Colin Channer, Jeet Thayil

De Jamaicaanse schrijver Colin Channer werd geboren op 13 oktober 1963 in Kingston. Zie ook alle tags voor Colin Channer op dit blog.

Uit: Satisfy My Soul

“Just beyond the restaurant the river broadens as it sweeps into the sea.
A buffet lunch is laid out on the covered esplanade: jerk chicken, curried conch, pasta salad and escoveitched fish . . . fried snappers marinated in a habanero vinaigrette.
On the opposing bank, old trees with silver trunks and thick uplifted roots like rocket fins are soaring to the sky.
I sit alone. I cannot eat. My mind is exhausted. I keep returning to the question. Who would the woman be?
I go outside to think inside the minivan. If I had driven on my own I would leave.
The Isuzu is parked in a ring of vans beneath a poinciana tree aflame with red blossoms. The drivers are clotted in ragged groups, playing cards, chewing cane and smoking—from the odor, more than cigarettes.
Resurfacing the driveway is a gang of men who’ve clearly learnt the art of pouring asphalt by telepathy.
Everything is slow, and then a whistle rifles from the road. Suddenly everything is frantic. Men begin to dig and mix and roll and cart, while splashing their bodies with beer, brewing perspiration.
A mud-encrusted pickup trundles through the gate. It stops abruptly and a female voice demands a work report. From the driver’s side a bangled hand slides through the open window. The hand unrolls a fist and fans the foreman forward. He dips his head inside the cab. There is a sharp exchange and then he straightens up, a little softer in his posture, and watches as the Ford begins to roll toward me, the driver searching for a radius of shade.
As she walks toward the restaurant, the woman with the bangles stops and reaches in a tote bag for a telephone. She is tall, with dreadlocks braided in a fat chignon. She is calling someone whom she knows quite well, for she dials without looking.
“Don’t fret, I’ll soon be there,” she says with a mischievously guilty laugh.
“But there is no story,” she emphasizes. “Same story. Didn’t I tell you that I don’t want no lover till the right one comes? Anyway. I have to go and brutalize these lazy men that work for me.” She begins to walk, then stops again. “Mind your business. There is no story to tell, I said. A lover would only distract me now.”

 

Colin Channer (Kingston, 13 oktober 1963)

 

De Indiase dichter, schrijver, librettist en muzikant Jeet Thayil werd geboren op 13 oktober 1959 in Kerala. Zie ook alle tags voor Jeet Thavil op dit blog.

 

Superkracht

In één keer over hoge gebouwen springen? Vergeet het
jij, maatje, ik
spring over jaren, brede straten,
financiële/mode/vleesverpakkingsdistricten, 23
MTA-bussen bumper aan bumper geparkeerd
Ik spring over Broadway,
jojo van
verkeerslicht naar
bushalte, naar Chrysler, naar jet.
Je hebt een geest van lucht nodig, van rubber,
om te begrijpen. Je hebt
stilte, sluwheid nodig. Adem uit!
Je moet weten dat alles een metafoor is,
dat gedichten ontkiemen
in mijn handen
als mystieke confetti, als
neurale snaartheorie.
Mijn broer, Mycroft, is klein, maar een genie,
oh een klein genie, wiens
“kunst subtiel is, een precisie van hallucinerende schittering,”
– dat is serieus gepraat, jongen –
hij is ‘bovendien’ en ‘echter’ ik ben
“snap je wat ik bedoel?” en “wat dan ook.”
Hij is de spookmier, degene die er niet is
daar, ongezien totdat hij stopt
met bewegen. Ik ben de
metgezel van uil en slechtvalk,
keizer van de lucht, en ik ben loyaal
aan jou, mijn trouwe onderdaan, wiens zwaarbevochten
plezier ik verwezenlijk,
en hoewel ik niet rijk ben, is er veel
klinkende munt nodig om me te houden
in de armoede waaraan ik gewend ben.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jeet Thayil (Kerala, 13 oktober 1959)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e oktober ook mijn blog van 13 oktober 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Dolce far niente, Ingo Baumgartner, Colin Channer, Jeet Thayil, Herman Franke, Richard Howard

Dolce far niente

 

 
Golden Autumn door Alfred East, 1904

 

Goldener Vorhang

Ein Vorhang zaudert sich zu heben,
er selbst ist Bühne schönster Art.
Der Birke goldner Hängebart
will sich mit Buchenlaub verweben.
Die Feuertulpenbäume geben
ein Schauspiel vor, das  Augen narrt.

Das Blattwerk fällt im Rieselregen,
der Blick zum Szenenbrett wird frei.
Der Landschaft wahres Konterfei
erscheint, blickt überrascht verlegen
dem Wandrerpublikum entgegen.
Die Matinee schließt knapp nach drei.

 

 
Ingo Baumgartner (24 december 1944 – 16 juli 2015)
Oberndorf an der Salzach, de geboorteplaats van Ingo Baumgartner

 

De Jamaicaanse schrijver Colin Channer werd geboren op 13 oktober 1963 in Kingston. Zie ook alle tags voor Colin Channer op dit blog.

Mimic

II.
Later, as I pinch out
contact lenses, my own voice comes blah-blah-ing
from behind the mirror mounted
to the bathroom wall.

I smile at Mr. Silly’s talents,
how he switches accents
from Liberian to mine,
hacking vowels,
pitching consonants
precisely in the mouth,
beginning now another improv,

Phone calls from police headquarters
in Gbarnga, begging Kingston
for assistance, tips for getting info
out of infants who
despite receiving torture
still refuse to talk.

In my bed, on light cotton,
ceiling fan on slow,
I miscue the iPod in the dock.
Callas, not Lee Perry, comes on.
In my head I talk to Maki
and myself.

The confessors are clan
to killers on an island
I know. Same nose,
same eyes, same trail of razor
bumping on the shine-
clean cheeks.’ he nicknames
from the news and movies.
Rambo, bin Laden.
The loafers, designer jeans
and polo shirts worn loose.
How they discuss a slaughter
with ease, by rote,
never as something spectacular,
absurd. And I belong to them,
on two sides, for generations,
by blood.

My kinsmen aren’t poets.
They’re cops.

 
Colin Channer (Kingston, 13 oktober 1963)

 

De Indiase dichter, schrijver, librettist en muzikant Jeet Thayil werd geboren op 13 oktober 1959 in Kerala. Zie ook alle tags voor Jeet Thavil op dit blog.

Nativism

At 48, the youngest
director in the history of the Civil
Center for Falconry,
Universal Understanding & Aesthetic
Interest,
he published The Spiritual Uses of Oneiric
Travel. It was wartime,
but there’s little trace of conflict
in this odd and beautiful collection
of travel jottings, doodles, and rhyme.
“Everywhere in the old city
there was dread,
a sense of ancient
sympathy,
of inebriated spirits taking the dead,
imperial government
to task, while its citizenry
and civil
servants slept.”
In subsequent decades, he refined his view
of history as the art of the impassable.
He wrote that his goal had been
to be wholly adept
at transference, “a bridge between
thought and its correct
articulation.”
When the government fell he lost his new
stipend, a palpable
loss, and he went home to die.
It was his last
act of secular defiance.
Varanasi, inauspicious
in the new theology, was a dry
tiered place of souls
whose chance on earth had passed,
who concerned themselves
with “a wider world, a suspicious
heritage,
a secure context for the cosmic dance,
a swift descent, a dangerous old age.”

 
Jeet Thayil (Kerala, 13 oktober 1959)

 

De Nederlandse schrijver Herman Franke werd geboren op 13 oktober 1948 in Groningen. Zie ook alle tags voor Herman Franke op dit blog.

Uit: De verbeelding

“Ze was nog maar net teruggekeerd uit Napels of ze zocht hem op in zijn nieuwe atelier in Hampstead. Daar stond ze na negen jaar afwezigheid, zijn divine lady, de vrouw met het expressiefste gezicht dat hij ooit had gezien. Hij dacht dat ze een kokette grap maakte toen ze met haar liefste stem vroeg of hij haar wilde portretteren ‘zoals de natuur me gemaakt heeft’. Honderden keren had hij haar geschetst en geschilderd voor haar vertrek naar Italië, maar naakt poseren wilde ze nooit. ‘Mijn beste Romney, dat bewaar ik voor het oog van de liefde,’ was haar vaste antwoord als hij haar op een warme lentedag, of juist midden in een koude winter, toch weer probeerde over te halen, omdat kunst niet van verboden houdt. Maar nu, getrouwd en wel met de Britse oud-ambassadeur in het koninkrijk Napels, lachte ze hem ontwapenend toe en hield haar hoofd smekend schuin toen hij weigerde op haar verzoek in te gaan omdat hij zich te moe voelde en al maanden niets meer gedaan had. Bovendien verlangde ze van het origineel een miniatuur. Ook als hij de tempera-techniek die daarvoor nodig is goed beheerste, zou hij er met zijn onzeker wordende handen niet aan durven beginnen. Vroeger had hij ze wel eens gemaakt met jonge, rustige vingers. Vooral verliefden waren gek op die ovale miniaturen. Ze verwerkten ze in een armband of in een halsketting. Mannen droegen ze op hun hart.van mensen op ware grootte en zelfs daar deinsde hij nu voor terug.
‘Lieve Emma, kijk naar me. Grijs en gerimpeld ben ik. Heb ik het oog van de liefde?’ zei hij.
‘Ach kom, mijn beste vriend, in uw ogen zit meer liefde dan in die van uw jongste collega’s. En u weet het toch? Wijs nooit een mooie vrouw af, want ze zal u altijd haten,’ antwoordde ze en pakte liefdevol zijn arm vast. Hij moest zich beheersen en dat deed pijn, als vanouds. Bij andere vrouwen voelde hij die pijn nooit of hij bracht de beheersing gewoon niet op en omhelsde hen, waartegen ze niet durfden te protesteren. Van kunstenaars tolereerden vrouwen veel meer dan van andere mannen en meer dan ze tolereerden wilde hij niet van ze. Maar Emma had altijd het beest in hem losgemaakt; het beest dat gekooid moest blijven. En dat deed pijn.” Bij de details ging het om precisiewerk waarbij je een loep moest gebruiken. Hij was geen miniaturist, hij was een schilder

 
Herman Franke (13 oktober 1946 – 14 augustus 2010)
Cover

 

De Amerikaanse dichter, literair criticus, essayist en vertaler Richard Joseph Howard werd geboren op 13 oktober 1929 in Cleveland, Ohio. Zie ook alle tags voor Richard Howard op dit blog.

Elementary Principles at Seventy-Two

When we consider the stars
(what else can we do with them?) and even
recognize among them sidereal

father-figures (it was our
consideration that arranged them so),
they will always outshine us, for we change.

When we behold the water
(which cannot be held, for it keeps turning
into itself), that is how we would move—

but water overruns us.
And when we aspire to be clad in fire
(for who would not put on such apparel?)

the flames only pass us by—
it is a way they have of passing through.
But earth is another matter. Ask earth

to take us, the last mother—
one womb we may reassume. Yes indeed,
we can have the earth. Earth will have us.

 

Compulsive Qualifications
for Stewart Lindh

I
“Richard, May I Ask A Question? What Is An Episteme?”

A body of knowledge. As I know best now,
Regarding yours across the abyss between
That chair and this one,
My ignorance the kind of bliss unlikely
To bridge the furniture without a struggle,
A scene—mad or bad Or just gauche.
The known body is Greek to me,
Though I am said to have conspicuous gifts
As a translator.
More likely the Bible is the right version:
All knowledge was probably gained at first hand
And second nature;
To know the Lord was to be flesh of His flesh.
There was a God, but He has been dismembered;
We are the pieces.

 
Richard Howard (Cleveland, 13 oktober 1929)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e oktober ook mijn vorige blog van vandaag.

Colin Channer, Herman Franke, Jeet Thayil, Sebastian Fitzek, Richard Howard, Migjeni, Arna Wendell Bontemps, Conrad Richter, Edwina Currie

De Jamaicaanse schrijver Colin Channer werd geboren op 13 oktober 1963 in Kingston. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Colin Channer op dit blog.

Mimic

I.
From the chopper shot
the beach is a golden border
on a brown-gray shack town,
a jumble on a point,
sweet flourish of Liberia
sweeping into waves.

My son and I are watching
this in lamplight from our low
brown armless couch,
iced roibos on the low wood table
where I keep a bowl of beat-up cricket balls,
a wink to where he indirectly comes from,
Makonnen, Brooklyn teenager
with Antillean roots
replanted in Rhode Island,
a state petiter than the country
where my navel string was cut.

He’s a boy who loves sketching,
drawing cartoons, eating fish and pasta,
swimming, but most of all
performing accents, likes how
they jokify the mouth.

He was born with the ears of a mimic,
a tight connect between what makes a sound
and how to counterfeit it, make it feel
authentic near its place of birth.

On screen, the camera jerks
behind an ex-warlord
up chipped-up stairs
to a big slab roof.
Here, he’s questioned by
a pink and meaty hipster,
dude keen to talk to men
who say they ate their foes in war.

This one here refers
to chopping wide the backs of children,
mimes reaching in the crack
to pluck a heart,
and munching it before a fight
for blood and courage,
naked at times, or done drag,
boots with wigs and dresses,
amulets and other charms,
the more bizarre
the better hidden.
Spirits can evade
the human eye.

Maki echoes all the interviewer’s
LA nasals. I laugh hard.
But when he takes on
a Liberian accent
I do not take it well
although I’m twisted
by the sketch, a poly-vocal
back-and-forth involving riots.
It’s peacetime and we’re at
Monrovia’s first McDonald’s.
Folks are vexed.
The burgers aren’t made
from human flesh.

I gently tell him he,
well, we shouldn’t joke too much
about this awful war,
and blah blah on about this country
founded on the coast of Guinea
by ex-chattel,
guide him through the marsh
of history to the present,
leading as a father should a son.

 
Colin Channer (Kingston, 13 oktober 1963)

Doorgaan met het lezen van “Colin Channer, Herman Franke, Jeet Thayil, Sebastian Fitzek, Richard Howard, Migjeni, Arna Wendell Bontemps, Conrad Richter, Edwina Currie”

Colin Channer, Herman Franke, Sebastian Fitzek, Richard Howard, Migjeni, Arna Wendell Bontemps, Conrad Richter, Edwina Currie, Frank Witzel

De Jamaicaanse schrijver Colin Channer werd geboren op 13 oktober 1963 in Kingston. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Colin Channer op dit blog.

Uit: The Girl with the Golden Shoes

“So while the others ran, she hid behind the almond tree and watched in fearful fascination as the creature loomed.
It wasn’t until the mask had been removed that Estrella, who’d never been to school or traveled much on her tiny island, understood that what she thought had been a monster was a human being—a scuba diver in a rubber suit.
She stepped out from behind the tree and walked toward him in her old blue frock with eyelet lace around the hem, hips moving widely underneath the faded fabric, giving insight to the marvel of her shape. She was tall and big-boned with mannish shoulders and a long face with sharp cheeks. Her eyes were bright and slanted, and although her skin was darker than a Coke, she had a length of wavy hair.
“What are you wearing?” she asked in English, which she rarely had the need to use, since everyone around her spoke Sancoche.
“It lets me breathe beneath the water.”
They talked for several minutes, during which he explained some of his duties; then he disappeared below the surf.
In Sancoche, her native dialect, Estrella kept repeating as the ripples disappeared, “I never even thought to dream of seeing a thing like that.”

 
Colin Channer (Kingston, 13 oktober 1963)

Doorgaan met het lezen van “Colin Channer, Herman Franke, Sebastian Fitzek, Richard Howard, Migjeni, Arna Wendell Bontemps, Conrad Richter, Edwina Currie, Frank Witzel”

Colin Channer, Herman Franke, Richard Howard, Migjeni, Arna Wendell Bontemps, Conrad Richter, Edwina Currie

De Jamaicaanse schrijver Colin Channer werd geboren op 13 oktober 1963 in Kingston. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Colin Channer op dit blog.

Uit: Waiting in Vain

“The juice was inking the nib between her legs, making her want to draft an epic on his face. Couldn’t he just screw her? She’d take just that. So what if the love was gone? The first time had been just a screw. And she had no regrets. Seeing him nude that first time had made her think of holidays, of turkey legs slathered with gravy. At first she thought he’d be a rammer, a longhorn bedroom bully, which would’ve been fine. She liked a little roughness at times. But he held her like a dancer, assumed that he would lead, and frigged her with finesse. He understood her needs. Wordplay for him was foreplay. Her thighs were the covers of an open book–a journal lined with fantasies and fears. He read her like a child read, slowly, with his nose against the page, using a finger to guide his way. So he knew when to baby her and when to bitch her up.
If he didn’t want to screw her, she thought, couldn’t they just flirt? Flirting was more than his pastime. It was an addiction. He couldn’t help himself. He was intelligent and amusing, which was why women fell for him. That’s why she had fallen. In the days when he loved her, his wordskissed her ears like butterfly wings. Now they stung like wasps: “I don’t want you anymore. Leave me alone. I don’t care how you feel.”
She forced a smile. He didn’t respond, but she knew he wanted her. She could feel it. What to do? What to say? She wanted to be the mango so he could suck her down to the seed.
“Kiss me.”
The words were hers. He tried to resist. Thought he had, until his tongue was a honey stick in hot tea. Soon he was melting into memory . . . into their first kiss ten years ago in Cuba.”

 
Colin Channer (Kingston, 13 oktober 1963)

Doorgaan met het lezen van “Colin Channer, Herman Franke, Richard Howard, Migjeni, Arna Wendell Bontemps, Conrad Richter, Edwina Currie”

Herman Franke, Colin Channer, Migjeni, Arna Wendell Bontemps, Conrad Richter, Edwina Currie

De Nederlandse schrijver Herman Franke werd geboren op 13 oktober 1948 in Groningen. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Herman Franke op dit blog.

Uit: De ziel van Nederland

“Schrijvers zijn misdadigers. Mij duidt men vaak aan als schrijver en criminoloog. Daar schemeren duistere verbanden, maar het zal nog even duren voordat ik iets over Klinkhamer en consorten opmerk. Zoals het een wetenschapper betaamt, begin ik gewoon met een inleiding en eindig, des schrijvers eigen, en als God het wil, met een verhaaltje. Het is de bedoeling dat daartussenin Jean Genet, Raskolnikov, Moll Flanders, Andreas Burnier, Charles Dickens, Oscar Wilde, Václav Havel en Breyten Breytenbach nog ter sprake komen, maar je weet het maar nooit. Toen Dostojevski voor het vuurpeloton op de kogel stond te wachten, duidde niets erop dat hij een van de grootste schrijvers van de wereld zou worden.
Door de titel van deze beschouwing zit ik vast aan een januskop. Die moet er dan eerst maar af, met bekentenissen en al.
Zie-ief!
Dat hebben geguillotineerde misdadigers waarschijnlijk gehoord voordat hun hoofd in het mandje rolde. Maar zeker kun je dat nooit weten. Daar kun je geen research naar doen. Research. Zo heet dat. Wetenschappers in dit land verrichten gewoon onderzoek, maar Nederlandse schrijvers doen aan research. Zij doelen met research heel gewichtig op de werkzaamheden die voorafgaan aan het schrijven van hun romans, zoals gericht om zich heen kijken, wat non-fictieboeken uit de bibliotheek halen, reizen maken op kosten van het Fonds voor de Letteren, een vraaggesprekje voeren met deze of gene en participerend observeren tot hoereren en vreemdgaan toe. Voor de roman waaraan ik nu werk, heb ik ook research gedaan. Ik heb mij onder meer een tijdje verdiept in de fascinerende en verbijsterende subcultuur van de plastische chirurgie. Ik las over een jonge vrouw die na haar gezichtsoperatie in onmin raakte met haar familie, omdat ze niet meer het karakteristieke paardenbekje had van haar oma, moeder, ooms, tantes, neefjes, nichtjes, zusters en broers. Haar gezicht was ook hun gezicht, vonden ze, daar had ze niet zomaar zonder hun toestemming aan mogen sleutelen. Haar zusje vond het heel erg dat ze nu niet meer op haar zusje leek. Ze werd van familieverraad beschuldigd en leidde sindsdien het treurige bestaan van een verstotene. O, had zij haar paardenbekje nog maar.”

 
Herman Franke (13 oktober 1946 – 14 augustus 2010)

Doorgaan met het lezen van “Herman Franke, Colin Channer, Migjeni, Arna Wendell Bontemps, Conrad Richter, Edwina Currie”

Herman Franke, Colin Channer, Migjeni, Arna Wendell Bontemps, Conrad Richter, Edwina Currie

De Nederlandse schrijver Herman Franke werd geboren op 13 oktober 1948 in Groningen. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Herman Franke op dit blog.

 

Uit: Wolfstonen

 

“Hij betwijfelde of die oude huizen het zouden pikken. Anders dan de overbuurvrouw geloofde hij wel in bezielde materie en hij dacht aan een harem vol oude wijven met verdorde schaamlippen waar een jong, stralend meisje werd binnengebracht; haar billen glommen als goud, op haar borsten schitterden zilverkleurige sieraden, tussen haar benen gloorde een vochtige hemel en haar liefdeszuchten klonken als engelengezang. De oude vrouwen maakten krabbend, schoppend en bijtend een wrak van haar. Maar zo fantasierijk en poëtisch waren de anderen niet. Zij herinnerden zich het gat dat tientallen jaren lang in de huizenrij gegaapt had en de vlakte met puinresten en uitbundig opschietend onkruid maar al te goed. Het gat werd rechts en links begrensd door de bontgekleurde tussenmuren van de belendende percelen, die buitenmuren waren geworden op de dag van de sloop. Je kon nog zien waar de vloeren en trappen hadden gezeten. De witte uitsparing in een geel geschilderde kamerwand verried waar een rechthoekige kast had gestaan. Je zag de betegelde wanden van doucheruimtes. This wall is now available in paperback, was er met een spuitbus op de rechtermuur geschreven, die opbolde en gestut werd door boomstammen. Er liepen altijd katten op het door een gazen hekwerk afgezette terrein, dat in feite de enige groenvoorziening in de wijk was maar als zodanig werd de plek niet gewaardeerd. Integendeel, het gat was iedereen een doorn in het oog. Er werd huisvuil en andere rotzooi gedumpt dat ging rotten en stinken en ongedierte aantrok. Ouders verboden hun kinderen het terrein te betreden maar via kleine openingen in het hek kropen zij stiekem toch naar binnen. Kort daarna kregen ze last van huiduitslag en misselijkheid. Er zouden giftige planten groeien. Er zou illegaal gif zijn gestort. Er zou ontucht bedreven worden door homo’s en kinderlokkers.”

 

 

Herman Franke (13 oktober 1946 – 14 augustus 2010)

Doorgaan met het lezen van “Herman Franke, Colin Channer, Migjeni, Arna Wendell Bontemps, Conrad Richter, Edwina Currie”

Herman Franke, Colin Channer, Migjeni, Arna Wendell Bontemps, Conrad Richter, Edwina Currie

De Nederlandse schrijver Herman Franke werd geboren op 13 oktober 1948 in Groningen. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Herman Franke op dit blog.

 

Uit: Traag licht

De vrouwen in mijn leven hielden mij ieder op hun eigen manier een spiegel voor. Mannen deden dat niet, zelfs mijn beste vrienden niet. Mannen bevechten elkaar of steunen elkaar onvoorwaardelijk. Ze houden elkaar een masker voor, wat op zijn tijd veel prettiger is dan een spiegel. Hoe het met vrouwen zit, weet ik niet zeker, maar ik denk dat vrouwen tegenover elkaar juist hun masker afleggen. Ik had wel een vrouw willen zijn.’

(…)

‘Dat deze vrouw dood was, fascineerde me. Dood zijn en toch lust weten aan te wakkeren van de man die naar die naaktfoto van je kijkt, daarin schuilt een mysterieuze biologische tegenstrijdigheid die mijn zinnen extra prikkelde. […] Misschien komt het doordat seks zich op deze foto’s dwars door de dood heen manifesteert, lak heeft aan de voortplanting en daardoor zelfs meer aan botte levensdrift appelleert dan de aanblik van een blote prachtvrouw in levende lijve. Het kan ook zijn dat die oude naaktfoto’s je laten voelen dat al die maatschappelijke veranderingen er niet zo veel toe doen. De mens blijft zichzelf gelijk, nu en toen, hier en daar, in weer en wind, door de eeuwen heen. Je waant je een ogenblik een met alle mensen die er zijn en waren. Dus als seks een verlangen naar eenwording is, wordt door de vrouwen op die oude foto’s niet alleen die eenwording maar ook het verlangen daarnaar tot de zoveelste macht verheven.’

 

Herman Franke (13 oktober 1946 – 14 augustus 2010)

In 1990

Doorgaan met het lezen van “Herman Franke, Colin Channer, Migjeni, Arna Wendell Bontemps, Conrad Richter, Edwina Currie”

Herman Franke, Colin Channer, Migjeni, Arna Wendell Bontemps, Conrad Richter, Edwina Currie, Peter Buwalda

De Nederlandse schrijver Herman Franke werd geboren op 13 oktober 1948 in Groningen. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Herman Franke op dit blog.

 

Uit: De ironie van de romantiek (Kellendonk lezing 2000)

`Er waren eens een vader en een zoon’. Zo begint een van de ontroeren­dste verhalen die ik ken. Het gaat over de dagelijkse omgang tussen een vader en een zoon. Zij voeren opgewekte, leven­dige gesprekken met elkaar, hoewel ze erg zwaarmoedig zijn. Beiden geloven dat ze schuld dragen aan het verdriet van de ander, zonder dit ooit uit te spreken. Maar heel af en toe blijft de vader voor de zoon staan, laat een bekom­mer­de blik op hem rusten en zegt: arm kind, jij leeft in een stille ver­twijfe­ling. Dan sterft de vader. En de zoon ziet veel, hoort veel, beleeft veel en wordt be­proefd in velerlei verzoe­kingen, maar er is maar één ding waar hij naar verlangt, maar één ding dat hem zou kunnen ontroeren: dat zijn die woor­den, en de stem van zijn vader die ze spreekt. En de enige troost die hij op zijn eigen oude dag heeft is dat zijn stem zo sterk op die van zijn vader is gaan lijken, dat hij tot zich­zelf kan zeg­gen: arm kind, jij leeft in een stille vertwijfe­ling. De schrij­ver van dit verhaal is de Deense filosoof Soren Kierkegaard die leefde in de eerste helft van de negentiende eeuw. Hij zag eruit als Jannes van der Wal, was zeker zo excentriek, werd op straat in Kopenhagen uitgelachen om zijn spillebenen en bouwde een bizar maar indruk­wekkend oeuvre op zijn existen­tieel getob over de verbreking van zijn verlo­ving met de 18-jarige Regine Olsen. Dat was in 1841 nog iets waar­van iedereen schande sprak. Op internet zijn portret­jes van Regine te vinden. Het is een wreedheid van de tech­nische voor­uit­gang dat honderden mil­joe­nen mensen nu kunnen zien hoe lief het meisje eruit zag dat hij hardhandig maar ook vol rijk gescha­keerd schuldge­voel van zich afstootte, nadat genade­loos zelfon­derzoek hem tot de conclusie had ge­bracht dat hij niet voor het huwe­lijk geschikt was en een andere taak had te volbren­gen, te weten het eenzaam leren leven met ver­twij­feling en angst en het zoeken naar een reli­gieuze uitweg, zeg maar troost.

Het verhaal over die vader en zoon is opgenomen in zijn Stadia op de levensweg dat in 1845 verscheen. In mijn herinne­ring was het veel langer dan de ene bladzijde die het in werke­lijkheid beslaat. Het is zo’n verhaal dat pas in de ver­beelding van de lezer een echt verhaal wordt, wat misschien wel de mooiste verhalen zijn. Ik las het bijna tien jaar geleden. Het was een zomerse dag en ik zat drie hoog achter op mijn balkon onder een bont­ge­kleurde para­sol.“

 

Herman Franke (13 oktober 1946 – 14 augustus 2010)

Doorgaan met het lezen van “Herman Franke, Colin Channer, Migjeni, Arna Wendell Bontemps, Conrad Richter, Edwina Currie, Peter Buwalda”

Herman Franke, Colin Channer, Edwina Currie, Migjeni, Arna Wendell Bontemps, Conrad Richter

De Nederlandse schrijver Herman Franke werd geboren op 13 oktober 1948 in Groningen. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2006 en ook mijn blog van 13 oktober 2007 en ook mijn blog van 13 oktober 2008 en ook mijn blog van 13 oktober 2009. Herman Frank overleed op 14 augustus van dit jaar. Zie ook mijn blog van 16 augustus 2010.

Uit: De verbeelding

Het oog van de liefde
Het daglicht in zijn atelier is genadeloos, maar hij ziet niets dat afbreuk doet aan haar rijpe, venusachtige schoonheid. Zelfs de opvallend grote moedervlek op haar buik siert haar. Ze ligt als een kostbaar juweel op het zwartfluwelen, met zilverdraad bestikte divankleed. Voor het eerst in zijn lange kunstenaarsleven voelt hij, kijkend naar een model, de miezerige opwinding van een voyeur. Haar hoofd steunt op de gebogen hand van haar linkerarm. Van haar gezicht straalt de gracieuze blijheid van Euphrosyne. Ze is zo onmenselijk mooi dat hij haar onwillekeurig behandelt als een stilleven van vrouwelijke schoonheden dat je vrijelijk kunt hergroeperen. Hij schuifelt met samengeknepen ogen naar haar toe en vouwt haar rechterarm als een krans rond haar hoofd waarbij de rug van zijn hand langs een van haar borsten strijkt. Nog voordat hij zich kan excuseren, schenkt ze hem de vrijgevochten lach van een bacchante die hij op tientallen schetsen en schilderijen van haar heeft vastgelegd toen ze nog Emma Hart heette. Terwijl hij verlegen teruglacht, verschijnen als bij toverslag de trekken van een meisjesachtige onschuld op haar gezicht.
‘Je bent een godin,’ zegt hij en reikt naar haar benen.
`Mag ik?’
Ze knikt traag zonder haar ogen van hem af te houden. Aarzelend legt hij haar linkerbeen over haar rechter en tilt haar heup iets op zodat de volle ronding van haar bil zichtbaar wordt. Hij doet enkele stappen achteruit en neemt haar keurend op.
`De mooiste godin,’ zegt hij.
Ze werpt spottend een vrome blik naar de hemel voordat ze hem onweerstaanbaar verleidelijk aankijkt. Meer dan ooit voelt hij zich een oude man. De voorbije jaren drukken verwijtend op zijn schouders. Zijn zucht naar roem dreef hem in 1762 van het provinciale Kendal in Westmorland naar het wereldse Londen. Zijn vrouw Mary en zijn zoontje John zouden hem later volgen maar daar kwam het nooit van. Eerst had hij geen geld en later was hij aan de vrijheid gewend. Getrouwde kunstenaars waren geen echte kunstenaars. Ze moesten groots en meeslepend willen leven. Maar als het er bij hem op aankwam won zijn moraal het altijd van zijn hartstocht. Nu is het te laat. Een zuur gevoel van spijt speelt op in zijn maag.”

franke

Herman Franke (13 oktober 1946 – 14 augustus 2010)
Getekend door Peter van Dongen

 

De Jamaicaanse schrijver Colin Channer werd geboren op 13 oktober 1963 in Kingston. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2008 en ook mijn blog van 13 oktober 2009.

Uit: The Girl with the Golden Shoes

„They were sitting on old buckets, scaling fish beneath an almond tree, when someone pointed to the water and they all began to shout.

They were hardy children who’d been raised in isolation on a crescent beach below a cliff, and had experienced many horrors-drownings, stabbings, births, and storms. But when they saw a one-eyed monster rising from the deep, they dropped their tools and dashed off in a blur of skirts and faded tunics to the clump of shacks in which they lived, raising clouds of sand as white as salt.

The eldest girl, Estrella Thompson, would be fifteen soon, and thought herself mature. She’d recently begun to read, which had created an awareness of a universe beyond San Carlos. So, unlike her friends, she was interested in the war.

The war was taking place in Europe, a place she’d only heard about the year before. Poland. Antwerp. Riga. Spain. The names were sparkling gems of sound that shimmered with a range of possibilities that went beyond the dreams of all her neighbors in the cove. So on the rare occasions that she’d had the chance to travel into town, she’d steal away to loiter in the little shops in Woodley, the district of the artisans adjacent to the port. There, she’d listen to the intonations of the BBC announcer on the redifusion box and be transported like a person who’d gone to see a medium for a glimpse of life across the void into the other world.

On these nights more than others, as she curled up in the hammock she shared with other girls beneath a shed beside her old grandmother’s hut, Estrella would gaze outside the window as she fingered old newspapers and her cache of stolen books, dreaming of the day when she’d be rescued from this place where nothing happened.“

channer

Colin Channer (Kingston, 13 oktober 1963)

 

De Britse romanschrijfster en gewezen politica Edwina Currie werd geboren in Liverpool op 13 oktober 1946. Currie is afkomstig uit een gelovig joods gezin in Liverpool, maar beschouwt zichzelf als enkel cultureel Joods; ze houdt zich naar eigen zeggen niet met „religieuze onzin“ bezig. Aan de Universiteit van Oxford studeerde ze politiek, filosofie en economie, en vervolgens specialiseerde ze zich in de economische geschiedenis aan de London School of Economics. Ze werd in 1975 gemeenteraadslid in Birmingham, waar ze het district Northfield vertegenwoordigde. Deze functie bekleedde ze tot 1986, toen ze Minister van Gezondheid werd. Currie schreef zes romans, die vaak over politieke intriges gaan. In haar dagboeken van de jaren 1987 tot 1992, gepubliceerd in 2002, kwam aan het licht dat ze tussen 1984 en 1988 een affaire met John Major had gehad. Toen Major tot Chief Secretary of the Treasury bevorderd werd, werd de liefdesrelatie te gevaarlijk, al bleef ze, zoals ze zelf zei, nog jarenlang verliefd op hem. Enkele weken na de publicatie van haar dagboeken omschreef ze Major als „een der minder bekwame premiers“, die ze tevens van seksisme en racisme betichtte. Voordien had ze de affaire echter jarenlang ontkend.

Uit: Diaries

20 March 1987:

“The real reason I wanted to write tonight was to record the end of something very special.

 “I wrote to B on Thursday night saying that’s it, no more; posted it Friday morning, so he won’t have seen it yet, maybe not till Tuesday.

“Because it isn’t quite the fun it was – he has changed.

 “It was best when he was restless, hiding himself, lacked confidence; he told me about his family; his early background, about being out of work, nearly being killed in an accident, all the deep things you only tell your soul …

 “He wrote only once, back in 1984 before we started, apologising for something he’d said thoughtlessly, ‘I wouldn’t hurt you for the world’. Once, unguarded, he answered when prodded, ‘I think you’re lovely,’ but that was it …

 “So why did it start? Because I was unhappy with a husband forever slumped snoring in front of the television, not helpful or interested in what I was trying to do.

 “I needed a friend. The first one turned out to be a right slob, with some kinky preferences and a selfishness of such magnitude as I’ve never met before.

 “I needed help and advice to get up from the backbenches, but the slob made it harder. ‘I love you,’ he said, but his real idea of women was to keep them in their place and not upstage him.

 “Then B came along, and he was so nice and so attractive, and so quiet in public that it was a challenge to unearth the real person, and to seduce him – easy!

“And it was unexpectedly, spectacularly good, for such a long time.”

currie

Edwina Currie (Liverpool, 13 oktober 1946)

 

De Albanese dichter Migjeni (eigen. Millosh Gjergj Nikolla) werd geboren op 13 oktober 1911 in Shkodra. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2008 en ook mijn blog van 13 oktober 2009.

Blasphemy

The mosques and churches float through our memories,
Prayers devoid of sense or taste echo from their walls.
Never has the heart of god been touched by them,
And yet it beats on amidst the sounds of drums and bells.

Majestic mosques and churches throughout our wretched land,
Spires and minarets towering over lowly homes,
The voice of the hodja and priest in one degenerate chant,
Oh, ideal vision, a thousand years old!

The mosques and churches float through memories of the pious,
The chiming of the bell mingles with the muezzin’s call,
Sanctity shines from cowls and from the beards of hodjas.
Oh, so many fair angels at the gates of hell!

On ancient citadels perch carrion ravens,
Their dejected wings drooping – the symbols of lost hopes,
In despair do they croak of an age gone by
When the ancient citadels once gleamed with hallowed joy.

 

Song of noble grief

Oh, noble grief of the suffering soul
That into free verse bursts out…
Would you perchance take comfort
In adorning the world with jewels?

Oh, noble grief in free verse,
Which sincerely sounds and resounds,
Will you ever move the feelings of men,
Or wither and die like the autumn leaves?

Oh, song worthy of noble grief…
Never rest! But with your twin,
Lamentation, sing out your suffering,
For time will be your consolation.

 

Vertaald door Robert Elsie

 migjeni

Migjeni (13 oktober 1911 – 26 augustus 1938)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Arna Wendell Bontemps werd geboren op 13 oktober 1902 in Alexandria in Louisiana. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2008 en ook mijn blog van 13 oktober 2009.

A Black Man Talks of Reaping

I have sown beside all waters in my day.
I planted deep, within my heart the fear
that wind or fowl would take the grain away.
I planted safe against this stark, lean year.

I scattered seed enough to plant the land
in rows from Canada to Mexico
but for my reaping only what the hand
can hold at once is all that I can show.

Yet what I sowed and what the orchard yields
my brother’s sons are gathering stalk and root;
small wonder then my children glean in fields
they have not sown, and feed on bitter fruit.

 

The Day-Breakers

We are not come to wage a strife
With swords upon this hill,
It is not wise to waste the life
Against a stubborn will.
Yet would we die as some have done.
Beating a way for the rising sun.

bontemps

Arna Wendell Bontemps (13 oktober 1902 – 4 juni 1973)

 

De Amerikaanse schrijver Conrad Richter werd geboren op 13 oktober 1890 in Pine Grove, Pennsylvania. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2008 en ook mijn blog van 13 oktober 2009.

 Uit: The Light in the Forest

 All morning on the path with his father, crazy thoughts ran like squirrels in the boy’s head. Never before had he know his father to be in the wrong. Could it be that he was in the right now? Had he unknowingly left a little white blood in the boy’s veins and was it for this that he must be returned? Then they came in sight of the ugly log redoubts and pale tents of the white army, and the boy felt sure there was in his body not a drop of blood that knew these things. At the sight and smells of the white man, strong aversion and loathing came over him. He tried with all his young strength to get away. His father had to hold him hard. In the end he dragged him twisting and yelling over the ground to the council house of the whites and threw him on the leaves that had been spread around.
“I gave talking paper that I bring him,” he told the white guards. “Now he belong to you.”
It was all over then, the boy knew. He was as good as dead and lay among the other captives with his face down. He was sure that his father had stayed. He could feel his presence and smell the sweet inner bark of the red willow mixed with the dried sumach leaves of his pipe. When dusk fell, a white guard came up. The other soldiers called him Del, perhaps because he could talk Delaware, the strange name the whites gave the Lenni Lenape and their languages. True Son heard Del tell his father that all Indians must be out of the camp by nightfall. From the sounds the boy guessed his father was knocking out his pipe and putting it away. Then he knew he had risen and was standing over him.“

 richter

 Conrad Richter (13 oktober 1890 – 30 oktober 1968)