Dolce far niente, Anna Enquist, Cees Nooteboom

Dolce far niente

 

Jan_van_der_Heyden_-_View_of_Oudezijds_Voorburgwal_with_the_Oude_Kerk_in_Amsterdam
De Oudezijds Voorburgwal en de Oude Kerk te Amsterdam
door Jan van der Heyden en Adriaen van de Velde, ca. 1670 

 

Oude Kerk

Het is een kerk maar dat geeft niet, zij is
oud, zij is een olifant opgesloten in een haag
van gevels, haar beieren heeft geen betekenis.
Zij kan geen kwaad, heeft geen macht, zij heet
naar de waterheilige die niet bestaat en de angst
van de bouwers is al eeuwen vervlogen.
O, de hevigheid daarbinnen: zieken, hoeren
en weeskinderen met hun wanhoop in stoffig
licht. De arme organist speelt een lied, snikt
om zijn ontijdig einde, een vergooid jong leven.
Het geeft niet. We bewonderen haar huid, haar
ingewanden, haar geheugen, met beschaafde
belangstelling. Mijn vriend begroef een beeld
in de grond, teer en glanzend. We weten zeker
dat haar reuzenpoot het niet pletten zal. Zeker.

 


Anna Enquist (Amsterdam, 19 juli 1945)
Amsterdam, molen De Otter aan Kostverlorenvaart

 

De Nederlandse dichter en schrijver Cees Nooteboom werd geboren in Den Haag op 31 juli 1933. Zie ook alle tags voor Cees Nooteboom op dit blog.

Getijde

I
Er is geen volgorde aan mijn gedachten
als ik de kathedraal af heb maak ik de symphonie
daarna leer ik en martel
ik stuur de regimenten en ontwerp de brug.

Chinees schrijf ik ook, en ik demp het moeras
dan schilder ik de appel op de duizend manieren
maar hoe vaak ik ook met je slaap
de tijd blijft onzichtbaar

hij is er en hij is er niet.

Nu eet ik.
Ik eet en ik drink
van mijzelf
en het wordt niet minder
maar meer
om te verdelgen
of te vergaan

II
Andere verschrikkingen onder de orgelbogen.
Het gebeente, verblind door zijn eigen onzienlijke glans
wrokt en klaagt over meer en beter
en in de ruimte die de tijd is
ga ik van hier naar daar
over de paden van de klok
maar alleen ik verander.

Als het eens anders was?

De wezel in het veld die niet weet
dat hij een wezel is
maar een wezel is
tot hij geen wezel meer is.

Als het eens anders was?

III
In dit getij leer ik mijzelf kennen.
Steeds minder:
ik had duizend levens
en ik nam er maar één!

Langzaam zweef ik op de spiegels af
waarin ik ga smelten
Pas als ik me raak ontplof ik zachtjes –
twee die er één zijn
wordt er geen.

Dan heb ik zelfs deze woorden niet geschreven.
Hoe komt het dan dat jij ze kunt lezen?
Hoe groter het oog wordt
des te minder
te zien.

 

 
Cees Nooteboom (Den Haag, 31 juli 1933)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 31e juli ook mijn blog van 31 juli 2017 en ook mijn blog van 31 juli 2016 deel 1 en eveneens deel 2.

Sarah Josepha Hale, Anna Enquist, Laurent Binet, Ghayath Almadhoun, Jean-Pierre Faye, Lucas Malan, Dom Moraes, Miltos Sachtouris

Dolce far niente

 

 
Zomermorgen door Sergey Lutsenko, 2016

 

Summer Morning

How beautiful the morning,
When summer days are long;
O, we will rise betimes and hear
The wild-bird’s happy song–
For when the sun pours down his ray
The bird will cease to sing;
She’ll seek the cool and silent shade,
And sit with folded wing.

Up in the morning early–
‘Tis Nature’s gayest hour!
There’s pearls of dew upon the grass
And fragrance on the flower.
Up in the morning early,
And we will bound abroad,
And fill our hearts with melody,
And raise our songs to God.

 

 
Sarah Josepha Hale (24 oktober 1788 – 30 april 1879)
Newport, New Hampshire, de geboorteplaats van Sarah Josepha Hale

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anna Enquist werd geboren op 19 juli 1945 in Amsterdam als Christa Boer. Zie ook alle tags voor Anna Enquist op dit blog.

Mijn zoon

Mijn zoon stormt door het huis,
een roffel op de trap. Hij is
zichzelf een motor. Het lied
dat in hem leeft ontsnapt hem
soms. Ik hoor hem zingen
op de gang en zwijg.

’s Nachts is hij bang, hij twijfelt
aan zichzelf, aan ons, de wereld.
Ik neem hem in mijn arm
en zonder spreken vaag ik
de oorlog weg en kinderkanker,
mijn eigen dood, het monster van de tijd.

Ik lieg hem voor en red hem
tot wij beiden slapen in gestolen veiligheid.

 

Winterwerk

De sarabande spelen op de vrieskoude
deel. De uilen hebben het klavier onder-
gescheten. Stom staan de dingen
van de zomer om je heen, strohoed,
trompet. Omhoog die bovenstem, waar
vogels schuilen op de balk, en dan omlaag.

Vertraag het lied, houd in totdat bloed
stolt en adem stokt. Kan zij nu gaan?
Doorspelen. In de bas orgelt een toon
die alle tegenstemmen op zal zuigen.
Hollen of stilstaan – maakt niet uit,
je hamert hoorbaar op het einde aan.

Niet meer dan vilt op staal, lucht
die uittrilt tot stilte. Slechts een dag
in de gestage rij van dagen.

 

Conversatie met de kinderen

Aan tafel gaat het over
wreed. Dat je een lied zingt
waar de ander van moet huilen,
en dat je dat wéét, zeggen zij
zwaaiend met hun lepels. Zeker.

Of met een licht de trage
zwarte kreeften lokt. Jij
in de boot. De dieren spoeden
zich, kunnen niet anders doen
dan ijlen naar wat trillend
fonkelt achter raster dood.

Het ergste is de dolkstoot,
vinden zij. Dat iets geheels en
gaafs zo onverhoeds wordt aangetast
en voortaan niet meer zelf is
maar in binding met het wapen
dat zich toegang eist, en breekt, en krast.

Ontroerd, geobsedeerd, verwond
hoor ik hoe zij het wapentuig
van liefde argeloos als wreed
benoemen. Zonder aarzeling.
Boven de soep houd ik mijn mond.

(Schumann, Kinderszenen, opus 15)

 
Anna Enquist (Amsterdam, 19 juli 1945)

 

De Franse schrijver Laurent Binet werd geboren in Parijs op 19 juli 1972. Zie ook alle tags voor Laurent Binet op dit blog.

Uit: La septième fonction du langage

“Au Flore, à côté d’une petite bonne femme blonde, ils aperçoivent un homme qui louche derrière de grosses lunettes, il a l’air souffreteux et sa tête de grenouille dit vaguement quelque chose à Bayard, mais ce n’est pas pour lui qu’ils sont là. Bayard repère les hommes de moins de trente ans et va les aborder. La plupart sont des gigolos qui draguent dans le secteur. Est-ce qu’ils connaissaient Barthes ? Tous. Bayard les interroge un par un tandis que Simon Herzog surveille Sartre du coin de l’œil : il n’a pas l’air en forme du tout, il n’arrête pas de tousser en tirant sur sa cigarette. Françoise Sagan lui tapote le dos avec sollicitude. Le dernier à avoir vu Barthes est un jeune Marocain : le grand critique était en pourparler avec un nouveau, il ne connaît pas son nom, ils sont partis ensemble l’autre jour, il ne sait pas ce qu’ils ont fait ni où ils sont allés ni où il habite mais il sait où on peut le trouver, ce soir : aux Bains Diderot, c’est un sauna, à Gare de Lyon. « Un sauna ? » s’étonne Simon Herzog, quand surgit un énergumène en écharpe qui lance à la cantonade : « Regardez-moi ces gueules ! Elles n’en ont plus pour longtemps ! En vérité, je vous le dis : un bourgeois doit régner ou mourir ! Buvez ! Buvez votre Fernet à la santé de votre société ! Profitez, profitez ! Chassez ! Périclitez ! Vive Bokassa ! » Quelques conversations s’interrompent, les habitués observent le nouveau venu d’un œil morne, les touristes essaient de profiter de l’attraction sans bien comprendre de quoi il s’agit, mais les serveurs continuent à servir comme si de rien n’était. Son bras balaie la salle d’un geste théâtral outré et, s’adressant à un interlocuteur imaginaire, le prophète à écharpe s’exclame sur un ton victorieux : « Pas la peine de courir, camarade, le vieux monde est devant toi !
(…)

Quand Jacques Bayard arrive devant la chambre, il découvre une queue de plusieurs mètres dans le couloir. Tous attendent pour rendre visite à l’accidenté. Il y a des vieux bien habillés, des jeunes mal habillés, des vieux mal habillés, des jeunes bien habillés, des styles très variés, des cheveux longs et des cheveux courts, des individus de type maghrébin, plus d’hommes que de femmes. En attendant leur tour, ils discutent entre eux, parlent fort, s’engueulent ou lisent un livre, fument une cigarette. Bayard, qui n’a pas encore bien pris la mesure de la célébrité de Barthes, doit vraisemblablement se demander ce que c’est que ce bordel. Usant de ses prérogatives, il passe devant la queue, dit « Police » et entre dans la chambre.”

 
Laurent Binet (Parijs, 19 juli 1972)

 

De Zweeds – Palestijnse dichter, toneelschrijver, journalist en literair criticus Ghayath Almadhoun werd geboren op 19 juli 1979 in Damascus. Zie ook alle tags voor Ghayath Almadhoun op dit blog.

For Damascus

This summer seeping through the fractures
of Damascus is killing me. I creep like rust
on the doors of this prison, now turned
into a museum. I sit in a cafe
frightened and shrinking on days
when money is scarce, and laughing loudly
on days when my shifty pockets are full.
Damascus is my cracked home, and
Kasyon is what I grieve. I sprawl
in the evening like horns of cars
and carts of broad beans. Strangers and
tourists take to me. I am fenceless, any
joy that betrays me, returns
in sorrow to my laughing face. I
am a weird blend; my face mirrors
the wretched and the shopfront displays.
My body is fields of burning
wheat and my tongue scolds like a shoe.
The policeman, the teacher and
the mysterious man stare at me, so I sadly
laugh, and they joyfully cry. Damascus
is mine, and I will not share my bed with
anyone other than the wicked and
the whores. I am the descending ladder
to high pits and the footsteps of thieves
on the sand. My body is a departure
motel and my words are tiny gospels that
the prophets had lost, so the prodigal sons
embraced them. Therefore, I will toss the crumbs
to birds on barbed wire, and I will castrate
glory on asphalt. This is what they taught us
in public schools, before they let us off
like rabbits to chew the grass
of submission. I said to you that I will not
allow anyone to sneak in and peek at Damascus
as she bathes alone, her small
breasts timidly uncovered, I will not
let you
in.

Vertaald door Zeina Issa


Ghayath Almadhoun (Damascus, 19 juli 1979)

 

De Franse schrijver en filosoof Jean-Pierre Faye werd geboren in Parijs op 19 juli 1925. Zie ook alle tags voor Jean-Pierre Faye op dit blog.

Le visage qui va

Le visage qui va
voir, est aussi regardé
juste avant qu’il ne lève
les yeux au-devant, et ne soit traversé
– maintenant il est juste
moulé dans la lumière, modelé
du dehors, caressé
le long du cou, de la hanche
et des reins, jusqu’à la confluence
des jambes et du ventre
et jusqu’où il est ventre et corps
mais lève les yeux, ouvre
ce trou dans la distance, le long
des murs chauds ici, rouges
délabrés, marqués de joints écaillés
et jusqu’au fond et aux arbres
au chemin de son, passé et crissé
à peine prenable, ici
elle, confondue
peu à peu avec les murs
assise, fondue dans le ciment
et les grandes écailles tracées et détachées
écoutant longtemps et voyant
appuyée au revers de main, et
ne cessant pas de rester et d’être
durable et dessinée


Jean-Pierre Faye (Parijs, 19 July 1925)

 

De Zuidafrikaanse dichter Lucas Cornelis Malan werd geboren in Nylstroom op 19 juli 1946. Zie ook alle tags voor Lucas Malan op dit blog

In Camera 1

Ensconced in Duchess Court she managed to retain
some antique furniture and a precarious dignity:
and after fifty years as midwife also the knack
of charming people. Here she preserves photographs,
old journals and her pain in specific detail.
The Royal Albert tea service (picked out
at Anstey’s as a bride) she uses only
for teas such as this – and all the snacks I made myself.
Now, this is the lounge where we will have our tea.

But let me show you something at the back
– please excuse the mess round here, I am
a dressmaker too, you know – designer stuff –
the place gets terribly untidy; and then, of course
Lindy’s always underfoot. Sit down! Now sit!
She gets so worked up, you see. And this gate
I had installed for my security. But just take a look
out there: You can almost see eternity. Now,
have you ever seen a view like that?

This gown I made for Marguerite. She came
round here this morning – Miss South Africa of ’68.
Never married, do you know? And still
as beautiful, although she’s put on weight.
Poor girl. I wonder, though . . . Oh, never mind,
that’s, after all, the way things go. Now come,
let’s have some tea. Do you know this? Earl Grey,
which Gavin brings from London, always fresh.
He’s with SAA, a gentleman and very kind –

The sun is shifting, she makes more tea. We speak
of this and that: My husband died in ’83, how sad
for me who had no kith or kin. But then, you see,
the Lord provides: my tiny Lindy here
is like a child and always such a joy. But what
is to become of her if I – She speaks, and all the while
the light around us fades. It’s getting late,
she notes, but don’t go yet! You have to see
the view at night. I go along with her to look:

Like a sea the city lies, incandescently inflamed
in outgrowths round the core, the outskirts –
like a nocuous yellow flicker along the seam
dividing elite and deprived neighbourhoods:
a Milky Way torn off by gravity. This is a place
of people, of passion and loneliness. She looks:
You know what this reminds me of? I listen
and then leave. But embedded in that metaphor
(a cemetery alight) I see an old placenta
splayed out – black and terminal with blight.

Vertaald door Charl J.F. Cilliers en Lucas Malan


Lucas Malan (19 juli 1946 – 15 april 2010)
De NH kerk in Nylstroom

 

De Indiase dichter en schrijver Dominic Francis Moraes werd geboren op 19 juli 1938 in Bandra. Zie ook alle tags voor Dom Moreas op dit blog.

KANHERI CAVES

Over these blunted, these tormented hills,
Hawks hail and wheel, toboggan down the sky.
It seems this green ambiguous landscape tilts
And teeters the perspective of the eye.
Only two centuries after Christ, this cliff
Was colonised by a mild antique race
Who left us, like a faded photograph,
Their memories that dry up in this place.

They left no ghosts. The rock alone endures.
The drains and cisterns work, but wrecked the stairs;
Blocks are fallen: sunlight cracks those floors,
And fidgets in a courtyard where a pair
Of giant Buddhas smile and wait their crash.
Then temples, audience-halls, a lonely tomb.
I touch its side. The stone’s worn smooth as flesh.
A stranger dangles peaceful in that womb.

Worm he will be, if born: blink in the sun.
I’ll crawl into his dark; perhaps he’ll climb
Beyond the trippers to the final stone
Flat of the hillock, there to grow in Time.
Dry pubic ferns prickle the bitter sand.
Hawks in a hot concentric ecstasy
Of flight and shriek will wake his vision.
And When the clouds lift, he’ll glimpse the miles-off sea

 
Dom Moraes (19 juli 1938 – 2 juni 2004)

 

De Griekse dichter Miltos Sachtouris of Miltos Sahtouris werd geboren in Athene op 19 juli 1919. Zie ook alle tags voor Miltos Sachtouris op dit blog.

The Poet’s Head

I cut off my head
I put it on a plate
and took it to my doctor

— There’s nothing wrong, he said,
it’s just overheated
throw it in the river and we’ll see

I threw it in the river with the frogs
and it raised a dreadful racket
it started shrieking and howling
all kinds of strange songs

I picked it up and put it back on my neck

and roamed the streets in a rage

with a poet’s green hexagonometric head

For Spring

The sun is green
the trees are burning
awaiting the swallows
our iron swallows’ nests
no longer fool us with their flowers
they cost us our arms and legs
now our arms and legs are hanging
from the trees

 

Vertaald door Karen Emmerich

 
Miltos Sachtouris (19 juli 1919 – 29 maart 2005)
Athene

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e juli ook mijn blog van 19 juli 2017 en ook mijn blog van 19 juli 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Otto Julius Bierbaum, Anna Enquist, Gottfried Keller, Lucas Malan, Miltos Sachtouris, Jean-Pierre Faye

Dolce far niente

 

 
Champ de coquelicots door Claude Monet, 1885

 

Roter Mohn

Wenn im Sommer der rote Mohn
wieder glüht im gelben Korn,
wenn des Finken süßer Ton
wieder lockt im Hagedorn,
wenn es wieder weit und breit
feierklar und fruchtstill ist,
dann erfüllt sich uns die Zeit,
die mit vollen Massen misst.

Dann verebbt, was uns bedroht,
dann verweht, was uns bedrückt,
über dem Schlangenkopf der Not
ist das Sonnenschwert gezückt.
Glaube nur, es wird geschehn!
Wende nicht den Blick zurück!
Wenn die Sommerwinde wehn,
werden wir in Rosen gehn,
und die Sonne lacht uns Glück!

 

 
Otto Julius Bierbaum (28 juni 1865 – 1 februari 1910)
Raadhuis in Grünberg (Nu: Zielona Góra), de geboorteplaats van Otto Bierbaum

Continue reading “Otto Julius Bierbaum, Anna Enquist, Gottfried Keller, Lucas Malan, Miltos Sachtouris, Jean-Pierre Faye”

Dolce far niente, Prosper van Langendonck, Anna Enquist, Gottfried Keller

Dolce far niente

 

 
Mortlake Terrace door J. M. W. Turner, 1827

 

Zomeravond

O zomeravond, smachtend neergevlijd
op ’t gele veld, in ’t Westen goudgetint…
Teerkreunend ruisen van de avondwind,
die langs de vlakte in zware weemoed glijdt…
O melodie uit lang verleden tijd,
waarvan ik zin noch woorden wedervind…

O rust, o stilte, blauwige avonddoom!
Doorzichtig ligt ge op verre velden neer…
Zo schouwt mijn geest de beelden van weleer
door ’t wazig scheemren van een weke droom.
’t Verleden rimpelt, onbepaald en loom,
– verzonken stad in ’t stilgevallen meer.

Verheerlijkt glinstren! onbereikbre trans!
O vloeiend zilverlicht zo hoog verbreid…
De zwoele nacht doortrilt uw majesteit,
de aarde is een matte weerschijn van uw glans;
zacht om mijn slapen vloeit uw stralenkrans;
mijn zwellend harte vult de onmeetlijkheid.

 

 
Prosper van Langendonck (15 maart 1862 – 7 november 1920)
Brussel op een zomeravond. Prosper van Langendonck werd geboren in Brussel

Continue reading “Dolce far niente, Prosper van Langendonck, Anna Enquist, Gottfried Keller”

Dolce far niente, Anna Enquist, Rupert Brooke, Radek Knapp, P. D. James, Marica Bodrozic, Leon Uris

Dolce far niente

 

 
Gezicht op het Centraal Station en het IJ door Jan Korthals, 1966

 

MONUMENT

‘Deze metro gaat richting Centraal Station’
Het galmt. Mijn kleinzoon straalt. ‘Oma,
ze zeggen het!’ Het brandpunt van zijn wereld
ligt aan ’t IJ. Roltrap. We stijgen op.

Hoofd in zijn korte nek, hand in mijn hand.
De treinen, trams, de bussen. Kleurige stenen,
torens met hun klokken, beelden en gouden slingers
aan de wand. Zo wordt de glorie van de stad

zijn hersens in geprent. Ik zie een pronkend
bouwsel dat de vluchtweg naar het water bruut
blokkeert. Sloopkogel, bomkanon? Kijk naar
zijn glad gezicht, aanvaard dit monument.

 

 
Anna Enquist (Amsterdam, 19 juli 1945)
Het IJ bij het centraal station Amsterdam door Cornelis de Bruin (1870 – 1940)
Anna Enquist is momenteel stadsdichter van Amsterdam

Bewaren

Continue reading “Dolce far niente, Anna Enquist, Rupert Brooke, Radek Knapp, P. D. James, Marica Bodrozic, Leon Uris”

70 Jaar Anna Enquist, Lucas Malan, Gottfried Keller, Miltos Sachtouris, Jean-Pierre Faye, Hermann Bahr, Robert Pinget

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anna Enquist werd geboren op 19 juli 1945 in Amsterdam als Christa Boer. Zie ook mijn blog van 19 juli 2010 en eveneens alle tags voor Anna Enquist op dit blog. Anna Enquist viert vandaag haar 70e verjaardag.

 

Parijse daken

Ik kreeg een hotelkamer met openslaande
deuren. Zesde verdieping. Jij, al anderhalf
jaar dood, zat tegenover mij. Ochtend.

Een zeer lange neger bracht ons ontbijt,
hij glimlachte. Tussen ons in schikte ik
kopjes en messen. Ik schoof een croissant

op je bordje, hier, dat vind je lekker, kletste ik.
Gaan we naar warenhuizen, paleizen
of gewoon zitten bij de vijver? Ik dacht

aan de zon op je schouders, nu, gave huid.
goud, en je haar, ongekamd nog, welke
kleur in dit licht – ik keek op. De lucht

was van lood boven de daken, golfde
grijs de kamer in en vrat broodmand
confitures boter benen je stem en je handen.

Weer niet gelukt. Ik sloot de deuren. Naar
beneden, snel, een dag was begonnen.

 

Krimp

Hoe de dagen mij ontkomen, steeds
waait er een nieuwe tegen het raam.

Een somber kind in de keuken eet
niet meer uit mijn pannen. Zeldzaam

is het oude leven dat voelt als immer.

Intussen verwaaien mijn uren, ze zijn
de echte, wat tegen mijn raam slaat

is het echte leven, het huidige,
dat van mij, dat van mij eet.

 

www-gewicht-com

Hoeveel aandeelhouders dansen
op de punt van een naald? Gewichtloos
web voor wie gelooft. Het schittert
op een scherm. Uit de mobiel kwijlt
een ijle Beethoven. Wat je zegt raast
jaren rond de aarde, een pulserende
stroom noodkreetjes. ‘Lekker chatten
met mevrouw Van der Geest in Australië!’

Geen leugen zonder waarheid, zonder
tijd geen verte. Gewicht voelde ik
van strijkstok op snaren; zwaar lag de pen
in mijn hand. Ik had een postbode
om te haten. Over bergen ging ik
op eigen benen. Geen netwerk, echt ijs
onder de voet. Mevrouw van der Geest sterft
aan de achterkant van de wereld, alleen.

 
Anna Enquist (Amsterdam, 19 juli 1945)

Continue reading “70 Jaar Anna Enquist, Lucas Malan, Gottfried Keller, Miltos Sachtouris, Jean-Pierre Faye, Hermann Bahr, Robert Pinget”

Dolce far niente, Anna Enquist, Rupert Brooke

Dolce far niente

 

 
Zuiderkerk in Amsterdam door Claude Monet, ca. 1874

 

De stad herboren

Liggend ontwerpt hij het stadsdak, prent
het patroon van bladloze takken tegen fel

blauw in zijn brein, dat bloemkooltje, leeg




nog en klein. Waakzaam ontvangt hij licht
en lawaai, zonder oordeel. Honden, motoren,
een boor. Ik duw zijn wagen en merk hoe hij

schift, niet meer schrikt, scheidt wat hem boeit
en wat niet. Hij verovert de woorden, hij groeit

en zit voor op mijn fiets. Hij vult zijn stad in




met herrie en troep, wil stil bij de vuilnis,
de veegwagen, roept de lantaarns aan,

verstomt bij de rijzende brug, wacht verheugd.




In anderhalf jaar ben ik om, heb ik hekel
en haat laten gaan, is er dankzij zijn geestdrift

een heldere lusthof ontstaan. In het park




gaan wij liggen op doodmoe gras, in de verte
murmelt de stad. We kijken tevreden omhoog,

hij en ik, door de takken van de plataan.

 

 
Anna Enquist (Amsterdam, 19 juli 1945)
Anna Enquist is sinds februari stadsdichter van Amsterdam

Continue reading “Dolce far niente, Anna Enquist, Rupert Brooke”