Remco Campert, Claudia Gabler

De Nederlandse dichter en schrijver Remco Campert werd op 28 juli 1929 in Den Haag geboren. Zie ook alle tags voor Remco Campert op dit blog.

Verzet begint niet met grote woorden

Verzet begint niet met grote woorden
maar met kleine daden

zoals storm met zacht geritsel in de tuin
of de kat die de kolder in zijn kop krijgt

zoals brede rivieren
met een kleine bron
verscholen in het woud

zoals een vuurzee
met dezelfde lucifer
die een sigaret aansteekt

zoals liefde met een blik
een aanraking iets wat je opvalt in een stem

jezelf een vraag stellen
daarmee begint verzet

en dan die vraag aan een ander stellen.

 

Ja rozen

Dit zijn rozen voor je
en alle poëzie.
Dit is mijn mooiste pose:
die van liefde’s acrobaat,
zwevend schijnbaar moeiteloos,
maar met krampende tenen
boven een bed
van rozen en doornen.

Ik zal je nu beschrijven:
kijk, ik teken rozen op je huid
en jij doornen op de mijne.

Goed,
ik ben een acrobaat.
Is er een mooiere pose?

Pose van gevaar,
balancerend tussen begeerte en verweer:
ik stijg, ik val en onderwijl:

ik teken rozen
rozen
rozen

en dit zijn rozen.

 

Naar buiten

Naar buiten met die woorden!
Alsof ze vertaald zijn, misschien
niet zo best maar wie weet dat,
zó moeten ze klinken….

De straat op met je waar!
Wind staat om de monden en oren!
veel gaat verloren, flarden
zijn verstaanbaar, afzonderlijk-

heden nu treden naar voren
Olie op het asfalt, hier
stond een auto, smeulende peuk
op het trottoir daar

gaat een man

 

Remco Campert (Den Haag, 28 juli 1929)

 

De Duitse dichteres Claudia Gabler werd op 28 juli 1970 geboren in Lörrach. Zie ook alle tags voor Claudia Gabler op dit blog.

 

Onze eigen tuinen hadden ons afgewezen

Onze eigen tuinen hadden ons afgewezen,
zelfs de bloemen, tot op dit moment onze vrienden, waren er nu vandoor gegaan.
Derhalve kozen wij voor andere steden,
alleen hun geluidskwaliteiten waren daarvoor doorslaggevend.

De nieuwe baden stilden snel onze dorst naar douchewater,
maar de groene grens beschermde niet tegen insecten.
Ook niet tegen wilde dieren.
De buren waren echte gevoelsterroristen.

Wij zelf klaagden over berengeluiden
en werden en passant zelf onze ergste vijanden.
Ons voortijdige gezoem lag nu over de nieuwe tuinen als een provinciale symfonie.
Weer was het echter het water dat redding bood.

Thermale bronnen en de levenslust als van zowat een tsaar die erin gevierd werd
verhinderde vuurwapengebruik. We waren ineens heel vrolijk.
Ook al waren we omsloten door bontwaren en wisten we duidelijk:
Hier blaft een Siberische hond.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Claudia Gabler (Lörrach, 28 juli 1970)

 

Zie voor de schrijvers van de 28e juli ook mijn blog van 28 juli 2019 en ook mijn blog van 28 juli 2017 en ook mijn blog van 28 juli 2011 deel 2.

Chaim Nahman Bialik, Remco Campert, Herman Stevens, Stephan Sanders, Claudia Gabler, Sarah Schulman, Dolce far niente

Dolce far niente

 

A Quiet Summer Day door Richard Powell, 2010


On A Summer’s Day

When high noon on a summer’s day
makes the sky a fiery furnace
and the heart seeks a quiet corner for dreams,
then come to me, my weary friend.

A shady carob grows in my garden –
green, remote from the city’s crowds –
whose foliage whispers secrets of God.
Good my brother, let’s take refuge.

Pleasure and tenderness let us share
in the sweet hidden prime of noon,
and the mystery golden rays reveal
when sunlight pierces the rich shade.

When the black cold of a winter’s night
bruises you with its icy pinch
and frost sticks knives in your shivering flesh,
then come to me, blessed of God.

My dwelling is modest, lacking splendour,
but warm and bright and open to strangers.
A fire’s in the grate, on the table a candle –
my lost brother, stay and get warm.

When we hear a cry in the howling storm
we will think of the destitute starving outside.
We will weep for them – honest pitiful tears.
Good friend, my brother, let us embrace.

But when autumn approaches with rain and cloud
and the roof leaks and there’s moth in the heart
and the desolate world sinks, sullen, in mire,
then merciful brother, leave me alone.

I would be alone in the barren time
when the heart withers in slow decay.
Unseen. Unknown. No stranger understands.
Let me grieve alone in my silent pain.

Chaim Nahman Bialik (9 januari 1873 – 4 juli 1934)
Kerk St. Michael in Zhytomyr, de geboorteplaats van Chaim Nahman Bialik


90 Jaar Remco Campert

De Nederlandse dichter en schrijver Remco Campert werd op 28 juli 1929 in Den Haag geboren. Remco Campert  viert vandaag zijn 90e verjaardag. Zie ook alle tags voor Remco Campert op dit blog.

Uit: Het leven is vurrukkulluk

`Ik weet het niet,’ zei een meisje tegen een wildvreemde man. ‘Maar al die feesten. Dit is nu al het zesde deze zomer — ik word er zo moe van. Weet je hoe het komt dat er zoveel feesten zijn dit jaar?’ `Nee.’ `Omdat niemand met vakantie is gegaan. Het raakt uit de mode om met vakantie te gaan. Iedereen is overal al geweest. Het komt nu in de mode om thuis te blijven. Maar ja, al die feesten. Je rust er niet echt van uit. Begrijp je wat ik bedoel?’

Dat kun je niet maken bij die chick, jongen.’ ‘O nee?’ `Nee jongen, dat kan ik misschien maken, maar dat kun jij niet maken.’ `0 nee?’ `Nee, jongen, die chick is toevallig een hele jofele chick. En daarom kan een square als jij dat niet maken.’ ‘O nee?’

……………..

Ernst-Jan zat in de voorkamer te slapen. Etta pakte een vol glas cola van tafel en gooide het in zijn gezicht. `Heb ik een minnaar? Heb ik een minnaar?!’ Ernst-Jan stond moeizaam op en gaf haar een harde zet. Ze viel op de grond. Ze bleef even liggen, werd toen door een van de gasten overeind geholpen, terwijl een ander Ernst-Jan in bedwang hield. Die mensen houden van elkaar, dat zie je zo.’ Etta begon te huilen. Ze rukte zich los, pakte de tafel bij de poten en wierp hem om. Daarna pakte ze een grote vaas, die in een hoek op de vloer stond, en gooide die tegen de muur in scherven.

`Als jij kunst zo’n onzin vindt, dan vraag ik me af waarom je in godsnaam schildert.’ ‘Ik schilder niet in godsnaam.’ `Kunst is het mooiste dat er is, als je dat maar weet, en als jij kunst zo’n onzin vindt, dan kun je beter ophouden met schilderen.’ `Kunst is onzin.’

`Mees! Die meid van Zoon. Ze slaat de hele rotzooi kort en klein. Je moet er iets aan doen. Ze is gevaarlijk!’ ‘Ze heeft toch een man. Laat die er iets aan doen.’ Die is zo dronken dat hij geen stap kan doen. Hij staat er gewoon bij te kijken. Hij merkt het niet eens, geloof ik.’ `Laat mij maar,’ zei Boelie. ‘Ik ga er wel naar toe.’

`Je zou kunnen zeggen dat de stichting de belangen behartigt.’ Welke belangen?’ ‘De belangen van de stichting.’

`Kom maar,’ zei Boelie tegen Etta en hij nam haar mee de kamer uit. Ernst-Jan zakte in zijn stoel terug en viel weer in slaap. Iemand haalde een bezem uit de keuken om de scherven bij elkaar te vegen. ‘Ik kan niet zo goed lopen,’ zei Etta. `Jawel, het gaat best,’ zei Boelie. ‘Twee trappen maar, dan zijn we er. Ik help je wel.’

Remco Campert (Den Haag, 28 juli 1929)

 

De Nederlandse schrijver, literair criticus en columnist Herman Stevens werd geboren in Rotterdam op 28 juli 1955. Zie ook alle tags voor Herman Stevens op dit blog.

Uit: Vestdijk in de jungle

“In mijn studietijd las ik alle romans van Vestdijk, die in die tijd voor het opscheppen lagen bij De Slegte. Elke zomer gaf ik mezelf een vakantiebaantje door voor duizend gulden een lang essay te schrijven voor tijdschriften als De Revisor of Maatstaf, vier keer over romans van Vestdijk. Een uitgever schreef of ik er een boek van wilde maken, maar toen was ik al aan mijn eerste roman begonnen. Wat ik toen aan Vestdijk aflas, was dat een schrijver soms een minder boek schreef om daarna een beter boek te schrijven. Zo werkt dat.
Vestdijks Remington
Maar wat vooral indruk op mij had gemaakt lag al veel eerder, in mijn middelbare schooltijd. Een leraar Nederlands had laten zien hoe Vestdijks manuscripten eruitzagen, met eindeloze aanvullingen en verbeteringen die in ballonnetjes aan de tekst ontsnapten. Ik zag een foto van de schrijver achter zijn tank van een Remington. Hij had er een legerhelm bij kunnen opzetten. Vestdijk was een commando in de jungle. Toen ik van school af was en op een etage in een afbraakbuurt ging wonen, kocht ik bij een legerdumpzaak ook zo’n tank.
Het is nu al twintig, vijfentwintig jaar bon ton om te zeggen dat niemand nog Vestdijk leest. Pieter Steinz begon daarmee, in een tijd dat er zo’n vijf à tien Vestdijkromans waren die door scholieren en volwassen werden gelezen. We zouden dat nu fake news noemen. Ina Damman, De koperen tuin, De kellner en de levenden, Ierse nachten, Pastorale 1943, zijn allemaal nu ook nog volop verkrijgbaar. Bijna vijftig jaar na de dood van de auteur in kwestie, in het land van Zand Erover, is dat een fenomenale prestatie. Als dat ‘niet meer gelezen’ is zou elke schrijver daar voor passen.
Nobelprijs
Duivelskunstenaar. Kluizenaar van Doorn. Dat waren de mythen waarachter Vestdijk zich graag verschool. Schrijvers lieten zich toen nog niet voor elk nieuw boek interviewen. Dat was ook onbegonnen werk geweest, want Vestdijk publiceerde elk jaar (gemiddeld) twee à drie boeken. Hij was niet alleen onze Nobelprijs-kandidaat, maar ook de ultieme broodschrijver, en ik bedoel dat in positieve zin.”

Herman Stevens (Rotterdam, 28 juli 1955)
Simon Vestdijk achter zijn Remington


De Nederlandse schrijver, columnist, presentator en essayist Stephan Sanders werd geboren in Haarlem op 28 juli 1961. Zie ook alle tags voor Stephan Sanders op dit blog.

Uit: Iets meer dan een seizoen

“Het was Anil opgevallen dat ik ‘open en bewogen’ over etnische verhoudingen schreef, hij was een trouw lezer van mijn artikelen en die konden zijn goedkeuring wegdragen.
Tot tweemaal toe legde ik die brandbrieven op een stapel, want ik houd er niet van zo alarmerend toegesproken te worden, en bovendien kleefde mij ook toen al de zonde van de gemakzucht aan – de hoofdzonde der acedia. Die ontmoeting zou nooit hebben plaatsgevonden, als Anil mij niet op de redactie van De Groene had gebeld: eerst overviel hij mij met een onbetamelijke hoeveelheid lof, daarna trok hij de kaart van het gerichte schuldgevoel – ‘zijn beide zendingen niet aangekomen, ik kan me dat haast niet voorstellen’ –, zodat ik al snel begon te stotteren en subiet een afspraak maakte.
Ik kende het auteursportretje van achter op het boek. Een jonge, Surinaamse man. Geen neger – veel beter was ik toen niet ingevoerd in de Surinaamse verhoudingen. Ik zou hem dus gemakkelijk kunnen herkennen in dat café aan de Keizersgracht, toen hip en postmodern – daar deden gekleurde Nederlanders nog niet zo aan. Ik sprak er vaker af. Hem had ik precieze coördinaten moeten geven. (Notitie in het achterhoofd: ‘Man die Walem niet kent.’)
Hij was kleiner dan ik, dat gebeurt me niet vaak, en vanaf het moment dat we elkaar begroetten kreeg ik een waterval over me heen.
Hij riep bijvoorbeeld meteen: ‘Maar jij bent ook bruin’, en dat was niet minder dan een hartenkreet, een constatering die alles verklaarde, maar die mij enkel deed blozen.
Er stonden toen nog geen foto’s van redacteuren in dag- of weekbladen. Je was wat je schreef, en niet zoals je eruitzag. Ik wist mij geen houding te geven, Anil wist mij wel een houding te geven, een bruine houding moest het zijn, en nadat hij wat navraag had gedaan naar mijn afkomst (‘geadopteerd, bio moeder blank, bio vader donker, waarschijnlijk Jamaicaans, maar is niet zeker’) werd ik ogenblikkelijk zijn Caribische broeder, en was er nog maar één vraag over die beantwoord moest worden: hoe kon het gebeuren dat wij elkaar zo lang niet hadden gezien? Welke wrede god had ons al die tijd uit elkaar gehouden?”

Stephan Sanders (Haarlem, 28 juli 1961)


De Duitse dichteres Claudia Gabler werd op 28 juli 1970 geboren in Lörrach. Zie ook alle tags voor Claudia Gabler op dit blog.

Liebst du die mikroskopischen Dosen von Sprühwasser

Liebst du die mikroskopischen Dosen von Sprühwasser, 
die aus den Blüten der Städte ziehen,
die domestizieren
und uns von bukolischen Landschaften berichten,
die sie auf ihren Mobbingtouren gestreift haben werden,
die sich ausbreiten
in unseren Wannen voll Glück?
–––
Wir aber sind schon lang in die Gärten gezogen,
wo früher Mönche grasten, 
artgerecht und hungrig in ihrem Gesang.
Wir einst gewesenen Metro–Polneure.
Wenn wir Menschenkinder jetzt Schuhe anziehen,
finden wir manchmal Blasen darin. 
–––
Lieben sagst du,
sei die falsche Vokabel.

 

Die heimischen Gärten hatten uns abgewiesen

Die heimischen Gärten hatten uns abgewiesen,
auch die Blumen als unsere bisherigen Freunde waren jetzt abgetaucht.
Also entschieden wir uns für andere Städte,
maßgeblich waren dafür allein ihre Soundqualitäten.
–––
Die neuen Pools löschten kurzfristig unseren Duschwasserdurst,
doch vor Insekten schützte die grüne Grenze nicht.
Auch nicht vor wilderen Tieren.
Die Nachbarn waren echte Gefühlsterroristen.
–––
Wir selbst klagten über Bärengeräusche
und wurden ganz nebenbei zu unseren ärgsten Feinden.
Unser frühzeitiges Summen lag jetzt über den neuen Gärten wie eine Provinzsymphonie.
Doch wieder einmal war es das Wasser, das Rettung bot.
–––
Thermalquellen und die in ihnen zelebrierte, irgendwie zarische Lebenslust
verhinderten Schußwaffengebrauch. Ganz plötzlich waren wir heiter.
Wenn uns auch Pelzwaren umzäumten und wir deutlich wußten:
Hier bellt ein sibirischer Hund.

Claudia Gabler (Lörrach, 28 juli 1970)
Lörrach, Alter Marktplatz


De Amerikaanse schrijfster, historica en activiste Sarah Miriam Schulman werd geboren op 28 juli 1958 in New York City. Zie ook alle tags voor Sarah Schulman op dit blog.

Uit: The Gentrification of the Mind: Witness to a Lost Imagination

“Truth is replaced by falsity, the false claim that the dominant cultural writer does not have profound structural advantages, replaces the truth that being out in one’s work, sexually honest, and truthful about the lived homosexual experience, guarantees that one’s work will never be seen for its actual merit. The Gentrified Mind becomes unable to see lived experience because it is being bombarded by false stories replacing truth. Even we- the practitioners cannot understand the truthful positioning of our literature. In short, that to be acceptable, that literature cannot be sexually authentic. And, that even though this is a requirement for approval, we look at the highly conditional and restricted approval as a sign of success instead of the failure that it actually is.
In my own experience, the equation of queer literature with pornography is undeniable. Yes, this includes the banning of condom ads on television. Of course, in gay time, “recent” quickly disappears because so many participants are dead, and others have been silenced. It’s hard to have collective memory when so many who were “there” are not “here” to say what happened. Once the recent past is remembered, then the Amazon “glitch” becomes all too consistent. So, here is just one example exhumed from memory.
In 1994, a coalition of Feminists and right-wing politicians in Canada passed a Tariff Code called “Butler” that was designed to restrict pornographic production. Instead, it was applied in such a way that it allowed officials at Canada Customs to systematically detain and destroy gay and lesbian materials at the border. A gay bookstore in Vancouver, Little Sisters, had so much of its product seized at the border, that it could no longer operate. As a result, Little Sisters decided to sue the Canadian government.
My friend, John Preston, had just died of AIDS. He was the author of some iconic leather and S/M novels, many with literary bent. His novel Mister Benson had been serialized in Drummer Magazine, and created a subcultural phenomenon. Men would wear t-shirts asking Mister Benson? Or asserting Mister Benson!. While he had a less explicit series called Franny, The Queen of Provincetown, John was perhaps best known for his book I Once Had A Master. Since he was newly dead, I was asked by the Little Sisters legal team to come to Vancouver and testify on John’s behalf. And because I was very clear in my opposition to state repression of gay materials, I had no problem agreeing.”

Sarah Schulman (New York, 28 juli 1958)

 

Zie voor de schrijvers van de 28e juli ook mijn blog van 28 juli 2017 en ook mijn blog van 28 juli 2011 deel 2.

Claudia Gabler

De Duitse dichteres Claudia Gabler werd op 28 juli 1970 geboren in Lörrach. Zie ook alle tags voor Claudia Gabler op dit blog.

ABOUT NEO RAUCH / Periphere Zuneigung zu New York

Im Moment der kleinen Schritte
ist es fortgeschrittene LIEBE,
sagte der Maler.
–––
Welch Gelegenheit!
Welch Chance,
welch Chance für weltumspannenden Applaus!
–––
Er wolle also, sagte der Maler,
einmal verzichten auf die großen Tore,
die sich öffnen für diese Kosmen von Traum und Gleichzeitigkeit.
–––
Stattdessen Sehschlitze,
Augenausschnitte,
Fragmente von wattierten, von schattigen Welten.
–––
Als Motivlage für Bilder,
die kleiner als üblich ihre Tests machten
in den kühlen Kreisen der Botanik.
–––
Und eigentlich Raum brauchen
für die fatalen Folgen,
die auf sie folgen.

Claudia Gabler (Lörrach, 28 juli 1970)


Salman Rushdie, Sybren Polet, Josef Nesvadba, Osamu Dazai, José Rizal, Friedrich Huch, Gustav Schwab, Elke Geurts, Claudia Gabler

De Indisch-Britse schrijver en essayist Salman Rushdie werd geboren in Bombay op 19 juni 1947. Zie ook alle tags voor Salman Rushdie op dit blog.

Uit: The Golden House

“On the day of the new president’s inauguration, when we worried that he might be murdered as he walked hand in hand with his exceptional wife among the cheering crowds, and when so many of us were close to economic ruin in the aftermath of the bursting of the mortgage bubble, and when Isis was still an Egyptian mother-goddess, an uncrowned seventy-something king from a faraway country arrived in New York City with his three motherless sons to take possession of the palace of his exile, behaving as if nothing was wrong with the country or the world or his own story. He began to rule over his neighborhood like a benevolent emperor, although in spite of his charming smile and his skill at playing his 1745 Guadagnini violin he exuded a heavy, cheap odor, the unmistakable smell of crass, despotic danger, the kind of scent that warned us, look out for this guy, because he could order your execution at any moment, if you’re wearing a displeasing shirt, for example, or if he wants to sleep with your wife. The next eight years, the years of the forty-fourth president, were also the years of the increasingly erratic and alarming reign over us of the man who called himself Nero Golden, who wasn’t really a king, and at the end of whose time there was a large—and, metaphorically speaking, apocalyptic—fire.
The old man was short, one might even say squat, and wore his hair, which was still mostly dark in spite of his advanced years, slicked back to accentuate his devil’s peak. His eyes were black and piercing, but what people noticed first—he often rolled his shirtsleeves up to make sure they did notice—were his forearms, as thick and strong as a wrestler’s, ending in large, dangerous hands bearing chunky gold rings studded with emeralds. Few people ever heard him raise his voice, yet we were in no doubt that there lurked in him a great vocal force which one would do well not to provoke. He dressed expensively but there was a loud, animal quality to him which made one think of the Beast of folktale, uneasy in human finery. All of us who were his neighbors were more than a little scared of him, though he made huge, clumsy efforts to be sociable and neighborly, waving his cane at us wildly, and insisting at inconvenient times that people come over for cocktails. He leaned forward when standing or walking, as if struggling constantly against a strong wind only he could feel, bent a little from the waist, but not too much. This was a powerful man; no, more than that—a man deeply in love with the idea of himself as powerful.
The purpose of the cane seemed more decorative and expressive than functional. When he walked in the Gardens he gave every impression of trying to be our friend. Frequently he stretched out a hand to pat our dogs or ruffle our children’s hair. But children and dogs recoiled from his touch.”

Salman Rushdie (Bombay, 19 juni 1947)


De Nederlandse dichter en schrijver Sybren Polet (pseudoniem van Sybe Minnema) werd geboren in Kampen op 19 juni 1924. Zie ook alle tags voor Sybren Polet op dit blog.

Stopwoord

Ik vond een oorschelp in de grond
om aan te luisteren.
ik luisterde en vond
drie takken taal
een drietakttaal voor één gedicht.
daar is geen zin mee te verrichten.
ik stop dat oor maar met een stopwoord dicht.

 

De dichter als dokter

Klop klop.
Hier komt de dokter met zijn woorden,
als een vriendelijk geklede avond,
een avond in sportkostuum.

Zeg maar niets.
Ik zal de pijn wegzuigen uit je wang
en als je wilt
leg ik mij op je als een warm compres.
Zo wen je misschien misschien gemakkelijker aan je lichaam.

Ben je alleen? Stel je maar voor:
iedere minuut treed ik opnieuw de kamer binnen,
ik steek de lamp aan en schik je bed;
één woord leg ik op je voorhoofd
            als een hand koel ijs,
twee woorden duw ik als kussens in je rug,
één woord laat ik achter om je te strelen.
Zo heeft mijn gedicht toch een funktie.

En als je wakker wordt en wilt drinken,
twee jonge in het wit gestoken woorden geven je te drinken
en als je slapen wilt
dit is een woord zó zacht
dat je wel moet slapen.

Als zulke woorden zou ik om je willen zijn.

Klop, klop
hier komt de dokter met zijn woorden.

Sybren Polet (19 juni 1924 – 19 juli 2015)

 

De Tsjechische schrijver Josef Nesvadba werd geboren op 19 juni 1926 in Praag. Zie ook alle tags voor Josef Nesvadba op dit blog.

Uit: The Half-wit of Xeenemuende (Vertaald door Iris Unwin)

“The unfortunate teacher always counted the minutes to suppertime; never in all his life had lessons seemed so long, and never before had he felt so reluctant to go and teach his pupils.
About a month later he caught sight of Bruno fighting a gang of younger children in the street. He was attacking a couple of eight-year-olds, tripping them up and then kicking them when they were down.
“Bruno!” he shouted from a way off, but he couldn’t run because he had trouble with his breathing, and so it was the butcher’s wife who dealt with Bruno because she had seen the whole thing from her shop. She grabbed the boy by the collar — she was a muscular woman — and just lifted him over the fence into the Habichts’ garden. Then she took the other children indoors and washed their grazes for them.
“He’s always doing things like that,” she explained to the horrified teacher. “An idiot, that’s what he is. Ought to be in a Home. If his father wasn’t such a big bug they’d have taken him away long ago. Everybody’s surprised at you going there at all.”
It was a particularly good supper at the Habichts’ that evening, though, and he could even taste a hint of real coffee in the ersatz. Even Bruno was behaving quietly, only staring sulkily at one spot in the corner of the room. And so the old man could not bring himself to give notice.
That night the whole town was roused by another catastrophe. The butcher’s shop opposite the Habichts’ was destroyed the very same way as the governess’s house had been: by a small-calibre bomb or an artillery shell. The missile must have passed in through the window, and exploded inside the room, demolishing it. The shop was burned down.
Next day Bruno was smiling all through his lesson. The teacher began to feel uneasy.
“Who looks after your boy all day?” he carefully approached Mrs. Habicht at supper-time.
“Nobody. He’s awfully good. He spends all his time on the veranda at the back of the house. His father put together a little workshop for him to potter about in.”
“I’d like to see that.”
“No!” the boy blurted out in a low, furious voice, and his face darkened.”

Josef Nesvadba (19 juni 1926 – 26 april 2005)

 

De Japanse schrijver Osamu Dazai (eig.Shūji Tsushima) werd geboren op 19 juni 1909 in Tsugaru. Zie ook alle tags voor Osamu Dazai op dit blog.

Uit: The setting sun (Vertaald door Donald Keene)

„I have never liked breakfast and am not hungry before ten o’clock. This morning I managed to get through the soup, but it was an effort to eat anything. I put some rice-balls on a plate and poked at them with my chopsticks, mashing them down. I picked up a piece with my chopsticks, which I held at right angles to my mouth, the way Mother holds a spoon while eating soup, and pushed it into my mouth, as if I were feeding a little bird. While I dawdled over my food, Mother, who had already finished her meal, quietly rose and stood with her back against a wall warmed by the morning sun. She watched me eating for a while in silence.
“Kazuko, you mustn’t eat that way. You should try to make breakfast the meal you enjoy most.”
“Do you enjoy it, Mother?”
“It doesn’t matter about me — I’m not sick anymore.”
“But I’m the one who’s not sick.”
“No, no.” Mother, with a sad smile, shook her head.
Five years ago I was laid up with what was called lung trouble, although I was perfectly well aware that I had willed the sickness on myself. Mother’s recent illness, on the other hand, had really been nerve-racking and depressing. And yet, Mother’s only concern was for me.
“Ah,” I murmured.
“What’s the matter?” This time it was Mother’s turn to ask.
We exchanged glances and experienced something like a moment of absolute understanding. I giggled and Mother’s face lighted into a smile.
Whenever I am assailed by some painfully embarrassing thought, that strange faint cry comes from my lips. This time I had suddenly recalled, all too vividly, the events surrounding my divorce six years ago, and before I knew it, my little cry had come out. Why, I wondered, had Mother uttered it too? It couldn’t possibly be that she had recalled something embarrassing from her past as I had. No, and yet there was something.
“What was it you remembered just now, Mother?”

Osamu Dazai (19 juni 1909 – 13 juni 1948)
Cover

 

De Filippijnse dichter en schrijver José Rizal (eig. José Protacio Rizal Mercado y Alonso Realonda) werd geboren op 19 juni 1861 in Calamba. Zie ook alle tags voor José Rizal op dit blog.

Flower Among Flowers

Flower among flowers,
soft bud swooning,
that the wind moves
to a gentle crooning.
Wind of heaven,
wind of love,
you who gladden
all you espy;
you who smile
and will not sigh,
candour and fragrance
from above;
you who perhaps
came down to earth
to bring the lonely
solace and mirth,
and to be a joy
for the heart to capture.
They say that into
your dawn you bear
the immaculate soul
a prisoner
— bound with the ties of
passion and rapture?

They say you spread
good everywhere
like the Spring
which fills the air
with joy and flowers
in Apriltime.
They say you brighten
the soul that mourns
when dark clouds gather,
and that without thorns
blossom the roses
in your clime.
If then, like a fairy,
you enhance
the joy of those
on whom you glance
with the magic charm
God gave to you;
oh, spare me an hour
of your cheer,
a single day
of your career,
that the breast may savor
the bliss it knew.

José Rizal (19 juni 1861 – 30 december 1896)
Standbeeld in Fort Santiago

 

De Duitse dichter en schrijver Friedrich Huch werd geboren op 19 juni 1873 in Braunschweig. Zie ook alle tags voor Friedrich Huch op dit blog.

Uit: Pitt und Fox

„Wurde Fox am Ende seiner Erzählungen König, so verscholl Pitt am Schlusse ganz und gar und wußte selbst nicht, wo er blieb. – In solchen Augenblicken schwelgte Fox im Gefühle seiner eingebildeten Stärke. Herr Sintrup aber sagte: Aus dir wird mal was Großes! Aber du, Pitt, kannst dich nur gleich begraben lassen. – Dann zog Pitt unbemerkt ein Taschenbüchlein hervor, suchte eine bestimmte Seite und machte einen Bleistiftstrich. Sein Vater und seine Mutter sagten stets dasselbe, und er führte darüber eine Art Statistik.
Herr Sintrup war ein rühriger, geachteter Fabrikant in dem kleinen Städtchen. Pünktlich mit dem Glockenschlag war er zumeist im Bureau und schnauzte seinen Angestellten ein gutmütiges «Guten Morgen» zu. Nur manchmal kam es vor, daß er im Bett länger liegenblieb, denn ab und zu liebte er einen «guten Tropfen», wie er das nannte. Bekam er einen neuen Lehrling, so stellte er ihn vor sich hin, durchbohrte ihn mit seinen Augen und sagte in schrecklich drohendem Ton: Bengel, Bengel, ich sage dir…! Im Grunde aber war er gutmütig und leicht gerührt.
Fox fühlte sich in seiner Haut sehr wohl; den Dienstboten gegenüber tat er, als sei er eigentlich eine Art von Kronprinz; seine Mutter hatte er ganz in der Gewalt, sie verwöhnte ihn und gab ihm in allem seinen Willen, um so mehr, als Pitt ihr nicht im Wege war, der nie um etwas bat und mit einem stereotypen Danke alles in Empfang nahm, mochte es nun Gutes oder Geringwertiges sein.
Pitt erschien wie ein verschlossenes, etwas impertinentes Waisenkind, das trotz aller jahrelangen Gewöhnung niemals recht häuslich wird in dem Kreise seiner Pflegeltern. Die Namen seiner nächsten Verwandten konnte er nicht auseinanderhalten. Manchmal mußte er sich erst besinnen, wo das Eßzimmer, wo die Wohnstube lag. Genau so fremd lebte er in der Schule. Seinen Kameraden gegenüber hatte er einen leise überlegenen, ironischen Ton, feiner oder plumper, je nachdem er es für angemessen hielt. Wirkliche Freundschaften kannte er nicht. Er litt darunter, konnte es aber nicht ändern. Einmal schloß er sich an eine gleichaltrige Kusine an; aber das Mädchen wurde so gefühlvoll, ihm war, als spielten sie Theater; und als sie ihn eines Tages wie gewöhnlich besuchen wollte, fand sie seine Tür verschlossen, und er rief ihr durchs Schlüsselloch zu, es sei aus zwischen ihnen, er wolle sie nie wiedersehen. Als er dann später einmal ein tragisch auf ihn gerichtetes Gesicht erblickte, mußte er sich erst besinnen, wer das war.“

Friedrich Huch (19 juni 1873 – 12 mei 1913)
Cover

 

De Duitse dichter, schrijver en pastor Gustav Schwab werd geboren op 19 juni 1792 in Stuttgart. Zie ook alle tags voor Gustav Schwab op dit blog.

Die stille Stadt

Nenne mir die stille Stadt,
Die den ew’gen Frieden hat,
Deren düstere Gemächer
Sanft sich bauen grüne Dächer:
Ueber ihrer Häuser Zinne
Wandelt ernst der Fremdling hin,
Ziehet fort und hält nicht inne,
Grauen fasset ihm den Sinn.
Aber endlich tritt er wieder
Zitternd auf das morsche Dach,
Und die Wölbung sinket nieder,
Daß er stürzt in das Gemach.
Drunten in den Hallen traurig
Sieht er da die Bürger ruhn,
Alle liegen stumm und schaurig,
Mögen keinen Gruß ihm thun.
Die geschlossne Pforte kündet
Ihm sein ewig Bürgerrecht,
Und der arme Wandrer findet
Bald ein Bettlein recht und schlecht,
Ist des Prunkens müde worden,
Schickt sich in den stillen Orden,
Legt sich nieder in der Stadt,
Die den ew’gen Frieden hat.

 

Sonette aus dem Bade 1835

1
Was liegt der Schlaf auf meinen Augenlidern
Am hellen Tag? was ist mein Haupt so schwer?
Bald ras’t mein Puls, bald find’ ich ihn nicht mehr!
Pickt schon der Totenwurm in meinen Gliedern?

»Du bist nicht krank!« hör’ ich den Arzt erwiedern
Auf dieser Klagen ungestümes Heer.
»Setz’ gegen deine Bücher dich zur Wehr!
Laß dir den trägen Mut Natur befiedern!

Geh’ in ein Bad, doch hüte dich zu baden;
Zum Brunnen, doch das Glas nicht an den Mund,
Viel lieber laß zum Firnewein dich laden.

Hinab zur Kühle, dort im Felsengrund!
Empor im Schweiß auf steilen Tannenpfaden,
Lern’ wieder leben, und du wirst gesund!

Gustav Schwab (19 juni 1792 – 4 november 1850)
Stuttgart, Ansicht von Südosten. Gravure door C. Gerstner naar H. Schönfeld, ca. 1870


Onafhankelijk van geboortedata:

De Nederlandse schrijfster Elke Geurts werd geboren in Heijen in 1973. Zij studeerde aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht. Ze schreef toneelstukken en hoorspelen alvorens ze doorbrak met korte verhalen. Zij was de eerste winnaar van de verhalenwedstrijd Duizend Woorden en won de Nieuw Proza Prijs Venlo 2008Geurts publiceerde de verhalenbundels “Het besluit van Dola Korstjens” (2008), “Lastmens” (2010) en “Lastmens & andere verhalen” (2015), en de veelgeprezen roman “De weg naar zee” (2013). Haar werk werd genomineerd voor onder andere De Gouden Boekenuil, de BNG Literatuurprijs en de Anna Bijns Prijs. Geurts is schrijfdocent aan o.a. Schrijversvakschool Amsterdam, en columniste en recensent buitenlandse fictie voor Trouw.

Uit: Ik nog wel van jou

“Ik vroeg of hij de titel die mijn nieuwe uitgever had bedacht goed vond. ‘Veel te plat,’ zei ik. ‘Dat kan écht niet, toch?’
We hingen tegen het aanrecht in onze keuken met onze armen over elkaar en praatten over het werk en de kinderen, maar niet over de zakelijke mail die we om kwart over negen in de ochtend beiden hadden ontvangen. Met het stappenplan.
We hadden uitzicht op onze kleine entreehal en keken naar de jassen aan, op en onder de kapstok; een plank met haakjes die man zelf had gemaakt toen we hier kwamen wonen. Mijn vader ergert zich er al jaren aan dat er in ons nieuwbouwhuis niets waterpas is.
‘Alles wat dat jong hier zelf timmert is waardevermindering.’
We zagen een onordelijke berg schoenen, heely’s, skeelers en één groezelig grijze slof, daarnaast de uitpuilende rieten mand vol ongelezen kranten en wijnfl essen, erg veel lege wijnflessen.
Die grijze afgedragen sloff en staan nu nóg overal waar ik kijk, alsof er hier in huis een onzichtbaar mannetje achter me aan sloft dat ze – waar ik ook zit of sta – steeds precies in mijn zicht legt.
Op dit punt van het verhaal bevonden we ons in de donkere dagen voor kerst, een ijskoude wind kwam naar binnen, maar man had de deur naar het halletje wijd open laten staan, zo ook onze voordeur. Wagenwijd. Het lelijkste standaardmodel, met vier horizontale ramen waar ik de afgelopen anderhalf jaar nogal vaak – kromgebogen – doorheen had staan kijken. Zoals de buurvrouwen in het dorp waar ik vandaan kom vroeger altijd door de jaloezieën gluurden om te kijken wie er thuiskwam en wie er wegging, zo stond ik daar op die ingelegde droogloopmat de straat af te speuren. Te wachten. Op man.”

Elke Geurts (Heijen, 1973)


De Duitse dichteres Claudia Gabler werd in 1970 geboren in Lörrach. Zie ook alle tags voor Claudia Gabler op dit blog.

Eigentlich hatte ich gehofft, der Bus sei schon abgefahren.
Ich hatte ja keine Ahnung von den Rokokokirchen und
ihren egozentrischen Lichtspielen. Dich dagegen befriedigt es
offensichtlich völlig, wenn eine Taube sich aus den Glocken
schlägt, so wie wir damals dachten, wir wüßten alles über
das Leben und diese albernen Raclettegeräte. Heute weiß
ich zumindest, daß wir jahrelang neben einem berühmten
Hirnchirurgen gewohnt haben, ohne auch nur seinen Namen
zu kennen. Im Nachhinein bin ich mir sicher, daß er
ein guter Gesprächspartner gewesen wäre.

Ja, es ist wahr, von der Natur können wir so manches über
Ordnung lernen. Und ich meine nicht die Ordnung, die sich
ständig wiederholt und deshalb langweilig ist. Sondern ich
meine die komplexe Ordnung der Welt der Dinge, in der wir
leben. Also das Chaos als subtilere, nicht wiederkehrende
Art von Ordnung.

Schreibst du das alles auf? Rufst du mich an, wenn du
wiederkommst von dem Kontinent, der dich aufbläht wie
einen Mathematiker, der über seiner Arbeit verzweifelt?
Ich wünschte, wir hätten noch etwas von dem Käse da,
den wir im Morgengrauen in der alten Markthalle
neben der Themse gekauft haben. Als du am anderen
Ende der Welt am Fenster standst und ein Insekt
aus deinem Auge riebst.

Claudia Gabler (Lörrach, 1970)

 

Salman Rushdie, Sybren Polet, Josef Nesvadba, Osamu Dazai, José Rizal, Friedrich Huch, Gustav Schwab, Claudia Gabler

De Indisch-Britse schrijver en essayist Salman Rushdie werd geboren in Bombay op 19 juni 1947. Zie ook alle tags voor Salman Rushdie op dit blog.

Uit: The Enchantress of Florence

“She was a doli-arthi prostitute of the Hatyapul, meaning that the terms of her employment stated that she was literally married to the job and would only leave on her arthi or funeral bier. She had had to go through a parody of a wedding ceremony, arriving, to the mirth of the street rabble, on a donkey-cart instead of the usual doli or palanquin. “Enjoy your wedding day, Skeleton, it’s the only one you’ll ever have,” shouted one lout, but the other prostitutes poured a chamber pot of warm urine over him from an upstairs balcony, and that shut him up just fine. The “groom” was the brothel itself, represented symbolically by the madam, Rangili Bibi, a whore so old, toothless, and squinty that she had become worthy of respect, and so fierce that everyone was scared of her, even the police officers whose job it theoretically was to close her business down, but who didn’t dare make a move against her in case she gave them a lifetime’s bad luck by fixing them with the evil eye. The other, more rational explanation for the brothel’s survival was that it was owned by an influential noble of the court — or else, as the city’s gossips were convinced, not a noble but a priest, maybe even one of the mystics praying nonstop at the Chishti tomb. But nobles go in and out of favor, and priests as well. Bad luck, on the other hand, is forever: so the fear of Rangili Bibi’s crossed eyes was at least as powerful as an unseen holy or aristocratic protector.
Mohini’s bitterness was not the result of being a whore, which was a job like any other job and gave her a home, and food and clothing, without which, she said, she would be no better than a pye-dog and would in all likelihood die like a dog in a ditch. It was aimed at one single woman, her former employer, the fourteen-year-old Lady Man Bai of Amer, currently residing at Sikri, a young hussy who was already receiving, in secret, the eager attentions of her cousin Crown Prince Salim. Lady Man Bai had one hundred slaves, and Mohini the Skeleton was one of her favorites.“

Salman Rushdie (Bombay, 19 juni 1947)

 

Doorgaan met het lezen van “Salman Rushdie, Sybren Polet, Josef Nesvadba, Osamu Dazai, José Rizal, Friedrich Huch, Gustav Schwab, Claudia Gabler”

Salman Rushdie, Sybren Polet, Josef Nesvadba, Osamu Dazai, José Rizal, Friedrich Huch, Gustav Schwab, Claudia Gabler

De Indisch-Britse schrijver en essayist Salman Rushdie werd geboren in Bombay op 19 juni 1947. Zie ook alle tags voor Salman Rushdie op dit blog.

Uit:Luka and the Fire of Life

“There was once, in the city of Kahani in the land of Alifbay, a boy named Luka who had two pets, a bear named Dog and a dog named Bear, which meant that whenever he called out “Dog!” the bear waddled up amiably on his hind legs, and when he shouted “Bear!” the dog bounded towards him wagging his tail. Dog the brown bear could be a little gruff and bearish at times, but he was an expert dancer, able to get up on to his hind legs and perform with subtlety and grace the waltz, the polka, the rhumba, the wah-watusi and the twist, as well as dances from nearer home, the pounding bhangra, the twirling ghoomar (for which he wore a wide mirrorworked skirt), the warrior dances known as the spaw and the thang-ta, and the pea cock dance of the south. Bear the dog was a chocolate Labrador, and a gentle, friendly dog, though sometimes a bit excitable and nervous; he absolutely could not dance, having, as the saying goes, four left feet, but to make up for his clumsiness he possessed the gift of perfect pitch, so he could sing up a storm, howling out the melodies of the most popular songs of the day, and never going out of tune. Bear the dog and Dog the bear quickly became much more than Luka’s pets. They turned into his closest allies and most loyal protectors, so fierce in his defence that nobody would ever have dreamed of bullying him when they were nearby, not even his appalling classmate Ratshit, whose behaviour was usually out of control.
This is how Luka came to have such unusual companions. One fine day when he was twelve years old, the circus came to town – and not just any circus, but the GROF or Great Rings of Fire itself, the most celebrated circus in all of Alifbay, “featuring the Famous Incredible Fire Illusion.” So Luka was at first bitterly disappointed when his father the storyteller Rashid Khalifa told him they would not be going to the show. “Unkind to animals,” Rashid explained.
“Once it may have had its glory days but these days the GROF has fallen far from Grace.” The Lioness had tooth decay, Rashid told Luka, and the Tigress was blind and the Elephants were hungry and the rest of the circus menagerie was just plain miserable.”

Salman Rushdie (Bombay, 19 juni 1947)

 

Doorgaan met het lezen van “Salman Rushdie, Sybren Polet, Josef Nesvadba, Osamu Dazai, José Rizal, Friedrich Huch, Gustav Schwab, Claudia Gabler”

Friedrich Huch, Gustav Schwab, Claudia Gabler, Anneke Claus, Christian Teissl

De Duitse dichter en schrijver Friedrich Huch werd geboren op 19 juni 1873 in Braunschweig. Zie ook mijn blog van 19 juni 2007 en ook mijn blog van 19 juni 2009.

Uit: Enzio

„Es war ein weites, bequem eingerichtetes Gemach, das noch soeben von zwei Stimmen erfüllt gewesen war, die lebhaft, hoffnungsvoll und heiter redeten, befreit von einem schweren Druck. Eine verstaubte Flasche alten Weines stand auf dem Flügel, der schräg die Mitte des Zimmers beherrschte, neben ihr zwei halbgeleerte Gläser, undeutlich beleuchtet von einer elektrischen Stehlampe mit grünem Seidenschirm. Ihr Schein fiel voll auf eine Partitur, deren Zeichen vielfach durchstrichen, verbessert und noch nicht vollendet waren. An den Wänden hingen sehr große Lorbeerkränze mit goldbedruckten roten Bändern.
Jetzt öffnete sich die Tür wieder, und der Kapellmeister trat herein. Er stieß einen langen Seufzer der Erleichterung aus und ließ sich in einen Sessel fallen, wie jemand, der nach langem Kranksein, nach schließlicher Operation endlich aus dem Hospital entlassen, sich auf diesen Augenblick mit einem abschließenden: Gott sei Dank schon tagelang gefreut hat.
Alles glücklich überstanden! murmelte er für sich, alles am Ende noch gut abgelaufen, aber es hat meine Nerven doch sehr heruntergebracht. – Er starrte in einen Winkel, fühlte eine leise Übelkeit, der sich sogleich der Wunsch anreihte, sich zu stärken, und sah verlangend nach der Weinflasche. Aber sollte er schon wieder aufstehen von seinem schönen weichen Sitze? Nach kurzem Schwanken erhob er sich, trat langsam zum Flügel, sah die beiden Gläser an und wußte nun nicht mehr, welches sein eigenes und welches das Glas des Arztes gewesen sei. Mit leidendem Gesicht füllte er sie beide, trank das eine aus und stellte das andere vor sich auf die Flügelplatte, auf der er dann selber mit beiden Ellenbogen für seinen Kopf einen Stützpunkt fand.“


Friedrich Huch (19 juni 1873 – 12 mei 1913)

Doorgaan met het lezen van “Friedrich Huch, Gustav Schwab, Claudia Gabler, Anneke Claus, Christian Teissl”

Salman Rushdie, Sybren Polet, Josef Nesvadba, Osamu Dazai, José Rizal, Friedrich Huch, Gustav Schwab, Karin Fellner, Claudia Gabler, Marius Hulpe

De Indisch-Britse schrijver en essayist Sir Salman Rushdie werd geboren in Bombay op 19 juni 1947. Zie ook mijn blog van 19 juni 2008 en mijn blog van 19 juni 2007 en ook mijn blog van 19 juni 2006. 

Uit: The Satanic Verses

“It was during one of these playful sessions at the end of a working day, when the girls were alone with their eunuchs and their wine, that Baal heard the youngest talking about her client, the grocer, Musa. ‘That one!’ she said. ‘He’s got a bee in his bonnet about the Prophet’s wives. He’s so annoyed about them that he gets excited just by mentioning their names. He tells me that I personally am the spitting image of Ayesha herself, and she’s His Nibs’s favourite, as all are aware. So there.’

The fifty-year-old courtesan butted in. ‘Listen, those women in that harem, the men don’t talk about anything else these days. No wonder Mahound secluded them, but it’s only made things worse. People fantasize more about what they can’t see.’

Especially in this town, Baal thought; above all in our Jahilia of the licentious ways, where until Mahound arrived with his rule book, the women dressed brightly, and all the talk was of fucking and money, money and sex, and not just the talk either.

He said to the youngest whore: ‘Why don’t you pretend for him?’

Who?’

Musa. If Ayesha gives him such a thrill, why not become his private and personal Ayesha?’

‘God,’ the girls said. ‘If they heard you say that they’d boil your balls in butter.’

Salman_Rushdie

Salman Rushdie (Bombay, 19 juni 1947)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Sybren Polet (pseudoniem van Sybe Minnema) werd geboren in Kampen op 19 juni 1924. Zie ook mijn blog van 19 juni 2007 en ook mijn blog van 19 juni 2008

Boomgedicht

Zoveel als deze boom heb ik nooit beloofd:
mijn schaduw is minder, mijn nutteloze insekten tieren
weliger,
geen konijnen nestelen aan mijn voet.

Wel is mijn schors schor en hees
en ik overschreeuw mijzelf dagelijks met kinderen en bladeren.

Traag en moeizaam is mijn ringen
en even moeizaam wen ik aan het snoeien van handen,
de taal die mensen spreken.
Uit mijn hout worden geen goden gesneden,
ook zonder hen wordt mijn hout ouder.

Soms is het in mijn merg zo onophoudelijk donker
als in het windstil centrum van een ziekte;
je hoort er mensen als marmotten piepen
diep uit de zwartste zwammen van hun menszijn.

Maar jij die uit dit hout een stem wilt snijden,
snijdt een stem. Zoals mijn litteken is zing ik.

Mijn litteken is mijn sieraad.

 

Strandschap

Achter de duinen het overbodige landschap.
Geronselde wolkenhorden. Strand dat
langzaam zichzelf schept.

In ouderwetse rieten strandstoelen
zitten mensen te sterven, tatoes
op hun geloken oogleden.

Een enkel sigarettenrokend lijk
lost op in rook.

Een beroepshond met een bijbaantje
snuffelt langs de vloedlijn.

Vindt een kinkhoorn.

Uit de schelp klinkt het zachte geblaf
van een dode zeehond.

Polet

Sybren Polet (Kampen, 19 juni 1924)

 

De Tsjechische schrijver Josef Nesvadba werd geboren op 19 juni 1926 in Praag. Hij was opgeleid tot psichiater en introduceerde de groepstherapie in Tsjechoslowakije. Hij begon met het vertalen van Engelse gedichten. Als student schreef hij ook al toneelstukken. Aan het eind van de jaren vijftig begon hij korte verhalen te schrijven die men het best omschrijven kan als satirische science fiction. In de jaren zeventig ontwikkelde hij zich van dit genre vandaan richting meer psychologische romans. Verschillende van zijn boeken werden verfilmd door Juraj Herz.

Uit: The Einstein Brain

“The situation is extremely grave,” Professor Kozhevkin brought his report to a close. “During the lifetime of the last few generations our progress in various technical fields has liberated mankind, freed mankind from drudgery, hunger and war, and opened the way to the Universe. I can still remember the time when the Engineering Faculties of our Universities had the pick of the finest students, and when it was the heart’s desire of every young man to study some branch of technical science. Look at things today! Our young people have lost interest in what we are doing. Physics, chemistry and mathematics suddenly seem to have lost all interest for them. Every year there are fewer and fewer students applying for entrance to our Engineering Faculty in Alma-Ata. There is a danger that in a few years we shall find ourselves obliged to restrict our research work and set limits to the number of staff we can employ. This state of affairs cannot be allowed to go on. Our machines cannot work without people to control them; they cannot take care of the needs of mankind unless there is someone to run them. Energetic steps must be taken.”

We all clapped and Dr. Kozhevkin sat down.

“At our University in Toronto,” Professor Clark Smith-Jones took the floor, “things are almost worse. We have already had to shut down several of our specialised departments in certain aspects of space research, as well as the Department for Research into the Nature of Elementary Particles.“

nesvadba

Josef Nesvadba (19 juni 1926 – 26 april 2005)

 

De Japanse schrijver Osamu Dazai (eig. Shūji Tsushima) werd geboren op 19 juni 1909 in Tsugaru. Osamu Dazai behoort tot de generatie van Mishima, Kawabata en Tanizaki. Hij was echter een enfant terrible die geen aansluiting vond bij de gevestigde orde. Hij had en heeft de status van cultheld. In 1948 pleegde hij samen met zijn minnares zelfmoord. Deze en andere sensationele gegevens uit zijn leven krijgen vaak meer aandacht dan zijn werk. Zijn eerste korte verhaal dat hij ondertekende met zijn pseudoniem was Ressha dat verscheen in 1933. Na zijn zelfmoord trof men 14 verhalen aan onder de veelzeggende titel ‘Jaren van verval’.

Uit: The setting sun

“I drink out of desperation. Life is too dreary to endure. The misery, the loneliness, crampedness – they’re heartbreaking. Whenever you can hear the gloomy sighs of woe from the four walls around your, you know that there’s not a chance of happiness existing just for you. What feelings do you suppose a man has when he realizes that he will never know happiness or glory as long as he lives? Hard work. All that amounts to is food for the wild beasts of hunger. There are too many pitiful people. – Is that a pose again?”
“No.”
“Only love. Just like you wrote in your letters.”
“Yes.”
My love was extinguished.
When the room became faintly light, I stared at the face of the man sleeping beside me. It was the face of a man soon to die. It was an exhausted face.
The face of a victim. A precious victim.
My man. My rainbow. My child. Hateful man. Unprincipled man.
It seemed to me then a face of a beauty unmatched in the whole world. My breast throbbed with the sensation of resuscitated love. I kissed him as I stroke his hair.

The sad, sad accomplishment of love.
Mr. Uehara, his eyes still shut, took me in his arms. “I was all wrong. What do you expect of a farmer’s son?”
I could never leave him.
“I am happy now. Even if I were to hear the four walls all shriek in anguish, my feeling of happiness would still be at the saturation point.”
Mr. Uehara laughed. “But it’s too late now. It’s dusk already.”
“It’s morning!”
That morning my brother Naoji committed suicide.”

Osamu_Dazai_2

Osamu Dazai (19 juni 1909 – 13 juni 1948)

 

De Filippijnse schrijver José Rizal (eig. José Protacio Rizal Mercado y Alonso Realonda) werd geboren op 19 juni 1861. Zie ook mijn blog van 19 juni 2007 en ook mijn blog van 19 juni 2008

A Poem That Has No Title

To my Creator I sing
Who did soothe me in my great loss;
To the Merciful and Kind
Who in my troubles gave me repose.

Thou with that pow’r of thine
Said: Live! And with life myself I found;
And shelter gave me thou
And a soul impelled to the good
Like a compass whose point to the North is bound.

Thou did make me descend
From honorable home and respectable stock,
And a homeland thou gavest me
Without limit, fair and rich
Though fortune and prudence it does lack.

 

To Virgin Mary

Mary, sweet peace, solace dear
Of pained mortal ! You’re the fount
Whence emanates the stream of succor,
That without cease our soil fructifies.

From thy throne, from heaven high,
Kindly hear my sorrowful cry!
And may thy shining veil protect
My voice that rises with rapid flight.

Thou art my Mother, Mary, pure;
Thou’ll be the fortress of my life;
Thou’ll be my guide on this angry sea.
If ferociously vice pursues me,
If in my pains death harasses me,
Help me, and drive away my woes!

José_Rizal_portrait

José Rizal (19 juni 1861 – 30 december 1896)
Portret door Fabian Dela Rosa, 1902

 

De Duitse dichter en schrijver Friedrich Huch werd geboren op 19 juni 1873 in Braunschweig. Zie ook mijn blog van 19 juni 2007.

Uit: Pitt und Fox

„Pitt – so nannte Philipp Sintrup sein Spiegelbild, wie er es als kleines Kind zum erstenmal erblickte und mit dem Finger berührte. Die Familie heftete den Namen an ihn, und mit einer Art von Folgerichtigkeit ward nun sein jüngerer Bruder nur noch Fox gerufen. Pitt war es gleichgültig, wie er hieß. Fox dagegen wehrte sich gegen den ihm aufgehängten Namen, ohne daß er ihn vertreiben konnte. So behauptete er denn, als er in das Alter kam, wo man moderne Weltgeschichte lernt, ein Nachkomme des großen, bekannten Fox wäre sein Pate, und seinen gewaltigen Reichtum werde er einmal erben.

Schon früh begann Fox Großes von sich zu erzählen. Er stellte sich als den Helden von selbsterfundenen Geschichten hin, die er Märchen nannte, die aber außer ihrer Unmöglichkeit nichts Märchenhaftes an sich hatten, sondern der allernächsten Umgebung entnommen waren und nur in einem Tone vorgetragen wurden, der Grausen erregen sollte. – Der grauäugige, etwas hochgeschossene Pitt hörte sie mit gelangweilten Augen an, und wenn Fox geendet, erzählte er mit gleichmäßiger Stimme: ihm sei Ähnliches begegnet, nur sei alles umgekehrt gewesen; vor seinen Feinden habe er, anstatt sie anzugreifen, sich versteckt, indem er sich bewegungslos gegen den Zaun drückte, so daß sie ihn für einen Holzpfahl hielten. Während unter seines Bruders Tritten die dicksten Brückenbalken krachten, genügte ihm ein Strohhalm, sich seinen Verfolgern über das Wasser hin zu entziehen. Unter diesen befanden sich ganz unbesehen seine nächsten Verwandten, seine eigenen Eltern. Herr Sintrup zog an ihrer Spitze, und Frau Sintrup, Pitts Mutter, sonnte sich im Eingang einer Höhle, ohne sich zu bewegen, so daß er nicht an ihr vorbei konnte, um sich ein für allemal zurückzuziehen.“

braunschweig

Friedrich Huch (19 juni 1873 – 12 mei 1913)
Braunschweig (Geen portret beschikbaar)

 

De Duitse schrijver en pastor Gustav Schwab werd geboren op 19 juni 1792 in Stuttgart. Zie ook mijn blog van 19 juni 2007.

Uit: Sagen des klassischen Altertums

Auf herrlichen Säulen erbaut stand die Königsburg des Sonnengottes, von blitzendem Gold und glühendem Karfunkel schimmernd; den obersten Giebel umschloss blendendes Elfenbein, gedoppelte Türen strahlten in Silberglanz, darauf in erhabener Arbeit die schönsten Wundergeschichten zu schauen waren. In diesen Palast trat Phaethon, der Sohn des Sonnengottes Helios, und verlangte den Vater zu sprechen. Doch stellte er sich nur von ferne hin, denn in der Nähe war das strahlende Licht nicht zu ertragen. Der Vater Helios, von Purpurgewand umhüllt, saß auf seinem fürstlichen Stuhle, der mit gänzenden Smaragden besetzt war; zu seiner Rechten und zu seiner Linken stand sein Gefolge geordnet, der Tag, der Monat, das Jahr, die Jahrhunderte und die Horen; der jugendliche Lenz mit seinem Blütenkranze, der Sommer mit Ährengewinden bekränzt, der Herbst mit einem Füllhorn voll Trauben, der eisige Winter mit schneeweißen Haaren. Helios, in ihrer Mitte sitzend, wurde mit seinem allschauenden Auge bald den Jüngling gewahr, der über so viele Wunder staunte. »Was ist der Grund deiner Wallfahrt«, sprach er, »was führt dich in den Palast deines göttlichen Vaters, mein Sohn?«

gustav_schwab

Gustav Schwab (19 juni 1792 – 4 november 1850)

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Duitse dichteres Karin Fellner werd geboren 1970 in München, waar zij nog steeds woont. Zij studeerde psychologie in Konstanz en literatuurwetenschappen in München. Zij vertaalt en werkt als zelfstandig lectrice. In 2005 verscheen haar bundel »avantgarde des schocks« en in 2007 »in belichteten wänden«.

verschnittenes gras: du tastest

verschnittenes gras: du tastest
es ab in der brust, ein grünes
gefühl, prüfst die haltbarkeit
von wiesen, hunger nach
gärten beauty beyond
production aus rotem klee,
das süße ende der halme
im mund ein kühles
versprechen.

fellner

Karin Fellner (München, 1970)

 

De Duitse dichteres Claudia Gabler werd in 1970 geboren in Lörrach. Zij bezocht de kunstnijverheidsschool in Basel en studeerde theaterwetenschappen en communicatiewetenschappen in Berlijn. Zij is werkzaam in redacties en persafdelingen. Werk van haar verscheen in tijdschriften en bloemlezingen. In 2008 verscheen haar bundel Die kleinen Raubtiere unter ihrem Pelz.

mal wieder ein Stadtplan ohne Wirklichkeitsmomente

mal wieder ein Stadtplan ohne Wirklichkeitsmomente.
ich zog Kreise um den Bahnhof, an dem unser
ungleichzeitiges Timing abprallte wie unser Winken.
das Image wurde später eingefroren, auch
die gleichförmigen Krusten der Teigtaschen auf
den Stoffbezügen der Sitze. es gab seit Tagen nur
aufgetaute Wraps und geschlossene Pubs. hitzebeständig
behielten wir unsere Pullover an, um das Bild

vom Kennenlernen aufrechtzuerhalten, ließen wir
die Sitze oben bis zum nächsten präventiv
angelegten Streitgespräch. alles wirkte in diesen schlecht
ausgeleuchteten Bussen und Städten
wie ein Arrangement unter Freunden, die ganz zufällig
die gleichen Interessen hatten.
Körperkontakt war eine ganz gute Konsequenz.

gabler

Claudia Gabler (Lörrach, 1970)

 

De Duitse dichter Marius Hulpe werd geboren in 1982 in Soest, Westfalen. Hij woonde en studeerde in Berlijn en sinds 2006 studeert hij creatief schrijven en cultuurjournalistiek in Hildesheim. Hij is medewerker aan het literatuurtijdschrift Am Erker en redacteur bij lit.07. In 2008 verscheen zijn bundel Wiederbelebung der Lämmer.

sonnenaufgänge an neuköllner schulen

liebliche reihen am zaun, am spitzen
& nicht lebensungefährlichen geländer,
ihr fangt ihn tagtäglich ein, den stummen
hass des asphalts, die wut in der luft,
die schneidende stille im herzen der straße:
ihr fangt das erste wort, den blick, den atem
ein: hier wird nicht mehr viel gehen,
hier wird wahrscheinlich bald gesprengt:
ihr wusstet’s. das geländer? wozu. & wer
muss sich schon noch da hinein . . . ja wer
will verpassen, was kommt. wer
hätte nicht lust, zu sehen. welche angst.

marius_hulpe

Marius Hulpe (Soest, 1982)