Inge Boulonois, Antonio Tabucchi, Tom de Cock, Ellen Warmond, Olga Kirsch, Mary Coleridge

De Nederlandse dichteres en schilderes Inge Boulonois werd geboren in Alkmaar op 23 september 1945. Zie ook alle tags voor Inge Boulonois op dit blog.

Ode aan de kastanje

Oktober. Dagen zijn mistgrijs gekleed
en wilde kastanjes vallen maar raak.
Hun boom een kerel, zijn dos vol
groene stekelbollen. Als dobbelstenen
rollen ze weg, hun hoop gericht op boomhoog.

Onweerstaanbare pralines,
rap door kleine handen opgeraapt,
binnen als schat verloren gelegd –
dood in minder dan een winter.

Herfsttijd kreupelt weken door.
De zon bindt in, het loof gloeit na
totdat het oud en bruin wordt afgelegd,
de boom bloot naar zijn wortels keert
om zo kou te weerstaan.

Alsof het niets is, schept de kastanjeboom
na wintertijd als eerste nieuw blad. Lentekanjer –

 

Zoals het meestal wordt

Of misschien ook niet:
hij baart geen opzien meer in huis,
noch ik. Een zin kromp in.

Het harde bed blijft vierkant staan
net als de nieuwe oude tafel.
Bezetten we de overkant van ik
of ik en blazen nog wat zeepbellen.

Ik luister naar het raam of kijk
me buiten weg, volg aandacht
die steeds kruimels van het blad schuift.
Een opgewekte vogel pikt
soms in mijn ribbenkast.

We blijven zitten waar men zat.
Omdat. De suiker roert zich
gillend door de koffie –

 

Hooimaand

‘t Is niet te harden zonder parasol
Al kost gezeul met gieters mij steeds uren
Mijn gras blijft geler dan bij alle buren
Catalpa’s houden herfstgloed in hun bol

Maar ’t ergste vind ik nog die enge look
Van mannenbenen in een korte broek

 
Inge Boulonois (Alkmaar, 23 september 1945)

 

De Italiaanse schrijver, vertaler, en literatuurwetenschapper Antonio Tabucchi werd op 23 september 1943 geboren in Pisa. Zie ook alle tags voor Antonio Tabucchi op dit blog.

Uit: For Isabel (Vertaald door Elizabeth Harris)

“He dug in his pocket and pulled out a bunch of keys. The only ones who come here are Chinese, all of them with birdcages, he said, following a logic that escaped me, they each have a little songbird in a cage and they’ll get their bird to converse with their neighbor’s bird, and this is how it’s done in China, the birdies chatter and make friends, and so their owners also make friends, and they, too, get to talk. He paused and stared at me, looking distressed. But you don’t have a birdcage, he went on, and there’s no one else here with a birdcage, the only ones left in the garden are two old Mahjong players who’ll leave by the smaller gate, what else is there for you to do here now, except run into bats? I need to get into the cave tonight, I insisted, you know, friend, you might say it’s part of my destiny, that destiny the stars steer, you yourself believe in the stars, please let me stay, I’ll leave by the smaller gate, too, let me stay, please, maybe that half-blind poet of the sixteenth century will even help me out tonight, here in this garden that smells of magnolias. The gatekeeper looked at me with something like pity. This garden doesn’t smell of magnolias, he replied, this garden smells of piss, because all the Chinese piss on the trees, they’re too lazy to go to the bathrooms we installed near the fountain, and so this garden stinks of piss. Very well, I agreed, under the light of that star which guides my terrestrial journey, I’ll remain in this garden that stinks of piss; it’s true, I haven’t brought any birds in a cage, but I’m here to follow a destiny which I’ll eventually come to know.
The gatekeeper stepped aside and handed me a small flashlight. This should help, he said, you can leave it at the outside gate when you go. I walked down the path, breathing deeply, waiting for the stink of piss, but nothing stank, a cool breeze had risen and carried the smell of the sea. Beneath a streetlamp, two Chinese were playing Mahjong, I said hello and they nodded in return. One was building superior honors, with a row of four white dragons, the other was working on a set of characters. I thought I could use both dragons and characters that night, and I headed for the cave. I was halfway down the garden path when I heard a whistle behind me from one of the players. You want to watch? he called, we don’t have anyone to watch, and Mahjong needs an audience. I signaled no with my hand and continued on my way; at the cave entrance I turned on the gatekeeper’s flashlight.”


Antonio Tabucchi (23 september 1943 – 25 maart 2012)
 

De Vlaamse schrijver en radio-dj Tom De Cock werd geboren in Rotselaar op 23 september 1983. Hij woont in Borgerhout. Zie ook alle tags voor Tom de Cock op dit blog.

Uit: En toen kwam jij

“Euforisch en doodsbenauwd. En dan nemen we je mee naar huis.
Daar lig je dan, in je gloednieuwe babystoel op de achterbank. Die vanaf dan ook jouw achterbank is.
Onze achterbank. Van jou, van mij, en van papa.
Ja, dat lees je goed, het is beslist: hij mag de papa zijn. Dat was een cadeautje. Zomaar, onderweg in een auto ergens in Argentinië, met de zon op mijn bol en de uitgestrekte Andes als volstrekt ongeïnteresseerde getuige. ‘Jij mag de papa zijn.’
‘Meen je dat?’ En glunderen dat ie deed. ‘En jij dan?’
Goh, ja. Paps, pappie, Tom, Tokke, vake, vader, daddy, da T, Mustafa de Zesde, voor mijn part zelfs mama: couldn’t care less. Zelfs als je me consequent aanspreekt als ‘hé jeannette’ zal ik je op mijn schouders tillen en zo op de meest heroïsche tocht van mijn bestaan de Prioriteitenberg op klimmen.
Radioprogramma’s en boeken en reizen en allerlei gekke projecten aan de voet. Collega’s, kennissen, vrienden en familie bij de boomgrens. Je grootouders en je ooms en tantes zo’n beetje tussen de wolken. En hélemaal op de top, op het plekje met het mooiste uitzicht en de meeste zon, naast je papa: daar kom jij. Niet omdat dat zo hoort, maar omdat jij me gaat leren Wat Belangrijk Is En Wat Niet.
En je hoeft daar niks bijzonders voor te doen. Als ik je maar mag zien rondspetteren in bad, en schaterlachen en boos zijn en met alles spelen behalve met de karrenvracht speelgoed die je zult hebben.
Tekenen op de sofa met de dikste en meest onuitwisbare viltstift die er in huis te vinden is. Het net als we gehaast zijn vrolijk in je broek doen. Onuitstaanbaar hard een meisje zijn, of een jongen, of een beetje van allebei. Vloeken op je huiswerk. Je hart laten opblazen door je eerste grote liefde.”

 
Tom De Cock (Rotselaar, 23 september 1983)

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Ellen Warmond (pseudoniem van Pietronella Cornelia van Yperen) werd geboren in Rotterdam op 23 september 1930. Zie ook alle tags voor Ellen Warmond op dit blog.

Jong als kinderstemmen

Jong als kinderstemmen
reeds met de tongval van de ouderdom
te kunnen zeggen:
zie achter mij hoeveel ik al tot stof geleefd heb
en hoeveel as zich ophoopt in mijn ogen
en hoeveel stof en as mijn hand daarvan
bevatten kan en samenbalt tot niets.
en toch en desondanks
wachten – onmatig –
– want matigheid is zwakte –
en nieuwe kleren kopen voor de hoop
hoewel de laatste zekerheden naakt gaan
en trachten waar men niet bestond
toch te ontstaan
om het onmogelijk natuurverschijnsel:
zon in de maan
rondlopende weg terug
of het oog in de rug.
omdat geloof ontspringt
uit de zekerheid dat er geen hoop meer is
omdat het hart zich voedt
met wat de hand ontvalt.

 

Avond

Seconden lopen driftig achteruit
de dag is uit de tijd gekanteld

ik word zo stil als een strand
in een winternacht ik word
zo leeg als een uitgebrand
huis het leven staat verder
van mij af dan ik kan vertellen

leg je gezicht in je handen
en probeer je dit voor te stellen.

 
Ellen Warmond (23 september 1930 – 28 juni 2011)

 

De Zuid-Afrikaanse / Israëlische dichteres Olga Kirsch werd geboren in Koppies in de Oranje Vrijstaat op 23 september 1924. Zie ook alle tags voor Olga Kirsch op dit blog.

Aan die verhuisingsmanne

Dra saggies, vriende,
want sierpotte en erdewerk,
keurborde en fyn glas
sluit ’n lewe
met sy drome
en verlangens in;

Dra saggies, mededraers,
want die drag
van veerbed,
tafels, lessenaar
druk teen die bors
se dun skelet;

Dra saggies, regters,
want die oordeel
oor my klein bedryf
lê vasgevang
in prente, boeke
en ’n eie ou gemakstoel;

Dra saggies, gode,
want die hart se porselein
is broos en tot veel seer
en kwesbaarheid geneig:
die kratte van ’n lewe
kan so maklik breek.

 

Something died in me with your departure

Something died in me with your departure;
something ecstatic and joyfully spontaneous,
irresponsible as a spring illusion,
leaked from my being – drop by drop.

Something disappeared … Oh that I could awake
from this heavy trance, and again happiness
experience, overwhelmingly big, or choke and swallow
with sorrow! But I remain cold, untouched.

So I must resign myself, although I’m dull –
numb with longing. Because I await
everything that has eluded me, and so

much that you must replenish, that
will unfold in me like a flower on that joyful day
when you come home from afar.

 

Vertaald door Egonne Roth


Olga Kirsch (23 september 1924 – 5 juni 1997)
Cover

 

De Engelse dichteres en schrijfster Mary Elizabeth Coleridge werd geboren in Londen op 23 september 1861. Zie ook alle tags voor Mary Colderidge op dit blog.

Unwelcome

We were young, we were merry, we were very very wise,
And the door stood open at our feast,
When there passed us a woman with the West in her eyes,
And a man with his back to the East.

O, still grew the hearts that were beating so fast,
The loudest voice was still.
The jest died away on our lips as thy passed,
And the rays of July struck chill.

The cups of red wine turned pale on the board,
The white bread black as soot.
The hound forgot the hand of her lord,
She fell down at his foot.

Low let me lie, where the dead dog lies,
Ere I sit me down again at a feast,
When there passes a woman with the West in her eyes,
And a man with his back to the East.

 

Marriage

No more alone sleeping, no more alone waking,
Thy dreams divided, thy prayers in twain;
Thy merry sisters tonight forsaking,
Never shall we see, maiden, again.

Never shall we see thee, thine eyes glancing.
Flashing with laughter and wild in glee,
Under the mistletoe kissing and dancing,
Wantonly free.

There shall come a matron walking sedately,
Low-voiced, gentle, wise in reply.
Tell me, O tell me, can I love her greatly?
All for her sake must the maiden die!

 
Mary Coleridge (23 september 1861 – 25 augustus 1907)
The Strand, London door John Atkinson Grimshaw, 1899.

 

Zie voor de schrijvers van de 23e september ook mijn vorige blog van vandsaag.

Peter Drehmanns, Inge Boulonois, Antonio Tabucchi, Tom de Cock, Ellen Warmond, Olga Kirsch, Mary Coleridge

De Nederlandse dichter en schrijver Peter Drehmanns werd op 22 september 1960 in Roermond geboren. Zie ook alle tags voor Peter Drehmanns op dit blog.

Victors verweer

Hij heet Victor en zijn plasser ziet eruit als een verfrommeld kotszakje. In plaats van een ritslipje heeft zijn jas een paperclip. En als hij zijn bril afzet wil de wereld niets meer met hem te maken hebben.
Maar dat maakt hem nog niet kansloos.
Hij is jong genoeg om het leven aan te kunnen en oud genoeg om het aan zijn laars te lappen. Of andersom.
Op een heldere winterochtend van het jaar 19.. klapte Victor de kleppen van zijn pet naar beneden en ging op het zadel zitten. Een vliegenier op een fiets – het moet een belachelijk gezicht zijn geweest. Maar zijn oren, zijn vleermuisdunne oren eisten respect en mochten niet worden blootgesteld aan polaire geselingen. Hij begaf zich op weg naar het postkantoor.
Hoewel hij zeker wist dat de brief het standaardgewicht niet overschreed, liet hij hem wegen door de postbeambte. Niets mocht aan het toeval worden overgelaten. Op de envelop had hij haar naam en adres met de Parker 51 geschreven, die hij uitsluitend gebruikte voor liefdesbrieven. Hij wachtte tot hij de brief in de postzak zag verdwijnen.
De hele dag had hij jeuk aan zijn ogen. Men zei dat het kwam door de barbaarse kou. Hij geloofde er geen woord van. Hij wreef zo hard en zo vaak in zijn ogen dat hij vreesde dat ze zouden verpulveren.
In de vroege avond, toen de dag rood aan de randen werd (als een in brand gestoken vel papier dat langzaam naar het midden toe krult en ten slotte in zwarte slierten uiteenvalt), metselde Victor zijn brievenbus dicht. Hij verstevigde het cement met zijn collectie Bic-pennen, die nu als speerpunten de postbode opwachtten. Tussen hen in troonde de Parker 51, de veldmaarschalk. Zijn gouden bajonet glom van trots.

 
Peter Drehmanns (Roermond, 22 september 1960)

Doorgaan met het lezen van “Peter Drehmanns, Inge Boulonois, Antonio Tabucchi, Tom de Cock, Ellen Warmond, Olga Kirsch, Mary Coleridge”

Peter Drehmanns, Antonio Tabucchi, Tom de Cock, Ellen Warmond, Olga Kirsch, Mary Coleridge, Leni Saris, Jaroslav Seifert

De Nederlandse dichter en schrijver Peter Drehmanns werd op 22 september 1960 in Roermond geboren. Zie ook alle tags voor Peter Drehmanns op dit blog.

 

Precisering

Ik ben niet degene
die zijn problemen mee naar huis neemt
ik ben niet de man in de trein
tussen alle anderen
niet degene die zijn bloed
te slapen legt in een kantoortuin
of plotgericht de clou incasseert.
 
Niet uitgediept tot bagger, niet geladen
met betekenis ben ik
niet de as die verstrooid
moet worden, niet een kind
van gescheiden ouders
of de zoon van een verstofte mijnwerker.
 
Weet wel: ik zit in mijn stoel
met miskende tepels en afgebrande vleugels
niet doodgeboren maar gewoon
ontoelaatbaar onteerd.

 

Grow what you lack now

er waren dagen
dat het beter ging
dat er kabouterhuisjes
op de graven groeiden
en dat het niet
naar bloeddoorlopen mayonaise rook
 
er waren dagen
dat de koek nog een pact
wilde sluiten met het ei
dat de meisjes mij nog begieterden
met oogsproeisel
met hooggistende glimlach
 
maar gegeven de huidige omstandigheden
verkeer ik onontkoombaar
onder de Ludlum lezende luchtreizigers
en wacht op de vertrektijden
wacht op de dooilucht van de waanzin


Peter Drehmanns (Roermond, 22 september 1960)

Doorgaan met het lezen van “Peter Drehmanns, Antonio Tabucchi, Tom de Cock, Ellen Warmond, Olga Kirsch, Mary Coleridge, Leni Saris, Jaroslav Seifert”

Peter Drehmanns, Antonio Tabucchi, Tom de Cock, Mary Coleridge, Jaroslav Seifert, Leni Saris, Theodor Körner, Euripides

De Nederlandse dichter en schrijver Peter Drehmanns werd op 22 september 1960 in Roermond geboren. Zie ook alle tags voor Peter Drehmanns op dit blog.

Uit: De brand in alles

“Verdomme, daar was er weer een. De zevende al. Opnieuw greep hij het tijdschrift dat hij in het laatje van het nachtkastje had aangetroffen. Op de cover prijkte het pontificaal uitgestalde onderlijf van een vrouw, compleet met schaamspleet en roetzwart schaamhaar. Een reproductie van Courbets beroemde schilderij L’Origine du Monde. Dat hij daarmee al zes muggen had doodgemept vond hij ronduit grappig. Als Lise zou bellen om hem te vragen wat hij zoal had uitgespookt, kon hij haar vertellen dat hij met een kut aan plaagdierbestrijding had gedaan. Voordat hij het tijdschrift tot een slagwapen oprolde keek hij nog eens naar de afbeelding. Het schaamhaar, dat hem deed denken aan een berg vergruisde steenkool, was inmiddels besproeid met een mengsel van muggen- en mensenbloed.
Tjak, daar daalde nummer zeven ten grave in de spelonk boven het perineum.
Op de muur boven het bed prijkten nu drie geplette muggen en wat bloedvegen. Naast de kast bevonden zich eveneens sporen van de slachting. De kamer werd er niet fraaier op. Drieveertig bij viervijftig mat hij, zo had Kiezel eerder vastgesteld. Een kwestie van beroepsdeformatie, altijd willen weten hoe groot een ruimte is. Hij had met zijn rolmaat onder het bed (tussen de stofnesten!) moeten kruipen en met behulp van de oplichtende display van zijn smartphone het correcte getal afgelezen. Exact dezelfde afmetingen die zijn vroegere kamer in het huis van zijn ouders had. Toen gebruikte hij een zaklamp om iets te kunnen zien in het duister. Iets: in zijn kindertijd was dat zijn postzegelverzameling, die hij in bed, terwijl hij geacht werd te slapen, bekeek. Later, toen Robert bij hem woonde, waren het boeken geweest, die hij fluisterend voorlas aan zijn blinde vriend.”

 
Peter Drehmanns (Roermond, 22 september 1960)

Doorgaan met het lezen van “Peter Drehmanns, Antonio Tabucchi, Tom de Cock, Mary Coleridge, Jaroslav Seifert, Leni Saris, Theodor Körner, Euripides”

Peter Drehmanns, Antonio Tabucchi, Mary Coleridge, Jaroslav Seifert, Leni Saris, Theodor Körner, Euripides

De Nederlandse dichter en schrijver Peter Drehmanns werd op 22 september 1960 in Roermond geboren. Zie ook alle tags voor Peter Drehmanns op dit blog.

Opvoedkundig

ga niet met die man mee
hij houdt de vinger aan de pols
hij is van de wereld
hij volgt de regen door de greppels
doet het grint grijnzen

ga niet met die man mee
hij wast je handen wit
hij ruikt naar rundvet
ontsnapt aan de nederlaag

ga niet met die man mee
hij zet je zomaar op achterstand
lost de belofte ruimschoots in
ga niet met die man mee
hij verdwijnt waar je bij staat

 

Rob Brentjens (19)

Op de plek waar nu een warenhuis staat
waar men geuren voor vrouwen
riemen voor mannen verkoopt
daar deed ik de havo, het was een dependance,
ik studeerde af en nog eens af, opgeleid
tot leerkracht maar ineens werkend
als tractorenverkoper, een mooie job.

Er kwam een ommezwaai: schepen
voeren mijn leven in en uit, ik
was sluismeester, elf jaar lang. Intussen
betrok ik een huis langs de spoorlijn –
met zoon en dochter keek ik ’s avonds
na het werk naar de treinen die almaar
voorbijgingen.

 
Peter Drehmanns (Roermond, 22 september 1960)

Doorgaan met het lezen van “Peter Drehmanns, Antonio Tabucchi, Mary Coleridge, Jaroslav Seifert, Leni Saris, Theodor Körner, Euripides”

Peter Drehmanns, Antonio Tabucchi, Mary Coleridge, Jaroslav Seifert, Leni Saris

De Nederlandse dichter en schrijver Peter Drehmanns werd op 22 september 1960 in Roermond geboren. Zie ook alle tags voor Peter Drehmanns op dit blog.

 

 

Hedendaags reisadvies

 

De dagen korten
het duister dikt in
de messen spitsen zich toe
de pantoffels staan te smachten
de open haard gaapt
de ochtend ligt te rotten
de dood rochelt zich rond.

 

In het ruggenmerg doolt een dwerg,
het bloed danst een boerenklucht
en op de perrons, de grijze perrons
groeit het bankroet.

 

Struikel in het rond nu
de wereld is van gebroken glas,
ren weg als je kunt, bemachtig
een vrijbrief van de voddenkoopman,
neem de vrachtboot naar doorgangsoord B.
speel verstekeling tussen de meeuwen.

 

Ga aan land, ga
liggen en rol jezelf weg,
honderdvierenveertig pond uitlek-
gewicht en wat loopgravenletsel
van een verlangen dat heenging
op 29 februari van het schrikkeljaar
negentienzoveel.

 

 

 

Dit gedicht

 

zie dit ontstoken oog

omklonterd door vliegenfamilies

ziedend zoemend

driest zoekend naar rijm

naar het zweet van een betekenis

 

dit kommaloos tasten

naar waar het bindvlies barst

dit wriemelen te midden

van wat nog geen plaats heeft

 

gevonden tussen het pus

en het slijm van de syntaxis

opgeschud door een wild nee

een steigeren in de hitte

 

van het moment dat bloeddorstig

op verlossing wacht.

 

 

Peter Drehmanns (Roermond, 22 september 1960)

Doorgaan met het lezen van “Peter Drehmanns, Antonio Tabucchi, Mary Coleridge, Jaroslav Seifert, Leni Saris”

Antonio Tabucchi, Mary Coleridge, Theodor Körner, Euripides

De Italiaanse schrijver, vertaler, en literatuurwetenschapper Antonio Tabucchi werd op 23 september 1943 geboren in Pisa. Zie ook mijn blog van 23 september 2010 en eveneens alle tags voor Antonio Tabucchi op dit blog.

 

Uit: The Missing Head (Vertaald door Patrick Creagh)

“Manolo the Gypsy opened his eyes, peered at the dim light creeping through the cracks in his hovel, and got to his feet trying not to make a sound. He had no need to dress because he slept fully clothed, and the orange jacket given him the year before by Agostinho da Silva, known as Franz the German, tamer of toothless lions in the Wonder Circus, now served him for both day and night. In the faint glimmer of dawn he groped around for the battered sandals-cum-slippers that were his only footwear. He found them and slid his feet in. He knew every inch of the hut, and could move about in its murk knowing perfectly well where its few wretched sticks of furniture were. He took a confident step towards the door, and in so doing his right foot clashed against an oil-lamp standing on the floor.

Damn the woman! exclaimed Manolo between his teeth. He was of course referring to his wife, who the previous evening had insisted on leaving this lamp beside her bed on the pretext that the blackness of night gave her nightmares and she dreamt of her dead. If she kept the flame burning as low as can be, she said, the ghosts of her dead dared not to haunt her, and so she could sleep in peace.

“And what is El Rey about at this hour of the morning, O afflicted spirit of our Andalusian dead?”

His wife’s voice was muffled and drowsy, as it is with anyone still half asleep. She always spoke to him in geringonça, a hotch-potch of Romany, Portuguese and Andalusian. And she called him El Rey—the King.

King of a heap of shit, Manolo felt the urge to answer, but he said nothing. King of a shitheap. To be sure he had once been El Rey, when the gypsies were honoured, when his people freely roamed the plains of Andalusia, when they made copper trinkets to sell in the villages and dressed in black and wore fine felt hats, and their knives were not weapons to fight for your life with, but peerless treasures fashioned in chased silver.”

 


Antonio Tabucchi (23 september 1943 – 25 maart 2012)

Doorgaan met het lezen van “Antonio Tabucchi, Mary Coleridge, Theodor Körner, Euripides”

Antonio Tabucchi, Mary Coleridge, Theodor Körner, Euripides

De Italiaanse schrijver, vertaler, en literatuurwetenschapper Antonio Tabucchi werd op 23 september 1943 geboren in Pisa. Zie ook mijn blog van 23 september2009 en ook mijn blog van 23 september 2010.

 

Uit: Tristano stirbt (Vertaald door Karin Fleischander)

Ich möchte beim Anfang anfangen, sofern es überhaupt einen Anfang gibt, denn… wo beginnt die Geschichte eines Lebens, ich meine, für welchen Beginn entscheidet man sich? Man kann natürlich mit einer Tatsache beginnen, und ich muß mich auch für eine Tatsache entscheiden, eine Tatsache, die in erster Linie dieses mein Leben betrifft, über das du schreiben sollst. Deshalb werde ich eine Tatsache auswählen. Aber beginnt eine Tatsache mit einer Tatsache? Entschuldige, ich bin etwas durcheinander, ich weiß nicht recht, wie ich es ausdrükken soll… ich meine, jemand tut irgend etwas, und das beeinflußt den Lauf seines Lebens, aber was er tut, ergibt sich ja nicht wie durch ein Wunder, es war bereits in ihm angelegt, und wer weiß, wie es begonnen hat… Eine Kindheitserinnerung vielleicht, ein zufällig gesehenes Gesicht, ein Traum, den man vor langer Zeit einmal hatte und glaubte, vergessen zu haben, und so ereignet sich eines Tages die Tatsache, aber der wirkliche Anfang… wer kennt den schon… Tristano sprach über Schubert an diesem Tag in der Plaka, es war Winter, und auf dem gespenstischen Platz stellten sich die Menschen mit einer Schüssel in der Hand an und warteten auf die Koine-Suppe, weißt du, was das ist? Eine Brühe, die die Griechen damals von ihrer komischen Regierung bekamen, damit sie nicht verhungerten, heißes Wasser mit Kartoffeln und Kohlstücken darin… Variationen, sagte Antheos, den Tristano jedoch Marios nannte, weil er ihn an einen Freund aus der Peripherie Turins erinnerte, der ihm wie aus dem Gesicht geschnitten war, an einen lieben Freund, der sich seit neununddreißig mit seiner Gefährtin, einer außergewöhnlichen Frau, in einem Getreidespeicher versteckt hatte, ich möchte lieber nicht, hatte er gesagt und mit seinem Widerstand vorzeitig begonnen, ich meine, noch bevor es die Resistenza überhaupt gab, aber das kommt in deinem Roman nicht vor… Hin und wieder muß ich lächeln, wenn ich daran denke, was in deinem Buch vorkommt, aber davon abgesehen hat es mir gefallen, wirklich, es ist der beste Augenzeugenbericht über diese heroische Zeit, die einzige heroische Zeit übrigens, die wir hatten… Nicht so ganz ein Augenzeugenbericht, denn du kannst ja gar nicht dabeigewesen sein, obwohl du den Eindruck erweckst, dabeigewesen zu sein, als Augen-zeuge einer Atmosphäre, einer Entscheidung, einer moralischen Haltung… aber du hast auch Tatsachen hineingepackt, den achten September, die Republik von Salò, die sich anmaßte, das Geschick Italiens zu entscheiden und den Krieg nicht als Bürgerkrieg zu bezeichnen, heutzutage ist das eine gewagte, vielleicht sogar zu gewagte These, du weißt besser als ich, daß damals auf Freund und auf Feind geschossen wurde, aber das ist nicht wirklich von Belang, an deinem Roman hat mir vor allem gefallen, wie gut du das Wesen des Heroismus, der Treue, der Untreue, des Genusses und der Gefühle erfaßt hast… “

 

Antonio Tabucchi (Pisa, 23 september 1943)

Doorgaan met het lezen van “Antonio Tabucchi, Mary Coleridge, Theodor Körner, Euripides”

Antonio Tabucchi, Mary Coleridge, Theodor Körner, Euripides, Jaroslav Seifert, Leni Saris, Daniel Czepko von Reigersfeld, Emma Orcy

De Italiaanse schrijver, vertaler, en literatuurwetenschapper Antonio Tabucchi werd op 23 september 1943 geboren in Pisa. Zie ook mijn blog van 23 september2009.

Uit: Unter Generälen (Vertaald door Karin Fleischanderl)

»Ich habe nie geglaubt, dass das Leben die Kunst imitiert, das ist ein geistreicher Scherz, der sehr beliebt ist, weil er leicht ist, doch die Wirklichkeit übertrifft stets die Vorstellung, deshalb ist es unmöglich, gewisse Geschichten zu schreiben, denn sie sind nur eine blasse Heraufbeschwörung dessen, was wirklich war. Aber lassen wir die Theorien, ich erzähle dir gern die Geschichte, du kannst sie aber auch selbst erzählen, wenn du möchtest, denn du hast mir gegenüber einen Vorteil, du kennst den nicht, der sie erlebt hat. Um die Wahrheit zu sagen, hast du mir nur die Vorgeschichte erzählt, den Schluss habe ich von einem seiner Freunde erfahren, der sehr wortkarg ist; wenn wir unter uns sind, beschränken wir uns darauf, uns über Musik oder Schachtheorie zu unterhalten. Hätte Homer Odysseus gekannt, hätte er ihn wahrscheinlich für einen banalen Menschen gehalten. Ich glaube, ich habe etwas verstanden, und zwar, dass die Geschichten immer größer sind als wir, sie stoßen uns zu, und wir sind, ohne es zu ahnen, ihre Protagonisten, aber der wahre Protagonist der Geschichte, die wir erlebt haben, sind nicht wir, sondern es ist die Geschichte selbst, die wir erlebt haben. Wer weiß, warum er zum Sterben in diese Stadt gefahren ist, die ihm nichts bedeutete; vielleicht weil die Stadt ein Babel ist und vielleicht weil ihm der Verdacht gekommen ist, dass seine Geschichte für das Durcheinander des Lebens steht und dass sein Dorf zu klein war, um dort zu sterben. Er ist fast neunzig Jahre alt, verbringt die Nachmittage damit, die Wolkenkratzer von New York zu betrachten, am Vormittag kommt ein Mädchen aus Puerto Rico und räumt ihm die Wohnung auf, sie bringt ihm ein Gericht von Tonys Café, das er sich in der Mikrowelle aufwärmt; nachdem er sich ein paar alte Platten von Béla Bártok, die er auswendig kennt, mit religiöser Andacht angehört hat, wagt er einen Spaziergang bis zur Pforte des Central Park; im Schrank, unter einer Plastikhülle, bewahrt er seine Generalsuniform auf, wenn er zurückkommt, öffnet er die Schranktür und gibt ihr einen Klaps auf die Schulter, als wäre sie ein alter Freund; dann geht er schlafen, er hat mir erzählt, dass er nicht träumt, und wenn doch, dann vom Himmel über der ungarischen Ebene, das kommt von dem Schlafmittel, das ihm ein amerikanischer Arzt verschrieben hat. Ich erzähle dir die Geschichte in wenigen Worten, so wie sie mir der erzählt hatte, der sie erlebt hat, der Rest besteht aus Vermutungen, aber das ist deine Angelegenheit.“

Antonio Tabucchi

Antonio Tabucchi (Pisa, 23 september 1943)

 

De Engelse dichteres en schrijfster Mary Elizabeth Coleridge werd geboren in Londen op 23 september 1861. Zie ook mijn blog van 23 september 2008 en ook mijn blog van 23 september2009.

Street Lanterns

Country roads are yellow and brown.
We mend the roads in London town.

Never a hansom dare come nigh,
Never a cart goes rolling by.

An unwonted silence steals
In between the turning wheels.

Quickly ends the autumn day,
And the workman goes his way,

Leaving, midst the traffic rude,
One small isle of solitude,

Lit, throughout the lengthy night,
By the little lantern’s light.

Jewels of the dark have we,
Brighter than the rustic’s be.

Over the dull earth are thrown
Topaz, and the ruby stone.

Coleridge

Mary Coleridge (23 september 1861 – 25 augustus 1907)

 

De Duitse dichter en schrijver Theodor Körner werd geboren op 23 september 1791 in Dresden. Zie ook mijn blog van 23 september 2007 en ook mijn blog van 23 september 2008 en ook mijn blog van 23 september2009.

Uit: Die Reise nach Schandau

 « Ich versprach, Liebster, bald Nachricht von mir zu geben. Kaum bin ich vierundzwanzig Stunden von Dir entfernt, und schon erfülle ich meine Zusage. Du musst gestehn, das heißt pünktlich sein. Diese Tugend der Solidität kommt aber mir, als baldigem Ehemanne, von Rechtswegen zu, deswegen will ich weiter kein Lobens davon machen. Ich glaube, es gibt im ganzen menschlichen Leben keinen gewagtern und weitern Sprung, als mitten aus dem freien, fröhlichen Stundentenleben heraus in das Staatsgefängnis der Ehe. Dieser salto mortale soll manchem schon den Hals gebrochen haben; ich hoffe aber, ich werde glücklich sein. Frisch gewagt ist halb gewonnen. – Du bewunderst, wie Du mir so oft gesagt hast, meinen leichten Sinn bei diesem wichtigen Schritte. Der, wie Du Dich ausdrückst, das Glück meiner Zukunft bestimmen muss. Ich begreife nicht, wie ich anders sein sollte. Du weißt ja, wie es Familienverhältnisse durchaus verlangen, dass ich die junge Gräfin Stellnitz heiraten muss, wenn ich nicht eine bedeutende Erbschaft einbüßen will, die mir nur unter dieser Bedingung zufällt. Die Herren Väter haben die Sache abgemacht, und der meinige hat mir vor kurzem erst alle meine lustigen Burschenstreiche, mit Einschluss einiger tausend Tälerchen Schulden, vergeben, ohne eine saure Miene zu machen, ich kann ihm also diesen Gefallen wieder tun; übrigens soll ja meine Braut ein Engel sein, wie sich mein Vater ausdrückt, sittsam, fromm, gebildet, liebenswürdig und nota bene reich; kurz, wenn ich seinen Beschreibungen trauen darf, so erwartet mich ein paradiesisch Leben. Dass ich mir meine Zukunft nicht mit den zauberischen Farben einer glühenden Leidenschaft ausmale, glaubst Du mir wohl. Ich lasse es nun so über mich ergehen. Bis jetzt hab’ ich die Liebe nie für etwas anders als für eine momentane Belustigung angesehen. Was man mir von ewiger Treue, von häuslicher Glückseligkeit etc. etc. erzählt hat, hab’ ich nur für schöne Träume gehalten.“

 koerner

Theodor Körner (23 september 1791 – 26 augustus 1813)
Portret door Cecil Watson Quinell

 

Annalen net laat de Griekse schrijver Euripides geboren worden op 23 september 484 voor Christus. Zie ook mijn blog van 23 september 2007 en ook mijn blog van 23 september 2008 en ook mijn blog van 23 september2009.

 Uit: Iphigenia in Aulis

Clytaemnestra::
Ga dan. En als je naar de oorlog trekt,
mij daarginds achterlaat en jaren wegblijft,
besef dan hoe ik mij in dat paleis zal voelen,
als ik elke stoel leeg zie staan waarop zij eenmaal zat,
als ik haar meisjeskamer zie,
als ik eenzaam zit te wenen,
en eindeloos dezelfde klacht herhaal:
‘Mijn kind, de man die je van het leven heeft beroofd,
is je vader die je heeft verwekt. Hij heeft je vermoord,
hijzelf en niemand anders, met zijn eigen hand’
En kom je later dan terug naar huis,
waar iemand op je wacht die alle redenen heeft
om je te haten?
Dan vind ik zonder moeite wel een voorwendsel
om, samen met de dochters die me overblijven,
voor jou een welkom te bereiden dat je hebt verdiend.
In naam van de goden, pleeg de misdaad niet
die mij zal drijven tot een misdaad tegen jou.”

 

Vertaald door Willy Courteaux en Bart Claes

 euripides

Euripides (484 v. Chr – 406 v. Chr)
Buste in het Museo Pio-Clementino, Vaticaan

 

De Tsjechische dichter Jaroslav Seifert werd op 23 september 1901 geboren en groeide op in de arbeiderswijk Žižkov in Praag.Zie ook mijn blog van 23 september 2006 en ook mijn blog van 23 september 2008 en ook mijn blog van 23 september2009.

Ze gingen van deur naar deur…

Ze gingen van deur naar deur

als straatverkopers
en boden de dood aan.
Ik schaam me dat ik het heb overleefd.
Vladislav Vancura
schreef zijn grootste gedicht
op de muren van de Pankrác-cel.
En het salvo op het schietterrein
was alleen een donderend applaus
voor zijn leven.

Maar doden waren overal.
Op ijzerdraad van fabrieksmuren,
op stoepranden,
op trappen, het hoofd naar beneden,
op voetsteunen van schoolbanken
op altaartreden en boven riolen.

Ze lagen zoals onze koningen
op graftomben.
En de puinen van hun schoenen
wezen naar de sterren.

 

Vertaald door Jana Beranová

 

Autobiography

Sometimes
when she would talk about herself
my mother would say:
My life was sad and quiet,
I always walked on tip-toe.
But if I got a little angry
and stamped my foot
the cups, which had been my mother’s,
would tinkle on the dresser
and make me laugh.

At the moment of my birth, so I am told,
a butterfly flew in by the window
and settled on my mother’s bed,
but that same moment a dog howled in the yard.
My mother thought
it a bad omen.

My life of course has not been quite
as peaceful as hers.
But even when I gaze upon our present days
with wistfulness
as if at empty picture frames
and all I see is a dusty wall,
still it has been so beautiful.

There are many moments
I cannot forget,
moments like radiant flowers
in all possible colours and hues,
evenings filled with fragrance
like purple grapes
hidden in the leaves of darkness.

With passion I read poetry
and loved music
and blundered, ever surprised,
from beauty to beauty.
But when I first saw
the picture of a woman nude
I began to believe in miracles.

My life unrolled swiftly.
It was too short
for my vast longings,
which had no bounds.
Before I knew it
my life’s end was drawing near.

Death soon will kick open my door
and enter.
With startled terror I’ll catch my breath
and forget to breathe again.

May I not be denied the time
once more to kiss the hands
of the one who patiently and in step with me
walked on and on and on
and who loved most of all.

 

Vertaald door Ewald Osers

 seifert

Jaroslav Seifert ( 23 september 1901 – 10 januari 1986)

 

De Nederlandse schrijfster Leni Saris werd geboren in Rotterdam op 23 september 1915. Zie ook mijn blog van 23 september 2008 en ook mijn blog van 23 september2009.

Uit: De tocht naar het licht

“- Men kreeg toegang tot de tuin door een brede witte poort, dan volgde een met kastanjebomen omzoomde oprijlaan en in de verte lag dan l’Ombre, een laag wit huis met een groot terras en ruime serres aan de zijkanten.

Karin belde heel bescheiden en een vriendelijk meisje opende de deur. Mevrouw Giraud, de dame die Sergius’ huishouden bestuurde, kwam naar haar toe.

“Ik zou maar heel vlug naar boven gaan, mon enfant,” fluisterde ze vertrouwelijk. “Monsieur le Professeur is niet al te best geluimd vanmorgen.” –

(…)

“Entrez,” riep Tania’s zachte beschaafde stem.
Toen stond Karin in een zolderkamertje, laag donker en kaal. Het was er ijzig koud en de scherpe wind gierde ongehinderd door de spleten.
Het was er zo grauw en troosteloos en karin dacht aan haar eigen gezellige, warme kamer en al de zorg, waarmee ze omringgd werd. Er was maar één stoel in het kamertje en daarin zat Tania, in een deken gerold, de voeten op een blik, dat zonderling rammelde, toen ze het verschoof.
Voor haar op het tafeltje lag een boek.
“heb je me toch nog kunnen vinden?” Tania lachte en begon meteen te hoesten. –

saris

Leni Saris (23 september 1915 – 9 december 1999)
In de jaren vijftig

 

De Duitse dichter en schrijver Daniel Czepko von Reigersfeld werd op 23 september 1605 in Koischwitz (Pools: Koskowice) geboren. Zie ook mijn blog van 23 september 2007 en ook mijn blog van 23 september 2008 en ook mijn blog van 23 september2009.

Das Leben ein Schauspiel

Was ist dein Lebenslauff und Thun, o Mensch? ein Spiel.
Den Innhalt sage mir? Kinds, Weibs und Tods Beschwerde.
Was ist es vor ein Platz, darauff wir spieln? Die Erde.
Wer schlägt und singt dazu? Die Wollust ohne Ziel.

Wer heißt auff das Gerüst’ uns treten? Selbst die Zeit.
Wer zeigt die Schauer mir? Mensch, das sind bloß die Weisen,
Was ist vor Stellung hier? Stehn, schlaffen, wachen, reisen,
Wer theilt Gesichter aus? Allein die Eitelkeit.

Wer macht den Schau Platz auff? Der wunderbare Gott.
Was vor ein Vorhang deckts? Das ewige Versehen.
Wie wird es abgetheilt? Durch leben, sterben, flehen.
Wer führt uns ab, wer zeucht uns Kleider aus? Der Tod.

Wo wird der Schluß erwartt des Spieles? in der Grufft.
Wer spielt am besten mit? Der wol sein Ammt kan führen.
Ist das Spiel vor sich gut? Das Ende muß es zieren.
Wenn ist es aus? o Mensch! wenn dir dein JESUS rufft.

reigersfeld

Daniel Czepko von Reigersfeld (23 september 1605 – 8 september 1660)
Koischwitz / Koskowice

 

De Hongaarse schrijfster Emmuska Orcy de Orczi, ook wel Baronesse Orczy of Baronesse d’Orczy werd geboren in Tarnaörs op 23 september 1865. Zie ook mijn blog van 23 september 2008.

Uit: The Scarlet Pimpernel

„But they were nearly always caught at the barricades. Sergeant Bibot especially at the West Gate had a wonderful nose for scenting an aristo in the most perfect disguise. Then, of course, the fun began. Bibot would look at his prey as a cat looks upon the mouse, play with him, sometimes for quite a quarter of an hour, pretend to be hoodwinked by the disguise, by the wigs and other bits of theatrical make-up which hid the identity of a ci-devant noble marquise or count.

Oh! Bibot had a keen sense of humour, and it was well worth hanging round that West Barricade, in order to see him catch an aristo in the very act of trying to flee from the vengeance of the people.

Sometimes Bibot would let his prey actually out by the gates, allowing him to think for the space of two minutes at least that he really had escaped out of Paris, and might even manage to reach the coast of England in safety: but Bibot would let the unfortunate wretch walk about ten mètres towards the open country, then he would send two men after him and bring him back, stripped of his disguise.

Oh! that was extremely funny, for as often as not the fugitive would prove to be a woman, some proud marchioness, who looked terribly comical when she found herself in Bibot’s clutches after all, and knew that a summary trial would await her the next day and after that, the fond embrace of Madame la Guillotine.

No wonder that on this fine afternoon in September the crowd round Bibot’s gate was eager and excited. The lust of blood grows with its satisfaction, there is no satiety: the crowd had seen a hundred noble heads fall beneath the guillotine to-day, it wanted to make sure that it would see another hundred fall on the morrow.“

 orczy

 Emma Orcy (23 september 1865 – 12 november 1947)

 

Antonio Tabucchi, Theodor Körner, Euripides, Mary Coleridge

De Italiaanse schrijver, vertaler, en literatuurwetenschapper Antonio Tabucchi werd op 23 september 1943 geboren in Pisa, maar groeide op bij zijn grootouders in Vecchiana, een dorpje niet ver van zijn geboorteplaats. Hij studeerde letteren aan de universiteit van Pisa en in Parijs. Tijdens zijn studie reisde hij veel door Europa, en voelde zich vooral aangetrokken door Portugal en de Portugese literatuur. Na een wat langer verblijf in Lissabon studeerde hij af met een scriptie over het surrealisme in Portugal. Vanaf 1973 doceerde hij Portugese taal en literatuur aan de universiteit van Bologna.

In dat jaar schreef hij ook zijn eerste roman Piazza d’Italia. In 1978 werd hij hoogleraar aan de universiteit van Genua. Hij publiceerde enkele romans en verhalenbundels, maar verwierf pas echt bekendheid in 1984 met zijn roman Notturno indiano. In 1985 publiceerde hij Piccoli equivoci senza importanza en in 1986 Il filo dell’orizzonte, waarin net als in Notturno indiano de zoektocht van de protagonist naar zijn identiteit centraal staat. In de periode van 1987 tot 1990 publiceerde hij verschillende werken, o.a. het in het Portugees geschreven Requiem.

In 1964 publiceerde hij Gli ultimi tre giorni di Fernando Pessoa en Sostiene Pereira, de roman waarmee hij drie prijzen gewonnen heeft. De protagonist van deze roman is voor veel tegenstanders van antidemocratische regimes het symbool geworden van de verdediging van de vrijheid van informatie, ook voor de politieke tegenstanders van Silvio Berlusconi. In de verfilming van Roberto Faenza speelt Marcello Mastroianni de rol van Pereira. Momenteel verblijft Antonio Tabucchi de helft van het jaar bij zijn vrouw en twee kinderen in Lissabon, waar hij zich aan het schrijven wijdt. De rest van het jaar brengt hij in Toscane door, en is hij letterkundedocent aan de universiteit van Siena.

 

Uit: Lissabonner Requiem (Vertaald door Karin Fleischanderl)

„Ich dachte: Der Typ kommt nicht mehr. Und dann dachte ich: Ich kann ihn doch nicht »Typ« nennen, er ist ein großer Dichter, vielleicht der größte Dichter des zwanzigsten Jahrhunderts, inzwischen ist er seit vielen Jahren tot, ich muß ihn mit Respekt behandeln, besser gesagt, mit höchstem Respekt. Aber so allmählich war ich doch etwas verdrossen, die Sonne brannte, die Spätjuli-Sonne, und ich dachte noch: Ich bin im Urlaub, dort in Azeitäo, im Landhaus meiner Freunde, ging es mir so gut, warum habe ich mich bloß auf dieses Treffen hier an der Mole eingelassen, das Ganze ist doch absurd. Und ich betrachtete meinen Schatten unter mir, und auch er erschien mir absurd und überflüssig, sinnlos, es war ein kurzer Schatten, der von der Mittagssonne flachgedrückt wurde, und da erinnerte ich mich: Er hatte zwölf gesagt, aber vielleicht hatte er zwölf Uhr Mitternacht gemeint, Geister erscheinen immerhin

um Mitternacht. Ich stand auf und ging über die Mole. Auf der Straße war fast kein Verkehr, nur wenige Autos fuhren vorüber, einige davon mit Sonnenschirmen auf dem Gepäckträger, lauter Leute, die zu den Stränden in Caparica unterwegs waren, es war ein glühendheißer Tag, ich dachte: Was mache ich hier, am letzten Sonntag im Juli?

Und ich ging schneller, um so rasch wie möglich in Santos zu sein, vielleicht war es im Park ein wenig kühler. Der Park war menschenleer, nur der Zeitungsverkäufer stand vor seinem Kiosk. Ich ging zu ihm hin, und der Mann lächelte. Benfica hat gewonnen, sagte er strahlend, haben Sie es in der Zeitung gelesen? Ich schüttelte den Kopf, nein, ich hatte es noch nicht gelesen, und der Mann

sagte: Ein Nacht-Match in Spanien, ein Benefizspiel. Ich kaufte A Bola und suchte mir eine Bank, um mich zu setzen.

Ich las gerade, wie es dazu gekommen war, daß Benfica das entscheidende Tor gegen Real Madrid geschossen hatte, als jemand guten Tag sagte, und ich hob den Kopf. Guten Tag, wiederholte der Junge mit dem Bart, der vor mir stand, ich bräuchte Ihre Hilfe. Hilfe wozu, erkundigte ich mich. Hilfe, um zu essen, sagte der Junge, ich habe seit zwei Tagen nichts gegessen. Es war ein ungefähr zwanzigjähriger Junge in Jeans und Hemd, der mir schüchtern die Hand hinhielt, als bettelte er um Almosen. • Er war blond und hatte große Ringe unter den Augen. Seit zwei Tagen hast du dir keinen Schuß gesetzt, sagte ich aus einer Eingebung heraus, und der Junge erwiderte: Das ist dasselbe, es

ist wie essen, zumindest für mich. Im Prinzip bin ich für alle Drogen, sagte ich, leichte wie schwere, aber nur im Prinzip, in der Praxis bin ich dagegen, entschuldigen Sie, ich bin ein bürgerlicher Intellektueller voller Vorurteile, ich akzeptiere nicht, daß Sie in diesem Park Drogen nehmen

und Ihren Körper auf erbärmliche Weise zur Schau stellen, entschuldigen Sie, aber das ist gegen meine Prinzipien, ich könnte gerade noch tolerieren, daß Sie zu Hause Drogen nehmen, in Gesellschaft gebildeter und intelligenter Freunde, und dabei Mozart oder Erik Satie hören.“

 

antonio_tabucchi_foto

Antonio Tabucchi (Pisa, 23 september 1943)

 

De Duitse dichter en schrijver Theodor Körner werd geboren op 23 september 1791 in Dresden. Zie ook mijn blog van 23 september 2007 en ook mijn blog van 23 september 2008.

 

Harras, der kühne Springer

Noch harrte im heimlichen Dämmerlicht
Die Welt dem Morgen entgegen,
Noch erwachte die Erde vom Schlummer nicht,
Da begann sich’s im Tale zu regen.
Und es klingt herauf wie Stimmengewirr,
Wie flüchtiger Hufschlag und Waffengeklirr,
Und tief aus dem Wald zum Gefechte
Sprengt ein Fähnlein gewappneter Knechte.

Und vorbei mit wildem Ruf fliegt der Troß,
Wie Brausen des Sturms und Gewitter,
Und voran auf feurig schnaubendem Roß
Der Harras, der mutige Ritter.
Sie jagen, als gält’ es den Kampf um die Welt,
Auf heimlichen Wegen durch Flur und Feld,
Den Gegner noch heut zu erreichen
Und die feindliche Burg zu besteigen.

So stürmen sie fort in des Waldes Nacht
Durch den fröhlich aufglühenden Morgen.
Doch mit ihm ist auch das Verderben erwacht,
Es lauert nicht länger verborgen;
Denn plötzlich bricht aus dem Hinterhalt
Der Feind mit doppelt stärkrer Gewalt,
Das Hifthorn ruft furchtbar zum Streite
Und die Schwerter entfliegen der Scheide.

Wie der Wald dumpf donnernd widerklingt
Von ihren gewaltigen Streichen!
Die Schwerter klingen, der Helmbusch winkt
Und die schnaubenden Rosse steigen.
Aus tausend Wunden strömt schon das Blut,
Sie achten’s nicht in des Kampfes Glut,
Und keiner will sich ergeben,
Denn Freiheit gilt’s oder Leben.

Doch dem Häuflein des Ritters wankt endlich die Kraft,
Der Übermacht muß es erliegen,
Das Schwert hat die Meisten hinweggerafft,
Die Feinde, die mächtigen, siegen.
Unbezwingbar nur eine Felsenburg,
Kämpft Harras noch und schlägt sich durch,
Und sein Roß trägt den mutigen Streiter
Durch die Schwerter der feindlichen Reiter.

Und er jagt zurück in des Waldes Nacht,
Jagt irrend durch Flur und Gehege,
Denn flüchtig hat er des Weges nicht acht,
Er verfehlt die kundigen Stege.
Da hört er die Feinde hinter sich drein,
Schnell lenkt er tief in den Forst hinein,
Und zwischen den Zweigen wird’s helle,
Und er sprengt zu der lichteren Stelle.

Da hält er auf steiler Felsenwand,
Hört unten die Wogen brausen.
Er steht an des Zschopautals schwindelndem Rand,
Und blickt hinunter mit Grausen.
Aber drüben auf waldigen Bergeshöhn
Sieht er seine schimmernde Feste stehn,
Sie blickt ihm freundlich entgegen,
Und sein Herz pocht in lauteren Schlägen.

Ihm ist’s, als ob’s ihn hinüberrief,
Doch es fehlen ihm Schwingen und Flügel,
Und der Abgrund, wohl fünfzig Klafter tief,
Schreckt das Roß, es schäumt in die Zügel;
Und mit Schaudern denkt er’s und blickt hinab,
Und vor sich und hinter sich sieht er sein Grab!
Er hört, wie von allen Seiten
Ihn die feindlichen Scharen umreiten.

Noch sinnt er, ob Tod aus Feindes Hand,
Ob Tod in den Wogen er wähle;
Dann sprengt er vor an die Felsenwand
Und befiehlt dem Herrn seine Seele.
Und näher schon hört er der Feinde Troß,
Aber scheu vor dem Abgrund bäumt sich das Roß;
Doch er spornt’s , daß die Fersen bluten,
Und setzet hinab in die Fluten.

Und der kühne, gräßliche Sprung gelingt,
Ihn beschützen höh’re Gewalten,
Wenn auch das Roß zerschmettert versinkt,
Der Ritter ist wohl erhalten.
Und er teilt die Wogen mit kräftiger
Hand,
Und die Seinen stehn an des Ufers Rand,
Und begrüßen freudig den Schwimmer. –
Gott verläßt den Mutigen nimmer.

Koerner_Luetzower_Emma__500x680_

Theodor Körner (23 september 1791 – 26 augustus 1813)
Portret door Emma Körner

 

Annalen.net laat de Griekse schrijver Euripides geboren worden op 23 september 484 voor Christus. Zie ook mijn blog van 23 september 2007 en ook mijn blog van 23 september 2008.

 

Uit: De Trojaansen

Poseidon
Ik kom getogen van het zilte diep der zee,
ik, God Poseidon, waar der Nereiden rei
met sierlijke bevalligheid de voeten wendt.
Want sedert wij, Phoebus en ik, om Troje heen
de zware stenen wallen zwoegend bouwden en
langs juist gespannen snoeren richtten, is nog steeds
mijn hart aan Trojes ingezeetnen welgezind.
En thans gaat deze stad in vlammen op, de lans
der Grieken richtte haar te grond´. Een uit de streek
van Phokis, sluw´ Epeüs, sterk door Pallas´ gunst
vervaardigde een paard, zwanger van wapentuig,
en zond dat onheilsbeeld binnen de muur der stad.
Vandaar zal nog zijn naam bij ´t latere geslacht
het sperenpaard zijn, daar ´t verholen speren borg.
Verlaten is elk Godenwoud; elk heiligdom
drijft van het bloed; en bij de treden van ´t altaar
van Zeus, is Priamos vermoord terneer gestort.
Een schat van goud en veel Trojaanse wapenbuit
wordt naar het Griekse schepenkamp gebracht. Men wacht
op gunst´ge wind, om nu, na de tienvoud´ge keer
van ´t zaaien, eind´lijk vrouw en kind´ren weer te zien,
de Grieken, die te velde trokken tegen Trooj´.
En ik – verwonnen toch ben ik door Argos´ god,
door Hera, en door Athene, die de Phrygiërs te saam
verdelgden – ik verlaat het roemrijk Ilion
en mijn altaren; want een stad, verlatenheid
ten prooi, ziet kwijnen godendienst en godeneer.

Euripides_Louvre

Euripides (484 v. Chr – 406 v. Chr)
Beeld in het Louvre, Parijs

 

De Engelse dichteres en schrijfster Mary Elizabeth Coleridge werd geboren in Londen op 23 september 1861. Zie ook mijn blog van 23 september 2008.

 

The Poison Flower

The poison flower that in my garden grew
Killed all the other flowers beside.
They withered off and died,
Because their fiery foe sucked up the dew.

When the sun shone, the poison flower breathed cold
And spread a chilly mist of dull disgrace.
They could not see his face,
Roses and lilies languished and grew old.

Wherefore I tore that flower up by the root,
And flung it on the rubbish heap to fade
Amid the havoc that itself had made.
I did not leave one shoot.

Fair is my garden as it once was fair.
Lilies and roses reign.
They drink the dew, they see the sun again;
But I rejoice no longer, walking there.

Coleridge

Mary Coleridge (23 september 1861 – 25 augustus 1907)
llustratie door Eleanor Vere Boyle in Voices from Fairyland, the fantastical poems of Mary Coleridge Charlotte Mew and Sylvia Townsend Warner. (Geen portret beschikbaar)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e september ook mijn vorige blog van vandaag.