Hans van Willigenburg, Sky Gilbert, Friederike Mayröcker, Sandra Cisneros, J. van Oudshoorn, Jürg Laederach, Peter May, Alain de Botton, Gernot Wolfgruber

De Nederlandse dichter, schrijver en journalist Hans van Willigenburg werd geboren in Utrecht op 20 december 1963. Zie ook alle tags voor Hans van Willigenburg op dit blog.

Uit: Huwelijksreis

“In de winter van 1986 logeerde ik een paar dagen in Goslar, een kilometer of vijftien van de ddr-grens.
Vlak daarvoor kreeg ik de sleutel van een Audi 100 in mijn hand gedrukt. Een cadeau van mijn vader. Hij kon het niet langer aanzien. De tweedehands auto waarin ik destijds bij het ouderlijk huis kwam voorrijden, associeerde hij met niet-functionerende remmen, spekgladde banden en doorgeroeste bodems. Ik verwees naar mijn karige studiebeurs zodra hij begon over ‘dat ellendige stuk oudroest’. Hij tolereerde het zo’n half jaar. Toen, tijdens een van mijn weekendbezoeken, legde hij zijn hand op mijn schouder en vroeg hij op ongewoon amicale toon of hij iets alcoholisch voor me kon inschenken. Die toon maakte me even ongerust. Ging hij onthullen dat hij kanker had? Dat hij ontslagen was? Dat hij ging scheiden? Zoals altijd bleek de werkelijkheid (mijn werkelijkheid) geruststellender dan ik dacht; vader hief zijn glas en maakte opgelucht bekend dat ik zijn wagen kon overnemen zodat ik voortaan in ‘een fatsóenlijke automobiel’ zou rijden – alsof hij de familie van een schande bevrijdde.
Ik ben een verwende, makkelijke jongen. Niet gehinderd door vage schuldgevoelens lijfde ik gretig mijn nieuwe bezit in. Vader sprong voor de helft bij toen ik aankondigde met de Audi in stijl op huwelijksreis te gaan. Een Duitse auto namelijk, ‘leistungsfähig’ van bumper tot bumper, kwel je mijns inziens niet met boodschappenritjes (een bouvier hou je ook niet aan de ketting). En dus haalde ik een oud plan van stal: een verkenningstocht langs het ijzeren gordijn. Op mijn studentenkamertje legde ik een liniaal op de kaart en trok vanaf Arnhem een potloodlijn oostwaarts. Bij de ddr-grens stopte ik. Ik boog mij over de kaart en zag dat ik midden in het Harz-gebergte was gestrand. De grootste plaats in de omgeving heette Goslar. Telefonisch boekte ik er een hotel.
Waarom het ijzeren gordijn? Ik was nieuwsgierig naar de plek waar niemand lacherig over kon doen. Samen met studievrienden lachte ik al zó veel om wat er op het wereldtoneel gebeurde, dat ik sterk het gevoel kreeg dat de eigenlijke voorstelling, het verhaal van de wereldgeschiedenis, al afgelopen was. Dat ik leefde tijdens een gezellige receptie waar vrolijk werd nagebabbeld. Iets wat ik zeker kon waarderen, waarvan ik zelfs zei er dankbaar voor te zijn (‘ik hóef geen bloed aan mijn handen of modder onder mijn schoenen’), maar wat me soms ook gruwelijk verveelde. Want nóóit leidde het gewauwel ergens toe, hetgeen waarschijnlijk niet eens onze eigen schuld was, maar eerder die van de omstandigheden: de immense welvaart die ons alsmaar verleidde tot een vòlgend feest, een vòlgend drinkgelag, een vòlgende babbelsessie waarin alle conclusies van de vorige keer met intens filosofisch genot op losse schroeven werden gezet. Moe van dit mechanisme zocht ik iets waar al het geleuter geen vat op kon krijgen: een onomstotelijk feit.”

 
Hans van Willigenburg (Utrecht, 20 december 1963)

 

De Canadese dichter, schrijver en acteur Sky Gilbert werd geboren op 20 december 1952 Norwich, Connecticut. Zie ook alle tags voor Sky Gilbert op dit blog.

Uit:Brother Dumb

“If I’m going to tell you about it, I have to start back in 1951, with the black apartment and the black sheets. At the time I was being melodramatic, but for good reason. Like Masha in The Three Sisters I was in mourning for my life. Or perhaps I should say I was in mourning for someone else’s life, for the life of the main character in my first novel. It was strange, the way I wrote the damn thing. I started it, or at least started writing about the character, before I went off to war, and then wrote some of it while the war was on, and then some after. Around the time I got the black apartment I was coming to terms with the fact that the novel was going to be over, and there wasn’t going to be anything more for me to write about the character. That is, I’d written the character out. Or perhaps that isn’t an accurate thing to say. The feeling wasn’t exactly that I had written the charac-ter out, because the guy had become much more real to me than that. I had the feeling he was my best friend, the best friend I’d never had, and I was having real trouble saying goodbye. I was certain that he had another life after the novel, a life that he was continuing to live — only I wasn’t invited to participate. I know it’s a concept that’s pretty hard to get your mind around, but if you’re a writer you might understand. I don’t think it’s completely crazy to think that characters in novels have lives of their own. If you want some intellec-tual justification for the concept all you have to do is go back to old Scaligero, a medieval scholar who was a great classi-fier — he was even worse than Aristotle in that respect —really into naming things, into ordering the universe. Strangely enough, for such an anal-retentive guy, he was also really sensitive to great literature. At one point when talking about what reality is and is not, he suggested that the charac-ters the poet Virgil had created were actually real, that they actually lived. He said, anyway, that they were more real than reality itself, because they were so beautiful. Now, I’m not saying the character I created was that beau-tiful, but what I am saying is that he was beautiful to me.”


Sky Gilbert (Norwich, 20 december 1952)

 

De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Friederike Mayröcker werd op 20 december 1924 in Wenen geboren. Zie ook alle tags voor Friederike Mayröcker op dit blog.

etwas Kinder / oder / mehr ist nicht zu sagen / oder Versuch Inger Christensen und Andrea Zanzotto miteinander verknüpfend


Halbseide von Amsel halbseidene Amsel
und mit LAKOSTE im Arm weiches Bindegewebe
rosafarben der Küchenboden vielleicht
Spiegelung einer Himmelsfarbe
Herzkirschen auf einem Teller
der auf der Anrichte steht oder auf einem der leeren Töpfe
weil die Anrichte vollgeräumt ist
und Knistern Tropfgeräusche Haar-Urwald
einzelne Haare klebend an den Handinnenflächen
im Waschbecken zwischen den Brüsten an den Fußsohlen
im Innern eines Pantoffels
und wie Stelzen die Beine dürr und nackt
und der linke Daumen mit dem eingezogenen
Dorn oder Schiefer am Morgen schmerzt
das Spucken das Rülpsen das Masturbieren
die Sprüche oder Maximen am Morgen
oder daß man in der Unterführung (in den Verliesen)
wo man vor dem Regen geschützt ist
nicht weiß was man nun mit dem aufgespannten Schirm tun soll
ob man ihn abspannen soll oder wie ein
Sonnenrad vor sich her drehen soll
(Päderast oder Kampfbonbon)
oder daß der bläuliche Leib einer Fliege
sich im gleichen Zeitmaß mit den gegen das Heckfenster
des Straßenbahnwagens fließenden Regentropfen
abwärts bewegt und man ihre durchsichtige Unterseite
erblicken kann ehe sie abhebt
(getrocknete Mutter)
und ein Mädchenlachen im Hintergrund
des Straßenbahnwagens Beethovens Schicksalssymphonie intoniert
und man die Uhrzeit abzulesen versucht
indem man geistesabwesend auf den Kalender blickt
oder verschiedene Hügelbewegungen / Wandergitarre
oder die blutige Arztmanschette im Fenster

 
Friederike Mayröcker (Wenen, 20 december 1924)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Sandra Cisneros werd geboren op 20 december 1954 in Chicago. Zie ook alle tags voor Sandra Cisneros op dit blog.

Uit: The House on Mango Street

“We didn’t always live on Mango Street. Before that we lived on Loomis on the third floor, and before that we lived on Keeler. Before Keeler it was Paulina, and before that I can’t remember. But what I remember most is moving a lot. Each time it seemed there’d be one more of us. By the time we got to Mango Street we were six—Mama, Papa, Carlos, Kiki, my sister Nenny and me.
The house on Mango Street is ours and we don ‘t have to pay rent to anybody or share the yard with the people downstairs or be careful not to make too much noise and there isn’t a landlord banging on the ceiling. But even so it’s not the house we’d thought we’d get.
We had to leave the flat on Loomis quick. The water pipes broke and the landlord wouldn’t fix them. We were using the washroom next door and carrying water over in empty milk gallons. That’s why Mama and Papa looked for a house, and that’s why we moved into the house on Mango Street, far away, on the other side of town.
Our parents always told us that one day we would move into a house, a real house that would be ours for always so we wouldn’t have to move each year. And our house would have running water and pipes that worked. And inside it would have real stairs, not hallway stairs, but stairs inside like the houses on T.V. And we’d have a basement and at least three washrooms so when we took a bath we wouldn’t have to tell everybody. Our house would be white with trees around it, a great big yard and grass growing without a fence. This was the house Papa talked about when he held a lottery ticket and this was the house Mama dreamed up in the stories she told us before we went to bed.
But the house on Mango Street is not the way they told it at all. It’s small and red with tight little steps in front and windows so small you’d think they were holding their breath. There is no front yard, only four little elms the city planted by the curb. Out back is a small garage for the car we don’t own yet and a small yard that looks smaller between the two buildings on either side. There are stairs in our house, but they ‘re ordinary hallway stairs, and the house has only one washroom, very small. Everybody has to share a bedroom.
Once when we were living on Loomis, a nun from my school passed by and saw me playing out front. The laundromat downstairs had been boarded up because it had been robbed two days before and the owner had painted on the wood YES WE’RE OPEN so as not to lose business.
Where do you live? she asked.
There, I said pointing up to the third floor.
You live there?
There.I had to look to where she pointed—the third floor, the paint peeling, wooden bars Papa had nailed on the windows so we wouldn’t fall out. You live there?The way she said it made me feel like nothing. There. I lived there. I nodded.
I knew then I had to have a house. One I could point to. The house on Mango Street isn’t it. For the time being, Mama said. Temporary, said Papa. But I know how those things go.”


Sandra Cisneros (Chicago, 20 december 1954)

 

De Nederlandse schrijver J. van Oudshoorn (pseudoniem van Jan Koos Feylbrief) werd geboren in Den Haag op 20 december 1876. Zie ook alle tags voor J. van Oudshoorn op dit blog.

Uit: Tobias en de dood

“Tobias Termaete had de juffrouw weggezonden. Haar eentonig gepraat had hem tot verzet geprikkeld. Zichtbaar gekrenkt had zij de kamer verlaten. Thans speet het hem, haar niet te hebben laten uitspreken.
Met de handen in zijn broekszakken stond Tobias aan het venster en staarde, zonder iets bepaalds waar te nemen, naar buiten. Het was tegen het vallen van den avond. Nog geen kwartier thuis, na een afwezigheid van ruim drie weken, kon hij er niet toe besluiten zich reeds in de stad te begeven. Wat moest hij er trouwens ondernemen?
Gegeten had hij in den trein. Ergens in een benauwde kroeg de courant te lezen, leek hem na zijn verblijf aan zee ondoenlijk. Dat kon eenvoudig niet. En om te gaan slapen was het nog veel te vroeg.
Tobias meende de juffrouw in den gang te hooren. Hij rukte de kamerdeur open. De juffrouw was op punt in de keuken te verdwijnen, maar toen Tobias haar wat naschreeuwde, keerde zij zich in de open keukendeur naar hem om.
Of er tijdens zijne afwezigheid nog iemand voor hem geweest was? ‘Geen sterveling,’ antwoordde de juffrouw en – op haar beurt uit de hoogte – sloot zij zonder meer de keuken.
Tobias wierp de deur weer in het slot en begon met ongedurige schreden door de kamer heen en weer te loopen. Hij ergerde zich. Want even goed als hij, wist de juffrouw, dat er den laatsten tijd voor hem – behalve dan wat vrouwvolk op afgesproken uren – nagenoeg niemand meer kwam en hij haar dus enkel teruggeroepen had om opnieuw een praatje te beginnen. Belachelijk ook, een vrouw, met wie men jaren lang tot genoegen woont en die iemand zijn volle vrijheid liet, uit de hoogte te willen bejegenen. Daarbij was zij hem in haar keuken nog de baas gebleven….
Met een kort ingehouden ruk had Tobias zijn rondgang door de kamer gestaakt. Zijn toch reeds norsche trekken versomberden zich nog meer. Buiten – ergens ver – naderde een voertuig. Tobias ging weer naar het venster en ook nadat het zwakke gerucht, nog immer in de verte, verstorven was, bleef hij in gespannen luistering volharden.
Tobias was opvallend groot en breed-geschouderd, zonder daardoor echter den indruk van bovenmatige mannelijke kracht te wekken. Integendeel, met het verkwijnend avondlicht op zijn wasbleek gelaat, waarin zich diepe plooien opzij van neus en mond gegroefd hadden, met zijn eenigszins doorgezakte knieën, sprak er thans eerder iets vermoeids en afgeleefds uit zijn gansche wezen. Zoo leek het er bijna op, als stond hij daar aan het venster op een nieuwe prikkel voor zijn uitgebloeide verbeelding te wachten.”


J. van Oudshoorn (20 december 1876 – 31 juli 1951)
Cover

 

De Zwitserse schrijver Jürg Laederach werd geboren op 20 december 1945 in Basel. Jürg Laederach overleed op 19 maart van dit jaar op de leetijd van 72 jaar in Basel. Zie ook alle tags voor Jürg Laederach op dit blog.

Uit:Harmfuls Hölle: in dreizehn Episoden

„Zögern, Zeit, Dehnen
Schlürfte laut, die Mirjam. Gefahr nahte. Harmful zögerte, ihr seine große unentschiedene Tat zu erzählen. Entschiedenheits-unfähige Zögerer äußern sich, indem sie beim Zögern selber Hemmungen empfinden. Also handeln sie entschieden; reine Verlegenheitslösung. Beim Niedertrampeln ihres Zögerns überstürzen sie sich zielgenau. Weil Harmful beschlossen hatte, den Haus-Skorpion seiner lieben kranken Frau zu töten, fand er sich, als er in Aachen an der außer sich geratenen belgischen Grenze lebte, für lange Zeit im Gefängnis wieder. Ja oder nein? Ich kann mich für die Wahrheit nicht erwärmen. Während seiner Überstürzung handelte sich der Zögerer ein, was er selber so nie hätte formulieren können.
Zwar entging ihr Skorpion dem Tod, aber Harmful hatte seine liebe Frau hingerichtet. Er kürzte ihr abgekürztes Leben weiter ab. Wahr oder nein? Alles kann anders sein. In einem anderen Fall wäre er tot, und sie brachte ihn um. Darüber würde er schweigen. Er entkäme der Formulierung.
In entscheidenden Situationen des Lebens-und-Sterbens handelt man nicht aus Entschiedenheit; aus Unentschlossenheit darüber, ob man zögern soll oder nicht. Das Drama spielte sich an der Straße des heiligen Bernhard im Lastof-Viertel von Aachen ab. Wahr oder ums Haar? Kann mich durchaus für diese Version entscheiden. In ihrem Häuschen, war es ein Häuschen?, am Ende eines mit einer Wüste und einem schlanken Abfall-Turm im Hintergarten?, lebtest du, Mirjam Harder, und ich, dein freundlicher Gatte Ruud Harmful. Lebten oder starben? Er kann sich für keine Version entscheiden, zieht dich aber immer in seine jeweilige hinein. Die Tochter dieses Gatten, seine eigene, nämlich Irmi, spielte mit Kak, dem Haus-Skor-pion ihrer Mutter. Harmful hatte jeden Besitz an dieser Sorte Haustiere abgelehnt. Wahr oder nein? Keine endgültige Entscheidung. Das Kind reizte ihn, der winzige Skorpion stach es kurz mit seinem Schwanz. Welches Kind kann ein Tier so reizen? Kann das Tier das milde Kind vom übergrausamen Erwachsenen unterscheiden, und falls ja, ist es deswegen Tier?“

 
Jürg Laederach (20 december 1945 – 19 maart 2018)

 

De Schotse schrijver Peter May werd geboren op 20 december 1951 in Glasgow. Zie ook alle tags voor Peter May op dit blog.

Uit: I’ll Keep You Safe

“The last hours of their life together replayed themselves through a thick fog of painful recollection. Did people really change, or was it just your perception of them? And if that was true, had you ever really known them in the first place?The change in a relationship happens slowly, without you really noticing at first. Like the transition between spring and summer, or summer and autumn. And suddenly it’s winter, and you wonder how that dead time managed to creep up on you so quickly.
It wasn’t winter yet. Relations between them hadn’t got quite that cold. But there was a chill in the air which seemed to presage the plunge of Arctic air to come, and as they moved with the flow of the crowds leaving the Parc des Expositions, Niamh shivered, even though the air of this September evening was still soft and warm. Only the fading light betrayed the changing season.It was standing room only on the RER, and the train rattled and clattered its way through the north-eastern banlieue of Paris. Villepinte, Sevran Beaudottes, Aulnay-sous-Bois, where no one got on or off. She was uncomfortable, bodies pressing in all around her, male and female. The smell of garlic on sour breath, of sweat on man-made fabric, faded perfume, hair gel. Her knuckles glowed white, fingers clutching the chrome upright to keep her from falling as the train decelerated and accelerated, in and out of stations, and she tried to hold her breath.
Ruairidh was sandwiched between a tall man with an orange face who painted his eyebrows and wore lipstick, and a girl with tattoos engraved on every visible area of skin. Her dyed black hair and facial piercings seemed dated. Goth. Retro.
Niamh saw Ruairidh force a hand into his pocket to retrieve his iPhone. The glow of its screen reflected briefly in his face and drew a frown that gathered between his eyes. He stared at it for a very long time before glancing, suddenly self-conscious, towards Niamh and thrusting the phone back in his pocket.
There was an exodus of passengers at the Gare du Nord, but a fresh influx of bodies from a crowded platform, and it was not until they got off at Châtelet les Halles that she was able to ask him about it. ‘Bad news?”

 
Peter May (Glasgow, 20 december 1951)

 

De Zwitserse schrijver en filosoof Alain de Botton werd geboren in Zürich op 20 december 1969. Zie ook alle tags voor Alain de Botton op dit blog.

Uit: Religie voor atheïsten (Vertaald door Jelle Noorman)

“Proberen te bewijzen dat God niet bestaat kan een amusant tijdverdrijf zijn voor atheïsten. Nuchtere critici van religie scheppen er altijd veel genoegen in om met meedogenloze precisie de dwaasheid van gelovigen bloot te leggen, en rusten niet voordat ze zeker weten dat ze hun vijanden hebben ontmaskerd als volslagen malloten of maniakken.
Deze bezigheid kan weliswaar heel bevredigend zijn, maar waar het werkelijk om gaat is niet zozeer de vraag of God bestaat, maar hoe je verder redeneert wanneer je hebt besloten dat dit uiteraard niet het geval is. Het uitgangspunt van dit boek is dat het mogelijk moet zijn een overtuigd atheïst te blijven, terwijl je religies af en toe toch nuttig, interessant en troostrijk kunt vinden — en nieuwsgierig kunt zijn naar de mogelijkheden om bepaalde religieuze ideeën en gewoonten te vertalen naar de seculiere wereld.
Je kunt je schouders ophalen over de christelijke leer van de Drie-eenheid en het achtvoudige pad van het boeddhisme, en desondanks geïnteresseerd zijn in de manieren waarop religies prediken, moreel besef stimuleren, gemeenschapszin opwekken, kunst en architectuur gebruiken, reizen zin verlenen, de geest vormen en aanzetten tot dankbaarheid voor de schoonheid van de lente. In een wereld die wordt bestookt door fundamentalisten van zowel de gelovige als de seculiere soort moet het mogelijk zijn godsdienstig geloof te verwerpen maar wel een selectieve bewondering te behouden voor religieuze rituelen en concepten.
Pas wanneer we niet meer geloven dat religies ons uit de hemel zijn aangereikt of dat ze volstrekt idioot zijn, wordt het interessant. Dan groeit het besef dat we religies hebben uitgevonden om in twee essentiele, nog altijd aanwezige behoeften te voorzien waar de seculiere maatschappij niet erg adequaat mee omgaat: in de eerste plaats de behoefte om, ondanks onze diepgewortelde egoistische en gewelddadige neigingen, op harmonieuze wijze in gemeenschappen samen te leven. En in de tweede plaats de behoefte om het hoofd te bieden aan afschuwelijk leed dat voortkomt uit onze ontvankelijkheid voor fiasco’s in de beroepssfeer, verstoorde relaties, het overlijden van dierbaren en ons eigen verval en verscheiden. God mag dan dood zijn, de dringende kwesties die ons ertoe brachten Hem te verzinnen spelen nog altijd en vragen om oplossingen die niet verdwijnen zodra we attent zijn gemaakt op enkele wetenschappelijke onjuistheden in het verhaal van de zeven broden en vissen.
Het moderne atheïsme is zo onverstandig geweest over het hoofd te zien hoeveel aspecten van de godsdiensten relevant blijven nadat hun fundamentele leerstellingen zijn verworpen. Zodra we niet meer menen dat we geen andere keuze hebben dan erop af te geven of ons eraan te onderwerpen, vinden we de vrijheid om in religies talloze ingenieuze concepten te ontdekken waarmee we kunnen proberen enkele van de hardnekkigste en meest verwaarloosde kwellingen van het seculiere leven te verzachten.”

 
Alain de Botton (Zürich, 20 december 1969)
Cover

 

De Oostenrijkse schrijver Gernot Wolfgruber werd geboren op 20 december 1944 in Gmünd. Zie ook alle tags voor Gernot Wolfgruber op dit blog.

Uit: Herrenjahre

„Das war ja nicht einmal wahr. Aber es wäre was gewesen. Stattdessen sollte Handwerk noch immer einen goldenen Boden haben. Und wenn einer tüchtig ist, kann er sich selbständig machen. Dann ist er sein eigener Herr. Melzer hätte gerne etwas dagegen gesagt, wenn er was dagegen zu sagen gewusst hätte. Aber seine Reden wären ohnedies gleichgültig gewesen. Tischlerlehre und Schluss: das musste der Vater garnicht mehr extra sagen. Herumreden nützte nichts. Phantasieren auch nicht. Gegenvorschlag hatte er keinen. Ambitionen auch nicht. Als knapp vor Schulschluss einige von Melzers Mitschülern noch immer nicht wussten, was sie werden sollten, aber doch was werden mussten, war er dann doch ein wenig froh gewesen, zum Stollhuber zu kommen. Weil er sich keine Gedanken machen, weil er sich für nichts entscheiden musste. Als er während des einen Ferienmonats nach der Schule, den er noch hatte machen dürfen, vor dem Spiegel den blauen Arbeitsanzug anprobierte, den ihm die Mutter gekauft hatte, war er sich so erwachsen vorgekommen, dass ihm das gleich wie eine Entschädigung im voraus gewesen war. Vielleicht war der Stollhuber ein wenig grober als andere Lehrherren, zumindest war er jähzornig gewesen, aber wenigstens nicht nachtragend. Andere waren auch das noch. Aber Lehrherr ist sowieso Lehrherr: das hatte sich immer wieder herausgestellt, wenn Melzer mit seinen Freunden geredet hatte. Ein Lehrherr, der über Dinge hinwegsah, die andere zum Anlass genommen hätten, konnte das nicht absichtlich tun, musste ein Trottel sein, der nichts sieht. Freundlichkeit und Nachsicht als Dummheit, als Schwäche: anders konnte Melzer sich nicht denken, dass so eine Ausnahme zustande kam. Wo doch kein Lehrherr im Ort das notwendig hatte. Wo er der Herr war. Wo Lehrstellen rar waren. Immer hatte es schon Sprüche gegeben, gegen die Melzer nicht angekommen war. Sätze, die ganz harmlos taten, garnicht nach Befehlen klangen, aber dann doch welche waren, oder ärger noch, weil sie anonym dastanden. Während der Schulzeit war ein Spruch ständig gegenwärtig gewesen, aufgestempelt auf jedes Schulheft: Nicht für die Schule, sondern für das Leben lernen wir. Beweis: Wenn er größer ist, wird er das verstehen. Kaum hatte er Fragen gestellt, wenn er etwas sollte, was ihm nicht von selber einging, waren Sprüche gekommen. Immer wieder war er ihnen gegenüber gestanden und das Höchste, was er hatte tun können, war Achselzucken gewesen. Aber damit waren sie nicht weggegangen, waren sie höchstens durch andere ausgetauscht worden und dann plötzlich wieder irgendwo dagestanden, wo er sie garnicht erwartet hatte, überraschend und endgültig wie das Ende von Sackgassen. Besonders während seiner Lehrzeit hatten sie überhand genommen, hatte man versucht, ihn mit Sprüchen stillzuhalten und seine vergeblichen Ausbruchsversuche im nachhinein noch einmal für gesetzwidrig zu erklären, vorwurfsvoll die Mutter.“

 
Gernot Wolfgruber (Gmünd, 20 december 1944)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e december ook mijn blog van 20 december 2017 en ook mijn blog van 20 december 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

Hans van Willigenburg, Sky Gilbert, Friederike Mayröcker, Sandra Cisneros, J. van Oudshoorn, Jürg Laederach, Peter May, Alain de Botton, Ramon Stoppelenburg

De Nederlandse dichter, schrijver en journalist Hans van Willigenburg werd geboren in Utrecht op 20 december 1963. Zie ook alle tags voor Hans van Willigenburg op dit blog.

Beleven

dat ik dit nog mag beleven
als een luie jongeman
mijn dingen die geweest zijn op hun plaats zetten
het samenstellen van een beeld over mijzelf
waarin ik onafhankelijk van het beeld
troost vind
dat ik ijsblokjes in mijn glas laat tinkelen
en ik kan nog van alles met de blokjes doen
(ze bijvoorbeeld tegen mijn wang drukken)
het duurt nog even voor ze versmolten zijn
en nu ze water zijn
drink ik het op

dat ik dit nog mag beleven:
onderkoeld schrijven over eigen belevenissen
die totaal geen belevenissen zijn –

een belevenis!

 

Psychologie

Dit product is onweerstaanbaar.
Het kietelt om te beginnen uw ogen.
Het is glad en gaaf, een handzame slaaf
met talloze mogelijkheden.
Het kort nare klusjes in,
is preciezer dan al het voorgaande,
straalt aantrekkelijk optimisme uit
en,
pas op,
de slimme mensen hebben ‘m al weken in huis.

Maar veel belangrijker nog dan al deze voordelen,
dit praktische vernuft,
is de stille maar vurige hoop

– altijd aanwezig, nimmer verzakend –

dat uw leven na aanschaf
meer gelijkenis zal vertonen
met dit briljante, kittige, spiksplinternieuwe

Made-in-China-ding.

 
Hans van Willigenburg (Utrecht, 20 december 1963)

Doorgaan met het lezen van “Hans van Willigenburg, Sky Gilbert, Friederike Mayröcker, Sandra Cisneros, J. van Oudshoorn, Jürg Laederach, Peter May, Alain de Botton, Ramon Stoppelenburg”

Alain de Botton, Ramon Stoppelenburg, Aziz Nesin, Hortense Calisher, Jürg Laederach, Peter May

De Zwitserse schrijver en filosoof Alain de Botton werd geboren in Zürich op 20 december 1969. Zie ook alle tags voor Alain de Botton op dit blog.

Uit: On Love

“Every fall into love involves the triumph of hope over self-knowledge. We fall in love hoping we won’t find in another what we know is in ourselves, all the cowardice, weakness, laziness, dishonesty, compromise, and stupidity. We throw a cordon of love around the chosen one and decide that everything within it will somehow be free of our faults. We locate inside another a perfection that eludes us within ourselves, and through our union with the beloved hope to maintain (against the evidence of all self-knowledge) a precarious faith in our species.”
(…)

“To be loved by someone is to realize how much they share the same needs that lie at the heart of our own attraction to them. Albert Camus suggested that we fall in love with people because, from the outside, they look so whole, physically whole and emotionally ‘together’ – when subjectively we feel dispersed and confused. We would not love if there were no lack within us, but we are offended by the discovery of a similar lack in the other. Expecting to find the answer, we find only the duplicate of our own problem.”
(…)

“Perhaps the easiest people to fall in love with are those about whom we know nothing. Romances are never as pure as those we imagine during long train journeys, as we secretly contemplate a beautiful person who is gazing out of the window – a perfect love story interrupted only when the beloved looks back into the carriage and starts up a dull conversation about the excessive price of the on-board sandwiches with a neighbour or blows her nose aggressively into a handkerchief.”

 
Alain de Botton (Zürich, 20 december 1969)

Doorgaan met het lezen van “Alain de Botton, Ramon Stoppelenburg, Aziz Nesin, Hortense Calisher, Jürg Laederach, Peter May”

Alain de Botton, Ramon Stoppelenburg, Aziz Nesin, Hortense Calisher, Jürg Laederach, Peter May

De Zwitserse schrijver en filosoof Alain de Botton werd geboren in Zürich op 20 december 1969. Zie ook alle tags voor Alain de Botton op dit blog.

Uit: Het nieuws (Vertaald door Harry Pallemans)

“1.
Er zit geen handleiding bij, want het zou de gewoonste, gemakkelijkste, natuurlijkste, meest alledaagse activiteit ter wereld moeten zijn, zoals ademen of met je ogen knipperen.
Na een tussentijd, meestal niet langer dan een nacht (en vaak veel korter; in een erg rusteloze stemming halen we misschien tien minuten of een kwartier), onderbreken we wat we doen om te kijken of er nieuws is. We zetten ons leven in de wacht om de volgende dosis essentiele informatie te ontvangen over alle belangrijke prestaties, rampen, misdaden, epidemieen en romantische verwikkelingen die de mensheid waar ook op aarde ten deel zijn gevallen sinds de vorige keer dat we even keken.
Wat hier volgt is een poging om deze vertrouwde, wereldwijde gewoonte een stuk vreemder en aanzienlijk riskanter te laten lijken dan momenteel het geval is.

2.
Het nieuws stelt zich ten doel ons voor te schotelen wat als de ongebruikelijkste en belangrijkste gebeurtenissen op de planeet worden gezien: een sneeuwbui in de tropen; een liefdesbaby van de president; een Siamese tweeling. Maar het mag dan fanatiek op het afwijkende jagen, het enige waar het de blik vooral behendig niet op richt, is zichzelf en de overheersende positie die het in ons leven heeft verworven. ‘Helft mensheid dagelijks in ban van nieuws’ is een kop die we niet gauw geplaatst zullen zien door organisaties die verder juist zo gespitst zijn op het bijzondere en opmerkelijke, het corrupte en het schokkende.”

 
Alain de Botton (Zürich, 20 december 1969)

Doorgaan met het lezen van “Alain de Botton, Ramon Stoppelenburg, Aziz Nesin, Hortense Calisher, Jürg Laederach, Peter May”

Peter May, Gernot Wolfgruber, Alain de Botton, Sandra Cisneros

De Schotse schrijver Peter May werd geboren op 20 december 1951 in Glasgow. Zie ook mijn blog van 20 december 2009 en ook mijn blog van 20 december 2010.

 

Uit: Freeze Frame

Munich, Germany, December 20, 1951

Erik Fleischer was a man who counted his blessings. His wife was an attractive woman, hair cascading in golden waves over square shoulders, a smile that lit her inner soul, and spellbinding blue eyes. Still adoring after five turbulent years. He had two wonderful children, blond, blue-eyed clones of their mother. Magda’s genes had predominated over his own Mediterranean looks.
He had survived the war virtually unscathed, inheriting his parents’ Bavarian villa in this leafy suburb, establishing a lucrative practice among the new, burgeoning middle class rising now out of the ashes of Hitler’s madness.
The good life stretched ahead toward an unbroken horizon. How could he have known that this night he would lose everything?
As he sat reading the evening newspaper, he absorbed, almost unconsciously, the peals of laughter emanating from the dining room. Mother and children playing a simple board game. He dipped his head to peer over his glasses and glanced through the door toward them. And with the seeds of arousal sown by the merest glance at Magda, rose ambition for a third, or even a fourth.
He glanced at his watch, folded his paper and laid it aside. “I’ll be back down in fifteen.”
Magda half-turned her head toward the living room. “Dinner will be ready in twenty.”

 

Peter May (Glasgow, 20 december 1951)

Doorgaan met het lezen van “Peter May, Gernot Wolfgruber, Alain de Botton, Sandra Cisneros”

Peter May, Gernot Wolfgruber, Sandra Cisneros, Alain de Botton, Ramon Stoppelenburg

De Schotse schrijver Peter May werd geboren op 20 december 1951 in Glasgow. Zie ook mijn blog van 20 december 2009. 

 

Uit: The Killing Room

 

Deputy Section Chief Li.” The defense lawyer spoke slowly, as if considering every syllable. “There is no doubt that if one compares these shoe prints with the photographs of the footprints taken at the scene of the murder, one would be led to the conclusion that they were made by the same pair of shoes.” Photographs of the footprints and the corresponding shoe prints were laid out on the table in front of him.

Li Yan nodded cautiously, uncertain where this was leading, aware of the judge watching him closely from the bench opposite, a wily, white-haired veteran languishing thoughtfully in his winter blue uniform beneath the red, blue, and gold crest of the Ministry of Public Security. The scribble of the clerk’s pen was clearly audible in the silence of the packed courtroom.

“Which would further lead one to the conclusion that the owner of these shoes was, at the very least, present at the crime scene—particularly in light of the prosecution’s claim that traces of the victim’s blood were also found on the shoes.” The lawyer looked up from his table and fixed Li with a cold stare. He was a young man, in his early thirties, about the same age as Li, one of a new breed of lawyers feeding off the recent raft of legislation regulating the burgeoning Chinese justice system. He was sleek, well-groomed, prosperous. A dark Armani suit, a crisp white, button-down designer shirt and silk tie. And he was brimming with a self-confidence that made Li uneasy. “Would you agree?”

Li nodded.

“I’m sorry, did you speak?”

“No, I nodded my agreement.” Irritation in Li’s voice.

“Then please speak up, Deputy Section Chief, so that the clerk can note your comments for the record.” The Armani suit’s tone was condescending, providing the court with the erroneous impression that the police officer in the witness stand was a rank novice.“

 

 

Peter May (Glasgow, 20 december 1951)

 

Doorgaan met het lezen van “Peter May, Gernot Wolfgruber, Sandra Cisneros, Alain de Botton, Ramon Stoppelenburg”

Alain de Botton, Peter May, Sandra Cisneros, Ramon Stoppelenburg, Ferdinand Avenarius, Mendele Mojcher Sforim, John Fletcher

De Zwitserse schrijver en filosoof Alain de Botton werd geboren in Zürich op 20 december 1969. Zie ook mijn blog van 20 december 2006 en ook mijn blog van 20 december 2007 en ook mijn blog van 20 december 2008.

 

Uit: The Consolations of Philosophy

 

„And so he had been led to meet his end in an Athenian jail, his death marking a defining moment in the history of philosophy.

An indication of its significance may be the frequency with which it has been painted. In 1650 the French painter Charles-Alphonse Dufresnoy produced a Death of Socrates, now hanging in the Galleria Palatina in Florence (which has no cafeteria).

The eighteenth century witnessed the zenith of interest in Socrates’ death, particularly after Diderot drew attention to its painterly potential in a passage in his Treatise on Dramatic Poetry.

Jacques-Louis David received his commission in the spring of 1786 from Charles-Michel Trudaine de la Sablière, a wealthy member of the Parlement and a gifted Greek scholar. The terms were generous, 6,000 livres upfront, with a further 3,000 on delivery (Louis XVI had paid only 6,000 livres for the larger Oath of the Horatii). When the picture was exhibited at the Salon of 1787, it was at once judged the finest of the Socratic ends. Sir Joshua Reynolds thought it ‘the most exquisite and admirable effort of art which has appeared since the Cappella Sistina, and the Stanze of Raphael. The picture would have done honour to Athens in the age of Pericles.’

I bought five postcard Davids in the museum gift-shop and later, flying over the ice fields of Newfoundland (turned a luminous green by a full moon and a cloudless sky), examined one while picking at a pale evening meal left on the table in front of me by a stewardess during a misjudged snooze.“

 

alain-de-botton

Alain de Botton (Zürich, 20 december 1969)

 

De Schotse schrijver Peter May werd geboren op 20 december 1951 in Glasgow. Peter May wijdde zijn talenten vooral aan het televisiedrama. Voor de BBC creëerde hij drie belangrijke series: The Standard, Squadron en Machair. In 1978 publiceerde hij zijn eerste roman The Reporter.  Tegenwoordig combineert May zijn talent voor verhalen vertellen met gedegen research. Hij is erelid van de Chinese Crime Writers’ Association. Zijn China Thrillers worden vanwege de fascinerende karakters, ingenieuze plots, en de wetenschappelijke en medische details hooglijk geprezen. 

 

Uit: De Vuurmaker

 

„Verderop, voorbij een paar oudere appartementencomplexen die er in de verste verte niet Europees uitzagen, sloegen ze weer links af en reden ze de Dong Jiaominxianglaan in, een smallere straat waar het licht bijna totaal door overhangende bomen tegengehouden werd. Enkele fietsenmakers hadden op de stoep hun zaak opgezet en profiteerden zo optimaal van de schaduw. De straat was vol auto’s en fietsen. Aan hun rechterkant was een poort, die leidde naar een enorm groot, modern wit gebouw. Dat stond boven aan een bordes dat door twee leeuwen bewaakt
werd. Hoog boven de ingang hing een reusachtig roodgouden wapen.
‘China Hooggerechtshof,’ zei Lily, en Margaret had nauwelijks tijd om te kijken voor de auto links afsloeg en plotseling met piepende remmen stopte. Ze hoorde een bons en gekletter. Hun chauffeur gooide haar armen in de lucht, haar adem stokte vol ongeloof, en ze sprong de auto uit.
Margaret rekte zich uit om te zien wat er aan de hand was. Ze reden net onder een poort door een terrein op met verspreid staande gebouwen en waren tegen een fiets gebotst. Margaret hoorde de schelle stem van hun chauffeur die de fietser een fikse uitbrander gaf. Deze krabbelde overeind en was zo op het oog ongedeerd. Toen hij stond, zag ze dat het een politieman was van begin dertig.“

 

Peter_May

Peter May (Glasgow, 20 december 1951)

 

De Amerikaanse schrijfster Sandra Cisneros werd geboren op 20 december 1954 in Chicago. Zie ook mijn blog van 20 december 2008.

 

Uit: Vintage Cisneros

 

In English my name means hope. In Spanish it means too many letters. It means sadness, it means waiting. It is like the number nine. A muddy color. It is the Mexican records my father plays on Sunday mornings when he is shaving, songs like sobbing.
It was my great-grandmother’s name and now it is mine. She was a horse woman too, born like me in the Chinese year of the horse-which is supposed to be bad luck if you’re born female-but I think this is a Chinese lie because the Chinese, like the Mexicans, don’t like their women strong.
My great-grandmother. I would’ve liked to have known her, a wild horse of a woman, so wild she wouldn’t marry. Until my great-grandfather threw a sack over her head and carried her off. Just like that, as if she were a fancy chandelier. That’s the way he did it.
And the story goes she never forgave him. She looked out the window her whole life, the way so many women sit their sadness on an elbow. I wonder if she made the best with what she got or was she sorry because she couldn’t be all the things she wanted to be. Esperanza. I have inherited her name, but I don’t want to inherit her place by the window.
At school they say my name funny as if the syllables were made out of tin and hurt the roof of your mouth. But in Spanish my name is made out of a softer something, like silver, not quite as thick as sister’s name-Magdalena-which is uglier than mine. Magdalena who at least can come home and become Nenny. But I am always Esperanza.“

 

Cisernos

Sandra Cisneros (Chicago, 20 december 1954)

 

De Nederlandse schrijver Ramon Stoppelenburg werd geboren in Leiden op 20 december 1976. Zie ook mijn blog van 20 december 2008.

 

Uit Let me stay for a day

 

Via Inverness I traveled through the Scottish Highlands to Fort William. My host in Inverness, a Norwegian flight courier, took me halfway down along the water of Loch Ness, from where a primary school headmaster from Australia stopped along the road to give me a lift to Fort William.

It took me two days to get away from the quaint little place – Fort William is one of Scotland ’s tourist hot spots with an image as if the Dutch draftsman Anton Pieck would have painted it. A lonely ski lift on a green hill even makes it one of five places in the Scottish mountains where you can ski in winter. It had never occurred to me that people could ski in Scotland!
Scotland goes, as worldwide known, with rain, but in the Highlands this rain turns to snow in winter. The Scots even taught me a practical proverb: If you can’t see the hills, it is raining. If you can see the hills, it will rain soon.’

After one night in Fort William I tried catching a lift south. I spent more than four hours in the pouring rain and got used to the idea that no-one wanted to offer me a ride. I gave up for that day and was lucky enough to be able to spend another night with my host family in Fort William.

The following day there was hail in the early morning, pouring rain the rest of the morning and just a little bit of sunshine in the afternoon. Scotland is a funny country weather-wise.“

 

stoppelenburg

Ramon Stoppelenburg (Leiden, 20 december 1976)

 

De Duitse dichter en activist Ferdinand Avenarius werd geboren in Berlijn op 20 december 1856. Zie ook mijn blog van 20 december 2008.

 

Der Seelchenbaum.

 

Weit draußen, einsam im öden Raum
steht ein uralter Weidenbaum
noch aus den Heidenzeiten wohl,
verknorrt und verrunzelt, gespalten und hohl.
Keiner schneidet ihn, keiner wagt
vorüberzugehn, wenn’s nicht mehr tagt,
kein Vogel singt ihm im dürren Geäst,
raschelnd nur spukt drin der Ost und West;
doch wenn am Abend die Schatten düstern,
hörst du’s wie Sumsen darin und Flüstern.

 

Und nahst du der Weide um Mitternacht,
du siehst sie von grauen Kindlein bewacht:
Auf allen Ästen hocken sie dicht,
lispeln und wispeln und rühren sich nicht.
Das sind die Seelchen, die weit und breit
sterben gemußt, eh’ die Tauf’ sie geweiht:
Im Särglein liegt die kleine Leich’,
nicht darf das Seelchen ins Himmelreich.
Und immer neue, – siehst es du? –
in leisem Fluge huschen dazu.

 

Da sitzen sie nun das ganze Jahr
wie eine verschlafene Käuzchenschar.
Doch Weihnachts, wenn der Schnee rings liegt
und über die Länder das Christkind fliegt,
dann regt sich’s, pludert sich’s, plaudert, lacht,
ei, sind unsre Käuzlein da aufgewacht!
Sie lugen aus, wer sieht was, wer?
Ja freilich
kommt das Christkind her!
Mit seinem helllichten Himmelsschein
fliegt’s mitten zwischen sie hinein:
»Ihr kleines Volk, nun bin ich da –
glaubt ihr an mich?« Sie rufen: »Ja!«
Da nickt’s mit seinem lieben Gesicht
und herzt die Armen und ziert sich nicht.
Dann klatscht’s in die Hände, schlingt den Arm
ums nächste – aufwärts schwirrt der Schwarm
ihm nach und hoch ob Wald und Wies’
ganz graden Weges ins Paradies.

 

avenarius

Ferdinand Avenarius (20 december 1856 – 22 september 1923)
Portret door Christian Hinrich

 

De Wit-Russische, jiddische, schrijver Mendele Mojcher Sforim werd geboren op 20 december 1835 in Kpyl bij Minsk. Na de dood van zijn vader verliet hij als 13-jarige zijn geboorteplaats om aan verschillende Talmoedscholen in Litouwen te studeren. Op zijn reizen door de Oekraïne deed hij talrijke indrukken op van het joodse leven die later in zijn werk hun literaire neerslag vonden. Van 1853 tot 1858 verbeef hij in het Poolse Kamieniec Ząbkowicki, waar hij trouwde. Door psychische problemen van zijn vrouw hield het huwelijk geen stand. Van 1858 tot 1869 woonde hij in Berdychev in de Oekraïne. Daarna leefde hij de rest van zijn leven grotendeels in Odessa. Mendeles werk beweegt zich tussen twee polen: satirische beschrijving van de ghettojoden aan de ene kant en serieus engagement voor het joodse volk aan de andere kant.

 

Uit: Fischke der Krumme

 

„Wenn die helle Sommersonne über das Land zu scheinen beginnt, wenn die Menschen sich wie neugeboren fühlen und ihre Herzen sich beim Anblick der schönen Welt Gottes freuen, dann fängt bei den Juden die eigentliche Zeit der Wehmut an, die Zeit des Weinens und Klagens. Dann beginnt das ganze Trauerregister: Fasten, Selbstkasteiung, Jammer und Klage von den Tagen der »Sfiro« an bis spät in die Jahreszeit des großen Schmutzes und der naßkalten Tage hinein. Diese Zeit ist für mich, Mendel den Buchhändler, ein dauernder Jahrmarkt: ich arbeite, fahre ständig umher und versorge die Juden in allen Städtchen mit den notwendigsten Utensilien zum Weinen: mit Kines und Sliches, Frauen-Tchines, Mane-Loschens, Scheifres und Machsejrim. Die Juden klagen und jammern den ganzen Sommer durch, und ich mache dabei mein Geschäft. Aber nicht davon will ich sprechen.

Einmal sitze ich so früh morgens am Schiweossor-be-Tammus, wie es einem richtigen Juden geziemt, mit Tales und Tfillim angetan, mit der Peitsche in der Hand auf dem Bocke meines Wägelchens. Ich halte die Augen geschlossen, um beim Beten nicht auf die leuchtende Welt zu schauen. Die Natur ist aber just wunderschön und zwingt mich wie mit einer Zauberkraft, sie anzublicken. Lange kämpfe ich mit mir selbst. Der gute Trieb sagt: »Pfui! Es ist verboten!« Der böse Trieb aber setzt mir zu: »Ist nicht so schlimm! Gönne dir nur das Vergnügen, du Närrchen!« Und er macht mir auch wirklich ein Auge auf. Wie zum Trotz leuchtet vor mir ein herrliches Panorama auf: Felder, mit weißem, blühendem Buchweizen wie mit weißem Schnee überschüttet, daneben goldgelbe, moirierte Streifen des Weizens und mattgrüne Kukuruzpflanzungen; ein schönes, grünes Tal, beiderseits von Nußwäldchen eingefaßt, unten fließt ein kristallklarer Bach, die Sonnenstrahlen baden darin und überschütten ihn mit funkelnden, goldenen Flittern. Die weidenden Kühe und Schafe sehen aus der Ferne wie dunkle, rote und bunte Punkte aus.“

 

sforim

Mendele Mojcher Sforim (20 december 1835  –  8 december 1917)

 

 

De Engelse dichter en schrijver John Fletcher werd geboren in Rye (Sussex) en gedoopt op 20 december 1579. Over Fletchers jeugd is weinig bekend. Hij was de zoon van Richard Fletcher, bisschop van Londen en volgde een opleiding in Cambridge. Duidelijk is dat hij in 1606 in Londen verkeerde en al werkte als toneelschrijver voor de toen bestaande kindertheatergezelschappen, waaronder de Children of Paul’s. Hij werkte een aantal jaren nauw samen met zijn vriend en collega Francis Beaumont. Zij woonden ook een tijdlang samen in Bankside, Southwark, een wijk die een aantal roemruchte theaters telde, tot Beaumont in 1613 in het huwelijk trad. De vrienden schreven gezamenlijk een groot aantal succesvolle stukken, later ook voor de King’s Men, het gezelschap van William Shakespeare dat eerder bekend stond onder de naam Lord Chamberlain’s Men en dat optrad in The Globe. John Fletcher werkte, behalve met Francis Beaumont, ook samen met een aantal andere schrijvers, zoals William Rowley, Thomas Middleton en ook in enkele gevallen met Shakespeare. The Two Noble Kinsmen, gepubliceerd in 1634, bevat aanvullingen van Shakespeare en Shakespeares Henry VIII bevat aanvullingen van Fletcher. John Fletcher overleed op 46-jarige leeftijd aan de pest tijdens een ernstige uitbraak van de ziekte in Londen in 1625.

 

Orpheus I Am, Come From The Deeps Below

 

Orpheus I am, come from the deeps below,

To thee, fond man, the plagues of love to show.

To the fair fields where loves eternal dwell

There’s none that come, but first they pass through hell:

Hark, and beware! unless thou hast loved, ever

Beloved again, thou shalt see those joys never.

 

Hark how they groan that died despairing!

Oh, take heed, then!

Hark how they howl for over-daring!

All these were men.

 

They that be fools, and die for fame,

They lose their name;

And they that bleed,

Hark how they speed!

 

Now in cold frosts, now scorching fires

They sit, and curse their lost desires;

Nor shall these souls be free from pains and fears,

Till women waft them over in their tears.

 

Fletcher

John Fletcher (20 december 1579 – 29 augustus 1625)

Alain de Botton, Friederike Mayröcker, Ramon Stoppelenburg, Sandra Cisneros, Hortense Calisher, Jürg Laederach, Gernot Wolfgruber, Aziz Nesin, Ferdinand Avenarius, Vaino Linna

De Zwitserse schrijver en filosoof Alain de Botton werd geboren in Zürich op 20 december 1969. Zie ook mijn blog van 20 december 2006 en ook mijn blog van 20 december 2007.

Uit: The Art of Travel

On Anticipation 1.

It was hard to say when exactly winter arrived. The decline was gradual, like that of a person into old age, inconspicuous from day to day until the season became an established, relentless reality. First came a dip in evening temperatures, then days of continuous rain, confused gusts of Atlantic wind, dampness, the fall of leaves and the changing of the clocks–though there were still occasional moments of reprieve, mornings when one could leave the house without a coat and the sky was cloudless and bright. But they were like false signs of recovery in a patient upon whom death has already passed its sentence. By December the new season was entrenched, and the city was covered almost every day by an ominous steel-grey sky, like one in a painting by Mantegna or Veronese, the perfect backdrop to the crucifixion of Christ or to a day beneath the bedclothes. The neighbourhood park became a desolate spread of mud and water, lit up at night by rain-streaked street lamps. Passing it one evening during a downpour, I recalled how, in the intense heat of the previous summer, I had stretched out on the ground and let my bare feet slip out of my shoes to caress the grass, and how this direct contact with the earth had brought with it a sense of freedom and expansiveness, summer breaking down the usual boundaries between indoors and out and allowing me to feel as much at home in the world as in my own bedroom.

But now the park was foreign once more, the grass a forbidding arena in the incessant rain. Any sadness I might have felt, any suspicion that happiness or understanding was unattainable, seemed to find ready encouragement in the sodden dark-red brick buildings and low skies tinged orange by the city’s streetlights.

Such climatic circumstances, together with a sequence of events that occurred at around this time (and seemed to confirm Chamfort’s dictum that a man must swallow a toad every morning to be sure of not meeting with anything more revolting in the day ahead), conspired to render me intensely susceptible to the unsolicited arrival one late afternoon of a large, brightly illustrated brochure entitled ‘Winter Sun’. Its cover displayed a row of palm trees, many of them growing at an angle, on a sandy beach fringed by a turquoise sea, set against a backdrop of hills where I imagined there to be waterfalls and relief from the heat in the shade of sweet-smelling fruit trees.“

 

Botton

Alain de Botton (Zürich, 20 december 1969)

 

 

De Oostenrijkse schrijfster Friederike Mayröcker werd op 20 december 1924 in Wenen geboren. Zie ook mijn blog van 20 december 2006  en ook mijn blog van 20 december 2007.

 

Uit: Brütt

 

Es ist was die Spazierkunde angeht, alles in allem 1 spurloses Leben gewesen, nämlich im Rückblick, 1 Leben in Verheerung Mißverständnis Geistes Verdunkelung, mit dem Hirnschaber in steter Aktion, nicht wahr, sage ich zu Blum, wieso hat zB die Flasche so groß ausgesehen in der Auslage und als ich sie in die Hand nahm so winzig? diese und andere Leverkusen Wunder und Wälder seien mir zugeflogen, und während ich ins dampfende Fußbad tauche, ist es als ob in die eisige Kälte, eine Sinnesverwicklung, -verwirrung, -vernichtung, so scheint es, also 1 wehendes verwehtes VATERUNSER, weil anders firmiert, weil in andere Sprachbüschel zusammengefügt – wenn ich so Woche um Woche nic
ht arbeiten kann, sind Ohnmacht und Ingrimm kaum mehr auszuhalten, sage ich zu Blum, Gefühl von Pechsträhne, gebrochener Zunge, Verlorenheit, diese beleibte Passantin, sage ich zu Blum, als ankerte ihre Hüfte im Straßendunst, also dann fiel mir ein: »ihre Kruppe bewegte sich sachte durchs Menschengewühl«, usw., wie SCHNEIEN in einer Auslage, es waren aber Lichtbilder, kannst du dir das vorstellen, sage ich zu Blum. während ihre Schnute und Doppelblick..

 

ich meine da sitze ich im zerbrochenen Stuhl, halb wiegende Position, die Tischlocken ringeln überall hervor, die Scheinhaftigkeit dieses Daseins, ein Wehklopfen eine Wehrlosigkeit der mit den schärfsten Klingen ausgestatteten Welt gegenüber, immer mehr ins Heulen und Wehklagen versunken, und ganz kleingeseelt oder -gesellt, nein das ist keine Aufgeblasenheit in der Sprache auch nicht Blödigkeit (Gestammel) der Gefühle, es ist eigentlich mehr 1 FINGERSATZ, wenn ich mir ohne Anstrengung 9 oder 10 Dutzend Telefonnummern zu merken imstande bin, das Englische, sage ich zu Blum, das bedrückt mich, sage ich zu Blum, das Englische ist in den letzten Jahren zur (deutschen) Umgangssprache geworden, ich muß darüber reflektieren, nichts kritiklos übernehmen, da schreibt doch dieser Redakteur, sage ich zu Blum, was micht erbost, sage ich zu Blum, diese ununterbrochenen Bilder machen ihm Schwierigkeiten, die Autorin springe von einem zum anderen Bild ohne Zusammenhänge aufkommen zu lassen, etc., seit einigen Tagen Gefühl von Ungenügen in meinem Bewußtsein nämlich da sei etwas noch offen, unversorgt, am Korpus dieser Schrift, etwas blute noch, zeige Wundmale, sei nicht verheilt. Alles müsse verheilt sein, sage ich zu Blum, dann erst besäße der Text Gültigkeit und dürfe als abgeschlossen gelten, nicht wahr.“

 

Mayroecker

Friederike Mayröcker (Wenen, 20 december 1924)

 

De Nederlandse schrijver, Ramon Stoppelenburg werd geboren in Leiden op 20 december 1976. Na het volgen van het Emmauscollege te Rotterdam studeerde hij journalistiek aan de Hogeschool Windesheim te Zwolle. Tijdens zijn studie initieerde hij in 1998 met vrienden het Zwolse studentenmagazine Smoel. Met de daarbij behorende website was Stoppelenburg één van de eerste Nederlandse webloggers. Begin 2001 startte hij de website http://www.letmestayforaday.com. Door het internet te gebruiken voor het vragen om een slaapplaats en hulp met eten en drinken, ontving hij – na aandacht in de wereldwijde media 3577 uitnodigingen uit 77 landen. In ruil voor een slaapplaats schreef hij dagelijks een uitgebreid verslag op zijn website en liftte hij vervolgens van locatie naar locatie. Omdat zijn website zoveel bezoekers genereerde, kon hij alles laten sponsoren: de site, kleding, camera, rugzak, schoenen en zelfs vliegtickets. Dit alles in ruil voor een vermelding op zijn site. In twee jaar tijd reisde Ramon Stoppelenburg door Nederland, België, Frankrijk, Engeland, Ierland, Schotland, Denemarken, Noorwegen, Zweden, Zuid-Afrika, Spanje, Australië en Canada.

 

Uit Let me stay for a day

 

„Voorzover ik kon zien door het raam bevond ik me in een volstrekt besneeuwd en verlaten niemandsland. Ik stapte uit het vliegtuig en liep naar het enige gebouw dat ik zag. De wind leek dwars door me heen te snijden, zo koud was het. Waar ik ook keek, om me heen zag ik een soort maanlandschap waar iemand langdurig met de poedersuiker heeft staan schudden. Na een paar keer inademen voelde ik mijn neusvleugels niet meer. De binnenkant van mijn neus leek onmiddellijk te bevriezen.
Kugluktuk ligt in Nunavut, pas sinds 1 april 1999 erkend Canadees grondgebied. Nunavut beslaat een oppervlakte van 22 miljoen vierkante kilometer: van de noordpool, langs Groenland en het hele gebied ten noorden en westen van de Hudson Baai. Het kleinste dorp telt vijfentwintig inwoners en het grootste stadje, de hoofdstad van Nunavut, Iqaluit op Baffin Eiland, telt ongeveer zesduizend inwoners. Het totale inwonersaantal van achtentwintigduizend mensen is opmerkelijk wanneer je bedenkt dat dit gebied eenvijfde deel van Canada beslaat. Nunavut is het land van de muskusossen, ijsberen, kariboebuffels en de onmetelijke kilometers met visrijke meren en rivieren.“

 

ramon_stoppelenburg

Ramon Stoppelenburg (Leiden, 20 december 1976)

 

 

De Amerikaanse schrijfster Sandra Cisneros werd geboren op 20 december 1954 in Chicago als dochter van een Mexicaanse vader en een Mexicaans-Amerikaanse moeder. Ze was het enige meisje tussen zes broers. Net als het meisje Lala in Een huid van karamel. (Caramelo).  Cisneros werkte o.a. als lerares op een middelbare school voor drop-outs. Ze geeft talloze gastcolleges op het gebied van literatuur en creatief schrijven in de VS en Europa. De veel bekroonde auteur, die aangeeft dat ze nog altijd ‘niemands vrouw en niemands moeder’ is, is ook een verwoed tekenares. Sinds 1980 schrijft Cisneros romans, verhalen, essays, poëzie en een kinderboek. Journalistieke artikelen publiceert ze geregeld in The New York Times, The Los Angeles Times, The New Jorker en Elle. Van The House on Mango Street (1983/1994) werden ruim 1,7 miljoen exemplaren verkocht

 

Uit: Caramelo

 

„Once Aunty almost tried to kill herself because of Uncle Fat-Face. – My own husband! What a barbarity! A prostitute’s disease from my own husband. Imagine! Ay, get him out of here! I don’t ever want to see you again. ¡Lárgate! You disgust me, me das asco, you cochino! You’re not fit to be the father of my children. I’m going to kill myself! Kill myself!!! Which sounds much more dramatic in Spanish. – ¡Me mato! ¡¡¡Me maaaaaaaatoooooo!!! The big kitchen knife, the one Aunty dips in a glass of water to cut the boys’ birthday cakes, pointed toward her own sad heart.
Too terrible to watch. Elvis, Aristotle, and Byron had to run for the neighbors, but by the time the neighbors arrived it was too late. Uncle Fat-Face sobbing, collapsed in a heap on the floor like a broken lawn chair, Aunty Licha cradling him like the Virgin Mary cradling Jesus after he was brought down from the cross, hugging that hiccuping head to her chest, murmuring in his ear over and over, – Ya, ya. Ya pasó. It’s all over. There, there, there.
When Aunty’s not angry she calls Uncle payaso, clown. – Don’t be a payaso, she scolds gently, laughing at Uncle’s silly stories, combing the few strands of hair left on his head with her fingers. But this only encourages Uncle to be even more of a payaso.
– So I said to the boss, I quit. This job is like el calzón de una puta. A prostitute’s underwear. You heard me! All day long it’s nothing but up and down, up and down, up and down . . .“

 

Cisneros,Sandra_web

Sandra Cisneros (Chicago, 20 december 1954)

 

De Amerikaanse schrijfster Hortense Calisher werd geboren in New York op 20 december 1911. Ze werd opgeleid aan de Hunter College High School en het Barnard College. Zij debuteerde met korte verhalen in The New Yorker in 1948.  Als gastdocente werkte zij aan talrijke universiteiten, waaronder Columbia, Pennsylvania, Brandeis en Stanford. Haar neo-realistische stijl werd wel vergeleken met die van Charles Dickens, Jane Austen, en Henry James. Voor „The Night Club in the Woods” ontving zij de O. Henry Award.

 

Uit: Tattoo for a Slave

 

„Your grandmother never kept slaves,” my father says to me suddenly, staring straight ahead as we walk. He should know. Born to her in 1861, in Richmond, Virginia, then the capital of the Confederacy, during what they preferred to call not the Civil War but “the War Between the States,” he had been her seventh child, of eight. I, born to him in his sixth decade, by a mother over two decades younger than he, am always eager for these tales that have lain in wait for me, of a childhood that has begun to run alongside my Northern one like its shadow-mate. But he has never said this before.
“What about Aunt Nell?” I say, hushed. Saying “Awnt” as he always does, of the “Mammy” he had adored. Who had adored him back. I found myself wanting one.
“Aunt Nell was a freed woman. My mother insisted on that.”
How did you get freed? He didn’t say.
He had just come from my grandmother’s deathbed. I had been brought in just before. “Say good-bye to you
r grandmother,” he had said. The circle gathered around the great Victorian bed, my two aunts and two uncles, her other remaining children, clearly had not approved, but my father was the head of the family, their support and her favorite.
She lay there much as I had known her, except for the closed eyes. Visiting her by custom every day after school, in her two rooms at the far end of our apartment, I would find her in her sitting room, in her wicker rocker, with its side pocket that held the newspapers she still tried to read on her own. Or I would find her in her bedroom, standing by the two huge wardrobe trunks almost higher than she
was, one of them open perhaps, though I was never invited to delve. Though she nolonger went outside, the wrappers she wore were always of an outside color, dark gray, and with a thing at the neck that my mother said was a fichu. I was learning a lot that had nothing to do with my century.“

 

calisher

Hortense Calisher (New York, 20 december 1911)

 

De Zwitserse schrijver Jürg Laederach werd geboren op 20 december 1945 in Basel. Hij studeerde eerst wiskunde aan de ETH Zürich, maar wisselde van studie en begon in Basel Frans, Engels en muziekwetenschappen te studeren. Na zijn studie werkte hij een jaar lang voor een reclamebureau. Tegenwoordig is hij zelfstandig schrijver. Hij schrijft exoerimenteel proza, toneelstukken en hoorspelen. Ook vertaalt hij uit het Engels en het Frans. Af en toe treedt Laederach, die saxofoon, piano en klarinet speelt, op met de Baseler Jazzformatie BIQ.

 

Werk o.a. : Einfall der Dämmerung, 1974, Ein milder Winter, 1978, Flugelmeyers Wahn, 1986, Passion, 1993, Schattenmänner, 1994, In Hackensack, 2003

 

Uit: Kopfschule beim Essen. Ein Stilleben

 

„Im Endstadium meiner schweren, schon lange Zeit körperlich sich äussernden Neurose litt ich unter dem mich abscheulich peinigenden délire d’enormité, das meine allmählich zerfallende physische Erscheinung in mir ungeheuerlich scheinende Dimensionen erweiterte. Zoll für Zoll wurde ich ein gehetzter Antipode der wahnsinnigen Mikromanischen, die sich für Schrauben hielten und ins Brett bohrten. Nicht zu reden von meinem kopfstehenden Verfolgungswahn, bei dem ich der Verfolger war, dessen linguistische Füchse auf der atemlosen Jagd aufgescheucht durcheinanderwirbelten – ich weiss, dass ihr Bau gerade ausgeräuchert wird. Griff an den Kopf, den depressiven, der sein ungelebtes Vorleben als Trauma mitschleppt. Ich sass im Gasthaus. Durch meine bei allem Verschütten arrogante Gegenwart wurde es gnadenlos auf die Stufe des Literatengasthauses gehoben. Die sozialen Verhaltensanteile meiner Instinkte waren am Schwinden. Gerade da verlor ich, verblödend und auch organisch verblödend, weitere Körperteile, die mir im Hirn schnell nachwuchsen.

Glaubte ich, das gehe gut aus. Kaum. Dem Gasthaus fügte meine da, dort und drüben schrankenlos waltende Sprachlibido eine antipathische Servier-Tablett-Zerstörung-durchseidenohrige- Kellnerinnen zu. Das Gasthaus servierte karge, aber fettreiche Mahlzeiten an wie üblich Häftlinge, lauter Häftlinge. Sie kamen der schwarz gekleideten hochgeschlossenen, immer sitzenden, im Stehen schwankenden, der bereits wieder sitzenden Wirtin zu Hilfe. Sie regulierten die Öfen. Sie räumten die Teller ab und zerbrachen sie dann. Zum Entstopfen drückten sie mit einer Handpumpe heisses Wasser in die Ausgüsse. Einer wollte etwas von mir, ein Häftling liess mich nicht in Ruhe. Er sah, daß ich mit dem Löffel aß, den ich aus meinem Halfter am Gürtel gezogen hatte. Ich, Grand Malade und Vollstrecker sämtlicher Testamente des Umkreises, durfte endlich die letzten Verantwortlichkeiten und Zellenerinnerungen abstreifen, um mich in die liebevollste Pflege ; anderer Wahnsinniger, viel gutmütigerer Wahnsinniger zu begeben. Ich erzähle das klar, bloß, wo war ich eben. Der Satz zerrinnt zur Pfütze. Krank bin ich nicht, denn gestern war ich schon so.“

 

LAEDERACH

Jürg Laederach (Basel, 20 december 1945)

 

De Oostenrijkse schrijver Gernot Wolfgruber werd geboren op 20 december 1944 in Gmünd. Na de schooltijd werkte hij in verschillende beroepen, het laatst als programmeur. Daarna studeerde hij nog tot 1974 communicatiewetenschappen en politicologie. Sinds 1975 is hij zelfsatandig schrijver.  Bekend werd hij door zijn autobiografische ontwikkelingsromans. Werk o.a. : Auf freiem Fuß, 1975, Herrenjahre, 1976, Ankunftsversuch, 1979, Die Nähe der Sonne, 1985

 

Uit:  Mit weit weggestreckter Hand

 

„Den halben Sonntagabend hatte Adensam es aufgeschoben und aufgeschoben, Ismael anzurufen. Schon im voraus war er völlig sicher gewesen, wieder nichts zu sagen zu wissen, so wie er es auch zwei Tage zuvor nicht gewußt hatte, als Ismael ohne jede Einleitung gesagt hatte: Meine Mutter ist gestorben. Adensams erste Reaktion war da gewesen: Wenn ich nur nicht angerufen hätte; warum habe ich auch anrufen müssen. Und dann hatte er schnell so zu tun versucht, als könnte er Ismael die Schmerzen nachfühlen, aber er hatte nichts als Verlegenheit gespürt, zwar gewußt, wie es für ihn gewesen war, als ihn der Tod der eigenen Mutter überfallen hatte, aber er konnte sich an die Gefühle dabei nicht mehr erinnern, nur ein paar Sätze waren im Kopf, die er wahrscheinlich erst sehr viel später dazu zu sagen gelernt hatte, genau hatte er nur noch in Erinnerung gehabt, wie peinlich ihm selber die Verlegenheit der Leute gewesen war, denen er damals den Tod der Mutter am Telefon mitgeteilt hatte, und er hatte gehofft, daß Ismael das zwischen den herausgestolperten Sätzen rauschende Schweigen für Betroffenheit und Mitgefühl halten würde, während es ihm selber nur um eines ging: so schnell wie möglich zu einem Ende zu kommen. Sich irgendwie aus dieser unhaltbaren Situation zu befreien. Ohne als kalt, als gefühllos, als der sprichwörtliche Freund in der Not angesehen zu werden, der er, das war ihm aufs deutlichste bewußt, zweifellos war. Er hatte ein paar überflüssige Fragen gestellt, und Ismael hatte in tonlosen Sätzen berichtet, daß er seit seiner Flucht aus dem Iran, die mittlerweile mehr als sein halbes Leben lang her war, die Mutter nicht mehr gesehen und daß er ihren Tod von seinem Bruder erfahren habe, gestern erst, eine Woche danach, zufällig sei er den Bruder besuchen gefahren, und der habe ihm dann eben nicht mehr verheimlichen können, was man ihn wegen seines Zustandes eigentlich überhaupt nicht hatte wissen lassen wollen. Immer wieder hatte Adensam nach Worten des Trostes gesucht, aber in seinem wie mit Werg oder feuchten Sägespänen ausgestopften Kopf keine finden und wenn, dann nicht herausbringen können. Als er nach dem Satz, ob er irgend etwas für ihn tun könne, den Ismael gleich abwehrte, es endlich geschafft hatte, den Hörer aufzulegen, hatte er das so leise und sacht getan, als könnte Ismael ihm das als das nicht zustande gebrachte Mitgefühl anrechnen.“

 

Wolfgruber

Gernot Wolfgruber (Gmünd, 20 december 1944)

 

De Turkse schrijver Aziz Nesin werd geboren op 20 december 1915 in Istanbul. Aziz Nesin was de eerste satiricus van de moderne Turkse literatuur. Hij publiceerde meer dan honderd boeken: verhalenbundels, romans, toneelstukken en sprookjes. De genadeloze manier waarop de populaire schrijver/journalist de Turkse bureaucratie hekelde, bracht hem veelvuldig in conflict met de autoriteiten en ruim vijf jaar van zijn leven sleet hij in gevangenissen. In 1993 haalde hij zich de woede op de hals van de fundamentalisten door in zijn krant Aydinlik excerpten te publiceren van De Duivelsverzen – overigens tegen de zin van Salman Rushdie.

 

Uit: Memoirs of an exile

 

“My father, an Anatolian village boy, came to Istanbul at the age of thirteen. My mother, from another Anatolian village, also came to Istanbul as a very small child. They had to make this journey, meet in Istanbul and get married so that I could come into the world.

The choice was not left to me, so I was born at a very unsuitable time–the bloodiest and most fiery days of World War I, in 1915. Again, the choice not being in my hands, my birth occurred not only at an unseemly time but in an unfavorable place, on Heybeli Island. Heybeli lies offshore of Istanbul and was the summer residence of Turkey’s richest people. And since the rich couldn’t live without the poor–they had such a great need for them–we, too, lived on the island.

I don’t mean to imply with these remarks that I was unlucky. On the contrary, I consider myself as being quite fortunate in not coming from a rich, noble and famous family.

They named me Nusret. In Turkish, this Arabic word means ‘God’s Help.’ It was a name entirely fitting to us because my family, destitute of any other hope, placed all their hope in God.

Ancient Spartants killed, with their own hands, offspring that were born weak and puny, raising only the strong and healthy. This process of selection for us Turks is formed by nature and society. When I disclose that four brothers died in infancy, unable to endure their hostile environment, you will easily understand how stubborn I was in surviving. And my mother, unable to endure her twenty-sixth year, died, leaving this beautiful world, so worth living in, to those were strong. In capitalist countries the milieu is excelent for merchants; in socialist countries, most favorable for writers. That is, a man who knows his business must become a writer if he’s in a socialist state, or a merchant if he’s in a capitalist one. How contrary a man I was going to be was already evident in my childhood, for even at the age of ten, in a country like Turkey–a capitalist scrap pile–I’d determined to become a writer though no one in my family could read or write.“

 

aziznesin

Aziz Nesin (20 december 1915 – 6 juli 1995)

 

De Duitse dichter en activist Ferdinand Avenarius werd geboren in Berlijn op 20 december 1856. Avenarius was een neef van Richard Wagner. Zijn opleiding volgde hij in Berlijn en Dresden waarna hij studeerde aan de universiteit in Leipzig en de universiteit Zürich. Na zijn reizen door Italië en Zwitserland vestigde hij zich definitief in Dresden. Gewoonlijk bracht hij echter de zomer door op het eiland Sylt, dat hij in zijn geschriften romantiseerde en zo populair maakte. In 1887 richtte Avenarius het tijdschrift “Der Kunstwart” op, waarin hij met een reeks schrijvers en dichters actuele onderwerpen uit de kunst en cultuur behandelde.

 

Kornrauschen

 

Bist du wohl im Kornfeld schon gegangen,

wenn die vollen Ähren überhangen,

durch die schmale Gasse dann inmitten

schlanker Flüsterhalme hingeschritten?

Zwang dich nicht das heimelige Rauschen,

stehn zu bleiben und darein zu lauschen?

Hörtest du nicht aus den Ähren allen

wie aus weiten Fernen Stimmen hallen?

Klang es drinnen nicht wie Sichelklang?

Sang es drinnen nicht wie Schnittersang?

Hörtest nicht den Wind du aus den Höhn

lustig sausend da sie Flügel drehn?

Hörtest nicht die Wasser aus den kühlen

Tälern singen du von Rädermühlen?

Leis, ganz leis nur hallt das und verschwebt,

wie im Korn sich Traum mit Traum verwebt,

in ein Summen wie von Orgelklingen,

drein ihr Danklied die Gemeinden singen.

    Rückt die Sonne dann der Erde zu,

wird im Korne immer tiefre Ruh’,

und der liebe Wind hat’s eingewiegt,

wenn die Mondnacht schimmernd drüber liegt.

Wie von warmem Brot ein lauer Duft

zieht mit würz’gen Wellen durch die Luft.

 

avenarius_ferdinand

Ferdinand Avenarius (20 december 1856 – 22 september 1923)

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 20 december 2006.

De Finse schrijver Väinö Linna werd geboren op 20 december 1920 in Urjala, bij Tampere.

 

Alain de Botton, Friederike Mayröcker, Väinö Linna

De Zwitserse schrijver en filosoof Alain de Botton werd geboren in Zürich op 20 december 1969. Zie ook mijn blog van 20 december 2006.

Uit: The Architecture of Happiness

A terraced house on a tree-lined street. Earlier today, the house rang with the sound of children’s cries and adult voices, but since the last occupant took off (with her satchel) a few hours ago, it has been left to sample the morning by itself. The sun has risen over the gables of the buildings opposite and now washes through the ground- floor windows, painting the interior walls a buttery yellow and warming the grainy-red brick façade. Within shafts of sunlight, platelets of dust move as if in obedience to the rhythms of a silent waltz. From the hallway, the low murmur of accelerating traffic can be detected a few blocks away. Occasionally, the letter-box opens with a rasp to admit a plaintive leaflet.

The house gives signs of enjoying the emptiness. It is rearranging itself after the night, clearing its pipes and cracking its joints. This dignified and seasoned creature, with its coppery veins and wooden feet nestled in a bed of clay, has endured much: balls bounced against its garden flanks, doors slammed in rage, headstands attempted along its corridors, the weight and sighs of electrical equipment and the probings of inexperienced plumbers into its innards. A family of four shelters in it, joined by a colony of ants around the foundations and, in spring time, by broods of robins in the chimney stack. It also lends a shoulder to a frail (or just indolent) sweet-pea which leans against the garden wall, indulging the peripatetic courtship of a circle of bees.

The house has grown into a knowledgeable witness. It has been party to early seductions, it has watched homework being written, it has observed swaddled babies freshly arrived from hospital, it has been surprised in the middle of the night by whispered conferences in the kitchen. It has experienced winter evenings when its windows were as cold as bags of frozen peas and midsummer dusks when its brick walls held the warmth of newly baked bread.

It has provided not only physical but also psychological sanctuary. It has been a guardian of identity. Over the years, its owners have returned from periods away and, on looking around them, remembered who they were. The flagstones on the ground floor speak of serenity and aged grace, while the regularity of the kitchen cabinets offers a model of unintimidating order and discipline. The dining table, with its waxy tablecloth printed with large buttercups, suggests a burst of playfulness which is thrown into relief by a sterner concrete wall nearby. Along the stairs, small still-lives of eggs and lemons draw attention to the intricacy and beauty of everyday things. On a ledge beneath a window, a glass jar of cornflowers helps to resist the pull towards dejection. On the upper floor, a narrow empty room allows space for restorative thoughts to hatch, its skylight giving out onto impatient clouds migrating rapidly over cranes and chimney pots.”

Alain_de_Botton

Alain de Botton (Zürich, 20 december 1969)

 

 

De Oostenrijkse schrijfster Friederike Mayröcker werd op 20 december 1924 in Wenen geboren. Zie ook mijn blog van 20 december 2006.

“Liebesgedichte”

zehr ich dich nicht auf?
trink ich dich nicht aus?
Brünnlein liebes

von wo wirst du gespeist?
woher nimmst du die Kraft
deines Strahls?

über die halbe Stadt
saug ich dich an
wie einen Mund

und du bist da:
Tropfen an meinem Fenster
Wange voll Wärme und Wind

 

Jalousie

geronnen
Lächeln
Schmerz-
milch /
hilf! /
schnürt mir
Gesicht von
Hals
und Hals von
Herz

 

 

für Ernst Jandl

habe niemand wo ich liegen kann wenn
öffnen die Blumen wenn öffnen die Sterne der Mond
habe niemand dasz ich sprechen kann wie
damals zu dir weil kein Wort ist zu jenen
die noch am Leben. Kalt ist und einsam
die Nacht, 1 wenig Ende der Lippenzauber
in 1 Cafe 

prater
Friederike Mayröcker (Wenen, 20 december 1924)
Wenen, Prater

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 20 december 2006.

 

De Finse schrijver Väinö Linna werd geboren op 20 december 1920 in Urjala, bij Tampere.

Friederike Mayröcker, Alain de Botton, Väinö Linna

Friederike Mayröcker werd op 20 december 1924 in Wenen geboren. Van 1946 tot 1969 was zij lerares Engels an verschillende Weense scholen. In 1977 ging zij met vroeg pensioen. Te schrijven begon zij al toen zij 15 jaar oud was. In 1946 publiceerde zij haar eerste werk in het tijdschrift Plan. Friederike Mayröcker geldt als een van de belangrijkste hedendaagse Oostenrijkse dichteressen. Ook had zij succes met hoorspelen. Vier daarvan schreef zij samen met Ernst Jandl met wie zij vanaf 1954 tot aan zijn dood in het jaar 2000 samenleefde. Haar prozawerk rekent men tot de „Autofiktion“.

er der Löwe

er der Löwe hat seine wilden Geheimnisse mit
ins Grab genommen so habe ich ihn nicht erkennen können
in vielen Jahren

in den Mund diesen Tag in den Mund (nehmen) auf die Zunge
auf der Zunge zergehen lassen diesen Tag : der
Geschmack bitter. Diese in Mund auf die Zunge
genommenen Tage alle bitter – aber laut schreiend
diese Tage laut schreiend dasz ich sie wieder ausspucken solle
dasz ich sie wieder ausspucke da spucke ich auch HERZ aus
Fransen von Herz auch Fasern (zu sehr ins Bild?) alles
voll Blut Fransen blutrot auf Estrich, ich weisz nicht
HERZ ausgespeit, spucke mich selbst aus, spucke HERZ aus,
ROHE VERZWEIFLUNG, schreie brülle möchte irgendwohin,
irgendwie weg, auf hohe Bäume Berge Spitzen von Blumen
Gewölk oder was, Materie, das Gehölz (Getrude) – nein
nicht Gertrude, 1 Gertrude hat hier nichts zu schaffen.
Oder geduckt zusammengeduckt, den eigenen Leibesgeruch
wahrnehmend : widerlich, zusammengekrochen der unermeszliche
Ekel in 1 verdreckten Winkel hockend, etc., windige
Kutte. Alles von mir reiszend Kleider und Haare Nägel
und alles aus mir heraus, mich ergieszend ertränkend
im eigenen Unrat, oh wie graut mir.
Ich meine die weiszen Veilchen, oder gestern 1 Gedanke
möchte 1 Jasminblüte den Duft einer Jasminblüte athmen
»auch bin ich da atemlos, in meinem 15. Jahr(hundert)«,
Ende einer Zigarre. Mir wieder Schwan ..
sehr mehlig tauig violett – du hörst, über welches (Ekstase)

 

 

“Requiem für Ernst Jandl” (fragment)

„Ach, und daß du die Kalenderblätter umwendest, wie aufmerksam, usw. Und ich nach Hause kommen werde, sage ich, und du nicht da sein wirst, sage ich, und ich dein Zimmer betreten werde und dein Kissen berühren werde und ich deine Schuhe in den Regalen betrachten werde und dein Gewand und deine Schirmkappe, Brille und Schweizermesser. Francis Bacon extrem, der zitronengelbe der ganz und gar gelöschte Zitronenfalter, die Zitronenfalle, das Zitronengetränk, das zitronenfarben verschnürte Bündel von Muskeln und Gliedern, Gelenken, er lächelt in Farben von 1 Plakat, die illustren Geschehnisse. Seestück mit Regenfluß vermutlich Regenwohnung von Tränen .. drückte er mir die Hand / diese 1-tausend Meilen und Meisen, jenseits des Meeres (Meran) abermals Meran, sollten wir wieder hin sollten wir wieder dahin, fragt er. Meran oder Grado, sagt er, sind die Bahnhöf’ als zum Weinen / grobe Vergrößerungen von Schwarzweiß-Fotos, die er in einem Fotoautomaten auf dem Bahnhof gemacht hat. Wenn man ihn fragt WIE GEHTS, sagt er : nicht so gut :“ unbeweglich aber macht nichts. Ich bin der EINWACHSENDE ich bin der EINGEWACHSENE, es hat irgendwie geschneit oder geregnet, es ist Anfang Juli.

 

FRIEDERIKE

Friederike Mayröcker (Wenen, 20 december 1924)

 

De Zwitserse schrijver en filosoof Alain de Botton werd geboren in Zürich op 20 december 1969. De eerste twaalf jaar van zijn leven woonde hij in Zwitserland. Daarna verhuisde zijn familie naar Londen. Daar woont hij nu nog, met vrouw Charlotte en twee zonen. Hij kenmerkt zich door van klassieke filosofen, zoals Seneca en Montaigne, bepaalde gedachten en bespiegelingen gepopulariseerde visies en makkelijk te begrijpen verhandelingen te destilleren. Zijn theorieën hebben voornamelijk betrekking op de Westerse sociaal-economische verschijnselen, zoals “Status Anxiety” (status-angst) en “The art of travel” (de kunst van het reizen). Hij drukt zich op een persoonlijke manier uit en voorziet zijn werken vaak van de nodige relativerende humor. In West-Europa is hij inmiddels een behoorlijk populair denker. In februari 2003 werd de Botton tot Chevalier de l’Ordre des Arts et des Lettres geslagen en won hij de prestigieuze essay-prijs de Prix Européen de l’Essai Charles Veillon.

 

 Uit: How Proust can change your Life (1997)

 

“Combray may be pleasant, but it is as valuable a place to visit as any in the large plateau of northern France, the beauty which Proust revealed there could be present, latent, in almost any town, if only we made the effort to consider it in a Proustian way.

Ironically however, it is out of an idolatrous reverence for Proust, and a misunderstanding of his aesthetic ideas, that we speed blindly through the surrounding countryside, through neighbouring non-literary towns and villages like Brou, Bonneval and Courville, on our way to the imagined delights of Proust’s childhood locale. In so doing, we forget that had Proust’s family settled in Courville, or his old aunt taken up residence in Bonneval, it would have been to these places that we would have driven, just as unfairly. Our pilgrimage is idolatrous because it privileges the place Proust happened to grow up in rather than his manner of considering it, an oversight which the corpulent Michelin man encourages because he doesn’t recognise that the worth of sights is dependent more on the quality of one’s vision than on the object viewed, that there is nothing inherently three star about a town Proust grew up in or inherently no-star about an Elf petrol station near Courville where Proust never had a chance to fill his Renault – but where if he had, he might easily have found something to appreciate, for it has a delightful forecourt with daffodils planted in a neat border and an old-fashioned pump which from a distance, looks like a stout man leaning against a fence wearing a pair of burgundy dungarees.”

ALAIN_DE_BOTTON

Alain de Botton (Zürich, 20 december 1969)

 

De Finse schrijver Väinö Linna werd geboren op 20 december 1920 in Urjala, bij Tampere.Hij werd vooral bekend vanwege zijn romans Tuntematon Sotilas (1954 vert. De Onbekende Soldaat) en Täällä Pohjantähden Alla (1959-1963, vert. Hier onder de poolster). Zijn ouders waren Viktor (Vihtori) Linna (1874-1927) en Johanna Maria (Maija) Linna (1888-1972). Het sociale realisme van Linna heeft een diepgaande invloed gehad in het Fins sociaal, politiek en cultureel leven. Zijn beide romans zijn verfilmd. De onbekende soldaat zelfs tweemaal.

 

Uit: The Unknown Soldier

‘Take it easy, you know. Life goes on, even without eyes. When you pull through, we’ll meet again, you bet. See you in the not-too-distant.’
-Hietanen was too agonised to fix much attention to Koskela. Groaning and moaning, he turned his head away and managed to blurt out:
-‘So long, then! Send the lads all the best. And look after yourself.’

 

vaino-linna

Väinö Linna (20 december 1920  – 21 april 1992)