Bernard Dewulf, Tijs Goldschmidt, Anne-Gine Goemans, Han van der Vegt, Shirley Hazzard, Adelbert von Chamisso, Les Barker, Michael Dorris, Anton Hansen Tammsaare

De Vlaamse dichter, schrijver en journalist Bernard Dewulf werd op 30 januari 1960 in Brussel geboren. Zie ook alle tags voor Bernard Dewulf op dit blog.

Roerloos ingevuld

1.
wie legt de eenvoud uit, de eenvoud
van het zwart. dat noch zijn eigen
stille waanzin, noch mijn rustig reiken
kent. waar vindt de lichtste koestering
zijn zacht verwijt. en waar de late ritsel
op de blaren.

hoe was dit te begrijpen. wat slechts
langzaam en door ogen niet gezien
binnen handbereik gevallen was. en
op geen woord betrapt. hoe leed dit leven
aan zichzelf.

hoe werd mijn lach tot woord. mijn mond
zo koel.


2.

wenst elk huis zich warmte toe,
het einde van een dag verraadt dit
slechts. want mensen liggen dichter
van elkaar. en lachen om het zwart
dat rond hun voeten hangt.

hoe legt hier elke boom en ieder huis
zich uit. zij zijn een stil moment. en
dragen slechts nog hier en daar de sporen
van hun leven. hier en daar dan ook
de wereld niet.

(ik heb gewandeld op de dagen. en
de wereld wist het niet. de lieve mensen
hadden zich gekeerd. zoals dat ook het licht
veel vroeger, en veel trager, deed.)


3.

deze avond heeft het licht in handen,
heeft zich heel wat stilte opgelegd.

(een late vogel komt van ver terug,
op smalle slagen en met stil gesloten ogen
vaart hij mee met licht)

ik heb gelachen met de bomen, wit
gelachen in de wind en met hen
meegebogen naar de grond.

ik heb de avond ingevuld. de trage
gang van zaken is mij bijgebleven.


Bernard Dewulf (Brussel, 30 januari 1960)

 

De Nederlandse schrijver Tijs Goldschmidt werd geboren op 30 januari 1953 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Tijs Goldschmidt op dit blog.

Uit: Een olifant in de Schwebebahn

“Door de lucht sneed, hangend aan kabels, een trammetje, dat afboog boven een rivierdal. Rasch woonde in een wit gepleisterd huis vlak bij het station. Alleen de begane grond stond nog overeind. Een bezorgd kijkende vrouw van een jaar of vijfenvijftig deed open. De dochter van Rasch die over was uit Hong-Kong. Een nauw donker gangetje, links aan de straat een tekenkamer. Maquettes van wolkenkrabbers, een tekening van een kerk.
We werden uitgenodigd in de woonkamer die wat onderkomen was. De chaos had vat gekregen op de strenge helderheid die er ooit was geweest. Die voelde je nog wel. Een mooi vorm gegeven rolluik in plaats van gordijnen en een in de muur verzonken boekenkast met glazen deuren, die waren gevat in een stalen frame. Met aandacht en overtuiging gemaakt. Stapels boeken, paperassen en tekeningen lagen her en der verspreid in de kamer.
O. begroette Rasch als eerste en stelde me aan hem voor. Ik kon zijn aangezicht nauwelijks zien, zo krom was hij gegroeid. Rasch was de negentig al gepasseerd. In zijn kale schedel zat een deuk, waardoor ik direct aan de oorlog moest denken. Met grote moeite keek Rasch langzaam op. Levendige, haast ondeugende ogen. Op zijn lichtblauwe overhemd droeg hij een bordeauxrood strikje. Een heer. Rasch: ‘Ah, ein grosser Mann. So gross wie Mart Stam.’ O.: ‘Hij houdt van schilderijen.’ Rasch kwam dichter bij me staan en fluisterde: ‘Maler?’ Ik ontkende dat. Rasch had eigenlijk zelf schilder willen worden, maar had altijd getwijfeld of hij genoeg aanleg had. Als architect was hij vooral mechanisch sterk geweest, een constructeur. Kon een gebouw neerzetten op één paal. Stevig, maar geen grote architectuur. ‘Zijn stoelen zijn misschien wel mooier dan zijn gebouwen,’ meende O. Rasch wenkte me vriendelijk en wees me een stoel. Een gebogen buis met rieten zitting, geen achterpoten. De stoel was oud, maar nog altijd gaaf: ‘Setzen Sie sich. Dieser ist von Mies, 1928.’ Er is veel kritiek op gekomen. Hij heeft geen leuningen en als je vooroverbuigt heeft hij de neiging naar achteren weg te schieten. Rasch: ‘Ik had eens een gast, een aantrekkelijke jonge vrouw die met haar kin op deze tafel terecht is gekomen en zich akelig bezeerd heeft.’
Rasch legde zijn hand op een tweede buisstoel en zei: ‘Dit is de concurrent. Probeert u hem eens.’ Ik wisselde van stoel. ‘Gesundheitsstuhl heet hij, omdat hij steun geeft in de onderrug.’
Rasch keek me vriendelijk afwachtend aan. ‘Zit goed, mooi gemaakt’, mompelde ik, terwijl ik O. en Rasch toeknikte. ‘Ontwerp Rasch’, zei Rasch ‘sla uw benen eens over elkaar en leg ze over de zijleuning. Jonge vrouwen hebben me verzekerd dat dit een groot voordeel is van deze stoel. Zo te kunnen zitten, met de benen over de zijleuning. Dat is uitgesloten met de stoel van Mies.’


Tijs Goldschmidt (Amsterdam, 30 januari 1953)

 

De Nederlandse schrijfster Anne-Gine Goemans werd geboren in Heemstede op 30 januari 1971. Zie ook alle tags voor Anne-Gine Goemans op dit blog.

Uit:Glijvlucht

“Ook de karakters en hobby’s van de broers verschilden. Zijn vader hield van vogels en stripboeken. Oom Fred van koken en literatuur. Het enige wat ze deelden was hun lengte van één meter negenennegentig en de zorg voor Gieles.
‘Denk je aan de ganzenpoep?’ vroeg oom Fred en overhandigde hem de krant met schillen. ‘We hebben gasten. Een echtpaar.’ Hij zei het verheugd.
Uit de schuur pakte Gieles een schep en een emmer. De deal met zijn vader was duidelijk. Hij mocht twee ganzen houden, zolang ze niet vlogen. Zodra ze de lucht in gingen, moesten ze weg. Ook was hij verantwoordelijk voor de verzorging, wat voornamelijk neerkwam op stront ruimen. De ganzen kakten gemiddeld om de minuut.
Naast de oude boerderij lag een stuk weiland waar oom Fred een camping runde. Hij had zijn camping onlangs laten opnemen in een kamperen-bij-de-boergids, hoewel de plek aan geen enkel criterium voldeed. Rust of stilte vond je er niet. In bijna hetzelfde moordende tempo als de ganzen scheten, kwamen de vliegtuigen. De samensteller van de gids typeerde het als een nichecamping. Daar was geen woord van gelogen. Gezinnen lieten zich niet zien. Kamperende spotters waren doorgaans zonderlinge figuren. Dat de camping geen succes was, kon oom Fred niet schelen. Hij maakte zich nergens druk om. Hij haalde ook zijn schouders op over de grauwsluier van kerosine op het houten bord met welkom op de hotspot.
De ganzen kwamen zijn kant op. Met uitgestrekte en slingerende halzen begroetten ze hem. Hij aaide de kuifjes op hun kop. Gieles zette de emmer met schillen in het gras. Weinig enthousiast staken ze hun kop erin en pikten toen tegen zijn bovenbenen. De ganzen aten liever speculaas. Ze waren verslaafd aan de koek. Gieles gaf ze die alleen tijdens de training. Anders luisterden ze helemaal niet meer.”


Anne-Gine Goemans (Heemstede, 30 januari 1971)

 

De Nederlandse dichter Han van der Vegt werd op 30 januari 1961 geboren te Utrecht. Zie ook alle tags voor Hans van der Vegt op dit blog.

Exhorbitans (Fragment)

De metalen lamellen van haar oogleden openen zich
lateraal en een brede ruit biedt ons zicht op buiten
In het glas tekenen zich in lijnen, bogen
de modaliteiten van onze reis uit:
naar hun belang gekleurde vectoren en cirkels
tonen waar zwaartekrachtvelden en zonnewind
zich uitstrekken in de ons omringende ruimte.

Dan wordt het geometrisch schema ingevuld
met sterren en nevels als de sluisdeuren voor ons
van elkaar schuiven. Het schip slaakt een luide zucht
en verheft haar trillende huif boven de boorden.
Achter ons zwelt een gezang van dissonerende
dwalende stemmen die zich naar elkaar richten.
Dan stort zij zich voorover op het vol akkoord.

Het is alsof we naar alle kanten tegelijk
vallen, vóór, boven en onder ons
suist dezelfde diepte ons voorbij.
Als door een mond worden wij naar achter gezogen
in onze stoel, die zich om ons stulpt als een
slijmvlies van artificiële zwaartekracht,
en ons tegen de effecten van druk houdt geborgen.

Wanneer wij een constante snelheid hebben bereikt
plooit het plastic terug, en wij zien
dat de strak in de ruit staande lijnen
vervloeid zijn tot golven. Onder Exorbitans’ kiel
spat het fluïdum van tijd en ruimte uiteen
in breed uitwaaierende sluiers van jaren en eeuwen.
In haar zog kolkt daar samen met hier.


Han van der Vegt (Utrecht, 30 januari 1961)

 

De Australische schrijfster Shirley Hazzard werd geboren op 30 januari 1931 in Sydney. Zij overleed op 12 december jongstleden op 85-jarige leeftijd. Zie ook alle tags voor Shrley Hazzard op dit blog.

Uit: Greene on Capri

“That evening, as we arrived at our fireside table in the inner room at Gemma’s restaurant, Graham, with his friend Michael Richey, stood up to greet us. We dined together. And so began our years of seeing Greene on Capri.
A day or so later, Graham asked us to lunch at his house in Anacapri. In rather better weather we took the bus up the vertiginous road of the Monte Solaro, the island’s presiding dolomitic mountain. Getting out in Piazza Caprile—a farthermost enclave of the little town of Anacapri, which runs along a ridge of the Solaro slope—we walked the couple of hundred yards to Graham’s gate. Il Rosaio, as the house is called, sharing its name with an adjacent property, dates in present form from about 1922. It belongs to a period when the ancient rustic architecture of Capri, compact, domed, and curved, was taken up by certain of the island’s more worldly residents—and in particular by an entrepreneurial mentor of Capri, Edwin Cerio—as a basis for constructing charming houses: white, but not starkly so; well made but never massive; not luxurious, but comfortable, and appropriate to climate and surroundings. A score or more of these houses, each different but linked in style, are scattered through the island, most of them still in private hands. The danger of such emulative architecture—that it may seem coy, or toy—has long since been exorcised by the Capri climate, which, through seasonal alternations of scorching and soaking, weathers any tactful, durable structure into authenticity. The island’s prolific growth of flowering plants, shrubs, and vines does the rest.
The wrought-iron gate of the Rosaio is set into the arch of a high white wall and provided with a bell and bellpull. You walk into a secluded garden reminiscent of Greece or North Africa, and characteristic, even today, of many Capri dwellings where the island’s history of “Saracen” assaults by sea, and its once imperative climatic needs, linger in structural patterns common to all the Mediterranean. Intersecting paths paved with old rosy bricks lead, as in a childhood dream, to the obscure front door. The slight suggestion of a maze would have attracted the author of Ways of Escape. The house is small, its ground floor having four rooms and the upper storey consisting only of a single ledge-like space. (At a later time, Graham had a portion of the roof fitted up as a sheltered terrace that looks down the island’s long western slope to the sea and over to the cone of Ischia on the horizon, providing vermilion views of extravagant sunsets.) The entire space of the property—imaginatively expanded, by censorious writers on Greene, into a site of sybaritic luxury—is that of a suburban English cottage with its pleasant plot of ground. The core of that particular criticism may be that the Rosaio is not suburban: it is on Capri.”


Shirley Hazzard (30 januari 1931 – 12 december 2016)
Cover

 

De Duitse dichter en schrijver Adelbert von Chamisso werd op het slot Boncourt in de Champagne geboren op 30 januari 1781. Zie ook alle tags voor Adelbert von Chamisso op dit blog.

Heimweh

O laßt mich schlafen! o ruft mich
In die Gegenwart nicht zurück!
Mißgönnt ihr dem kranken Mädchen
Den Traum, den Schatten von Glück?

Was sprecht ihr mir zu? vergebens!
Mein Herz verstehet euch nicht.
Bin fremd in eurem Lande;
Hier schmerzt mich das Tageslicht.

Hier dehnt sich das flache Gefilde
So unabsehbar und leer,
Darüber legt sich der Himmel
So freud- und farblos und schwer.

Es sieht mein müdes Auge,
Umflort von bitterm Tau,
Nur blasse Nebelgestalten,
Verschwindende, grau in grau.

Es rauschen fremde Klänge
Vorüber an meinem Ohr,
Es zählet die innere Stimme
Nur Schmerzen und Schmerzen mir vor.

Der Schlaf nur bringt allnächtlich
Vor Tagesgedanken mir Ruh’,
Es trägt mich der Traum mitleidig
Der lieben Heimat zu.

Und meine Berge erheben
Die schneeigen Häupter zumal
Und tauchen in dunkele Bläue
Und glühen im Morgenstrahl,

Und lauschen über den Hochwald,
Der schirmend die Gletscher umspannt,
In unser Thal herüber,
Und schauen mich an so bekannt.

Der Gießbach schäumet und brauset,
Und stürzt in die Schlucht sich hinab;
Von drüben erschallt das Alphorn, –
Das ist der Hirtenknab!

Aus unserm Hause tret’ ich,
Dem zierlich gefügten, herfür;
Die Eltern haben’s gebauet,
Die Namen stehn über der Thür;

Und unter den Namen stehet
Der Spruch, Gott segne das Haus
Und segne, die frommen Gemütes
Darin gehn ein und aus.

Ich bin hinaus gegangen – –
Weh’ mir, daß ich es that!
Ich bin nun eine Waise,
Die keine Heimat hat.

O laßt mich schlafen, o ruft mich
In die Gegenwart nicht zurück!
Mißgönnt nicht dem kranken Mädchen
Den Traum, den Schatten von Glück!


Adelbert von Chamisso (30 januari 1781 – 21 augustus 1838)
Borstbeeld in Berlijn

 

De Engelse dichter Les Barker werd op 30 januari 1947 geboren in Manchester. Zie ook alle tags voor Les Barker op dit blog.

Guide Cats for the Blind

The word futile springs to mind, mission impossible, yes, that’s the attempt
to harness for mankind, the intelligence of cats.
You’ve made a basic error, now let me expound.
This master/servant thing’s o.k. but not that way around
We don’t do the ‘faithful’ subject, we don’t do the daily grind
You should never have attempted this
Guide cats for the blind

Give kitty so much trust, and we’ll abuse the privilege
You think you’re going out, you’re opening the fridge
You think I’m trying to help you, I’m not serving man but mammon
You think you’ve gained a faithful friend, you’ve lost a plate of salmon
I might lead you down the high street, I’ll be back when I have dined
We get very very hungry being
Guide cats for the blind

It can’t be very pleasant, of this I’ve little doubt
With your head stuck in a cat flap, whether facing in or out
You could be here a day or two, half out in the rain
I’ve got to go, I’ve things to do, maybe I’ll pass this way again
A dog would go for help, but cats are not that way inclined
Cats have better things to do than being
Guide cats for the blind

Of some matters I am ignorant, but this I know for certain
The best place for a blind man isn’t half way up a curtain
Why do they have to be up on a roof at 4am
It’s a perfect place for me, but what’s in it for them?
It was where I had to go, and he just tagged along behind
I don’t know why, only a fool would follow
Guide cats for the blind

I once met a man called Pavlov, from time to time he rang a bell
Simple things make humans happy, but I have to say that well,
I found it a disturbance and poor chap I think he knew it
And soon he only rang his bell when I wanted him to do it
Did you ask for our assistance, if you did then we declined
Here we are, an oxymoron
Guide cats for the blind


Les Barker (Manchester, 30 januari 1947)

 

De Amerikaanse schrijver Michael Anthony Dorris werd geboren op 30 januari 1945 in Louisville, Kentucky. Zie ook alle tags voor Michael Dorris op dit blog.

Uit: The Broken Cord

“I sat in the lobby of the Pierre airport, waiting. The terminal resembled an oversized department store display case, the kind in which jewelry or cosmetics are arranged—a glass front, neutral colors, brightly lit—except that this one existed in isolation, a rectangular box on the flat, wind-scoured plain of central South Dakota. A draft of air had lifted the wings of the small commuter plane just before we landed, releasing first a collective moan of dread and then the embarrassed laughter of survival among my fellow passengers. On the ground I got a better look at them: three bureaucrats, dressed in wrinkle-free suits, with business in the state capital; two ranchers sporting their go-to-town buckles—large silver and tur-quoise affairs that divided barrel chests from thin, booted legs; a harried mother trying to convince a small child with pressure-stopped ears to yawn or swallow; a visiting in-law, met loudly by a woman in curlers and Bermuda shorts. I felt exhilarated and out of place, a stranger on a mission no one would suspect: within the hour, I was due to become an unmarried father. The year was 1971 and I was twenty-six years old, ex-would-be hippie, candidate for a Yale doctorate in anthropology, a first-year instructor at a small experimental college in New England. This cloudy afternoon in Pierre was the culmination of a journey I had begun nine months before when, while doing fieldwork in rural Alaska, it occurred to me that I wanted a child, I wanted to be a parent.
I remember precisely the context of this realization. I was living then in a cabin in Tyonek, an Athapaslcan•speaking Indian community on the west coast of Cook Inlet, collecting information about the impact of modernization and oil revenues on the life of this remote fishing village. Much of my time was spent in the study of the local language, linguistically related to Navajo and Apache but distinctly adapted to the subarctic environment. One of its most difficult features for an outsider to grasp was the practice of almost always speaking, and thinking, in a collective plural voice. The word for people. “dene.- was used as a kind of “we”—the subject for virtually every predicate requiring a personal pronoun—and therefore any act became, at least in conception, a group experience. It was my second autumn in Tyonek. I had spent the morning interviewing an elderly woman, Mrs. Nickefor Alexan, the respected expert on subjects ranging from traditional herbal medicine to the do’s and don’ts of appropriate courting behavior. In the course of our conversations, I consumed too much tea and my mouth was dry with the acidic taste. I returned to my house in the afternoon and was uninterrupted as I organized my notes: most adults in the community were busy in their smokehouses. preserving and canning August’s catch of fish, and the children, my frequent summer visitors, had returned to school.”

 
Michael Dorris (30 januari 1945 – 10 april 1997)
Persfoto voor de gelijknamige film uit 1992 met o.a. Jimmy Smits en Michael Spears

 

De Estlandse schrijver Anton Hansen Tammsaare werd geboren op 30 januari 1878 in Albu. Zie ook alle tags voor Anton Hansen Tammsaare op dit blog.

Uit: The boy and the butterfly

“He began by approaching it stealthily; but hardly had he taken a step when the butterfly flitted to another flower, just out of reach, fluttering its pretty wings as it to tease its pursuer.
The boy was getting impatient. Then began an unflagging chase; this way and that, to the north and to the south, a leap to the left, another to the right – over hummocks and bushes. Away he went in zigzag pursuit of the butterfly that one moment was flitting among the low growing flowers and the next was floating up high.
On and on they raced – one on his nimble feet, the other on its silky velvet wings that glittered like jewels in the sun. The fugitive did not tire, nor did the pursuer slacken his pace.
Until at last the butterfly rose higher and higher and flew away far over the forest that sheltered the meadow from the north wind.
Flushed and breathless the boy stopped, and with a beating heart he followed the flight of the butterfly, as if hoping it would turn back. As he stood there, gazing beyond the forest trees, a heavy fragrance was wafted to his nostrils by a passing breeze and he became aware again of the forgotten flowers that were waiting to be picked. Deeply affected by the fragrance, he turned with agitation and was about to stoop down and pick the nearest flower when he stopped in dismay, and his cheeks blanched. He had carelessly trampled over all of the flowers in his mad pursuit of the butterfly.
With a heavy heart, the boy dropped to the ground and cried bitterly, for he loved flowers passionately and would have picked them with pleasure.”

 
Anton Hansen Tammsaare (30 januari 1878 – 1 maart 1940)
Portret door Nikolai Triik, 1927

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e januari ook mijn blog van 30 januari 2016 deel 2.

Bernard Dewulf, Tijs Goldschmidt, Anne-Gine Goemans, Shirley Hazzard, Adelbert von Chamisso, Les Barker, Karl Gerok, Michael Dorris, Anton Hansen Tammsaare

De Vlaamse dichter, schrijver en journalist Bernard Dewulf werd op 30 januari 1960 in Brussel geboren. Zie ook alle tags voor Bernard Dewulf op dit blog.

Uit: Late dagen

“Herfstlicht scheen over de tuin. Dat heeft vaak iets heiigs, alsof iemand in een laatste woede de wereld aan het vegen is en het opzwevende stof nu doelloos laat ronddwarrelen. Elk jaar opnieuw vind ik het groot nieuws, maar nooit haalt het de krant.
Het gras was een laatste keer gemaaid. Een wesp spartelde er nog even in rond. Ik stapte er als een genadige reus overheen en slalomde tussen de paddenstoelen.
De schommel, die sommige dagen hoger heeft gezwierd dan de populier, hing nu al jaren stil. In de druivelaar droogden nog wat aanstaande rozijnen aan een tak.
Het blijkt allemaal geen nieuws. Nooit gebeurt het nieuws hier, altijd daar. Daarom ben ik ook hier en niet daar. Was ik daar, dan zag ik niet wat er hier gebeurt, waar ik liever vertoef. Hier kan ik rustig lezen wat daar gebeurt. Dan denk ik, ze doen daar maar. Daar kunnen ze niet lezen wat hier gebeurt,
aangezien het geen nieuws is.
Tenzij ik het opschrijf, zoals daarnet. En dan nog. Ik noteer het niet om er nieuws van te maken, want dan werd het hier een soort daar.
Ik schrijf het op om te laten weten dat hier ook weleens iets gebeurt. Uiteraard zijn het geen gebeurtenissen, zeker geen historische. Er bestaan andere woorden voor: anekdote, fait divers, bagatel, futiliteit, banaliteit. Of: doordeweeks, dagelijks en zelfs dagdagelijks.
Dat laatste is het dagelijkse in het kwadraat. D2. Trek daarvan de vierkantswortel en het resultaat is mijn bestaan.
Ik geloof graag dat het dagelijkse even historisch is als het historische.
Dat de langswaaiende bries in mijn tuin ooit, uiteindelijk, haast als een tegenwind, soeverein over het graf van de geschiedenis zal gaan. Dat ik, plaatsnemend in het kleine verhaal van mijn tuin en kijkend naar het grootse herfstlicht, in één blik op dat licht alles nietig kan verklaren.
Dat als het waar is dat het universum huist in een zandkorrel, het ook waar moet zijn dat de geschiedenis bestaat in onze kamers.”

 
Bernard Dewulf (Brussel, 30 januari 1960

Doorgaan met het lezen van “Bernard Dewulf, Tijs Goldschmidt, Anne-Gine Goemans, Shirley Hazzard, Adelbert von Chamisso, Les Barker, Karl Gerok, Michael Dorris, Anton Hansen Tammsaare”

Bernard Dewulf, Tijs Goldschmidt, Anne-Gine Goemans, Shirley Hazzard, Adelbert von Chamisso, Les Barker, Karl Gerok, Michael Dorris, Anton Hansen Tammsaare

De Vlaamse dichter, schrijver en journalist Bernard Dewulf werd op 30 januari 1960 in Brussel geboren. Zie ook alle tags voor Bernard Dewulf op dit blog.

Impression soleil manquant

in straten, leeg van plezier, horen wij
de wind door de hagen, en weten:
eens gaat hij liggen, ook hij;

wij zoeken naar steun in
de stenen, die ons dragen
als schouders, zo zeldzaam,

en vinden de stemmen terug, van
vroeger, van later, van regen
op zeer fijne planten, en

denken: waar zullen wij
belanden, na dit behoedzaam
verlaten van weerom ons huis,

en waar na dit geduldig
verkennen van lanen, lang
van geheugen, en zonder een lucht
om te reiken, wellicht.

 

Choreografie

als het zo is, dat, wanneer wij in
het sluw geslaap verzeilen, onze ogen
nog gesloten moeten, en de handen
vlug gevouwen,

waarom dan verzoeken wij hier,
zeldzaam gretig soms, de vreugden
en bijwijlen zelfs de woorden
met de meest gemeende sier,

of zijn wij slechts de dwaze dansers,
zeer gracieus en eeuwig soms,
maar van muziek de stille slaven,
van de droeve dans nog slechts
de licht gebogen hand of spaarzaam
uitgevoerde pas?

 

Door liefde

Ik zeg als zij slaapt mijn naam
in de nacht. Zo duid ik mij aan.
Ik spreek hem door liefde gehard
tot ver binnen haar lichaam uit.

Daar wil ik bestaan, uit niets
dan mijn naam en haar lichaam.
Als niemand en woelig er wonen,
als haar schoonheid voorbijgaan.

Slaap is haar stem en zij zucht
tot antwoord niet eens. Buiten haar
houdt zij mij diep in haar vast.
Men heeft haar lief om haar heen.

 
Bernard Dewulf (Brussel, 30 januari 1960

Doorgaan met het lezen van “Bernard Dewulf, Tijs Goldschmidt, Anne-Gine Goemans, Shirley Hazzard, Adelbert von Chamisso, Les Barker, Karl Gerok, Michael Dorris, Anton Hansen Tammsaare”

Michael Dorris, Barbara Wood, Richard Brautigan, Hans Erich Nossack, Anton Hansen Tammsaare

De Amerikaanse schrijver Michael Anthony Dorris werd geboren op 30 januari 1945 in Louisville, Kentucky. Zie ook mijn blog van 30 januari 2010en ook mijn blog van 30 januari 2011.

 

Uit: The Broken Cord

„I sat in the lobby of the Pierre airport, waiting. The terminal resembled an oversized department store display case, the kind in which jewelry or cosmetics are arranged–a glass front, neutral colors, brightly lit–except that this one existed in isolation, a rectangular box on the flat, wind-scoured plain of central South Dakota. A draft of air had lifted the wings of the small commuter plane just before we landed, releasing first a collective moan of dread and then the embarrassed laughter of survival among my fellow passengers.

On the ground I got a better look at them: three bureaucrats, dressed in wrinkle-free suits, with business in the state capital; two ranchers sporting their go-to-town buckles–large silver and turquoise affairs that divided barrel chests from thin, booted legs; a harried mother trying to convince a small child with pressure-stopped ears to yawn or swallow; a visiting in-law, met loudly by a woman in curlers and Bermuda shorts.

I felt exhilarated and out of place, a stranger on a mission no one would suspect: within the hour, I was due to become an unmarried father.

The year was 1971 and I was twenty-six years old, ex-would-be hippie, candidate for a Yale doctorate in anthropology, a first-year instructor at a small experimental college in New England. This cloudy afternoon in Pierre was the culmination of a journey I had begun nine months before when, while doing fieldwork in rural Alaska, it occurred to me that I wanted a child, I wanted to be a parent.

I remember precisely the context of this realization. I was living then in a cabin in Tyonek, an Athapaskan-speaking Indian community on the west coast of CookInlet, collecting information about the impact of modernization and oil revenues on the life of this remote fishing village. Much of my time was spent in the study of the local language, linguistically related to Navajo and Apache but distinctly adapted to the subarctic environment.“

 

Michael Dorris (30 januari 1945 – 10 april 1997)

Doorgaan met het lezen van “Michael Dorris, Barbara Wood, Richard Brautigan, Hans Erich Nossack, Anton Hansen Tammsaare”

Barbara Wood, Richard Brautigan, Hans Erich Nossack, Anton Hansen Tammsaare, Walter Savage Landor, Franz von Sonnenfeld

De Engels-Amerikaanse schrijfster Barbara Wood werd geboren op 30 januari 1947 in Warrington. Zie ook mijn blog van 30 januari 2008 en ook mijn blog van 30 januari 2009 en ook mijn blog van 30 januari 2010. 

 

Uit: The Blessing Stone

 

„It was because of Honoria. She had nearly killed him with her rejection of his marriage proposal. His heart was in mortal pain; there were no salves or ointments for this kind of wound. It wasn’t just that she had said no, it was the way she had said it. With a horrified tone: “I could not live with a man who dealt daily with diseased bodies.” Matthew didn’t blame her. Honoria herself was frail, spending half her time on her retiring couch where she received visitors. Moreover, he himself was not made of heroic proportions. Matthew Lively knew very well what people saw when they looked at him: a pale, nervous young man who frequently stuttered, and, despite his college education, was altogether too unsure of himself.

Still, her rejection had wounded him, and so Matthew Lively, twenty-five years old and finishing his glass of milk, decided he was done with women forever.

Hannah Lively, daughter of Molly Prentice who had once been the love interest of Alexander Hamilton, came into the kitchen, a plain woman in black bombazine, a small lace cap on her head.

“Was it a good reading, Mother?” Matthew asked. He was proud of the fact that his mother was one of the most sought after spiritualists on the East Coast.

“The spirits came through very clear today. Even without the aid of the Blessing Stone.” Then she gave him an expectant look.

“Mother, the stone pointed West!”

She nodded sagely. “The Guiding Spirit in the crystal knows where your destiny lies.”

Sixty years old and considered a true prophetess by their many friends and neighbors, Hannah Lively believed absolutely in the power of the crystal, therefore Matthew didn’t tell her that he had had to spin it eleven times before it finally pointed West. He reckoned the stone just needed warming up.“

 

 

Barbara Wood (Warrington, 30 januari 1947)

 

Doorgaan met het lezen van “Barbara Wood, Richard Brautigan, Hans Erich Nossack, Anton Hansen Tammsaare, Walter Savage Landor, Franz von Sonnenfeld”

Richard Brautigan, Hans Erich Nossack, Anton Hansen Tammsaare, Walter Savage Landor, Franz von Sonnenfeld

De Amerikaanse dichter en schrijver Richard Brautigan werd geboren op 30 januari 1935 in Tacoma, Washinton. Zie ook mijn blog van 30 januari 2007 en  ook mijn blog van 30 januari 2009.

 

My Nose Is Growing Old 

 

Yup.

A long lazy September look

in the mirror

say it’s true.

 

I’m 31

and my nose is growing

old.

 

It starts about 1/2

an inch

below the bridge

and strolls geriatrically

down

for another inch or so:

stopping.

 

Fortunately, the rest

of the nose is comparatively

young.

 

I wonder if girls

will want me with an

old nose.

 

I can hear them now

the heartless bitches!

 

“He’s cute

but his nose

is old.”

 

 

 

30 Cents, Two Transfers, Love 

 

Thinking hard about you

I got on the bus

and paid 30 cents car fare

and asked the driver for two transfers

before discovering

that I was

alone.

 

brautigan_ferlingetti

Richard Brautigan (30 januari 1935 – september 1984)
Hier (l) met de dichter Lawrence Ferlingetti (r)

 

De Duitse dichter en schrijver Hans Erich Nossack werd op 30 januari 1901 geboren in Hamburg. Zie ook mijn blog van 30 januari 2007 en ook ook mijn blog van 30 januari 2009.

Ist das der Mensch?

Ich weiß, daß man mich eines Tages braucht.
Soll ich dann sagen, wenn sie suchend kommen -:
“Was war es noch, was uns die Flut genommen?”
Auch ich bin in Vergessenheit getaucht?

Schlimm ist die Welt versandet und verschlammt.
Seht auf den Straßen die Gesichter doch;
die alten süßen Formen sind es noch,
nur alles ausgelöscht, was sie entflammt.

Man geht umher wie auf dem Meeresgrunde
von Flut betäubt, bleibt stehen um zu lauschen:
Ist das das Leben? Wirklich? Ach, wir Armen!

Und dämmert weiter. Niemand weiß die Kunde.
Was war es noch? Man hört die Not nur rauschen.
Ist das der Mensch? Haben wir doch Erbarmen.

 

Der Abfall

Sie saßen bei Tisch. Da ging ich heimlich fort.
Nur meinen Namen ließ ich ihnen dort.
Der saß auf meinem gewohnten Platz und sollte
antworten; jedem, was er hören wollte.
Denn das genügte wohl, und es wäre
nie aufgekommen, wenn er nicht vergaß
zu lachen. Als sie wieder lachten, fraß
ihr Lachen dort sich, wo er nicht mehr saß,
ins Leere.

Was sie mit meinem Namen machten,
als sie es merkten, und was sonst geschah?
Sie saßen bei Tisch und sitzen jetzt noch da.
Vielleicht daß sie nur etwas lauter lachten.
Wie ich sie kenne, dachte keiner durch die Lücke
seiner Unsterblichkeit hinter mir her
ins Namenlose. – Weitab ihrem Glücke
steh ich und
höre sie nicht mehr

Nossack_2
Hans Erich Nossack (30 januari 1901 – 2 november 1977)

 

 

De Estlandse schrijver Anton Hansen Tammsaare werd geboren op 30 januari 1878 in Albu. Zie ook mijn blog van 30 januari 2007 en ook ook mijn blog van 30 januari 2009.

 

Uit: Truth and Justice (Vertaald door Alan Trei and Inna Feldbach)

 

“Don’t give me anything, master,” said Jaagup, “or else you might start thinking about lowering my pay because you get the idea that I can’t work well on an empty stomach.”

But Jaagup worked himself to exhaustion, and on that score Andres had nothing to grumble about. And on Saturday night and Sunday he was just as indefatigable, going to village dances and parties. It was easy to see why, since he was the best concertina player in the area and so was always invited and welcomed. Nights he rambled about in the villages and knew where all the maids and farmer’s daughters were sleeping, and with whom. But he himself had no time for those secret games and whispers. Not because no one wanted him — even farmer’s daughters wouldn’t have refused him — but because Jaagup was a dreamer who yearned for something unexplained and distant.

Often he stopped for a moment, by the gate or in the middle of the high field, and gazed at the lonely farms scattered about in the bogs, the sails of windmills showing here and there, the faraway bright white buildings of the manor, the marshes, bogs and copses which in the distance blended together and became the blue rim of the sky.

But each time, his eyes halted on two high wooded areas sheltering some gray buildings. At this distance, it was impossible to say what they were.

In fact there was a village there, with a farm called Põlluotsa where there was a daughter named Roosi. Jaagup thought she was the most beautiful girl he had ever seen. Two years ago he had worked on the farm and since then hadn’t been able to forget Roosi. It was because of her he had bought the concertina and learned to play it. He wanted to be something special in her eyes.

When people were dancing they felt that Jaagup was playing for them. But he wasn’t. Jaagup thought only of Roosi and was playing for her. Even at Robber’s Rise, on the garden steps, by the gate, along the field edges, or sitting on a stone, his mind was filled with Roosi.

For a while Leena thought he was playing for her. But finally one day she learned the truth, because Jaagup himself told her, when his heart was so filled with love that he couldn’t contain it any more. Mari, the mistress, learned about Jaagup’s great happiness in the same way. The boy would have told Andres about it too, if he had shown any interest in such things.”

 

Statue_of_Anton_Hansen_Tammsaare,_Tallinn
Anton Hansen Tammsaare (30 januari 1878 – 1 maart 1940)
Standbeeld in Tallin

 

 

De Engelse dichter en schrijver Walter Savage Landor werd geboren op 30 januari 1775 in Ipsley Court, Warwickshire. Zie ook mijn blog van 30 januari 2007

 

In spring and summer winds may blow 

 

In spring and summer winds may blow,

And rains fall after, hard and fast;

The tender leaves, if beaten low,

Shine but the more for shower and blast

 

But when their fated hour arrives,

When reapers long have left the field,

When maidens rifle turn’d-up hives,

And their last juice fresh apples yield,

 

A leaf perhaps may still remain

Upon some solitary tree,

Spite of the wind and of the rain . . .

A thing you heed not if you see.

 

At last it falls. Who cares? Not one:

And yet no power on earth can ever

Replace the fallen leaf upon

Its spray, so easy to dissever.

 

If such be love, I dare not say.

Friendship is such, too well I know:

I have enjoyed my summer day;

‘Tis past; my leaf now lies below. 

 

460px-Walter_Savage_Landor_by_William_Fisher

Walter Savage Landor (30 januari 1775 – 17 september 1864)
Portret door William Fisher

 

De Zwitserse schrijver Franz von Sonnenfeld (eig. Johann Girr) werd op 30 januari 1821 in Witterswil geboren. Hij bezocht de kantonschool in Solothurn en studeerde filosofie in Duitsland om tenslotyte in Jena te promoveren. Von Sonnenfeld wasd politiek aktief en had daardoor moeilijkheden ergens een aanstelling te vinden. In zijn literaire werk schilderde hij de wereldlijke en kerkelijke gebruiken uit zijn geboortestreek, het Schwarzbubenland. Politiek gezien vertegenwoordigde hij een verlicht liberalisme. Dat belette hem echter niet om over de gebruiken die hij als verouderd bestreed juist uitvoerig, beeldend en met warmte te schrijven.

 

Uit: Pater Severin

 

„Die älteren Leute aus der Umgebung van Basel, mögen sie im Laufenthal oder Frickthal, im Schwarzbubenland oder im Oberamt Säckingen, im Psirdteramt oder in der Gegend von Landser wohnen, erinnern sich gewiß noch mit Freude des Paters Severin, dieses lustigen, witzigen Kapuziners, der, wo er hinkam, irgend ein heiteres, lachendes Andenken hinterlassen hat. Wir brauchen das Kloster nicht zu nennen, wo die rosenfarbige Laune des braunkuttigen Mannes jahrelang geblüht — die geneigten Leser kennen es schon!

Die Iugend des Pater Severin siel in jene Zeit, wo die Nachklänge der konfessionellen Unionsbestrebungen den Katholizismus viel milder gestimmt hatten, als wir ihn heutzutage antreffen. Namentlich fand man damals in hen Klöstern nicht selten Männer, die mit dem weltlichen Kleid keineswegs eine heitere Weltund Lebensanschauung abgelegt hatten und in Sachen der Kirche und Theologie zuweilen Fünfe grad sein ließen. Auch in dem Kloster, in welches unser Pater nach seinem Noviziat zuerst verfetzt wurde, herrschte dieser weltmännisch heitere Geist, der hier noch besonders durch den guten Wein, welcher in der Umgegend des Klosters und dem benachbarten Elsaß wächst und den Herren Patres im Herbst immer massenweise zugefahren wird, fortwährend grün erhalten wurde. Nach der gewöhnlich mehr fetten als appetitliche,i Mahlzeit sah man in ihren Händen eher die Spielkarten als das Brevier oder tummelten sie sich lieber auf dem schattigen Kegelplah ihres hochummauerten Gartens als in dem Chor der dunkeln Kirche. An zeitweiligen größeren Mahlzeiten, zu denen jeweilen Bekannte der Umgegend oder — nicht ohne schalkhafte Absicht — reiche Partikulare geladen wurden, von denen man wußte, daß es in Bezug auf Qualität und Quantität des Weins in ihrem Keller gut bestellt war, fehlte es nicht, und die Gäste wetteiferten dann stets in Herbeischaffung eines Stoffes, der fowohl durch feine Güte, als die Unuersiegbarkeit des Vorrathes geeignet sein sollte, nach links und rechts einen gehörigen „Hieb” auszutheilen. Wer bei solchen Anlässen in das Refektorinm unferes Kapuzinerklosters trat, bemerkte zwar um die Häupter au dem hufeisenförmigen Tisch keinen Heiligenschein, aber wenn die Sonne noch hoch am Himmel stand, strahlte ihr Antlitz schon in der purpurrothen Glorie des Vollmonds und hatte sich in die Falten der unbändigsten Heiterkeit gelegt.“

 

Sonnenfeld

Franz von Sonnenfeld (30 januari 1821 – 5 maart 1888)

Tijs Goldschmidt, Barbara Wood, Shirley Hazzard, Adelbert von Chamisso, Richard Brautigan, Hans Erich Nossack, Walter Savage Landor, Anton Hansen Tammsaare

De Nederlandse schrijver Tijs Goldschmidt werd geboren op 30 januari 1953 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 30 januari 2007 en ook mijn blog van 30 januari 2008.

 

Uit: Darwins Hofvijver

 

“De zon staat al hoog als ik bij het vliegveld aankom en de auto parkeer. Er staan mensen te wachten voor de ingang van de hal. Ik spreek een kruier aan om te vragen hoe laat het is. De klok in de hal van het vliegveld staat stil en een horloge heb ik al maanden niet meer. Ik ruilde het met Elimo, op zijn verzoek, tegen een haan en een sonzo, een traditionele Sukumamand. Deze waterdichte manden werden door vrouwen gevlochten en op feesten gebruikt als pul om pombe, het naar zurig braaksel smakende gerstebier, naar binnen te gieten. In de manden zijn met mangaan gekleurde grasstengels gevlochten in geometrische patronen die een symbolische betekenis hebben. Die is niet altijd meer te achterhalen, want de komst van de mazabethi, naar koningin Elizabeth vernoemde aluminium bakjes die tijdens de Britse overheersing massaal werden ingevoerd, betekende het einde van de masonzo-cultuur. In een dorpje sprak ik met een bejaarde vrouw die daarover na ruim dertig jaar nog altijd woedend was. Zij vertelde dat het uit driehoeken opgebouwde symbool in de mand die ik met Elimo ruilde, ‘kitenge, omslagdoek’ betekent.

‘Mijn man steekt zijn eerste vrouw goed in de kleren, maar ik, een van zijn jongere vrouwen, loop in een omslagdoek die tot op de draad versleten is.’

Een Sukumavrouw mocht niet klagen in woorden, maar kon in deze symbooltaal haar hart luchten.

‘De komst van de mazabethi heeft ons plezier bedorven,’ vertelde het oude vrouwtje. ‘Sisi wanawake, wij vrouwen, vlochten de manden terwijl we bij elkaar zaten te praten. Ik zie niet wat daar mis mee was. Elke vrouw deed haar best de mooiste mand te maken. Door de mazabethi is dat allemaal afgelopen.’

 

Tijs_Goldschmidt

Tijs Goldschmidt (Amsterdam, 30 januari 1953)

 

De Engels-Amerikaanse schrijfster Barbara Wood werd geboren op 30 januari 1947 in Warrington. Zie ook mijn blog van 30 januari 2008.

 

Uit: Woman of a Thousand Secrets

 

Revenge was in Macu’s heart as he searched for the girl who had humiliated his brother.

Pretending to be interested in her as a prospective bride, he asked about Tonina in the village and was told that she could be found on the beach of the western lagoon, where the pearl divers were hauling in their oyster catch for the day.

Macu’s brother, who was at that moment on the other side of the island with their canoe, had begged Macu not to go. It was bad enough a girl had bested him in a swimming contest, but Macu exacting revenge would only make matters worse. “She is a better swimmer,” Awak had said. “You cannot beat her, Brother.” But twenty-two-year-old Macu of nearby Half Moon Island was proud and vain and despised girls who thought they were better than men.

Pearl Island
was a small, verdant dot on the green sea off the western tip of a landmass that would one day be called Cuba, and it had only two accessible harbors: the western lagoon and a cove on the northern tip, where Macu and his friends had paddled their canoe between rocky shoals and made landfall on a tiny beach. From there, a trail led through dense trees and brush to a lively, bustling village where children played, women stirred cooking pots, and men toiled in tobacco-drying sheds.“

 

BarbaraWood

Barbara Wood (Warrington, 30 januari 1947)

 

De Australische schrijfster Shirley Hazzard werd geboren op 30 januari 1931 in Sydney. Zie ook mijn blog van 30 januari 2007 en ook mijn blog van 30 januari 2008.

 

Uit: Greene on Capri

 

On a December morning of the late 1960s, I was sitting by the windows of the Gran Caffè in the piazzetta of Capri, doing the crossword in The Times. The weather was wet, as it had been for days, and the looming rock face of the Monte Solaro dark with rain. High seas, and some consequent suspension of the Naples ferry, had interrupted deliveries from the mainland; and the newspaper freshly arrived from London was several days old. In the café, the few other tables were unoccupied. An occasional waterlogged Caprese—workman or shopkeeper—came to take coffee at the counter. There was steam from wet wool and espresso; a clink and clatter of small cups and spoons; an exchange of words in dialect. It was near noon.

    Two tall figures under umbrellas appeared in the empty square and loped across to the café: a pair of Englishmen wearing raincoats, and one—the elder—with a black beret. The man with the beret was Graham Greene. I recognised him—as one would; and also because I had seen him in the past on Capri, at the restaurant Gemma near the piazza, where he dined at a corner table with his companion, and great love of the postwar decade, Catherine Walston. That was in the late 1950s, when I used to visit Naples and Capri from Siena, where I then spent part of the year. One knew that Greene had a house in the town of Anacapri, in the upper portion of the island, which he had visited faithfully if sporadically for many years.

    On that damp December morning, Greene and his dark-haired friend came into the Gran Caffè, hung their coats, and sat down at the next tiny table to mine. I went on with my puzzle; but it was impossible not to overhear the conversation of my neighbours—or, at any rate, not to hear one side of it. Graham Greene certainly did not have a loud voice, but his speech was incisive, with distinctive inflections, and his voice was lowered only in asides or to make confidences.“

 

ShirleyHazzard

Shirley Hazzard (Sydney, 30 januari 1931)

 

De Duitse dichter en schrijver Adelbert von Chamisso werd op het slot Boncourt in de Champagne geboren op 30 januari 1781. Zie ook mijn blog van 30 januari 2007  en ook mijn blog van 30 januari 2008.

 

Es ist nur so der Lauf der Welt

 

Mir ward als Kind im Mutterhaus

Zu aller Zeit, Tag ein, Tag aus,

Die Rute wohl gegeben.

Und als ich an zu wachsen fing,

Und endlich in die Schule ging,

Erging es mir noch schlimmer.

 

Das Lesen war ein Hauptverdruß,

Ach! wer’s nicht kann und dennoch muß,

Der lebt ein hartes Leben.

So ward ich unter Schmerzen groß

Und hoffte nun ein bess’res Los,

Da ging es mir noch schlimmer.

 

Wie hat die Sorge mich gepackt!

Wie hab’ ich mich um Geld geplackt!

Was hat’s für Not gegeben!

Und als zu Geld ich kommen war,

Da führt’ ein Weib mich zum Altar,

Da ging es mir noch schlimmer.

 

Ich hab’s versucht und hab’s verflucht

Pantoffeldienst und Kinderzucht

Und das Gekreisch der Holden.

O meiner Kindheit stilles Glück,

Wie wünsch’ ich dich jetzt fromm zurück!

Die Rute war ja golden!

 

Chamisso_Chamisso

Adelbert von Chamisso (30 januari 1781 – 21 augustus 1838)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Richard Brautigan werd geboren op 30 januari 1935 in Tacoma, Washinton. Zie ook mijn blog van 30 januari 2007  

 

Autobiography (polish it like a piece of silver)

  

I am standing in the cemetery at Byrds, Texas.

What did Judy say? “God-forsaken is beautiful, too.”

A very old man who has cancer on his face and takes

care of the cemetery, is raking a grave in such a

manner as to almost (polish it like a piece of silver.

 

 

Boo, Forever

  

Spinning like a ghost

on the bottom of a

top,

I’m haunted by all

the space that I

will live without

you. 

 

RichardBrautigan

Richard Brautigan (30 januari 1935 – september 1984)

 

De Duitse dichter en schrijver Hans Erich Nossack werd op 30 januari 1901 geboren in Hamburg. Zie ook mijn blog van 30 januari 2007

 

Der Dichter

 

Im Hafen lichten jubelnd sie die Anker.
Ein Schiff wohin? Von Hoffnung ist es schwer
nach heimatlicher Insel überm Meer.
Abseits am Ufer steh ich wie ein Kranker.

 

Krank, weil ich warte und mich nicht verschwende;
gefesselt, daß ich mir nicht selbst entflieh
noch mich dem Werk des Wirklichseins entzieh.
Ja, ich war krank, damit ich mich vollende.

 

Denn immer Einer sei bereit und rage
als rettend Mal im Raum, wenn vor der Frage
die grelle Zeit erblaßt: Was soll ich tun?

 

Fragt ich es auch? Vielleicht schrie ich im Traum.
Nur Echo wars. Der Wind fuhr durch den Baum.
Du darfst getrost in meinem Schatten ruhn.

 

Nossack

Hans Erich Nossack (30 januari 1901 – 2 november 1977)

 

De Engelse schrijver Walter Savage Landor werd geboren op 30 januari 1775 in Ipsley Court, Warwickshire.

Uit: Imaginary conversations (Lord Brooke and Sir Philip Sidney)

“God hath granted unto both of us hearts easily contented, hearts fitted for every station, because fitted for every duty. What appears the dullest may contribute most to our genius; what is most gloomy may soften the seeds and relax the fibres of gaiety. We enjoy the solemnity of the spreading oak above us: perhaps we owe to it in part the mood of our minds at this instant; perhaps an inanimate thing supplies me, while I am speaking, with whatever I possess of animation. Do you imagine that any contest of shepherds can afford them the same pleasure as I receive from the description of it; or that even in their loves, however innocent and faithful, they are so free from anxiety as I am while I celebrate them? The exertion of intellectual power, of fancy and imagination, keeps from us greatly more than their wretchedness, and affords us greatly more than their enjoyment. We are motes in the midst of generations: we have our sunbeams to circuit and climb. Look at the summits of the trees around us, how they move, and the loftiest the most: nothing is at rest within the compass of our view, except the grey moss on the park-pales. Let it eat away the dead oak, but let it not be compared with the living one.

Poets are in general prone to melancholy; yet the most plaintive ditty hath imparted a fuller joy, and of longer duration, to its composer, than the conquest of Persia to the Macedonian. A bottle of wine bringeth as much pleasure as the acquisition of a kingdom, and not unlike it in kind: the senses in both cases are confused and perverted“.

Savage_Landor

Walter Savage Landor (30 januari 1775 – 17 september 1864)

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 30 januari 2007.

De Estlandse schrijver Anton Hansen Tammsaare werd geboren op 30 januari 1878 in Albu.

Barbara Wood, Tijs Goldschmidt, Shirley Hazzard, Adelbert von Chamisso, Richard Brautigan, Hans Erich Nossack, Anton Hansen Tammsaare, Walter Landor

De Engels-Amerikaanse schrijfster Barbara Wood werd geboren op 30 januari 1947 in Warrington. Zij emigreerde met haar familie naar de VS en woont tegenwoordig in Californië. Zij studeerde aan de University of California, maar brak haar studie af en werkte gedurende tien jaar in verschillende beroepen. In 1976 publiceerde zij haar eerste novelle Hounds & Jackals. Vanaf 1980 werkt zij als fulltime schrijfster.

Werk o.a.: Virgins of paradise, 1993, The prophetess, 1996, Perfect harmony, 1998, Sacreground, 2001, The blessing stone, 2003, Star of Babylon, 2005.

Uit: The Blessing Stone

 “…He felt a small thrill of excitement. He had already wanted to go west, to see the new country on the other side of the Rocky Mountains, maybe even to carve a whole new life for himself there. But if the Blessing Stone had told him to go east, then to Europe he would have sailed; south would have taken him to Florida, and north would have had him packing off to the wilds of Canada.

     But the stone was pointing to the word “West,” which he had printed on a large square of white paper along with the words “South,” “East,” and “North,” lining up the four cardinal points with the help of a compass. Then he had placed the smooth crystal, which his mother had christened the Blessing Stone, in the center and spun it. It had come to a rest with its narrower end pointing west.

     He could hardly contain his joy. Crumpling up the paper and returning the crystal to its special velvet-lined box, he hurried downstairs to inform his mother of his plans. But he stopped at the foot of the stairs. The curtains were drawn across the doorway to the parlor, which meant a séance was in progress and so his mother could not be disturbed.

     Matthew didn’t mind. He was young and hungry and would celebrate with cakes and milk in the kitchen until his mother’s ghost-seeking clients had left.

     As he cut himself a generous wedge of chocolate cake, he hoped his mother’s contact with the spirits was a good one this afternoon; he was not in a mood to cross words with her, or to have her refuse to let him go. Matthew needed to go; he would die here in Boston if he didn’t.

 

wood

Barbara Wood (Warrington, 30 januari 1947)

 

De Nederlandse schrijver Tijs Goldschmidt werd geboren op 30 januari 1953 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 30 januari 2007.

Uit: De Bijenchoreograaf

“In de negentiende eeuw was de merel een schuwe bosvogel, tegenwoordig zijn er weinig andere vogelsoorten zo algemeen in de stad. Veel recenter trokken de blauwe reigers, futen, aalscholvers en sperwers de stad in. En pas nog zag ik in de Amstel bij het Amstelhotel mijn eerste Centraal-Amsterdamse dodaars. Ik kan me niet herinneren deze kleine fuut met het zachtste van alle bontsoorten hier ooit eerder te hebben gezien. Daarvoor moest je nog niet zo lang geleden een eindje de stad uit, naar Botshol bijvoorbeeld. Ook insecten trekken steeds vaker de stad in, aarden daar, en veranderen uiteindelijk in door de wol geverfde stadsbewoners. Elke apidoloog weet dat dat ook geldt voor de honingbij. Nog niet lang geleden werden ze vooral in kasten gehouden bij boerderijen op het platteland, vaak in de buurt van heidevelden, of ze kwamen ongedomesticeerd voor in holle bomen op van oudsher idyllische plekken als stinsen en borgen. Terwijl steeds meer stadsmensen verhuisden naar het platteland, verruilden de bijen het door monocultures sterk verarmde platteland voor de stad. Daar bouwden ze, vaak gehaald en geholpen door de Amsterdamse imkers, een florissant bestaan op.
Nog maar enkele decennia geleden waren er in Amsterdam veel minder imkers. De in mijn herinnering hoogbejaarde meneer Vrij, oprichter van de Cornelis Vrijschool op de hoek van de Van de Veldestraat en de Jan Luykenstraat, hield in de jaren zestig, en waarschijnlijk al veel eerder, bijen vlak onder en op het dak van de school. Ik had een speciale band met hem omdat hij sinterklaas was geweest en ik hem had ontmaskerd. Want als sinterklaas had hij me in precies dezelfde bewoordingen toegesproken als nog geen drie weken daarvoor in burger: ‘Jouw moeder zit toch in het schoolbestuur? Ze vertelde me dat jij zo goed kunt punniken.’ Dezelfde stem, dezelfde formulering, hetzelfde compliment. Had sinterklaas iets met die bijen te maken? Hij had in elk geval dezelfde trage motoriek als meneer Vrij, waardoor ik gesterkt werd in mijn vermoeden dat Sinterklaas een verklede imker was. Meneer Vrij vertelde dat wanneer je maar langzaam bewoog de bijen je niet zagen. Bovendien raken slowmotionmensen niet bezweet. Bijen zweten zelf was, maar aan mensen- en vooral mannenzweet hebben ze een hekel.”

goldschmidt

Tijs Goldschmidt (Amsterdam, 30 januari 1953)

 

De Australische schrijfster Shirley Hazzard werd geboren op 30 januari 1931 in Sydney. Zie ook mijn blog van 30 januari 2007.

Uit: The Transit of Venus

 

“By nightfall the headlines would be reporting devastation.

It was simply that the sky, on a shadeless day, suddenly lowered itself like an awning. Purple silence petrified the limbs of trees and stood crops upright in the fields like hair on end. Whatever there was of fresh white paint sprang out from downs or dunes, or lacerated a roadside with a streak of fencing. This occurred shortly after midday on a summer Monday in the south of England.

As late as the following morning, small paragraphs would even appear in newspapers having space to fill due to a hiatus in elections, fiendish crimes, and the Korean War – unroofed houses and stripped orchards being given in numbers and acreage; with only lastly, briefly, the mention of a body where a bridge was swept away.

That noon a man was walking slowly into a landscape under a branch of lightning. A frame of almost human expectancy defined this scene, which he entered from the left-hand corner. Every nerve – for even barns and wheelbarrows and things without tissue developed nerve in those moments – waited, fatalistic. Only he, kinetic, advanced against circumstances to a single destination.

Farmers moved methodically, leading anumals or propelling machines to shelter. Beyond the horizon, provincial streets went frantic at the first drops. Wipers wagged on windshields, and people also charged and dodged to and fro, to and fro. Packages were bunged inside coat-fronts, newspapers upturned on new perms. A dog raced through a cathedral. Children ran in thrilling from playgrounds, windows thudded, doors slammed. Housewives were rushing, and crying out, ‘My washing’. And a sudden stripe of light split earth from sky.”

shirleyhazzard

Shirley Hazzard (Sydney, 30 januari 1931)

 

De Duitse dichter en schrijver Adelbert von Chamisso werd op het slot Boncourt in de Champagne geboren op 30 januari 1781. Zie ook mijn blog van 30 januari 2007.

Der erste Schnee

Der leise schleichend euch umsponnen
Mit argem Trug, eh’ ihr’s gedacht,
Seht, seht den Unhold! über Nacht
Hat er sich andern Rat ersonnen.
Seht, seht den Schneenmantel wallen!
Das ist des Winters Herrscherkleid;
Die Larve l
äßt der Grimme fallen; –
Nun wißt ihr doch, woran ihr seid.

 

Er hat der Furcht euch überhoben,
Lebt auf zur Hoffnung und seid stark;
Schon zehrt der Lenz an seinem Mark.
Geduld! und mag der Wütrich toben
Geduld! schon ruft der Lenz die Sonne,
Bald weben sie ein Blumenkleid,
Die Erde träumet neue Wonne, –
Dann aber träum’ ich neues Leid!

 

Chamisso

Adelbert von Chamisso  (30 januari 1781 – 21 augustus 1838)

 

De Amerikaanse schrijver Richard Brautigan werd geboren op 30 januari 1935 in Tacoma, Washinton.

De Duitse schrijver Hans Erich Nossack werd op 30 januari 1901 geboren in Hamburg.

De Estlandse schrijver Anton Hansen Tammsaare werd geboren op 30 januari 1878 in Albu.

De Engelse schrijver Walter Savage Landor werd geboren op 30 januari 1775 in Ipsley Court, Warwickshire.

Tijs Goldschmidt, Richard Brautigan, Shirley Hazzard, Hans Erich Nossack, Anton Hansen Tammsaare, Adelbert von Chamisso, Walter Savage Landor

De Nederlandse schrijver Tijs Goldschmidt werd geboren op 30 januari 1953 in Amsterdam. Daar groeide hij ook op,  ging er naar het gymnasium en startte hij zijn studie biologie. Tijdens zijn studie verruilde hij de Amsterdamse Universiteit voor die van Leiden, om opgeleid te worden door leerlingen van de Nobelprijswinnaar Niko Tinbergen. Goldschmidt slaagde zowel voor zijn kandidaats- als voor zijn doctoraalexamen cum laude. Na zijn studie verbleef evolutiebioloog Goldschmidt vijf jaar in Tanzania om in het Victoriameer “furu” te bestuderen. “Furu” zijn kleine baarsachtige vissen, cichliden, die razendsnel opsplitsen in nieuwe soorten en daardoor de droom zijn van elke darwinist. Hij schreef hier een dissertatie over en publiceerde vele artikelen in nationale en internationale tijdschriften. In 1993 gaf Tijs Goldschmidt zijn baan als bioloog aan de Universiteit van Leiden op om zich op het schrijven te gaan richten. In 1994 kreeg hij als schrijver nationale bekendheid met zijn boek “Darwins Hofvijver”, een spannend ooggetuigenverslag van zijn onderzoekstijd aan het Victoriameer. Het boek werd in 1995 genomineerd voor de AKO-Literatuurprijs en kreeg in datzelfde jaar de Kijk/Wetenschapsprijs. Ook in het buitenland was het boek een groot succes. In 2000 verscheen de essaybundel “Oversprongen”, een koppeling tussen kunst en wetenschap met persoonlijke, vaak tegendraadse observaties. In 2001 ontving Goldschmidt voor “Oversprongen” de Jan Hanlo Essayprijs. Er verschenen meerdere artikelen van zijn hand over kunst. In 2003 hield hij de eerste Stephen Gould lezing met als titel  “De andere linkerkant/ Links en rechts in de evolutie”.

Uit: Een olifant in de Schwebebahn (2000)

In de trein was het zo druk dat ik aan lezen niet toekwam. Ik las dezelfde zin ten minste zeven maal: ‘… Schlemmers triadisch ballet is eigenlijk een anti-dans, een constructivisme van de dans, zoals alleen door een schilder en beeldhouwer bedacht kon worden. Immers niet meer het menselijk lichaam en zijn bewegingen waren uitgangspunt en dragende kracht van expressie, maar bepaalde figuurlijke vindingen …’ Ik had me voorgenomen het Bauhausboek waaruit deze zin afkomstig was uit te lezen, maar daarvan kwam niets terecht. Kaartjes laten zien, koffie. Een buurman die opstond, wegliep en terugkwam, opstond, wegliep en weer terugkwam. Tevergeefs op zoek naar een rustiger coupé. Boek weer opengeslagen: ‘zoals alleen door een schilder en beeldhouwer bedacht kon worden …’ Toen zei mijn reisgenoot O. zich op te winden over jagers. Vlak buiten de grens van een natuurgebiedje in de Betuwe waar hij vaak wandelde, lagen ze met het geweer in de aanslag in het gras te wachten. Zodra een wintertaling of smient het in zijn hoofd haalde om een meter in onbeschermde lucht te vliegen, werd hij neergeknald. Ik overwoog ook iets weerzinwekkends te vertellen, maar besloot alleen instemmend te knikken en begon weer aan die zin. Düsseldorf. We moesten overstappen op de S-Bahn naar Wuppertal, want daar woonde Heinz Rasch, die we zouden bezoeken. Rasch, nu in de negentig, was architect en stoelenontwerper geweest. Hij werkte ooit als assistent van Mies van der Rohe. Vlakbij het station Wuppertal wees O. uit het raam en zei: ‘Kijk, de Schwebebahn. Dat is leuk. Daar heeft Mart Stam al een idee voor gehad. Ze hebben er voor de grap ooit een olifant mee vervoerd, maar die is in de rivier beland.’ Door de lucht sneed, hangend aan kabels, een trammetje, dat afboog boven een rivierdal.”

GOLDSCHMIDT

Tijs Goldschmidt (Amsterdam, 30 januari 1953)

 

De Amerikaanse schrijver Richard Brautigan werd geboren op 30 januari 1935 in Tacoma, Washinton. Hij wordt beschouwd als de belangrijkste vertegenwoordiger van de Underground scene van de Amerikaanse westkust uit de jaren 60 en 70. Brautigans geboorte viel midden in de grote depressie en zijn jeugd is dan ook door armoede getekend. Aan het eind van de jaren 50 kwam hij met literaire kringen in San Francisco in contact. Met zijn romans en dichtbundels werd hij gedurende de late jaren 60 een beetje een icoon van de hippie-generatie. In 1967 was hij “Poet in Residence” aan het California Institute of Technology. In de jaren 70 lukte het hem niet goed aansluiting te vinden bij zijn vroegere successen, iets wat bij hem leidde tot verbittering. Hij leefde steeds meer teruggetrokken en raakte verslaafd aan alcohol. In september 1984 pleegde hij zelfmoord. Gevonden werd hij echter pas op 25 oktober.

Uit: Revenge of the Lawn

A need for gardens

“When I got there they were burying the lion in the back yard again. As usual, it was a hastily dug grave, not really large enough to hold the lion and dug with a maximum of incompetence and they were trying to stuff the lion into a sloppy little hole.
The lion as usual took it quite stoically. Having been buried at least fifty times during the last two years, the lion had gotten used to being buried in the back yard.
I remember the first time they buried him. He didnt know what was happening. He was a younger lion, then, and was frightened and confused, but now he knew what was happening because he was an older lion and had been buried so many times.
He looked vaguely bored as they folded his front paws across his chest and started throwing dirt in his face.
It was basically hopeless. The lion would never fit the hole. It had never fit a hole in the back yard before and it never would. They just couldnt dig a hone big enough to bury that lion in.
“Hello,” I said. “The holes too small.”
“Hello,” they said, “No, it isnt.”
This had been our standard greeting now for two years.
I stood there and watched them for an hour or so struggling desperately to bury the lion, but they were only able to bury of him before they gave up in disgust and stood around trying to blame each other for not making the hole big enough.
“Why dont you put a garden in next year? I said. ”This soil looks like it might grow some good carrots.“
They didnt think that was very funny.”

richardb

Richard Brautigan 30 januari 1935 – september 1984)

 

De Australische schrijfster Shirley Hazzard werd geboren op 30 januari 1931 in Sydney, maar het grootste deel van haar leven heeft zij verdeeld tussen New York City en Capri, Italië. In 1963 trouwde zij met Francis Steegmuller; hij overleed in 1994. Hazzard schreef de romans The Evening of the Holiday (1966), The Bay of Noon (1970), The Transit of Venus (1981), en The Great Fire (2003), novellen die verzameld zijn in Cliffs of Fall and Other Stories (1963), en People in Glass Houses (1967), de verhandelingen Defeat of an Ideal (1973) en Countenance of Truth (1990) en de biografie Greene On Capri (2000), over de schrijver Graham Greene. De werken van Hazzard hebben diverse prijzen behaald. The Transit of Venus werd onderscheiden met de National Book Critics’ Circle Award. The Great Fire, haar eerste roman na meer dan twintig jaar, kreeg de American Book Award, de National Book Award en de Miles Franklin Award

Uit: The Great Fire (2003)

“Now they were starting. Finality ran through the train, an exhalation. There were thuds, hoots, whistles, and the shrieks of late arrivals. From a megaphone announcements were incomprehensible in American and Japanese. Before the train had moved at all, the platform faces receded into the expression of those who remain.

Aldred Leith sat by a window, his body submissively chugging as they got under way. He would presently see that rain continued to fall on the charred suburbs of Tokyo, raising, even within the train, a spectral odour of cinders. Meanwhile, he was examining a photograph of his father. Leith was holding a book in his right hand – not reading, but looking at a likeness of his father on the back cover.

It was one of those pictures, the author at his desk. In an enactment of momentary interruption, the man was half-turned to the camera, left elbow on blotter, right hand splayed over knee. Features fine and lined, light eyes, one eyelid drooping. A taut mouth. Forehead full, full crop of longish white hair. The torso broad but spare; the clothes unaffected, old and good. As a boy, Leith had wondered how his father could always have good clothes so seldom renewed – a seeming impossibility, like having a perpetual two days’ growth of beard.”

 

Hazzard

Shirley Hazzard (Sydney, 30 januari 1931)

 

De Duitse schrijver Hans Erich Nossack werd op 30 januari 1901 geboren in Hamburg. Na het gymnasium studeerde hij aanvankelijk kunstgeschiedenis en literatuurwetenschap in zijn geboortestad. In 1920 ging hij naar Jena om rechten en economie te studeren. In 1923 keerde hij naar Hamburg terug, trouwde er in 1925 en volgde een opleiding als bankkoopman. Daarnaast schreef hij gedichten en toneelstukken, maar tot publicatie kwam het niet. In 1930 werd hij lid van de KPD en werkte hij in het verzet tegen de nazi’s. In 1933 kwam het tot huisdoorzoekingen door de SA en de politie. Nossack ging in de firma van zijn vader werken en nam kort daarna de leiding ervan over. In 1943 werden zijn dagboeken en manuscripten door het bombardement op Hamburg vernietigd. Hij begon met publiceren in 1947. Vertalingen van zijn eerste boeken verschenen al snel in Frankrijk. In zijn prozatekst Der Untergang beschrijft hij als eerste Duitse schrijver de verschrikkingen van de bommenoorlog aan de hand van de verwoesting van Hamburg. In 1955 verscheen zijn wellicht succesvolste roman Spätestens im November.

Uit: Der Untergang

„Man wagte nicht, Luft zu holen, um es nicht einzuatmen. Es war das Geräusch von achtzehnhundert Flugzeugen, die in unvorstellbaren Höhen von Süden her Hamburg anflogen. Wir hatten schon zweihundert oder auch mehr Angriffe erlebt, darunter sehr schwere, aber dies war etwas völlig Neues. Und doch wußte man gleich: es war das, worauf jeder gewartet hatte, das wie ein Schatten seit Monaten über all unserm Tun lag und uns müde machte, es war das Ende. Dies Geräusch sollte anderthalb Stunden anhalten, und dann in drei Nächten der kommenden Woche noch einmal. Gleichmäßig hielt es sich in der Luft. Gleichmäßig hörte man es auch dann, wenn sich das viel lautere Getöse der Abwehr zum Trommelfeuer steigerte. Nur manchmal, wenn einzelne Staffeln zum Tiefangriff ansetzten, schwoll es an und streifte mit seinen Flügeln den Boden. Und doch war dies furchtbare Geräusch wieder so durchlässig, daß auch jeder andere Laut zu hören war: nicht nur die Abschüsse der Flak, das Krepieren der Granaten, das heulende Rauschen der abgeworfenen Bomben, das Singen der Flaksplitter, nein, sogar ein ganz leises Rascheln, nicht lauter als ein dürres Blatt, das von Ast zu Ast fällt, und wofür es im Dunkeln keine Erklärung gab.
Das Geräusch trieb mich sofort zurück. Ich weiß nicht mehr, ob Misi mich etwas fragte und welche Antwort ich gab. Es ist möglich, daß wir uns von oben nach unten etwas zuriefen, aber es werden nicht viele Worte gewesen sein; denn dies Geräusch machte alles Reden zur Lüge und drückte Worte wehrlos nieder.“

nossack

Hans Erich Nossack (30 januari 1901 – 2 november 1977)

 

Anton Hansen Tammsaare werd geboren als Anton Hansen op 30 januari 1878 in Albu. Zijn vijfdelige romancyclus Tõde ja õigus (Waarheid en Gerechtigheid, 1926 – 1933) geldt als een van de wezenlijke werken van de Estlandse literatuur. Hoewel Tammsaare zijn thema’s uit de geschiedenis en uit het leven van het volk van Estland koos hebben zijn romans de invloed ondergaan van mensen als Henri Bergson, Carl Gustav Jung en Sigmund Freund en van schrijvers als Knut Hamsun en André Gide. Tammsaare was lid van de kunstenaarsgroep Noor-Eesti (Jong-Estland) die tegen de culturele dominantie van Rusland gericht was.

Uit:  Miniatures

“… The very first spring, when the prison was built, a nightingale began to sing in an alder-tree in front of the prison-house.
This was at once reported to the King by his faithful henchmen.
“What is the burden of the song?” the King asked.
“Love and freedom, Your Majesty,” answered the henchmen, bowing to the ground.
For a moment the wise King was deep in thought. They they heard him say:
“Life is captivity, and it would be wrong to sing of freedom. Life is vengeance, and it would be a crime to glorify love. I, your king, do not know what freedom is, for I am a slave of slaves. I, your master, do not know what love is, for I have only obligations. Therefore, take my fiercest falcon and set it on the nightingale.”

TAMMSAARE

Anton Hansen Tammsaare (30 januari 1878 – 1 maart 1940)

 

Adelbert von Chamisso heette eigenlijk Louis Charles Adélaïde de Chamisso de Boncourt. Hij werd op het slot Boncourt in de Champagne geboren op 30 januari 1781, maar zijn adellijke familie moest in 1794 voor de Franse Revolutie op de vlucht. Chamisso werd page van Frederika Louise van Pruisen. Hij leerde in een snel tempo Duits en schreef er verschillende vertellingen en sprookjes in. In Berlijn kwam hij in contact met onder anderen Kleist, Motte-Fouqué, Eichendorff, Hoffmann en Brentano. Chamisso diende als officier in het Pruisische leger van 1798 tot 1807, en werd lid van de Nordsternbund, een verzameling gelijkgestemde dichters. Chamisso keerde na zijn legerdienst nog naar Frankrijk terug en bezocht ook Zwitserland, maar kreeg een afkeer van Napoleon. Hij legde zich toe op de plantkunde en besloot in 1815 op expeditie te gaan. In 1814 publiceerde hij Peter Schlemihls wundersame Geschichte; het is een enigszins autobiografische kruising tussen een sprookje en een novelle, vol magische wendingen, dat in alle belangrijke talen uit die tijd vertaald werd en Chamisso wereldberoemd maakte. Aangezien Chamisso een van de succesrijkste niet-oorspronkelijk Duitstalige auteurs was, is in 1985 een prijs naar hem vernoemd: de Adelbert-von-Chamisso-Preis, die aan schrijvers wordt uitgereikt wier moedertaal niet het Duits is en die een lovenswaardig Duits werk hebben geschreven.

 

Traum der eignen Tage

Traum der eignen Tage,
Die nun ferne sind.
Tochter meiner Tochter,
Du mein süßes Kind,
Nimm, bevor die Müde
Deckt das Leichentuch,
Nimm ins frische Leben
Meinen Segensspruch.

 

Siehst mich grau von Haaren,
Abgezehrt und bleich,
Bin, wie du, gewesen
Jung und wonnereich,
Liebte, so wie du liebst,
Ward, wie du, auch Braut,
Und auch du wirst altern,
So wie ich ergraut.

 

Laß die Zeit im Fluge
Wandeln fort und fort,
Nur beständig wahre
Deines Busens Hort;
Hab ich’s einst gesprochen,
Nehm ich’s nicht zurück:
Glück ist nur die Liebe,
Liebe nur ist Glück.

 

Als ich, den ich liebte,
In das grab gelegt,
Hab ich meine Liebe
True in mir gehegt:
War mein Herz gebrochen,
Blieb mir fest der Mut,
Und des Alters Asche
Wahrt die heilge Glut.

 

Nimm, bevor die Müde
Deckt das Leichentuch,
Nimm ins frische Leben
Meinen Segensspruch:
Muß das Herz dir brechen,
Bleibe fest dein Mut,
Sei der Schmerz der Liebe
Dann dein höchstes Gut.

 

chamiss1

Adelbert von Chamisso  (30 januari 1781 – 21 augustus 1838)

 

De Engelse schrijver Walter Savage Landor werd geboren op 30 januari 1775 in Ipsley Court, Warwickshire. Hij begon met schrijven al tijdens zijn studiejaren in Oxford. Zijn werk bestond uit zowel klassieke epigrammen als gedichten en toneelstukken. Beroemd werd hij echter in het bijzonder wegens zijn geslepen proza. Nietzsche zag in hem een van de vier „meesters van het proza“ in de 19e eeuw. Vanaf 1814 bracht hij een groot deel van zijn leven door op het Europese vasteland. In de jaren 1824 – 1829 ontstonden er zijn Imaginary conversations, die als zijn hoofdwerk beschouwd kunnen worden.

 

Uit: Imaginary conversations

Henry VIII. and Anne Boleyn

 

“Henry. Dost thou know me, Nanny, in this yeoman’s dress? ‘S blood! does it require so long and vacant a stare to recollect a husband after a week or two? No tragedy-tricks with me! a scream, a sob, or thy kerchief a trifle the wetter, were enough. Why, verily the little fool faints in earnest. These whey faces, like their kinsfolk the ghosts, give us no warning. (Sprinkling water over her) Hast had water enough upon thee? take that then . . . art thyself again?

Anne. Father of mercies! do I meet again my husband, as was my last prayer on earth! do I behold my beloved lord . . . in peace . . . and pardoned, my partner in eternal bliss! It was his voice. I can not see him . . . why can not I? O why do these pangs interrupt the transports of the blessed!

Henry. Thou openest thy arms: faith! I came for that: Nanny, thou art a sweet slut: thou groanest, wench: art in labour? Faith! among the mistakes of the night, I am ready to think almost that thou hast been drinking, and that I have not.

Anne. God preserve your highness: grant me your forgiveness for one slight offence. My eyes were heavy; I fell asleep while I was reading; I did not know of your presence at first, and when I did I could not speak. I strove for utterance; I wanted no respect for my liege and husband.

Henry. My pretty warm nestling, thou wilt then lie! Thou wert reading and aloud too, with thy saintly cup of water by thee, and . . . what! thou art still girlishly fond of those dried cherries!”

 

Late Leaves

THE leaves are falling; so am I;
The few late flowers have moisture in the eye;
So have I too.
Scarcely on any bough is heard
Joyous, or even unjoyous, bird
The whole wood through.

Winter may come: he brings but nigher
His circle (yearly narrowing) to the fire
Where old friends meet.
Let him; now heaven is overcast,
And spring and summer both are past,
And all things sweet.

Landor

Walter Savage Landor (30 januari 1775 – 17 september 1864)