Karl Ove Knausgård, Peter Handke, Yolanda Entius, Rafał Wojaczek, Henk van Woerden, Alfred Joyce Kilmer, Sophie von La Roche, Paul Adam, Charlotte Wood

De Noorse schrijver en vertaler Karl Ove Knausgård werd geboren in Oslo op 6 december 1968. Zie ook alle tags voor Karl Ove Knausgård op dit blog.

Uit: Engelen vallen langzaam (Vertaald door Marianne Molenaar)

“Dit argument, dat Thomas van Aquino verder uitwerkte en verfijnde, gaat echter uit van de veronderstelling dat de verhouding tussen de engelen en het licht niet alleen metaforisch van aard is, zoals algemeen wordt aangenomen, maar dat ze ook op gecompliceerde wijze met elkaar verweven zijn, bijna identiek. Licht is niet gelijk engelen, maar engelen is gelijk licht. Hoe mooi deze gedachte ook is en hoeveel ze ook over de aard van de engelen zegt, ze voldoet helaas niet. Licht is slechts een van de vele verschijningsvormen van de engelen, zoals uit de Bijbel blijkt, en waarom zou juist die als benaming zijn gebruikt toen deze volmaakte, door God uitverkoren schepselen ontstonden? Omdat ze in hun buitenaardsheid beschreven noch begrepen kunnen worden? In dat geval is het toch merkwaardig dat ze vlak daarna, in het verhaal over de tuin van Eden, zonder enige schroom met name worden genoemd en dat ze daar, de allereerste keer dat de engelen direct in de Schrift worden vermeld, zo concreet en resoluut present zijn dat ze met zwaarden zijn uitgerust. Daarom geloof ik dat Hiëronymus gelijk had met zijn bewering en dat de engelen niet in het scheppingsverhaal worden genoemd omdat ze toen al bestonden. In hoeverre ze altijd al hadden bestaan, zoals bijvoorbeeld Antinous Bellori beweerde, is natuurlijk onmogelijk met zekerheid te zeggen. Uberhaupt is alles wat de engelen betreft in een soort vage nevel gehuld: we weten niet wanneer ze zijn ontstaan, we weten niet waar ze vandaan komen, we weten niet welke eigenschappen ze bezitten, hoe ze denken of wat ze zien als ze ons zien. Anderzijds zijn ze in de hele Bijbel met een soort vertrouwdheid omgeven alsof hun aanwezigheid zo vanzelf spreekt dat er geen verdere verklaring nodig is. Deze ambivalentie ligt voor de hand, aangezien het belangrijkste kenmerk van de engelen is dat ze tot twee werelden behoren en de ene altijd meenemen naar de andere. Dat wordt nergens zo duidelijk als in het verhaal over de val van Sodom en Gomorra. Ze hebben iets vreemds — zodra Lot hen ’s avonds voor de stadspoort ziet, holt hij hun tegemoet en buigt hij zich voor hen in het stof — maar ook iets vertrouwds, want vlak daarop nodigt hij hen uit bij zich thuis, hij bakt brood en maakt een maaltijd voor hen klaar, die ze nuttigen. Waarschijnlijk komt het door bovengenoemde vertrouwdheid dat de schrijver het niet nodig vindt de situatie uitvoeriger te beschrijven. Aan een tafel in een keuken in Sodom zitten twee engelen te eten, door God gezonden om het lot van de stad te bezegelen, haar eventueel te verwoesten, en we krijgen niets te horen over de sfeer, over hoe ze eruitzien, wat ze tegen elkaar zeggen.”


Karl Ove Knausgård (Oslo, 6 december 1968)
Cover

 

De Oostenrijkse schrijver Peter Handke werd op 6 december 1942 in Griffen in Karinthië geboren. Zie ook alle tags voor Peter Handke op dit blog.

Uit: Kali: Eine Vorwintergeschichte

„Ab und zu hat sich ein Gesicht aus der Menge von außen den Scheiben genähert, anfänglich mit einem neugierigen Starren, das sich angesichts der Passagierin drinnen jeweils in ein Staunen verwandelte, wozu ein sofortiges Zurückweichen gehörte. Der Fahrer ist ein noch junger Mann, als eine Art Uniform weiße Handschuhe, und eine Kappe, die sie ihm gleich abnahm, so wie sie auch auf der Stelle das Radio abschaltete,was beides zu einem gemeinsamen Ritual zu gehören schien.
Und etwa so läßt sich der Fahrer dann hören: »Zu Ihrem Abschied von unserem Land möchte ich Ihnen etwas sagen. Ich war in allen IhrenKonzertenhier.IhrletztesKonzertheute war etwas ganz Besonderes. Aber auch die anderen Abende waren etwas Besonderes und, ich weiß das, nicht bloß für mich.Sie wollen einem mit ihrem Musizieren etwas geben.Auch wenn Sie zeitweise stumm sind und ich Sie nur noch in der Einbildung höre, geben Sie, entäußern Sie sich, teilen Sie sich auf für unsereinen – oft gerade dann.Ohne sich zu verausgaben, geben Sie, und wie. Oder nein: Sie verausgaben sich doch,wie nur je ein Musiker, aber so anders als die Musiker, die ich kenne, und ich kenne sie alle, alle. Auch die möchten geben, sich selber. Sie aber geben nichts, rein gar nichts von sich selber, sondern ich weiß nicht was. Es geht bei Ihnen keinen Ton oder Takt lang um Ehrlichkeit,oder gar Wahrheit, sondern um – ich weiß nicht was. Ich habe mir abgewöhnt, Wir zu sagen. Ich habe mir jedes Wir sogar verboten. Aber Ihre Musik hat mein Wir neubelebt. Wir, ja, wir sind von Ihren Konzerten gemeinsam weggegangen, ein jeder in seine Richtung, oder, umso besser, in gar keine Richtung, bloß keine Richtung, und bloß nicht nachhause.«


Peter Handke (Griffen, 6 december 1942)

 

De Nederlands schrijfster en actrice Yolanda Entius werd geboren in Den Haag op 6 december 1961. Zie ook alle tags voor Yolanda Entius op dit blog.

Uit: Abdoel en Akil 

“Augustus 1978. Met zware rugzakken op hun schouders liepen Gaby, Doris en Nola langs de oever van de Ouvèze. Meer dan een etmaal hadden ze in een overvolle trein naar het zuiden gezeten. Vanaf Orange hadden ze de bus naar Vaison-la-Romaine genomen vanwaar ze, bij gebrek aan geld voor een taxi, over het plakkende asfalt naar de camping liepen. Zweet sijpelde van Nola’s voorhoofd en prikte in haar ogen. Haar rugzak trok aan haar schouders en kleefde aan haar rug. In de verte, aan de andere kant van de trillende lucht boven het wegdek, kon ze het hek van de camping al zien. Nog een minuutje of tien en dan waren ze er. Ze had dorst en hoofdpijn van de stank van smeltend asfalt en zette er flink de pas in. Achter haar zuchtte Doris en vloekte Gaby: Nola ging, vonden zij, veel te hard. Vanaf de oever van de rivier hoorde ze iemand fluiten. Fjietfjieuw, en toen nog eens: fjietfjieuw!
Daar zat een man in de schaduw van de openstaande achterklep van een Renault die tussen het zand, de dorre struiken en de gladgeslepen keien stond. Hij was eind twintig, had een woest stoppelbaardje, door de zon gebleekt haar, lichtblauwe ogen en hij droeg een linnen overhemd dat een inkijk bood op zijn bruinverbrande borstkas. Hij stak zijn hand op, heel rustig, en lurkte aan een sigaret. Het lag niet in Nola’s aard te stoppen voor fluitende mannen, maar omdat hij zo kalm was en terughoudend – benen over elkaar, zijn opgestoken hand, de sigarettenrook die als een wolkje vrede richting hemel kringelde – minderde ze vaart en bleef, toen hij vroeg of ze haast had, staan.
‘Nee,’ zei ze, ‘geen haast, het is alleen nogal warm.’
Hij knikte. Ze keek achterom. Ook Gaby en Doris waren blijven staan.
Waar gaat de reis naartoe?’ vroeg hij.
‘Naar de camping,’ zei Gaby.
‘Les Trois Rivières ‘Willen jullie niet liever een roseetje met me drinken?’
Uitnodigend wees hij naar de rivier achter hem waar het water bruisend tussen de stenen stroomde. ‘Hij staat koud.’
‘Zullen we gewoon doorlopen.’ Geërgerd probeerde Doris een steentje uit het asfalt te schoppen.
‘Ik heb wel zin,’ zei Gaby luchtig, ‘jij?’
Nola haalde haar schouders op.
‘Weet je wat dat kost, die camping?’ vroeg de man.
‘Geen idee,’ zei Gaby.
Doris begon ongeduldig te worden.‘Verdomme,’ siste ze, ‘ik heb hier helemaal geen zin in.’ Maar Gaby had de heupband van haar rugzak al losgegespt waarna de man zijn sigaret in het zand gooide. Hij kwam overeind en liep naar hen toe. Hij stak zijn hand uit. ‘André,’ stelde hij zich voor.”

 
Yolanda Entius (Den Haag, 6 december 1961)

 

De Poolse dichter Rafał Wojaczek werd geboren in Mikołów op 6 december 1945. Zie ook alle tags voor Ralf Wojaczek op dit blog.

Five Sentences About Hair

1.
Hair is sad: the brain haunted by
Proud madness doesn’t care for it anymore

2.
Hair is silent when the brain is cosmically
Sawed by the long fiddlebow of spheres

3.
Hair falling out: though proud
When hungry the brain eats its roots

4.
Lonely hair: the brain isn’t here
Neither in the sky nor on the Earth

5.
Triumphant hair: it has guessed that
There is no brain because – rats have eaten it!

 
Vertaald door Jan J. Kałuża


Rafał Wojaczek (6 december 1945 – 11 mei 1971)

 

De Nederlandse schrijver en schilder Henk van Woerden werd op 6 december 1947 geboren te Leiden. Zie ook alle tags voor Henk van Woerden op dit blog.

Uit: De Turken zijn barbaren. Enkele brieffragmenten van Henk van Woerden

“Istanboel, 16 [september 1970]
Liefste Linda en Nicole,
Ik sprak in het Grieks met een Turk wiens familie eerder deze eeuw Kreta afgegooid was. Hij was uitgerekend over Kreta enorm enthousiast. Blijkbaar zijn er verschillende dorpjes aan de kust bij de zee van Marmara, ten westen van Istanboel, en ook aan de westkust, vooral Smirna, die voornamelijk bestaan uit voormalige Kretenzer gemeenschappen – waar je heen kan gaan om te luisteren naar oude mannen die nostalgisch vertellen. Deze man kwam zelf uit Chania. Er lopen mensen door de straten van Athene die zich de straten van Smirna herinneren. Er lopen mannen door de straten van Smirna die zich Herakleion herinneren. De Turken zijn arrogant tegenover buitenlanders – antagonistisch tegenover toeristen. Op elke straathoek staan kleine mannetjes hasj te verkopen. Clive kan er niet tegen: hij heeft er een hekel aan als hij wordt aangezien voor een hippie, en dat levert blasfemische en obscene uitwisselingen op. Toch zijn ze (de Turken) aardig voor katten en kinderen. Ik stond een keer per ongeluk op een kat – in Griekenland zouden ze dat juist opzoeken.
Gisteravond, terwijl we een ‘na-gileh’ (een Turkse waterpijp) aan het roken waren, wat we regelmatig doen, als de rups in Wonderland – maar zonder paddenstoelen, zelfs niet in de pijp, spraken we met een Turkse chirurg die geen chirurg kon zijn aan zijn handen te zien, hij was een charlatan. Schaamteloos liegen komt heel natuurlijk voor Turken – ik geloof dat Perzen geen gevoel voor eerlijkheid hebben, het concept lijkt hen vreemd.”

 
Henk van Woerden (6 december 1947 – 16 november 2005)
Leiden in de Adventstijd

 

De Amerikaanse journalist en dichter Alfred Joyce Kilmer werd geboren op 6 december 1886 in New Brunswick, New Jersey. Zie ook alle tags voor Alfred Joyce Kilmer op dit blog.

Prayer Of A Soldier In France

My shoulders ache beneath my pack
(Lie easier, Cross, upon His back).

I march with feet that burn and smart
(Tread, Holy Feet, upon my heart).

Men shout at me who may not speak
(They scourged Thy back and smote Thy cheek).

I may not lift a hand to clear
My eyes of salty drops that sear.

(Then shall my fickle soul forget
Thy agony of Bloody Sweat?)

My rifle hand is stiff and numb
(From Thy pierced palm red rivers come).

Lord, Thou didst suffer more for me
Than all the hosts of land and sea.

So let me render back again
This millionth of Thy gift. Amen.

 
Alfred Joyce Kilmer (6 december 1886 – 30 juli 1918)
Cover

 

De Duitse schrijfster Sophie von La Roche werd geboren op 6 december 1730 in Kaufbeuren als Marie Sophie Gutermann von Gutershofen. Zie ook alle tags voor Sophie von La Roche op dit blog.

Uit: Rosalie und Cleberg auf dem Lande

„Die gute Geschöpfe blickten mich an, reichten nach meinen Händen, küßten sie, und ich umarmte die Kinder mit der äussersten Bewegung, denn ihre Trauerkleider und die Erklärung der Madame Grafe – meine nun eigene Kinder, sagten mir, daß die kranke Mutter, wie man es befürchtet hatte, den Tod des Vaters nicht überlebte. Die gute alte Wärterinn von den verstorbenen Kindern unserer Grafe kam nun auch in die Stube, und letzte sagte:
»Rosalie! ich bleibe heute bei Ihnen, ich kann in diesem Regen nicht zurück, und muß Sie, als einen Lohn für erlittenen Kummer, wenigstens auf vier und zwanzig Stunden geniessen.«
»Herzlich gerne, liebe Frau! es ist Raum und es sind auch Betten im Hause:«
»Wenn Sie uns nur Raum und Betten für mich und Frau Sille geben, so ist es genug, denn die Betten der Kinder hab ich noch bei mir, und die sind bald in einer Ecke des Zimmers zurecht gelegt – aber ich will Ihnen erzählen wie ich herkam.
»Mein letztes Nachtquartier war nahe an W. Wir standen früh auf und waren bald in der Stadt, ich fragte gleich nach Ihnen, man sagte, Sie wären schon nach Seedorf gezogen, um dort die Abreise von Marianen zu beweinen! Es war mir leid für Sie, daß Ihre Freundinn fort ist; und für mich, daß ich Sie nicht fand. Ich gieng unmuthig in meinem Zimmer auf und ab. Mittlerweile wurden die Pferde von meiner Kutsche abgespannt und die Koffers abgepackt – mein Mann bleibt noch für mehrere Tage in A – ich konnte den Gedanken nicht tragen Sie zu missen, und gab kurz den Befehl, man solle den Bettsack wieder festbinden und die zwei Kutschenkistgen auch nicht auspacken, sondern um frische Pferde sich umsehen, weil ich weiter wollte. Frau Sille und mein guter Jacob sahen wechselsweis bald mich bald sich selbst an, und giengen zugleich an das Fenster, welches Frau Sille stillschweigend öffnete, und mit der Hand auf das gegenüber stark überströmende Dachtrauf zeigte. Ich seh es wohl ihr lieben Guten! aber Rosalie ist nicht hier – Rosalia weint wie der Himmel über uns; ich muß sie sehen – Herr Grafe kommt erst in sechs Tagen – Jacob setzt sich zu uns in den Wagen, in den Kistchen ist alles was wir brauchen und die Kinderbetten im Sack, die großen Koffers bleiben hier, und der Postillion wird für doppeltes Trinkgeld wohl den Regen ausdauren.“


Sophie von La Roche (6 december 1730 – 18 februari 1807)
Cover

 

De Franse dichter en romanschrijver Paul Adam werd geboren in Parijs op 6 december 1862. Zie ook alle tags voor Paul Adam op dit blog.

Uit: Chair molle

«Avec un bruit étourdisseur de vitres dansant en leurs châssis, l’omnibus cahota par la ville. Le monsieur avait mis un binocle. Partout, il scrutait Lucie, dans une étude insolente de sa toilette et de ses gestes. Sous ce regard la fille détourna la tête. Par le vasistas elle fixait les yeux sur une place caillouteuse, vers un kiosque à musique militaire, renfermant des chaises en piles. Elle songea : Ainsi on la méprisait, tout de suite, sitôt sa condition décelée et, pourtant, elle n’était pas encore au bordel ! Que serait-ce quand elle en porterait la livrée, ces hardes voyantes qu’elle imaginait bleues, rouges, vertes, très décolletées ; et, si on lui donnait des peignoirs de gaze, ils lui siéraient parfaitement, car elle avait la peau fort blanche.
Elle s’oublia en une minutieuse analyse de ses beautés corporelles et, ayant pensé aux costumes qui lui conviendraient le mieux, les magasins l’intéressèrent. Puis elle se mit à considérer les passants ; des dames marchandant au seuil des boutiques, des hommes graves, portant sous le bras des serviettes en cuir. En elle-même, furent critiquées leurs allures, impitoyablement. Aux rampes des balcons, des jeunes gens s’étayaient, fumant. L’idée qu’ils seraient ses clients ramena la fille à l’appréhension de son nouveau métier, la fit se désoler encore, se reprocher, ainsi qu’une faute, l’instant de distraction qu’elle venait de prendre. Cependant, il lui était bien permis s’éjouir un peu ; bientôt, elle allait être prisonnière pour un long temps.
Le monsieur s’était approché : il se serrait à elle, érotique. Lucie se recula, mimant une moue froissée. Vraiment il la dégoutait, cet homme ; il n’était même pas convenable, devant le monde ! Sévèrement, elle le toisa.”

 
Paul Adam (6 december 1862 – 2 januari 1920)
Cover

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Australische schrijfster Charlotte Wood werd geboren in 1965 in Cooma, New South Wales. Zie ook alle tags voor Charlotte Wood op dit blog.

Uit: The Natural Way of Things

“Then they got too hot, and Darren left her there sitting on the verge while he went and fetched two cups of water, but still nobody bought any moss. So they climbed the stairs and went inside to watch TV, and the moss dried out and turned grey and dusty and died.This was what the nightdress made her think of, the dead moss, and she loved Darren even though she knew it was him who let them bring her here, wherever she was. Perhaps he had put her in the crazed orange bucket and brought her here himself.
What she really needed was a ciggy.
While she waited there in the bed, in the dead-moss nightdress and the wide silence—the kookaburras stopped as instantly as they began—she took an inventory of herself.
Yolanda Kovacs, nineteen years eight months. Good body (she was just being honest, why would she boast, when it had got her into such trouble?). She pulled the rustling nightdress closer—it scratched less, she was discovering, when tightly wrapped.
One mother, one brother, living. One father, unknown, dead or alive. One boyfriend, Robbie, who no longer believed her (at poor Robbie, the rush of a sob in her throat. She swallowed it down). One night, one dark room, that bastard and his mates, one terrible mistake. And then one giant fucking unholy mess.
Yolanda Kovacs, lunatic. And that word frightened her, and she turned her face and cried into the hard pillow.She stopped crying and went on with her inventory. Things missing: handbag, obviously. Ciggies (almost full pack), purple lighter, phone, make-up, blue top, bra, underpants, skinny jeans.
Shoes. Three silver rings from Bali, reindeer necklace from Darren (she patted her chest for it again, still gone). Yolanda looked up at the dark window.
Oh, stars. Stay with me.
But very soon the sky was light and the two stars had gone, completely.She breathed in and out, longed for nicotine, curled in the bed, watching the door.”

 
Charlotte Wood (Cooma, 1965)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e december ook mijn blog van 6 december 2017

Karl Ove Knausgård, Peter Handke, Rafał Wojaczek, Henk van Woerden, Alfred Joyce Kilmer, Dirk Dobbrow, Sophie von La Roche, Baldassare Castiglione, Paul Adam

De Noorse schrijver en vertaler Karl Ove Knausgård werd geboren in Oslo op 6 december 1968. Zie ook alle tags voor Karl Ove Knausgård op dit blog.

Uit: Engelen vallen langzaam (Vertaald door Marianne Molenaar)

“Om de een of andere reden staan de cherubijnen, die mollige ventjes met hun rode wangetjes waar de schilderijen uit de late Renaissance en de Barok mee bezaaid zijn, ons nog steeds voor de geest als hét beeld van de engel. En zo merkwaardig is dat waarschijnlijk niet, aangezien de engelen in die periode in veel opzichten hun bloeitijd beleefden. Aan de andere kant betekent ze het keerpunt in hun geschiedenis. Er waren destijds maar weinig mensen die het doorhadden, maar het verval had al ingezet en voor ons, die de schilderijen waarop ze voorkomen kunnen bekijken in het licht van de tijd die is verstreken, zijn de tekens duidelijk: ze hebben iets gulzigs en blasés, iets wat zelfs de meest vertederende pose niet kan verhullen, en misschien is dat nog wel het moeilijkst te begrijpen, namelijk hoe het kwam dat hun onschuld en zuiverheid, waarvan ze de uiterlijke kenmerken altijd hebben behouden, zo gemakkelijk in het tegendeel konden omslaan. Maar juist dat is gebeurd. Veel mensen zullen zeggen dat de engelen hun verdiende loon hebben gekregen, aangezien ze zo onverstandig waren niet op tijd te stoppen en zich steeds verder de wereld lieten binnenlokken die ze oorspronkelijk moesten dienen, tot ze er ten slotte in gevangenzaten. Mij lijkt het vreselijke lot dat hun is beschoren, niet helemaal in verhouding te staan tot hun zonden. Maar dat is mijn persoonlijke mening. Voor de engelen speelt het sowieso geen rol meer. Ze herinneren zich niet langer waar ze vandaan komen of wie ze ooit waren, begrippen als ‘waardigheid’ en `plechtstatigheid’ hebben geen betekenis voor hen, het enige waar zij aan denken is eten en zich vermenigvuldigen.
De oorsprong van de engelen is onbekend. Omstreeks 400 n.Chr. beweerde Hiëronymus dat ze uit een tijd ver voor het ontstaan van de wereld stamden en dat baseerde hij op hun opvallende afwezigheid in het scheppingsverhaal, waarin ze met geen woord worden genoemd. Augustinus daarentegen nam een standpunt in dat daar lijnrecht tegenover stond en betoogde dat de engelen wél in het scheppingsverhaal werden genoemd, zij het indirect, aangezien ze inherent zijn aan Gods eerste verkondiging: ‘Er moet licht komen’ en dus op de eerste dag geschapen werden.”

 
Karl Ove Knausgård (Oslo, 6 december 1968)

Doorgaan met het lezen van “Karl Ove Knausgård, Peter Handke, Rafał Wojaczek, Henk van Woerden, Alfred Joyce Kilmer, Dirk Dobbrow, Sophie von La Roche, Baldassare Castiglione, Paul Adam”

Karl Ove Knausgård, Peter Handke, Rafał Wojaczek, Henk van Woerden, Alfred Joyce Kilmer, Dirk Dobbrow, Sophie von La Roche

De Noorse schrijver en vertaler Karl Ove Knausgård werd geboren in Oslo op 6 december 1968. Zie ook alle tags voor Karl Ove Knausgård op dit blog.

Uit: Vrouw (Vertaald door Marianne Molenaar)

‘‘Maar het is niet voor jou’, zei Yngve. ‘Het is om iedereen die jou kent de kans te geven een feest ter ere van jou te vieren. En om überhaupt eens feest te vieren. Als je ruim op tijd uitnodigingen verstuurt zodat de mensen het kunnen plannen, een hotel en een vlucht en alles kunnen boeken, weet ik zeker dat iedereen komt. Ik heb er in elk geval hartstikke veel zin in.’
‘Daar twijfel ik niet aan’, zei ik met een glimlach. ‘Maar jij hebt je veertigste verjaardag zelf ook niet gevierd.’
‘En daar heb ik spijt van.’
‘Wat vind je ervan?’ vroeg Linda.
‘Nee’, zei ik.
Toch trok iets aan het voorstel me aan, het was waar wat Linda had gezegd, dat ik me lang genoeg had verstopt.
Waarom had ik dat gedaan?
Het was een manier om je te redden. In die vreselijke jaren als twintiger had ik geprobeerd deel te nemen aan het leven om me heen, aan het normale leven, dat wat iedereen leidde, maar het was me niet gelukt, en het gevoel van nederlaag en de glimpen van smaad waren zo sterk en zo intens dat ik langzamerhand, zelfs voor mezelf verborgen, mijn focus verplaatste, hem steeds meer op de literatuur richtte en wel op zo’n manier dat het niet de indruk wekte van een vlucht, alsof ik me schuilhield, maar dat het juist iets sterks en trots kreeg en voordat ik het wist mijn leven was geworden. Ik had verder niemand nodig, mijn leven achter de computer en met mijn gezin was voldoende, ja, meer dan voldoende. Ik trok me niet terug omdat ik problemen in sociale situaties had, het kwam doordat ik een groot schrijver was of zou worden. Dat loste al mijn problemen op en ik voelde me er lekker bij.
Maar als het klopte dat ik me verstopte, waar was ik dan bang voor?
Ik was bang voor het oordeel van de anderen en om dat te ontlopen, ontliep ik hen. Het idee dat iemand mij misschien mocht, was een bedreigende gedachte, misschien wel de meest bedreigende wat mij betrof. Ik dacht haar nooit bewust, dat durfde ik niet. Zelfs dat mama me eigenlijk wel moest mogen, dacht ik niet. Of Yngve, of Linda. Ik ging ervan uit dat ze me niet mochten, eigenlijk, maar dat de sociale en familiaire banden waarin we gevangenzaten, betekenden dat ze me toch moesten zien en moesten luisteren naar wat ik te zeggen had.”

 
Karl Ove Knausgård (Oslo, 6 december 1968)

Doorgaan met het lezen van “Karl Ove Knausgård, Peter Handke, Rafał Wojaczek, Henk van Woerden, Alfred Joyce Kilmer, Dirk Dobbrow, Sophie von La Roche”

Karl Ove Knausgård, Peter Handke, Rafał Wojaczek, Henk van Woerden, Alfred Joyce Kilmer

De Noorse schrijver en vertaler Karl Ove Knausgård werd geboren in Oslo op 6 december 1968. Zie ook alle tags voor Karl Ove Knausgård op dit blog.

Uit: Vrouw (Vertaald door Marianne Molenaar)

“Het idee om mijn veertigste verjaardag te vieren was geen moment bij me opgekomen, het was absoluut niet aan de orde. Maar vroeg in de herfst het jaar daarvoor, dat wil zeggen in september 2008 bij Yngve in Voss op bezoek, waren Yngve en Linda er plotseling over begonnen. Toen de kinderen naar bed waren, zaten we ’s avonds op het terras, elk met een glas rode wijn in de hand. De hemel boven ons was inktzwart en duizelde van de sterren. De lucht was koud en helder.
‘We hadden het even over je veertigste verjaardag’, zei Linda en ze keek me in het flauwe schijnsel van de deur naar het terras aan.
‘O?’ zei ik.
‘Ja. We zijn tot de conclusie gekomen dat je een echt feest moet geven en het groots moet vieren.’
‘Iedereen uitnodigen die je kent’, zei Yngve. ‘Dan kunnen de Kafkatrakterne en de Lemen spelen, bijvoorbeeld.’
‘Maar dat is het laatste wat ik wil’, zei ik. ‘Dat is echt het ergste wat ik me kan voorstellen.’
‘Dat weten we’, zei Linda. ‘Maar je hebt je lang genoeg verstopt gehouden, toch?’
‘Wie moet ik dan uitnodigen?’
‘O, dat zijn er een heleboel’, zei Yngve. ‘Je kent veel meer mensen dan je denkt. Je moet gewoon even nadenken.’
‘Kan zijn’, zei ik terwijl ik naar Linda keek. ‘Maar als ik mocht kiezen, zou ik het het liefst alleen met jullie vieren, als een doodnormale verjaardag. Dat is toch leuk. Jullie komen al zingend met kaarsjes en cadeautjes binnen. Dat is feestelijk genoeg wat mij betreft.’
‘Dat is duidelijk’, zei Linda.”

 
 Karl Ove Knausgård (Oslo, 6 december 1968)

Doorgaan met het lezen van “Karl Ove Knausgård, Peter Handke, Rafał Wojaczek, Henk van Woerden, Alfred Joyce Kilmer”

Karl Ove Knausgård, Peter Handke, Rafał Wojaczek, Henk van Woerden, Alfred Joyce Kilmer

De Noorse schrijver en vertaler Karl Ove Knausgård werd geboren in Oslo op 6 december 1968. Zie ook alle tags voor Karl Ove Knausgård op dit blog.

Uit: Vader (Vertaald door Marianne Molenaar)

“Op hetzelfde moment dat het leven het lichaam verlaat, behoort dat lichaam tot het dode. Tot de lampen, de koffers, de kleden, de deurklinken, de ramen. Tot de akkers, de moerassen, de beken, de bergen, de wolken, de hemel. Niets van dat alles is ons vreemd. We zijn voortdurend omgeven door de voorwerpen en verschijnselen uit de wereld van het dode. Toch roepen weinig dingen een groter onbehagen bij ons op dan er een mens in gevangen te zien, in elk geval te oordelen naar de moeite die we ervoor doen om dode lichamen uit het zicht te houden. In grote ziekenhuizen worden ze niet alleen in speciale, ontoegankelijke ruimtes weggestopt, maar zijn zelfs de toegangswegen erheen verborgen met speciale liften en speciale keldergangen en ook al zou je daar per ongeluk terechtkomen, de dode lichamen die langs worden gereden, zijn altijd bedekt. Als ze het ziekenhuis uit worden gebracht, gebeurt dat via een speciale uitgang, in auto’s met geblindeerde raampjes; bij de kerk is een speciale ruimte voor ze zonder ramen; tijdens de afscheidsplechtigheid liggen ze in gesloten kisten waarin ze in de aarde worden neergelaten of in de oven worden verbrand. Welk nut deze handelwijze dient, is moeilijk te zeggen. De dode lichamen zouden bij wijze van spreken probleemloos onbedekt door de gangen van het ziekenhuis kunnen worden gereden en in een gewone taxi worden weggebracht zonder dat dat enig risico voor wie dan ook zou inhouden. De oude man die tijdens een bioscoopbezoek sterft, kan net zo goed op zijn stoel blijven zitten tot de film is afgelopen of zelfs nog gedurende de volgende voorstelling. De leraar die op het schoolplein een beroerte krijgt, hoeft niet per se onmiddellijk te worden weggebracht, het heeft absoluut geen nadelige gevolgen als hij daar blijft liggen tot de conciërge tijd heeft zich om hem te bekommeren, al zou dat pas ergens laat in de middag of ’s avonds gebeuren. Wat maakt het uit als er een vogel op hem neerstrijkt en in hem begint te pikken? Is wat hem in het graf te wachten staat minder erg alleen omdat we het niet zien?”

 
Karl Ove Knausgård (Oslo, 6 december 1968)

Doorgaan met het lezen van “Karl Ove Knausgård, Peter Handke, Rafał Wojaczek, Henk van Woerden, Alfred Joyce Kilmer”

Karl Ove Knausgård, Peter Handke, Rafał Wojaczek, Henk van Woerden, Alfred Joyce Kilmer

 De Noorse schrijver en vertaler Karl Ove Knausgård werd geboren in Oslo op6 december 1968. Zie ook alle tags voor Karl Ove Knausgård op dit blog.

Uit: Nacht (Vertaald door Marianne Molenaar)

“Na het laatste uur die dag belde ik mama. Kreeg haar nog net op haar werk te pakken voor ze naar huis zou gaan.
‘Hoi, mama’, zei ik. ‘Heb je even tijd om wat te praten?’
‘Ja, geen probleem. Is er iets gebeurd?’
‘Nee hoor. Alles is nog steeds hetzelfde hier. Maar het begint ontzettend zwaar te worden. Ik kom ’s morgens nauwelijks mijn bed uit. En toen bedacht ik vandaag dat ik in feite op kan zeggen. Ik heb het zo ontzettend slecht naar mijn zin, zie je. Ik ben hier natuurlijk ook niet voor opgeleid. Dus ik dacht dat ik in plaats daarvan na de Kerst kon gaan studeren. Gewoon mijn propedeuse halen.’
‘Ik begrijp dat je gefrustreerd bent en dat het zwaar is’, zei ze. ‘Maar ik vind dat je er nog even over na moet denken voor je een beslissing neemt. De kerstvakantie begint nu gauw, dan kun je ontspannen en het rustig aan doen, hier gewoon op de bank blijven liggen als je wilt. Dan geloof ik dat het er heel anders uitziet als je daar weer terugkomt.’
‘Maar dat is juist wat ik niet wil!’
‘Dat zijn schommelingen. Je vond het een tijdje ontzettend leuk. Het is heel normaal dat je nu een periode hebt waarin je wat down bent. Ik kan natuurlijk niet zeggen dat je niet mag ophouden, dat beslis je zelf. Maar dat hoef je niet per se nu te doen, dat is alles wat ik wil zeggen.’
‘Ik geloof niet dat je begrijpt wat ik wil zeggen. Het wordt niet beter. Het is zo verdomd zwaar. En waarvoor?’
‘Zo is het leven soms’, zei ze.
‘Dat zeg je altijd. Maar ook al is jouw leven zwaar, dan hoeft dat van mij het toch nog niet te zijn?’
‘Ik wilde je alleen een raad geven. Ik denk dat je dat kunt gebruiken.’
‘Oké,’ zei ik, ‘ik neig ertoe op te houden, echt, maar je hebt gelijk als je zegt dat ik dat niet per se nu hoef te beslissen.’

 
Karl Ove Knausgård (Oslo, 6 december 1968)

Doorgaan met het lezen van “Karl Ove Knausgård, Peter Handke, Rafał Wojaczek, Henk van Woerden, Alfred Joyce Kilmer”

Alfred Joyce Kilmer, Paul Adam, Sophie von La Roche, Baldassare Castiglione

De Amerikaanse journalist en dichter Alfred Joyce Kilmer werd geboren op 6 december 1886 in New Brunswick, New Jersey. Zie ook alle tags voor Alfred Joyce Kilmer op dit blog.

A Blue Valentine
(For Aline)

Monsignore,
Right Reverend Bishop Valentinus,
Sometime of Interamna, which is called Ferni,
Now of the delightful Court of Heaven,
I respectfully salute you,
I genuflect
And I kiss your episcopal ring.

It is not, Monsignore,
The fragrant memory of your holy life,
Nor that of your shining and joyous martyrdom,
Which causes me now to address you.
But since this is your august festival, Monsignore,
It seems appropriate to me to state
According to a venerable and agreeable custom,
That I love a beautiful lady.
Her eyes, Monsignore,
Are so blue that they put lovely little blue reflections
On everything that she looks at,
Such as a wall
Or the moon
Or my heart.
It is like the light coming through blue stained glass,
Yet not quite like it,
For the blueness is not transparent,
Only translucent.
Her soul’s light shines through,
But her soul cannot be seen.
It is something elusive, whimsical, tender, wanton, infantile, wise
And noble.
She wears, Monsignore, a blue garment,
Made in the manner of the Japanese.
It is very blue —
I think that her eyes have made it more blue,
Sweetly staining it
As the pressure of her body has graciously given it form.
Loving her, Monsignore,
I love all her attributes;
But I believe
That even if I did not love her
I would love the blueness of her eyes,
And her blue garment, made in the manner of the Japanese.

Monsignore,
I have never before troubled you with a request.
The saints whose ears I chiefly worry with my pleas
are the most exquisite and maternal Brigid,
Gallant Saint Stephen, who puts fire in my blood,
And your brother bishop, my patron,
The generous and jovial Saint Nicholas of Bari.
But, of your courtesy, Monsignore,
Do me this favour:
When you this morning make your way
To the Ivory Throne that bursts into bloom with roses
because of her who sits upon it,
When you come to pay your devoir to Our Lady,
I beg you, say to her:
“Madame, a poor poet, one of your singing servants yet on earth,
Has asked me to say that at this moment he is especially grateful to you
For wearing a blue gown.”

Alfred Joyce Kilmer (6 december 1886 – 30 juli 1918)

Doorgaan met het lezen van “Alfred Joyce Kilmer, Paul Adam, Sophie von La Roche, Baldassare Castiglione”

Dirk Dobbrow, Rafał Wojaczek, Peter Handke, Henk van Woerden, Alfred Joyce Kilmer, Paul Adam, Sophie von La Roche, Baldassare Castiglione

De Duitse schrijver en acteur Dirk Dobbrow werd geboren op 6 december 1966 in Berlijn. Zie ook mijn blog van 6 december 2008.

Uit: Späte Störung

„Gelächter weckte ihn, er sah auf die Leuchtziffern seiner Uhr. Es war kurz vor halb sechs, Stimmen drangen zu ihm herauf. Er knipste das Licht an. Iris rührte sich nicht, sie hatte eine Tablette genommen. Warum musste sie immerzu Tabletten nehmen? »Hörst du nicht?«, flüsterte er. »Es ist jemand im Haus.« Sie schlief, eine Speichelblase klebte an ihren Lippen. Die Haut auf ihren Augenlidern schimmerte blau.

Sein Haus war sicher. Die Türen waren mit Zusatzschlössern ausgerüstet, Scharniersicherungen verhinderten, dass man sie aushebeln konnte. Fenster und Terrassentüren wurden von Stangenschlössern und Sperrbügeln gesichert. Die Kellerschächte waren mit Gitterrostsicherungen versehen. Hier kommt niemand ungebeten rein, hatte der Mann von der Sicherheitstechnik gesagt. Selbst ein Panzerriegelschloss für die Eingangstür hatte Frank ihm abgekauft. Der gehärtete Stahlbügel sei bruchfest bis einskommafünf Tonnen. Das hatte Frank überzeugt.

Er lauschte. Da war das Lachen wieder, jung und hell. Einbrecher lachen nicht. Sein Traum fiel ihm ein. Oben auf der Leiter hatte er gestanden, die Kabel in der Hand. Er musste die aus der Dose ragenden Adern mit dem Seitenschneider zurechtstutzen, ihre Isolation entfernen. Nicht die Kupferseele einschneiden, hatte er gedacht, niemals die Kupferseele einschneiden.

Wir brauchen mehr Licht, hatten sie von unten gerufen, Gestalten in grünen Operationskitteln mit Masken vor Nase und Mund. Beim Anklemmen der Adern achtete er auf eine korrekt leitende Verbindung. Das blanke Ende der Seele verschwand vollständig in der Klemme. Er zog die Schrauben fest. Licht flammte auf, er sah von der Leiter hinab auf den Tisch. Darauf lag das Mäd chen, es war nackt und mager. Sie wollten es an die Maschine anschließen. Das Fett wollten sie ihr absaugen. Sie ist zu mager, hatte er gerufen, viel zu mager. Dann war er erwacht.

Es war seine Tochter, die unten lachte. Jetzt erkannte er ihre Stimme. Jemand sprach leise zu ihr. Gläser klirrten. Frank setzte sich auf. Die Schlafzimmertür stand offen. Er mochte es nicht, an der offenen Tür zu schlafen. »Ich bekomme keine Luft«, sagte Iris, wenn er sie abends schloss. Kaum war er eingeschlafen, öffnete sie sie wieder.

Er sah auf seine nackten Füße hinab. Die Zehen waren gekrümmt, sie passten sich den Schuhen an im Laufe der Jahre. Die Adern auf dem Spann waren geschwollen. Ein paar Haare kräuselten sich auf der Haut. Er erkannte die Stelle, wo er sich verbrüht hatte als Kind. Da war die Haut rosa mit bräunlichen Flecken darauf, Pigmentstörungen. Ihm war der Topf mit dem kochend heißen Wasser aus der Hand geglitten.“

dobbrow

Dirk Dobbrow (Berlijn, 6 december 1966)

 

De Poolse dichter Rafał Wojaczek werd geboren in Mikołów op 6 decmber 1945. Zie ook mijn blog van 6 december 2008.

This process

This process, this is life driven by a will
Opposed to it, because it finds death
Inside. This friction, benevolent resistance
Aimed toward staying in the background

Of one infinity. This heavy inertia
Weighing toward a cozy genesis filled with
Stale blood. This propensity to falling
On a sure bed – a safe and sated bottom.

This process is the dying not yet traversed
By anyone on the road; through which a reverse
Rememberance of the dead does not shine.

This process, believe me, is real in time
By which the heroism will mature in my chest
To allow me to rightfully nurse at your breast.

  

Vademecum

Who gives the dark ones a white woman of day
Will have to restart and begin as I say

Who of holy harmony will dream
Death invent he must and entrust in him

Lose fear of the knife where its point
Near the fifth rib marks the joint

And do not fear or mock the truth
That the knife is faith’s serious tool

And don’t let it wait for the years
Will crush it and wither its veneers

But with religious hand one must grasp
And with immense strength and joy one must thrust

To begin the fight with self one takes up
Who – fluent in script of doom – doom will have for naught

 

Vertaald door Tomasz Gil

 

Cross

I am level
You are vertical
You are the mountain
I am the valley
I am the Earth
You are the Sun
I am the shield
You are the sword
I am the wound
You are the pain
I am the night
You are God
You are fire
I am water
I am naked
You are in me
I am level
But not always
You are vertical
But not forever
I am the vertical
Mountain of orgasm
You are level
Near me

wojaczek2

Rafał Wojaczek (6 december 1945 – 11 mei 1971)

 

De Oostenrijkse schrijver Peter Handke werd op 6 december 1942 in Griffen in Karinthië geboren. Zie ook mijn blog van 6 december 2006.  en ook mijn blog van 6 december 2007 en ook mijn blog van 6 december 2008.

 

Uit: Es leben die Illusionen (Peter Handke, Peter Hamm)

 

“Und wenn die Geschichte geschrieben ist, wenn man nichts tut, wenn man wieder im Müßiggang lebt, im verdienten oder im nicht verdienten, wenn dann die Geschichte sozusagen aus der Luft zu einem zurückkommt, ist es eigentlich … die schönste Zeit. Man hört ja immer wieder: Der was geschrieben hat, fällt dann in ein Loch, oder er fühlt die Leere im Innern. Das ist ganz und gar nicht so bei mir. Bei mir kommt dann die Geschichte zu mir zurück, und dann denke ich: Ja, ich hab’s geschrieben. Dieses Gefühl: Ich habe geschrieben, ist eigentlich ein größeres und besseres Gefühl als: Ich schreibe. Wenn ich das in der Gegenwart, im Präsens ausdrücke. Dann komm ich mir oft wie ein Halunke oder wie ein Schurke vor, der sich drückt vor … dem, was seine Bürgerpflicht ist. (Lacht.)

 

In einem Gespräch mit André Müller hast du zwei Sachen gesagt: Einmal: man brauche eine gewisse Schamlosigkeit zum Schreiben. Und dann: Es habe dich hingezogen zum Schreiben aus einem Bedürfnis zu lieben. Was meinst du mit ‘Schamlosigkeit’?

 

Ja, Schamlosigkeit, das trifft auch nicht mehr zu. Und das Bedürfnis zu lieben ist vielleicht auch nicht mehr etwas so … Umfassendes, ‘etwas sanft Umfassendes herzustellen’, wie es da im ‘Nachmittag eines Schriftstellers’ einmal steht. Ein Werk ist etwas, das sich durch Benutzung nicht abnützt. Es wird benützt, nutzt sich aber nicht ab. Früher hat man ‘Werk’ gesagt, und das ist ein eigentlich gar nicht so unschönes Wort. Ich fand das lange lächerlich, aber warum nicht ab und zu an einer bestimmten Stelle das Wort Werk verwenden? Um das mit der Liebe abzuschwächen oder vielleicht zu variieren, würde ich sagen: irgend etwas Umfassendes und zugleich Leichtes, das schwebt mir vor. Das Haus der Winde, denke ich oft, das wäre ein Buch, Haus aller Winde, und keiner ist dann so gefährlich wie der Mistral oder es sind wirklich die Winde, wie sie bei Vergil stehen, der kalte Bora in Jugoslawien, und so weiter…”

 

Handke

Peter Handke (Griffen, 6 december 1942)

 

De Nederlandse schrijver en schilder Henk van Woerden werd op 6 december 1947 geboren te Leiden. Zie ook mijn blog van 6 december 2006.  en ook mijn blog van 6 december 2007 en ook mijn blog van 6 december 2008.

 

Uit: Tikoes

 

Ze ontwaakte schielijk, zoals ze meestal deed. Haar arm strekte over mij heen en trok het gordijn op een kier; het licht deed de slaapkamer blozen. We voelden een driehoekje tocht uit de tuin; het bracht geruis en geuren die thuis gingen betekenen, maar niet ogenblikkelijk. En welk thuis precies? De tuin bleef zweven: struikgewas en doorkijkjes voorzien van gekwetter en gekwinkeleer dat de vogelgeluiden van vroeger doubleerde. Een deuntje op zijn kant gekeerd.
We hoorden vensterluiken schuiven. Een tuinman kwam langs om jaloezieën te ontgrendelen en het landhuis een voor een de ogen te openen. Hij wrong zich telkens door de begroeiing heen en deed zijn ronde met een vanzelfsprekende alledaagsheid die wij nog niet goed begrepen. Toen hij uit het zicht was verdwenen werd een tuinslang kronkelend over het gazon getrokken. Op enige afstand klonk een schelle roep, die onmiddellijk weer wegstierf, gevolgd door hondengeblaf achter de hoge bomen.
Tikoes snoof een keer aan de lucht uit de tuin, en daarna aan beide oksels. Ze trok een zuur gezicht, gleed uit bed en tripte geruisloos naar de badkamer om de wasbak vol te laten stromen.
In deze vleugel van Eikenhof liep roestwater uit de kranen, waarvoor ik had gewaarschuwd, een kleur van onder de grond. Ze poetste haar tanden en zong toen:

Spieglein, Spieglein an der Wand,
Wer ist die schönste im ganzen Land?’

Ondertussen bekeek ze met schuimende mond haar evenbeeld in het spiegeltje, en maakte ten slotte met getuite tong een afdruk op het glas, zodat twee tongen naar elkaar reikten. Er stond kippenvel op de huid van haar taille.

Ik volgde mijn neus door de kamers, niet echt op zoek naar de gastheer. In een aangrenzend vertrek stonden nog zijn twee piano’s. Het schemerde er; tijdens mijn afwezigheid leek het huis te zijn dichtgegroeid, het zicht op de tuin ontnomen. In het halfduister hing een voorjaarsachtige koelte die naar vroeger rook, een geur die onmiddellijk vrolijk stemde.
In de bibliotheek waren de kasten tot aan het plafond gestegen. Cliffords verzamelwoede had gelijke tred gehouden met het woekeren van gewassen rond het erf. En trok je hier of daar een leren band uit de keurige rijen op de plank, dan sloeg dezelfde ondergrondse lucht je tegemoet die het kraanwater kleurde, okerrood, brakkig en aangenaam om redenen die niet meteen waren te achterhalen. Het slib in het meertje, the dam, rook zo, wist ik, en veel langer geleden: het teer van de straten, vlak voor het onweer.
De neus keert eerder dan het oog naar huis. In de zitkamer geurde het naar koude haard. In de gangen naar slak en hond. In de hal naar wijnschimmel. Ik sloop over de krakende vloer van de salon waar Engelse meubels sluimerden – kaarsvet, stof van prenten – en betrad de keuken: onbestemd bezinksel, roerei, en mijn vriend aan het fornuis.

 

henk_van_woerden

Henk van Woerden (6 december 1947 – 16 november 2005)
Getekend door Karel Kindermans

 

De Amerikaanse journalist en dichter Alfred Joyce Kilmer werd geboren op 6 december 1886 in New Brunswick, New Jersey. Zie ook mijn blog van 6 december 2006 en ook mijn blog van 6 december 2008.

 

To Certain Poets

Now is the rhymer’s honest trade
A thing for scornful laughter made.

 

The merchant’s sneer, the clerk’s disdain,
These are the burden of our pain.

 

Because of you did this befall,
You brought this shame upon us all.

 

You little poets mincing there
With women’s hearts and women’s hair!

 

How sick Dan Chaucer’s ghost must be
To hear you lisp of “Poesie”!

 

A heavy-handed blow, I think,
Would make your veins drip scented ink.

 

You strut and smirk your little while
So mildly, delicately vile!

Your tiny voices mock God’s wrath,
You snails that crawl along His path!

 

Why, what has God or man to do
With wet, amorphous things like you?

 

This thing alone you have achieved:
Because of you, it is believed

 

That all who earn their bread by rhyme
Are like yourselves, exuding slime.

 

Oh, cease to write, for very shame,
Ere all men spit upon our name!

 

Take up your needles, drop your pen,
And leave the poet’s craft to men!

 

Kilmer

Alfred Joyce Kilmer (6 december 1886 – 30 juli 1918)

 

De Franse dichter en romanschrijver Paul Adam werd geboren in Parijs op 6 december 1862. Zie ook mijn blog van 6 december 2008.

 

L’ARGENT

 

Il peut acheter une maison

Mais pas un foyer

Il peut acheter un lit

Mais pas le sommeil

Il peut acheter une horloge

Mais pas le temps

Il peut acheter un livre

Mais pas la connaissance

Il peut acheter une position

Mais pas le respect

Il peut payer le médecin

Mais pas la santé.

Il peut acheter du sang

Mais pas la vie

Il peut acheter du sexe

Mais pas de l’amour.

 

Adam_Paul

Paul Adam (6 december 1862 – 2 januari 1920)

 

De Duitse schrijfster Sophie von La Roche werd geboren op 6 december 1730 in Kaufbeuren als Marie Sophie Gutermann von Gutershofen. Zie ook mijn blog van 6 december 2006 en ook mijn blog van 6 december 2008.

 

Uit: Geschichte des Fräuleins von Sternheim

 

„Erschrecken Sie nicht, meine Freundin, anstatt der Handschrift von Ihrer Sternheim eine gedruckte Copey zu erhalten, welche Ihnen auf einmal die ganze Verräterei entdeckt, die ich an Ihnen begangen habe. Die Tat scheint beim ersten Anblick unverantwortlich. Sie vertrauen mir unter den Rosen der Freundschaft ein Werk Ihrer Einbildungskraft und Ihres Herzens an, welches bloß zu Ihrer eigenen Unterhaltung aufgesetzt worden war. »Ich sende es Ihnen (schreiben Sie mir), damit Sie mir von meiner Art zu empfinden, von dem Gesichtspunkt, woraus ich mir angewöhnt habe, die Gegenstände des menschlichen Lebens zu beurteilen, von den Betrachtungen, welche sich in meiner Seele, wenn sie lebhaft gerührt ist, zu entwickeln pflegen, Ihre Meinung sagen und mich tadeln, wo Sie finden, daß ich unrecht habe. Sie wissen, was mich veranlaßt hat, einige Nebenstunden, die mir von der Erfüllung wesentlicher Pflichten übrig blieben, dieser Gemüts-Erholung zu widmen.

Sie wissen, daß die Ideen, die ich in dem Charakter und in den Handlungen des Fräuleins von Sternheim und ihrer Eltern auszuführen gesucht habe, immer meine Lieblings- Ideen gewesen sind; und womit beschäftigt man seinen Geist lieber als mit dem, was man liebt? Ich hatte Stunden, wo diese Beschäftigung eine Art von Bedürfnis für meine Seele war. So entstund unvermerkt dieses kleine Werk, welches ich anfing und fortsetzte, ohne zu wissen, ob ich es würde zum Ende bringen können; und dessen Unvollkommenheit Sie selbst nicht besser einsehen können, als ich sie fühle. Aber es ist nur für Sie und mich — und, wenn Sie, wie ich hoffe, die Art zu denken und zu handeln dieser Tochter meines Geistes gutheißen, für unsre Kinder bestimmt.

Wenn diese durch ihre Bekanntschaft mit jener in tugendhaften Gesinnungen, in einer wahren, allgemeinen, tätigen Güte und Rechtschaffenheit gestärket würden — welche Wollust für das Herz Ihrer Freundin.« — So schrieben Sie mir, als Sie mir Ihre Sternheim anvertrauten; — und nun, meine Freundin, lassen Sie uns sehen, ob ich Ihr Vertrauen beleidiget, ob ich wirklich ein Verbrechen begangen habe, da ich dem Verlangen nicht widerstehen konnte, allen tugendhaften Müttern, allen liebenswürdigen jungen Töchtern unsrer Nation. ein Geschenke mit einem Werk– zu machen, welches mir geschickt schien, Weisheit und Tugend — die einzigen großen Vorzüge der Menschheit,

die einzigen Quellen einer wahren Glückseligkeit — unter Ihrem Geschlechte und selbst unter dem meinigen zu befördern.“

 

LaRoche

Sophie von La Roche (6 december 1730 – 18 februari 1807) 

 

 

De Italiaanse schrijver Baldassare Castiglione, graaf van Novellata werd geboren op 6 december 1478 te Casatico, bij Mantua. Zie ook mijn blog van 6 december 2006 en ook mijn blog van 6 december 2008.

 

Uit: The Book of the Courtier

 

“These French gentlemen slander me and  declare that I am an Imperialist, because they see  how kindly the Emperor and his courtiers treat me.

As you know, I have never discouraged their attentions, hoping that by retaining His Majesty’s confidence I may better be able to serve the Pope ; and  I really do not think it necessary to alter my conduct  in order to be held an honest man, and should be  ashamed if at my time of life anyone ventured to  doubt my integrity. Certainly I have never had so  difficult a task as that of managing these affairs, on  such a footing and in such company. If this goes  on much longer it will become intolerable. I ought  at least to receive precise instructions as to what  I am to say and do, for at present I have to refer  everything to these French ambassadors, and what  kind of men they are God only knows ! . . . Now  Bayard has gone back to France, after making many  threats of vengeance, and Calvimont refuses to utter  a word. Such conduct may well exasperate the other  confederates, who have brought war into their own  lands for no other reason than to gratify the King of  France. Now His INIajesty gives himself up to  pleasure at home, while poor Italy is on fire and the  Apostolic See has sunk to the lowest depths of  degradation. And yet, if we only knew it, just now  we might obtain any terms that we chose to ask from  the Emperor.”

 

Castiglione

Baldassare Castiglione (6 december 1478 – 2 februari 1529)

Peter Handke, Rafał Wojaczek, Dirk Dobbrow, Henk van Woerden, Alfred Joyce Kilmer, Paul Adam, Sophie von La Roche, Baldassare Castiglione

De Oostenrijkse schrijver Peter Handke werd op 6 december 1942 in Griffen in Karinthië geboren. Zie ook mijn blog van 6 december 2006.  en ook mijn blog van 6 december 2007.

Uit: Rund um das große Tribunal

“Nichts Lächerlicheres und vor allem Kläglicheres aber als die mannigfaltigen Verschwörungstheorien, welche von diesen und jenen aus den verschwindenden oder fast schon verschwundenen Minderheiten gegen die herrschenden Sicherheiten ins Feld geführt werden. Die Juden; die islamische Gefahr; der Balkan in westlicher Hand für den Zugang und Zugriff auf die östlichen und südöstlichen Erdölfelder etc.: Denn die mächtigen und reichen Länder haben gleichwelche Verschwörung oder Munkelei gar nicht nötig; sie sind von vornherein, durch den Stand der Dinge, schon verschworen, natur- und sachverschworen, ohne irgendwelche Packeleien in Hinterzimmerkonferenzen. Verschworenheit ohne Verschwörung: Strahlt das nicht von jedem lässigen Zusammenstehen der gerade Mächtigen – wenn sie es denn sind – in den freien Weitgegenden aus? Als Verschwörer dagegen wirken zunehmend gerade die Leutchen mit den Verschwörungstheorien: kleine, zersplitterte, traurige, hoffnungslose Verschwörer im Niemandsland, oder eben in der Diaspora, verschworen und sich täglich neu verschwörend – für nichts und wieder nichts; Verschwörer ohne Ziel, oder mit unerreichbarem Ziel (ein anderer Augenschein). Wieder so eine verkehrte Welt? Oder doch wieder die richtige – die maßgebliche?“

handke-artikel

Peter Handke (Griffen, 6 december 1942)

 

De Poolse dichter Rafał Wojaczek werd geboren in Mikołów op 6 decmber 1945. Zijn vader was leraar aan een gymnasium, zijn moeder werkte voor een uitgeverij. Wojaczek bezocht verschillende gymnasia. Na zijn eindexamen studeerde hij Pools in Krakau, maar brak die studie af en trok naar Breslau, waar hij verschillende baantjes uitprobeerde. Hij leidde een leven van uitspattingen en had een soort zelfvernietigingsdrang. Het leidde tot alcoholisme en zelfmoordpogingen. Een daarvan slaagde in 1971.  Hem werd postuum nog de Andrzej-Bursa-Prijs verleend

 

 

ich bin die waagerechte

 

ich bin die waagerechte

du bist senkrecht

du bist der berg

ich bin das tal

ich bin die erde

du bist die sonne

ich bin das schild

du bist das schwert

ich bin die wunde

du bist der schmerz

ich bin die nacht

du bist gott

du bist das feuer

ich bin das wasser

ich bin nackt

du bist in mir

ich bin die waagerechte

nicht immer

du bist senkrecht

auf zeit

ich bin die senkrechte

berg des orgasmus

du bist waagerecht

bei mir

  

 

I, Kafka

 

Heart has overgrown me

I’m all inside

root

 

White grasses

grow from my

lips

 

Julia daughter of a eunuch

with lips by her farther

trained

tills my illness

 

 

 

You Have to Fear the Rose . . .

You have to fear the rose; it is the mouth
of the wound that bleeds continually inside you.

Because my tongue, oh naked one, can’t find you.
Tell me you are afraid, I’ll believe you exist.

That you exist in yourself; conscious of your body.
The body is a shutter the gentlest breeze’s hand

can turn into a windowpane of blood.
A firestorm will seize the neighboring district,

burn out the eyes of every newborn baby,
while the blind, grieving mothers lose their hair.

Tell me then, so that only my hair can hear you,
so that my skin can tell the lips, with a quick shudder

of whisper, whether you still live in this muddy person;
before I’ve flowed through it entirely, tell me.

 

Wojaczek2

Rafał Wojaczek (6 december 1945 – 11 mei 1971)

 

De Duitse schrijver en acteur Dirk Dobbrow werd geboren op 6 december 1966 in Berlijn. Hij werkte na het gymnasium en de toneelschool twee jaar als acteur aan het Stadttheater Lüneburg, daarna bij verschillende theaters in Berlijn, zoals het Schlossparktheater. In 2004 kreeg hij een werkbeurs van de Kulturverwaltung des Berliner Senats. Dirk Dobbrow schrijft romans, theaterstukken en verhalen.

 

Uit: Der Mann der Polizistin

 

DaBaby fürchtete die Dunkelkammer wie eine große Maschine. Große Maschine, die ihn gleich verschlucken würde, wenn er den Schlüssel ins Schloß gesteckt, herumgedreht, die Tür zum verbotenen Bezirk geöffnet hätte. DaBaby liebte seine Furcht. Es war eine Furcht, die ihm dieses gewisse Kribbeln verschaffte, ein Kribbeln, das den Rücken hinauf und hinunter fuhr und irgendwo zwischen den Pobacken verschwand, bis es wieder von vorn oben zwischen den Schulterblättern startete.
Er knipste die kleine Osram-Funzel an. Funzliges Dämmerlicht sollte ihm genügen, gehörte zur Dunkelkammeratmosphäre dazu, fand er. Er schloß die Metallschränke auf. War nicht weiter schwierig, hier steckte der Schlüssel. Was diese Metallschränke gekostet haben, dachte DaBaby, ein Vermögen, und er zog eine Schublade auf, darein paßten auch die großformatigen Abzüge, Daddys Ausstattung entsprach dem gehobenen Standard, Ma hatte geflucht, als Arbeiter die prächtigen Metallschränke in die Wohnung schleppten, fette teure Ziffer auf dem Lieferschein, Pa zahlte ohne mit der berühmten Wimper zu zucken, hast du dir schon einmal ausgerechnet, fluchte Ma, hast du dir schon einmal ausgerechnet, was deine Arbeit einbringt, CASH meine ich, unterm Strich, und hinter ihrem Fluch zuckte ein riesiges Fragezeichen auf, flatterte durch den Raum, gespenstischer schwarzer Vogel, DaBaby atmete ein, DaBaby schnappte nach Luft, es würde einer der mittelschweren Kräche beginnen, nicht einer der äußerst schweren, ein äußerst schwerer begann, wenn Mammie fragte, was sein H o b b y einbringt, hörte Pa das Wort Hobby, umschrieb jemand seine schweißtreibende Arbeit mit dem Wort Hobby, schwoll ihm am Hals eine Ader, die nichts Gutes versprach.“
 

Dobbrow

Dirk Dobbrow (Berlijn, 6 december 1966)

 

De Nederlandse schrijver en schilder Henk van Woerden werd op 6 december 1947 geboren te Leiden. Zie ook mijn blog van 6 december 2006.  en ook mijn blog van 6 december 2007.

Uit: Ultramarijn

“Op donderdag 11 augustus 1955 klimt Joakim met zijn plunjezak aan boord van een autobus en neemt opgelucht zijn plaats in tussen de anderen. Het is een vierkant voertuig met stoffige raampjes, afgedankt door het leger, en het zal hen naar de bergen brengen. Ook als de bus eenmaal optrekt weigert hij achterom te kijken. Hij weet dat zijn ouders er nog zullen staan, bij de kiosk op de hoek van de Karagözstraat. Vader – pet en donkere bril – zal hem de rug al hebben toegekeerd. Moeder werpt zeker nog een blik en schikt haar sjaal. Aysel, zijn halfzus, is thuisgebleven. Ze heeft geen afscheid willen nemen.
Samen op pad, veertig in uniform gestoken verkenners onderverdeeld in vier patrouilles met ieder een voorman. De autobus ruikt naar benzine en door de zon uitgebeten kunstleer, een geur die hij later precies zal kunnen oproepen. Als ze eenmaal de buitenwijken bereiken, door straten rijden die hij niet meer herkent, komt Djavid langs. Djavid is adjudant – nog geen patrouilleleider. Hij deelt reukwater uit aan ieder die zijn handen uitsteekt. Dat is op lange tochten zo de gewoonte, denkt hij; hij durft het niet te vragen. Hij ontvangt het vocht, wrijft het in zijn hals en langs zijn slapen en door zijn haar, sluik zwart haar, niet de krullen van Aysel.
Buiten Kusaliman steken ze het schiereiland over. Hij laat voor het eerst de stad achter zich, in zijn eentje op reis. Ze passeren de oliedepots langs de kust en het wit uitgeslagen skelet van een cementfabriek. Dan denderen ze over een brug en gaan langzaam omhoog naar de rand van de hoogvlakte. Tergend langzaam. Om hem heen wordt gepocht. De reis duurt minstens een dag, zeggen zij die jaarlijks meegaan. Soms twee dagen, wanneer er een brug is weggespoeld of de weg door rotsen en boomstronken wordt versperd. En ten slotte is er nog een gevaarlijke pas naar het hoogland.”

 

VanWoerden

Henk van Woerden (6 december 1947 – 16 november 2005)

 

De Amerikaanse journalist en dichter Alfred Joyce Kilmer werd geboren op 6 december 1886 in New Brunswick, New Jersey. Zie ook mijn blog van 6 december 2006.

Apology

For blows on the fort of evil
That never shows a breach,
For terrible life-long races
To a goal no foot can reach,
For reckless leaps into darkness
With hands outstretched to a star,
There is jubilation in Heaven
Where the great dead poets are.

There is joy over disappointment
And delight in hopes that were vain.
Each poet is glad there was no cure
To stop his lonely pain.
For nothing keeps a poet
In his high singing mood
Like unappeasable hunger
For unattainable food.

So fools are glad of the folly
That made them weep and sing,
And Keats is thankful for Fanny Brawne
And Drummond for his king.
They know that on flinty sorrow
And failure and desire
The steel of their souls was hammered
To bring forth the lyric fire.

Lord Byron and Shelley and Plunkett,
McDonough and Hunt and Pearse
See now why their hatred of tyrants
Was so insistently fierce.
Is Freedom only a Will-o’-the-wisp
To cheat a poet’s eye?
Be it phantom or fact, it’s a noble cause
In which to sing and to die!.

So not for the Rainbow taken
And the magical White Bird snared
The poets sing grateful carols
In the place to which they have fared;
But for their lifetime’s passion,
The quest that was fruitless and long,
They chorus their loud thanksgiving
To the thorn-crowned Master of Song.

 

joyce-kilmer

Alfred Joyce Kilmer (6 december 1886 – 30 juli 1918)

 

De Franse dichter en romanschrijver Paul Adam werd geboren in Parijs op 6 december 1862. Adam schreef een serie historische romans over de periode van de napoleontische oorlogen en de nasleep daarvan. De eerste aflevering in de reeks, La Force, verscheen in 1899. Samen met Jean Moréas schreef hij Les Demoiselles Goubert, een roman die de overgang markeerde tussen het naturalisme en het symbolisme in de Franse literatuur. Zijn roman Stephanie (1913) pleit voor het ‘geregelde’ of verstandshuwelijk in plaats van huwelijken gebaseerd op romantische gevoelens.

 

La première fois quand je l’ai vue

La première fois quand je l’ai vue
J’ai tout de suite remarqué son regard
J’en étais complètement hagard

Dans ce jardin du Luxembourg
Je me suis dit Faut que je l’aborde
Pour voir si tous deux on s’accorde

J’ai déposé mon baluchon
Alors j’ai vu tes gros yeux doux
J’en suis devenu un peu comme fou

Quand je t’ai dit que tu me plaisais
Que j’aimerai bien te revoir
Tu m’as donné rendez-vous le soir

Et je t’ai dis Oh Pénélope
Que tu étais une sacrée belle fille
Que je t’aimerai toute ma vie

Quand dans ce lit de marguerites
Tu m’as caressé doucement la tête
Ma vie entière est une fête

Et sous les regards de la foule
J’ai posé ma main sur ta main
Vous voyez bien que ce n’est pas malsain

À l’ombre des eucalyptus
Je t’ai dit Je veux que tu me suives
Je te sentais d’humeur lascive

Alors comme ça dans les tulipes
Tu m’as fait une petite promesse
Gage d’affection et de tendresse

Si notre amour devait céder
Je n’aurais plus qu’à me faire prêtre
Je ne pourrai jamais m’en remettre

Car si un jour notre amour rouille
Je m’en mordrai très fort les doigts
Chérie vraiment je n’aime que toi !

Adam

Paul Adam (6 december 1862 – 2 januari 1920)

 

De Duitse schrijfster Sophie von La Roche werd geboren op 6 december 1730 in Kaufbeuren als Marie Sophie Gutermann von Gutershofen. Zie ook mijn blog van 6 december 2006.

Uit: Miß Kery und Sophie Gallen

»Der Himmel hat mir in meinen Söhnen die Freude genommen, dich in ihnen erneuert aufwachsen zu sehen, aber jedermann sagt, unsere Sophie habe deinen Geist und deine Augen, so wie man zugleich behauptet, daß sie meinen Mund, meinen Wuchs, und meine Geberden hat. Jede Hofnung auf andere Kinder ist verlohren: – da möchte ich wohl, mein Bester! daß wir die Ähnlichkeit, welche dieses einzige Kind mit uns theilt, auf das vollkommenste machen. Gieb, mein Lieber! dem guten Mägdchen jeden Anbau deines Geists, denn es sollte mich sehr freuen, wenn ich einen Theil deines Verstands von Lippen wiedertönen hörte, die den meinigen gleichen. Ich will sie in allen weiblichen Arbeiten unterrichten: – Unsere Liebe aber soll sich in ihrem Herzen vereinen.«

Roche

Sophie von La Roche (6 december 1730 – 18 februari 1807)

 

De Italiaanse schrijver Baldassare Castiglione, graaf van Novellata werd geboren op 6 december 1478 te Casatico, bij Mantua. Zie ook mijn blog van 6 december 2006.

Uit: The Book of the Courtier

 

In this way affectation is avoided or hidden; and now you can see how incompatible it is with gracefulness and how it robs of charm every movement of the body or of the soul, about which, admittedly, we have so far said very little. However, we should not neglect it; for, as the soul is far more worthy than the body, it deserves to be all the more cultivated and adorned. As for what our courtier ought to do in this respect, we shall leave aside the precepts of all the many wise philosophers who have written on the subject, defining the virtues of the soul and discussing their worth with such subtlety; instead, keeping to our purpose, we shall state very simply that it is enough if he is, as we say, a man of honour and integrity. For this includes prudence, goodness, fortitude and temperance of soul, and all the other qualities proper to so honourable a name. And I believe that he alone is a true moral philosopher who wishes to be good; and for this he needs few precepts other than the ambition itself. Therefore Socrates was perfectly right in affirming that in his opinion his teaching bore good fruit when it encouraged someone to strive to know and understand virtue; for those who have reached the stage where they desire nothing more eagerly than to be good have no trouble in learning all that is necessary. So I shall say no more about this.”

 

Castiglione

Baldassare Castiglione (6 december 1478 – 2 februari 1529)

Peter Handke, Henk van Woerden, Alfred Joyce Kilmer, Sophie von La Roche, Baldassare Castiglione

De Oostenrijkse schrijver Peter Handke werd op 6 december 1942 in Griffen in Karinthië geboren als zoon van een kokkin. Zie ook mijn blog van 6 december 2006.

Uit: Kindergeschichte

 

Ein Zukunftsgedanke des Heranwachsenden war es, später mit einem Kind zu leben. Dazu gehörte die Vorstellung von einer wortlosen Gemeinschaftlichkeit, von kurzen Blickwechseln, einem Sich-dazu-Hocken, einem unregelmäßigen Scheitel im Haar, von Nähe und Weite in glücklicher Einheit. Das Licht dieses wiederkehrenden Bildes war die Düsternis kurz bevor es zu regnen anfängt, in einem grobsandigen leeren Hof, der von einem Grasnarbenkranz eingefaßt wird, vor einem nie deutlichen, nur im Rücken gefühlten Haus, unter dem dichtgefügten Laubdach hoher, breiter, hier und dort rauschender Bäume. Der Gedanke an ein Kind war so selbstverständlich wie die beiden anderen großen Zukunftserwartungen, welche von der nach seiner Überzeugung ihm bestimmten und sich seit je in geheimen Kreisen auf ihn zubewegenden Frau handelten, und von der Existenz in dem Beruf, wo allein ihm eine menschenwürdige Freiheit winkte; ohne daß freilich diese drei Sehnsüchte auch nur einmal in einem Bild zusammen erschienen.

Am Tag der Geburt des gewünschten Kindes stand der Erwachsene dann an einem Sportplatz in der Nähe der Klinik. Es war ein hellsonniger Sonntagvormittag im Frühjahr, in den graslosen Torräumen Pfützen, im Lauf des Spiels zu Schlamm gestampft, aus dem die Dunstschwaden aufstiegen. In der Klinik erfuhr er, daß er zu spät kam; das Kind sei schon da. (Er hatte wohl auch eine Scheu empfunden, bei dem Geburtsvorgang Augenzeuge zu sein.) Seine Frau wurde an ihm vorbei durch den Flur gefahren, den Mund weiß ausgetrocknet. Die Nacht davor hatte sie allein in einem sonst fast leeren Bereitschaftsraum auf dem sehr hohen Räderbett gewartet; als er ihr etwas zu Hause Vergessenes dorthin nachbrachte, hatte sich zwischen den beiden, dem mit einem Plastiksack in der Tür stehenden Mann und der auf dem hohen metallischen Gestell mitten im kahlen Zimmer liegenden Frau, ein Augenblick tiefer Sanftheit ergeben. Der Raum ist ziemlich groß. Sie befinden sich in einem ungewohnten Abstand voneinander. Auf der Strecke von der Tür zum Bett glänzt der nackte Linoleumboden im weißlichen, sirrenden Neonlicht. Das Gesicht der Frau hatte sich schon im Anschaltgeflacker ohne Überraschung oder Erschrecken dem Eintretenden zugewendet. Hinter diesem dehnen sich die weitläufigen, halbschattigen Korridore und Stiegenhäuser des Gebäudes, lang nach Mitternacht, in einer einmaligen, durch nichts zu störenden, in den leeren Stadtstraßen dann weiterschwingenden Aura des Friedens.”

 

Handke

Peter Handke (Griffen, 6 december 1942)

 

Schilder en schrijver Henk van Woerden werd op 6 december 1947 geboren te Leiden. Zie ook mijn blog van 6 december 2006.

Uit: Notities van een luchtfietser

“Het laat me niet onberoerd. Op het strandje waar ik vlak na de dood van mijn moeder zoveel middagen heb doorgebracht, ligt een zeeolifant. Wat doet het dier hier? Hij is meestal thuis in de wateren rond de pool, vierduizend kilometer zuidwaarts. Iets heeft hem naar de Kaap gedreven – of gelokt. Drieankerbaai is niet de mooiste baai langs deze kust. Een dicht woud van zeewier schermt haar schoot van de oceaan af. Onlangs zijn hoeveelheden kelp door een zomerstorm losgerukt en op de vloedlijn geworpen. Op dit bed van wier nu, strekt de zeeolifant zich uit alsof hij even met vakantie is.
Het is vroeg in de ochtend, maar de zon schijnt al ongenadig op ons neer.
Ik herinner me de zee van toen. Ik weet nog precies hoe het is om hier na een zwemtocht naar het strand te ploeteren. Het water is ijskoud, zelfs midden in de Afrikaanse zomer. Eerst baan ik me een weg door het wier, langs zeeplanten die onverschillig het blote lichaam betasten. Dan voel ik rotsen voorbijkomen: basaltrichels begroeid met alg en poliep, glasscherpe kliffen. Wanneer het ondiepe wordt bereikt, is er de geruststelling van de bodem en het zand. Het strand ligt bezaaid met kelp, wat de aanblik biedt van afgerukte tentakels. Tussen deze tentakels trek ik mezelf aan land. Buiten adem, bevend van inspanning, met bonzende borst en kippenvel. Verder dan de vloedlijn kom ik aanvankelijk niet. Ik blijf uitgeput liggen totdat de warmte van de zon het beven tot bedaren heeft gebracht. Het water kabbelt aan
doorweekte voeten. Zandvlooien en muggen kruipen door de neerslag van het schuim dat de branding achterlaat. De ingewanden van de oceaan braken een zware lucht: stank van rottend wier en halfvergaan kelp. Om me heen krijsen de meeuwen. Ze dobberen op de golfslag. Ze tonen geen belangstelling voor wat de zee heeft opgebracht. Ze laten me ongemoeid.

Zo verging het me als twaalfjarige op die zonovergoten middagen in de verlaten zomer van 1960. Zo zal het de zeeolifant nu, veertig jaar later, wel ongeveer zijn vergaan, toen hij hier aan wal kroop. De verschillen tussen mens en dier zijn kleiner dan de overeenkomsten.
De zeeolifant ligt ontspannen op zijn rug, met zijn neus en ogen in kelp gedrukt. In zijn vel staat het verhaal van een zwervend bestaan geschreven: een vacht vol littekens en beschadigingen. Hij is met gemak de grootste van de vinpotigen, de zeehondenfamilie. Een immens log wezen met een torpedovormig lijf. En toch is het niet zijn formaat of zijn gewicht – zo’n vierduizend kilo – dat de meeste eerbied afdwingt, maar zijn fabelachtige vermogen om te duiken. De Tafelberg achter ons is één kilometer hoog. dat het hem aan iets ontbreekt. Dat hij dierbaren heeft achtergelaten, of dat hij door iets dierbaars verlaten is. Hij zal het vermoeden hebben dat er een vrouwelijke soortgenoot op hem wacht. Hij hunkert naar een metgezel, het kan bijna niet anders. En zijn hunkeren komt met het mijne overeen. Niet helemaal, maar in belangrijke mate. In dezelfde mate waarin onze lichamen met elkaar te vergelijken zijn (hij zal ongeveer de oren, de ogen en de longen van mijn verlangen bezitten).
Of er daadwerkelijk een lief is dat uitkijkt naar zijn terugkeer – ergens op een eiland onder arctische luchten – is van minder belang. Ik ben nieuwsgierig naar zijn vermogen zich haar voor te stellen. Naar de contouren van zijn verbeelding. En zelfs al wacht zij daar wél, dan is de zeeolifant waarschijnlijk niet bij machte zich voor te stellen dat haar wachten vergeefs zal zijn.”

WoerdenHenkvan

Henk van Woerden (6 december 1947 – 16 november 2005)

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 6 december 2006.

De Amerikaanse journalist en dichter Alfred Joyce Kilmer werd geboren op 6 december 1886 in New Brunswick, New Jersey.

De Duitse schrijfster Sophie von La Roche werd geboren op 6 december 1730 in Kaufbeuren als Marie Sophie Gutermann von Gutershofen.

De Italiaanse schrijver Baldassare Castiglione, graaf van Novellata werd geboren op 6 december 1478 te Casatico, bij Mantua.