Hans Plomp, Saskia de Coster, Willem Hussem, Lennaert Nijgh, Anton Tsjechov, Olga Tokarczuk, Hubert K. Poot, Romain Rolland, Germaine Greer

De Nederlandse dichter en schrijver Hans Plomp werd op 29 januari 1944 in Amsterdam geboren. Zie ook alle tags voor Hans Plomp op dit blog.

Uit: Jezus en zijn band

“Door de paarsbruine wolkenflarden snijden schichtige trekvogels een rafelige ‘V’, uiteengejaagd door laagvliegende vliegtuigen en de termiese windkolken tussen de hoge gebouwen.
De oude boomgeesten langs de grachten laten hun bladeren los, mismoedig. ‘Dit is geen leven voor een boom,’ bromt er een. ‘Ik houd al drie jaar een lek in de gasleiding met mijn wortel dicht en toch sta ik het langzaam maar zeker af te leggen. En dat terwijl ik Lodewijk Napoleon nog langs heb zien gondelen in mijn jeugd.’
‘En ik Descartes en de ouwe Spinoza en de dikke Barleus,’ lispelt een boom, bevend over zijn hele gebladerte.
‘Tegen mij heeft Hadjememaar nog staan pissen, maar tegenwoordig heb ik alleen het hondje van Mr. Hilterman, een schraal plasje.’
Zo brommen de boomgeesten onder elkaar, en als ze zwijgen, kietelen ze elkaar onder de grond met de duizenden haarworteltjes en ze laten de dikkere wortels mistroostig in in het laagveen hangen. Zelfs diep onder de grond is schraalhans keukenmeester geworden.
Op het Damrak voelt Larrie zich opeens een toerist. Bij dozijnen schuifelen de gezelschappen af en aan. ‘In de rij! In de rij blijven daar!’ gilt een parmantige gidse schel. Er schiet een echtpaar betrapt terug in de slagorde. ‘Mij willen slechts paar klompjes kopen voor nichtje met klompvoetjes,’ hoort Larrie de bedremmelde man mompelen, hoewel hij ruim buiten gehoorsafstand sjokt.
Hij draait een steeg in naar de Nieuwendijk, waar de geuren uit de keukens van de eetgelegenheden een heel ander verhaal vertellen dan de neonreklames op de voorgevels.
Hier huizen de aasgieren, die rusteloos in de voorbijtrekkende stroom spieden, die met een feilloos oog de voorbijgangers takseren en om de haverklap snel en schoon hun slag slaan.
‘Ze hebben het graag, een vleugje crime,’ grijnslacht een van de kruimelratten tegen Larrie. ‘Ze voelen zich belazerd als ze niet beroofd worden in de buurt van het Anne Frankhuis. Allemaal dikke reisverzekeringen. Je hoeft ze tegenwoordig niet eens meer te róllen, ze drukken je hun gouden klokkies zo in de hand. Allemaal zwáár oververzekerd. En als je moeite hebt met hun zak, maken ze graag het knoopje voor je open. En de anderen maar filmen.”

 
Hans Plomp (Amsterdam, 29 januari 1944)

Doorgaan met het lezen van “Hans Plomp, Saskia de Coster, Willem Hussem, Lennaert Nijgh, Anton Tsjechov, Olga Tokarczuk, Hubert K. Poot, Romain Rolland, Germaine Greer”

Hans Plomp, Saskia de Coster, Willem Hussem, Lennaert Nijgh, Anton Tsjechov

De Nederlandse dichter en schrijver Hans Plomp werd op 29 januari 1944 in Amsterdam geboren. Zie ook alle tags voor Hans Plomp op dit blog.

Uit: Taras Bustos en de eeuwigheid

“Pas vele slopende weken nadat hij de fatale diagnose had, durfde dokter Poliot, lijfarts van de bekende vrijgezel-miljardair Taras Bustos (Doctor Honoris Causa), zijn Baas te vertellen aan welke vreselijke ziekte hij leed.
De baas reageerde als een ware stier, en zou Poliot met een tafelaansteker de hersens ingebeukt hebben, als deze niet met een wanhopige falsetto had gekrijst: ‘Wacht, wacht, Baas Bustos. Al is mijn nietswaardige leven niet waard verder geleefd te worden, als u mocht komen te overlijden, wacht toch op mijn laatste raadgeving voordat u mij verplettert.’
Bustos gooide de massieve tafelaansteker in het open vuur. Sinds hij ziek was geworden, bivakkeerde Bustos onder de kap van de reusachtige schouw in zijn landhuis. Op een simpele ligstoel zat hij de hele dag nors voor zich uit te kijken. En hij had de vreemde gewoonte ontwikkeld om alles wat hij had aangeraakt in het vuur te werpen, ongeacht waarde of schoonheid. Dokter Poliot hield het erop dat de Baas een ontsmettingsneurose had, dat hij alles wat hij met zijn zieke handen had aangeraakt, voorgoed onschadelijk wilde maken. Maar het was toch alweer weken geleden dat hij de Baas had ingelicht dat de ziekte niet besmettelijk was, en sindsdien was de verbrandingsmanie alleen maar groter geworden. Baas Bustos ging nu zelfs zover zijn hele bed te laten verbranden, meteen als hij zich ’s ochtends in de nieuwe ligstoel onder de schouw had laten zakken. Urenlang zat hij te kijken, hoe zijn personeel iedere dag het slaapkamerinterieur verbrandde in de haard. En als de voorraad brandbaar materiaal op was, kwam Bustos uit zijn stoel en bewoog zich kriskras door het huis, somber neuriënd. En alles wat hij op zijn korte wandeling aanraakte, moest vernietigd worden, tot de vloerkleden die hij met zijn sloffen had aangeraakt toe.
Vanaf de gaanderij sloeg Poliot hem soms urenlang onopgemerkt gade, doodsbang de Baas definitief in te lichten over de aard van zijn ziekte. En langzamerhand had Poliot ontdekt, dat de Baas de fatale aard van zijn kwaal moest kennen. Er was iets woests over Bustos gekomen, iets verwoestends, iets dat op een naderend einde duidde. In het huis was niets te merken van de maniakale aanval van de miljardair. Nog geen vijf minuten nadat de slaapkamer ontruimd was, droegen de mannen van een prominente firma een identiek meubelement binnen, iedere ochtend met dezelfde matte grap: ‘het wegwerpinterieur voor Doctor Bustos. Wilt u even tekenen alstublieft’.”

 
Hans Plomp (Amsterdam, 29 januari 1944)
Portret door Hennie van der Vegt. 2002

Doorgaan met het lezen van “Hans Plomp, Saskia de Coster, Willem Hussem, Lennaert Nijgh, Anton Tsjechov”

Hans Plomp, Saskia de Coster, Willem Hussem, Anton Tsjechov, Lennaert Nijgh, Olga Tokarczuk, Hubert K. Poot

De Nederlandse dichter en schrijver Hans Plomp werd op 29 januari 1944 in Amsterdam geboren. Zie ook alle tags voor Hans Plomp op dit blog.

Slaap zacht
Voor Hanny

Slaap zacht mijn sidderende vogel in de verte,
ontspan de lokroep van je ogen.
Slaap lekker, kleine koele introverte,
ontspan de borsten die ons kind gaan zogen.
Slaap zacht harpiste van mijn hartstocht,
je schone kiekendief komt spoedig teruggevlogen.
Dag vrouwtje jezus in je kribbe,
mijn eeuwenoude achtste ribbe,
schone slaapster.

 

Mijn lief ging

Geen toekomst en mijn hemel zwart.
Bevroren schaduw likt mijn hart:
een spook uit het verleden.
Geen zon, geen wind,
mijn vleugels slap,
geen wortels meer
en ook geen sap.
Geen doel
of reden.
Gevoelens geen.
Mijn lief ging heen

 
Hans Plomp (Amsterdam, 29 januari 1944)

Doorgaan met het lezen van “Hans Plomp, Saskia de Coster, Willem Hussem, Anton Tsjechov, Lennaert Nijgh, Olga Tokarczuk, Hubert K. Poot”

Hans Plomp, Saskia de Coster, Willem Hussem, Anton Tsjechov, Lennaert Nijgh, Olga Tokarczuk, Hubert C. Poot

De Nederlandse dichter en schrijver Hans Plomp werd op 29 januari 1944 in Amsterdam geboren. Zie ook alle tags voor Hans Plomp op dit blog.

Als ik uit mijn droomland
de wereld bezoek,
bedek ik mijn lichaam
met jas en met broek.

Daar mag je niet naakt zijn
en niet zonder geld.
Gebroken de wil,
gekruisigd de held.
Je dagen geteld.

Als ik uit mijn droomland
de wereld bezoek,
bedek ik mijn geest
met de vacht van een beest.

 

Amor vincit

Zo kwetsbaar onze liefde,
te bedenken dat zij alles is
wat ons verbindt.
Zo onsterfelijk deze droom,
de kern van het bestaan.

 

Vriendschap

Ooit zullen we ont-slapen
niet meer ontwaken hier
maar daar waar alleen vrienden zijn
nooit meer hoeven slapen.

 
Hans Plomp (Amsterdam, 29 januari 1944)

Doorgaan met het lezen van “Hans Plomp, Saskia de Coster, Willem Hussem, Anton Tsjechov, Lennaert Nijgh, Olga Tokarczuk, Hubert C. Poot”

Hans Plomp, Saskia de Coster, Willem Hussem, Anton Tsjechov, Lennaert Nijgh, Romain Rolland, Hubert C. Poot

De Nederlandse dichter en schrijver Hans Plomp werd op 29 januari 1944 in Amsterdam geboren. Zie ook alle tags voor Hans Plomp op dit blog.

Venus in Holland

Wat ben je mooi
met je neus en je oren
met je billen
en je kut van voren!
Wat ben je goddelijk herboren,
oude vriend.
Wat staat een vrouw je goed,
geur van aarde,
smaak van bloed.

Weet je nog, eeuwen geleden,
in elkaars armen
overleden?
Ik was vrouw toen,
jij was man.
Nu omgekeerd,
dat komt ervan.

Lieverik, o lieverik,
kom hier met je stijve pik.
Aan mijn borst, o heerlijk wijf,
ik word bloedgeil van je lijf.
In mijn armen, hemels beest,
zijn we altijd één geweest.
In mijn armen, hemels beest,
zijn we altijd één geweest.

 
Hans Plomp (Amsterdam, 29 januari 1944)
In 1987

Doorgaan met het lezen van “Hans Plomp, Saskia de Coster, Willem Hussem, Anton Tsjechov, Lennaert Nijgh, Romain Rolland, Hubert C. Poot”

Hans Plomp, Willem Hussem, Anton Tsjechov, Lennaert Nijgh, Romain Rolland, Hubert C. Poot

De Nederlandse dichter en schrijver Hans Plomp werd op 29 januari 1944 in Amsterdam geboren. Zie ook alle tags voor Hans Plomp op dit blog.

 

Een kaakslag voor het calvinisme

O woekerwentelende worm van woede,
uit welke afgrond in mij
kom je omhoog?
Ik loog als ik zou schrijven
dat ik niet bang ben.
Maar wat kan ik doen?
Ik draag het model schoen
dat mijn moeder uitzoekt,
o rotschoen vervloekt.
Zoals mijn ouders me dromen
durf ik niet bij mijn meisje te komen
Johannes Calvijn
ik spring onder de trein
als je niet ophoudt mijn ouders
in jouw naam zo slecht te laten zijn

 

Als ik uit mijn droomland

Als ik uit mijn droomland
de wereld bezoek,
bedek ik mijn lichaam
met jas en met broek.

Daar mag je niet naakt zijn
en niet zonder geld.
Gebroken de wil,
gekruisigd de held.
Je dagen geteld.

Als ik uit mijn droomland
de wereld bezoek,
bedek ik mijn geest
met de vacht van een beest.

 

Hans Plomp (Amsterdam, 29 januari 1944)

Doorgaan met het lezen van “Hans Plomp, Willem Hussem, Anton Tsjechov, Lennaert Nijgh, Romain Rolland, Hubert C. Poot”

Anton Tsjechov, Hans Plomp, Willem Hussem, Lennaert Nijgh, Romain Rolland, Hubert K. Poot

De Russische schrijver Anton Tsjechov werd geboren op 29 januari 1860 in Taganrog, een havenstad in Zuid-Rusland. Zie ook alle tags voor Anton Tsjechov op dit blog.

Uit: Droefenis

“De avond schemert. Grove, natte sneeuw dwarrelt langzaam langs de zopas aangestoken straatlantaarns, en een dunne, zachte laag legt zich op daken, paardenruggen, mutsen. Koetsier Iona Potapov ziet helemaal wit, als een spookverschijning. Krom gebogen, zo krom als voor een mensenlichaam enigszins mogelijk is, zit hij op de bok en roert niet. Al zou een ganse sneeuwberg op hem neervallen, dan zou, zo schijnt het, hij het nog niet nodig vinden de sneeuw van zich af te schudden… Ook zijn paardje staat wit en roerloos. Door zijn onbeweeglijkheid, zijn hoekig uitzicht en zijn kaarsrechte stokkebenen lijkt het zelfs heel erg op een goedkoop beschilderd speelgoedpaardje. Het staat, naar alle waarschijnlijkheid, diep in gedachten verzonken. Wie, weggerukt is van de ploeg, van zijn vertrouwde grijze omgeving, en hier geworpen werd in deze draaikolk, vol afschuwelijke lichten, onophoudelijk gerommel en rennende mensen, moet wel staan denken… Iona en zijn paardje staan al lange tijd stil op hun plaats. ….“

Anton Tsjechov (29 januari 1860 – 15 juli 1904)

Doorgaan met het lezen van “Anton Tsjechov, Hans Plomp, Willem Hussem, Lennaert Nijgh, Romain Rolland, Hubert K. Poot”

Anton Tsjechov, Hans Plomp, Willem Hussem, Lennaert Nijgh, Romain Rolland

De Russische schrijver Anton Tsjechov werd geboren op 29 januari 1860 in Taganrog, een havenstad in Zuid-Rusland. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 29 januari 2008 en ook mijn blog van 29 januari 2009 en ook mijn blog van 29 januari 2010.

Uit: Die Dame mit dem Hündchen (Vertaald door Vera Bischitzky, Kay Borowsk e.a.)

“Es war vor sechs, sieben Jahren, als ich in einem der Kreise des Gouvernements T. lebte, auf dem Herrenhof des Gutsbesitzers Belokurow, eines jungen Mannes, der sehr früh aufstand, in einem Schoßrock herumlief, den Abend mit Biertrinken zubrachte und sich stets bei mir beklagte, daß er nirgends und bei niemandem Anerkennung finde. Er wohnte in einem Nebengebäude im Garten und ich im alten Herrenhaus, in einem riesigen Salon mit Säulen, in dem es außer einem breiten Diwan, auf dem ich schlief, sowie einem Tisch, an dem ich meine Patiencen legte, sonst keine weiteren Möbel gab. Sogar bei ruhigem Wetter brummte hier immer etwas in den alten Amossow-Öfen, und bei Gewitter bebte das ganze Haus, als ob es zerbersten wollte, und das war ein wenig unheimlich, besonders nachts, wenn die zehn großen Fenster plötzlich alle vom Blitz erleuchtet wurden.

Vom Schicksal zu stetigem Müßiggang verurteilt, tat ich rein gar nichts. Stundenlang pflegte ich aus meinen Fenstern den Himmel, die Vögel und die Alleen zu betrachten, alles zu lesen, was mir die Post brachte, und zu schlafen. Manchmal verließ ich das Haus und streifte bis zum späten Abend irgendwo umher. Einmal, auf dem Heimweg, geriet ich zufällig auf ein mir unbekanntes Landgut. Die Sonne ging gerade unter, und auf dem blühenden Roggen breiteten sich die abendlichen Schatten aus. Zwei Reihen alter, dicht gepflanzter, sehr hoher Tannen standen da wie zwei massive Mauern und bildeten eine schöne dunkle Allee. Mit Leichtigkeit kletterte ich über den Zaun und ging die Allee entlang, auf einer mehrere Zentimeter dicken Tannennadelschicht gleitend, die hier den Erdboden bedeckte. Es war finster und still, nur hoch oben in den Baumwipfeln zitterte hier und da ein heller goldener Schein und ließ ein Spinnennetz in den Farben des Regenbogens schillern. Es roch stark, fast beklemmend, nach Tannennadeln.

 

AntonTsjechov (29 januari 1860 – 15 juli 1904)

Monument in Badenweiler

 

 

Doorgaan met het lezen van “Anton Tsjechov, Hans Plomp, Willem Hussem, Lennaert Nijgh, Romain Rolland”

Anton Tsjechov, Hans Plomp, Willem Hussem, Lennaert Nijgh, Romain Rolland

De Russische schrijver Anton Tsjechov werd geboren op 29 januari 1860 in Taganrog, een havenstad in Zuid-Rusland. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 29 januari 2008 en ook mijn blog van 29 januari 2009.

 

Uit: Liebesgeschichten (Ein Unglück, Vertaald door Vera Bischitzky, Kay Borowsk e.a.)

 

„Sofja Petrowna, die Frau des Notars Lubjanzew, eine hübsche junge Dame von etwa fünfundzwanzig Jahren, ging mit ihrem Sommerhausnachbarn, dem vereidigten Rechtsanwalt Iljin, langsam den Waldweg entlang. Es war fünf Uhr abends. Über dem Waldweg ballten sich weiße Flaumwolken; hier und da linsten Fetzen hellblauen Himmels darunter hervor. Die Wolken standen unbeweglich, als klammerten sie sich an die Wipfel der hohen alten Kiefern. Es war still und schwül.

Den Weg kreuzte in der Ferne ein niedriger Eisenbahndamm, über den aus unerfindlichen Gründen gerade ein Posten mit Gewehr schritt. Gleich hinter dem Damm schimmerte weiß eine große sechskuppelige Kirche mit verrostetem Dach…

»Ich hatte nicht erwartet, Ihnen hier zu begegnen«, sagte Sofja Petrowna, blickte zur Erde und berührte mit ihrer Schirmspitze das Laub vom Vorjahr, »bin aber froh, daß ich Sie getroffen habe. Ich muß ernsthaft und endgültig mit Ihnen reden. Ich bitte Sie, Iwan Michailowitsch, wenn Sie mich wirklich lieben und ehren, dann hören Sie auf, mich zu verfolgen.

Sie folgen mir wie ein Schatten, sehen mich ewig mit unguten Blicken an, erklären mir Ihre Liebe, schreiben seltsame Briefe und … und ich weiß nicht, wann das je aufhören soll! Wozu das alles bloß, mein Gott?« Iljin schwieg. Sofja Petrowna ging ein paar Schritte weiter und fuhr fort: »Und diese krasse Veränderung in Ihnen ist vor etwa drei bis vier Wochen eingetreten, nachdem wir seit fünf Jahren miteinander bekannt sind. Ich erkenne Sie nicht wieder, Iwan Michailowitsch!«

Sofja Petrowna warf von der Seite einen Blick auf ihren Begleiter. Er schaute angespannt, blinzelnd, auf die Flaumwolken. Sein Gesicht drückte Groll, Eigensinn und Geistesabwesenheit aus, wie bei einem Menschen, der leidet und sich dabei noch Unsinn anhören muß.

»Es ist schon erstaunlich, daß Sie das nicht selbst begreifen können!« fuhr die Lubjanzewa achselzuckend fort. »So verstehen Sie doch, daß Sie kein ganz anständiges Spiel spielen. Ich bin verheiratet, liebe und ehre meinen Mann … habe eine Tochter… Gilt Ihnen denn das alles gar nichts? Außerdem wissen Sie als alter Bekannter doch genau, wie ich über die Familie denke… über die Grundlagen der Familie überhaupt …«

Iljin räusperte sich ärgerlich und seufzte.“

 

Tsjechov

AntonTsjechov (29 januari 1860 – 15 juli 1904)
Portret door Osip Braz

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Hans Plomp werd op 29 januari 1944 in Amsterdam geboren. Zie ook mijn blog van 29 januari 2009.

 

Psychonaut

voor Gust Gils

 

Voor de geboorte en na de dood

ging je en zag

wat een mens niet zien mag

van priesters en geleerden

die de poorten van het paradijs bewaken

en kruisigen of gek verklaren

degenen die door de angstmuren en wetten braken:

de eters van door valse god verboden bomen,

de dromers van lucide dromen.

 

Je keek door t sleutelgat en zag

een andere dimensie,

ontdekte achter muur en hek

een paradijs dat klaar ligt

voor de wijze gek

die tegen het bevel

van bijbel en geleerde

op eigen wijze zich naar binnen keert

en ziet dat daar de sleutel ligt

en uit een heilig soort nieuwsgierigheid

de poorten opent naar de eeuwigheid.

 

Plomp

Hans Plomp (Amsterdam, 29 januari 1944)

 

De Nederlandse schilder en dichter Willem Hussem werd geboren in Rotterdam op 29 januari 1900. Zie ook mijn blog van 29 januari 2009.

voorzichtig

voorzichtig
heb ik de gevangen vogel

uit de strik verlost

ik laat hem vliegen
hij geeft mij vleugels

 

 

avond zet

avond zet
de polder blank
huizen komen
te drijven
rijen bomen
zweven naar
de einde
het land lost op
in nevelen

Hussem

Willem Hussem (29 januari 1900 – 21 juli 1974)

 

De Nederlandse tekstdichter, columnist en schrijver  Lennaert Nijgh werd geboren in Haarlem op 29 januari 1945. Zie ook mijn blog van 29 januari 2008 en ook mijn blog van 29 januari 2009.

Verdronken vlinder

 

Zo te sterven op het water met je vleugels van papier
Zo maar drijven na ’t vliegen in de wolken drijf je hier
Met je kleuren die vervagen zonder zoeken, zonder vragen
Eindelijk voor altijd rusten met de bloemen die je kuste
Geuren die je hebt geweten
Alles kan je nu vergeten
Op het water wieg je heen en weer

Zo te sterven op het water met je vleugels van papier
Als een vlinder die toch vliegen kan tot in de blauwe lucht
Als een vlinder altijd vrij en voor het leven op de vlucht
Wil ik sterven op het water maar dat is een zorg van later
Ik wil nu als vlinder vliegen op de bloemenblaadren wiegen

Maar zo hoog kan ik niet komen
Dus ik vlieg maar in mijn dromen
Altijd ben ik voor het leven op de vlucht
Als een vlinder die toch vliegen kan tot in de blauwe lucht
Om te leven, dacht ik, je zou een vlinder moeten zijn
Om te vliegen heel ver weg van alle leed en alle pijn

Maar ik heb niet langer hinder
van jaloers zijn op een vlinder
Als zelfs vlinders moeten sterven
Laat ik niet mijn vreugd bederven
Ik kan zonder vliegen leven
Wat zal ik nog langer geven
Om een vlinder die verdronken is in mij

Om te leven hoef ik echt geen vlinder meer te zijn

 

Nijgh

Lennaert Nijgh (29 januari 1945 – 28 november 2002)

 

De Franse schrijver Romain Rolland werd geboren op 29 januari 1866 in Clamecy. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 29 januari 2008 en ook mijn blog van 29 januari 2009.

 

Uit: Romain Rolland. Journal des années de guerre (1914-1919)

 

NOTEBOOK I (July 31-October 6, 1914)

Vevey, Hotel Mooser.

July 31, 1914, 3.30 p.m. A telegram from the Federal Council posted up at Vevey Station announces “general -mobilization in Russia and state of war proclaimed in Germany.”

Today is one of the finest days of the year. The evening is wonderful. The mountains float in a light, luminous, bluish haze; the moonlight spreads a stream of molten red gold over the lake from the Savoy shore between Bouvert and Saint Gingolph, to Vevey. The air is delightful, the night is bathed in the scent of wistaria and the stars are shining with a pure radiance. It is in this divine peace and this tender beauty that the peoples of Europe are beginning the great slaughter.2

In his notes on October 1, Romain Rolland quotes a passage from his letter to Louis Gillet3 in answer to his letter which was imbued with hatred for the Germans.

“… For two months I have been In the mo-tionless centre of a raging whirlwind. Everything reaches us here from all points of Europe, all the furies and all the fevers—- Oh, you have no idea of the state of the German people! If you knew it the situation would seem to you much more tragic. They know nothing of France, but you know nothing of Germany either…. A France of 1792 is faced by a Germany of 1813 which thinks it is fighting for the liberty of the world just as we think we are…. As for the vandalism of her armies, she knows nothing of them; she knows only of the dum-dum bullets and the Belgian atrocities (the atrocities of the Belgians!). It is impossible to pierce the wall of false news reports. ‘Rheims, Louvain … calumnies of the Allied press!…’ You would never be able to convince my old Schulz!4 Poor old chap, when he gets to know! No, my friend, do not let yourself be infected by the contagion of vengeance and hatred. Try and lock up in a cage, if you can, the General Staff, the Junkers and the princes. Delivered from those beasts of prey, Germany will recover her health….”

 

 RomainRoland

Romain Rolland (29 januari 1866 – 30 december 1944)
Hier met Ghandi in 1931

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e januari ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

 

Anton Tsjechov, Hans Plomp, Willem Hussem, Lennaert Nijgh, Romain Rolland, Olga Tokarczuk, Germaine Greer, Mirjam Müntefering, Serap Çileli, Gert Hofmann, Muna Lee, Johann Seume, Hubert C. Poot, Vicente Blasco Ibáñez

De Russische schrijver Anton Tsjechov werd geboren op 29 januari 1860 in Taganrog, een havenstad in Zuid-Rusland. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 29 januari 2008.

Uit: Weiberwirtschaft   (Vertaald door Reinhold Trautmann)

 

Da lag ein dickes Geldpaket. Es kam aus dem Forstrevier, vom Verwalter. Er schrieb, daß er fünfzehnhundert Rubel schicke, die er eingetrieben habe nach einem in zweiter Instanz gewonnenen Prozeß. Anna Akimowna liebte Ausdrücke wie »eintreiben« und »den Prozeß gewinnen« nicht, sondern fürchtete sie. Sie wußte, daß man ohne Gerichtsverfahren nicht auskommt, aber es war ihr jedesmal unheimlich, und sie spürte Gewissensbisse, wenn der Fabrikleiter Nasarytsch oder der Revierverwalter, die häufig prozessierten, einen Rechtsstreit für sie gewannen.

Auch jetzt wurde ihr unheimlich und unbehaglich, und sie hätte diese tausendfünfhundert Rubel am liebsten möglichst weit weggelegt, um sie nicht mehr sehen zu müssen.

Sie dachte verdrießlich darüber nach, daß ihre Altersgenossinnen – sie war sechsundzwanzig Jahre alt – sich jetzt mit dem Haushalt plagten, bald müde einschlafen und morgen früh in festtäglicher Stimmung erwachen würden; viele von ihnen waren schon verheiratet und hatten Kinder. Sie allein war dazu verurteilt, wie eine alte Frau über diesen Briefen zu sitzen, sie mit Bemerkungen zu versehen, Antworten zu schreiben, dann den ganzen Abend bis Mitternacht nichts weiter zu tun, als darauf zu warten, daß es Zeit wurde, schlafen zu gehen; morgen würde man ihr den ganzen Tag über gratulieren und Bitten vorbringen, und übermorgen gäbe es in der Fabrik bestimmt einen Skandal, man würde jemanden verprügeln, oder einer würde am Wodka sterben, und sie würde sich deswegen Vorwürfe machen; nach den Feiertagen würde Nasarytsch an die zwanzig Mann wegen Wegbleibens von der Arbeit entlassen, und alle zwanzig würden dann mit abgenommenen Mützen an der Treppe warten, und es würde ihr peinlich sein, zu ihnen hinauszugehen, und man würde sie wie Hunde wegjagen.“

 

Tsjechov

AntonTsjechov (29 januari 1860 – 15 juli 1904)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Hans Plomp werd op 29 januari 1944 in Amsterdam geboren. In 1959, toen hij nog op de middelbare school zat, begon hij gedichten te schrijven. Na zijn middelbare school ging Plomp Nederlands studeren en werkte daarna enige tijd als leraar. Plomp werd actief in Provo, gaf zijn leraarschap op en publiceerde in 1968 zijn eerste roman. In enkele latere boeken beschrijft hij de ‘scene’ van binnenuit. Vooral het Amsterdams Dodenboekje werdf beroemd. In 1973 bezette hij met vrienden en vriendinnen het dorp Ruigoord dat gesloopt dreigde te worden.

 

 

Een mensenleven

Veel gedaan in dit bestaan
hete kastanjes
uit het vuur gehaald,
met stille trom vertrokken,
hazenpad ontdekt,
een handvol
schoenveters gebroken,
vierduizend pukkels uitgeknepen,
tienduizend liter bier gedronken,
zo’n twintigduizend liter thee en koffie,
een keer of negenduizend klaargekomen,
driemaal een blinde helpen oversteken
– al spartelden ze heftig tegen.

 

Plomp

Hans Plomp (Amsterdam, 29 januari 1944)

 

De Nederlandse schilder en dichter Willem Hussem werd geboren in Rotterdam op 29 januari 1900.  Hij was een leerling van Dirk Nijland en bezocht de Rotterdamse Academie. Hussem woonde van 1918 tot 1936 in Parijs, waar hij onder anderen Piet Mondriaan en Pablo Picasso leerde kennen. Naast laatstgenoemde heeft ook Vincent van Gogh invloed op zijn stijl uitgeoefend. In 1936 vestigde hij zich definitief in de Haagse Mijtensstraat (schilderswijk). Vanaf de Tweede Wereldoorlog werden zijn werken abstract. Hij maakte deel uit van kunstbewegingen als Fugare, de Liga Nieuw Beelden en Verve. Zijn werk wordt gerekend tot de kunsstroming de Nieuwe Haagse School. In 1940 verscheen zijn eerste bundel gedichten met De kustlijn. In 1941 volgde Uitzicht op zee. Pas twintig jaar later verscheen er opnieuw poëzie van Hussem in de bundel Steltlopen op zee (1961).

 

Zet het blauw…

Zet het blauw
van de zee
tegen het
blauw van de
hemel veeg
er het wit
van een zeil
in en de
wind steekt op

hussem

Willem Hussem (29 januari 1900 – 21 juli 1974)

 

De Nederlandse tekstdichter, columnist en schrijver  Lennaert Nijgh werd geboren in Haarlem op 29 januari 1945. Zie ook mijn blog van 29 januari 2008.

Uit: De Engel van Amsterdam

Een engel voor paal

 

Ik zou ze wel even vertellen,
hoe het hoort allemaal, hoe het moet.
Ik was de reddende engel
en ik wist het immers zo goed.
Maar ze laten me praten voor noppes,
of ze zijn alleen maar zo bang
dat mijn boodschap ze niet zou bevallen
of kenden ze die boodschap al lang.

Ik wist wel het antwoord op alles
maar ik kende hun vragen niet eens.
Ja, ik wist het zo goed allemaal,
ik zou me er eens mee bemoeien,
maar ze blijven liever zelf knoeien
en hier staat inderdaad, ten einde raad,
een engel, een engel voor paal.

De stad lijkt opeens veel stiller en kouder,
en bijna vijandig, de straten benauwder.
de stad lijkt vervangen sinds ik hier kwam
Ik weet nu opeens wat een mensen bedoelen
als ze zeggen zich ver van de hemel te voelen
’t wordt zo donker, ’t wordt zo donker,
’t wordt zo donker in Amsterdam.

Nijgh

Lennaert Nijgh (29 januari 1945 – 28 november 2002)

 

De Franse schrijver Romain Rolland werd geboren op 29 januari 1866 in Clamecy. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 29 januari 2008.

 

Uit: Clerambault

 

„Clerambault had just finished with a Schilleresque vision of the fraternal joys promised in the future. Maxime, carried away by his enthusiasm in spite of his sense of humour, had given the orator a round of applause all by himself. Pauline noisily asked if Agénor had not heated himself in speaking, and amid the excitement Rosine silently pressed her lips to her father’s hand.

The servant brought in the mail and the evening papers, but no one was in a hurry to read them. The news of the day seemed behind the times compared with the dazzling future. Maxime however took up the popular middle-class sheet, and threw his eye over the columns. He started at the latest items and exclaimed; “Hullo! War is declared.” No one listened to him: Clerambault was dreaming over the last vibrations of his verses; Rosine lost in a calm ecstasy;…“

 

romainrolland

Romain Rolland (29 januari 1866 – 30 december 1944)
Portret door Frans Masereel

 

De Poolse schrijfster Olga Tokarczuk is in Sulechów, dichtbij Zielona Góra, geboren op 29 januari 1962. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 29 januari 2008.

Uit: The Subject (Vertaald door Antonia Lloyd-Jones)

 

He turned a few pages, and suddenly the following words caught his attention: “The hero of this amazing story, the author’s alter ego, has the same first name as him and even lives at the same address in Warsaw, off Jerozolimskie Avenue”. He read it over several times, dragging on his cigarette. He thought back to the time, twenty years ago, when he’d written The Open Eyes of Life. It was a terrible time, hopeless. It felt as if the end of the world had come, though everything had turned out all right in the end. But what’s all right, and what’s not, he thought, casting a predatory glance at the four cigarettes he had left until the end of the day. The writing had gone well in those days. That vague sense of despair, that feeling of indifference and absurdity had given him an impetus; they were like a loving mother who caressed the words into being, nurtured whole paragraphs and handed him ready-made images on a plate. These days everything had become papery; however solid it might look from the outside, if you tried to describe life nowadays in some way, you’d have to battle your way through layer upon layer of rubbish. Normality was uninteresting, full of trivial little details that poured from the newspapers each morning like sand and immediately gathered dust.”

 

Olga_Tokarczuk

Olga Tokarczuk (Sulechów, 29 januari 1962)

 

De Australische literatuurwetenschapper en publiciste Germaine Greer werd geboren in Melbourne op 29 januari 1939. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 29 januari 2008.

 

Uit: Shakespeare’s Wife

 

The Christian name of the woman who married William Shakespeare in 1582 is as unstable as her surname. The only evidence that Richard Hathaway alias Gardner of Shottery had a daughter called Ann is a reference in his will to a daughter called Agnes. Scholars have demonstrated convincingly that in this period Agnes and Ann were simply treated as versions of the same name, pointing out dozens of examples where Agnes, pronounced ‘Annis’, gradually becomes ‘Ann’. Richard Hathaway left a sheep to a great-niece he calls Agnes, though according to the parish record she was actually christened Annys; in 1600 she was buried as Ann. Theatre manager Philip Henslowe called his wife Agnes in his will but she was buried as Ann. Ann’s brother Bartholomew called a daughter Annys, but she was buried as Ann. The curate William Gilbert alias Higgs who wrote Hathaway’s will married Agnes Lyncian, but she was buried as Ann Gilbert. This is not simply serendipitous. Agnes was the name of a fourth-century virgin martyr of the kind whose lurid and preposterous adventures are the stuff of The Golden Legend, justly ridiculed by protestant reformers. Ann (or Hannah) was the solid biblical name of the Redeemer’s grandmother. It is only to be expected that as protestantism gained hearts and minds Agnes would be silently driven out by Ann. We may accept that the child born Agnes Hathaway grew up to be Ann Shakespeare.“

 

greer

Germaine Greer (Melbourne, 29 januari 1939)

 

De Duitse schrijfster Mirjam Müntefering werd geboren op 29 januari 1969 in Neheim. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 29 januari 2008.

 

Uit: Tochter und viel mehr

 

“Ich kann es nicht ausstehen, zu verreisen. Ich habe bestimmt was vergessen!, stöhne ich, im Türrahmen lehnend und stumpf vor mich hinstarrend. Ich weiß, dass ich was vergessen hab. Hast du deine Leseexemplare?, fragt die Beste Reiseorganisatorin von allen. Dein Tagebuch? Pyjama? Zahnbürste? Ja. Ja. Ja. Trotzdem. Es ist immer das Gleiche. Ich hasse es, allein wegzufahren. Eine Reise ist für mich nur dann zu genießen, wenn meine Liebsten mit mir fahren: die Beste Lebensgefährtin von allen und unsere beiden Hunde. Bleiben diese drei Herzstücke meines Lebens zurück, rechtfertigt eine Reise, dich mich mehrere Tage von daheim wegführt, eigentlich nur eines: das Lesen. Wohlgemerkt: das Lesen rechtfertigt ein solches Fortgehen aus meinem mir vertrauten Leben- es macht das Wegfahren aber nicht angenehmer!”

 

MirjamMuentefering

Mirjam Müntefering (Neheim, 29 januari 1969)

 

De Turks-Duitse dichteres en schrijfster Serap Çileli werd geboren op 29 januari 1966 in Mersin. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 29 januari 2008.

 

Die Ehrenmänner   

  

Ein Mann von Ehre, ist nach Gottes Bild geschaffen und dient seiner Ehre.

Die Ehre des Mannes ist die Frau; sie ist zur Ehre des Mannes geschaffen.

 

Ein Mann von Ehre, ist entschlossen und kämpft um seine geschändete Ehre.

Ein Mann von Ehre, lässt sich nicht von der Polizei oder Justiz lenken.

Ein Mann von Ehre, ist der, der mit eigener Hand tötet.

 

Die Ehre ist das Herz eines Mannes, ohne die ein Mann nicht leben kann.

Die Ehre des Mannes ist unantastbar, ein ungemein kostbares Gut.

 

Die Ehre, durch sie werden die größten Männer schwach.

Die Ehre eines Ehrenmannes ist leicht verletzlich, angreifbar und empfindlich.

Die Ehre des Mannes ist abhängig „von mir“;

„die Hüterin der Ehre des Mannes“.

 

Ich stelle die größte Gefahr für die Ehre des Ehrenmannes dar.

Es ist meine weibliche Urschuld; „die weibliche Sexualität“.

Ich bin die “ewige Sünderin“, das unbekannte Wesen.

 

Ich bin „die Gefahr“ für die ungeborenen Ehrenmänner.

 

serap

Serap Çileli (Mersin, 29 januari 1966)

 

De Duitse schrijver Gert Hofmann werd geboren op 29 januari 1931 in Limbach in Sachsen. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 29 januari 2008.

 

Uit: Casanova und die Figurantin

 

„Schade, dass mein Alter und meine Erscheinung es nicht gestatten …
Und Casanova: Ihr Alter, wie meinen Sie das?
Ja, finden sie mich denn nicht alt, fragt sie.
Madame stehen auf der Höhe Ihrer Schönheit!
Finden Sie?
Madame machen auf mich, versichert Casanova und legt nun sogar die Hand aufs Herz, und wir bitten noch einmal um Vergebung, wenn dieses erbärmliche, von beiden Seiten aber durchaus ernst geführte Gespräch nun in eine Farce übergeht oder schon übergegangen ist. Jedenfalls macht die reiche alte Frau auf den alten armen Mann angeblich noch immer einen begehrenswerten Eindruck. Und so jung, fügt er hinzu, sei er ja auch nicht mehr.
Aber noch im Besitz der Kräfte?
Und Casanova, nach einem Augenblick der inneren Prüfung: In den meisten Fällen: Ja.
[…] Nun, sagt die D’Urfé, die plötzlich gegen alle Vernunft, auch gegen alle Erfahrung zu hoffen anfängt, dass sie sich mit dem Verfall ihrer Reize zu schnell abgefunden haben […] könnte. Nun, sagt sie, vielleicht haben Sie Recht. In diesem Fall könne sie ihm eine Stelle bei der Lotterie verschaffen, da hätte er nicht viel zu tun…“

 

hofmann

Gert Hofmann (29 januari 1931 – 1 juli 1993)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Muna Lee werd geboren op 29 januari 1895 in Raymond, Mississippi. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007.

The Flame-Trees

 

For I have reached a fairer place
Than I had hoped to find,
With all the life that I had known
A scroll cast-off behind;

 

And changed into a slighter thing
The torrent of old grief
Than heavy waves that break in spray,
White on the outer reef;

 

And love so sure and joy so strong
That pain and sorrow are thinned
To a little mist that cannot blur
The flame-trees in the wind.

 

muna-1930

Muna Lee (29 januari 1895 – 3 april 1965)

 

De Duitse schrijver en dichter Johann Gottfried Seume werd geboren op 29 januari 1763 in Posema, Sachsen-Anhalt. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007.

Uit: Spaziergang nach Syrakus im Jahre 1802 (Dresden)

Die Elbe rollte majestätisch zwischen den Bergen von Dresden hinab. Die Höhen glänzten, als ob eben die Knospen wieder hervorbrechen wollten, und der Rauch stieg von dem Flusse an den alten Scharfenberg romantisch hinauf. Das Wetter war den achten Dezember so schwül, daß es unserm Gefühl sehr wohltätig war, als wir aus der Sonne in den Schatten des Waldes kamen.

Seit zwölf Jahren hatte ich Dresden nicht gesehen, wo ich damals von Leipzig herauf wandelte, um einige Stellen in Guischards mémoires militaires nachzusuchen, die ich dort nicht finden konnte. Auch in Dresden fand ich sie nicht, weil man sie einem General in die Lausitz geschickt hatte. Nach meiner Rückkehr traf ich den Freibeuter Quintus Icilius bei dem Theologen Morus, und fand in demselben nichts, was in meinen Kram getaugt hätte. So macht man manchen Marsch in der Welt wie im Kriege umsonst. Es wehte mich oft eine kalte, dicke, sehr unfreundliche Luft an, wenn ich einer Residenz nahekam; und ich kann nicht sagen, daß Dresden diesmal eine Ausnahme gemacht hätte, so freundlich auch das Wetter bei Meißen gewesen war. Man trifft so viele trübselige, unglückliche, entmenschte Gesichter, daß man alle fünf Minuten auf eines stößt, das öffentliche Züchtigung verdient zu haben, oder sie eben zu geben bereit scheint:

 

seumemr

Johann Gottfried Seume (29 januari 1763 – 13 juni 1810)

 

De Nederlandse dichter Hubert Kornelisz. Poot  werd geboren in Abtswoude op 29 januari 1689. Aanvankelijk was Poot boer. Het succes van zijn in 1716 gepubliceerde Mengeldichten (herdrukt in 1718) bracht hem er in 1723 toe om zich in Delft te vestigen en zich geheel aan de literatuur te wijden. Dat draaide echter uit op een teleurstelling en een jaar later keerde hij terug naar zijn dorp. Na zijn huwelijk in 1732 verhuisde hij opnieuw naar Delft, waar hij na een jaar aan een nierziekte overleed. Poot schreef veel gelegenheidsgedichten, waarmee hij succes oogstte, maar die nu in de vergetelheid zijn geraakt.  Tegenwoordig zijn nog wel de erotisch getinte minnedichten aardig om te lezen  (Mars en Venus’ beddepraet, De verliefde Venus en De maen by Endymion). Deze werden in 1964 als Minnezangen apart uitgegeven. Ook zijn natuurgedichten (Akkerleven, Nacht) behoren tot zijn betere werk. De Schoolmeester schreef een kort en puntig grafschrift voor hem:

 

    Hier ligt Poot,

    Hij is dood.

 

 

Mars en Venus beddepraet (Fragment)

 

Mars. Venus.

 GOdin, wat doet u t’sagen,

Nu gy me ontharnast ziet?

Puikschoone, staek uw klagen:

Myn wreede wolven zyn hier niet,

Zy slapen by myn’ wagen.

 

Venus.

Myn moedt zou niet verslappen

Al quam uw kargespan.

‘k Verkeer woeste eigenschappen;

Maer ‘k vreeze mynen manken man:

De Zon mogt ons beklappen.

 

Mars.

Myn beuklaer, speer en degen,

Zyn uwen blixemsmit,

Hunn’ eigen maker, tegen.

Me lief, wie ooit verlegen zit,

Wy zitten niet verlegen.

 

poot

Hubert C. Poot (29 januari 1689 – 31 december 1733)

 

De Spaanse schrijver Vicente Blasco Ibáñez werd geboren op 29 januari 1867 in Valencia. Buiten Spanje werd hij vooral bekend door zijn roman Los cuatro jinetes del apocalipsis, in 1921 verfilmd als The Four Horsemen of the Apocalypse, die zich afspeelt in WO I. In 1962 werd hij opnieuw verfilmd, maar toen met als achtergrond WO II. Tijdens zijn leven was hij de best verkochte schrijver van Spanje, maar ook omstreden wegens zijn politieke activiteiten.

 

Uit:  The Four Horsemen of the Apocalypse  (Vertaald door Charlotte Brewster Jordan)

 

„They were to have met in the garden of the Chapelle Expiatoire at five o’clock in the afternoon, but Julio Desnoyers with the impatience of a lover who hopes to advance the moment of meeting by presenting himself before the appointed time, arrived an half hour earlier. The change of the seasons was at this time greatly confused in his mind, and evidently demanded some readjustment.

Five months had passed since their last interview in this square had a
fforded the wandering lovers the refuge of a damp, depressing calmness near a boulevard of continual movement close to a great railroad station. The hour of the appointment was always five and Julio was accustomed to see his beloved approaching by the reflection of the recently lit street lamps, her figure enveloped in furs, and holding her muff before her face as if it were a half-mask. Her sweet voice, greeting him, had breathed forth a cloud of vapor, white and tenuous, congealed by the cold. After various hesitating interviews, they had abandoned the garden. Their love had acquired the majestic importance of acknowledged fact, and from five to seven had taken refuge in the fifth floor of the rue de la Pompe where Julio had an artist’s studio. The curtains well drawn over the double glass windows, the cosy hearth-fire sending forth its ruddy flame as the only light of the room, the monotonous song of the samovar bubbling near the cups of tea—all the seclusion of life isolated by an idolizing love—had dulled their perceptions to the fact that the afternoons were growing longer, that outside the sun was shining later and later into the pearl-covered depths of the clouds, and that a timid and pallid Spring was beginning to show its green finger tips in the buds of the branches suffering the last nips of Winter—that wild, black boar who so often turned on his tracks.“

 

Blasco

Vicente Blasco Ibáñez (29 januari 1867 – 28 januari 1928)