K. Schippers, Nelleke Noordervliet, Colson Whitehead, Michael Cunningham, Robert Musil, Bea Vianen, Bert Vanheste, Bodenski, Johannes Petrus Hasebroek

De Nederlandse dichter, schrijver, essayist en kunstcriticus K. Schippers, pseudoniem van Gerard Stigter, werd geboren in Amsterdam op 6 november 1936. Zie ook alle tags voor K. Schippers op dit blog.

Algemene taal na klap

Geef een Fransman, een Engelsman
een klap met een houten hamer
en luister
of geluid
nog met landstaal
in verband gebracht kan worden

Indien klap hard
daarna vergelijken:
het geluid van een slapende Fransman
het geluid van een slapende Engelsman

Universele grammatica en fonetiek
van slaapgeluiden zonder woorden

 

Huid

Een doos of vaas kan zich
geen beeld van iets anders vormen.

Zij zijn alleen een deel van een
omgeving voor een mens of dier.

Zelf vallen zij samen met hun huid
van steen, karton of een ander

materiaal. Zij kunnen nooit een
uitbreiding ervaren. Voorwerpen

zijn gedompeld in een afzondering
die nooit kan worden opgeheven.

Er is niets dan zij.

 

Opening van het visseizoen

Eindelijk buiten.
Water is water.
Riet is riet.
Een eend lijkt op een eend.

Maar nu begint mijn vader (62) weer.

Hij noemt waterhoentjes strijkbouten
en vindt dat de maan
ondergaat
als de
zon.

 
K. Schippers (Amsterdam, 6 november 1936)

Doorgaan met het lezen van “K. Schippers, Nelleke Noordervliet, Colson Whitehead, Michael Cunningham, Robert Musil, Bea Vianen, Bert Vanheste, Bodenski, Johannes Petrus Hasebroek”

Bodenski, Johannes Petrus Hasebroek, James Jones, Galaktion Tabidze, Jonas Lie, Johannes Jörgensen

De Duitse dichter, componist en musicus Bodenski (eig. Michael Boden) werd geboren op 6 november 1965 in Potsdam. Zie ook alle tags voor Bodenski op dit blog en ook mijn blog van 6 november 2010

Traum Vom Tod

Ich hab heut Nacht vom Tod geträumt
Er stand auf allen Wegen
Er winkte und er rief nach mir so laut
Er sprach mein Leben sei verwirkt
Ich sollt mich zu ihm legen
Ein frühes Grab sei längst für mich gebaut

Ich floh soweit das Land mich trug
Soweit die Vögel fliegen
Doch mir zur Seite spürte ich den Tod
Sein Schatten folgte meiner Spur
Ich sah ihn bei mir liegen
Und seine Hände waren blutig rot

Da wußte ich es weht der Wind
Und Regen fällt hernieder
Auch wenn schon längst kein Hahn mehr nach mir kräht
Weil ich schon längst vergessen bin
Singt man mir keine Lieder
Nur Unkraut grünt und blüht auf jedem Feld

Ich hab heut Nacht vom Tod geträumt
Es gibt kein ewig Leben
Für Mensch und Tier und Halm und Strauch und Baum

… das war mein Trau

 
Bodenski (Potsdam, 6 november 1965)

Doorgaan met het lezen van “Bodenski, Johannes Petrus Hasebroek, James Jones, Galaktion Tabidze, Jonas Lie, Johannes Jörgensen”

K. Schippers, Michael Cunningham, Robert Musil, Nelleke Noordervliet, Bea Vianen, Bert Vanheste, Bodenski, Johannes Petrus Hasebroek

De Nederlandse dichter, schrijver, essayist en kunstcriticus K. Schippers, pseudoniem van Gerard Stigter, werd geboren in Amsterdam op 6 november 1936. Zie ook alle tags voor K. Schippers op dit blog.

De plantjes water geven

Het huis van een kennis,
die met vakantie is,
leeg halen.

De schilderijen, meubels,
tapijten, kachels, het servies,
grammofoonplaten, kleding, spiegels
en ander huisgerei
fotograferen en op
ware grootte afdrukken.

De gefotografeerde dingen
eventueel met een
standaard in de rug
– denk aan de meubels –
weer op hun oude
plaats terugzetten.

Messen en vorken hebben
geen standaard nodig,
komen gewoon in de
gefotografeerd bak
(het zoutvaatje een
kleine standaard).

Bij zijn thuiskomst
zit wat de bewoner
in het buitenland
de laatste weken zag,
ontwikkeld door een
plaatselijk fotograaf,
plat in een reistas.

 

No, no Nanette

Tea for two heeft voor de oorlog
iets voor mijn vader gedaan.
En ook voor mij.
Hij liep langzaam om
het langer uit een huis
te kunnen horen
en miste zo lijn 2.
In de volgende zat mijn moeder.

 
K. Schippers (Amsterdam, 6 november 1936)

Doorgaan met het lezen van “K. Schippers, Michael Cunningham, Robert Musil, Nelleke Noordervliet, Bea Vianen, Bert Vanheste, Bodenski, Johannes Petrus Hasebroek”

Michael Cunningham, Robert Musil, Nelleke Noordervliet, Bea Vianen, Bert Vanheste, Bodenski

De Amerikaanse schrijver Michael Cunningham is geboren in Cincinnati, Ohio op 6 november 1952. Zie ook mijn blog van 6 november 2010 en eveneens alle tags voor Michael Cunningham op dit blog.

Uit:The Snow Queen

“A celestial light appeared to Barrett Meeks in the sky over Central Park, four days after Barrett had been mauled, once again, by love. It was by no means his first romantic dropkick, but it was the first to have been conveyed by way of a five-line text, the fifth line of which was a crushingly corporate wish for good luck in the future, followed by three lowercase xxx’s.
During the past four days, Barrett had been doing his best to remain undiscouraged by what seemed, lately, to be a series of progressively terse and tepid breakups. In his twenties, love had usually ended in fits of weeping, in shouts loud enough to set off the neighbors’ dogs. On one occasion, he and his soon-to-be-ex had fought with their fists (Barrett can still hear the table tipping over, the sound the pepper mill made as it rolled lopsidedly across the floorboards). On another: a shouting match on Barrow Street, a bottle shattered (the words “falling in love” still suggest, to Barrett, green glass shards on a sidewalk under a streetlamp), and the voice of an old woman, neither shrill nor scolding, emanating from some low dark window, saying, simply, “Don’t you boys understand that people live here, people are trying to sleep,” like the voice of an exhausted mother.
As Barrett moved into his mid-, and then late, thirties, though, the partings increasingly tended to resemble business negotiations. They were not devoid of sorrow and accusation, but they had without question become less hysterical. They’d come to resemble deals and investments that had, unfortunately, gone wrong, despite early promises of solid returns.
This last parting, however, was his first to be conveyed by text, the farewell appearing, uninvited, unanticipated, on a screen no bigger than a bar of hotel soap. Hi Barrett I guess u know what this is about. Hey we gave it our best shot right?”

 
Michael Cunningham (Cincinnati, 6 november 1952)

Doorgaan met het lezen van “Michael Cunningham, Robert Musil, Nelleke Noordervliet, Bea Vianen, Bert Vanheste, Bodenski”

Bodenski, James Jones, Galaktion Tabidze, Jonas Lie, Johannes Jörgensen

De Duitse dichter, componist en musicus Bodenski (eig. Michael Boden) werd geboren op 6 november 1965 in Potsdam. Zie ook mijn blog van 6 november 2008 en ook mijn blog van 6 november 2010

 

Ein Baum

Ich schneide mir das Haar nicht mehr,
horch wie mir Blätter treiben.
Der Wald pflanzt Hölzer in mein Herz,
ich streck die Arme himmelwärts,
um immer hier zu bleiben.

Die Nägel senken sich hinein
ins Reich der Mutter Erde.
Schon krümmt und bricht sich mir die Haut,
hab Sand und Steine viel verdaut,
dass ich so müde werde.

Ein Baum, mit Käfern im Gesicht,
mit Moos in meinem Haar,
die Haut so hart wie Stein.

Durch meine Finger geht der Wind,
war`s gestern, war es heute.
Den Winter lang werd ich nicht wach,
ein Specht klopft an mein Schädeldach
und hofft auf fette Beute.

Mein Haupt wird grün, der Sommer kommt
mit Tautropfen und Regen.
Ein Zittern geht durch meinen Stamm,
ich hör sie schon, sie kommen an
die Männer mit den Sägen.

Ein Baum, mit Käfern im Gesicht
mit Moos in meinem Haar,
die Haut so hart wie Stein.


Bodenski (Potsdam, 6 november 1965)

Doorgaan met het lezen van “Bodenski, James Jones, Galaktion Tabidze, Jonas Lie, Johannes Jörgensen”

Robert Musil, Michael Cunningham, Nelleke Noordervliet, Bea Vianen, Bert Vanheste, Bodenski, James Jones, Galaktion Tabidze, Johannes Jørgensen, Jonas Lie

De Oostenrijkse schrijver Robert Musil werd geboren op 6 november 1880 in Klagenfurt. Zie ook mijn blog van 6 november 2006 en ook mijn blog van 6 november 2007 en ook mijn blog van 6 november 2008 en ook mijn blog van 6 november 2009.

Uit: Der Mann ohne Eigenschaften (Hoofdstuk 40)

„Ebensowenig konnte er Abenteurer werden, obgleich da das Leben etwas von einer immerwährenden Brautzeit haben mochte und seine Glieder wie sein Mut diese Lust spürten. Er hatte weder Dichter werden können noch einer von den Enttäuschten, die nur an Geld und Gewalt glaubten, obgleich er zu all dem eine Anlage hatte. Er vergass sein Alter, er stellte sich vor, er wäre zwanzig: trotzdem war es innerlich so entschieden, dass er davon nichts werden konnte; zu allem, was es gab, zog ihn etwas hin, und etwas Stärkeres liess ihn nicht dazu kommen. Warum lebte er also unklar und unentschieden? Ohne Zweifel, – sagte er sich – was ihn in eine abgeschiedene und unbenannte Daseinsform bannte, war nicht der Zwang zu jenem Lösen und Binden der Welt, das man mit einem Wort, dem man nicht gerne allein begegnet, Geist nennt.

Und Ulrich wusste selbst nicht warum, aber er wurde mit einemmal traurig und dachte: “Ich liebe mich einfach selbst nicht.” In dem erfrorenen, versteinerten Körper der Stadt fühlte er ganz zu innerst sein Herz schlagen. Da war etwas in ihm, das hatte niergends bleiben wollen, hatte sich die Wände der Welt entlang gefühlt und gedacht, es gibt ja noch Millionen anderer Wände; dieser langsam erkaltende, lächerliche Tropfen Ich, der sein Feuer, den winzigen Glutkern nicht abgeben wollte.

Der Geist hat erfahren, das Schönheit gut, schlecht, dumm oder bezaubernd macht. Er zerlegt ein Schaf und einen Büsser und findet in beiden Demut und Geduld. Er untersucht einen Stoff und erkennt, dass er in grossen Mengen ein Gift, in kleineren ein Genussmittel sei. Er weiss, dass die Schleimhaut der Lippen mit der Schleimhaut des Darms verwandt ist, weiss aber auch, dass die Demut der Lippen mit der Demut alles Heiligen verwandt ist. Er bringt durcheinander, löst auf und hängt neu zusammen. Gut und bös, oben und unten sind für ihn nicht skeptisch-relative Vorstellungen, wohl aber Glieder einer Funktion, Werte, die von dem Zusammenhang abhängen, in dem sie sich befinden. Er hat es den Jahrhunderten abgelernt, dass Laster zu Tugenden und Tugenden zu Lastern werden können, und hält es im Grunde bloss für eine Ungeschicklichkeit, wenn man es noch nicht fertig bringt, in der Zeit eines Lebens aus einem Verbrecher einen nützlichen Menschen zu machen. Er anerkennt nichts Unerlaubtes und nichts Erlaubtes, den alles kann eine Eigenschaft haben, durch die er eines Tages teil hat an einem grossen, neuen Zusammenhang. Er hasst heimlich wie den Tod alles, was so tut, als stünde es ein für allemal fest, die grossen Ideale und Gesetze und ihren kleinen versteinten Abdruck, den gefriedeten Charakter. Er hält kein Ding für fest, kein Ich, keine Ordnung weil unsre Kenntnisse sich mit jedem Tag ändern können, glaubt er an keine Bindung, und alles besitzt den Wert, den es hat, nur bis zum nächsten Akt der Schöpfung, wie ein Gesicht, zu dem man spricht, während es sich mit den Worten verändert.“

Musil mit Schnurrbart, um 1901

Robert Musil (6 november 1880 – 15 april 1942)

 

De Amerikaanse schrijver Michael Cunningham is geboren in Cincinnati, Ohio op 6 november 1952. Zie ook mijn blog van 6 november 2006  en ook mijn blog van 6 november 2007 en ook mijn blog van 6 november 2009.

Uit: Flesh And Blood

“1935 / Constantine, eight years old, was working in his father‘s garden and thinking about his own garden, a square of powdered granite he had staked out and combed into rows at the top of his family‘s land. First he weeded his father‘s bean rows and then he crawled among the gnarls and snags of his father‘s vineyard, tying errant tendrils back to the stakes with rough brown cord that was to his mind the exact color and texture of righteous, doomed effort. When his father talked about “working ourselves to death to keep ourselves alive,” Constantine imagined this cord, coarse and strong and drab, electric with stray hairs of its own, wrapping the world up into an awkward parcel that would not submit or stay tied, just as the grapevines kept working themselves loose and shooting out at ecstatic, skyward angles. It was one of his jobs to train the vines, and he had come to despise and respect them for their wild insistence. The vines had a secret, tangled life, a slumbering will, but it was he, Constantine, who would suffer if they weren‘t kept staked and orderly. His father had a merciless eye that could find one bad straw in ten bales of good intentions.

As he worked he thought of his garden, hidden away in the blare of the hilltop sun, three square feet so useless to his father‘s tightly bound future that they were given over as a toy to Constantine, the youngest. The earth in his garden was little more than a quarter inch of dust caught in a declivity of rock, but he would draw fruit from it by determination and work, the push of his own will. From his mother‘s kitchen he had spirited dozens of seeds, the odd ones that stuck to the knife or fell on the floor no matter how carefully she checked herself for the sin of waste. His garden lay high on a crown of scorched rock where no one bothered to go; if it produced he could tend the crop without telling anyone.”

cunningham

Michael Cunningham (Cincinnati, 6 november 1952)

 

De Nederlandse schrijfster Nelleke Noordervliet werd op 6 november 1945 in Rotterdam geboren. Zie ook mijn blog van 6 november 2006 en ook mijn blog van 6 november 2008.en ook mijn blog van 6 november 2009.

Uit: Zonder noorden komt niemand thuis

 „De taxichauffeur zette me af bij een handel in tweedehands auto’s, niet ver van Vancouver International Airport. De wagens stonden in het gelid als hoeren in een goedkoop bordeel, hun prijs op de voorruit. Mijn moeder noemde een auto altijd ‘wagen’ en markeerde daarmee haar nederige afkomst. ‘Hij heeft een mooie wagen onder zijn kont,’ was haar hoogste lof. Dan had een man wat bereikt. Mijn ‘wagen’ was voor haar nooit mooi genoeg.

De zon vonkte van de chromen bumpers. Ik stond met een koffer en een reistas op de immense parkeerplaats, moe van de lange vlucht, en knipperde met mijn ogen. Mijn lichaam was er, maar mijn geest haperde nog. Het felle, heldere licht verried de nabijheid van de zee. Het middaguur maakte korte schaduwen.

Onder de weidse koepel van de Canadese lucht was ik nietig. Ik kreeg ruimte. Nederland is overal benauwend, een land van centimeters, zelfs als de lucht strakblauw boven het Ijsselmeer spant, of als je vanaf de Moerdijkbrug het Hollands Diep breeduit over de aarde ziet liggen. Nederland zat me te krap.

De taxi was weggereden en ik stond daar en was vergeten wat ik kwam doen. Ik wist zelfs mijn naam niet meer. Wie was deze man? Ik was van gemiddelde lengte, gemiddeld gewicht, middelbare leeftijd, goed en sportief gekleed, ik was een man om mee voor de dag te komen, een man als een favoriete zoon, een man als een eeuwige verloofde, een man als een beste vriend, een man als een oplichter. Niemand. Iedereen. Alleman. Ik keek naar de zonwerende ramen van een kantoor. Er kwam iemand naar buiten. Hij liep op me toe. Hij droeg een poloshirt met het logo van de dealer. Toen de man vroeg hoe hij me kon helpen, wist ik het weer: mijn naam was Robert. Robert Andersen. Ik was rechtstreeks van het vliegveld gekomen om de auto te kopen die ik op het internet had gezien en die precies aan mijn eisen leek te voldoen.

‘Daar kun je nog jaren plezier van hebben,’ zei de verkoper na de proefrit. Hij sloeg de vijf jaar oude Dodge Dakota 4 x 4 automaat liefderijk op de zilvergrijze flank. ‘Ze is een werkpaard en de hele familie kan erin. Zelfs je schoonmoeder.’ Hij zei het niet voor het eerst. Zijn mobiele telefoon ging over met de rit van de Walkuren. De man verwijderde zich drie passen en keerde me de rug toe. Waarschijnlijk vond hij dat beleefd. Het poloshirt liet ook op de rug geen misverstand bestaan over de naam van het bedrijf.“
noordervliet
Nelleke Noordervliet (Rotterdam, 6 november 1945)

 

De Surinaamse schrijfster Bea Vianen werd geboren in Paramaribo op 6 november 1935. Zie ook mijn blog van 6 november 2006 en ook mijn blog van 6 november 2008 en ook mijn blog van 6 november 2009.

berm ’56

Rook van brandhout in mijn neus
Een koppige woudreus
Wij voor het eerst zo bij elkaar
Stond ik niet met wilde haar
dicht tegen je aan? Onze mond
zocht… en vond, ik stond niet nee
Geknield, koppig als de woudreus
Rook van verlangen in mijn neus
Willoos wild en wild haar
Liggend, hijgend, zo bij elkaar
En gras zoveel gras
Tot ik weer verten in de ogen las.

 

virgo ’57

Waar ging hij naar toe?
Nu ik het zwerven moe
tot jou ben teruggekeerd
bezeert mij zijn gezicht
die ik kuste in het licht
van lichte onbezonnenheid.
Wat, voor vergankelijkheid
van een kus, een streling
Yo te quiero aan de railing
Deinende tussen lucht en oceaan
Aan boord van dromen naar de maan.

vianen

Bea Vianen (Paramaribo, 6 november 1935)

 

De Vlaamse literatuurwetenschapper en auteur Gilbert (Bert) Vanheste werd geboren in Pervijze op 6 november 1937. Zie ook mijn blog van 6 november 2008 en ook mijn blog van 6 november 2009.

Uit: ‘Want uw vijand wie is dat?’. Mijn kleine oorlog: Louis Paul Boon als ongelovige dromer

“In Verscheurd jeugdportret heeft Boon zelf een impressie gegeven van zijn kinder- en jeugdjaren. In de eerste alinea van deze herinneringen gaf hij aan dat ze slechts een verbrokkeld en fragmentarisch beeld kunnen oproepen: ‘Het is een vreemd spelletje, aan vroeger terug te denken. Niet zo-maar kriskras genoegen nemend met wat komt opdagen, maar het draadje van vroeger trachtend te volgen van dag tot dag. Het is bijna niet te geloven hoe weinig is overgebleven, hoeveel hiaten er zijn, en stukken van flarden waar men geen raad mee weet.’ Dat zijn geheugen niet betrouwbaar is, blijkt meteen daarna: ‘Het leek me een eindeloze root werkmanshuizen – ik was er nog onlangs en heb ze geteld, het waren er slechts negen.’ (Verscheurd jeugdportret, voortaan: vj, p.7). De niet uitgewiste opnamen heeft Boon gemonteerd tot een verhaal. Weliswaar geen roman, maar toch een samenhangend, chronologisch geordend geheel. Bovendien bestaat dit zelfportret voor een aanzienlijk gedeelte uit door de auteur zelf als autobiografisch opgevatte fragmenten uit zijn romans (onder meer uit Mijn kleine oorlog!). Wie kan dan nog de grens trekken tussen verbeelding en werkelijkheid? Uit onderzoek is gebleken dat Boon zelf in niet weinig gevallen door hemzelf ingekleurde of verzonnen gebeurtenissen voor echt gebeurd ging houden. Dat zal zijn toekomstige biograaf voor grote problemen plaatsen. De doelstelling van deze studie is evenwel bescheidener van aard: niet wát heeft de auteur tijdens bij voorbeeld de eerste wereldoorlog meegemaakt, maar hoe heeft de eerste wereldoorlog, zoals Boon die zelf ervaren heeft, een rol gespeeld bij de totstandkoming van Mijn kleine oorlog? Vanzelfsprekend zullen de ervaringen van de schrijver waar mogelijk gesitueerd worden in de historische feitelijkheid.”

vanheste.jpg

Bert Vanheste (6 november 1937 – 23 februari 2007)

 

De Duitse dichter, componist en musicus Bodenski (eig. Michael Boden) werd geboren op 6 november 1965 in Potsdam. Zie ook mijn blog van 6 november 2008.

Duell im Morgengrauen

Gewählte Waffe: Alphabet

Eine Salve heller Vokale
Jage ich dir in dein Bein
Du strauchelst
Antwortest pfeilschnell
Katapultierst Konsonanten
Es folgen Worte
Ganze Sätze
Reime Verse
Für Stanzen oder Nonarime wird
Die Zeit nicht reichen
Geschweige denn für Episches
Schon fühle ich mich ausgelaugt
Trocken schmerzt die Kehle
Wenn ich Genugtuung erhalten will
Muss ich dir standhaft zusetzen
So versuche ich
Ruhig Blut zu sein
Probiere es
Mit einer Drehung der Perspektive
Mit einer härteren Grammatik
Einem kälteren Ton
Schneller parierend
Mit jedem weiteren Wort

Als du eine meiner Phrasen
Mit einem Stoßseufzer durchbohrst
Begehst du eine klare Verletzung
Der Regeln
Ich bedauere die Disqualifikation

Wenigstens sind wir
Im Gegensatz zu Puschkin
Mit dem Leben davon gekommen

bodenski
Bodenski (Potsdam, 6 november 1965)

 

De Amerikaanse schrijver James Jones werd geboren op 6 november 1921 in Robinson, Illinois. Zie ook mijn blog van 6 november 2008 en ook mijn blog van 6 november 2009.

Uit: The Thin Red Line

“The two transports had sneaked up from the south in the first graying flush of dawn, their cumbersome mass cutting smoothly through the water whose still greater mass bore them silently, themselves as gray as the dawn which camouflaged them. Now, in the fresh early morning of a lovely tropic day they lay quietly at anchor in the channel, nearer to the one island than to the other which was only a cloud on the horizon. To their crews, this was a routine mission and one they knew well: that of delivering fresh reinforcement troops. But to the men who comprised the cargo of infantry this trip was neither routine nor known and was composed of a mixture of dense anxiety and tense excitement.
Before they had arrived, during the long sea voyage, the cargo of men had been cynical–honestly cynical, not a pose, because they were part of an old regular division and knew that they were cargo. All their lives they had been cargo; never supercargo. And they were not only inured to that; they anticipated it. But now that they were here, were actually confronted with the physical fact of this island that they had all read so much about in the papers, their aplomb deserted them momentarily. Because though they were from a pre-war regular division, this was nevertheless to be their baptism of fire.
As they prepared themselves to go ashore no one doubted in theory that at least a certain percentage of them would remain on this island dead, once they set foot on it. But no one expected to be one of these. Still it was an awesome thought and as the first contingents came struggling up on deck in full gear to form up, all eyes instinctively sought out immediately this island where they were to be put, and left, and which might possibly turn out to be a friend’s grave.
The view which presented itself to them from the deck was a beautiful one. In the bright, early morning tropic sunshine which sparkled off the quiet water of the channel, a fresh sea breeze stirred the fronds of minute coconut palms ashore behind the dun beach of the nearer island. It was too early yet to be oppressively hot. There was a feeling of long, open distances and limitless sea vistas. The same sea-flavored breeze sifted gently among the superstructures of the transports to touch the ears and faces of the men. After the olfactory numbness caused by the saturation of breath, feet, armpits and crotches below in the hold, the breeze seemed doubly fresh in their noses. Behind the tiny cocopalms on the island masses of green jungle rose to yellow foothills, which in turn gave place in the bright air to hulking, blue-hazed mountains.“

jones

James Jones (6 november 1921 – 9 mei 1977)

 

De Georgische diichter en schrijver Galaktion Tabidze werd geboren op 6 november 1891 in Chqvishi, in de buurt van Vani. Zie ook mijn blog van 6 november 2008 en ook mijn blog van 6 november 2009.

The Moon Over Mtatsmtnda

My eyes have never seen the moon so lovely as to-night;
In silence wrapt she is the breathless music of the night.
Moonbeams embroider shadows with fine thread of silver light.
O, eyes have never seen the sky so lovely as to-night!
The moon adorned in beams of pearls seems like a queen divine,
The stars like fire-flies tangled in a web about her shine.
The Mtkvari flows a silver stream of lambent beauty bright.
O, eyes have never seen the moon so lovely as to-night!
Here in immortal calm and peace the great and noble sleep
Beneath the soft and dewy turf in many a mouldering heap,
Here Baratashvili came with wild desires to madness wrought,
Oppressed by raging fires of passion and perplexing thought.
O could I like the swan pour forth my soul in melody
That melts the mortal heart and breathes of immortality!
Let my free song fly far beyond this world to regions high
Where on the wings of poesy ‘twill glorify the sky.
If death approaching makes the fragrance of the roses sweeter.
Attunes the soul to melodies that make all sadness dearer.
And if the swan’s song thus becomes a denizen of heaven,
If in that, song she feels that death will be but ecstasy, then —
Let me like her sing one last song and in death find delight.
So breathless still and lovely I have never seen the night!
O mighty dead, let me die here beside you as I sing.
I am a poet, and to eternity my song I fling,
And let it be the fire that warms and lights the spirit’s flight.
O, eyes have never seen the moon so lovely as to-night!

 

Vertaald door Venera Urushadze

 tabidze

Galaktion Tabidze (6 november 1891 – 17 maart 1959)

 

De Noorse schrijver Jonas Laurits Idemil Lie werd geboren op 6 november 1833 in Eiker bij Drammen. Zie ook mijn blog van 6 november 2008.

Uit: The Pilot and his Wife (Vertaald door Ole Bull)

„On the stern, pine-clad southern coast of Norway, off the picturesquely-situated town of Arendal, stand planted far out into the sea the white walls of the Great and Little Torungen Lighthouses, each
on its bare rock-island of corresponding name, the lesser of which seems, as you sail past, to have only just room for the lighthouse and the attendant’s residence by the side. It is a wild and lonely situation,–the spray, in stormy weather, driving in sheets against the walls, and eagles and sea-birds not unfrequently dashing themselves to death against the thick glass panes at night; while in winter all
communication with the land is very often cut off, either by drift or patchy ice, which is impassable either on foot or by boat.
These, however, and others of the now numerous lights along that dangerous coast, are of comparatively recent erection. Many persons now living can remember the time when for long reaches the only lighting was the gleam of the white breakers themselves. And the captain who had
passed the Oxö light off Christiansand might think himself lucky if he sighted the distant Jomfruland up by Kragerö.
About a score of years before the lighthouse was placed on Little Torungen there was, however, already a house there, if it could be dignified by that name, with its back and one side almost up to the eave of the roof stuck into a heap of stones, so that it had the appearance of bending forward to let the storm sweep over it. The low entrance-door opened to the land, and two small windows looked out upon the sea, and upon the boat, which was usually drawn up in a cleft above the sea-weed outside.

When you entered, or, more properly speaking, descended into it, there was more room than might have been expected; and it contained sundry articles of furniture, such as a handsome press and sideboard, which no one would have dreamt of finding under such a roof. In one corner there stood an old spinning-wheel covered with dust, and with a smoke-blackened tuft of wool still hanging from its reel; from which, and from other small indications, it might be surmised that there had once been a woman in the house, and that tuft of wool had probably been her last spin.“

lie
Jonas Lie (6 november 1833 – 5 juli 1908)

 

De Deense schrijver Johannes Jörgensen werd geboren in Svendborg op 6 november 1866 geboren. Zie ook mijn blog van 6 november 2008.

Uit: St. Francis and His Brethren (Vertaald door T. O’Conor Sloane)

„The Franciscan Order (Friars Minor) was founded by the Poverello of Assisi (1182-l226) in the little church of Portiuncula in 1209. It was given oral approval by Pope Innocent III in 1210, and the Rule was formally approved by Pope Honorius III in 1221.

Francis found himself one day in Bishop Guido’s private room. As was customary with him, he had gone to the man he regarded as “the father of souls” to get advice-perhaps also to pray for alms. It was a period of hard times for the Brotherhood. After the return from the mission journeys, four new Brothers had joined the ranks-Philipp Lungo, John of San Costanzo, Barbarus, and Bernard of Vigilanzio. Francis himself had brought a fifth new Brother with him from Rieti-Angelo Tancredi, a young knight whom Francis had met in the streets of Rieti, and whom he had won by suddenly calling out to him: “Long enough hast thou borne the belt, the sword and the spurs! The time has now come for you to change the belt for a rope, the sword for the Cross of Jesus Christ, the spurs for the dust and dirt of the road! Follow me and I will make you a knight in the army of Christ!”

Thus it was that there were no longer so few men to have food daily. In the beginning the people of Assisi had been seized with a kind of wonder, and the Brothers had got considerable alms as they went from door to door. Now people began to grow weary of them; now the relatives of the Brothers were ready to persecute them. “You have given away what you had, and now you come and want to eat up other people’s things!”

Jørgensen

Johannes Jørgensen (6 november 1866 –  29 mei 1956)

Robert Musil, Michael Cunningham, Nelleke Noordervliet, Bea Vianen, Bert Vanheste, James Jones, Galaktion Tabidze, Bodenski, Johannes Jørgensen, Jonas Lie

De Oostenrijkse schrijver Robert Musil werd geboren op 6 november 1880 in Klagenfurt. Zie ook mijn blog van 6 november 2006 en ook mijn blog van 6 november 2007 en ook mijn blog van 6 november 2008.

 

Uit: Die Verwirrungen des Zöglings Törleß

 

In seinen Kameraden war es die Freude am Sport, das Animalische, welches sie eines solchen gar nicht bedürfen lieg, so wie am Gymnasium das Spiel mit der Literatur dafür sorgt.
Törleß war aber für das eine zu geistig angelegt und dem anderen brachte er jene scharfe Feinfühligkeit für das Lächerliche solcher erborgter Sentiments entgegen, die das Leben im Institute durch seine Nötigung steter Bereitschaf t zu Streitigkeiten und Faustkämpfen erzeugt. So erhielt sein Wesen etwas Unbestimmtes, eine innere Hilflosigkeit, die ihn nicht zu sich selbst finden lieg.
Er schloß sich seinen neuen Freunden an, weil ihm ihre Wildheit imponierte. Da er ehrgeizig war, versuchte er hie und da, es ihnen darin sogar zuvorzutun. Aber jedesmal blieb er wieder auf halbem Wege stehen und harte nicht wenig Spott deswegen zu erleiden. Dies verschüchterte ihn dann wieder. Sein ganzes Leben bestand in dieser kritischen Periode eigentlich nur in diesem immer erneuten Bemühen, seinen rauhen, männlicheren Freunden nachzueifern, und in einer tief innerlichen Gleichgültigkeit gegen dieses Bestreben.
Besuchten ihn jetzt seine Eltern, so war er, solange sie allein waren, still und scheu. Den zärtlichen Berührungen seiner Mutter entzog er sich jedesmal unter einem anderen Vorwande. In Wahrheit hätte er ihnen gern nachgegeben, aber er schämte sich, als seien die Augen seiner Kameraden auf ihn gerichter.
Seine Eltern nahmen es als die Ungelenkigkeit der Entwicklungsjahre hin.
Nachmittags kam dann die ganze laute Schar. Man spielte Karten, aß, trank, erzählte Anekdoten über die Lehrer und rauchte die Zigaretten, die der Hofrat aus der Residenz mitgebracht harte.
Diese Heiterkeit erfreute und beruhigte das Ehepaar.
Daß für Törleß mitunter auch andere Stunden kamen, wußten sie nicht. Und in der letzten Zeit immer zahlreichere. Er hatte Augenblicke, wo ihrn das Leben im Institute völlig gleichgültig wurde. Der Kitt seiner täglichen Sorgen löste sich da, und die Stunden seines Lebens fielen ohne innerlichen Zusammenhang auseinander.
Er sag oft lange – in finsterem Nachdenken – gleichsam über sich selbst gebeugt.
Zwei Besuchstage waren es auch diesmal gewesen. Man hatte gespeist, geraucht, eine Spazierfahrt unternommen, und nun sollte der Eilzug das Ehepaar wieder in die Residenz zurückführen.
Ein leises Rollen in den Schienen kündigte sein Nahen an, und die Signale der Glocke am Dache des Stationsgebäudes klangen der Hofrätin unerbittlich ins Ohr.

 

torless2_001

Scene uit de film van Volker Schlöndorff (met o.a. Matthieu Carrière, Bernd Tischer en Marian Seidowsky)

 

Also nicht wahr, lieber Beineberg, Sie geben mir auf meinen Buben acht? wandte sich Hofrat Törleß an den jungen Baron Beineberg, einen langen, knochigen Burschen mit rnächtig abstehenden Ohren, aber ausdrucksvollen, gescheiten Augen.
Der kleine Törleß schnitt ob dieser Bevormundung ein mißmutiges Gesicht, und Beineberg grinste geschmeichelt und ein wenig schadenfroh.
Überhaupt – wandte sich der Hofrat an die übrigen – möchte ich Sie alle gebeten haben, falls meinem Sohne irgend etwas sein solite, mich gleich davon zu verständigen.
Dies entlockte nun doch dem jungen Törleß ein unendlich gelangweiltes: Aber Papa, was soli mir denn passieren?!obwohl er schon daran gewöhnt war, bei jedem Abschiede diese ailzu große Sorgsamkeit über sich ergehen lassen zu müssen.
Die anderen schlugen indessen die Hacken zusammen, wobei sie die zierlichen Degen straff an die Selte zogen, und der Hofrat fügte noch hinzu: Man kann nie wissen, was vorkommt, und der Gedanke, sofort von allem verständigt zu werden, bereitet mir eine große Beruhigung; schließlich könntest du doch auch am Schreiben behindert sein.
Dann fuhr der Zug eim. Hofrat Törleß umarrnte seinen Sohn, Frau von Törleß drückte den Schleier fester ans Gesicht, um ihre Tränen zu verbergen, die Freunde bedankten sich der Reihe nach, dann schlog der Schaffner die Wagentür. Noch einmal sah das Ehepaar die hohe, kahle Rückfront des Institutsgebaudes, – die mächtige, langgestreckte Mauer, welche Park umschloß, dann kamen rechts und links nur mehr graubraune Felder und vereinzelte Obstbäume.“

 

Musil

Robert Musil (6 november 1880 – 15 april 1942)

 

 De Amerikaanse schrijver Michael Cunningham is geboren in Cincinnati, Ohio op 6 november 1952. Zie ook mijn blog van 6 november 2006  en ook mijn blog van 6 november 2007 en ook mijn blog van 6 november 2008.

 

Uit: A Home at the End of the World

 

Once our father bought a convertible. Don’t ask me. I was five, He bought it and drove it home as casually as he’d bring a gallon of rocky road. Picture our mother’s surprise. She kept rubber bands on the doorknobs. She washed old plastic bags and hung them on the line to dry, a string of thrifty tame jellyfish floating in the sun. Imagine her scrubbing the cheese smell out of a plastic bag on its third or fourth go round when our father pulls up in a Chevy convertible, used but nevertheless—a moving metal landscape, chrome bumpers and what looks like acres of molded silver car-flesh. He saw it parked downtown with a For Sale sign and decided to be the kind of man who buys a car on a whim. We can see as he pulls up that the manic joy has started to fade for him. The car is already an embarrassment. He cruises into the driveway with a frozen smile that matches the Chevy’s grille.
Of course the car has to go. Our mother never sets foot. My older brother Carlton and I get taken for one drive. Carlton is ecstatic. I am skeptical. If our father would buy a car on a street corner, what else might he do? Who does this make him?
He takes us to the country. Roadside stands overflow with apples. Pumpkins shed their light on farmhouse lawns. Carlton, wild with excitement, stands up on the front seat and has to be pulled back down. I help. Our father grabs Carlton’s beaded cowboy belt on one side and I on the other. I enjoy this. I feel useful, helping to pull Carlton down.
We pass a big farm. Its outbuildings are anchored on a sea of swaying wheat, its white clapboard is molten in the late, hazy light. All three of us, even Carlton, keep quiet as we pass. There is something familiar about this place. Cows graze, autumn trees cast their long shade. I tell myself we are farmers, and also somehow rich enough to drive a convertible. The world is gaudy with possibilities. When I ride in a car at night, I believe the moon is following me.
“We’re home,” I shout as we pass the farm. I don’t know what I am saying. It’s the combined effects of wind and speed on my brain. But neither Carlton nor our father questions me. We pass through a living silence. I am certain at that moment that we share the same dream. I took up to see that the moon, white and socketed in a gas-blue sky, is in fact following us. It isn’t long before Carlton is standing up again, screaming into the rush of air, and our father and I are pulling him down, back into the sanctuary of that big car.”

 

-MichaelCunningham

Michael Cunningham (Cincinnati, 6 november 1952)

 

De Nederlandse schrijfster Nelleke Noordervliet werd op 6 november 1945 in Rotterdam geboren. Zie ook mijn blog van 6 november 2006  en ook mijn blog van 6 november 2008.

 

Uit: Uit het paradijs

 

Ik heb mijn moeder gezien. Ze is al meer dan dertig jaar dood. Toch was ze het. Vannacht gaf ze mijn halfbroer en mij een lift in een Dyna Panhard 1952, omdat mijn auto panne had. Het is nu kwart over acht’s morgens. Ik bel de garage.
‘Met David Berk. Mijn auto staat op een pad bij Overveen.’ ‘Wat is er gebeurd?’
‘Hij deed het niet.’
‘Startproblemen?’
‘Nee. Dat ging prima. Bij het optrekken viel hij uit. Opeens stilte.’
Een onzichtbare hand draaide het contactsleuteltje om. Iemand gooide een deken over de brandende motor. Weet ik veel hoe of waarom zoiets gebeurt.
‘Benzine op?’
‘Pas getankt.’
‘Vreemd ‘
‘Ik kreeg hem niet meer aan de praat’
‘Waar staat hij precies? In Overveen zei u? Weet u dat zeker?’ ‘Ik rijd er blindelings naartoe. Ik heb er mijn jeugd doorgebracht ‘
‘Blijft u even aan de lijn.’
Bij de kastanje leveren een kauw en een jonge merel met veel gekrijs en gefladder een gevecht op leven en dood.”

 

noordervliet

Nelleke Noordervliet (Rotterdam, 6 november 1945)

 

 

De Surinaamse schrijfster Bea Vianen werd geboren in Paramaribo op 6 november 1935. Zie ook mijn blog van 6 november 2006 en ook mijn blog van 6 november 2008.

 

Uit: Nederzetting Peperpot

 

„Het was, hoewel twee uur in de middag, vrij koel. Mijn ogen deden zeer en ik moest wennen aan het licht dat mij even raadselachtig voorkwam als dat aan de Maagdenstraat, wanneer er geen bussen staan. Wat hier te Peperpot, een javaanse nederzetting, speelde, was, dacht ik, meer de entourage van kidnap.

Het was een oude angst die plotseling naar boven gekomen was en welke ik niet kon los denken van de voorstelling die ik had van mijn grootmoeder en ook mijn moeder op de ochtend dat mijn grootvader op de ‘Sutly’ stapte om van hieruit naar India terug te keren. Mijn moeder, die een jaar of vijf was, zou dus hier aan de weg hebben gestaan met een zwart koord om haar taille, terwijl zij haar gezicht bedekt hield achter een witte doek die besmeurd was met haldi [gele kleurstof].

Naast deze angst om onder andere meegenomen te worden door de Politie, en die sinds de onafhankelijkheid een sterkere rol speelde, was er ook die voor javaanse desperado’s. Zij waren voor mij de garantie voor veiligheid maar het jammerlijke was dat ik mij nu ook zorgen maakte over javaanse babies die net zo klein en weerloos waren als de indiaanse poppen tussen het groen.

Goed, er was in het centrum van Paramaribo terwijl ik bezig was met mijn kernproeven aan het Pad van Wanica, een militaire coup gepleegd. Ik zou helaas niet weten hoe en ook niet door wie de manufacturenwinkels aan de Maagden- en de Jodenbreestraat, waren leeggedragen. Of door wie de ruiten waren ingegooid. Maar intussen was ook het Politiebureau aan de Waterkant in brand gestoken en was mijn reactievermogen op valse beschuldigingen, een stuk afgenomen. Maar dat was meer een zeer persoonlijke gedachte. Of javanen er anders over denken weet ik niet. In ieder geval zitten die nooit zomaar te kijken naar een film met roof en zijn – wat daar nauw mee samenhangt – experts in het vaststellen van het uur, en dat op de seconde af. Of men hier, in Peperpot dus, ook wist om hoe laat bovengenoemde coup gepleegd was, is natuurlijk een andere zaak.

Als ik mij nu hield aan kidnap en mijn fantasie daarbij de vrije loop gaf, dan was er op deze nederzetting niet zoveel bijzonders aan de hand behalve dat ik boordevol herinneringen zat uit de filmwereld in het centrum van de stad. Met de schoten die gevallen waren gingen ook de handen van de Amerikaanse cowboys in Beverly Hills. En was het verder logisch dat het licht een raadselachtige uitwerking op mij had. Daar zaten de javanen die graag in de bioscoop zitten ook mooi mee. En was het nog de vraag of zij de oude coden van gastvrijheid nog meester waren. Ik was op weg naar Marie Karsowidjojo. Iets anders. Ik kon er met welk argument ook, niet onderuit dat mensen in nood graag grijpen naar parfums, zeeppoeder en tandpasta. Marie zou… Mijn god, nee. Niet dat ik dat wist. ‘

 

Vianen

Bea Vianen (Paramaribo, 6 november 1935)

 

De Vlaamse literatuurwetenschapper en auteur Gilbert (Bert) Vanheste werd geboren in Pervijze op 6 november 1937. Zie ook mijn blog van 6 november 2008.

 

Uit: Mijn kleine oorlog: Louis Paul Boon als ongelovige dromer

 

Een oorlog is geen surprise van een vergramde god; een boek wordt niet ingefluisterd door een loslippige muze.

De tweede wereldoorlog kwam niet als een verrassing. Nog voor hij uitbrak, werd hij beschreven als de onontkoombare voltrekking van de vorige, als de uitweg uit de economische crisis van de jaren dertig, als de uiterste consequentie van de machtspolitiek van de grote en meer nog van de grootheidswaan van middelgrote mogendheden. Mijn kleine oorlog kwam evenmin uit de lucht gevallen. Die vrijdagochtend waarop de hel losbrak lag Louis Paul Boon in de buurt van Veldwezelt ‘met een geweertje en vijf kogels’. Hij zag dat de oude vijand (‘Want uw vijand wie is dat? Iemand die uw taal niet behoorlijk spreken kan en u van stoemerik verwijt…’) in geen velden of wegen meer te bekennen viel toen de ‘nog grootere vijand’ de overkant van het Albertkanaal bereikte. Hij zag de doden (onder wie wellicht: Arijs Theo, geboren te Aalst op 8 februari 1913, woonachtig Wellekensstraat 38, beroep autobegeleider, soldaat 18e Linieregiment, overleden te Veldwezelt op 10 mei 1940). Hij dacht aan Jeanneke die nu misschien ook al dood was en aan Jo die op het punt stond te leren lopen en hij probeerde zijn ‘gedachten tegen te houden op hun weg naar het zothuis’. Hij werd gevangen genomen, mocht een voetreis maken naar Aken en werd in een beestenwagen naar Fallingbostel vervoerd. In Stalag xi b was hij gevangene nummer 27518, leed er honger. In augustus 1940 was hij, dank zij het beetje Flamenpolitik van Hitler, terug in het nu bezette Aalst. Hij poogde een depressie te boven te komen door zijn nachtmerries op teken- en schrijfpapier te zetten. Later schreef hij op wat hij dag na dag hoorde en zag in zijn volkse buurt. Die notities verwerkte hij in rauwe boeken over uit hun dromen gestoten verschoppelingen. De voorstad groeit verwierf een debuutprijs en Abel Gholaerts riep felle tegenstand op. Geen wonder dat een weekbladredacteur Boon kort na de bevrijding van september 1944 vroeg in een wekelijkse kroniek de oorlog te beschrijven zoals de kleine man uit zijn voorstad die ervaren had.

Wie inzicht wil verwerven in de oorlog ontkomt er niet aan op zoek te gaan naar de oorzaken, naar de mensen en de omstandigheden die deze collectieve waanzin opgeroepen hebben. Wie Mijn kleine oorlog wil begrijpen, doet er goed aan deze kroniek op te vatten als een voortbrengsel van het lichaam en de geest van Louis Paul Boon, zoals die van 1912 tot 1944-’45 in Aalst gekneed werden door zijn ouders en zijn vrouw, door vrienden, schrijvers en schilders, door fabrieks- en militaire bazen en door een kluwen van persoonlijke en maatschappelijke omstandigheden. Al lossen deze factoren het raadsel van de onherleidbare persoonlijkheid van de auteur niet op, ze kunnen helpen het raadsel te omschrijven. Nog minder kan de biografie van de schrijver het mysterie van zijn geschriften opheffen; wel laat zij ons toe achter de coulissen te kijken.”

 

Vanheste

Bert Vanheste (6 november 1937 – 23 februari 2007)

 

De Amerikaanse schrijver James Jones werd geboren op 6 november 1921 in Robinson, Illinois. Zie ook mijn blog van 6 november 2008.

 

Uit: The Thin Red Line

 

The two transports had sneaked up from the south in the first graying flush of dawn, their cumbersome mass cutting smoothly through the water whose still greater mass bore them silently, themselves as gray as the dawn which camouflaged them. Now, in the fresh early morning of a lovely tropic day they lay quietly at anchor in the channel, nearer to the one island than to the other which was only a cloud on the horizon. To their crews, this was a routine mission and one they knew well: that of delivering fresh reinforcement troops. But to the men who comprised the cargo of infantry this trip was neither routine nor known and was composed of a mixture of dense anxiety and tense excitement.
Before they had arrived, during the long sea voyage, the cargo of men had been cynical–honestly cynical, not a pose, because they were part of an old regular division and knew that they were cargo. All their lives they had been cargo; never supercargo. And they were not only inured to that; they anticipated it. But now that they were here, were actually confronted with the physical fact of this island that they had all read so much about in the papers, their aplomb deserted them momentarily. Because though they were from a pre-war regular division, this was nevertheless to be their baptism of fire.
As they prepared themselves to go ashore no one doubted in theory that at least a certain percentage of them would remain on this island dead, once they set foot on it. But no one expected to be one of these. Still it was an awesome thought and as the first contingents came struggling up on deck in full gear to form up, all eyes instinctively sought out immediately this island where they were to be put, and left, and which might possibly turn out to be a friend’s grave.
The view which presented itself to them from the deck was a beautiful one. In the bright, early morning tropic sunshine which sparkled off the quiet water of the channel, a fresh sea breeze stirred the fronds of minute coconut palms ashore behind the dun beach of the nearer island. It was too early yet to be oppressively hot. There was a feeling of long, open distances and limitless sea vistas.“

 

Jones

James Jones (6 november 1921 – 9 mei 1977)

 

De Georgische diichter en schrijver Galaktion Tabidze werd geboren op 6 november 1891 in Chqvishi, in de buurt van Vani. Zie ook mijn blog van 6 november 2
008.

 

The Moon over Mtatsminda

 

My eyes have never seen the moon so lovely as tonight;
In silence wrapt it is the breathless music of the night.
Moonbeams embroider shadows with fine thread of silver light;
O, eyes have never seen the sky so lovely as tonight!

 

The moon adorned in beams of pearls seems like a queen divine;
The stars like fire-flies tangled in a web about her shine.
The Mtkvari flows a silver stream of lambent beauty bright;
O, eyes have never seen the sky so lovely as tonight!

 

Here in immortal calm and peace the great and noble sleep
Beneath the soft and dewy turf in many a mouldering heap.
Here Baratashvili came with wild desires to madness wrought,
Oppressed by raging fires of passion, and perplexing thought.

 

O, could I like the swan pour forth my sould in melody
That melts the mortal heart and breathes of immortality !
Let my free song fly far beyond this world to regions high
Where on the wings of poesy it will glorify the sky.

 

If death approaching makes the fragrance of the roses sweeter,
Attunes the soul to melodies that make all sadness dearer,
And if that swan’s song thus becomes a denizen of heaven,
If in that song she feels that death will be but ecstasy, then, –
Let me like her sing one last song, and in death find delight.
So breathless still and lovely I have never seen the night! 

 

O, mighty dead, let me die here beside you as I sing.
I am a poet, and to eternity my song I fling,
And let it be the fire that warms and lights the spirit’s flight.
O, eyes have never seen the sky so lovely as tonight!

 

galaktaion

Galaktion Tabidze (6 november 1891 – 17 maart 1959)

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 6 november 2008.

 

De Duitse dichter, componist en musicus Bodenski (eig. Michael Boden) werd geboren op 6 november 1965 in Potsdam.

 

De Deense schrijver Johannes Jörgensen werd geboren in Svendborg op 6 november 1866 geboren.


De Noorse schrijver
Jonas Laurits Idemil Lie werd geboren op 6 november 1833 in Eiker bij Drammen.