolische herdershond, de Ierse wolfshond, de mopshond. Dat gebeurt in de vorm van steekkaarten, die in de ‘taalstroom’ (zonder hoofdstukken, zonder alinea’s) tussen andere tekstsegmenten gemonteerd staan. Maar ook in het ‘verhaal’ lopen nogal wat honden rond, zoals Boes, Kazan en Hermes. Theo, die vaak als kind of puber wordt opgevoerd, wil zo vreselijk graag een hond op moeilijke momenten in zijn bestaan, bijvoorbeeld als hij geen vriend meer heeft. Soms ook voelt hij zich hopeloos verloren tussen zijn altijd zieke moeder en zijn vader-met-het-vampieregezicht, die buldert dat hij nooit volwassen zal worden, altijd kind zal blijven en van wie hij weet met wie hij zal trouwen na mama’s dood. Dan kan een hond helpen. Want sommige honden springen tegen je op als ze je zien en weten dan met hun blijdschap geen blijf; ze blijven maar likken aan je gezicht, terwijl hun staart ‘roffelend tegen de deurpost slaat’. En je moet niet vrezen dat ze genegenheid veinzen, want als ze iets niet kunnen, is het wel veinzen. Zoals overigens te lezen staat in Wittgensteins filosofische onderzoeking 250: ‘Waarom kan een hond geen pijn veinzen? Is hij te eerlijk? Zou je een hond pijn kunnen leren veinzen? Je kunt hem misschien leren bij bepaalde gelegenheden te janken alsof hij pijn heeft, zonder dat hij pijn heeft. Maar voor het eigenlijke veinzen zou de juiste omgeving voor dit gedrag nog altijd ontbreken.’ In dat verband is het verhaal van Odysseus’ hond, dat in De staart ter sprake komt, heel typisch. Alleen de hond Argos herkent Odysseus, die na twintig jaar omzwervingen vermomd naar het eiland Ithaca terugkeert. Argos spitst de oren, kwispel-staart en sterft. Slechts hij heeft de echte Odysseus gezien ondanks de vermomming, over de tijd heen. Wat de mensen niet kunnen, kan hij wel.“

 

Kristien Hemmerechts (Brussel, 27 augustus 1955)

Continue reading “Kristien Hemmerechts, David Rowbotham, Norah Lofts, Cecil Scott Forester”