Federico García Lorca, Adriaan Morriën, Ken Follett, Paul Farley, Geoff Dyer, Margo Lanagan, Carel Peeters, Robert Franquinet, Margaret Drabble

De Spaanse dichter en toneelschrijver Federico Garcia Lorca werd geboren op 5 juni 1898 in Fuente Vaqueros, Granada. Zie ook alle tags voor Federico Garcia Lorca op dit blog.

Lament for the Death of Ignacio Sánchez Mejías

1. Goring And Death

At five in the afternoon.
It was five sharp in the afternoon.
A boy brought the white sheet
at five in the afternoon.
A basket of lime already set
at five in the afternoon.
The rest was death and only death
at five in the afternoon.

The wind swept away the cotton
at five in the afternoon.
And rust planted crystal and nickel
at five in the afternoon.
Now the struggle of leopard and dove
at five in the afternoon.
And a thigh with a desolate horn
at five in the afternoon.
And so began the bass notes
at five in the afternoon.
The arsenic bells and the smoke
at five in the afternoon.

On the corners groups of silence
at five in the afternoon.
And the bull alone with heart on high
at five in the afternoon.
When the sweat of snow arrived
at five in the afternoon,
when the bullring filled with iodine
at five in the afternoon,
death laid eggs in the wound
at five in the afternoon.
At five in the afternoon.
At five sharp in the afternoon.

The bed is a coffin on wheels
at five in the afternoon.
Bones and flutes blow in his ear
at five in the afternoon.
The bull bellowed on his brow
at five in the afternoon.
The room iridescent with agony
at five in the afternoon.
Gangrene comes in the distance
at five in the afternoon.
Trumpet of lilies on green groins
at five in the afternoon.
The wounds burned like suns
at five in the afternoon,
and the rabble broke the windows
at five in the afternoon.
Oh, what a terrible five in the afternoon!
It was five on all the clocks.
It was five in shadow of the afternoon.

 

2. Spilled Blood

I don’t want to see it!
Tell the moon to come.
I don’t want to see
Ignacio’s blood on the sand.

I don’t want to see it!

The moon fully open,
a horse of quiet clouds
and the gray bullring of sleep
with willows over the barricades.

I don’t want to see it!
My memory burns.
Warn the jasmine
to cover its whiteness!

I don’t want to see it!

The cow of the old world
stroked a snout of blood
with its sorrowful tongue
and the bulls of Guisando
almost death and almost stone
bellowed like two centuries
tired of walking the land.
No.

I don’t want to see it.

Up the bleachers goes Ignacio
with death on his shoulders.
He looks for dawn
and it isn’t dawn.
He looks for his sensible profile
and sleep confuses him.
He looks for his beautiful body
and finds his open blood.
Don’t ask me to see it!
I don’t want to feel the spurt
growing weaker by the moment,
the spurt that illumines
the seats and spills
on the hide of the thirsty crowd.
Who orders me to look!
Don’t make me see it!

His eyes didn’t close
when he saw the horns approach,
but the terrible mothers
raised their heads
and all through the cattle ranches
there was an air of secret orders
thrown to celestial bulls
by the foremen of pale mists.
There wasn’t a prince in Seville
who could compare,
no sword like his sword
nor a heart so real.
His strength was a river of lions,
his prudence a torso of marble.
An air of Andalusian Rome
gilded his head
where his smile was a rose
of salt and intelligence.
The great fighter of bulls!
The good mountaineer of the mountain!
How soft with the wheat stalk!
How hard with his spurs!
How tender with the dew!
How dazzling in the fair!
How grand with the last
banderillas of dusk!

But now he sleeps forever.
Now the grass and the moss
open with sure fingers
the flower of his skull.
And his blood comes singing:
singing through marshes and prairies,
sliding down shivering horns,
wandering soulless in fog,
stumbling on thousands of hoofs
like a long, dark, sorrowful tongue
to form a puddle of agony
by the Guadalquivir of the stars.
Oh white wall of Spain!
Oh black bull of sorrow!
Oh hard blood of Ignacio!
Oh nightingale of his veins!
No.
I don’t want to see it!
There is no chalice to hold it.
There are no swallows that drink it,
no frost of light to cool it,
no song or deluge of lilies,
no crystal to bathe it in silver.
No.
I don’t want to see it!

Vertaald door Pablo Medina

Federico García Lorca (5 juni 1898 – 19 augustus 1936)
Muurschildering in New York

 

De Nederlandse dichter en schrijver Adriaan Morriën werd geboren op 5 juni 1912 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Adriaan Morriën op dit blog.

Lectuur

Ik kan niet genoeg krijgen van je huid.
Als een blinde lees ik met mijn vingers
het stille verhaal van je oppervlak.
In je ogen dreig ik te verzinken.
Op je huid bewandel ik alle wegen
zonder mij van jou te verwijderen.

Soms keer je je behulpzaam op je buik.
Je rug is een lang hoofdstuk uit een boek.
Ik spel je tepels, herlees je oren.
Ik laat je tenen op elkander rijmen.
Ik lees tussen de regels van je benen
en blader in de atlas van je hals.

Het is mij of mijn eigen vingers
je lichaam hebben uitgeschreven.
Eerst viel het mij als klank te binnen,
toen lag het als een beeldspraak op mijn tong
en nu herhaal ik wat ik heb gestameld
in vloeiende bewoordingen.

 

Schilderij

Twee doode kreeften met gebroken scharen
Rood op de witheid van het tafellaken;
Een gele wijn, die fonkelt in het glas,
Maar niet gedronken wordt; gemorste asch,
En tusschen appelen en eierschalen
Een houten kruisbeeld met de pijn en zegen
Van zijn doorboorde handen. In den regen,
Achter het raam, dat uitziet in de straat,
Het grijs gelaat van een bedroefde vrouw,
Die in den rouw van hare kleeren staat,
Verwonderd en afwijzend en naijvrig
En ongetemd: haar wilde armen slaan,
Als in een dwaas verweer langs ’t vensterraam.
En verder in een kleinen, kalen tuin
Van een der huizen aan den overkant,
Zacht neergevlijd als een vermoeide hand,
Een laatst verzet in ’t wijkend perspectief,
De weemoed van een omgewaaiden boom.

Adriaan Morriën (5 juni 1912 – 7 juni 2002) 

 

De Engelse schrijver Ken Follett werd geboren op 5 juni 1949 in Cardiff, Wales. Zie ook alle tags voor Ken Follett op dit blog.

Uit:Het eeuwige vuur(Vertaald door Joost van der Meer en William Oostendorp)

“Te midden van een sneeuwstorm kwam Ned Willard thuis in Kingsbridge.
In de hut van een trage schuit, geladen met stoffen uit Antwerpen en wijn uit Bordeaux, voer hij stroomopwaarts vanuit Combe Harbour.
Toen hij vermoedde dat de boot eindelijk Kingsbridge naderde sloeg hij zijn Franse mantel strakker om zijn schouders; hij trok de capuchon over zijn oren, stapte het open dek op en tuurde in de verte.
Aanvankelijk werd hij teleurgesteld: vallende sneeuw was het enige wat hij zag. Maar zijn verlangen om een glimp van de stad op te vangen was als een pijn, en vol hoop staarde hij in de sneeuwvlagen. Na een poosje werd zijn wens vervuld, de storm begon zich terug te trekken. Er verscheen een verrassend stukje blauw aan de hemel. Starend over de toppen van de omringende bomen zag hij de toren van de kathedraal, honderddrieentwintigenhalve meter hoog, zoals iedere leerling in Kingsbridge
wist. De stenen engel die vanaf de torenspits over de stad waakte had vandaag sneeuw op haar vleugels liggen, waardoor haar duifgrijze vleugeltoppen nu helderwit waren. Even viel er een zonnestraal op het beeld, die als een zegen van de sneeuw af fonkelde; daarna sloot de storm haar weer in en werd ze aan het zicht onttrokken.
Een poosje zag hij niets anders dan bomen, maar zijn verbeelding liep over. Hij stond op het punt om na een afwezigheid van een jaar met zijn moeder te worden herenigd. Hij zou haar niet vertellen hoezeer hij haar had gemist, want een man diende op zijn achttiende onafhankelijk te zijn.
Maar bovenal had hij Margery gemist. Hij was op een rampzalig moment voor haar gevallen: een paar weken voor zijn vertrek uit Kingsbridge om een jaar door te brengen in Calais, de door Engelsen bestuurde havenstad aan de Franse noordkust. Hij kende en mocht de ondeugende, intelligente dochter van sir Reginald Fitzgerald al sinds zijn kindertijd.
Toen ze opgroeide had haar schalksheid een nieuwe verleidelijkheid gekregen, waardoor hij merkte dat hij in de kerk met een droge mond en oppervlakkige ademhaling naar haar staarde. Hij had geaarzeld om meer te doen dan alleen staren, want ze was drie jaar jonger dan hij, maar zij kende zulke remmingen niet. Op het kerkhof van Kingsbridge, achter de grote graftombe van prior Philip, de monnik die vier eeuwen eerder de opdracht voor de bouw van de kathedraal had gegeven, hadden ze elkaar gekust. Er was niets kinderachtigs geweest aan hun lange, gepassioneerde zoen; daarna had ze gelachen en was ze weggerend.”

Ken Follett (Cardiff, 5 juni 1949)

 

De Britse dichter en schrijver Paul Farley werd geboren op 5 juni 1965 in Liverpool. Zie ook alle tags voor Paul Farley op dit blog.

Ports

1

I want you to imagine, in your late capitalist’s mind’s eye,
a stagnant fly-blown lake under an African sun,
the smell of the sea just beyond (this at least should come easy
being the universal saltwater of all your childhoods).
Armies of ants on parade in the poor weeds and grey sludge
of the ages, dismantling the scene in their own time-lapse movie,
skeletal cats picking over spoil, boneyard mongrels
marking their range by the water’s edge before moving on.
I want you to imagine all this, because once I was Carthage
and still am in name, though like some poisoned inland sea
my horizons have shrunk to a port that handles zero tonnage,
an import and export that evens the scales up at nil,
not counting the old rope and plastic bottles that come knocking
with the tides, not counting the rusted tins that drift in,
not counting the ants shifting clay forms and Carrera marble
from my ruins, or the guide who conducts his own private dig
for unscrupulous tourists who think nothing of removing
a coin from its context (if money ever has such set contexts),
of taking a Roman penny with an obverse of Augustus
out of the country, to reach the cold northern latitudes
in the holds of Lufthansa or Aeroflot, in a fraction
of the time it once took under oar and Ursa Major.
I was Carthage, but nothing much comes or goes in this afterwards;
all that’s left of a thousand years of dockyards and shipsheds
are a few shapes the soft earth has found indigestible,
for the tourist to squint at, consider, weigh up, reconstruct
imaginatively, as I am asking you, listener.
From this silted salt lake I once pulled the strings of the known world.
Lovers looked out from my sea walls into powerful distance
that bound them knowing that I was a true centre.
They pulled tight their merchant purses. They drank from clay pitchers –
under glass now in nearby museums. A museum will go some way
to help in your excavations, but what stories lead on from
the razors and combs and amphora and ostrich egg masks
are the details of millions who passed through, then into the ground.
Standing over a scale model in its sea of flat glass
acts out a dominion of your time over mine, looking down on
my circular dockyard apotheosis; looking down
as from a great height, in a way I can never have known.
A map might be easier in helping you build on my wasteland:
my trade routes once lit up the coastlines in thousands of oil lamps,
a Phoenician outline of Africa in the antique night,
spreading westward and hugging the shore, a luminous tracing
that brought in and foundered sea creatures, signalling for their mates.
I can still taste the distant metals like blood in my harbour mouth,
the tin and the iron and the copper which don’t come here now
but leech down the well-furrowed sea lanes, my phantom nerve endings.
Carthaginian and Roman and Vandal are blinks in my brine eye,
In each of their eternities: to me they rise and fall
as sea swell. Credit me, listener, with such a long memory,
as more than the sum of my parts, more than archaeology
and soft sump, more than ground fought over. Aeneas stood here once
with a mind to call it quits and cut loose, so the story goes,
my port in his storm to his girl in every port.
The jets tilt and bank heading north for their carrier hubs
in Frankfurt and Moscow, without so much as a second thought
for me in my modern darkness, their starboard wing lights
blinking in an element I knew nothing about.
Some things have endured: the peaks of Cap Bon across the bay
form a backdrop to nothing much doing these days; the stars rise
to guide nobody from my mouth and on course for the Pillars
of Hercules – but these things give me a sense of myself,
as the winds do, strong at the turns in the year, which remind me
of cargoes and freights in their seasons, gross tonnes that passed through
as sand through an hour glass, until history,
like the idea of magnetic north so long in the discovering,
moved slowly away from here, like a great ship embarking
out onto the future’s broad main, and this is the fate
of all ports, even yours, listener. Listen to me. I was Carthage.

Paul Farley (Liverpool,. 5 juni 1965)

 

De Engelse schrijver Geoff Dyer werd op geboren 5 juni 1958 in Cheltenham. Zie ook alle tags voor Geoff Dyer op dit blog.

Uit:Broadsword Calling Danny Boy

“Meanwhile, at dusk—even allowing for the fact that it’s winter, the day has been stunningly short—the Eagles sneak across the snowy railroad tracks, in the wake of a freight train whose role will not extend beyond this cameo appearance (a sad decline from the recent glory years of Von Ryan’s Express [1965], starring Frank Sinatra, and The Train [1964], with Burt Lancaster). They let themselves into a storage unit where Eastwood and Burton strip off their parkas and pull out greatcoats and caps from their small but apparently bottomless rucksacks. They have not packed lightly, these two; they have enough clothes and equipment to keep the Sherpas on an inter-war Everest expedition employed for much of the climbing season. Working within the confines of a smaller costume budget, the others do what they can, reversing their par­kas from snowy-white to wintery camouflage. Thus arrayed, like any bunch of lads on a stag weekend, they head into the village of Werfen for a bit of the old après-ski (minus the skiing), a little apprehensive, naturally, this being their first night out on the streets of the resort. The pitched roofs are laden with snow, the streets are bustling with troops and vehicles, and there’s so much parping of horns it sounds like an Alpine equivalent of Cairo.
They choose a tavern at random—we’ll try this one behind us, says Burton, though as with most things he says he’s not saying but ordering. He tells them to keep their ears open for anything about General Carnaby, but it seems a lame excuse for that which needs no excuse, namely getting into the bar and getting a few down them. It’s a cosy place with foam­ing steins, a really festive Bavarian atmosphere and no obviously anti-Semitic conversation. You can’t help thinking what fun it would be to attend a fancy-dress party like this in real life, even though you’d catch hell from the tabloids, especially since the guests include none other than the blond beast Von Hapen, in his medal-bedecked Gestapo costume. For once Burton is not the one doing the ordering; it’s Eastwood who orders drinks at the bar, thereby raising the possibility that, for all his swagger, command and much-publicized love of drink and his will­ingness to splash out vast sums of money on diamonds, Burton might be that lowest, most treacherous form of British life: a round-dodger, a conscientious-drink-buying-objector and all-round round-shirker. Even this suspicion only slightly clouds the rest of the group’s belief that this is surely the best of all Second World War mission-capers, way better than scaling the cliffs of Navarone, sweating your malarial bollocks off on that ghastly bridge over the River Kwai or waiting for Telly Savalas to flip his sicko lid in The Dirty Dozen. A top night seems guaranteed as long as they can keep up their German and not be tricked into letting their conversational guard down, as fatally happened, six years earlier, to Gordon Jackson as he boarded a bus in The Great Escape (before enjoying extended small-screen resurrections in
Upstairs Downstairs and The Professionals).”

Geoff Dyer (Cheltenham, 5 juni 1958)

 

De Australische schrijfster Margo Lanagan werd geboren op 5 juni 1960 in Waratah, New South Wales. Zie ook alle tags voor Margo Lanagan op dit blog.

Uit: Tender Morsels

“Has the chimney fallen in? Or what is it?” She wanted to step farther out and look.
But he sprang over the logs and ran at her. She was too surprised to fight him, and her insides were too delicate. The icicled edge of the thatch swept down across the heavy sky, and she was on the floor, the door slammed closed above her. It was dark after the snow-glare, the air thick with the billowing smoke. Outside, he shouted—she could not hear the words—and hurled his logs one by one at the door.
She pressed her nose and mouth into the crook of her elbow, but she had already gulped smoke. It sank through to her deepest insides, and there it clasped its thin black hands, all knuckles and nerves, and wrung them, and wrung them.
Time stretched and shrank. She seemed to stretch and shrink. The pain pressed her flat, the crashing of the wood. Da muttered out there, muttered forever; his muttering had begun before her thirteen years had, and she would never hear the end of it; she must simply be here while it rose from blackness and sank again like a great fish into a lake, like a great water snake. Then Liga’s belly tightened again, and all was gone except the red fireworks inside her. The smoke boiled against her eyes and fought in her throat.
The pains resolved themselves into a movement, of innards wanting to force out. When she next could, she crawled to the door and threw her fists, her shoulder, against it. Was he out there anymore? Had he run off and left her imprisoned? “Let me out or I will shit on the floor of your house!”
There was some activity out there, scraping of logs, thuds of them farther from the door. White light sliced into the smoke. Out Liga blazed, in a dirty smoke-cloud, clambering over the tumbled wood, pushing past him, pushing past his eager face.”

Margo Lanagan (Waratah, 5 juni 1960)
Cover

 

De Nederlandse literair criticus Carel Peeters werd geboren in Nijmegen op 5 juni 1944. Zie ook alle tags voor Carel Peeters op dit blog.

Uit: Het eigenwijze potlood

“Of het nu om mensen of dieren ging, Peter Vos was in zijn tekeningen voortdurend aan het vermommen, om-draaien, transformeren en verkleden: dieren die menselijke din-gen doen, mensen die dierendingen doen, mensen die in vogels veranderen, wezens die half dier, half mens zijn, mensen die in een satirisch beestenkarakter veranderen (klavierleeuw, kloothom-mel). Hij was een Pulcinel, de komische bediende uit de commedia dell’arte die aan alles een fantasierijke wending moest geven. Met een handtekening in de vorm van een Pulcinel ondertekende hij vaak zijn brieven. Eind jaren vijftig sorteerde de toenmalige uitgever van De Arbei-derspers Theo Sontrop nog brieven op het postkantoor van Amster-dam. Op een dag herkende hij een met vogels versierde envelop als afkomstig van Peter Vos, net als hij oud-leerling van het St. Boni-fatiuslyceum in Utrecht Peter Vos was inmiddels student aan de Rijksakademie, Sontrop zat in de redactie van het studentenweek-blad Propria Cures. Hij vond dat Propria Cures wel een vaardig en geestig tekenaar als Peter Vos kon gebruiken. Dat dacht Rinus Ferdinandusse ook toen hij als redacteur van Propria Cures was over-gestapt naar Vrij Nederland (VN) en Vos vroeg mee te gaan. In het begin maakte Vos getekende grappen voor de rubriek ‘Vrij Blijvend’, die later ‘Terzijde’ zou gaan heten. De rubriek bestond nog uit pasti-ches en parodieën geschreven door Ferdinandusse en Hugo Brandt Corstius, en niet uit de volle kolom oneliners van Toon Verhoeven waarmee de rubriek later vermaard zou worden. vn-lezers lazen hem altijd als eerste (‘Als je van lezen houdt is de Tros een goede omroep’). In die verzuilde tijd kon een tekening van Peter Vos nog voor de nodige commotie en ingezonden brieven zorgen. Zoals de tekening in het kerstnummer van het jaar 1960. Het is kerstavond en we zien Jozef op het moment dat een engel hem laat weten dat er een kindje is geboren. ”t Is een jongen!’ juicht de engel. En toen in 1964 de aflevering ‘Beeldreligie’ van het satirische televisieprogramma Zo is het toevallig ook nog eens een keer zo veel verontwaardiging had ge-wekt, maakte Peter Vos de tekening van de man die voor de televisie zit en zijn vrouw roept ‘Mien, kom. Het is weer kwetsen.’ Zijn bijdrage aan ‘Terzijde’ bestond uit het tekenen van de weke-lijkse leeuw. Die werd zo’n vaste verschijning dat je hem bijna over het hoofd zag. Maar wie dat niet liet gebeuren, zag de mens ver-momd als leeuw elke week vechten tegen de aanvallen van het leven. Hij nam in de loop der tijd elke denkbare manhaftige pose aan. De leeuw werd met alles geconfronteerd, elke ochtend al meteen met zichzelf in de spiegel, en verder in de loop van de dag met allerhande tegenstanders die hij niet zelden met een zwaard te lijf ging, tot hij zich bedacht. “

Carel Peeters (Nijmegen, 5 juni 1944)

 

De Nederlandse dichter, schrijver en schilder Robert Marie Philmain Joseph Franquinet werd geboren in Amby (bij Maastricht) op 5 juni 1915. zie ook alle tags voor Robert Franquinet op dit blog.

Gedicht

Ik weet het wee van zoveel scherpe klippen.
Ik weet het lied dat druipt van wrange wijn.
Ik weet veraders aan uw fijngekorven lippen
die mij een smart van lang-verduren zijn;
want wist gij hoe ik heb gebeden
om niet meer droef uw roekloosheid te denken,
hoe ‘k u wou bedden, heel schuldeloos en rein
en hoe ‘k het snijdend woord voor u steeds heb vermeden
om zacht en heelend en ook goed te zijn.

Hoe ik de eenzaamheden
geregen heb tot kostbre snoeren rond uw lijf,
hoe ik het licht bevangen heb vermeden
en hoe ik stil bij ’t graf van een herinnering blijf.
En hoe de stilte werd tot een ondraaglijk tarten
te weten dat er is een véélvergulden schijn!
Die kerft zijn wond in al te wilde harten
die niet bevrijd, te snel verbeten zijn…

Weet gij dat wij toch grenzeloos herleven
van dit vergift, nog zoeter dan jasmijn?
dat alles nieuw, het hunkren en het streven
en ’t worstelen, ongekend, rebels en wreed zal zijn.

Robert Franquinet (5 juni 1915 – 30 mei 1979)

 

De Engelse schrijfster Margaret Drabble werd geboren op 5 juni 1939 in Sheffield, Yorkshire. Zie ook alle tags voor Margaret Drabble op dit blog.

Uit: The Garrick Year

“While I was watching the advertisements on television last night, I saw Sophy Brent. I have not set eyes on her for some months, and the sight of her filled me with a curious warm mixture of nostalgia and amusement. She was, typically enough, eating: she was advertising a new kind of chocolate cake, and the picture showed her in a shining kitchen gazing in rapture at this cake, then cutting a slice and raising it to her moist, curved, delightful lips. There the picture ended. It would not have done to show the public the crumbs and the chewing. I was very excited by this fleeting glimpse, as I always am by the news of old friends, and it aroused in me a whole flood of recollections, recollections of Sophy herself, and of all that strange season, that Garrick year, as I shall always think of it, which proved to me to be such a turning point, though from what to what I would hardly like to say.
Poor old Sophy, I allowed myself to say, thinking that she would not much like being on a cake advertisement; and then I remembered the last time I had said Poor old Sophy, and that in any case, she would have earned a lot of money from that tantalizing moment. There is perhaps something finally unpitiable in Sophy, just as there is in me. We are both in our ways excellent examples of resilience, though I seem obliged to pass through many degrees of meanness on my way, whereas she just smiles and wriggles and exclaims and with a little charming confusion gets by. I like Sophy. I cannot help liking Sophy. And if there is a defensive note to be detected in that assertion, I am not in the least surprised.
That chocolate cake vision made me think back, as I said, over the whole lot, right back to the very beginning, to the occasion when I first realized that David was really intending to go to Hereford. I had just finished putting Flora to bed, and I came downstairs, splashed and bedraggled from her bath, to find David nursing the new baby and drinking a glass of beer. He had poured some stout for me, which was the only thing he would let me drink. When I appeared he handed the baby over quickly, and as I sat down and prepared to feed him, wondering if I would ever get him to wake at a less exhausting time, Dave spoke.”

Margaret Drabble (Sheffield, 5 juni 1939)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e juni ook mijn blog van 5 juni 2017 deel 1 en eveneens deel 2.

Federico García Lorca, Adriaan Morriën, Ken Follett, Margo Lanagan, Carel Peeters, Robert Franquinet, Margaret Drabble, Kristin Gore

De Spaanse dichter en toneelschrijver Federico Garcia Lorca werd geboren op 5 juni 1898 in Fuente Vaqueros, Granada. Zie ook alle tags voor Federico Garcia Lorca op dit blog.

 

Of the Dark Doves
For Claudio Guillén

In the branches of the laurel tree
I saw two dark doves
One was the sun
and one the moon
Little neighbors I said
where is my grave — 
In my tail said the sun
On my throat said the moon
And I who was walking
with the land around my waist
saw two snow eagles
and a naked girl
One was the other
and the girl was none
Little eagles I said
where is my grave —
In my tail said the sun
On my throat said the moon
In the branches of the laurel tree
I saw two naked doves
One was the other
and both were none.

 

Vertaald door Sarah Arvio

 

Sonnet of the Wreath of Roses

The wreath, quick, I am dying!
Weave it quick now! Sing, and moan, sing!
Now the shadow is darkening my throat,
and January’s light returns, a thousand and one times.

Between what needs me, and my needing you,
starry air, and a trembling tree.
A thickness of windflowers lifts
a whole year, with hidden groaning.

Take joy from the fresh landscape of my wound,
break out the reeds, and the delicate streams,
and taste the blood, spilt, on thighs of sweetness.

But quick! So that joined together, and one,
time will find us ruined,
with bitten souls, and mouths bruised with love.

 

Paso (The Images of the Passion)

Virgin in a crinoline,
Virgin of Solitude,
spreading immensely
like a tulip-flower.
In your boat of light,
go –
through the high seas
of the city.
through turbulent singing,
through crystalline stars.
Virgin in a crinoline
through the roadway’s river
you go,
down to the sea!

 

Vertaald door A. S. Kline

 
Federico García Lorca (5 juni 1898 – 19 augustus 1936)
“Federico García Lorca” door Alice Wellinger, 2011

Doorgaan met het lezen van “Federico García Lorca, Adriaan Morriën, Ken Follett, Margo Lanagan, Carel Peeters, Robert Franquinet, Margaret Drabble, Kristin Gore”

Federico García Lorca, Adriaan Morriën, Ken Follett, Margo Lanagan, Carel Peeters, Robert Franquinet

De Spaanse dichter en toneelschrijver Federico Garcia Lorca werd geboren op 5 juni 1898 in Fuente Vaqueros, Granada. Zie ook alle tags voor Federico Garcia Lorca op dit blog.

 

City That Does Not Sleep

In the sky there is nobody asleep.  Nobody, nobody.
Nobody is asleep.
The creatures of the moon sniff and prowl about their cabins.
The living iguanas will come and bite the men who do not dream,
and the man who rushes out with his spirit broken will meet on the
street corner
the unbelievable alligator quiet beneath the tender protest of the
stars.

Nobody is asleep on earth.  Nobody, nobody.
Nobody is asleep.
In a graveyard far off there is a corpse
who has moaned for three years
because of a dry countryside on his knee;
and that boy they buried this morning cried so much
it was necessary to call out the dogs to keep him quiet.

Life is not a dream.  Careful!  Careful!  Careful!
We fall down the stairs in order to eat the moist earth
or we climb to the knife edge of the snow with the voices of the dead
dahlias.
But forgetfulness does not exist, dreams do not exist;
flesh exists.  Kisses tie our mouths
in a thicket of new veins,
and whoever his pain pains will feel that pain forever
and whoever is afraid of death will carry it on his shoulders.

One day
the horses will live in the saloons
and the enraged ants
will throw themselves on the yellow skies that take refuge in the
eyes of cows.

Another day
we will watch the preserved butterflies rise from the dead
and still walking through a country of gray sponges and silent boats
we will watch our ring flash and roses spring from our tongue.
Careful!  Be careful!  Be careful!
The men who still have marks of the claw and the thunderstorm,
and that boy who cries because he has never heard of the invention
of the bridge,
or that dead man who possesses now only his head and a shoe,
we must carry them to the wall where the iguanas and the snakes
are waiting,
where the bear’s teeth are waiting,
where the mummified hand of the boy is waiting,
and the hair of the camel stands on end with a violent blue shudder.

Nobody is sleeping in the sky.  Nobody, nobody.
Nobody is sleeping.
If someone does close his eyes,
a whip, boys, a whip!
Let there be a landscape of open eyes
and bitter wounds on fire.
No one is sleeping in this world.  No one, no one.
I have said it before.

No one is sleeping.
But if someone grows too much moss on his temples during the
night,
open the stage trapdoors so he can see in the moonlight
the lying goblets, and the poison, and the skull of the theaters.

 

Vertaald door Robert Bly

 
Federico García Lorca (5 juni 1898 – 19 augustus 1936)
Portret door Fabrizio Cassetta, 2013

Doorgaan met het lezen van “Federico García Lorca, Adriaan Morriën, Ken Follett, Margo Lanagan, Carel Peeters, Robert Franquinet”

Federico García Lorca, Adriaan Morriën, Ken Follett, Margo Lanagan, Carel Peeters

De Spaanse dichter en toneelschrijver Federico Garcia Lorca werd geboren op 5 juni 1898 in Fuente Vaqueros, Granada. Zie ook alle tags voor Federico Garcia Lorca op dit blog.

De gitaar

Aanvangt de klaagzang van de gitaar.
Breken doen de bekers van de ochtend.
Aanvangt de klaagzang van de gitaar.
Hem smoren is nutteloos.
Hem smoren is onmogelijk.
Hij huilt eentonig zoals het water huilt,
zoals de wind huilt over de sneeuwvlakte.
Hem smoren is nutteloos.
Hem smoren is onmogelijk.
Hij huilt om dingen ver.
Heet zand uit het zuiden
snakt naar witte camelia’s.
Hij huilt om de pijl zonder doel,
om de avond zonder ochtend
en om de eerste vogel dood
op de tak.
O gitaar!
Hart door vijf zwaarden zwaargewond.

 

Processiebeeld

Maad met hoepelrok,
Maagd der Verlatenheid,
open als een onmetelijke
Op je lichtende schip
klief je
door het hoogwater
van de stad,
tussen roezige saeta’s
en kristalsterren.
Maagd met hoepelrok
jij klieft
door de straatrivier
tot in zee!

Vertaald door Bart Vonck

 

De zigeunernon
                 Voor José Moreno Villa

Stilte van witkalk en mirte.
Kaasjeskruid in de kruidentuin.
De non borduurt violieren
op een strogeel doek.
In de grijze luchter vliegen
zeven vogels van het prisma.
In de verte gromt de kerk
als een beer op zijn rug.
Wat borduurt zij mooi! Hoe fraai!
Op het strogele doek
wil zij de bloemen
van haar fantasie borduren.
Wat een zonnebloem! Wat een magnolia
van pailletten en linten.
Wat een saffraantjes, wat een maantjes
op de altaardwaal!
Vijf pompelmoezen versuikeren
vlakbij in de keuken.
De vijf wonden van Christus
in Alméria geoogst.
In de ogen van de non
galopperen twee ruiters.
Een verre gesmoorde zucht
maakt haar hemd los,
en terwijl ze in verstarde verten
naar wolken en bergen staart,
breekt haar hart
van suiker en citroenverbena.
O, wat een steile vlakte
met twintig zonnen erboven.
Wat een rechtopstaande stromen
dagen in haar fantasie!
Toch gaat zij verder met haar bloemen,
terwijl rechtop, in de bries,
het licht schaakspeelt
hoog in het zonnescherm.

Vertaald door Lepus

 Federico García Lorca (5 juni 1898 – 19 augustus 1936)
Portret door Mick Rooney, 1990-95

Doorgaan met het lezen van “Federico García Lorca, Adriaan Morriën, Ken Follett, Margo Lanagan, Carel Peeters”

Federico García Lorca, Adriaan Morriën, Ken Follett, Margo Lanagan, Carel Peeters, Margaret Drabble

De Spaanse dichter en toneelschrijver Federico Garcia Lorca werd geboren op 5 juni 1898 in Fuente Vaqueros, Granada. Zie ook alle tags voor Federico Garcia Lorca op dit blog.

Hartstochtelijk madrigaal

Ik had zo graag aan je lippen gerust
om uit te doven in de sneeuw
van je tanden.

Ik had zo graag aan je borst gerust
om er bloedend in te vergaan.

Ik was zo graag altijd opnieuw
in je gouden haren weggedroomd

tot je hart een grafkuil werd
van mijn rouwend hart,

tot mijn vlees jouw vlees werd,
mijn voorhoofd het jouwe.

Ik had zo graag dat ik met hart en ziel
je kleine lichaam binnendrong,

dat ik je enige gedachte was,
en je kraakwitte kleed.

Dat je zo hartstochtelijk
op mij verliefd zou zijn
dat je, naar mij op zoek, jezelf verloor
zonder mij ooit te vinden.

Dat je op je dooltocht mijn naam
naar de einder schreeuwde,
en je rivieren naar mij vroeg,
en droef de bitterheden dronk
die mijn hart op de weg
uit liefde voor jou heeft verloren
.

En dan zal ik je zwakke en zachte
lichaam binnendringen,
en word ik, vrouw, jezelf
en ben ik voor altijd bij jou,
terwijl jij tevergeefs naar mij zoekt
van oost naar west,
tot uiteindelijk de dood
ons beiden met zijn grauwe vlam verkoolt
.

Vertaald door Piet Thomas en Christian de Paepe

 

Romance van de zwarte smart

    Voor José Navarro Pardo

De pikhouwelen van de hanen
graven zoekend naar de dageraad,
wanneer Soledad Montoya
de donkere berg afdaalt.
Geel koper haar lijf
dat geurt naar paard en schaduw.
Berookte aambeelden haar borsten
die ronde liederen jammeren.
Soledad: naar wie vraag je
zonder gezelschap, op dit uur?
Ik vraag naar wie ik wil,
trouwens gaat jou dat wat aan?
Ik kom zoeken wat ik zoek,
mijn vreugde en mijn eigen ik.
Soledad van mijn smarten,
een paard dat op hol slaat
rent tenslotte in zee
en de golven verzwelgen het.
Van de zee wil ik niet horen:
de zwarte smart bot uit
op de olijfgronden
bij geruis van blaren.
Soledad, wat heb je een smart!

Hoe zielig die smart!
Je huilt citroensap
zuur van wachten en van mond.
Wat een diepe smart! Waanzinnig
dool ik door mijn huis,
mijn twee vlechten over de grond
van de keuken naar het bed.
Wat een smart! Ik word
gitzwart van lijf en kleren.
Ach, mijn linnen hemden!
Ach, mijn papaveren dijen!
Soledad: was je lichaam
met leeuwerikswater,
en gun je hart rust,
Soledad Montoya.

Daar beneden zingt de rivier:
strook van hemel en lover.
Het nieuwe licht wordt
met pompoenbloemen gekroond.
O smart van de zigeuners!
Klare smart en immer eenzaam.
O smart die diep verborgen stroomt
en dageraad die nimmer komt.

 

Vertaald door Lepus

 

The Little Mute Boy

The little boy was looking for his voice.
(The king of the crickets had it.)
In a drop of water
the little boy was looking for his voice.

I do not want it for speaking with;
I will make a ring of it
so that he may wear my silence
on his little finger

In a drop of water
the little boy was looking for his voice.

(The captive voice, far away,
put on a cricket’s clothes.)

Vertaald door W.S. Merwin

 Federico García Lorca (5 juni 1898 – 19 augustus 1936)
Javier Beltran als Lorca en Robert Pattinson als Salvador Dali in de film »Little Ashes »,2008

Doorgaan met het lezen van “Federico García Lorca, Adriaan Morriën, Ken Follett, Margo Lanagan, Carel Peeters, Margaret Drabble”

Federico García Lorca, Adriaan Morriën, Ken Follett, Margo Lanagan, Carel Peeters

De Spaanse dichter en toneelschrijver Federico Garcia Lorca werd geboren op 5 juni 1898 in Fuente Vaqueros, Granada. Zie ook alle tags voor Federico Garcia Lorca op dit blog.

 

 

Struikje Struikje

 

Struikje struikje
dor en groen.

Het meisje met het knappe snoetje
plukt olijven op het veld.
De wind die van de torens houdt,
slaat zijn armen om haar heupen.
Vier ruiters komen voorbij
op Andalusische paardjes,
in het blauw en het groen
met langere donkere mantels.
“Kom mee naar Córdoba, lief kind.”
Het meisje luistert niet.
Drie jonge torero’s komen voorbij
in oranje pakken
en slank van lijf,
met degens van belegen zilver.
“Kom mee naar Sevilla, lief kind.”
Het meisje luistert niet.
Als de avondhemel paars kleurt,
komt in het wazige schemerdonker
een jongeman voorbij
met rozen en mirten van maanlicht.
“Kom mee naar Granada, lief kind.”
En het meisje luistert niet.
Het meisje met het knappe snoetje
blijft maar olijven plukken,
met de grijze armen van de wind
om haar heupen.

Struikje struikje
dor en groen.

 

 

 

Vertaald door Bart Vonck

 

 

 

The Poet asks his Love to write

 

Visceral love, living death,

in vain, I wait your written word,

and consider, with the flower that withers,

I wish to lose you, if I have to live without self.

 

The air is undying: the inert rock

neither knows shadow, nor evades it.

And the heart, inside, has no use

for the honeyed frost the moon pours.

 

But I endured you: ripped open my veins,

a tiger, a dove, over your waist,

in a duel of teeth and lilies.

 

So fill my madness with speech,

or let me live in my calm

night of the soul, darkened for ever.

 

 

The Dawn

New York’s dawn holds

four mud pillars,

and a hurricane of black doves,

paddling in foul water.

 

New York’s dawn

moans on vast stairways,

searching on the ledges,

for anguished tuberoses.

 

Dawn breaks and no one’s mouth breathes it,

since hope and tomorrow, here, have no meaning.

Sometimes coins, furiously swarming,

stab and devour the abandoned children.

 

The first to go outside know in their bones

Paradise will not be there, nor wild loves.

They know they go to the swamp of law, and numbers,

to play without art, and labour without fruit.

 

The light is buried by chains and by noise,

in the shameless challenge, of rootless science.

All across the suburbs, sleepless crowds stumble,

as if saved, by the moment, from a shipwreck of blood.

 

 

Vertaald door A. S. Kline

 

 

 

Federico García Lorca (5 juni 1898 – 19 augustus 1936)

Doorgaan met het lezen van “Federico García Lorca, Adriaan Morriën, Ken Follett, Margo Lanagan, Carel Peeters”

Margaret Drabble, Kristin Gore, Thomas Kling, Carel Peeters

De Engelse schrijfster Margaret Drabble werd geboren op 5 juni 1939 in Sheffield, Yorkshire. Zie ook alle tags voor Margaret Drabble op dit blog.

Uit: The Red Queen

„This hard school served me well in my hard life. My mother, too, endured hardship in her early years. I used to wonder, childishly, whether it was my longing for red silk that brought all these disasters upon me and my house. For my desire was fulfilled, but no good came of it, and it brought me no happiness.
I was still a child when I received a red silk skirt of my own. It was brought to me from the palace, with other precious garments made for me at the queen’s command. I was presented with a long formal dress jacket of an opaque leaf-green brocade, and a blouse in buttercup-yellow silk with a grape pattern, and another blouse of a rich pale foxglove silk. I had been measured for these robes by the matron of the court, and they were lifted out and displayed to me by a court official, with much ambiguous and bewildering deference. I think my response to these rich and splendid artefacts was lacking in spontaneous delight and gratitude, though I did do my best to conceal my fear.
The red silk skirt was not a gift from the palace, although it was included in the fine royal display of gifts. I was to learn later that it had been made for me by my mother, as a reward and as a compensation for my elevation. She had made it secretly, at night, hanging curtains over her windows to hide the lights in her chamber as she worked. This is how she performed many of her household tasks – discreetly, quietly, modestly. My mother liked to hide her thrift and industry, and she avoided compliments on her domestic labours. At this time, I knew nothing of this special undertaking on my behalf. I stared at the red silk skirt in ungracious silence.

My mother reminded me that I had once expressed a wish for such things, and she watched my face for smiles of gratitude. I did not remember having expressed this wish, but I confess that she was right to have divined it in me. But now I was too sad and too oppressed to raise my eyes to look at my new finery. My illustrious future hung heavily upon me. I was nine years old, and I was afraid.“

Margaret Drabble (Sheffield, 5 juni 1939)

Doorgaan met het lezen van “Margaret Drabble, Kristin Gore, Thomas Kling, Carel Peeters”

Thomas Kling, Carel Peeters, Hélène Cixous, Spalding Gray, Christy Brown, David Hare, Alifa Rifaat, Otto F. Walter, Ivy Compton-Burnett

De Duitse dichter en schrijver Thomas Kling werd geboren op 5 juni 1957 in Bingen. Zie ook mijn blog van 5 juni 2010 en eveneens alle tags voor Thomas Kling op dit blog.

 

 

Berliner Totentanz 2

 

herr doktor – meister der arznei

ich habs euch dreimal schon gesagt:

meint wohl ihr könnt noch länger leben

und wollt euch nicht zu GOtt begeben

stellt ab die probe – verabschiedet euch man

und seht wie gut ich euch vortanzen kann

 

arzt:

ach gott hier gibts kaum einen rat

der urin sieht schlecht aus in der tat –

die farbe ist schwarz und grün und rot:

 

ich sehe darin den bitteren tod

in der apotheke gibts nicht ein kraut womit man

gegen den tod was ausrichten kann

 

 


Actaeon 3

 

hirschgulasch. den schuß, widerhallend, gezisch vom lärchenhang,

konnten wir gerade noch hören. wir? bei tisch. der dampfende berg,

gegenüber, gleich drüben, in flußnähe, wo Actaeon zu boden ging.

 

fetzen. gebeugt in den dampf da, hirschbrocken vom teller. dampf

steigt vom durchwühlten boden auf, staub an der nüster, schweiß.

körper und nadeln. der ganze staub aus der ferne und das dampf-

 

ende tellergericht, der fluß; motorengeschepper in etwa, von drüben,

so was wie: röhren, plattmachen, turbogeknurr. jetzt wird der luftröhre

ein schnitt gemacht, durchtrennte fährten. Echo erscheint. das frische

 

mark wird rausgesaugt wie nichts! wir knien so überm hirsch, wir

ziehen uns den rein, wir klärn das mit den toten: ein bildverdampfen

findet statt. den hirsch besäbeln. ächzend. zunge, sehnen. zähne.

 

 

Thomas Kling (5 juni 1957 – 1 april 2005)

 

Doorgaan met het lezen van “Thomas Kling, Carel Peeters, Hélène Cixous, Spalding Gray, Christy Brown, David Hare, Alifa Rifaat, Otto F. Walter, Ivy Compton-Burnett”

Thomas Kling, Carel Peeters, Hélène Cixous, Spalding Gray, Christy Brown, David Hare, Otto F. Walter, Ivy Compton-Burnett, Alifa Rifaat

De Duitse dichter en schrijver Thomas Kling werd geboren op 5 juni 1957 in Bingen. Zie ook mijn blog van 5 juni 2006 en mijn blog van 5 juni 2007 en ook mijn blog van 5 juni 2008 en ook mijn blog van 5 juni 2009.

 

 

Kriegsbeginn: Actaeon 1, Nach Pound
(für Ute Langanky)

Ein bild der Lethe,
und den feldern
Voll stumpfen lichts,
doch golden,
Graue kliffs,
und unter ihnen
Ein meer
Strenger als granit,
unruhig, niemals aufgebend;
Hohe gestalten
mit den gesten von göttern,
Gefährliche aussichten;
Und einer sagte:
»Das ist Actaeon.«
Actaeon mit den beinschienen von gold!
Über helle wiesen,
Übers überlegene gesicht dieses felds,
Unruhig, immer in bewegung,
Heere eines antiken volks,
Das stumme gefolge.

 

 

 

Actaeon 2
(für Mauritius Wenner)

so wird die akte Actaeons geschlossen. an einem fluß.
ein schlechtgetarnter und ertappter voyeur, der haar
und haut der badenden genau betrachtet hat. ihr pfiff:

schon springen Actaeon die eigenen hunde an, die haben
ihn sofort an hals und gurgel. es geht dann alles superschnell:
die linse eingespritzt, nicht nur mit speichel. hundegeifer

hat im nu dem seinen körper überzogen. gebisse, risse
gehen durch den Actaeon; die beinah stumme männer-
gurgel. so ohne körper, ohne strom; dabei beguckt: der

löst, als hirschenschrei, sich auf: die blicktransfusionen,
die nichts nützen können; kann, mit neuen, lauten augen,
Actaeon sehen die augen der frau? schweigsame  augen.

ohne lust. es mag die meute ihren Actaeon! wie sie sein
hirschfleisch lieben, seine augenkamera! und hören nicht
auf ihre namen so wird die akte Actaeon geschlossen.

 

 

thomas_kling

Thomas Kling (5 juni 1957 – 1 april 2005)

 

 

 

De Nederlandse literair criticus Carel Peeters werd geboren in Nijmegen op 5 juni 1944. Zie ook mijn blog van 5 juni 2009.

 

Uit: De jaloezie van de tijd. A.F.TH. van der Heijden

 

„Het is met De tandeloze tijd als met die andere ambitieuze cycli, Prousts A la Recherche du Temps Perdu en La Comédie Humaine van Balzac: het zijn alle drie zulke ruime titels dat er meerdere delen in kunnen zwemmen. De tandeloze tijd is van de drie misschien wel het minst eenduidig en het suggestiefst, op zoveel manieren blijkt hij te kunnen worden uitgelegd. De eerste associatie bij zo’n titel is de voor de hand liggendste. Wat bij De tandeloze tijd verschijnt is het laatste kwart van de twintigste eeuw, onze eigen tijd, gebed in het dons van welvaart en verzorging. Zo’n eerste associatie is veelzeggend: blijkbaar is er maar al te zeer reden voor en er zijn kennelijk genoeg verschijnselen die deze tijd tandeloos maken. Maar associaties kunnen bedrieglijk zijn, het zijn niet zelden alleen maar luie impressies. Al komen ze nooit helemaal uit de lucht vallen, ze zijn soms gemakzuchtig en gauw tevreden. In het geval van De tandeloze tijd gaat het bij die eerste associatie om een soort poëzie die van bepaalde slagwoorden (verzorgingsstaat, welvaartsstaat, restauratie, post-modern relativisme) een goedklinkende som maakt (‘een tandeloze tijd’). Zoveel poëzie is alleen mogelijk wanneer andere verschijnselen worden weggedrukt die wel degelijk in het bezit zijn van tanden (ongebreidelde verzakelijking, profijtbeginsel, carrièrezucht, yuppiedom, patserig individualisme).

De titel van Van der Heijdens romancyclus is een vrijmoedige interpretatie. Het bevat een vruchtbare spanning die gedachten in beweging kan zetten, zodat de vraag kan opkomen: is dat van die tandeloosheid wel helemaal zo? Wanneer de periodiek drankzuchtige advocaat Quispel in Advocaat van de hanen zegt dat de wereld haar smaak heeft verloren, en dat niets ‘restte om nog de tanden in te zetten’ dan is de vraag of we hier niet te maken hebben met zijn geblaseerdheid en tandeloosheid, en niet van de tijd waarin hij leeft.“

 

Carel_Peeters

Carel Peeters (Nijmegen, 5 juni 1944)

 

 

 

De Franse feministische schrijfster, dichteres, professor, filosoof, literair criticus en historica Hélène Cixous werd geboren in Oran, Algerije, op 5 juni 1937. Ze heeft een Duitse, Asjkenazisch-Joodse moeder en een Algerijns, Sefardisch-Joodse vader. In 1957 kreeg ze haar agrégation in Engels en 1968 werd ze doctorandus in de letterkunde. Zij richtte zich toen vooral op Engelse literatuur en de werken van James Joyce. In 1969 publiceerde Cixous L’Exil de James Joyce ou l’Art du remplacement, het jaar daarop Dedans, een gedeeltelijk autobiografische roman. Cixous kreeg voor Dedans de Prix Médicis. Zij publiceerde veel, waaronder drieëntwintig gedichtbundels, zes essays, vijf toneelstukken en veel invloedrijke artikelen. Samen met Luce Irigaray en Julia Kristeva, wordt Hélène Cixous gezien als een van de moeders van de poststructuralistische feministische theorie. Sinds de jaren 90, hebben ze samen grote invloed gehad op het Franse feminisme en de feministische psychoanalyse. In 1975 publiceerde Cixous haar meest invloedrijke artikel: Le rire de la Meduse.

 

Uit: Voiles

 

„La myopie était sa faute, sa laisse, son voile natal imperceptible. Chose étrange, elle voyait qu’elle ne voyait pas, mais elle ne voyait pas bien. Chaque jour il y avait refus, mais qui pouvait dire d’où partait le refus : qui se refusait, était-ce le monde ou elle ? Elle était de cette race obscure subreptice qui va désemparée devant le grand tableau du monde, toute la journée en posture d’aveu : je ne vois pas le nom de la rue, je ne vois pas le visage, je ne vois pas la porte, je ne vois pas venir et c’est moi qui ne vois pas ce que je devrais voir. Elle avait des yeux et elle était aveugle.

Elle devait passer tous les jours au large du château. L’aide venait de la statue de Jeanne d’Arc. La grande femme en or brandissait sa lance flamboyante et lui montrait la direction du château. En suivant l’indication d’or elle finissait par y arriver. Jusqu’au jour où. Un matin sur la place il n’y avait rien. La statue n’était pas là. Il n’y avait pas trace de château. À la place du saint cheval une pénombre mondiale. Tout était perdu. Chaque pas augmenterait l’égarement. Elle resta pétrifiée, privée de l’aide de sa statue. Elle se vit arrêtée au sein de l’invisible. De toutes parts elle voyait ce rien pâle sans limites, c’était comme si par un faux pas elle était entrée vivante chez la mort. L’ici néant durait, et personne. Elle saisie, tombée debout dans l’étendue insondable d’un voile, et voilà tout ce qui restait de la ville et du temps. La catastrophe s’était produite en silence.

Et maintenant qui était-elle ? Seule. Un petit clou de travers dans l’intervalle.

Plus tard dans l’intervalle quelqu’un abruptement surgi du rien lui affirma que les choses n’avaient pas fui du tout. Elles étaient à leur place assurément. Ainsi c’était elle qui ne voyait pas la statue ni le château ni les rebords du monde ni l’autobus ? Une voilette de brume avait eu raison des existences à ses pauvres yeux crédules. La grande statue d’or n’avait pas résisté. Ce fut sa première apocalypse. La ville perdit de sa solidité.“

 

 

helene_cixous

Hélène Cixous (Oran, 5 juni 1937)

 

 

 

De Amerikaanse schrijver en acteur Spalding Gray werd geboren op 5 juni 1941 in Barrington, Rhode Island.

 

Uit: Life Interrupted

 

We were invited to the Scanlon estate. John Scanlon was a publicist, a very big one, in all senses of the word. He was a publicist for Bill Clinton, actually, during the Monica Lewinsky scandal, and he had this huge house in Ireland that he was inviting a group of us over to for this birthday bash. He was a big gourmand, and he perished in front of the TV after a big meal just two weeks before we were supposed to go, just died. His wife said, “Come on over anyway, John would have loved it.”

So over we went, in spite of his death, about twelve of us, five children — my niece, my stepdaughter, and my two sons, and Tara Newman’s son — and the rest adults, and the house was big enough to accommodate that without any confusion. I have to say that this place, exquisite stone manor that it was, reminded me a little bit of The Shining. It was disconcerting, actually. It was set right in the middle of these woods and fields, and the kids went running in the fields with no fear of deer ticks for the first time in a long time. The woods looked like Harry Potter woods; they were very old, it was about twelve acres of land, and all very spooky. It was in the town of Mort, which was even more of a spooky name, in the county of Offaly. O-f-f-a-l-y.

We arrived on the longest day of the year, June 21, 2001, and all went to celebrate with a treasure hunt. In the morning, the following day, the next-longest day of the year, Barbara Leary was down in the kitchen — Barbara Leary was the ex-wife of Timothy Leary and she was one of the guests there — and I was talking with her and she said that she’d dreamt that I’d done a new monologue, and I said, “No, there’s nothing on the table, really, nothing new. My life is without crisis and usually they’re based on crisis, and I don’t have anything planned at all. Things are going smoothly.”

 

spalding_gray

Spalding Gray (5 juni 1941 – 10 januari 2004)

 

 

 

De Ierse dichter, schrijver en schilder Christy Brown werd geboren op 5 juni 1932 in Dublin.

 

What Her absence Means

 

It means

no madcap delight will intrude

into the calm flow of my working hours

no ecstatic errors perple

my literary pretensions.

 

It means

there will be time enough for thought

undistracted by brown peril of eye

and measured litany of routine deeds

undone by the ghost of a scent.

 

It means

my neglect of the Sonnets will cease

and Homer come into battle once more.

I might even find turgid old Tennyson

less of a dead loss now.

 

It means

there will be whole days to spare

for things important to a man –

like learning to live without a woman

without altogether losing one’s mind.

 

It means

there is no one now to read my latest poem

with veiled unhurried eyes

putting my nerves on the feline rack

in silence sheer she-devil hell for me.

 

It means

there is no silly woman to tell me

‘Take it easy – lie’s long anyway –

don’t drink too much – get plenty of sleep -‘ and other tremendous cliches.

 

It means

I am less interrupted now with love.

 

 

 brownchristy

Christy Brown (5 juni 1932 – 6 september 1981)

 

 

 

De Britse schrijver, dramaturg en regisseur David Hare werd geboren op 5 juni 1947 in Sussex.

 

Uit: David Hare’s ‘Stuff Happens’: All the President’s Men in ‘On the Road to Baghdad’

     (Bespreking door Ben Brantley in de New York Times, 14 april 2006)

 

„CONTRARY to what the American politicians of David Hare’s “Stuff Happens” might believe, bigger doesn’t always mean more powerful. The Public Theater’s invigorating new production of Mr. Hare’s journalistic drama about the road to war in Iraq, first mounted with epic proportions at the National Theater in London in 2004, is here conducted on the modest scale of a town-hall meeting. It is as if a telescope, first set up to be looked through at the wrong end, were now righted, changing not composition but perspective.

The characters, who include the sitting American president and British prime minister and many of their cabinet members, feel closer to the audience — not just physically but emotionally. Often, they seem less like destiny-shaping, arbitrary gods than like the ego-trippers in your office. If that means they are too close for comfort, then “Stuff Happens,” which opened last night under the smart, sharp direction of Daniel Sullivan, is doing its job.

Shrinkage may be the best thing that could have happened to Mr. Hare’s quasi-documentary play. When I saw it in London, on the immense stage of the Olivier auditorium at the National, directed by Nicholas Hytner, the play had the marmoreal quality of mythic events carved into a temple frieze.“

 

david-hare

David Hare (Sussex, 5 juni 1947)

 

 

 

De Zwitserse schrijver en uitgever Otto Friedrich Walter werd geboren op 5 juni 1928 in Rickenbach.

 

Uit: Wie wird Beton zu Gras? — Fast eine Liebesgeschichte

      (Bespreking door W. Martin Lüdke in Zeit- Online, 24 augustus 1979)

 

Nicht mehr Studenten sind es, Randgruppen, im bürgerlichen Sinn „Ausgefiippte”, die am Rande der Stadt (wie in der „Verwilderung”) und in den Randbereichen der Gesellschaft ohnehin, versuchen, neue, andere Lebensformen zu entwickeln, die es ihnen erlauben, auf eine humane Weise miteinander umzugehen. Zwar geht es auch in dieser Erzählung wieder um das „Neue” und um das „Mögliche” — gegen die etablierten Verhältnisse. Zwar ist auch hier wieder etwas von der Zartheit und Diskretion zu spüren, mit der Walter erzählen kann, und von der Sinnlichkeit auch. „Koni schaffte zum Lautsprecherwagen mitten auf der Parkwiese-^ Eben noch habe Nik dort gestanden. Koni ging dann weiter. Er kickte mit dem rechten Fuß einen leeren Papierbecher hinter seinem linken Absatz zur Seite. Esther mußte ein wenig lathen, als er plötzlich, schon zwölf Meter von ihr entfernt, den Handstand machte, ein bißchen auf den Händen weiterging” — hier kommt etwas von der fröhlichen Tollkühnheit durch, mit der die beiden am Ende ihren Panzer, Konis Panzer, durch die Stadt fahren, von der Tollkühnheit, mit der einmal die Macht der Phantasie gefordert wurde.

Die fast noch kindliche Unbeschwertheit der beiden Geschwister, die eher zufällig in die Demonstration geraten sind, ahnen allenfalls, worum es geht, und sind doch fasziniert von der Lebensweise, den Möglichkeiten des miteinander Umgehen s, die sie dabei erfahren, diese Unbekümmertheit läßt sie klare Alternativen erkennen, obwohl sie nur dumpf in sich spüren, wie da etwas ihren eigenen Bedürfnissen und Interessen, ihren Gefühlen entgegenkommt, was in der Welt, in der sie leben, ,.dem Alten”, keinen Platz hat. Ihre kindliche Zuversicht wird freilich, man muß sagen: in einem Lernprozeß auf eine harte Probe gestellt. Was „am 2. Juni in den Parkanlagen hinter der Friedenskirche in Ölten” beginnt, eine große Schweizer Demonstration gegen den Bau von Kernkraftwerken, hat Folgen.“

 

ottofwalter

Otto F. Walter (5 juni 1928 – 24 september 1994)

 

 

De Engelse schrijfster Ivy Compton-Burnett werd geboren op 5 juni 1884.

 

Uit: Schwarze Utopie (Bespreking van Männer und Frauen in Der Spiegel)

 

Sie reden fernab jeder Kindlichkeit: raffinierte Dialektiker, die wie Winkeladvokaten ihrer selbst argumentieren, um sich im Legitimationslabyrinth der Konversation zurechtzufinden. “Bist du taub?” beschimpft Horace seine älteste Tochter. “Wenn du jemanden taub nennst”, antwortet ein Sohn, “kannst du nicht von ihm erwarten, daß er hört: Dann kannst du ihm auch keinen Vorwurf machen.”

Etwas sanfter, dafür aber um so hinterhältiger wirkt die Gewalt der Konversations-Konventionen in dem früheren Roman “Männer und Frauen”. Hier wird eine Familie vorgeführt, die unter dem tyrannischen Diktat einer kränkelnden Mutter steht. Die versucht eines Tages, sich umzubringen; der Selbstmord mißlingt, dafür verfällt sie dem Wahnsinn und muß längere Zeit in einer Heilanstalt verbringen.

Gesund taucht sie dann wieder auf, um sich aufs neue störend in alles einzumischen. Dem setzt der älteste Sohn ein Ende, indem er seine Mutter vergiftet, ein Mord, der mit Erfolg vertuscht werden kann. Sir Godfrey, der Vater, träumt schon von einer neuen Ehe (mit einer Ehemaligen seines Sohnes), muß aber bei der Eröffnung des Testaments erfahren, daß er durch eine zweite Heirat seine Einkünfte verliert. Über diese unerwartete Rache seiner Frau ist er zunächst schockiert, aber nur für einen Moment. Denn sofort und fast automatisch beginnt er mit Umdeutungsübungen, die die Ereignisse und Gefühle wieder zurechtlegen sollen:

“Für mich ist es zu Ende mit den guten Dingen des Lebens. So ist es nur recht und billig, das gebe ich zu. Vermutlich dachte meine Frau, es sei mein innigster Wunsch, in der Vergangenheit zu leben. Sie wollte ihren Gatten behalten. Und das freut mich. Ich fühle mich erhoben und geschmeichelt. Was in meiner lieben Harriet vorgegangen ist, verstehe ich so gut, als hätte ich es mir selbst erklärt. Ja, ich kann sagen, sie hat es mir erklärt, nur daß ich kein Gedächtnis für solche Dinge habe.”

 

Ivy Compton Burnett

Ivy Compton-Burnett (5 juni 1884 – 27 augustus 1969)

 

 

 

Zie voor alle bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 5 juni 2009.

 

 

De Egyptische schrijfster Alifa Rifaat werd op 5 juni 1930 in Caïro geboren. Zie voor onderstaande schrijfster ookmijn blog van 5 juni 2007.

 

Uit: Distant View of a Minaret and Other Stories

 

In an instant between sleep and wakefulness, an instant outside the bounds of time, that gave the sensation of being eternal, the sounds of night, like slippery fishes passing through the mesh of a net, registered themselves on Zennouba’s hearing, filtering gradually into her awakening consciousness: the machine like croaking of frogs and the barking of dogs in the fields answered by the dogs of the village on the other bank in a never-ending exchange of information in some code language“.

 

cairo-citadel

Alifa Rifaat (5 juni 1930 – ? 1996)
Caïro, Citadel (geen portret beschikbaar)

 

 

 

Federico García Lorca, Adriaan Morriën, Ken Follett, Kristin Gore, Margaret Drabble, Thomas Kling, Carel Peeters, Ivy Compton-Burnett, David Hare, Otto F. Walter, Spalding Gray, Christy Brown

De Spaanse dichter en toneelschrijver Federico Garcia Lorca werd geboren op 5 juni 1898 in Fuente Vaqueros, Granada. Zie ook mijn blog van 5 juni 2006 en mijn blog van 5 juni 2007 en ook mijn blog van 5 juni 2008.

 

TWIST

                                Voor Rafael Méndez

 

In het midden van het ravijn

blinken als vissen

de messen uit Albacete,

mooi van vijandelijk bloed.

Een scherp kaartspellicht

knipt in het felle groen

onstuimige paarden

en ruiterprofielen uit.

In de kruin van een olijfboom

wenen twee oude vrouwen.

De stier van de twist

stormt tegen de muren op.

Zwarte engelen brachten

zakdoeken en sneeuwwater mee.

Engelen met grote vleugels

van messen uit Albacete.

Juan Antonio uit Montilla

rolt dood de helling af,

zijn lichaam vol irissen

en granaatappels op zijn slapen.

Nu bestijgt hij een kruis van vuur

op weg naar de dood.

 

Vergezeld van een guardia civil

komt de rechter langs de olijfgaarden.

Glibberig bloed kermt

sprakeloos slangenlied.

Heren van de guardia civil:

hier gebeurde het oude verhaal.

Vier Romeinen en vijf Carthagers

vonden hier de dood.

 

De avond dol van vijgenbomen

en van hitsige geluiden

bezwijmt op de gewonde

dijen van de ruiters.

En zwarte engelen vlogen

door de avondlucht.

Engelen met lange vlechten

en harten van olie.

 

 

 

SINT GABRIËL (Sevilla)

                          Voor D. Agustin Viñuales

 

I

 

Een knappe jongeling, rank als riet,

brede schouders, slanke taille,

huid van een nachtelijke appel,

droeve mond en grote ogen,

pezen van hitsig zilver,

doolt door de verlaten straat.

Zijn lakleren schoenen

vertrappen de dahlia’s van de wind,

op het dubbele ritme, het lied

van kort en hemels verdriet.

Langs de hele zeekust

staat geen palm die hem evenaart,

noch gekroonde keizer

noch rijzende ster.

Als hij zijn hoofd buigt

naar zijn borst van jaspis,

zoekt de nacht vlakten

om neer te knielen.

De gitaren klinken alleen

voor de Aartsengel Gabriël,

temmer van duifjes

en vijand van treurwilgen.

Sint Gabriël: het kindje weent

in de buik van zijn moeder.

Vergeet niet dat de zigeuners

jou je kledij schonken.

 

Annuntiata van de Wijzen,

sjofel gekleed maar uitverkoren,

opent de deur voor de ster

die voorbijkwam in haar straat.

De Aartsengel Sint Gabriël

tussen lelie en glimlach,

achterkleinkind van de Giralda,

bracht haar een bezoek.

In zijn geborduurde vest

trillen verborgen krekels.

De sterren van de nacht

veranderden in klokbloemen.

Sint Gabriël: Ziehier

drie nagels van vreugde.

Je schittering opent jasmijnen

op mijn gloeiend gezicht.

God zegent je, Annuntiata.

Verrukkelijke Moriaanse.

Je zal een zoon baren mooier

dan de halmen van de wind.

O, Sint Gabriël, mijn oogappel!

Mijn allerliefste Gabriël!

Je neer te zetten op een stoel

van anjers, dat is mijn droom.

God zegent je, Annuntiata,

sjofel gekleed maar uitverkoren.

Op zijn borst zal je zoon

een maanvlek en drie wonden dragen.

O, Sint Gabriël wat schitter je!

Liefste Gabriël van mijn hart!

Diep in mijn borsten

welt al de lauwe melk.

God zegent je, Annuntiata.

Moeder van honderd koningshuizen.

Dor fonkelen je ogen,

als ruiterlandschappen.

 

Het kindje zingt in de schoot

van de verbaasde Annunciata.

Drie groene amandelkogels

trillen in zijn stemmetje.

 

Sint Gabriël klom al

op een ladder ten hemel.

De sterren van de nacht

veranderden in immortellen.

 

 

Vertaald door Gaston D’Haese

 

 

Lorca

Federico García Lorca (5 juni 1898 – 19 augustus 1936)

Portret door José Bello

 

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Adriaan Morriën werd geboren op 5 juni 1912 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 7 juni 2006 en ook mijn blog van 5 juni 2007 en ook mijn blog van 5 juni 2008.

 

 

Dag en nacht

 

Mijn moeder was een dagpauwoog

en vloog mijn vader veel te hoog.

Hij tastte radeloos naar haar

maar troostte zich met dat gebaar.

 

Met zulke ogen in ’t gezicht

was zij te donker voor zijn licht,

te teer voor zijn hardhandigheid

en er door niets op voorbereid.

 

Hij brak haar zonder dat hij ’t wilde,

uit liefde die geen liefde stilde,

zodat zij neerstreek, nooit meer vloog,

nog altijd mooi: een nachtpauwoog.

 

 

 

Landelijke liefde

 

Twee paarden bij een hek, terwijl het avond wordt.

De zware koppen naast elkaar, de schouders elkaar strelend,

een liefde even smekend als bevelend,

in een tevreden stilstand uitgestort.

 

Zo te beminnen met een lange hals vol manen,

een brede borst die op voorpoten rust,

terwijl het hele lichaam kust en wordt gekust

en ’t zonlicht valt in een geluk vol tranen.

 

 

 

Oorlog en vrede

 

De oorlog had iets vredigs zoals ook de vrede

op oorlog lijkt die niet wordt uitgestreden:

in Rotterdam wordt nog gevochten maar in Sloot

gaat iemand aan een andere ziekte dood.

 

Terwijl een machteloze wordt gemarteld

glimlacht de moeder tegen ’t kind dat tegenspartelt

a
ls het gezoogd, gewassen en gestreeld

tussen de ouders wordt verdeeld.

 

 

Morrien3

Adriaan Morriën (5 juni 1912 – 7 juni 2002)

 

De Engelse schrijver Ken Follett werd geboren op 5 juni 1949 in Cardiff, Wales. Zie  Zie ook mijn blog van 5 juni 2007 en ook mijn blog van 5 juni 2008.

 

Uit: The Pillars of the Earth

 

In a broad valley, at the foot of a sloping hillside, beside a clear bubbling stream, Tom was building a house.

The walls were already three feet high and rising fast. The two masons Tom had engaged were working steadily in the sunshine, their trowels going scrape, slap and then tap, tap while their labourer sweated under the weight of the big stone blocks. Tom’s son Alfred was mixing mortar, counting aloud as he scooped sand on to a board. There was also a carpenter, working at the bench beside Tom, carefully shaping a length of beech-wood with an adze.

Alfred was fourteen years old, and tall like Tom. Tom was a head higher than most men, and Alfred was only a couple of inches less, and still growing. They looked alike, too: both had light brown hair and greenish eyes with brown flecks. People said they were a handsome pair. The main difference between them was that Tom had a curly brown beard, whereas Alfred had only a fine blond fluff. The hair on Alfred’s head had been that colour once, Tom remembered fondly. Now that Alfred was becoming a man, Tom wished he would take a more intelligent interest in his work, for he had a lot to learn if he was to be a mason like his father; but so far Alfred remained bored and baffled by the principles of building.“

 

 

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Ken Follett (Cardiff, 5 juni 1949)

 

De Amerikaanse schrijfster Kristin Carlson Gore werd geboren op 5 juni 1977 in  Carthage, Tennessee. Zij groeide op in Washington. In 1999 studeerde zij af aan de Harvard University, waar zij ook redacteur was geweest van de Harvard Lampoon. Gore schreef twee romans: Sammy’s Hill (2004) en Sammy’s House (2007). Kristin Gore is een dochter van de politicus Al Gore en diens vrouw Tipper.

 

Uit: Sammy’s House

 

„It was when she started stripping that everyone realized something was wrong. This was an official White House event. A somewhat boring, completely respectable cruise on the Potomac River to thank everyone in the West Wing for the hard work that had won the election. But it was no longer boring.

Until the woman whipped off her tailored black jacket to reveal a star-spangled bra and a surprisingly elaborate dragon tattoo, the only remarkable thing about this cruise was that it was nineteen months late. The celebratory boat ride had been promised long ago, in the first month of our new administration, but no one minded that the business of running the country had continuously delayed its actual launch. Victory was prize enough—who needed a cruise?

I tore my eyes away from the increasingly explicit show to scan the crowd for RG. He’d gone below deck to take a call from President Wye, and I was relieved that he still seemed to be there, unaware of these antics. He was the vice president, and as a member of the White House staff, one of my duties was to protect him from public embarrassment whenever possible. That job had become significantly harder in the last thirty seconds.“

 

 

KristinGore

Kristin Gore (Carthage, 5 juni 1977)

 

 

De Engelse schrijfster Margaret Drabble werd geboren op 5 juni 1939 in Sheffield, Yorkshire. Zie ook mijn blog van 5 juni 2007 en ook mijn blog van 5 juni 2008.

 

Uit: The Needle’s Eye

 

„HE STOOD THERE AND WAITED. He was good at that. There was no hurry. There was plenty of time. He always had time. He was a punctual and polite person, and that was why he was standing there, buying a gift for his hostess. Politeness was an emotion- could one call it an emotion, he wondered? that was how he regarded it, certainly-an emotion that he both feared and understood.

There was only one woman in front of him in the off-licence, and she was certainly in no hurry either. She had not even got round to asking for anything yet, because she was too busy telling the man behind the counter about her granddaughter. Two weeks old, this child was, and the lady had just finished knitting her a pram-cover in stripes of white and
blue: it didn’t matter that it was blue and not pink, the daughter had said, she didn’t like pink anyway. The man behind the counter was interested in the story: not merely polite, but interested. One can tell the difference. The woman was short and broad and she was wearing bedroom slippers. What raffish districts of London his friends inhabited: NW1, this was, with all its smart contrasts. They depressed him unbearably, the well-arranged gulfs and divisions of life, the frivolity with which his friends took in these contrasts, the pleasure they took in such abrasions. It appalled him, the complacency with which such friends would describe the advantages of living in a mixed area. As though they licenced seedy old ladies and black men to walk their streets, teaching their children of poverty and despair, as their pet hamsters and guinea pigs taught them of sex and death. He thought of these things, sadly.“

 

 

Margaret-Drabble

Margaret Drabble (Sheffield, 5 juni 1939)

 

De Duitse dichter en schrijver Thomas Kling werd geboren op 5 juni 1957 in Bingen. Zie ook mijn blog van 5 juni 2006 en mijn blog van 5 juni 2007 en ook mijn blog van 5 juni 2008.

 

 

provinz

längst nicht voller rätischer
mond. provinzmond den das
bild sich reinzieht; der reindringt
in nennenswertn geschwindig-
keitn.
++++anweisun` eines stummfilm-
regisseurs: knarren im lärchholz, ja-
gende dazujagende staffage von
nachtwolkndetails. nachtgletscher,
hintn, als “spülbrühe” in isabellem
cair-obscur. alles in raschester auf-
lösun` begriffn! art städteraugn-
blende; nichtgewohnt von solcher
wildn jagd. ich mein, wilder fuhre,
da di handelsstraße, alberbestand
der allee verstopft von a bis zett
daß di maschine vonnötn ist um
den einkauf zu schaffn. in der stadt
m. wo kurgast dr. benn sich am glas
festhielt (lodener kurstadtmond),
vorzeitn.

 

 

 

bläue

anläufe; anläufe, es ans laufn
zu kriegn; diese blindanläufe für
leitmotive, für handzeichn. reanimations-
versuche am themen-, am textkadaver wobei
di zungnspizze sichtbar wird: di helfer-
zungn zungnhelfer beim hantieren; dies
handfläche auf handrükkn pumpm pumpm bis
di rippm knakkn. helfershelferzungn. was
di leistn beim überm herzaas hantiern.
ein schaun, ein schau
m in di runde; ein
zukkn mittn schultern, mit den zungn in
stillem, ständig wiederkehrendem licht.

 

 

Kling

Thomas Kling (5 juni 1957 – 1 april 2005)

 

 

De Nederlandse literair criticus Carel Peeters werd geboren in Nijmegen op 5 juni 1944. Peeters groeide op in Nijmegen, tot hij op zijn 14e met zijn ouders naar Amsterdam verhuisde. Na de middelbare school te hebben gevolgd begon hij in 1964 Nederlandse taal en letterkunde te studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Tijdens zijn studie schreef hij voor Het Parool zijn eerste literaire kritieken. Peeters studeerde uiteindelijk niet af.Hij werkte vanaf 1970 bij Elsevier Magazine als assistent van Wim Zaal en stapte in 1973 over naar het weekblad Vrij Nederland, waar hij de boekenbijlage opzette. In 1982 kreeg hij voor deze bijlage de CPNB Prijs. In 1997-1998 was Peeters ad interim hoofdredacteur van Vrij Nederland.Daarnaast was Peeters van Van 1987 tot 1992 bijzonder hoogleraar in de literaire kritiek aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Voor zijn kritisch en essayistisch werk, en met name voor zijn essaybundel Houdbare illusies, werd Peeters in 1985 de Dr. Wijnaendts Francken-prijs toegekend. In 2008 ontving hij de vijfjaarlijkse Jacobson-prijs.

 

Uit: Voor en na Mystiek lichaam

 

Mystiek lichaam markeert de overgang van spel naar ernst in de literatuur, zonder dat ze er overigens zwaarwichtig door is geworden. De harde en onaangename vragen die Mystiek lichaam opwierp, en de aandacht die Kellendonk vestigde op de ‘klaarblijkelijke levensfeiten’, veroorzaakten zo’n schok omdat hij het ondubbelzinnig en met brille deed: stijlvast, onverschrokken en sarcastisch. Het was alsof dat soort vragen in de literatuur niet meer bestond voor hij ze stelde: de mogelijke metafysische dimensie van het leven, het aandeel van het kwaad in de wereld, de beschaving die al geruime tijd de verkeerde richting in zou gaan, schrijven als ‘oprecht veinzen’. Niet eens zozeer wát Kellendonk aan de orde stelde veroorzaakte die schok, maar de groteske ernst waarmee hij ermee voor de dag kwam: het was donderende ‘ideeënmuziek’ die de postmoderne roes van het radicale relativisme en de concentratie op het loutere formalisme doorbrak.

Mystiek lichaam kan de sfeer verklaren die romans als Hoffman’s honger van Leon de Winter en De beproeving van Doeschka Meijsing mogelijk heeft gemaakt: allebei romans die het l’art pour l’art definitief de rug toekeren, zo definitief dat Hoffman’s honger doorschiet en in al zijn virtuositeit een knieval doet voor het gemakkelijk leesbare verhaal, en zo vol woede dat De beproeving een roman van te veel grote woorden en pathetiek wordt in een poging om vooral het echte leven op te roepen. Dit zijn extreme reacties op het uitgespeelde spel van werkelijkheid

 

CarelPeeters

Carel Peeters (Nijmegen, 5 juni 1944)

 

De Engelse schrijfster Ivy Compton-Burnett werd geboren op 5 juni 1884. Zij groeide op in een groot gezin in Hove en Londen en was de dochter van een bekend homeopathisch arts. In 1911 verscheen haar eerste roman, Dolores, die weinig opzien baarde en waar zij zich later enigszins van distantieerde. Het succes kwam met haar tweede werk, Pastors and Masters (1925) dat goed ontvangen werd en zeer lovende kritieken oogstte. Haar verdere werken kenden dezelfde stijl: het beschrijven van veelal alledaagse, maar soms ook schokkende, gebeurtenissen in grote Edwardiaanse gezinnen. Haar schrijfstijl was sober en humoristisch. Opvallend in haar werk is, dat de verhalen grotendeels in dialoogvorm zijn geschreven. Verder maakt zij spaarzaam gebruik van interpunctie. In 1967 werd zij onderscheiden met de titel ‘Dame Commander’ in de Orde van het Britse Rijk.

 

Uit: The Present And The Past

 

“Oh, dear, oh, dear!” said Henry Clare.

His sister glanced in his direction.

“They are pecking the sick one. They are angry because it is ill.”

“Perhaps it is because they are anxious,” said Megan, looking at the hens in the hope of discerning this feeling.

“It will soon be dead,” said Henry, sitting on a log with his hands on his knees. “It must be having death- pangs now.”

Another member of the family was giving his attention to the fowls. He was earnestly thrusting cake through the wire for their entertainment. When he dropped a piece he picked it up and put it into his own mouth, as though it had been rendered unfit for poultry’s consumption. His elders appeared to view his attitude either in indifference or sympathy.

“What are death-pangs like?” said Henry, in another tone.

“I don’t know,” said his sister, keeping her eyes from the sufferer of them. “And I don’t think the hen is having them. It seems not to know anything.”

Henry was a tall, solid boy of eight, with rough, dark hair, pale, wide eyes, formless, infantine features, and something vulnerable about him that seemed inconsistent with himself.“

 

 

comptonburnett

Ivy Compton-Burnett (5 juni 1884 – 27 augustus 1969)

 

De Britse schrijver, dramaturg en regisseur David Hare werd geboren op 5 juni 1947 in Sussex. Hare behaalde zijn ‘masters degree’ in Cambridge in 1968 en stichtte nog datzelfde jaar een experimenteel reizend gezelschap.  Nadat hij enkele producties regisseerde begon hij al spoedig zelf stukken voor het gezelschap te schrijven, zoals How Brophy Made Good (1969).  Met Slag (1970), The Great Exhibition (1972), en Knuckle (1974), bevestigde Hare zijn talent als toneelauteur en geducht criticus van de Britse moraal. Teeth ‘n’ Smiles (1975) schilderde het milieu van rockmuzikanten.

Het alom geprezen Plenty (1978) beschrijft de aftakelende persoonlijkheid van een vrouw over een periode van 20 jaar: een metafoor voor het verval van het Britse Rijk na WO II.  Hare schreef tevens meerdere stukken voor de televisie en regisseerde ook nog de films Wetherby (1985) en Strapless (1989). Hij regisseerde ook tijdens de jaren ’70s en ’80 nog in meerdere Londense theaters. Hare werd geridderd in 1998.

 

Uit: Obedience, Struggle and Revolt

 

“To give you the idea: I’ve noticed, among my friends and acquaintances, that I am, for some reason, one of the few people who positively looks forward to the speeches at weddings. I’d go further. For me, they’re the best part. Perhaps you may think me a cold fish when I admit that I have sometimes watched unmoved as t
he ring was slipped onto the finger, or as the first kiss was taken. (Priests always seem to be saying ‘Not yet.’) But I have never failed to feel a thrill of genuine anticipation when someone calls for silence and rolls out the magic words: ‘Unaccustomed as I am to public speaking’. In one heart at least, the announcement does not cause a sinking. Far from it. Part of my interest is clearly professional. I am, after all, a playwright, and there is nothing more revealing of character than when a proud father or a jealous ex-lover acting as best man is forced to rise to their feet and ‘offer a few words’. Yes, life is theatre, and the rituals which make private matters public are specially delicious. But I also love the prospect that, for once, somebody’s spool is going to be allowed to run and run. Mark it down as optimism, but I cannot help feeling — at least before they speak — that the longer someone goes on, the more you are likely to learn.”

 

david_hare

David Hare (Sussex, 5 juni 1947)

 

De zwitserse schrijver en uitgever Otto Friedrich Walter werd geboren op 5 juni 1928 in Rickenbach. Hij volgde een opleiding tot boekhandelaar in Zürich. Vanaf 1951 was hij secretaris en lector bij de Jakob Hegner Verlag. Vanaf 1956 was hij bij de Walter Verlag verantwoordelijke voor het literaire programma waarin schrijvers als Alfred Andersch, Helmut Heißenbüttel en Peter Bichsel uitgegeven werden. In 1969 kreeg hij de leiding over de Luchterhand Literaturverlag. Vanag 1982 werkte hij uitsluitend nog als zelfstandig schrijver.

 

Uit: Der Stumme

 

“Stummer, fuhr Breitenstein fort, wie ist das. Du hast’s ge- gehört. Klar? Gehört, und das Gericht will das wissen. Das Gericht will wissen, wo du dieses Kanisterpaket versteckt hast. Los, zeigen. …
Karbidlichtschlagschatten auf der linken Hälfte, und mit einem Schlag wusste Loth wieder, ein einziges Wort würde genügen, nur eines, und diese riesige Entfernung zwischen ihm und dem Mann dort, seinem Vater, würde nicht mehr sein, sie könnten zusammensein, und zusammen könnten sie alles aushalten. Aber seine Zunge kam aus ihren Klammern dahinten nicht los, so sehr sie sich spannte und hinter seinen Zähnen sich aufwölbte: nichts ausser diesem Lalllgeräusch, das keiner vernahm. Nein, und er schüttelte den Kopf. Er schüttelte ihn und kam wieder zu Breitenstein und den andern zurück, und Filippis sagte scharf: Stummer, du lügst. Du weisst es. Wo ist er! …
Da wusste Loth noch etwas anderes: dass es für ihn und dass es für den Vater zu spät war. Sie waren jetzt beide allein. Jeder für sich. Und es war ihm, als sei nun nicht mehr nur diese Sache mit dem Benzinkanister wichtig.”

 

 

otto_f_walter

Otto F. Walter (5 juni 1928 – 24 september 1994)

 

De Amerikaanse schrijver en acteur Spalding Gray werd geboren op 5 juni 1941 in Barrington, Rhode Island. Na wat kleinere rollen in films werd hij beroemd met Swimming to Cambodia, de filmversie van zijn theatermonologen over zijn ervaringen bij het draaien van The Killing Fields in 1984. Begin jaren negentig publiceerde hij zijn eerste korte verhaal Impossible Vacation. In 2001 raakte hij ernstig verwond bij een auto-ongeluk. In januari 2004 werd hij als vermist opgegeven en in maart werd zijn lichaam geborgen uit de East River. Gezien zijn depressies t.g.v. het ongeluk ging men uit van zelfmoord.

 

Uit: Life Interrupted

 

„Then there was a surprise. About two weeks after that, Kathie, my wife, gave me a present of a trip to Ireland for the whole family. Kathie’s always coming up with these crazy trips. I remember she took us to the Ice Hotel up in Quebec City where you pay three hundred dollars a night to sleep on a block of ice. So Ireland was cushy. It was a rainy version of the Ice Hotel, I suppose. A little more whimsical, and rainy, and not frozen. I’d been six times before and wanted to go back. It made me laugh in a way that the United States doesn’t. We had rainy times but good times. In spite of the rain it was
a jolly place. I can remember Kathie and me riding bikes in the rain for hours and then coming upon this Irishman leaning against his bicycle with a golf hat on or whatever they wear, and he said, “How are you doing?” I said, “It’s just awful weather, it’s just awful,” and he said, “No, it’s not. It hasn’t gotten cold yet.”

So I like them; they’re optimistic and philosophical. They’re not industrialized, really –there was no industrial revolution — so they drive pretty haphazardly. They don’t have a great relationship to machinery, to say the least. There’s a lot of banging around and the roads are very narrow, and they just get in their cars and go, you know they just put the pedal to the metal and they’re going everywhere, in all directions.“

 

 

spaldinggray

Spalding Gray (5 juni 1941 – 10 januari 2004)

 

De Ierse dichter, schrijver en schilder Christy Brown werd geboren op 5 juni 1932 in Dublin. Hij was het tiende van 22 kinderen en groeide in armoede op. Ook leed hij aan athetose en kon alleen zijn linker voet gecontrolleerd bewegen. Zijn moeder stimuleerde hem echter zodanig dat hij zich niet alleen verstaanbaar kon maken, maar ook ging tekenen en schrijven. In 1954 verscheen zijn debuut My Left Foot dat in 1989 verfild werd met Daniel Day-Lewis in de hoofdrol.

 

 

Sunday Visit

 

We finally found him

curled up in the chair like a many-wrinkled shell

staring blindly out at nothing

among a gathering of imbecilic fossils

his one good eye fastening fiercely onto life

the hair still sturdy though silver under the old cloth cap.

 

We finally found him

through all that terrible labyrinth of grey concrete cells

quietly rounding out his days

alone in a morass of moronic camaraderie

his doomed cellmates snoozing and snoring all around

and he with his one good eye defying the shadows.

 

The tears came then

not soft, but real

the tears of a real man broken by life

groping wildly with gnarled fingers at the straws of life

in that awful room of no life

and the television set blaring forth its banalities

drowning whatever words of comfort our futile tongues could offer.

 

I had no words for him

no words to span the heartbreak of years

when Samson-like he had stood between us and chaos

bringing to us the small rare trinkets of his love.

I had for him only whiskey

the old bitter gift

the poor tribute of one poorer i
n spirit

than that jaded near-blind half-deaf soul reclining so tamely

in a wicker chair

in a ward of fearful paralysing resignation

a ward full of already dead people

sleeping as the television blared.

 

Yet the hand that gripped mine spelled out love

and the raw lovely courage of that old landscaped face

put my feeble pity to shame.

 

 

christy-brown

Christy Brown (5 juni 1932 – 6 september 1981)

Met zijn moeder

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijfster ook mijn blog van 5 juni 2007.

De Egyptische schrijfster Alifa Rifaat werd op 5 juni 1930 in Caïro geboren.