Hendrik Tollens, Fernand Ouellette, Yves Navarre, Alfons Petzold, Charles Ferdinand Ramuz, Szilvia Molnar

De Nederlandse dichter Hendrik Tollens werd op 24 september 1780 te Rotterdam geboren. Zie ook mijn blog van 24 september 2010 en eveneens alle tags voor Hendrik Tollens op dit blog.

Geluk en deugd (Fragment)

de grijsaard
Och, meer niet dan een schone bloem,
maar die van verf verschiet,
verwaaiend loof is aardse Roem
en wat gij najaagt niet.-
’t Was ook ’t Geluk niet, neen voorwaar!
Die opschik droeg het nooit!
Dat droombeeld met juweel in ’t haar,
met loovren gouds bestrooid:
dat was de Rijkdom. – Arme dwaas
die, ’t hart vertuit aan pracht,
uit klei en mijnkloof zich, helaas!
’t geluk te delven tracht!
Neen, neen, mijn zoon! vertrouw op mij:
’t geluk stak nooit in ’t goud!
Het hang’ de pels u om de pij,
het laat u ’t harte koud.
Niet zoeter smaakt des levens zuur
schoon gij ’t uit zilver drinkt;
niet zachter valt hem ’t scheidensuur
wie op een goudbaar zinkt.
Neen, neen, mijn zoon! wat faalt en vliedt
wanneer gij ’t bijstand vraagt,
wat in de nood u ’t eerst verliet,
dat is ’t Geluk voorzeker niet,
waarnaar gij smacht en jaagt.
de jongeling
Maar dan die derde schoonheid toch,
slechts met een roos in ’t haar…?
Dát was voorzeker geen bedrog:
dát was ’t Geluk voorwaar!
Neen, nimmer joeg mij ’t hart zo snel
als toen dat beeld verscheen!
Dat is ’t Geluk! ik dacht het wel!
Ontdek mij ’t pad erheen.

 
Hendrik Tollens (24 september 1780 -21 oktober 1856)
Litho Rijswijk ca. 1840-’50. Links het huis waar Tollens vanaf 1846 tot zijn dood leefde.

Doorgaan met het lezen van “Hendrik Tollens, Fernand Ouellette, Yves Navarre, Alfons Petzold, Charles Ferdinand Ramuz, Szilvia Molnar”

Die Arbeiter (Alfons Petzold)

Bij 1 mei

 
Die Internationale door Otto Griebel, 1928-30

 

Die Arbeiter

Sturm und Gewalt ist in unseren Händen,
stehn wir im räderdurchdonnerten Raum;
doch in dem keuchenden Beugen der Lenden
sind wir gar oftmals nur Andacht und Traum.

In dunkler Berge verlorner Kaverne
sind wir die Brüder der strahlenden Tage;
türmen wir Steine im Antlitz der Sterne,
lebt Gottes Sehnsucht in unserer Plage.

Unser Wille erschüttert die Erde,
und der heiligsten Unruhe voll
schenken wir ihr durch die stete Beschwerde
Ewigkeit, die unserm Schaffen entquoll.

 

 
Alfons Petzold (24 september 1882 – 25 januari 1923)
Wenen, Haus der Industrie. Alfons Petzold werd in Wenen geboren.

 

Zie voor de schrijvers van de 1e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

 

 

Hendrik Tollens, Fernand Ouellette, Yves Navarre, Alfons Petzold, Charles Ferdinand Ramuz, Szilvia Molnar

De Nederlandse dichter Hendrik Tollens werd op 24 september 1780 te Rotterdam geboren. Zie ook mijn blog van 24 september 2010 en eveneens alle tags voor Hendrik Tollens op dit blog.

 

Geluk en deugd (Fragment)

de jongeling
Mijn vader! ’t was verblindend schoon,
in welk een tooi gehuld!
Nu droeg het hoofd een lauwerkroon,
van schittrend licht verguld;
dan zwierde een rijke vederpracht,
van gouden loovren zwaar,
een wrongel, met juweel bevracht,
om ’t weids gevlochten haar;
dan eindlijk – neen, in voller glans
verscheen mij nooit het beeld! –
Dan was alleen een rozenkrans
door ’t golvend haar gespeeld;
de lok hing neer op de open borst,
met enkel gaas beplooid;
En – welk een wens ik smeden dorst…
mijn lippen! zegt het nooit!
Maar had ge als ik het beeld aanschouwd,
mijn vader! in die schijn,
uw bloed, sinds lang verkleumd en koud,
had weer gegloeid als ’t mijn.

 

de grijsaard
Dat was ’t Geluk niet, neen, mijn zoon!
Het was niet wat u ’t scheen:
Dat droombeeld met die lauwerkroon
was aardse Roem alleen.
Ja, tintlend bruist het jeugdig bloed
begoocheld door zijn lach,
en dorstend staat het hart in gloed,
dat hij vermeestren mag;
begeerlijk boven pracht en schat
is ’t lover dat hij vlecht,
en heerlijk staat zijn lauwerblad
om ’t waardig hoofd gehecht:
maar ’t is ’t Geluk niet, jongling! neen!
het schut geen foltring af,
het schept geen zielsrust om u heen
noch strekt een steun aan ’t graf.


Hendrik Tollens (24 september 1780 -21 oktober 1856)
Rotterdam: Grote markt op marktdag met het huisje ‘In Duizend Vreezen’ door F.L. van Gulik, ca. 1880

Doorgaan met het lezen van “Hendrik Tollens, Fernand Ouellette, Yves Navarre, Alfons Petzold, Charles Ferdinand Ramuz, Szilvia Molnar”

Alfons Petzold, Charles Ferdinand Ramuz, Hendrik Tollens, Szilvia Molnar

De Oostenrijkse dichter en schrijver Alfons Petzold werd geboren op 24 september 1882 in Wenen. Zie ook mijn blog van 24 september 2006 en ook mijn blog van 24 september 2008 en ook mijn blog van 24 september 2009 en ook mijn blog van 24 september 2010.

 

Großstadt

Plakate schmettern ihre buntfarbigen Phrasen
in das Gewühle der Menschen und Wagen hinein.
Die Stahlelephanten der Automobile rasen
alles tönt: Gerüste, Schienen, verblocktes Gestein.

Die granitenen Würfel der Gassen, Straßen und Plätze
silbrig, wie Augen eines Insektes glühn
indes in der Höhe die Telegraphendrahtnetze
bös funkeln und Trotz in die Sonne sprühn.

Schauläden prunken, gleich aufgerissenen Höhlen,
schütten den Glanz ihrer Schätze in Hirn und Herz.
Vorwärts! Dröhnt es aus dem Knattern und Gröhlen
Vorwärts! schreit alles, kein Auge blickt himmelwärts.

 

Abend an der Donau

Abend umspannt die Zeit,
Reglos starren die Sterne.
Aus der Matrosentaverne
Stapft die Dunkelheit.

Walzt mit wankendem Gang
Über die Donaubrücke,
In einer Gassenlücke
Vergröhlt ihr Gesang.

Flußauf nebelumdrängt
Schaukelt ein kleiner Nachen,
Drüber das helle Lachen
Froher Menschen hängt.

Lichtschwer dräut die Stadt,
Frißt das Licht der Laterne,
Das aus der Stromtaverne
Blinzelt scheu und matt.

Alfons Petzold (24 september 1882 – 25 januari 1923)

Doorgaan met het lezen van “Alfons Petzold, Charles Ferdinand Ramuz, Hendrik Tollens, Szilvia Molnar”

Mark Boog, F. Scott Fitzgerald, Shamim Sarif, Fernand Ouellette, Yves Navarre, Szilvia Molnar, Alfons Petzold, Charles Ferdinand Ramuz, Hendrik Tollens

De Nederlandse dichter en schrijver Mark Boog werd geboren op 24 september 1970 in Utrecht. Zie ook mijn blog van 24 september 2009.

Liefde

De lucht ligt als een blok op het land,
onzichtbaar en massief.

Je gaat gekleed in de kleur van je haar,
in je ogen, je passen en je woorden.
Je bent hier en elders. Ik draag je me na

en huiver. Je bent te groot misschien,
of te dichtbij. Je onbereikbaarheid
is onvergeeflijk. Kon ik een vogel zijn –

maar de nauwkeurigheid ontbreekt me
zoals het vertrouwen. Ik kijk naar je

en huiver. Spreek me aan, want ik zwijg,
verdraag mijn wurggreep, verdraag
de onbeholpenheid, verdraag mij, liefde.

 

Laat de avond vallen

Laat de avond vallen, ik,
en hou het huis heel stil zodat ik niet gestoord word –
zolang het schemert kan het misgaan.

De vogels zoeken langzaamaan hun takken op,
ik wijs ze die, en sterren tillen zich eruit omhoog.
Heel anders klinkt het razen van de auto’s in de nacht!

Recht zo die gaat! Het ene zeil door het andere vervangen,
dag door nacht, maar nergens sluimert haperen, niets mokt.
Zolang het dit is wat ik doe gehoorzaamt men glimlachend.

Ik hoop maar dat er koffie is, of whisky, als ik
weer de kamer inkom, zeer vermoeid en door het uitblijven
van tegenstand- wat stribbelen zou al genoeg zijn –
vreemd ontmoedigd. Zó gestroomlijnd.

 boog
Mark Boog (Utrecht, 24 september 1970)

 

De Amerikaanse schrijver Francis Scott Fitzgerald werd geboren op 24 september 1896 in Saint Paul, in de staat Minnesota. Zie ook mijn blog van 24 september 2007 en ook mijn blog van 24 september 2006 en ook mijn blog van 24 september 2008 en ook mijn blog van 24 september 2009.

Uit: The Great Gatsby

„My family have been prominent, well-to-do people in this middle-western city for three generations. The Carraways are something of a clan and we have a tradition that we’re descended from the Dukes of Buccleuch, but the actual founder of my line was my grandfather’s brother who came here in fifty-one, sent a substitute to the Civil War and started the wholesale hardware business that my father carries on today.

I never saw this great-uncle but I’m supposed to look like him — with special reference to the rather hard-boiled painting that hangs in Father’s office. I graduated from New Haven in 1915, just a quarter of a century after my father, and a little later I participated in that delayed Teutonic migration known as the Great War. I enjoyed the counter-raid so thoroughly that I came back restless. Instead of being the warm center of the world the middle-west now seemed like the ragged edge of the universe — so I decided to go east and learn the bond business. Everybody I knew was in the bond business so I supposed it could support one more single man. All my aunts and uncles talked it over as if they were choosing a prep-school for me and finally said “Why — ye-es” with very grave, hesitant faces. Father agreed to finance me for a year and after various delays I came east, permanently, I thought, in the spring of twenty-two.

The practical thing was to find rooms in the city but it was a warm season and I had just left a country of wide lawns and friendly trees, so when a young man at the office suggested that we take a house together in a commuting town it sounded like a great idea. He found the house, a weather beaten cardboard bungalow at eighty a month, but at the last minute the firm ordered him to Washington and I went out to the country alone. I had a dog, at least I had him for a few days until he ran away, and an old Dodge and a Finnish woman who made my bed and cooked breakfast and muttered Finnish wisdom to herself over the electric stove.

It was lonely for a day or so until one morning some man, more recently arrived than I, stopped me on the road.

“How do you get to West Egg Village?” he asked helplessly.

I told him. And as I walked on I was lonely no longer. I was a guide, a pathfinder, an original settler. He had casually conferred on me the freedom of the neighborhood.“

 Fitzgerald

F. Scott Fitzgerald (24 september 1896 – 21 december 1940
Hier met echtgenote Zelda

 

De Britse schrijfster en filmmaakster Shamim Sarif werd geboren op 24 september 1969 in Londen. Haar familie kwam uit Zuidfafrika en is van Zuid-Aziatische afkomst. Haar wortels inspireerden haar om haar bekroonde debuutroman te schrijven: The World Unseen, Daarin verkende zij de kwesties van ras, gender en seksualiteit, die ze later verwerkte in een film met Lisa Ray, getoond op het London Film Festival in 2007. Ze is de winnares van verschillende prijzen, o.a. voor The World Unseen. Voor de roman ontving zij de Pendleton May First Novel Award en de Betty Trask Award.

Uit: Despite the falling snow

“And yours, how was your work today?” she asks. They walk together to the small sofa and sit down. She likes the warmth of his leg touching hers, feels a stir of desire, but will not, or cannot show it.

“I don’t know.” His eyes are troubled. “It’s not the same since…”

“Since what?”

“You make me look at things in a different way, Katya.”

“But I’m proud of you. And your work. Why am I ruining it for you? Because I told you it was your father’s path?”

He looks at her for a long time, thinking about the answer. His eyes are still considering when he leans over gently and kisses her throat. She closes her eyes slightly against the pleasurable touch of his lips on her skin, and looking up at her, he catches that moment of release.

“No. Not just that,” he continues. “I don’t know how to explain. Everything looks new since I met you. It’s as though I was sleep-walking through the world up until now. You have sharpened all the blurred pictures that I had in my mind, and now I feel that I see things – or begin to see things – more clearly. I’m not really helping people, Katya. All I can do…”

 sarif

Shamim Sarif (Londen, 24 september 1969)

 

De Canadese dichter, essayist en schrijver Fernand Ouellette werd geboren in Montreal, Quebec, op 24 septenber 1930. Hij volgde vanaf 1943 klassieke studies aan het College Séraphique de Montreal en behaalde een diploma sociale wetenschappen van de Universite de Montreal in 1952. Vanaf 1955 schreef hij een aantal radio-scripts over Franse en buitenlandse schrijvers voor Radio-Canada. In 1958 werd hij mede-oprichter van het tijdschrift Liberté, en zijn editor-in-chief in 1960. In hetzelfde jaar begon hij met het produceren van culturele programma’s voor Radio-Canada, net zolang totdat 1991. Zijn correspondentie met Henry Miller en Pierre Jean Jouve, zijn ontmoeting met Edgard Varèse en zijn reizen in Europa markeren zijn ontwikkeling als schrijver en dichter. Hij won een aantal literaire prijzen.

Ma tristesse

Ma tristesse s’abandonne
à la mer, comme une barque
revient de la mort,
bellement nue
après le voyage.
Comment s’arracher de l’infini
qui me tient aux confins
des ténèbres?
Je tourne parfois sans fin,
comme oublié,
dans le silence de la saison froide.
Tout dérive avec le sang :
le coeur surtout plus noir qu’un poison.
Et je m’étonne d’avoir rêvé,
si près des arbres,
ébloui contre l’amante.
Certes la voix parlait bas,
mais pour mieux pointer sa dague.
Ou chantait désespérément
en brûlant les pierres.
La nuit et la lumière
confondaient leurs pouvoirs.

 

Présence

Puissante la lumière mange
l’air du proche horizon,
anime l’érable comme un vitrail
bien nuancé de vert.
L’œil s’exalte, quand
s’accroît l’illumination de ce qui respire.
(La terre est pourtant profonde,
pour les morts
délaissés dans leur croissance.)
Ce matin, pareil à une masse,
rampait le soleil affaibli des jours désolés,
comme s’il buvait un peu à la vasque
du monde :
vaine magnificence, sursaut de célébration,
avant la roue des saisons,
et le silence au ras du sol.

Ouellette

Fernand Ouellette (Montreal, 24 septenber 1930)

 

De Franse schrijver Yves Navarre werd geboren op 24 september 1940 in Condom. Zie ook mijn blog van 24 september 2008 en ook mijn blog van 24 september 2009.

Uit: Romances sans paroles

“L’amitié est purement sensuelle. Elle ne choisit pas son sexe. Elle est la même pour tout le Monde. Elle est tribale, d’une tribu qui n’a ni chef ni totem. Aucune morale, judéo-chrétienne ou freudienne, ne l’a récupérée. L’amour n’est que l’institution du péché originel. L’amitié est l’expression du secret individuel. J’adore rompre en amitié. Parce que la rupture amicale est une adoration. La rupture amoureuse, elle, est une blessure qui ne se referme pas. L’artiste ou l’humain y trouvent leur grain. Spectaculaire. Incident. La rupture amicale s’inscrit, dans une continuité. On devient amis ou amies à la vie et à la vie. Laissons la mort, la mort telle qu’on nous la fait vivre dans les églises ou sur les divans, mêmes chapelles, à la fin des histoires d’amour. Il n’y a pas d’amitié spécifiée sexuellement parce qu’il n’y a pas de milieux sexuels. Les “dits” normaux comme les “dits” anormaux sont partout. Indifférenciés. Il n’y a que certaines questions (racistes ?) pour imposer les principes, faux, d’une différence. Et des réponses (racistes ?) qui emploient les mêmes mots d’un jeu absurde. Et évitable.

[…]

Une trahison amicale ne se pardonne pas. L’amitié n’est pas du territoire des pardons. Elle n’est pas connue. Elle n’est pas dite. Elle n’est pas distribuée aux autres. Elle n’est pas désignée, annoncée. Ou alors, elle n’est plus. L’amitié, ce n’est pas forcément l’aveu. Le “forcément” est amoureux. L’amour dépouille. L’amitié vêt. L’amitié n’aime pas la syntaxe. Elle est la syncope de l’amour. Elle prolifère sans jamais être sue, avouée.”

 Navarre

 Yves Navarre (24 september 1940 – 24 januari 1994)

 

De Engels-Zweedse schrijfster en vertaalster Szilvia Molnar werd geboren op 24 september 1984 in Boedapest, Hongarije. Zie ook mijn blog van 24 september 2007.

Mine

I used to call her My oh my because she was the girl that braided her hair with yours and she was the one that woke up in the morning with grass stains on her ankles and dew on her shoulders.

In high school she came up to me and grabbed me by the arm. We walked up the stairs that led to the fourth floor and sat on a bench next to the darkroom. I looked at the long row of lockers and how its locks seemed so pleased being together. She pulled up my sleeve and bit me ’til it left a mark. She left me a scent of giggles and a note on my skin saying: “Now you’ll remember me.”

I walked around for five days with a bruise that had the backside of a rainbow and screams of My oh my. I’ve never been so angry before.”

 Molnar

Szilvia Molnar (Boedapest, 24 september 1984)

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Alfons Petzold werd geboren op 24 september 1882 in Wenen. Zie ook mijn blog van 24 september 2006 en ook mijn blog van 24 september 2008 en ook mijn blog van 24 september 2009.

Uit: Ich mit den müden Füßen

“„Dös is da neiche Bua.“

Die zwei anderen blickten mich neugierig an, und einer von ihnen meinte verächtlich: „Seawas, dea schaut wähch aus. A so a Grischpinkerl wüh a Bäck wean!“

Der dritte aber grinste mich freundlich aus seinem blonden Milchgesicht an: „No, no“, sagte er beschwichtigend und saugte dabei an seiner Pfeife, „wos klaa is, is zaach, muaß a denn glei a Ries´ sei? Gflickta, du host äh a net de Muskulatua von an Pflostaragsöhn. I woar aa a so a Kruz und jetzn bin i do scho drei Joah a Vizimischa, der sei Gschäfterl vastähd. Kumm, Klaaner, i wea da glei a Orweit gehm.“

Er zeigte mir nun, was ich zu tun hatte. Die gekneteten Teigstücke mußten in eine Maschine geschoben werden, welche sie in gleich große Teile formte. Aus diesen machten dann die Gesellen an langen Tischen die Semmeln.

Gegen zehn Uhr abends polterten die zwei anderen Lehrbuben die Stiege herunter. Sie waren in der Fachschule gewesen, wie ich aus den Spottreden erfuhr, mit denen sie von den Gesellen empfangen wurden.

Beide Burschen machten sich nun umständlich an die Arbeit. Kaum ein Wort wurde gesprochen; nur ein Saugen an den Pfeifen war hie und da in dem Trommeln des Semmelknetens zu hören.

Zu meinem größten Entsetzen klatschte sich manchmal einer oder der andere die nackte, schwitzende Brust mit einem Teigstück ab, und es war mir nach diesem Anblick lange nicht möglich, eine Semmel zu essen.

Da Auskneten des Kleingebäcks dauerte bis zwei Uhr nachts, dann kam das Brot an die Reihe. Glücklicherweise durften der eine Lehrling und ich uns schlafen legen, da zur Brotbereitung die Lehrbuben erst von einem gewissen Alter an zugezogen werden durften. Die gut organisierten Bäckergesellen wachten streng darüber, daß diese Vereinbarung in allen Werkstätten innegehalten wurde.”

petzold

Alfons Petzold (24 september 1882 – 25 januari 1923)

 

De Franstalige Zwitserse dichter, schrijver en essayist Charles Ferdinand Ramuz werd geboren op 24 september 1878 in Cully-sur-Lausanne. Zie ook mijn blog van 24 september 2008 en ook mijn blog van 24 september 2009.

Uit: Die große Angst in den Bergen (Vertaald door Hanno Helbling)

“Der Ammann redete immer noch.

Die Gemeindeversammlung, die an dem Abend um sieben begonnen hatte, war um zehn Uhr noch nicht zu Ende. Der Ammann sagte:

«Das sind so Geschichten. Man hat nie wirklich erfahren, was dort oben passiert ist, und jetzt ist das schon zwanzig Jahre her, eine alte Sache. Das Klarste daran ist für mich, daß wir seit zwanzig Jahren schönes Gras verkommen lassen, siebzig Kühe könnte man den ganzen Sommer lang davon ernähren; also, wenn ihr meint, die Gemeinde sei reich genug, um sich diesen Luxus zu leisten, dann sagt es; aber ich meine das nicht, und ich habe die Verantwortung …»

Unser Ammann Maurice Prâlong war nämlich von den Jungen portiert worden, und die Partei der Jungen unterstützte ihn; aber da war die Partei der Alten.

«Das ist es eben», sagte Munier, «du bist zu jung. Wir hingegen, wir erinnern uns noch.»

Und so erzählt er noch einmal wieder, was sich vor zwanzig Jahren zugetragen hatte auf der Alp droben, die Sasseneire heißt, und er sagte:

«Uns liegt an unserem Gras so gut wie euch, wir sorgen uns so sehr wie ihr um das Gemeindegut; aber zählt das Geld noch, wenn unser Leben auf dem Spiel steht?»

Darüber wurde gelacht; aber er:

«Doch, doch, ich sag’s euch, ich sag’s euch wirklich und sag es nochmal …»

«Nun komm!» sagte der Ammann …

Die Jungen unterstützten ihn weiter, aber die Alten setzten sich immer noch zur Wehr; und Munier:

«Das Leben, sage ich, das Leben der Tiere, das Leben der Leute …»

 ramuz

Charles Ferdinand Ramuz (24 september 1878 – 23 mei 1947)

 

De Nederlandse dichter Hendrik Tollens werd op 24 september 1780 te Rotterdam geboren. Zie ook mijn blog van 24 september 2007 en ook mijn blog van 24 september 2006 en ook mijn blog van 24 september 2008 en ook mijn blog van 24 september 2009.

Herfst (Fragment)

’t Laatste siersel, dat er wast,
Roekloos door elkaar gesmeten,
En in ’t voetzand zaamgetast.
Zie! de neergewaaide bladen
Hoogen de overplaste paden,
Waar nu ’t kruid verdronken ligt;
Voel! de gure najaarsregen
Snerpt ons uit het noorden tegen:
Lieve! dek uw boezem digt.
’t Laatste straaltje dreigt te smoren,
Eer de woudklok avond slaat.
Heeft de hemel ’t licht verloren,
Dat zijn blik zoo somber staat?

Loom en lustloos neergebogen,
Kruipt en kwijnt de trage dag;
Vaakrig ziet hij rond uit de oogen,
Met een halfgedwongen lach;
Magtloos poogt hij ’t hoofd te tillen,
Dat van gloed noch glansen bloost,
En beproeft een blik te spillen,
Die de treurige aarde troost:
O Mistrouw die valsche stralen,
Die het waatrig zonlicht schiet:
Zie! waar ginds die neevlen dwalen,
Treuren de overvallen dalen,
Die gij weerloos plondren ziet.

Zie! waar ginds die stormen pakken
En zich vormen voor ons oog,
Tilt het woud zijn naakte takken
Om ontferming naar omhoog.
Hoor! de losgebarsten rukken
Teistren kuif en kruin aan stukken,
En verhaavnen bosch en dreef;
Waar wij de oogen reiken kunnen,
Zien wij ’t laatste loof verdunnen,
Dat verstorven hangen bleef.

tollens

Hendrik Tollens (24 september 1780 -21 oktober 1856)

Alfons Petzold, Charles Ferdinand Ramuz, Hendrik Tollens, Szilvia Molnar

De Oostenrijkse dichter en schrijver Alfons Petzold werd geboren op 24 september 1882 in Wenen. Zie ook mijn blog van 24 september 2006 en ook mijn blog van 24 september 2008.

  

Siehe, Geliebte

Siehe, Geliebte, aus meinem Gesicht
leuchtet dein Licht,

in meinen wirkenden Händen schafft
deine Kraft,

was meine Seele an Wundern lebt,
aus dir sich hebt,

und nur mein Herz
mit dem Jubel darin
ist Erz von Erz,
aus dem ich bin!

 

 

 

Die unruhvollen Rosen sind ermattet

 

Die unruhvollen Rosen sind ermattet,
schwer hängen sie und träge an den Stielen.
Ein schmales Stück des Weges ist beschattet,
ein dunkles Teil, gefügt in helle Dielen.

Ein ferner Lärm versinkt in heitre Stille,
steht später in dem Singsang einer Grille
wieder auf, der grüne Rasen lauscht.
Der rote Tonzwerg auf dem Nelkenhügel
schaut in den Himmel, wo der Feuerflügel
der Sonne einsam gegen Westen rauscht.

Die schlanken Gräser stehen unbeweglich,
auf einmal zittern sie beglückt unsäglich,
sie hören, Liebste, Deinen Schritt.
Und wenn auch meine müden Pulse stocken,
ich bin ganz Jubel und Frohlocken,
es tönt der Sommer und ich töne mit.

 

Petzolf_Alfons

Alfons Petzold (24 september 1882 – 25 januari 1923)

 

De Franstalige Zwitserse dichter, schrijver en essayist Charles Ferdinand Ramuz werd geboren op 24 september 1878 in Cully-sur-Lausanne. Zie ook mijn blog van 24 september 2008.

 

Uit: Découverte du monde

 

„Les plus anciens souvenirs de ce petit garçon le reportent à une grande boutique (ou qui alors lui semblait grande), située au rez-de-chaussée d’une maison qui fait encore l’angle de la rue Haldimand et de la place de la Riponne, au couchant, et où était installé un commerce de «denrées coloniales» qui appartenait à mon père. «Denrées coloniales» semble pompeux: l’appellation n’était pourtant pas tout à fait injustifiée. C’était le temps où les paysans achetaient encore leur café par «saches» ou demi-saches, et leur sucre par pains entiers, ayant la forme de gros obus habillés de papier violet que maintenait sur leurs quatre côtés une forte ficelle savamment nouée. C’était le temps où
il n’y avait encore ni camions, ni autos.

C’était le temps où les paysans du Gros-de-Vaud ne se rendaient guère au chef-lieu qu’une fois par mois et n’avaient à compter que sur leurs propres moyens, j’entends un cheval (quelquefois deux) qu’ils allaient tirer de l’écurie de bonne heure, n’ayant plus ensuite qu’à l’atteler à leur char à banc.

Tous les véhicules, chez nous, s’appelaient des «chars»: c’est noble, c’est romain. Les paysans du Gros-de-Vaud venaient à Lausanne sur des chars et non sur des charrettes. Les charrettes sont à deux roues: les chars en ont quatre. Nous avons ainsi le char à échelle qui comporte en effet une échelle sur le devant et sert à rentrer le foin ou la moisson; le char à pont qui, comme son nom l’indique, n’est guère qu’une sorte de plancher monté sur roues; le char à ridelles qui est une espèces de char à pont, mais en plus étroit, et qui est entouré d’une barrière à claire-voie destinée à empêcher le contenu de tomber, avec un siège sur le devant; enfin le char à bancs, proprement dit, qui, lui,comportait deux sièges, étant fait pour les personnes plus que pour les marchandises et se trouvait être utilisé de préférence par les paysans riches qui venaient moins à la ville pour vendre que pour acheter.“

 

Ramuz

Charles Ferdinand Ramuz (24 september 1878 – 23 mei 1947)

 

 

De Nederlandse dichter Hendrik Tollens werd op 24 september 1780 te Rotterdam geboren. Zie ook mijn blog van 24 september 2007en ook mijn blog van 24 september 2006 en ook mijn blog van 24 september 2008.

 

 

Het rad van avontuur

 

’t Noodlot draait zijn wentelent rad;

Rijdt en rolt de aardbol plat,

Bergen op en over holen;

’t Rost en jaagt en zwiert en giert,

Toom en teugel bot gevierd

Rond en om naar lijn en polen,

Door zijn luimen voortgestierd.

 

Holt het over schat en pracht,

Het verplet ze door zijn vracht

En vermaalt ze, waar zij blinken;

Schokt het tegen tronen aan,

Zij verbrijzelen, daar zij staan,

En verstuiven en verzinken,

Met de heersers en hun waan.

 

Maar gezwenkt, in vlugge vaart,

Tilt het andren op van d’aard,

Die zich slingeren om zijn speken;

’t Voert hem voort, uit slijk en puin,

Tot op zetels van arduin,

Waar zij ’t hoofd ten hemel steken,

Met de roofprijs op de kruin.

 

’t Werpt, in ’t onbesuisde loop

Wat omhoog snelt overhoop,

En verheft wie nederzijgen;

’t Rolt naar boven met Tibeer,

Maar met Varus komt het neer;

’t Moge met Cesar steiler stijgen,

Met Pompejus stort het weer.

 

Allen, rondom opgetast,

Klemmen we aan het rad ons vast,

Als in wedloop voortgestoven;

Allen, op de prijs verhit,

Draven we in de dolle rit,

Maar wij wentlen ondersteboven…

Veiligst wie in ’t midden zit.

 

Allen, langs verscheiden spoor

Tuimlen wij de wereld door

Slingren, schokken, zwenken, zwaaien

Wat zich ophief, glipt en glijdt,

Wat ter neer lag, rijst en rijdt,

Tot het rad, in ’t eeuwig draaien

d’Een bij d’ander nedersmijt.

 

Allen op de struikelbaan,

Wagen lust en rust er aan,

Om een eindweegs voort te rollen;

Wie het plettend rad verniel’;

Wie er steeg of nederviel-

Allen grijpen ’t aan, en hollen…

Niemand steekt een spaak in ’t wiel.

 

 

tollens

Hendrik Tollens (24 september 1780 -21 oktober 1856)
Standbeeld in Park Euromastt, Rotterda

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 24 september 2007

 

De Engels-Zweedse schrijfster en vertaalster Szilvia Molnar werd geboren op 24 september 1984 in Boedapest, Hongarije.

Yves Navarre, F. Scott Fitzgerald, Charles Ferdinand Ramuz, Alfons Petzold, Hendrik Tollens, Szilvia Molnar

De Franse schrijver Yves Navarre werd geboren op 24 september 1940 in Condom. Hij studeerde Spaanse, Engelse en Franse literatuur. Vanaf 1965 studeerde hij aan het  Ecole des Hautes Etudes Commerciales du Nord. Daarna werkte hij als tekstschrijver voor een agentschap. In 1958 was hij al begonnen werk naar uitgeverijen te sturen, maar zijn eerste roman Lady Black werd pas in 1971 uitgegeven, in 1973 gevolgd door Les Loukoums. Een reeks romans volgden, vaak – zoals in Le Petit Galopin de nos corps, 1977 en Portrait de Julien devant la fenêtre, 1979 – over een liefdesrelatie tussen twee mannen. Navarre schreef ook toneel, bijvoorbeeld Il pleut : si on tuait papa-maman, La Guerre des piscines, and Les Dernières Clientes. Voor Le Jardin d’acclimation kreeg hij in 1980 de Prix Goncourt. In 1981 en 1988 nam hij deel aan de campagne voor de presidentsverkiezingen aan de zijde van François Mitterand. Hij voelde zich als romancier echter miskend en inefficiënt in de rol van campagnevoerder. Van 1990 tot 1993 woonde Navarre in Montreal, Quebec. In zijn roman uit 1992 Ce sont amis que vent emporte vertelt hij het verhaal van een beeldhouwer, Roch, en een danser, David. Het boek beschrijft hun gevecht tegen aids. Na zijn terugkeer naar Frankrijk raakte Navarre in een depressie en pleegde hij in 1994 zelfmoord met behulp van barbituraten.

Uit: Les Fleurs de la mi-mai

 

Première partie. Rive d’ombres. Du 11 février au 11 mars. Ce soir-là, un lundi 11 février, trois mois jour pour jour après son accident, il comprit qu’il ne pouvait plus compter sur la compassion de celles et ceux, proches, qu’il avait aimés ou admirés, alors il reprit espoir. Avec un doigt de la main droite, puisqu’il avait perdu l’usage de la main gauche et qu’il avait toujours tapé avec l’index de chaque main quand il n’écrivait pas au stylo de la main droite, gaucher contrarié qu’il avait été sans le savoir, il entreprit d’écrire en direct du malheur, contre tout orgueil et toute conviction, pour se tenir en vie, le roman du possible retour, envers et contre tout ou presque, envers et contre presque toutes et tous. Le projet, c’était la mi-mai. Ainsi, une fois de plus, il écrirait pour reculer la date de sa mort. Tout irait mieux le lendemain, au jour levé. Il avait chassé ceux qui venaient et attendu ceux qui ne venaient pas. Il avait été amoureux, incertain, douteux. Il doutait encore. Il venait de passer plusieurs semaines à La Résidence, le plus moderne centre de rééducation fonctionnelle. Là, il avait réappris à marcher sans trop tituber, seul, les mains dans les poches, et à gravir les marches des escaliers sans tenir la rampe. Là aussi, parce que Anne lui avait fait confiance, il avait appris à taper d’un seul doigt, tenant sa main gauche calmement à plat sur le bureau, à côté de la machine à écrire. Là enfin, il avait côtoyé les brisés, les brûlés, les gueules cassées, les cloués au fauteuil à roulettes. Il avait servi de brancardier pour l’une, de brancardier pour l’autre quand il y avait trop de monde dans l’ascenseur et qu’il fallait se rendre vite au réfectoire, il avait écouté chacun raconter son accident ou cacher au voisin une mort inévitable connue de tous et du voisin également, ce qui lui avait donné un calme, une sérénité du regard qui faisait baisser les yeux aux autres. Il s’en sortirait, lui. Il rentrerait chez lui et, par colère, il en ferait le texte qui lui permettrait peut-être de voir les fleurs de la mi-mai.

12 février, rendre l’ombre à la lumière, livrer le clair au clair et l’obscur à l’obscur, et, sans accuser le trait, livrer la vérité à une épure, une vérité, rien qu’une vérité. En faire un livre, en vivre, en revivre qui sait, main gauche à plat sur le bureau. Il y avait une grande pancarte dans l’entrée de l’établissement, La Résidence mérite votre respect. Il ne fallait pas dire les patients, ou les malades, mais les résidents. Le luxe du lieu cachait à grand-peine la misère et l’effroi, chacune, chacun, plus que jamais devait prendre son malheur en patience. La Résidence donnait bonne conscience, c’était luxueux, confortable, remboursé à 100 %.”

 

navarre05

Yves Navarre (24 september 1940 – 24 januari 1994)

 

 

De Amerikaanse schrijver Francis Scott Fitzgerald werd geboren op 24 september 1896 in Saint Paul, in de staat Minnesota. Zie ook mijn blog van 24 september 2007 en ook mijn blog van 24 september 2006.

 

Uit: BERNICE BOBS HER HAIR

 

“After dark on Saturday night one could stand on the first tee of the golf-course and see the country-club windows as a yellow expanse over a very black and wavy ocean. The waves of this ocean, so to speak, were the heads of many curious caddies, a few of the more ingenious chauffeurs, the golf professional’s deaf sister — and there were usually several stray, diffident waves who might have rolled inside had they so desired. This was the gallery.

The balcony was inside. It consisted of the circle of wicker chairs that lined the wall of the combination clubroom and ballroom. At these Saturday-night dances it was largely feminine; a great babel of middle-aged ladies with sharp eyes and icy hearts behind lorgnettes and large bosoms. The main function of the balcony was critical. It occasionally showed grudging admiration, but never approval, for it is well known among ladies over thirty-five that when the younger set dance in the summer-time it is with the very worst intentions in the world, and if they are not bombarded with stony eyes stray couples will dance weird barbaric interludes in the corners, and the more popular, more dangerous, girls will sometimes be kissed in the parked limousines of unsuspecting dowagers.

But, after all, this critical circle is not close enough to the stage to see the actors’ faces and catch the subtler byplay. It can only frown and lean, ask questions and make satisfactory deductions from its set of postulates, such as the one which states that every young man with a large income leads the life of a hunted partridge. It never really appreciates the drama of the shifting, semicruel world of adolescence. No; boxes, orchestra-circle, principals, and chorus are represented by the medley of faces and voices that sway to the plaintive African rhythm of Dyer’s dance orchestra.

From sixteen-year-old Otis Ormonde, who has two more years at Hill School, to G. Reece Stoddard, over whose bureau at home hangs a Harvard law diploma; from little Madeleine Hogue, whose hair still feels strange and uncomfortable on top of her head, to Bessie MacRae, who has been the life of the party a little too long — more than ten years — the medley is not only the center of the stage but contains the only people capable of getting an unobstructed view of it.

With a flourish and a bang the music stops. The couples exchange artificial, effortless smiles, facetiously repeat “la-de-da-da dum-dum,” and then the clatter of young feminine voices soars over the burst of clapping.

A few disappointed stags caught in midfloor as they had been about to cut in subsided listlessly back to the walls, because this was not like the riotous Christmas dances — these summer hops were considered just pleasantly warm and exciting, where even the younger marrieds rose and performed ancient waltzes and terrifying fox trots to the tolerant amusement of their younger brothers and sisters.

 

fitzgeraldfscot

F. Scott Fitzgerald (24 september 1896 – 21 december 1940

 

De Franstalige Zwitserse dichter, schrijver en essayist Charles Ferdinand Ramuz werd geboren op 24 september 1878 in Cully-sur-Lausanne. Zijn vader was een handelaar in koloniale waren en wijn. Na het gymnasium schreef hij zich in aan de filosofische faculteit van de universiteit van Lausanne. Rond 1900 was hij voor het eerst in Parijs om zijn studie voort te zetten. Hij wilde promoveren op de dichter Maurice de Guérin, maar gaf dat plan op om zelf dichter te worden. In Parijs leerde hij ook zijn vrouw, de schilderes Cécile Cellier kennen. In 1914 verliet Ramuz Parijs en vestigde zich met zijn gezin in Lausanne. Zijn werk Histoire du Soldat werd door Igor Strawinsky op muziek gezet. De roman Derborence, gebaseerd op historische gebeurtenissen uit 1714 werd in 1985 door Francis Reusser verfilmd. Farinet ou la fausse monnaie
over de valsemunter Joseph-Samuel Farinet diende in 1938 al als gegeven voor de film Farinet ou l’or dans la montagne van Max Haufler.

 

Uit: Derborence

 

Il tenait de la main droite une espèce de long bâton noirci du bout qu’il enfonçait par moment dans le feu ; l’autre main reposait sur sa cuisse gauche.
C’était le vingt-deux juin, vers les neuf heures du soir.
Il faisait monter du feu avec son bâton des étincelles ; elles restaient accrochées au mur couvert de suie où elles brillaient comme des étoiles dans un ciel noir.
On le voyait mieux alors, un instant, Séraphin, pendant qu’il faisait tenir son tisonnier tranquille ; on voyait mieux également, en face de lui, un autre homme qui était beaucoup plus jeune, et lui aussi était accoudé des deux bras sur ses genoux remontés, la tête en avant.
– Eh bien, disait Séraphin, c’est-à-dire le plus vieux, je vois ça… Tu t’ennuies.
Il regardait Antoine, puis s’est mis à sourire dans sa barbiche blanche :
– Il n’y a pourtant pas si longtemps qu’on est montés.
Ils étaient montés vers le quinze juin avec ceux d’Aïre, et une ou deux familles d’un village voisin qui s’appelle Premier : ça ne faisait pas beaucoup de jours, en effet.
Séraphin s’était remis à tisonner les braises où il avait jeté une ou deux branches de sapin ; et les branches de sapin prirent feu, si bien qu’on voyait parfaitement les deux hommes, assis en face l’un de l’autre, de chaque côté du foyer, chacun sur le bout de son banc : l’un déjà âgé, sec, assez grand, avec de petits yeux clairs enfoncés dans des orbites sans sourcils, sous un vieux chapeau de feutre ; l’autre beaucoup plus jeune, ayant de vingt à vingt-cinq ans, et qui avait une chemise blanche, une veste brune, une petite moustache noire, les cheveux noirs et taillés court.
– Voyons, voyons, disait Séraphin… Comme si tu étais à l’autre bout du monde… Comme si tu allais être séparé d’elle pour toujours…
Il hocha la tête, il se tut.
C’est qu’Antoine n’était marié que depuis deux mois ; et il importe de noter tout de suite que ce mariage ne s’était pas fait sans peine. Orphelin de père et de mère, il avait été placé à treize ans comme domestique dans une famille du village, tandis que celle qu’il aimait avait du bien. Et longtemps sa mère à elle n’avait pas voulu entendre parler d’un gendre qui n’aurait pas apporté au ménage sa juste part. Longtemps la vieille Philomène avait secoué la tête, disant : ” Non ! ” puis : ” Non ! ” et encore ” Non ! ” Qu’est-ce qui se serait passé si Séraphin n’avait pas été là, c’est-à-dire tout à fait à la place qu’il fallait et important à cette place, car il était le frère de Philomène, femme Maye, qui était veuve, et, n’étant pas marié, c’était lui qui menait le train de sa sœur ? Or, Séraphin avait pris le parti d’Antoine ; et il avait fini par avoir le dessus.
Le mariage avait eu lieu en avril ; maintenant Séraphin et Antoine étaient, comme on dit, en montagne.

 

RamuzCharlesFerdinand

Charles Ferdinand Ramuz (24 september 1878 – 23 mei 1947)

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Alfons Petzold werd geboren op 24 september 1882 in Wenen. Zie ook mijn blog van 24 september 2006.

 

Ich bin das Schwere und das Harte

 

Ich bin das Schwere und das Harte,
Du bist die sanfte Leichtigkeit,
Du baust aus Sonne eine Warte,
ich grabe Höhlen in die Zeit.
Was ich an Dunkel mir ersparte,
das machst du licht und liederweit,
Du bist die Glänzende u
nd Zarte,
um die sich all mein Denken reiht.

Ich ringe mit dem Unsagbaren,
um seines Geistes irdisch Los,
Du liegst noch wie in Kinderjahren
ganz demütig in seinem Schoß.
Ich kämpfe mit ihm Lend’ an Lende
und denk im Kampfe kaum an Dich,
Du aber streckst die lieben Hände
zu ihm empor, für wen? Für mich!

 

Jede Nacht ist eine Stufe

Jede Nacht ist eine Stufe
zur Erfüllung meiner Sehnsucht hin
und auf jeder steh ich lang und rufe
laut nach Dir mit überwachem Sinn.

Gläubig hülle ich mein Denken
in die Seide meiner Liebe ein.
Einmal wirst Du kommen und im Schenken
reich wie jetzt in dem Versagen sein.

 

 

O so Lipp’ an Lippe hängen dürfen

O so Lipp’ an Lippe hängen dürfen
eine lange schöne Ewigkeit,
aus des ander’n Atem Süße schlürfen
für die Bitternis der argen Zeit.

Nichts mehr reden, sondern nur noch lauschen,
wie des ander’n Herzschlag schneller geht –
und in allen Gliedern dieses Rauschen,
das Gesang ist und zugleich Gebet

 

Petzold

Alfons Petzold (24 september 1882 – 25 januari 1923)

 

De Nederlandse dichter Hendrik Tollens werd op 24 september 1780 te Rotterdam geboren. Zie ook mijn blog van 24 september 2007 en ook mijn blog van 24 september 2006

 

MIJNE VERZEN

 

Zielloos staat gij, levenloos,
Zonder klem of zwier,
Zangen, uit mijn hart geweld!
Op het koud papier.

Neen, van ’t uitgestroomd gevoel
Vonkt in u geen sprank:
Zielloos zijt gij, levenloos,
Noten zonder klank!

‘k Heb de borst met u geroerd
En het hart gekneed,
Maar mijn adem was de ziel,
Die u leven deed.

‘k Schiep met klem en kracht van toon
Al úw kracht en klem;
‘k Blies u geest en leven in
Met mijn eigen stem!

O, Wie op mijn dode kunst
Nog in deernis ziet,
Geve hij ’t leven nogmaals weer
Aan mijn zielloos lied.

Of wat is ’t gevoel en vuur,
Dat mijn zang bezit?
Of wat is zijn verv’ en zwier?
Treurig zwart op wit.

‘k Vraag terug, van elk terug,
Wat mijn kunst ontviel:
’t Is de nadruk van de toon –
De afdruk van de ziel.

Wie te traag is, te loom van bloed,
Adem heeft noch stem,
Roert mijn koude zangen niet:
Zij zijn
dood voor hem.

 

 

Wien Neêrlands bloed

Wien Neêrlands bloed in d’ad’ren vloeit
Van vreemde smetten vrij
Wiens hart voor land en koning gloeit
Verheff’ de zang als wij!
Hij zett’ met ons, vereend van zin,
Met onbeklemde borst,
Het godgevallig feestlied in
Voor Vaderland en Vorst,
Voor Vaderland en Vorst.

De Godheid, op haar hemeltroon
Bezongen en vereerd
Houdt gunstig ook naar onze toon
Het heilig oor gekeerd:
Zij geeft het eerst, na ’t zalig koor
Dat hoger snaren spant
Het rond en hartig lied gehoor
Voor Vorst en Vaderland,
Voor Vorst en Vaderland.

Bescherm, o God! bewaak de grond,
waar op onze adem gaat,
De plek waar onze wieg op stond,
Waar eens ons graf op staat.
Wij smeken van Uw Vaderhand,
Met diepgeroerde borst,
Behoud voor ’t lieve Vaderland,
Voor Vaderland en Vorst,
Voor Vaderland en Vorst.

Dring’ luid, van uit ons feestgedruis
Die beê uw hemel in:
Bewaar de Vorst, bewaar zijn huis
En ons, zijn huisgezin.
Doe nog ons laatst, ons jongst gezang
Die eigen wens gestand:
Bewaar, o God! de Koning lang
En ’t lieve Vaderland,
En ’t lieve Vaderland.

 

Tollens

Hendrik Tollens (24 september 1780 -21 oktober 1856)

 

 

 Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 24 september 2007

 

De Engels-Zweedse schrijfster en vertaalster Szilvia Molnar werd geboren op 24 september 1984 in Boedapest, Hongarije.

Hendrik Tollens, F. Scott Fitzgerald, Alfons Petzold, Szilvia Molnar

De Nederlandse schrijver en dichter Hendrik Tollens werd op 24 september 1780 te Rotterdam geboren. Zie ook mijn blog van 24 september 2006.

 

Voor mijn Hond

Alard is dood. Een traan ontsprong mijne oogen,

Toen hij de zijne sloot;

Ik schaam mij niet: ik ben bewogen:

Alard is dood.

 

Hij hing me aan ’t lijf; hij kleefde me aan de kleeren

Hij kwispelde aan mijn zij’;

Nog stervend sloeg hij menig keeren

Het brekend oog op mij.

 

Hoe dikwijls lag hij naast mij op de zoden

Aan gindschen eik, als ik, de stad

In ’t vreedzaam avontuur ontvloden,

Te peinzen en te mijmren zat!

 

‘k Wil aan dien eik voor hem een grafterp stichten

Hij heeft die eer verdiend.

Beschijnt hem minzaam, hemellichten!

Hij was mijn trouwste vriend.

 

Tollens

Hendrik Tollens (24 september 1780 -21 oktober 1856)

 

 

De Amerikaanse schrijver F. Scott Fitzgerald werd geboren op 24 september 1896 in Saint Paul, Minnesota. Zie ook mijn blog van 24 september 2006.

 

Uit: The Great Gatsby

 

“In my younger and more vulnerable years my father gave me some advice that I’ve been turning over in my mind ever since.

“Whenever you feel like criticizing anyone,” he told me, “just remember that all the people in this world haven’t had the advantages that you’ve had.”

He didn’t say any more but we’ve always been unusually communicative in a reserved way and I understood that he meant a great deal more than that. In consequence I’m inclined to reserve all judgements, a habit that has opened up many curious natures to me and also made me the victim of not a few veteran bores. The abnormal mind is quick to detect and attach itself to this quality when it appears in a normal person, and so it came about that in college I was unjustly accused of being a politician, because I was privy to the secret griefs of wild, unknown men. Most of the confidences were unsought — frequently I have feigned sleep, preoccupation or a hostile levity when I realized by some unmistakable sign that an intimate revelation was quivering on the horizon — for the intimate revelations of young men or at least the terms in which they express them are usually plagiaristic and marred by obvious suppressions. Reserving judgements is a matter of infinite hope. I am still a little afraid of missing something if I forget that, as my father snobbishly suggested and I snobbishly repeat, a sense of the fundamental decencies is parcelled out unequally at birth.

And, after boasting this way of my tolerance, I come to the admission that it has a limit. Conduct may be founded on the hard rock or the wet marshes but after a certain point I don’t care what it’s founded on. When I came back from the East last autumn I felt that I wanted the world to be in uniform and at a sort of moral attention forever; I wanted no more riotous excursions with privileged glimpses into the human heart. Only Gatsby, the man who gives his name to this book, was exempt from my reaction — Gatsby who represented everything for which I have an unaffected scorn. If personality is an unbroken series of successful gestures, then there was something gorgeous about him, some heightened sensitivity t
o the promises of life, as if he were related to one of those intricate machines that register earthquakes ten thousand miles away. This responsiveness had nothing to do with that flabby impressionability which is dignified under the name of the “creative temperament” — it was an extraordinary gift for hope, a romantic readiness such as I have never found in any other person and which it is not likely I shall ever find again. No — Gatsby turned out all right at the end; it is what preyed on Gatsby, what foul dust floated in the wake of his dreams that temporarily closed out my interest in the abortive sorrows and short-winded elations of men.”

 

 

300px-F_Scott_Fitzgerald_stamp

F. Scott Fitzgerald (24 september 1896 – 21 december 1940)

 

 

De Engels-Zweedse schrijfster en vertaalster Szilvia Molnar werd geboren op 24 september 1984 in Boedapest, Hongarije. Zij groeide op in Zweden. Haar eerste publicatie was een kort verhaal in 2005 in The Wolf. Dit werd gevolgd door een kort prozastuk in het Zweeds in Biblioteket & Jag. Molnar schrijft ook gedichten in de Engelse periodieken The Ugly Tree en Smoke. Een voorbeeld van haar werk is te zien op myspace.

 

Voor onderstaande schrijver zie ook mijn blog van 24 september 2006.

 

De Oostenrijkse schrijver Alfons Petzold werd geboren op 24 september 1882 in Wenen.

 

Tollens, Scott Fitzgerald en Petzold

Hendrik Tollens werd op 24 september 1780 te Rotterdam geboren. Zijn vader en zijn grootvader bezaten daar een penselen- en verffabriek  en behoorden tot de gezeten burgerij. Na een tijdje op een kostschool te hebben doorgebracht kwam hij op 15-jarige leeftijd op zijn vaders kantoor werken. Al heel vroeg besteedde hij een groot deel van zijn tijd aan het vervaardigen van gedichten, maar ook het theaterleven trok hem aan. Hij begon toneelstukken te schrijven, maar hoewel ze het nooit tot een opvoering brachten, hield hij er wel een levenslang geluk aan over. Hij raakte verliefd op de dochter van een komiek en in 1800 trouwde hij met de toneelspeelster Gerbranda Rivier die hem 12 kinderen zou schenken. Ondertussen begon Tollens naam te maken als dichter. Heel bekend werden zijn Gedichten (1806-1815), in drie delen. Sinds die tijd stond hij bekend als ‘De lust en de liefde der Nederlandsche Natie’.

Nog sterker: toen in 1817 een prijsvraag werd uitgeschreven voor een nieuw volkslied ter vervanging van het onbegrijpelijke Wilhelmus, won hij met het nog steeds bekende Wiên Neerlands bloed door de a’ dren vloeit.

In 1819 verscheen dan zijn Tafereel van de overwintering, enz.  In dit lange vers betuigde hij hulde aan het voorgeslacht en beschreef hij de reis van Jacob van Heemskerk en Willem Barendsz als een lofdicht op heldenmoed en doodsverachting. Toch kon hij het niet laten de deugd en de familiale huiselijkheid te benadrukken. Ondanks zijn vaak ‘zware’ woorden had hij de meeste interesse voor de gebeurtenissen in ‘Het Behouden Huys’, de beschutte hut, opgetrokken uit wrakhout, waarin de bemanning in de winter van 1596 en 1597 verbleef.

 

Bij het lijkje van een kind

’t Kruipend rupsje, moe gekropen,
Afgetobd in de enge cel,
Brak zijn kluisje fladdrend open,
Klapwiekte uit zijn dorre schel.
Zie, daar wiegt het, zie, daar zweeft het,
Aardse damp en druk ontvlucht;
Hoger vliegt het, hoger leeft het,
Zat gespeeld in lager lucht.
Voedster, droog de natte wangen,
Tuur niet op de dode pop,
Blijf niet aan het webje hangen:
’t Vlindertje is niet weer te vangen:
’s Hemels englen vingen ’t op.

 

Op de oogen van mijn jongste zoontje

 

Zeg eens zuiver, looze guit!

Wat toch kijkt u de oogjes uit?

Goochelaar, biecht op uw streken:

Zeg mij hoe uw blikken spreken,

Spreken, schoon gij ‘t mondje sluit?

Zeg het, jongen! zonder logen,

Wat toch zit er in uw oogen?

 

Zie, zoo ras de gaauwdief plaagt,

Hoe dat oogje vrijt en vraagt,

En door duizend tooverblikken,

Die mij ziel en zin verstrikken,

Afdwingt wat zijn lust behaagt:

Guit, wat hebt gij ingezogen,

Om te woekren met uw oogen?

 

Zie! zoo ras hij krijt en treurt,

Hoe hij de oogjes biddend beurt,

Die zijn nood zoo droevig klagen,

En om troost en deernis vragen,

Dat mij ‘t hart van rouw verscheurt:

Jongen, ja, ik ben bewogen

Hoe toch roert gij met uw oogen?

 

Maar zoo ras de stoutert stoeit,

Let eens hoe dat oogje gloeit,

En uit elken trek van ‘t wezen,

‘t Vrolijk hartje geeft te leze,

Dat van blijdschap overvloeit:

Zeg het, jongen ! ongelogen,

Vat toch lacht er uit uw oogen?

 

Zie, zoo ras de fleemer vleit,

Hoe zijn klndsche teederheid, ,

Als met duizend liefdelonken, .

Die mij ‘t minnend hart ontvonken,

Duizend zoete woordes zeit:

Guit, gij maakt mij opgetogen!

Hoe toch koost gij met uw oogen?

 

Maar; wat vraag ik naar den vond?

Jongen, ‘k heks de list doorgrond;

‘k Weet het, door wat looze treken

Al uw stoute blikken spreken,

Of gij elke taal verstondt:

‘t Is geen wonder dat zij ‘t mogen,

Want uw ziel zit in uw oogen.

 

Hendrik Tollens (24 september 1780 -21 oktober 1856)

 

Francis Scott Fitzgerald werd geboren op 24 september 1896 in Saint Paul, in de staat Minnesota. Hij was de woordvoerder voor de Verloren Generatie, Amerikanen die geboren waren in de laatste 10 jaar van de 19e eeuw, en die volwassen werden tijdens de Eerste Wereldoorlog. Alhoewel Fitzgeralds passie het schrijven van boeken was, verkochten deze nooit genoeg om te kunnen voorzien in de opulente levensstijl die hij en zijn vrouw Zelda hadden geadopteerd. Daarom begon hij met het schrijven van korte verhalen voor bladen als de Saturday Evening Post en Esquire, en verkocht hij de filmrechten van zijn boeken en verhalen aan de studio’s van Hollywood. Hij zat constant in financiële problemen, en leende vaak van zijn literair agent en redacteur.

De 20er jaren bleken de meest invloedrijke tijd te zijn in Fitzgeralds ontwikkeling. Zijn tweede boek, The Beautiful and Damned (1922), laat een indrukwekkende ontwikkeling zien na het in vergelijking onvolwassen This Side of Paradise. The Great Gatsby, het boek dat door velen gezien wordt als zijn meesterwerk, werd uitgegeven in 1925.

Uit:This Side of Paradise

 “AMORY BLAINE inherited from his mother every trait, except the stray inexpressible few, that made him worth while. His father, an ineffectual, inarticulate man with a taste for Byron and a habit of drowsing over the Encyclopædia Britannica, grew wealthy at thirty through the death of two elder brothers, successful Chicago brokers, and in the first flush of feeling that the world was his, went to Bar Harbor and met Beatrice O’Hara. In consequence, Stephen Blaine handed down to posterity his height of just under six feet and his tendency to waver at crucial moments, these two abstractions appearing in his son Amory. For many years he hovered in the background of his family’s life, an unassertive figure with a face half-obliterated by lifeless, silky hair, continually occupied in “taking care” of his wife, continually harassed by the idea that he didn’t and couldn’t understand her.

 

But Beatrice Blaine! There was a woman! Early pictures taken on her father’s estate at Lake Geneva, Wisconsin, or in Rome at the Sacred Heart Convent—an educational extravagance that in her youth was only for the daughters of the exceptionally wealthy—showed the exquisite delicacy of her features, the consummate art and simplicity of her clothes. A brilliant education she had—her youth passed in renaissance glory, she was versed in the latest gossip of the Older Roman Families; known by name as a fabulously wealthy American girl to Cardinal Vitori and Queen Margherita and more subtle celebrities that one must have had some culture even to have heard of. She learned in England to prefer whiskey and soda to wine, and her small talk was broadened in two senses during a winter in Vienna. All in all Beatrice O’Hara absorbed the sort of education that will be quite impossible ever again; a tutelage measured by the num
ber of things and people one could be contemptuous of and charming about; a culture rich in all arts and traditions, barren of all ideas, in the last of those days when the great gardener clipped the inferior roses to produce one perfect bud.”

 


F. Scott Fitzgerald (24 september 1896 – 21 december 1940

 


De Oostenrijkse schrijver Alfons Petzold werd geboren op 24 september 1882 in Wenen. Hij was de zoon van een arbeider die wegens zijn sociaaldemocratische overtuiging van Sachsen naar Oostenrijk was getrokken. Door de moeilijke financiele positie van zijn ouders was de jonge Alfons ondanks zijn zwakke gezondheid al vroeg gedwongen om aan het levensonderhoud van de familie bij te dragen. Zijn succesvolste boek, een gestileerde beschrijving van zijn moeilijke kindertijd en jeugd, verscheen in 1920 onder de titel “Das rauhe Leben”. Petzold  gold met zijn werk, waarin hij op eigenzinnige wijze sociale thematiek en religieuze zienswijzen, tot zelfs mystiek en panteisme toe,verbond tijdens zijn leven als belangrijke arbeider-schrijver.

 

Der Arbeitslose

Staub auf den Schuhen und auf der getretenen Seele,
schleicht er den Weg der stummen Vergrollten dahin,
springt ihm kein fröhliches Wort aus der trockenen Kehle;
Suche nach Arbeit drückt seinen grübelnden Sinn.

Seine Tage sind dunkel, die Sonne verhüllen
graudampfende Nebel. Er hebt nicht die Blicke empor.
Die Klänge der Arbeit, die alle Straßen erfüllen,
brausen um ihn wie ein hohnvoll spottender Chor.

Wie doch die Stunden in quälendem Hoffen sich dehnen,
indes ihn vorwärtspeitscht die hungernde Not.
Er klopft an die Türen, dahinter die Hämmer dröhnen,
all seine Sinne schreien nach Arbeit und Brot.

Alles umsonst. Der Taglauf beugt sich dem Ende.
Wiederum nichts. Seine Lippen flüstern es matt.
Er schaut im Haß auf die schwielenbedeckten Hände
und schleicht hinaus auf das lehmige Feld vor der Stadt.

Alfons Petzold (24 september 1882 – 25 januari 1923)