Carl Sandburg, Harry Mulisch, Chang-Rae Lee, J. Neil C. Garcia, Dolce far niente

Dolce far niente

 

Summer Night At The Pond door Paul Bachem


Summer Stars

Bend low again, night of summer stars.
So near you are, sky of summer stars,
So near, a long-arm man can pick off stars,
Pick off what he wants in the sky bowl,
So near you are, summer stars,
So near, strumming, strumming,
So lazy and hum-strumming.

 

Carl Sandburg (6 januari 1878 – 22 juli 1967)
Main St., Galesburg, de geboorteplaats van Carl Sandburg

 

De Nederlandse schrijver Harry Mulisch werd geboren op 29 juli 1927 in Haarlem. Zie ook alle tags voor Harry Mulisch op dit blog.

Uit: De ontdekking van de hemel

“Waarop hij, Onno, hem vroeg of hij misschien niet goed bij zijn hoofd was om zo over zijn gasten te spreken, en of hij misschien wilde dat zijn schedel werd ingeslagen met een hollandse klomp. Iedereen sprakeloos. Hij kon fins praten! Na drie weken! Een oegrische taal! En toen hij het perplexe gezicht van zijn vader zag, dacht hij: — Ik ben je de baas, excellentie. `Ben je een zoon van die Quist?’ vroeg Max verrast. ‘Ja, die Quist.’ ‘Was hij voor de oorlog niet premier of zoiets?’ `Zou je misschien wat minder losjes over mijn vader willen spreken, Delius Max? De vier jaren van het kabinet-Quist behoren tot de donkerste van de menselijke beschaving. Het nederlandse volk zuchtte onder het theocratische schrikbewind van meneer mijn vader, — over wie ik geen kwaad woord wil horen, — en zeker niet uit de mond van iemand met zo’n ridicule automobiel.’ `Hij heeft ons in elk geval thuisgebracht,’ zei Max en stopte. ‘Zelf kun jij helemaal niet autorijden, als je het mij vraagt.’ `Natuurlijk niet! Waar zie je mij voor aan? Voor een chauffeur? Er zijn dingen die je niet mag kunnen. Wat je bij voorbeeld ook niet mag kunnen, is eten opscheppen met een vork en een lepel tussen de vingers van één hand, want dan ben je een ober. Dat kan jij natuurlijk ook, maar een heer als ik is niet gewend om zelf op te scheppen. Een heer als ik doet dat heel klungelig met twee handen en dan nog laat ik de helft op het tafellaken vallen, want zo hoort het.’ Bij het licht van de lantarens in de smalle straat konden zij elkaar nu beter zien. Onno vond, dat Max er eigenlijk veel te verzorgd uitzag om serieus genomen te kunnen worden; hij droeg het soort angelsaksische bourgeois outfit, met blazer en ruitjeshemd, dat hem ook bij zijn broers en zwagers zo tegenstond. Max, op zijn beurt, vond dat Onno geen slecht figuur zou slaan als orgeldraaier; ook zaten bij zijn oren en onder zijn kin verscheidene plekken, die hij bij het scheren had overgeslagen. Misschien was hij bijziend, kippig geworden van het turen naar ideogrammen. Onno stelde voor, naar Max’ huis te rijden; dan liep hij wel terug. Tevreden constateerden zij, dat er nog mensen op straat waren en dat overal in de huizen nog licht brandde, terwijl in Den Haag alle leven volledig was uitgewist. Bij het hoge hek langs het park sloot Max zijn auto af en trok zijn jas aan; Onno zag dat hij ook nog bruine peau de suède schoenen droeg. Hij wilde afscheid nemen, maar nu was het Max die zei: ‘Kom, ik loop een eind met je op.’ Uit de richting van het Leidseplein klonken politiesirenes: er was weer iets gaande, misschien de naweeën van een demonstratie tegen de Amerikanen in Vietnam.”
‘Ben jij ook eredoctor aan de universiteit van Uppsala?’ informeerde Onno. ‘Zoals ik?’ `Zo ver heb ik het nog niet gebracht.’ ‘Jij bent geen eredoctor aan de universiteit van Uppsala?’ riep Onno ontzet en bleef staan. ‘Kan iemand als ik dan eigenlijk wel met jou praten?’ Plotseling veranderde hij van toon, terwijl hij Max bleef aankijken. ‘Weet je dat jouw gezicht helemaal niet klopt? Je hebt staalharde, uiterst onsympathieke blauwe ogen, maar tegelijk een belachelijk weke mond, waarmee ik mij niet graag zou vertonen.’ Max keek naar hem op.”

Harry Mulisch (29 juli 1927 – 30 oktober 2010)
Neil Newbon (Quinten Quist) en Jeroen Krabbé (Aartsengel Gabriël) in de verfilming uit 2001


De Koreaans-Amerikaanse schrijver Chang-Rae Lee werd geboren op 29 juli 1965 in Seoel. Zie ook alle tags voor Chang-Rae Lee op dit blog.

Uit: Native Speaker

„For a long time I was able to resist the idea of considering the list as a cheap parting shot, a last-ditch lob between our spoiling trenches. I took it instead as one long message, broken into parts, terse communiqués from her moments of despair. For this reason, I never considered the thing mean. In fact, I even appreciated its count, the clean cadence. And just as I was nearly ready to forget the whole idea of it, maybe even forgive it completely, like the Christ that my mother and father always wished I would know, I found a scrap of paper beneath our bed while I was cleaning. Her signature, again: False speaker of language.
Before she left I had started a new assignment, nothing itself terribly significant but I will say now it was the sort of thing that can clinch a person’s career. It’s the one you spend all your energy on, it bears the fullness of your thoughts until done, the kind of job that if you mess up you’ve got only one more chance to redeem.
I thought I was keeping my work secret from her, an effort that was getting easier all the time. Or so it seemed. We were hardly talking then, sitting down to our evening meal like boarders in a rooming house, reciting the usual, drawn-out exchanges of familiar news, bits of the day. When she asked after my latest assignment I answered that it was sensitive and evolving but going well, and after a pause Lelia said down to her cold plate, Oh good, it’s the Henryspeak.
By then she had long known what I was. For the first few years she thought I worked for companies with security problems. Stolen industrial secrets, patents, worker theft. I let her think that I and my colleagues went to a company and covertly observed a warehouse or laboratory orretail floor, then exposed all the cheats and criminals.
But I wasn’t to be found anywhere near corporate or industrial sites, then or ever. Rather, my work was entirely personal. I was always assigned to an individual, someone I didn’t know or care the first stitch for on a given day but who in a matter of weeks could be as bound up with me as a brother or sister or wife.
I lied to Lelia. For as long as I could I lied. I will speak the evidence now. My father, a Confucian of high order, would commend me for finally honoring that which is wholly evident. For him, all of life was a rigid matter of family. I know all about that fine and terrible ordering, how it variously casts you as the golden child, the slave-son or -daughter, the venerable father, the long-dead god. But I know, too, of the basic comfort in this familial precision, where the relation abides no argument, no questions or quarrels. The truth, finally, is who can tell it.
And yet you may know me. I am an amiable man. I can be most personable, if not charming, and whatever I possess in this life is more or less the result of a talent I have for making you feel good about yourself when you are with me. In this sense I am not a seducer. I am hardly seen. I won’t speak untruths to you, I won’t pass easy compliments or odious offerings of flattery. I make do with on-hand materials, what I can chip out of you, your natural ore. Then I fuel the fire of your most secret vanity.”

Chang-Rae Lee (Seoel, 29 juli 1965)


Onafhankelijk van geboortedata

De Filipijnse dichter en letterkundige J. Neil C. Garcia werd geboren in 1969 in Manilla. Zie ook alle tags voor J. Neil C. Garcia op dit blog.

Uit: Poems from Amsterdam (Fragment)

XXXV
Of course, I know the strategy:
to enfold the moment in sound,
earmark it with rhythm, file it
into the mind with the textures,

syncopations, and airs of a song.
Julius, visiting the lovely De Krijtberg
and its goldleafed nave and altarpiece,
its stained glass, the saints poised delicately

under tiered canopies carved into the walls,
the woodsy scent of incense, tapers softly lit
at the foot of a smiling Madonna and Child—
made sure his iPod played a tune

with which to brand the experience
dark against his memory’s milky skin.
Thus tethered, it can thereafter
be summoned at the merest whim:

nostalgia triggered by the mood
deliberately chosen noise calls forth.
He’s since recurred to his adopted Canberra
where, he writes, it’s bitterly cold these days.

I can almost see him plugging into his machine,
to bask in vicarious, melodic warmth.
Astonishingly enough, here, with me,
it’s no different. Late-night TV in this city

is a redundancy of “quick sex” commercials:
Red-Light women moaning lekker,
an all-purpose Dutch word, it would appear,
for anything nice, delicious, tempting, or great,

in between puckering up, licking a fat dildo,
stroking their breasts with pink-tipped fingers,
and rearing their scantily clad haunches
up at the camera’s snoopy gaze.

It was interesting the first few seconds, but
not much after that. Luckily, a music channel
called The Box plays purely “classic” stuff.
A veritable box of found memories:

videos dusted off from the eighties
by singers and bands with overblown hair,
silly repeating lyrics, and outlandish makeup,
especially around the fiery lips and eyes—

the sights and sounds of my own salad days.
Which is to say: high school, arguably
the best episode, thus far, in my uneventful life,
steeped in brash fun with like-minded friends.

J. Neil C. Garcia (Manilla, 1969)


Zie voor nog meer schrijvers van de 29e juli ook mijn blog van 29 juli 2018 en mijn blog van 29 juli 2017 deel 1 en ook deel 2.

Harry Mulisch, Chang-Rae Lee, Thomas Rosenlöcher, Guillermo Martínez

De Nederlandse schrijver Harry Mulisch werd geboren op 29 juli 1927 in Haarlem. Zie ook alle tags voor Harry Mulisch op dit blog.

Uit: De ontdekking van de hemel

“Alleen al in ons eigen melkwegstelsel zijn er zo’n honderd miljard. Even veel als de mens hersencellen heeft.’ `Speak for yourself.’ `Verder zijn er ook rond honderd miljard extragalactische stelsels bekend, even veel als ik hersencellen heb, dus reken maar uit. Een één met tweeëntwintig nullen. Hoeveel talen zijn er?’ `Een schijntje. Rond tweeënvijftighonderd.’ ‘Kun je ook hiëroglyphen lezen?’ Wat voor hiëroglyphen?’ `Egyptische.’ `Niks aan. Spreken ook. Paut neteroe her resch sep sen ini Asar sa Heroe men ab maa kheroe sa Ast auau Asar. Hetwelk is, overgezet zijnde: «De paut van de goden verblijden zich over de komst van Osiris’ zoon Horus, opgericht in het hart, wiens woord absoluut is, zoon van Isis, erfgenaam van Osiris».’ ‘Toe maar. Wat betekent paut?’ ‘Ja, dat is nu even moeilijk, vervelend dat je dat vraagt. Volgens de meeste kenners slaat het op de oersubstantie, waarvan de goden zijn gemaakt; maar eigenlijk is het nog ingewikkelder, want in het Dodenboek zegt de scheppergod: «Ik bracht mijzelf voort uit de oersubstantie, die ik maakte». Maar laat ik je niet vermoeien met zulke archaïsche paradoxen.’ `Ze komen mij nogal modern voor,’ zei Max. ‘Waar woon je? Dan zet ik je voor de deur af.’ Beiden bleken in het centrum te wonen, niet ver van elkaar. Terwijl zij de stad in reden, vertelde Onno dat hij hiëroglyphen al kon lezen toen hij elf was. Dat had hij zichzelf bijgebracht met een oud engels leerboekje, voor een kwartje gekocht op de markt, zodat hij, met een woordenboek, tegelijk ook engels leerde. Dat was in de laatste oorlogswinter gebeurd, waarin, zei hij, honger en kou hem definitief hadden geknakt, — en meteen vroeg hij zich af, waarom hij zoiets vertelde aan een wildvreemde. Thuis, als jongen, sprak hij niet over zijn taalstudies. Hij dacht dat iedereen dat kon, die even de moeite nam. Zo was dat altijd met talent: een schrijver kon zich ook niet voorstellen, dat iemand niet kon schrijven. Dat het toch niet zo gewoon was, besefte hij pas na de oorlog, toen zij eens op vakantie waren in Finland. Zij zaten in hun hotel in Fbrneenlinna, daar ergens tussen die depressieve meren en naaldbossen, en de avond voor hun vertrek was het eten koud, of juist warm. Zijn vader riep de gerant, die vervolgens deed of hij de ober een uitbrander gaf; maar in werkelijkheid zei hij, dat hij zich maar niets moest aantrekken van die krenterige kaaskoppen, want morgen waren zij toch opgelazerd naar hun stompzinnige tulpen en windmolens.”

 
Harry Mulisch (29 juli 1927 – 30 oktober 2010)
Neil Newbon als de 18-jarige Quinten Quist in de verfilming uit 2001

 

De Koreaans-Amerikaanse schrijver Chang-Rae Lee werd geboren op 29 juli 1965 in Seoel. Zie ook alle tags voor Chang-Rae Lee op dit blog.

Uit: Native Speaker

“She was traveling heavy. This wasn’t a trip of escape, in that normal sense. She was taking with her what seemed to be hundreds of books and notepapers. Also pads, brushes, tiny pastel-tinted sponges. Too many hats, I thought, which she wore like some dead and famed flyer. A signal white scarf of silk. Nothing I had given her. And maps. Here was a woman of maps. She had dozens of them, in various scales. Topographic, touristical, some schematic—these last handmade. Through the nights she stood like a field general over the kitchen counter, hands perched on those jutting hip bones, smoking with agitation, assessing points of entry and encampment and escape. Her routes, stenciled in thick deep blue, embarked inward, toward an uncharted grave center. A messy bruise of ink. She had already marked out a score of crosses that seemed to say You Are Here. Then, there were indications she was misreading the actual size of the islands. Her lines would have her trek the same patches of rocky earth many times over. Overrunning the land. I thought I could see her kicking at the bleached, known stones; the hard southern light surrendering to her boyish straightness; those clear green eyes, leveling on the rim of the arched sea. Inside the international terminal I couldn’t help her. She took to bearing the heaviest of her bags. But at some point I panicked and embraced her clumsily. “Maybe I’ll come with you this time,” I said. She tried to smile. “You’re just trading islands,” I said, unhelpful as usual.
I asked if she had enough money. She said her savings would take care of her. I thought they were our savings, but the notion didn’t seem to matter at the moment. Her answer was also, of course, a means of renunciation, itself a denial of everything else I wasn’t offering. When they started the call for boarding she gave me the list, squeezing it tight between our hands. “This doesn’t mean what you’ll think,” she said, getting up. “That’s okay.” “You don’t even know what it is.” “It doesn’t matter.” She bit her lip. In a steely voice she told me to read it when I got back to the car. I put it away. I walked with her to the entrance. Her cheek stiffened when I leaned to kiss her. She walked backward for several steps, her movement inertial, tipsy, and then disappeared down the telescoping tunnel. I read through the list twice sitting in our car in the terminal garage. Later I would make three photocopies, one to reside permanently next to my body, in my wallet, as a kind of personal asterisk, I thought, in case of accidental death. Another I saved to show her again sometime, if I wanted pity or else needed some easy ammunition.“

 Chang-Rae Lee
Chang-Rae Lee (Seoel, 29 juli 1965)

 

De Duitse dichter en schrijver Thomas Rosenlöcher werd geboren op 29 juli 1947 in Dresden. Zie ook alle tags voor Thomas Rosenlöcher op dit blog.

Uit: Die Wiederentdeckung des Gehens beim Wandern. Harzreise

„Auch in den Auslagen herrschte das Signum der Sieger längst vor, und der Chrom ihrer Brotröstmaschinen leuchtete bis zum Ural. Nur hier und da hielt sich im Schaufenster noch ein sozialistischer Hilfspullover, oder eine Planerfüllungslampe brütete gebeugt vor sich hin. “Viel zu teuer”, sagte die Frau, die hier “viel zu teuer” sagte. Auch mir tat es weh, für ein Fünf-Pfennig-Brötchen aus den Zeiten des Zentralkomitees eine halbe Westmark hinlegen zu müssen. “Viel zu teuer”, sagte ein weißhaariger Greis angesichts der Selterswasserflaschen und hob seinen Stock drohend in Richtung Verkäuferin. “Wir machen doch nicht die Preise”, rief die Verkäuferin, und ihre Stimme klang ängstlich, da sich ihr, in Form meiner Person, ein bartverwildertes Wesen mit Rucksack näherte und jene eisenharte Semmel auf die Ladentheke knallte. (…) Das Zentrum der allgemeinen Aufregung war die Sparkassenschlange, die sich den Marktplatz entlang in Dreierreihen erstreckte: Schritt für Schritt, Bauch an Rücken, geschah der Übertritt in die neue Zeit auf die alte Weise: In einer Geschwindigkeit von 12½ Metern die Stunde. (…) Die Männer und Frauen aber, die wieder aus der Sparkasse traten, würdigten die Sparkassenschlange mit keinem Blick. Auf einmal ohne Vordermensch, mit luftigerem Gehensgefühl, zögerten sie kurz und gingen merkwürdig stromlinienförmig über die Gehwegplatten davon: als plötzliche Westgeldbesitzer ihre eigenen Westtanten und -onkel geworden. Nur einige ältere Leute blieben hier und da stehen und hielten ihren Kontoauszug verblüfft in Augenhöhe. (…) Immerhin war ein Teil des Ersparten in Westmark umgetauscht worden, aber der Rest der Jahre gnadenlos abgewertet. Selbst die Wäsche im Hof, wehend unter den vollen Segeln meiner Kindheitserinnerungen, trug auf einmal den Stempel SED-Regime.“


Thomas Rosenlöcher (Dresden, 29 juli 1947)
De Harz

 

De Argentijnse schrijver en wiskundige Guillermo Martínez werd geboren in Bahía Blanca op 29 juli 1962. Zie ook alle tags voor Guillermo Martinez op dit blog.

Uit: Vast Hell

“Often, when the grocery store is empty and all you can hear is the buzzing of flies, I think of that young man whose name we never knew and whom no one in town ever mentioned again. For some reason that I can’t explain, I always imagine him as we saw him that first time: the dusty clothes, the bristling beard, and especially the long, dishevelled hair that almost covered his eyes. It was the beginning of spring, which is why, when he came into the store, I took him for a camper headed south. He bought a few cans of food and some coffee; as I added up the bill, he looked at his reflection in the window, brushed his hair off his forehead, and asked me if there was a barber in town.
In those days, there were two barbers in Puente Viejo. Now I realize that if he’d gone to Old Melchor’s he might never have met the French Woman, and no one would have gossiped about them. But Melchor’s place was at the other end of town, and I had no reason to anticipate what happened.
The fact is that I sent him to Cerviño’s place, and it seems that while Cerviño was giving him a haircut the French Woman appeared. And the French Woman looked at the boy the way she looked at all men. And that was when the bloody business started, because the boy stayed on in town and we all thought the same thing: that he’d stayed on because of her.
It hadn’t been a year since Cerviño and his wife had settled in Puente Viejo, and we knew very little about them. They didn’t socialize with anyone, as the whole town used to point out angrily. If the truth be told, in poor Cerviño’s case it was little more than shyness, but the French Woman may, in fact, have been quite stuck up. They’d come from the big city the previous summer, at the beginning of the season, and when Cerviño opened his barbershop I remember thinking that he’d soon send Old Melchor under, because he had a hairdresser’s diploma and had won a prize in a crewcutting competition, and he owned a pair of electric clippers, a hair dryer, and a swivel chair, and he would sprinkle vegetable extracts onto your scalp and even spray some lotion on you if you didn’t stop him in time. Also, in Cerviño’s shop the latest sports magazine was always in the rack. And, above all, there was the French Woman. I never actually knew why people called her the French Woman, and I never tried to find out—I’d have been disappointed to discover that the French Woman was born, for instance, in Bahía Blanca, or, even worse, in a small town like this one. Whatever the truth, the fact is that I’d never met a woman quite like her. Maybe it was simply that she didn’t wear a bra: even in winter you could see that she wasn’t wearing a thing under her sweater.”


Guillermo Martínez (Bahía Blanca, 29 juli 1962)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e juli ook mijn blog van 29 juli 2017 deel 1 en ook deel 2.

Harry Mulisch, Chang-Rae Lee, Thomas Rosenlöcher, Guillermo Martínez, Marja Brouwers, Wolfgang Bittner

De Nederlandse schrijver Harry Mulisch werd geboren op 29 juli 1927 in Haarlem. Zie ook alle tags voor Harry Mulisch op dit blog.

Uit: De ontdekking van de hemel

“Nooit gaf Onno antwoord op belangstellende vragen naar zijn ontdekking. ‘Lees dat maar na,’ placht hij te zeggen, ‘in de Journal of Near Eastern Studies. Ik maak geen overuren.’ Maar nu, op Max’ vraag hoe hij dat schrift ontcijferd had, legde hij geduldig uit dat er geen sprake was van ontcijferen, aangezien het sinds jaar en dag leesbaar was. Het bestond in grote trekken uit het griekse alfabet, maar het was geen grieks, het was onbegrijpelijk. Het was zoals wanneer iemand die geen grieks kende, het griekse alfabet leerde en dan zou proberen de Ilias te lezen. De etrusken waren een italisch volk, doceerde hij, dat in het huidige Toscane leefde: Tusci noemden de romeinse veroveraars hen. Het latijn zat vol etruskische leenwoorden, zoals persona voor ‘masker’, maar verder was alleen van een paar woorden de betekenis bekend, zoals van die voor ‘god’, ‘vrouw’, ‘zoon’. Het probleem was, dat een lange bilingue ontbrak, zoals Champollions Steen van Rosette, met eenzelfde tekst in het etruskisch en in een bekende taal. Zij hadden dus iets met de grieken te maken, en tegelijk had hun taal niets te maken met het grieks. Zij schreven hun taal fonetisch met griekse letters, zoals gymnasiasten uit de eerste klas met hun naam deden, en zoals nederlanders deden met latijnse letters. Het volk kwam omstreeks de negende eeuw voor Christus dus ergens vandaan, waar ook grieken waren. Maar — en dat was de beslissende inval — het was natuurlijk ook mogelijk, dat de grieken ooit hun alfabet van de etrusken hadden overgenomen, om daarmee fonetisch hun eigen taal te schrijven: grieks dus. Dat was natuurlijk te gek om los te lopen; maar langs die weg, gesteund door allerlei archaeologische overwegingen, kwam hij terecht bij de kretische talen: lineair-B uit de vijftiende eeuw voor Christus, vijftien jaar geleden door wijlen zijn collega Michael Ventris ontcijferd, en lineair-A uit de achttiende eeuw, —waarachter weer semitische oorsprongen schuilgingen… ‘Kortom, mijn beste Watson,’ zei hij, toen zij Schiphol passeerden, ‘door combineren en deduceren en een hoop geluk en wijsheid kwam ik er achter. De hooggeleerde Pellegrini beschouwt mij weliswaar nog steeds als een fantast en een charlatan, maar dat wijst voornamelijk op zijn autistische aard.’ Wat heb je gestudeerd?’ `Rechten.’ `Rechten?’ ‘Dat is een familiekwaal.’ ‘Maar al die talen…’ ‘Liefhebberij. Ik ben een amateur, net als de grote Ventris, die was architect van huis uit. Als het moet, leer ik een taal in een maand. Ik kon al lezen toen ik drie was.’ ‘Hoeveel talen beheers je dan?’ ‘In tellen ben ik slecht. Dat lijkt mij meer iets voor jou. Hoeveel sterren zijn er?’ ‘We hebben ze nog niet allemaal geteld. Het aantal is trouwens niet constant.“

 
Harry Mulisch (29 juli 1927 – 30 oktober 2010)
Affiche voor de film

Doorgaan met het lezen van “Harry Mulisch, Chang-Rae Lee, Thomas Rosenlöcher, Guillermo Martínez, Marja Brouwers, Wolfgang Bittner”

Dolce far niente, Theo Thijssen, Harry Mulisch, Chang-Rae Lee, Thomas Rosenlöcher, Walter van den Berg

Dolce far niente

 

 
De Damstraat en het Koninklijk Paleis in Amsterdam door Gerard Johan Staller (1880-1956)

 

Uit: Jongensdagen

“In-eens kreeg-ie een schok: moest Rosa Overbeek ‘es binnenkomen! Ach, wat zou ze een kleur krijgen, en proberen d’r zwarte boekje weg te houden voor hem. Ze zou misschien stilletjes gaan zitten huilen op de bank, huilen van schaamte. Hij verging van medelijden; het wàs ook beroerd voor d’r. Hij zou buiten op haar wachten, en dan tegen d’r zeggen: ‘Rosa Overbeek, je kan gerust zijn, ik ben te vertrouwen; niemand, mijn eigen vader en moeder niet eens, zal weten dat ik je hier gezien heb. Ik ben hier toevallig voor een klant van ons, die vroeg of ik deze boodschap wou doen.’
‘Da’s een pak van m’n hart,’ zou ze zeggen. En hem dan uitleggen, hoe het kwam dat haar vader geld had moeten lenen: langdurige ziekte.
‘Och,’ zou hij zeggen ‘je hoeft mij niets uit te leggen. Wie weet, of ik hier eerdaags óók niet voor mijn vader naar toe moet, die is óók al een tijd ziek.’
‘Ja, ‘k heb je daar al telkens naar willen vragen zeg, maar ik dorst niet goed. Is het waar, wat Dinges verteld heeft, van bloedspuwingen?’
‘Ben je gek? Hij had z’n keel ’n beetje stukgehoest, maar anders niet. Uit voorzichtigheid moet-ie nog een tijd in bed blijven, maar de dokter komt zowat helemaal niet meer, ik ga telkens naar hèm toe. Heb je natuurlik al gemerkt, hè, dáárdoor ben ik ’s morgens meestal zo laat.’
Enfin, zo zouen ze dan aan ’t kletsen raken….
’t Was zijn beurt. Vijf en veertig. Z’n pet af, en kamer 20 binnen. Pats, non; óók een kamer! Een gangetje met twee loketten, en aan de andere kant moest je d’r weer uit.
Hij gaf z’n boekje door het eerste loket. De meneer sloeg het open. ‘Bakels, twaalf gulden vijftig!’ Hè, wat riep-ie dat hard. Enfin, in kamer 19 kon je dat toch niet horen. Hij lei z’n vijf rijksdaalders op het marmeren plaatje. ‘Volgende loket,’ zei de meneer. Kees schoof verder. ‘Bakels!’ riep er daar weer een, en gaf ‘em z’n boekje terug.
‘Nou de aftocht,’ dacht Kees. Hij trok z’n pet ver over z’n hoofd, en stapte weg.
Zo, daar zag-ie de trap weer. Niemand hoorde-n-ie aankomen, hij kon het dus wagen…. Hij haalde gelukkig de straat. Vreselik hinkend, en met een erg vertrokken gezicht liep-ie een heel stuk Damstraat.
Toen bleef-ie voor een winkel staan, en keek naar alle kanten. Nog even wachten, of geen kennis hem op z’n schouder zon tikken. Nee hoor, alles veilig. Het boekje zat ook goed weggestopt. Prachtig. Toch een geluk, dat het donker was óók. Hij liep nu gewoon langs de straat. Nou kon-ie iedereen gerust tegen-komen, aan hèm was niets meer te zien van de geheimzinnige boodschap.”

 
Theo Thijssen (16 juni 1879 – 23 december 1943)
Gevelsteen aan het Theo Thijssenmuseum in de Eerste Leliedwarsstraat, Amsterdam

Doorgaan met het lezen van “Dolce far niente, Theo Thijssen, Harry Mulisch, Chang-Rae Lee, Thomas Rosenlöcher, Walter van den Berg”

Dolce far niente, Theo Thijssen, Guillermo Martínez, Harry Mulisch, Chang-Rae Lee

Dolce far niente

 

 
Bloemstraat met de Westertoren in Amsterdam door Jan Korthals (1916 – 1972)

 

Uit: Jongensdagen

““Terwijl de jongens hun dikke boterhammen opsmulden, praatten ze over de uitbreng-klanten.
Hun vader was al eenige jaren dood; moe had nu een kruidenierswinkel met brooddepôt; elken morgen moesten er een vijf-en-twintig brooden worden rondgebracht; dat deden de jongens altijd natuurlijk; de eene week Henk de ‘verre’, de andere week Ko. En ’s Woensdagsmiddags, als er geen school was, moest één van beiden een mand kruidenierswaren brengen naar nicht Simons, die wel een klein uur ver woonde.
‘Jij hebt de verre,’ merkte Ko op.
‘Jij moet vanmiddag naar nicht Simons,’ zei Henk terug.
Maar ze waren in een véél te goed humeur om er ruzie over te maken.
‘Voor mijn part moet ik vanochtend alle klanten loopen,’ sprak Ko, ‘tijd zat hé.’
En Henk was even inschikkelijk: ‘Nou; wil ik ze allemaal doen?’ stelde hij voor.
‘Och nee,’ kwam Ko weer, ‘maar weet je wàt? Ga mee vanmiddag sàmen naar nicht Simons. Jà?’
Henk keek wantrouwig. ‘En het geld dan?’ vroeg hij, want nicht Simons had de gewoonte aan den brenger van haar boodschappen een paar centen te geven. Ko aarzelde even; toen antwoordde hij: ‘Oók samen.’ ‘Goed dan,’ beloofde Henk.
Ze hadden hun brood op; Ko liep fluitend naar voren: Henk ging even kijken, of zus Miep nog niet wakker was. Maar ze sliep nog. ‘Lekker dier!’ mompelde Henk; en hij gaf haar een zoen en holde weg, óók naar den winkel. Er was geen ‘volk’.
Moe pakte een mand vol met brood, en deed er een doek over. Ko nam de mand van de toonbank, en liep vroolijk de deur uit. Hij ging de klanten op de gracht en om den hoek ‘doen’. ‘Kruier krijg je nog van gisteren óók!’ riep Moe hem na.
Toen kreeg Henk ook zijn deel; zorgvuldig telde hij de brooden in zijn mand na, en noemde de klanten op: ‘Ouë juffrouw één, dokter drie, ’t Hoffie twee….’ En hij stapte ook weg. Moe ging naar achteren.”

 
Theo Thijssen (16 juni 1879 – 23 december 1943)
De Frans Halsstraat waar Thijssens moeder korte tijd een brooddepot had.

Doorgaan met het lezen van “Dolce far niente, Theo Thijssen, Guillermo Martínez, Harry Mulisch, Chang-Rae Lee”

Harry Mulisch, Chang-Rae Lee, Wolfgang Bittner, Stanley Kunitz, Marja Brouwers

De Nederlandse schrijver Harry Mulisch werd geboren op 29 juli 1927 in Haarlem. Zie ook alle tags voor Harry Mulisch op dit blog.

 

Uit; The Procedure (Vertaald door Paul Vincent)

„FIRST DOCUMENT

MAN

yes, of course I can come straight to the point and start with a sentence like: The telephone rang. Who’s ringing whom? Why? It must be something important, otherwise the file wouldn’t open with it. Suspense! Action! But I can’t do it that way this time. On the contrary. Before anything can come to life here, we must both prepare ourselves through introspection and prayer. Anyone who wants to be swept along immediately, in order to kill time, would do better to close this book at once, put the television on, and sink back on the settee as one does in a hot foam bath. So before writing and reading any further we’re going to fast for a day, and then bathe in cool, pure water, after which we will shroud ourselves in robes of the finest white linen.

I’ve switched the telephone and the front doorbell off and turned the clock on my desk away from me; everything in my study is waiting for the events to come. The first luminous words have appeared in the ultramarine of the computer screen, while outside the dazzling, setting autumn sun shines over the square. From the blazing western sky tram rails stream like molten gold from a blast furnace; between the black trees cars appear from the chaos, disappear into it, people walk at the tips of shadows that are yards long. From the position of the sun in my room I can see what time it is: the light is falling diagonally, it’s six o’clock, rush hour, for most people the day’s work is over.

The origin of man was a complicated affair. Much of it is still obscure, not only in biological, but also in theological circles. In the Bible, indeed, this creature is actually created twice, and to a certain extent three times. Genesis 1:27 tells us that on the sixth and last day of creation the following happened: “So God created man in his own image, in the image of God created he him; male and female created he them.” So there were two of them; immediately afterward God says: “Be fruitful, and multiply.” So the man was Adam, but the woman wasn’t Eve, because the primeval mother of us all saw the light of day only later, when the week of creation was long since over; she wasn’t created separately, but came forth from a rib of Adam’s.“

 

Harry Mulisch (29 juli 1927 – 30 oktober 2010)

Doorgaan met het lezen van “Harry Mulisch, Chang-Rae Lee, Wolfgang Bittner, Stanley Kunitz, Marja Brouwers”

Harry Mulisch, Chang-Rae Lee, Wolfgang Bittner, Stanley Kunitz, Sten Nadolny

De Nederlandse schrijver Harry Mulisch werd geboren op 29 juli 1927 in Haarlem. Zie ook mijn blog van 29 juli 2010 en eveneens alle tags voor Harry Mulisch op dit blog.

 

Uit: Archibald Strohalm en het paradijs

„Een beetje schutterig draaide hij zich om. Aangedaan met een opgetogen witlinnen jasje en een broek met een levensgevaarlijke plooi naderde lachend en geweldig Boris Bronislaw. Hij liep snel en maakte begroetingsgebaren met een arm; aan de andere trok hij een grote vrouw met zich mee, die niet zo vlug kon lopen en achterover helde van haar zware zwangerschap. Ze droeg breed en prachtig in haar heupen.

‘Dag familie van me!’ riep hij, en sloeg archibald met twee handen op de schouders. ‘Leef je nog steeds? Haha! Hoe is het er mee, neef?’ De schilder was in een beste stemming; alleen dat oog knipperde nog net zo als een half jaar geleden. ‘Hier, dit is mijn vrouw. Hilde – Strohalm.’ Hij gebaarde heen en weer.

‘Ik ben strohalm,’ zei deze en stak zijn hand uit.

‘Aangenaam,’ zei Hilde. Ze begon archibald strohalms hand te schudden; op en neer schudde ze hem; het was duidelijk dat ze niet vaak handen gaf.

‘Bravo!’ riep Bronislaw. ‘Kom, laten we een eindje gaan wandelen. Of nee, wat vind je, liefje – zullen we liever op die bank gaan zitten? Je mag je niet te moe maken. Geen gepraat verder! We wandelen niet, maar gaan op die bank zitten!’ Ze namen plaats; de schilder in het midden. ‘Ziezo! Zit je goed, schat?’

Hilde knikte. Toen ze zag dat hij haar aankeek, glimlachte ze.

‘Goedzo! Als ik geld had,’ wendde hij zich tot archibald strohalm, ‘zou ik wel op koffie trakteren, maar ik heb het niet. Ik geef alles uit aan luiers en spenen. Haha!’ lachte hij en porde archibald strohalm in de zij. ‘Ik heb me voortgeplant, kerel! Ik heb de soort in stand gehouden! Het kost een hoop geld. Ik zou wel gemainteneerd willen worden, wil je dat geloven; maar ik zou het zelf verpesten. Tegen iedere rijke patser, die me geld wilde geven, zou ik zeggen dat hij de moordenaar is van alle mensen die van armoe kreperen, terwijl hij nog geld heeft. Ik ben een verschrikkelijk sociaal mens, moet je weten.“

 

Harry Mulisch (29 juli 1927 – 30 oktober 2010)

Doorgaan met het lezen van “Harry Mulisch, Chang-Rae Lee, Wolfgang Bittner, Stanley Kunitz, Sten Nadolny”

Harry Mulisch, Chang-Rae Lee, Wolfgang Bittner, Stanley Kunitz, Sten Nadolny, Thomas Rosenlöcher, Eyvind Johnson, Michail Zostsjenko, August Stramm, Marja Brouwers

De Nederlandse schrijver Harry Mulisch werd  geboren op 29 juli 1927 in Haarlem. Zie ook mijn blog van 29 juli 2006 en ook mijn blog van 29 juli 2007 en ook mijn blog van 29 juli 2008 en ook mijn blog van 29 juli 2009.

Uit: De ontdekking van de hemel

“Quinten zag zijn moeder. Daar was zij: precies daar, op die plek in de wereld, en niet ergens anders. Haar zwarte haar was kortgeknipt. Hij stapte over de drempel en keek naar de roerloos slapende, – alleen het laken ging langzaam op en neer. Bij haar oren werd ze een beetje grijs.
Na een poosje vroeg hij:
‘Kan mama echt nooit meer wakker worden?’
‘Nee, Quinten, mama sliep al toen jij geboren werd. Ze kan niets meer horen en niets meer zien en niets meer voelen – helemaal niets meer.’
‘Hoe kan dat nou? Ze is toch niet dood, zoals opa. Ze ademt toch.’
‘Ze ademt, ja.’
‘Droomt ze?’
‘Dat weet niemand. De doktoren denken van niet.’
‘Hoe weten ze dat?’
‘Ze zeggen dat ze dat kunnen meten, met bepaalde toestellen. Volgens hen mag je eigenlijk niet eens zeggen, dat mama slaapt.’
‘Wat dan?’
Onno aarzelde, maar zei toen toch:
‘Dat ze niet meer bestaat.’
‘Terwijl ze niet dood is?’
‘Terwijl ze niet dood is. Dat wil zeggen,’ zei Onno en vertrok zijn gezicht, ‘mama is dood terwijl ze niet dood is… ik bedoel, wat er niet dood is is niet mama. Het is niet mama, die ademt.’
‘Wie dan?’
Onno maakte een hulpeloos gebaar.
‘Niemand.’
‘Dat kan toch zeker niet.’
‘Dat kan absoluut niet, maar zo is het dus.’
(…)
‘Hoe is het gebeurd, papa?’
Onno knikte en vertelde hem in grote trekken de hele geschiedenis.
(…)
‘Daarna heb jij nog drie maanden in mama’s buik gezeten. Dat was heel bijzonder, het stond later zelfs in de krant.’

mulisch

Harry Mulisch (Haarlem,  29 juli 1927)

 

De Koreaans-Amerikaanse schrijver Chang-Rae Lee werd geboren op 29 juli 1965 in Seoel. Zie ook mijn blog van 29 juli 2007 en ook mijn blog van 29 juli 2008 en ook mijn blog van 29 juli 2009.

Uit: The Surrendered

“Korea, 1950

The journey was nearly over.

The night was unusually chilly, the wind sharpened by the speed of the train as it rolled southward through the darkened valley. The cotton blanket June had stolen was large enough to spread as a tarp and at the same time wrap around her younger brother and sister and herself, but it was threadbare and for brief stretches the train would accelerate and the wind would cut right through to them. It had not been a problem the night before but now they were riding on top of the boxcar, as there was no more room within any of them, even as the train was more than a dozen cars long. A massive phalanx of refugees had met the train at the last station, and in the time it took her siblings to relieve themselves by the side of the tracks they had lost their place and had had to climb the rusted ladder between the cars, June running alongside for fifty meters until her brother was high enough on the rungs so she herself could jump up and on.

 There was a score or so of people atop every car, groupings of families and neighbors, mostly women and the old and the young, and then a cluster or two like theirs, children traveling by themselves. June was eleven; Hee-Soo and Ji-Young had just turned seven. They were fraternal twins, though looked as much alike as a sister and brother could, only the cut of their hair distinguishing them. June knew they could have waited in the hope of another train with room inside but it hadn’t been cold when they stopped just before dusk and she decided they ought to keep moving while they had the chance.”

lee

 Chang-Rae Lee (Seoel, 29 juli 1965)

 

De Duitse schrijver Wolfgang Bittner werd geboren op 29 juli 1941 in Gleiwitz, Oberschlesien (tegenwoordig Gliwice, Polen). Zie ook mijn blog van 29 juli 2007 en ook mijn blog van 29 juli 2008 en ook mijn blog van 29 juli 2009.

Uit: Der Aufsteiger

 „Die Starfighter starteten kurz nacheinander. Kaum hatten die vier Maschinen abgehoben, zogen sie mit gewaltiger Geschwindigkeit in den blauen Himmel hinein. Hinter ihren Triebwerken flimmerte die Luft. Wie die gespreizten Finger einer Hand fuhren sie zuerst auseinander und strebten dann langsam wieder aufeinander zu, um in großer Höhe zum Formationsflug überzugehen.
Erich Wegner stand auf seinen Spaten gestützt im Graben und sah den glänzenden Vögeln hinterher, bis ihn die Sonne blendete. Er malte sich aus, wie er am Steuerknüppel eines Düsenjägers feindlichen Bomberschwärmen entgegen flog, die er mit seiner Leuchtspurmunition spuckenden Bordkanone beharkte. Bei jedem Einsatz würde er mindestens zehn oder sogar zwanzig Abschüsse machen, wie dieser Jagdflieger in den Landserheften, das war klar. Und dafür würde ihm der General einen Orden verleihen und die Kameraden würden ihm auf die Schulter klopfen. Frauen wären kein Problem, die würden ihm, einem gut aussehenden Luftwaffenoffizier in einer Uniform voller Orden, zu Dutzenden hinterherlaufen. Natürlich hätte er dann außer seiner Jagdmaschine auch noch einen rassigen Sportwagen.
Pilot müsste man sein, dachte er und fluchte beim Weiterarbeiten vor sich hin, weil er andauernd auf Felsbrocken stieß. Wie sollte man bei so einer mistigen Strecke den Akkord schaffen. Er stellte den Spaten beiseite, nahm die Spitzhacke und schlug, weit ausholend, auf die Steinbrocken ein, bis sie zersprangen. Aber kaum hatte er einen weggeräumt, kam schon der nächste zum Vorschein.
Scheißmaloche. Er richtete sich auf. Vor ihm war nichts als Heidekraut und niedriges Buschwerk, durch das sich eine Schnur spannte. Hinter ihm befand sich ein Stück Graben, 40 cm breit und 90 cm tief. Im Abstand von je 50 Metern hackten, schaufelten, gruben, wühlten die anderen. Wie die Maulwürfe, dachte er. Immer im Dreck und blind drauflos. Immer in diesen verfluchten Gummistiefeln. Nach ein paar Monaten hatte man garantiert Schweißfüße. Aber besser Schweißfüße, als ständig Wasser in den Schuhen.“

bittner

Wolfgang Bittner (Gliwice, 29 juli 1941)

 

 De Amerikaanse dichter en vertaler Stanley Jasspon Kunitz werd geboren in Worcester, Massachusetts, op  29 juli 1905. Zie ook mijn blog van 29 juli 2007 en ook mijn blog van 29 juli 2008 en ook mijn blog van 29 juli 2009.

Father and Son

Now in the suburbs and the falling light
I followed him, and now down sandy road
Whitter than bone-dust, through the sweet
Curdle of fields, where the plums
Dropped with their load of ripeness, one by one.
Mile after mile I followed, with skimming feet,
After the secret master of my blood,
Him, steeped in the odor of ponds, whose indomitable love
Kept me in chains. Strode years; stretched into bird;
Raced through the sleeping country where I was young,
The silence unrolling before me as I came,
The night nailed like an orange to my brow.

How should I tell him my fable and the fears,
How bridge the chasm in a casual tone,
Saying, “The house, the stucco one you built,
We lost. Sister married and went from home,
And nothing comes back, it’s strange, from where she goes.
I lived on a hill that had too many rooms;
Light we could make, but not enough of warmth,
And when the light failed, I climbed under the hill.
The papers are delivered every day;
I am alone and never shed a tear.”

At the water’s edge, where the smothering ferns lifted
Their arms, “Father!” I cried, “Return! You know
The way. I’ll wipe the mudstains from your clothes;
No trace, I promise, will remain. Instruct
You son, whirling between two wars,
In the Gemara of your gentleness,
For I would be a child to those who mourn
And brother to the foundlings of the field
And friend of innocence and all bright eyes.
0 teach me how to work and keep me kind.”

Among the turtles and the lilies he turned to me
The white ignorant hollow of his face.

kunitz

Stanley Kunitz (29 juli 1905 – 14 mei 2006)

 

De Duitse schrijver Sten Nadolny werd geboren op 29 juli 1942 in Zehdenick an der Havel. Zie ook mijn blog van 29 juli 2007 en ook mijn blog van 29 juli 2008 en ook mijn blog van 29 juli 2009.

Uit: Die Entdeckung der Langsamkeit

„Das Dorf
John Franklin war schon zehn Jahre alt und noch immer so langsam, daß er keinen Ball fangen konnte. Er hielt für die anderen die Schnur. Vom tiefsten Ast des Baums reichte sie herüber bis in seine emporgestreckte Hand. Er hielt sie so gut wie der Baum, er senkte den Arm nicht vor dem Ende des Spiels. Als Schnurhalter war er geeignet wie kein anderes Kind in Spilsby oder sogar in Lincolnshire. Aus dem Fenster des Rathauses sah der Schreiber herüber. Sein Blick schien anerkennend.
Vielleicht war in ganz England keiner, der eine Stunde und länger nur stehen und eine Schnur halten konnte. Er stand so ruhig wie ein Grabkreuz, ragte wie ein Denkmal. »Wie eine Vogelscheuche!« sagte Tom Barker.
Dem Spiel konnte John nicht folgen, also nicht Schieds­richter sein. Er sah nicht genau, wann der Ball die Erde berührte. Er wußte nicht, ob es wirklich der Ball war, was gerade einer fing, oder ob der, bei dem er landete, ihn fing oder nur die Hände hinhielt. Er beobachtete Tom Barker. Wie ging denn das Fangen? Wenn Tom den Ball längst nicht mehr hatte, wußte John: das Entscheidende hatte er wieder nicht gesehen. Fangen, das würde nie einer besser können als Tom, der sah alles in einer Sekunde und bewegte sich ganz ohne Stocken, fehlerlos.
Jetzt hatte John eine Schliere im Auge. Blickte er zum Kamin des Hotels, dann saß sie in dessen oberstem Fenster. Stellte er den Blick aufs Fensterkreuz ein, dann rutschte sie herunter auf das Hotelschild. So zuckte sie vor seinem Blick her immer weiter nach unten, folgte aber höhnisch wieder hinauf, wenn er in den Himmel sah.“

nadolny

Sten Nadolny (Zehdenick an der Havel, 29 juli 1942)

 

De Duitse dichter en schrijver Thomas Rosenlöcher werd geboren op 29 juli 1947 in Dresden. Zie ook mijn blog van 29 juli 2007 en ook mijn blog van 29 juli 2008 en ook mijn blog van 29 juli 2009.

Uit: Die verkauften Pflastersteine

 “8. 9. 1989
Besuch U. Hegewald. Reden die halbe Nacht über Infantilität und Unterwürfigkeit der hier Aufgewachsenen.
Selbst Wolfgang, er ist nun schon fünf Jahre hier weg, wäre dergleichen fortwährend anzumerken.
Zerknirschungsgesichter.
Blatternarbige Häuser.
Uringeruch und Bahnpolizei.
Gestern früh mit Birgit in verzweifelter Stimmung nach Heidenau. Natürlich werde ich kontrolliert, belege den Polizisten: Seit zwanzig Jahren kontrolliere man mich, aber nun nicht mehr lange.
Freilich hat es auch sein Tröstliches, daß ich besonders von diesen armseligen Bahnhofsmützen mit Vorliebe kontrolliert werde: Völlig verbürgerlicht kann ich noch nicht aussehen.Nach stundenlangem Laufen endlichwieder Gefühl der Leichtigkeit: Die Kirnitzsch im Grund, einWasser von rätselhafter Sauberkeit,manchmal schimmert sie türkisfarben durch die Bäume zum Hangweg herauf.
Am Schluß, Waldausgang, ein »kommen Sie mal her hier«, gleich vom Motorrad aus. Offenbar ein sogenannter Grenzhelfer. Unsere Antwort, vielleicht eine kleine Sensation für uns selbst, lautet, beinahe im Chorus:
»Wir denken nicht daran.« Das Aufheulen des davonfahrenden Motorrads kommt uns vor wie ein langgezogener Wutschrei. Freilich bekommt meine Frau hernach eine Art hysterischen Anfall. »Dieses Land, dieses Land.« Ich habe ihr versprochen,mich nun doch um ein Stipendium in Worpswede zu bewerben, nicht gleich um zu bleiben, sondern um eben einen Fuß in den Westen zu setzen. Freilich hinsichtlich dieser Entscheidung auch schlechtes Gewissen: Ist ja doch eine Flucht aus der schlichten Lebenspraxis, da im Westen vieles viel geschmierter geht, die Entfremdung des zu Hause hokkenden Künstlers daher gewiß größer ist. Hier brauche ich nur in die sogenannte Kaufhalle (eigentlich ein ehrlicher Name) zu gehen, um einigermaßen Bescheid zu wissen.”

rosenloecher

Thomas Rosenlöcher (Dresden, 29 juli 1947)

 

De Zweedse schrijver Eyvind Olof Verner Johnson werd geboren in Svartbjörsbyn bij Boden op 29 juli 1900.  Zie ook mijn blog van 29 juli 2009.

Uit: Écartez le soleil (Vertaald door Philippe Bouquet)

« Des jeunes filles qui marchent à l’intérieur des terres, au fond de vallées situées à l’intérieur des terres, fermées par des montagnes et de paisibles lacs-frontière. Dans la fraîche inquiétude d’une verdure précoce ou bien dans l’inquiétude et le sentiment de sécurité grandissants de l’été, des jeunes filles en robes claires et en chaussures blanches rêvent de pouvoir arriver au bord de la mer.
Rêvent de pouvoir marcher sur la grève en chaussures blanches ou bien sans chaussures, sans robe, sans rien, et d’être seule et cependant pas seule. Marcher sur les galets, entendre le bruit des vagues sur les galets, marcher sur des rochers lisses, polis par la mer, qui n’ont pas sur leur peau (qui est la peau du rocher) des rides plus profondes que ne peuvent en avoir les visages humains, et peut-être même pas des rides aussi profondes.
Être assise sur ces rochers plats, lisses et chauds. Être couchée sur ces rochers et être seule et cependant pas seule et écouter l’eau qui vient de très loin, vague après vague.
Marcher sur le sable. Marcher sur le sable les pieds nus, observer ses doigts de pieds tandis que coule entre eux le sable chaud, être couchée sur le sable et être tout à fait seule et cependant pas seule.
Pouvoir arriver au bord de la mer. Pouvoir arriver là et voir le soleil se lever sur une mer, très loin, en direction de l’est, pouvoir voir le soleil se coucher dans une mer, très, très loin, en direction de l’ouest, pouvoir arriver là.
Au-dessus d’elle volent les oiseaux du matin et ceux du soir, qui sont les mêmes et cependant pas les mêmes. Mais des oiseaux qui crient, des oiseaux qui cachent quelque chose entre les rochers et dans le sable, de cruels oiseaux qui fondent sur leurs proies avec leur bec pointu et leurs griffes acérées, prêtes à saisir, et des oiseaux craintifs qui volent très bas et dont la pointe des ailes frôle la crête des vagues.”

 johnson

 Eyvind Johnson (29 juli 1900 – 25 augustus 1976)

 

De Russische schrijver Michail Michailovitsj Zostsjenko werd  geboren in Sint-Petersburg op 29 juli 1895. Zie ook mijn blog van 29 juli 2009.

Uit: Nervous People (Vertaald door Dean Moore)

 “Not long ago in our communal apartment there was a fight. And not just any fight, but a full-out battle. On the corner of Glazova and Borova.

Of course in their hearts the fight was virtuous. The invalid Gavrilov near got his lone head chopped off. The main reason – folks are very nervous. Erupt over trivialities. Lose control. And fight dirty, like in a fog.

Of course they say that after a civil war the people are always jittery. That may be so, but ideology won’t heal Gavrilov’s head any faster.

So at nine o’clock in the evening one tenant, Marya Vasilyevna Shchiptsova, comes into the kitchen to light her primus stove. You know, she always lights her primus about this time, drinks tea and applies compresses. So she comes in the kitchen. Sets the primus before her and sparks it. But it fails completely, won’t light.

She thinks, “What, the devil won’t light? Must be sooted up, that’s the problem.”

In her left hand she grabs a brush and sets to clean it.

As she is about to clean, holding the brush in her left hand, another tenant, Darya Petrovna Kobylina, whose brush it is, sees what of hers has been taken and replies:

“Incidentally, Marya Vasilyevna deary, you can just put that brush back where it belongs.”

Shchiptsova of course flares at these words and answers:

“Darya Petrovna, please go choke on your fucking brush. I don’t care to touch the disgusting thing, much less pick it up.”

Darya Petrovna Kobylina of course erupts at these words. They began to talk, just the two of them. Their volume grows, shouting, banging.

Darya’s husband, Ivan Stepanich Kobylin, who really owns the brush, comes to the ruckus. He is a stout man, even pot-bellied, but in his own way, a nervous type.”

zostjenko

Michail  Zostsjenko (10 augustus 1895 – 22 juli 1958)

 

De Duitse dichter en toneelschrijver August Stramm werd geboren op 29 juli 1874 in Münster, Westfalen. Zie ook mijn blog van 29 juli 2007 en ook mijn blog van 29 juli 2009.

Angriff

Tücher
Winken
Flattern
Knattern.
Winde klatschen.
Dein Lachen weht.
Greifen Fassen
Balgen Zwingen
Kuß
Umfangen
Sinken
Nichts.

 

Angststurm

Grausen
Ich und Ich und Ich und Ich
Grausen Brausen Rauschen Grausen
Träumen Splittern Branden Blenden
Sterneblenden Brausen Grausen
Rauschen
Grausen
Ich

stramm 

 August Stramm (29 juli 1874 – 1 september 1915)

 

De Nederlandse schrijfster Marja Brouwers werd geboren op 29 juli 1948 in Bergen op Zoom. Zie ook mijn blog van 29 juli 2007 en ook mijn blog van 29 juli 2009.

Uit: De Jan Hanloessayprijslezing 2005

„Alles wat emoties wekt, om welke reden ook, kan het onderwerp worden van een kunstwerk. Maar het kunstwerk wordt pas kunst, krijgt pas stijl, als de emotie is overwonnen. Die oude Kloos met zijn klotsende zee, die slaagt er al meer dan honderd jaar in de jongetjes en meisjes die onze boeken bespreken in de war te brengen met de meest complete nonsens.

De expressie van emotie is heel eenvoudig. Bovendien aanstekelijk. Waar er een schreeuwt van woede gaan anderen dat al gauw ook doen. Waar twee mensen huilen, huilt een derde al gauw mee, al weet hij niet eens waarom. Denk aan het massale rouwvertoon rond de dood van prinses Diana of André Hazes. Wat bezielt die mensen? Niets. Lachen is nog aanstekelijker. Ook in de taal ligt de emotionele uitdrukking niet zelden al klaar. In principe is alle taal emotioneel, voor zover we ons beperken tot de taal van de roedel, die altijd emotie veronderstelt.
Met die taal heeft de schrijver een rekening te vereffenen. Dat is de definitie van stijl. Stijl is de beheerste emotie, die plaats heeft gemaakt voor iets anders. De uitdrukking van gevoel is niet zo simpel, omdat die altijd in botsing zal komen met de taal van de roedel. Maar alleen gevoel is rechtstreeks communiceerbaar. Emotie niet, die is vooral besmettelijk.
De enige eis die je moet stellen aan stijl is dat de schrijver daarin blijk geeft van een zuiver gevoel ten aanzien van zijn onderwerp, dat hij ontziet wat ontzien moet worden en niet ontziet wat het niet verdient te worden ontzien. Dat kan hij pas doen, als hij zijn emoties over dat onderwerp heeft overwonnen.
Een cultuur die het gevoel verplettert onder marktdruk raakt zijn hart kwijt, die is ten dode opgeschreven. De wereld die onze kinderen dan zullen aantreffen zal een darwinistische jungle zijn en dat wil niemand. Daarover gaat literatuur.”

brouwers

Marja Brouwers (Bergen op Zoom, 29 juli 1948)

Harry Mulisch, Stanley Kunitz, Chang-Rae Lee, Wolfgang Bittner, Sten Nadolny, Thomas Rosenlöcher, Marja Brouwers, Eyvind Johnson, Michail Zostsjenko, August Stramm

De Nederlandse schrijver Harry Mulisch werd  geboren op 29 juli 1927 in Haarlem. Zie ook mijn blog van 29 juli 2006 en ook mijn blog van 29 juli 2007 en ook mijn blog van 29 juli 2008.

Uit: Aan de Tiber

“Sjofel gekleed trok de vreemdeling op zijn olifant naar het westen, over de Gagra, en dan naar het noorden; vervolgens aanhoudend westwaarts. Hij floot een lied, want daar was reden toe: alles was in orde. Niemand verdacht hem; het was een meesterstukje geweest. Onbekommerd voor achtervolging kon hij reizen, met de diamant in een zakje op zijn borsthuid. Ook Apavahin werd door niemand verdacht. Hij had een huis met vrouwen gekocht en kon in welstand leven zo lang hij wilde. Alleen: van blijdschap geen sprake. Ook die verstarde en onbruikbare hand, waaruit de steen slechts met moeite bevrijd had kunnen worden, was vreemd en te betreuren. Ongeoorloofd diamanten uit nachtelijke tempels halen is geen grappenmakerij, dat was nu weer eens gebleken. Maar hij had er tenminste veel geld voor gekregen, – aanmerkelijk veel meer echter zou híj, de vreemdeling zelf, van Amemti ontvangen. Dat kwam hem toe. Zonder hem zou Apavahin nooit op het idee en de moed zijn gekomen. Hijzelf was anderzijds weer niets zonder Amemti van Alexandrië, die hem immers de mogelijkheden voor zijn arbeid verschafte.

Weken achtereen reisde hij door Voor-Indië, Perzië en Babylonië. Op een namiddag reed hij door een verlaten woestenij van grauw zand, dorre struiken en stilte; het schemerde al; toen was de wereld plotseling bezaaid met rovers en de lucht volgezet met schreeuwen. Van overal flitsten ze tevoorschijn, achter struiken vandaan en uit de grond, waar ze zich met takken hadden gekamoufleerd. Ze sprongen op de olifant, sleurden hem er vanaf, sloegen in zijn gezicht, doorzochten ruw zijn bagage. Tenslotte rukten ze hem de sjofele kleding van het lijf, maar verstarden toen als gesmolten lood in het water, honderd ogen op zijn borst gericht…

O Siddhartha, – Tathagata, – prins en koning! Welke hymne zingen je kleuren? Een zang van trouw en bestendigheid! Over alle eeuwen gaat je glans! Rovers met baarden, afgeslagen armen en te weinig oren verliezen kracht en woorden bij je aanblik!

Nooit zal van je majestueuze waarheid een grein verloren gaan!

Of… Wat is dat? Ze beginnen weer te bewegen, ze schuifelen heen en weer. Is nu hun ontroering al voorbij? Eén kucht en, ja hij grinnikt; anderen giechelen. Dan buigen ze achterover en voorover en stoten een barbaars lachen tevoorschijn, stompen elkaar in de borst, en vallen bulkend op de grond, met hun beentjes in de lucht spartelend van radeloos plezier.”

 

 

mulisch2

Harry Mulisch (Haarlem,  29 juli 1927)

 

De Amerikaanse dichter en vertaler Stanley Jasspon Kunitz werd geboren in Worcester, Massachusetts, op  29 juli 1905. Zie ook mijn blog van 29 juli 2007 en ook mijn blog van 29 juli 2008.

 

After The Last Dynasty 

 

Reading in Li Po

how “the peach blossom follows the water”

I keep thinking of you

because you were so much like

Chairman Mao,

naturally with the sex

transposed

and the figure slighter.

Loving you was a kind

of Chinese guerilla war.

Thanks to your lightfoot genius

no Eighth Route Army

kept its lines more fluid,

traveled with less baggage

so nibbled the advantage.

Even with your small bad heart

you made a dance of departures.

In the cold spring rains

when last you failed me

I had nothing left to spend

but a red crayon language

on the character of the enemy

to break appointments,

to fight us not

with his strength

but with his weakness,

to kill us

not with his health

but with his sickness.

Pet, spitfire, blue-eyed pony,

here is a new note

I want to pin on your door,

though I am ten years late

and you are nowhere:

Tell me,

are you stillmistress of the valley,

what trophies drift downriver,

why did you keep me waiting?

 

 

kunitz

Stanley Kunitz (29 juli 1905 – 14 mei 2006)

 

De Koreaans-Amerikaanse schrijver Chang-Rae Lee werd geboren op 29 juli 1965 in Seoel. Zie ook mijn blog van 29 juli 2007 en ook mijn blog van 29 juli 2008.

 

Uit: Native Speaker

 

“The day my wife left she gave me a list of who I was.

     I didn’t know what she was handing me. She had been compiling it without my knowledge for the last year or so we were together. Eventually I would understand that she didn’t mean the list as exhaustive, something complete, in any way the sum of my character or nature. Lelia was the last person who would attempt anything even vaguely encyclopedic.

     But then maybe she herself didn’t know what she was doing. She was drawing up idioms in the list, visions of me in the whitest raw light, instant snapshots of the difficult truths native to our time together.

     The year before she left she often took trips. Mostly weekends somewhere. I stayed home. I never voiced any displeasure at this. I made sure to know where she was going, who’d likely be there, the particular milieu, whether dancing or sauna might be involved, those kinds of angles. The destinations were harmless, really, like the farming cooperative upstate, where her college roommate made soft cheeses for the city street markets. Or she went to New Hampshire, to see her mother, who’d been more or less depressed and homebound for the last three years. Once or twice she went to Montreal, which worried me a little, because whenever she called to say she was fine I would hear the sound of French in the background, all breezy and gutteral. She would fly westward on longer trips, to El Paso and the like, where we first met ten years ago. Then at last and every day, from our Manhattan apartment, she would take day trips to any part of New York City, which she loved and thought she would never leave.”

Chang-rae-Lee

Chang-Rae Lee (Seoel, 29 juli 1965)

 

De Duitse schrijver Wolfgang Bittner werd geboren op 29 juli 1941 in Gleiwitz, Oberschlesien (tegenwoordig Gliwice, Polen). Zie ook mijn blog van 29 juli 2007 en ook mijn blog van 29 juli 2008.

 

Uit: Das andere Leben

 

Das Land lag in der glühenden, lebenspendenden und kraftverzehrenden Sonne, die weder Erklärung noch Rechtfertigung bedurfte. Olivenhaine, unterbrochen von einzelnen himmelwärts strebenden Zypressen, zogen sich die Hänge hinauf, an denen hier und da Terrassen angelegt waren; weiter hinten trockene, felsige Berge. Die Häuser des Dorfes bestanden aus Bruchsteinmauern und lehmfarbenen Ziegeldächern (…)
„Ein hübscher, freundlicher Platz”, sagte die Frau.
„Ja”, erwiderte er, „es tut gut, endlich im Schatten zu sitzen. Mal sehen, welche Gaumenfreuden uns hier erwarten.” Er studierte die Speisekarte.
Offensichtlich waren sie ein Ehepaar, denn sie gingen sehr vertraut miteinander um. Wie Menschen, die sich seit langem kennen und nichts Neues mehr voneinander erwarten, deswegen aber auch nicht unzufrieden sind (…)
Eines dieser schrecklich lauten Motorräder, die von Touristen gemietet werden konnten, bog aus einer Gasse auf den Platz und verstummte erfreulicherweise. Ein noch jüngerer Mann in Bermudashorts mit offenem Hemd, Gesicht, Arme und Beine sonnenverbrannt, kam herangeschlendert …”

 

Bittner

Wolfgang Bittner (Gliwice, 29 juli 1941)

 

De Duitse schrijver Sten Nadolny werd geboren op 29 juli 1942 in Zehdenick an der Havel. Zie ook mijn blog van 29 juli 2007 en ook mijn blog van 29 juli 2008.

 

Uit: Er oder Ich

 

“6. August, früher Nachmittag, auf dem S-Bahnsteig in Halensee. Ein etwas zu langer Blick in meine Augen, zwei junge Leute scheinen mich erkannt zu haben. Ich beachte sie nicht und beginne mit meinen Notizen. (Kein Wort über Wirtschaft und Politik!)Jenseits der Gleise wird in einer Drehtrommel Kies gewaschen. Aus großen Haufen schmutzigen Gerölls wird brauchbarer Schotter, ein verständlicher und produktiver Vorgang, eine Gebetsmühle mit Resultat. Was wäre, wenn dabei Gold anfiele? Lustloses Grübeln über den Goldpreis. Hier mein Filzstift, hier das erste der rasch noch gekauften sechs Schreibhefte, es ist aufgeschlagen und der Länge nach in der Mitte gefalzt, damit es in die Jacken- oder Hemdtasche paßt. Der Filzstift ist ungeeignet. Seine Schrift färbt durch, bei feuchtem Papier sowieso, ich schwitze zu sehr. Ich kann jedes Blatt nur von einer Seite beschriften. Vielleicht sollte ich das Heft ins Außenfach des ‘Pilotenkoffers’ stecken. Ein unpraktisches Ding aus starr em Kunststoff, ich habe es, fürchte ich, seiner Bezeichnung wegen gekauft. Am 6. August 1996 stellte ein großer, schwerer, vor Anstrengung schwitzender Mann im S-Bahnhof Halensee zwei Koffer auf den Bahnsteig. Er legte seine Rechte ins Kreuz, richtete sich ächzend auf, blinzelte in die Nachmittagssonne und ähnelte dabei, das war ihm nur zu klar, dem Bild des durstigen Dicken in einer Reklame für Dosenbier. Als Wartende ihn starr anlächelten, blickte er unwirsch weg. Jenseits der Gleise leierte eine Art Kieswaschmaschine, der Mann starrte hinüber, das Geräusch schien ihn zu beruhigen. Er wischte mit dem Handrücken Schweiß von der Stirn, zog aus der rechten Innentasche seines Jacketts ein längs zusammengefaltetes blaues Schulheft, dann aus einer anderen Tasche einen Filzstift, und wollte etwas aufschreiben. Das Heft war feucht geworden, er fand erst weiter innen ein trockenes Blatt, auf dem sich Notizen machen ließen. Immer wieder blickte er in beide Richtungen, aus denen ein Zug kom men konnte, schien sich also zwischen Süden und Norden noch nicht entschieden zu haben. Dann befiel ihn erneut Unruhe, er beugte sich zu den Koffern, tastete in den Außentaschen des kleineren, öffnete den größeren, ohne diesen aber flachzulegen, wodurch Krawatten, Gürtel und Hemdsärmel herausdrängten.”

 

Nadolny

Sten Nadolny (Zehdenick an der Havel, 29 juli 1942)

 

De Duitse dichter en schrijver Thomas Rosenlöcher werd geboren op 29 juli 1947 in Dresden. Zie ook mijn blog van 29 juli 2007 en ook mijn blog van 29 juli 2008.

 

Uit: Wie ich in Ludwig Richters Brautzug verschwand

 

“Sandsteindresden

1.
Wer als Dresdner in der Welt etwas werden will, muß rechtzeitig die Stadt verlassen. Allein schon des Sandsteins wegen, der nach den Worten eines, der die Stadt auch verließ, alles weich macht, was hier aufwächst. Und was sich im milden Klima, unterhalb sachter Hügelketten, entlang des auch nicht gerade stürmisch auftretenden Flusses, eines besonders nachgiebigen, sprich: babbschen Idioms bedient, des sogenannten Sandsteinsächsisch, das, kaum im Mund des Sprechers geformt, sich seinerseits den Sprecher formt.

Doch muß einer denn in der Welt etwas werden, wenn Härte die Voraussetzung ist? Bedeutet es nicht ein tieferes Lächeln, als runder Puttenhintern auf der Zwingerbalustrade im Ansturm der Verhältnisse ein wenig Sand rieseln zu lassen? Besser weich in Dresden als in der Welt Granit.

 

rosenloecher

Thomas Rosenlöcher (Dresden, 29 juli 1947)

 

De Nederlandse schrijfster Marja Brouwers werd geboren op 29 juli 1948 in Bergen op Zoom. Zie ook mijn blog van 29 juli 2007.

 

Uit: Casino

 

“Tot de dag waarop hij Philip van Heemskerk ontmoette had zich in het leven van Rink de Vilder nog nooit iets voorgedaan waarbij zijn persoonlijke kwaliteiten ongestraft tot hun recht konden komen.
Een samenvatting van zijn hieraan voorafgaand curriculum vitae kan dan ook niet kort genoeg zijn. Hij werd geboren bij zonsopgang op 17 oktober 1962 in Den Haag, toen daar hoofdzakelijk de enigszins deprimerende saaiheid heerste van een hofstad in verval. Zijn ouders noemden hem Richard, een naam waarvan de twee Germaanse componenten respectievelijk ‘rijk’ en ‘moedig’ betekenen, maar al gauw werd het kortaf ‘Rink’ en dat betekende vrijwel niets meer. Rink liet zich kennen als een beweeglijk jongetje met een aangeboren neiging tot botsen en breken. Voor hij leerde lopen, was hij al driemaal van de aankleedtafel gevallen. Na zijn eerste halfuur in de onvermijdelijke box brak hij twee spijlen en verdween ermee door de openstaande balkondeuren naar de tuin. In de zandbak bij de kleuterschool timmerde hij andere jongetjes met zandschepjes op het hoofd. Hij stapte over op het breken van ruiten, het slopen van fietsen en het mikken van katapultsteentjes op de pantograaf van de tram, tot hij ten slotte in zijn eerste jaar op het Gymnasium Haganum met een vanaf de binnenplaats de hal in geschoten voetbal een apocalyptische hybride van Hercules en Paris feilloos wist te onthoofden. De kop viel in gruzelementen en zijn vader moest een nog raarder, nieuw gezicht voor het beeld betalen.
Hierna hield hij de ruimtelijke ordening van mens en wereld even voor gezien en zette hij zich aan het bijeengaren van een opleiding. Hij deed eindexamen in negen vakken met acht afgeronde zessen en een vijf, werkte een half jaar als koerier voor Europarcels en maakte een reis door Australië tot zijn geld op was. Toen schreef hij zich in voor een studie sociologie aan de Universiteit van Amsterdam.”

 

casinobrouwers1

Marja Brouwers (Bergen op Zoom, 28 juli 1948)

 

De Zweedse schrijver Eyvind Olof Verner Johnson werd geboren in Svartbjörsbyn bij Boden op 29 juli 1900.  Eyvind Johnson kreeg de Nobelprijs voor de Literatuur in 1974 samen met Harry Martinson. Hij kreeg de prijs voor zijn boek Romanen om Olof (De Roman over Olof). De roman beschrijft hoe het is om op te groeien als tot een jongeman in Norrland in de jaren 1900. Eyvind zelf groeide op in Björkelund bij Boden in Norrbottens län in Zweden, waar zijn geboortehuis nog staat.

 

Uit: Träume von Rosen und Feuer (Vertaald door Walter Lindenthal)

 

„Sie heulten förmlich auf, als ich mich direkt an sie wandte. Ich hatte nicht gewusst, dass die Sprache der Dämonen so grob ist […]
Die Frauen heulten auf mich ein. Sie rissen sich die Hauben ab und entblößten ihr Haar, dies schwarze, graumelierte oder helle, wehende, schweißdurchnässte Frauenhaar. Als ich ihr Haar sah, fühlte ich wieder Verlockung. Sie rissen ihre Kleider entzwei. Wir dachten alle: Das sind die Dämonen, die mit Hilfe der besessenen Hände die Kleider von den Frauenleibern reißen. Sie zerfetzten die Kleider. Die unbedeckten straffen oder schlaffen Frauenbrüste wurden mir zugekehrt, und ich erinnere mich, dass ich dachte: Jetzt sehe ich das wahre Gesicht dieser Frauen. Sie zeigten ihre Beine und Schenkel, sie wanden sich in wunderlichen Stellungen, die von wildem Begehren zeugten, von toller Lust. Sie berührten ihre Brüste und ihren Unterleib, als wollten sie Brüste und Schoß zu mir emporheben. Ich empfand Schreck und Ekel, aber in meinem Schreck und Abscheu lag doch auch eine gewisse Befriedigung: eine Art Lust.
Immer wieder versuchte ich, den Frauen zuzurufen: “Ich bin unschuldig!” Sie hörten mich nicht, und in meinem Herzen und Körper fühlte ich, dass ich nicht unschuldig war.“

 

Eyvind Johnson

Eyvind Johnson (29 juli 1900 – 25 augustus 1976)

 

De Russische schrijver Michail Michailovitsj Zostsjenko werd  geboren in Sint-Petersburg op 29 juli 1895. Zosjtsjenko was lid van de in 1921 opgerichte Serapionbroeders, een literaire groep. Zijn in 1943 gedeeltelijk in het tijdschrift Oktjabr verschenen boek Voor zonsondergang leidde ertoe dat hij uit de gratie viel bij de CPSU nadat Andrej Zjdanov het bekritiseerde. Zijn werken mochten niet meer gedrukt worden en vanaf 1946 mocht hij helemaal niet meer publiceren. Pas na de dood van Stalin in 1953 werd hij gerehabiliteerd. Hierdoor kon in 1956, twee jaar voor zijn dood, nog een band met verzameld werk worden uitgegeven.

 

Uit: Het naamfeest (Vertaald door Kristien Warmenhoven)

 

“Het is avond. Ik loop naar huis. Ik ben neerslachtig.
„Hé student!” roept iemand.
Het is een vrouw. Ze is zwaar opgemaakt. Ze draagt een hoed met veer, waaronder een alledaags gezicht schuilgaat met uitstekende jukbeenderen en dikke lippen.
Ik kijk haar fronsend aan en wil doorlopen, maar de vrouw zegt met een verlegen glimlach: „Het is vandaag mijn naamdag… Kom je bij me theedrinken?”

Ik antwoord: „Het spijt me, ik heb geen tijd.”
„Ik ga met iedereen mee die me vraagt”, zegt de vrouw, „maar vandaag vier ik mijn naamdag. Ik heb besloten zelf iemand uit te nodigen. Zeg alsjeblieft geen nee.”
We lopen een donkere trap op, vol katten, en komen in een kleine kamer.

Op tafel een samowar, noten, jam en broodjes.
We drinken thee in stilte. Ik weet niets te zeggen. En zij is verlegen met mijn zwijgen.

„Heeft u dan helemaal niemand – geen vrienden of familie?”
„Nee”, zegt ze. „Ik ben hier vreemd, ik kom uit Rostov.”
Als ik mijn thee op heb, trek ik mijn jas aan en wil vertrekken.

„Zie je niks in me?” zegt ze.
Ik ben geamuseerd. Ik vind haar niet onaantrekkelijk. Ik kus haar dikke lippen ten afscheid. En zij vraagt me: „Kom je nog eens terug?”

Ik loop het trapportaal op. Misschien moet ik onthouden waar ze woont. In het donker tel ik hoeveel treden het zijn tot haar deur. Zal ik een lucifer aansteken en kijken wat het huisnummer is? Nee, het is niet de moeite waard. Ik kom hier nooit meer terug.”

 

Zosjtsjenko

Michail  Zostsjenko (10 augustus 1895 – 22 juli 1958)

 

De Duitse dichter en toneelschrijver August Stramm werd geboren op 29 juli 1874 in Münster, Westfalen. Zie ook mijn blog van 29 juli 2007.

 

 

Abend

Zähnen
Plantschet streif das Blut des Himmels
Denken schicksalt
Tode zattern und verklatschen
Sterne dünsten
Scheine schwimmen
Wolken greifen fetz das Haar
Und
Weinen
Mein
Zergehn
Dir
In
den
Schooß

 

 

 

Feuertaufe

Der Körper schrumpft den weiten Rock
Der Kopf verkriecht die Beine
Erschrecken
Würgt die Flinte
Aengste
Knattern
Knattern schrillen
Knattern hieben
Knattern stolpern
Knattern
Uebertaumeln
Gelle
Wut.
Der Blick
Spitzt
Zisch
Die Hände spannen Klaren.
Das Trotzen ladet.
Wollen äugt
Und
Stahler Blick
Schnellt
Streck
Das
Schicksal.

 

Stramm

August Stramm (29 juli 1874 – 1 september 1915)

Harry Mulisch, Stanley Kunitz, Chang-Rae Lee, Wolfgang Bittner, Sten Nadolny, Thomas Rosenlöcher, Marja Brouwers, August Stramm

De Nederlandse schrijver Harry Mulisch werd geboren op 29 juli 1927 in Haarlem. Zie ook mijn blog van 29 juli 2006 en ook mijn blog van 29 juli 2007.

 Uit: Archibald Strohalm en het paradijs

 

Het was lente, mei, en de natuur begon te dansen. Er lag een groenig waas door de lucht en de bomen. Uit de geurende grond kwamen schaterlachend de jonge planten op. Ook het uitspansel van vader Abram begon te prikkelen en te tintelen van uitbottend knopgroen. Men zou die vruchtbaarheid bij zo’n oude man niet voor mogelijk gehouden hebben, en het was dan ook om te lachen, om luidkeels te lachen, om plat voorover op je gezicht te vallen van het lachen. Zo lachte de hele flora, lachte de hele natuur – op één boom na -, en de profeet van het lachen liep er zwijgend en ernstig tussendoor: voorover gebogen en met de handen op zijn rug. Soms bleef hij staan en noteerde iets in zijn boekje, als een rechercheur die ongeoorloofde dingen verbaliseert. Van tijd tot tijd stopte hij ook even om het dwangceremonieel met zijn wijsvinger te bedrijven, waartoe hij steentjes opraapte, of takjes, ten einde te voorkomen dat zijn lichaam als los zand uit elkaar zou vloeien. Eveneens vaak genoeg richtte hij zijn ogen op die ene boom, die niet meelachte, omdat hij door een aanzienlijke satan was gegrepen. Het kon lijken dat hij weende om zijn lot. De lepra had hem weggeteerd. Zijn takken waren nu eerder oude slangen, die te stijf waren om zich op de grond te laten zakken. Als een grote zweer stond hij in het uitbundige bos. Archibald strohalm kon niet nalaten om steeds weer naar hem te kijken, hoe afschuwelijk hij hem ook mocht vinden – zo afschuwelijk als de dode plantage. Zelfs bleef hij steeds in zijn buurt ronddwalen, ging weleens wat verder weg, maar toch nooit zo ver dat hij hem uit het oog verloor. Steeds zag hij hem nog in de verte, langs alle andere stammen heen, als een eenzame melaatse. Verwonderd was hij even toen ook Mozes iets scheen te merken. Hij holde goedgemutst op de boom af, snuffelde een ogenblik en kwam piepend terug met zijn staart tussen zijn poten. Maar toen dacht archibald strohalm aan de gevoeligheid van dieren voor dit soort dingen. Naderende aardbevingen en andere elementaire gebeurtenissen in de natuur bespeurden ze lang van te voren en kozen de vlucht; en beweerden spiritisten niet, dat katten de in een kamer aanwezige geesten zagen, zodat ze in de lucht kopjes gingen geven? Wat ze misschien zagen waren de herinneringsbeelden of -gedachten, die de mensen in zo’n kamer projekteerden. Zo merkte Mozes in de boom zijn satan, die een stuk van hèm was: een idee, dat zijn bestemming was misgelopen. Maar even later dartelde de hond weer over het gras en stoof toe op een haastige spreeuw, die met vooruit gestoken kop in lange sprietstappen het pad kruiste, als een kantoorbediende, die de trein van 8.07 moet halen.

‘Hee!’ hoorde archibald strohalm toen plotseling vrolijk achter zich. ‘Strohalm die je bent!’

 

Mulisch

Harry Mulisch (Haarlem,  29 juli 1927)

 

De Amerikaanse dichter en vertaler Stanley Jasspon Kunitz werd geboren in Worcester, Massachusetts, op  29 juli 1905. Zie ook mijn blog van 29 juli 2007.

 

 

Passing Through

 

Nobody in the widow’s household
ever celebrated anniversaries.
In the secrecy of my room
I would not admit I cared
that my friends were given parties.
Before I left town for school
my birthday went up in smoke
in a fire at City Hall that gutted
the Department of Vital Statistics.
If it weren’t for a census report
of a five-year-old White Male
sharing my mother’s address
at the Green Street tenement in Worcester
I’d have no documentary proof
that I exist. You are the first,
my dear, to bully me
into these festive occasions.

Sometimes, you say, I wear
an abstracted look that drives you
up the wall, as though it signified
distress or disaffection.
Don’t take it so to heart.
Maybe I enjoy not-being as much
as being who I am. Maybe
it’s time for me to practice
growing old. The way I look
at it, I’m passing through a phase:
gradually I’m changing to a word.
Whatever you choose to claim
of me is always yours:
nothing is truly mine
except my name. I only
borrowed this dust.

 

 

The Dark and the Fair

 

A roaring company that festive night;
The beast of dialectic dragged his chains,
Prowling from chair to chair is the smoking light,
While the snow hissed against the windowpanes.

Our politics, our science, and our faith
Were whiskey on the tongue; I, being rent
By the fierce divisions of our time, cried death
And death again, and my own dying meant.

Out of her secret life, the griffin-land
Where ivory empires build their stage she came,
Putting in mine her small impulsive hand,
Five-fingered gift, and the palm not tame.

The moment clanged: beauty and terror danced
To the wild vibration of a sister-bell,
Whose unremitting stroke discountenanced
The marvel that the mirrors blazed to tell.

A darker image took this fairer form
Who once, in the purgatory of my pride,
When innocence betrayed me in a room
Of mocking elders, swept handsome to my side,

Until we rose together, arm in arm,
And fled together back into the world.
What brought her now, in the semblance of the warm,
Out of cold spaces, damned by colder blood?

That furied woman did me grievous wrong,
But does it matter much, given our years?
We learn, as the thread plays out, that we belong
Less to what flatters us than to what scars;

So, freshly turning, as the turn condones,
For her I killed the propitiatory bird,
Kissing her down. Peace to her bitter bones,
Who taught me the serpent’s word, but yet the word.

 

Kunitz

Stanley Kunitz (29 juli 1905 – 14 mei 2006)

 

De Koreaans-Amerikaanse schrijver Chang-Rae Lee werd geboren op 29 juli 1965 in Seoel. Zie ook mijn blog van 29 juli 2007.

 

Uit: A Gesture Life

 

PEOPLE KNOW ME HERE. It wasn’t always so. But living thirty-odd years in the same place begins to show on a man. In the course of such time, without even realizing it, one takes on the characteristics of the locality, the color and stamp of the prevailing dress and gait and even speech-those gentle bells of the sidewalk passersby, their How are yous and Good days and Hellos. And in kind there is a gradual and accruing recognition of one’s face, of being, as far as anyone can recall, from around here. There’s no longer a lingering or vacant stare, and you can taste the small but unequaled pleasure that comes with being a familiar sight to the eyes. In my case, everyone here knows perfectly who I am. It’s a simple determination. Whenever I step into a shop in the main part of the village, invariably someone will say, “Hey, it’s good Doc Hata.”

The sentiment, certainly, is very kind, and one I deeply appreciate. Here, fifty minutes north of the city, in a picturesque town that I will call Bedley Run, I somehow enjoy an almost Oriental veneration as an elder. I suppose the other older folks who live here receive their due share of generosity and respect, but it seems I alone rate the blustery greeting, the special salutation. When I buy my paper each morning, the newsstand owner will say, with a tone feigning gravity, “Doctor Hata, I presume.” And the young, bushy-eyebrowed woman at the deli, whose homebound mother I helped quite often in her final years, always reaches over the refrigerated glass counter and waves her plump hands and says, “Gonna have the usual, Doc?” She winks at me and makes sure to prepare my turkey breast sandwich herself, folding an extra wedge of pickle into the butcher paper. I realize that it’s not just that I’m a friendly and outgoing silver-hair, and that I genuinely enjoy meeting people, but also because I’ve lived here as long as any, and my name, after all, is Japanese, a fact that seems both odd and delightful to people, as well as somehow town-affirming.

lee2

Chang-Rae Lee (Seoel, 29 juli 1965)

 

De Duitse schrijver Wolfgang Bittner werd geboren op 29 juli 1941 in Gleiwitz, Oberschlesien (tegenwoordig Gliwice, Polen). Zie ook mijn blog van 29 juli 2007.

 

Uit: Überschreiten die Grenze

 

In die Vergangenheit zu reisen, um alten Spuren nachzugehen, kann erhellend und deprimierend zugleich sein. Schon seit langem wollte ich einmal zurück nach Auenrode und nach Koppitz, wo ich als Kind mehrmals mit meiner Mutter war … Wie überall in Schlesien, ist auch hier die Erinnerung an alles Deutsche fast völlig eliminiert. Das jedenfalls war mein Eindruck während der ganzen Reise durch diese Gebiete, das fällt mir immer wieder auf. Und ich frage mich, warum das so ist, denn damit begibt sich die polnische Bevölkerung eines wesentlichen Teils der Geschichte dieses Landes, das jetzt zu Polen gehört …
Wie aber soll Europa zusammenwachsen, wenn die Jugend geschichtslos aufwächst und von den Problemen des Landes, seiner Grenzgebiete und der dort lebenden Menschen keine Ahnung hat? Die einen sind von den Deutschen überfallen worden, die anderen von den Polen vertrieben – darüber muss Offenheit herrschen, auf beiden Seiten. Keine Aufrechnung, keine Verdrängung deutscher Schuld, aber auch keine Geschichtsklitterung und keine Lügen. Sonst sind die Reden von Aussöhnung, europäischer Gemeinschaft und gutnachbarlichen Beziehungen hohle Worte, weil unter dem Lack der offiziellen Verständigungspolitik die Vorurteile und Animositäten, das schlechte Gewissen und hier und da auch der Hass weiter schwelen, vererbt von einer Generation auf die andere … „Das müssen Sie verstehen“, erklärt mir Piotr. „Viele meiner Landsleute machen es sich einf
ach: Für sie sind die Deutschen Täter, weil sie damals Polen überfallen haben. Dass bei Kriegsende dann die Menschen, die hier lebten, zu Opfern wurden, will man nicht zur Kenntnis nehmen. Denn Täter dürfen keine Opfer sein …”

 

Bittner

Wolfgang Bittner (Gliwice, 29 juli 1941)

 

 

De Duitse schrijver Sten Nadolny werd geboren op 29 juli 1942 in Zehdenick an der Havel. Zie ook mijn blog van 29 juli 2007.

 

Uit: Netzkarte

“6. August, früher Nachmittag, auf dem S-Bahnsteig in Halensee. Ein etwas zu langer Blick in meine Augen, zwei junge Leute scheinen mich erkannt zu haben. Ich beachte sie nicht und beginne mit meinen Notizen. (Kein Wort über Wirtschaft und Politik!)

Jenseits der Gleise wird in einer Drehtrommel Kies gewaschen. Aus großen Haufen schmutzigen Gerölls wird brauchbarer Schotter, ein verständlicher und produktiver Vorgang, eine Gebetsmühle mit Resultat. Was wäre, wenn dabei Gold anfiele? Lustloses Grübeln über den Goldpreis.

Hier mein Filzstift, hier das erste der rasch noch gekauften sechs Schreibhefte, es ist aufgeschlagen und der Länge nach in der Mitte gefalzt, damit es in die Jacken- oder Hemdtasche paßt. Der Filzstift ist ungeeignet. Seine Schrift färbt durch, bei feuchtem Papier sowieso, ich schwitze zu sehr. Ich kann jedes Blatt nur von einer Seite beschriften. Vielleicht sollte ich das Heft ins Außenfach des „Pilotenkoffers“ stecken. Ein unpraktisches Ding aus starrem Kunststoff, ich habe es, fürchte ich, seiner Bezeichnung wegen gekauft.

Am 6. August 1996 stellte ein großer, schwerer, vor Anstrengung schwitzender Mann im S-Bahnhof Halensee zwei Koffer auf den Bahnsteig. Er legte seine Rechte ins Kreuz, richtete sich ächzend auf, blinzelte in die Nachmittagssonne und ähnelte dabei, das war ihm nur zu klar, dem Bild des durstigen Dicken in einer Reklame für Dosenbier. Als Wartende ihn starr anlächelten, blickte er unwirsch weg. Jenseits der Gleise leierte eine Art Kieswaschmaschine, der Mann starrte hinüber, das Geräusch schien ihn zu beruhigen.“

 

nadolny

Sten Nadolny (Zehdenick an der Havel, 29 juli 1942)

 

 

 De Duitse dichter en schrijver Thomas Rosenlöcher werd geboren op 29 juli 1947 in Dresden. Zie ook mijn blog van 29 juli 2007.

 

Uit: Ich sitze in Sachsen und schau in den Schnee

 

Leer waren die Dichterschubladen der einstigen DDR, als die Mauer fiel. Keine verstohlenen Ritzen, in der die heimliche, unterdrückte, große Literatur überwintert hätte. Und auch der große Wenderoman, den die Kritik förmlich herbeizuzwingen suchte, blieb aus. Die Nischen des ach so grauen Alltags im realen Sozialismus, die wurden dafür, je länger er tot war, nur um so größer. Und als dann der Eiserne Vorhang in Gespensterform zurückkehrte, als „Mauer in den Köpfen“, da mochte man meinen, nichts als Nischen, umrahmt von Stacheldraht und ein paar bösen Buben, sei der Sozialismus gewesen. Die idyllischste aller staatsfreien Zonen der DDR, die lag dem Schloß Pillnitz gegenüber, auf der anderen Seite der Elbe, am südöstlichen Rand Dresdens, genauer: in Kleinzschachwitz. Hier, in einen verwilderten Garten um eine unter den Zähnen der Zeit ächzenden Villa der Jahrhundertwende herum, hier hatte die ästhetische Moderne keinen Einzug halten können. Hier klang Eichendorffs Zwiesprache mit Baum und Blüte beinahe ungebrochen fort; hier war Brockes inniger Glaube an die unscheinbare Kreatur noch nicht ganz tot; Klopstocksche Rhythmen erfüllten das Gezweig, Serenaden aus dem Hause Carl Maria von Webers klangen vom anderen Elbufer her noch immer herein, und über alles hielten Engel ihre schützende Hand- aus Versen Rilkes und Albertis herübergesprungen. Hier hatte für eine Reihe von Jahren, bis die Krake des Kapitalismus in Gestalt von „Modernisierungsmaßnahmen“ heranrückte, der Dichter Thomas Rosenlöcher sein Domizil. Als er 1982 debütierte – wie sich versteht, hieß sein erstes, kleines Bändchen Ich lag im Garten bei Kleinzschachwitz -, stand er bereits weit in den Dreißigern und hatte eine durchaus tüchtige DDR-Jugend hinter sich, ABF, „Ehrendienst“ bei der NVA und SED-Mitgliedschaft inklusive. Für ihn hatte sich der reale Sozialismus mit dem Einmarsch in Prag seinen Totenschein ausgestellt. Protest war seine Sache nicht, der laute, gefährliche und kämpferische schon gar nicht. Daß Rosenlöcher als Endzwanziger noch einmal studierte und diesmal nicht Betriebswirtschaft, sondern Literatur, ist der Fingerzeig, wohin sein Rückzug ging (nach einem „absoluten Tiefpunkt in meiner Biographie“, der Nicht-Verweigerung einer Petition an den Staatsrat für die Ausweisung Biermanns, verfaßt von seinem Lehrer Max Walter Schulz). Die Blankverse zu Beginn seines Bändchens machten es dann unmißverständlich: „Im Garten sitze ich, am runden Tisch, / und hab den Ellenbogen aufgestützt, / daß er, wie eines Zirkels Spitze,/ den Mittelpunkt der Welt markiert. / Ein Baum umgibt mich.“

rosenloecher

Thomas Rosenlöcher (Dresden, 29 juli 1947)

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 29 juli 2007.

 

De Nederlandse schrijfster Marja Brouwers werd geboren op 29 juli 1948 in Bergen op Zoom.

 

De Duitse dichter en toneelschrijver August Stramm werd geboren op 29 juli 1874 in Münster, Westfalen.