Lucebert, Jan Slauerhoff, Sergio Esteban Vélez, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie, Orhan Kemal

De Nederlandse dichter Lucebert werd in Amsterdam geboren op 15 september 1924 onder de naam Lubertus Swaanswijk. Zie ook alle tags voor Lucebert op dit blog.

Wambos

Van rozenhout en snijkunst
nog geuren en kraken de treurige tuinen
de tijd een teng van molm en zweet
beeft murmelt en prevelt

nu leeft en nu zaait sneltastend
stenen vuur met al zijn hoornen
vrouwelijk en manlijk opwaarts
wankelende goed en kwaad gewillig
gaat hij tussen onverschillig alle
wateren der rust

zeggen kunnen vanuit hun nesten
de poppen ik heb dorst & honger
vorstelijk verschijnt de vader
van zijn arbeidsveld nog stoffig
er is bidden en beginnen
en amen en opstaan
maar niet gaan samen ja en nee en niet
de honger baart het lam een lamzak

zo zie toe hoe
vroom vogels de lucht versnijden
een vlees van geest van zout
ook dat ootmoedig en onmachtig
het hart aan huilen hangt
als een trap aan een dak

 

Stereographie

Naar stad en land van geluk
Zullen wij samen gaan
Niet hier en naast elkaar
Maar hier en daar
En ieder afzonderlijk

Op vuil water voetstappen
Zijn onze handelingen
En onze vrolijkheid is
Een gevangenis vlammende

Maar ver van elkaar in de ruimte
Is de ruimte een tweesnijdend mes
Zijn rechterdaad is sterven
Zijn linkerdaad is de dood.

 

Teken en tijd

Streng en eenvoudig spreken
met de streng gelovige aarde
de zwaarte voedt het zwevende
in de danser die eens het vallen aanvaardde

en wat is gegeven als teken
de berg de rivier en de afgrond
zorg dat de adem dit opvat
en het bloed in het lichaam het afrondt

ook al dragen zonen uw naam
naar het steeds betere land
gij wijst de weg waar te gaan
want gij zijt Absoloms hand


Lucebert (15 september 1924 – 10 mei 1994)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Jan Jacob Slauerhoff werd geboren in Leeuwarden op 15 september 1898. Zie ook alle tags voor Jan Slauerhoff op dit blog.

Nog

Dichten doe ik nog, maar als in droom,
In een droom waarover ’t voorgevoel
Van te ontwaken in een werklijkheid
Die geladen is met ramp op ramp
Hangt als een zwaar onontkoombaar onweer
Dat in laatste stilt zijn donder uitbroedt
Over ’n lieflijk maar al rottend landschap.
Tussen zwammenwoekring bloeien bloemen,
Pluimen rijzen uit vergrauwde grassen,
Maar de meren spieglen vuile wolken
En het bos kromt al zijn volle kronen.

En ikzelf loop in mijn droom, dat landschap,
Eerst nog vergezeld, dan plotseling eenzaam,
Tegelijk loer ik van achter stammen
Om mijzelf van schrik te doen ontwaken
Maar ik ben verlamd – ik wil gaan roepen
Dat het onweer komt en de verwoesting
En daarna de doodlijke verdorring!

En ik roep, maar angst versmoort mijn kreet.
Ook ’t geluid is hier gestorven?

Hoor

Als een beek, onder toelopend rotsdak,
Die zo snel stroomt dat zij niet kan spieglen
De bedreiging die erboven hangt,
Ruist het dwars door ’t droomland, van verbazing,
Dat ik dood voorzie en door moet dichten
En de beek, ontsprongen uit die bron,
Roept met stroomversnelling, stemverheffing,
Maar zo diep dat ‘k niet kan onderscheiden
Of ’t is van verontwaardiging of toejuiching:

‘Dichten doe je nog?’

 

Ultra Mare

Hier is de wereld niets dan waaiend schuim,
De laatste rotsen zijn bedolven
Na de verwekking uit de golven,
Die breken, stuivend in het ruim.

Het laatste schip wordt weerloos voortgesmeten,
Het zwerk is ingezonken en asgrauw.
Zal ik nu eindelijk, vergaan, vergeten,
Verlost zijn van verlangen en berouw?

 

Outcast

’t Breed grauw gelaat van de Afrikaanse kust,
Na eeuwen van een ondoorgrondelijk wee
Gekomen tot een onaantastbre rust,
Staart steil terneer op de gekwelde zee.

Ons blijft ’t verneedrend smachten naar de ree.
Geen oceaan heeft onze drift geblust,
En niets op aard, ook zwerven niet, geeft rust,
En de enige toevlucht de prostituee.

Bij haar die achter iedre haven wacht
– Altijd een andre en toch steeds dezelfde –
Wordt ons heimwee tijdlijk ter dood gebracht.

En ook de sterrenheemlen die zich welfden
Over ons trekken, andre iedre nacht,
Zijn eindlijk saamgeschrompeld tot één zelfde.

 
Jan Slauerhoff (15 september 1898 – 5 oktober 1936)
Borstbeeld in Leeuwarden

 

De Colombiaanse dichter, schrijver, hoogleraar en journalist Sergio Esteban Vélez werd geboren op 15 september 1983 in Medellín. Zie ook alle tags voor Sergio Esteban Vélez op dit blog.

Wilde

For that daring
to love your way,
they cursed you,
they condemned your body,
they spit on you,
believing that they could
spin your essence,
but nothing accomplished
to overcome your genius:
not the cold
that blushed your skin
and hurt your bones;
nor the superhuman days
who surrendered your eyelids
and sealed your breath;
nor dishonor
that punched your ego;
nor loneliness,
that caused your depression;
the pseudo-spiritual anathemas
they could not either
nor the contempt of those who liked
the supraexcellence
of your verb.

Now not even,
fearing sacrilege,
I could pronounce
your name,
Do not repeat your verses.

Your mind knew the truth
and it was more free
that the atrophied consciences,
of masked corruption
of the deaf sheep,
and the naive illogicals,
that were
outside.

And it flourished
with more momentum
your greatness,
and your soul grew
towards the unfading
eternal
dimension

 
Sergio Esteban Vélez (Medellín, 15 september 1983)
Portret door Carlos Ribero, 2010

 

De Nigeriaanse schrijfster Chimamanda Ngozi Adichie werd geboren op 15 september 1977 in Enugu. Zie ook alle tags voor Chimamanda Ngozi Adichie op dit blog.

Uit: Half of a Yellow Sun

“Ugwu, sah.””Ugwu. And you’ve come from Obukpa?””From Opi, sah.””You could be anything from twelve to thirty.” Master narrowed his eyes. “Probably thirteen.” He said thirteen in English.”Yes, sah.”Master turned back to his book. Ugwu stood there. Master flipped past some pages and looked up. “Ngwa, go to the kitchen; there should be something you can eat in the fridge.””Yes, sah.”Ugwu entered the kitchen cautiously, placing one foot slowly after the other. When he saw the white thing, almost as tall as he was, he knew it was the fridge. His aunty had told him about it. A cold barn, she had said, that kept food from going bad. He opened it and gasped as the cool air rushed into his face. Oranges, bread, beer, soft drinks: many things in packets and cans were arranged on different levels and, and on the topmost, a roasted shimmering chicken, whole but for a leg. Ugwu reached out and touched the chicken. The fridge breathed heavily in his ears. He touched the chicken again and licked his finger before he yanked the other leg off, eating it until he had only the cracked, sucked pieces of bones left in his hand. Next, he broke off some bread, a chunk that he would have been excited to share with his siblings if a relative had visited and brought it as a gift. He ate quickly, before Master could come in and change his mind. He had finished eating and was standing by the sink, trying to remember what his aunty had told him about opening it to have water gush out like a spring, when Master walked in. He had put on a print shirt and a pair of trousers. His toes, which peeked through leather slippers, seemed feminine, perhaps because they were so clean; they belonged to feet that always wore shoes.”What is it?” Master asked.”Sah?” Ugwu gestured to the sink.Master came over and turned the metal tap. “You should look around the house and put your bag in the first room on the corridor. I’m going for a walk, to clear my head, i nugo?””Yes, sah.” Ugwu watched him leave through the back door. He was not tall. His walk was brisk, energetic, and he looked like Ezeagu, the man who held the wrestling record in Ugwu’s village.Ugwu turned off the tap, turned it on again, then off. On and off and on and off until he was laughing at the magic of the running water and the chicken and bread that lay balmy in his stomach. He went past the living room and into the corridor. There were books piled on the shelves and tables in the three bedrooms, on the sink and cabinets in the bathroom, stacked from floor to ceiling in the study, and in the store, old journals were stacked next to crates of Coke and cartons of Premier beer. Some of the books were placed face down, open, as though Master had not yet finished reading them but had hastily gone on to another.”

 
Chimamanda Ngozi Adichie (Enugu, 15 september 1977)

 

De Britse schrijfster Agatha Christie werd geboren in Torquay (Devon) op 15 september 1890. Zie ook alle tags voor Agatha Christie op dit blog.

Uit: Murder on the Orient Express

“Dubosc had overheard part of a conversation between him and the stranger. “You have saved us, mon cher,” said the General emotionally, his great white moustache trembling as he spoke. “You have saved the honour of the French Army – you have averted much bloodshed! How can I thank you for acceding to my request? To have come so far–”
To which the stranger (by name M. Hercule Poirot) had made a fitting reply including the phrase – “But indeed, do I not remember that once you saved my life?” And then the General had made another fitting reply to that, disclaiming any merit for that past service; and with more mention of France, of Belgium, of glory, of honour and of such kindred things they had embraced each other heartily and the conversation had ended.
As to what it had all been about, Lieutenant Dubosc was still in the dark, but to him had been delegated the duty of seeing off M. Poirot by the Taurus Express, and he was carrying it out with all the zeal and ardour befitting a young officer with a promising career ahead of him.
“To-day is Sunday,” said Lieutenant Dubosc. “Tomorrow, Monday evening, you will be in Stamboul.”
It was not the first time he had made this observation. Conversations on the platform, before the departure of a train, are apt to be somewhat repetitive in character.
“That is so,” agreed M. Poirot.
“And you intend to remain there a few days, I think?”
“Mais oui. Stamboul, it is a city I have never visited. It would be a pity to pass through – comme a.” He snapped his fingers descriptively. “Nothing presses – I shall remain there as a tourist for a few days.”
“La Sainte Sophie, it is very fine,” said Lieutenant Dubosc, who had never seen it.
A cold wind came whistling down the platform. Both men shivered. Lieutenant Dubosc managed to cast a surreptitious glance at his watch. Five minutes to five – only five minutes more!”

 
Agatha Christie (15 september 1890 – 12 januari 1976)
Scene uit de gelijknamige film uit 2017

 

De Turkse schrijver Orhan Kemal (eig. Mehmet Raşit Öğütçü) werd geboren op 15 september 1914 in Ceyhan. Zie ook alle tags voor Orhan Kemal op dit blog.

Uit: The Idle Years (Vertaald door Cengiz Lugal)

We saw Hasan Hüseyin the night we got back to Adana. We found out that my girlfriend had gone off with a sailor. Gazi’s had got engaged to her cousin who worked as a farmhand in a nearby village, and the Cretan café owner had been busted for dealing hashish and was doing time.
‘How about that?’ mused Gazi. ‘Would you believe it?’
As for me… ‘What are you thinking?’ Hasan asked me.
‘Don’t mind him,’ said Gazi. ‘He just can’t let things go. I don’t know what it is with him – you can’t dwell on these things.’
It was nearly midnight by the time I left them. I went over to the old sycamore tree, where we used to light matches and signal our girlfriends.
It seemed to be waiting patiently, resigned to whatever fate might bring.
I leaned against its trunk. In the distance I saw the two brightly lit windows. It all looked exactly the way we had left it. I gave a loud whistle. I noticed two shadows pause at one of the windows. My second whistle created more of a stir. One of the shadows seemed to climb on the sofa. A lamp signalled ‘Coming!’ My face began to twitch, and my left ear started to hum. I thought of how she would break down and apologize… How on earth was she going to explain what she had done to me? How, I wondered? Just how?
She came and stood in front of me without even saying ‘Welcome back.’ We stood silently for a while.
‘Is it true?’ I asked eventually.
She remained quiet.
‘So it is true?’
Still nothing.
‘How did you meet him?’ I asked.
She still didn’t say a word.
‘So,’ I said, ‘I don’t have a chance.’
She raised her head and looked up to the stars, then folded her arms in front of her chest.
‘There’s no way he could love you the way I do,’ I said. ‘You’re going to regret this, believe me. You’re really going to regret it.’
She shrugged.
I flicked away the last of my cigarette and left.”

 
Orhan Kemal (15 september 1914 – 2 juni 1970)
Hier met echtgenote en kinderen

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e september ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Lucebert, Jan Slauerhoff, Sergio Esteban Vélez, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie, Orhan Kemal, Gunnar Ekelöf, James Fenimore Cooper, Claude McKay

De Nederlandse dichter Lucebert werd in Amsterdam geboren op 15 september 1924 onder de naam Lubertus Swaanswijk. Zie ook mijn blog van 15 september 2010 en eveneens alle tags voor Lucebert op dit blog.

de rivier

uit al haar armen brandt de rivier onder de rotsen
en onder de kleine zon boven de bossen
spuwt naar tellurische wortels naar de staart van de wolk
en met gesperde muil dwars door deinende scherven zij zwermt
met grillige warmte over de wereld

de duisternis dicht bij haar buik buigen gulzige bloemen
en daar is een hol en een poel en het kraken en zoemen
van een paar draken in de avond niet veraf op een graf
staande een uil staart naar een glazen galg daar grof
gebouwde rotsen omringen de melodische afgrond

ach altijd en altijd hangen natte tongen aan de trieste bergen
gespleten tongen getande tongen en opgeblazen
ronkende tongen en in de dalen in de stenen en lemen cocons
academisch zingende mannen manmoedig wanhopig
zingende mannen en vrouwen vaag draperend de ruimte

maar een adder de lichtgeaderde rivier spartelt en
knaagt aan het wenende vlees van de wind
wat geeft dat klagen? sneeuw sneeuwt over vervaarlijke
en ook over bedaagde ogen en alles raakt los in de nacht
voort stromende argeloos tomeloos maar niet verlost
van de klagende nacht

 

lente-suite voor lilith

introductie:

als babies zijn de dichters niet genezen
van een eenzaam zoekend achterhoofd
velen hebben liefde uitgedoofd
om in duisternis haar licht te lezen

in duisternis is ieder even slecht
de buidel tederheid is spoedig leeg
alleen wat dichters brengen het te weeg
uit poelen worden lelies opgedregd

kappers slagers beterpraters
alles wat begraven is
godvergeten dovenetels laat es
aan uw zwarte vlekken merken dat het niet te laat is

wie wil stralen die moet branden
blijven branden als hij liefde meent
om in licht haar duisternis op handen
te dragen voor de hele goegemeent

1
o-o-oh
zo god van slanke lavendel te zien
en de beek koert naar de keel
en de keel is van de anemonen
is van de zee de monen zingende bovengekomen

kleine dokter jij drinkende huid van bezien
zie een mond met de torens luiden de tong
een wier van geluid de libbelen tillende klei

en jij
wassen jij klein en vingers in de la in de ven
lavendel in de lente love lied
laat zij geuren
pagodegeuren
lavendelgoden
geuren

 
Lucebert (15 september 1924 – 10 mei 1994)
Lucebert: Prinsenpaar, 1962

Doorgaan met het lezen van “Lucebert, Jan Slauerhoff, Sergio Esteban Vélez, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie, Orhan Kemal, Gunnar Ekelöf, James Fenimore Cooper, Claude McKay”

Dolce far niente, Alfred Tomlinson, Lucebert, Jan Slauerhoff, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie, Orhan Kemal, Gunnar Ekelöf

 

Dolce far niente

 

 
Gustavo Silva Nuñez poseert voor een door hem geschilderde zwemmer, 2015.

 

Swimming Chenango Lake

Winter will bar the swimmer soon.
He reads the water’s autumnal hestitations
A wealth of ways: it is jarred,
It is astir already despite its steadiness,
Where the first leaves at the first
Tremor of the morning air have dropped
Anticipating him, launching their imprints
Outwards in eccentric, overlapping circles.
There is a geometry of water, for this
Squares off the clouds’ redundances
And sets them floating in a nether atmosphere
All angles and elongations: every tree
Appears a cypress as it stretches there
And every bush that shows the season,
A shaft of fire. It is a geometry and not
A fantasia of distorting forms, but each
Liquid variation answerable to the theme
It makes away from, plays before:
It is a consistency, the grain of the pulsating flow.
But he has looked long enough, and now
Body must recall the eye to its dependence
As he scissors the waterscape apart
And sways it to tatters. Its coldness
Holding him to itself, he grants the grasp,
For to swim is also to take hold
On water’s meaning, to move in its embrace
And to be, between grasp and grasping, free.
He reaches in-and-through to that space
The body is heir to, making a where
In water, a possession to be relinquished
Willingly at each stroke. The image he has torn
Flows-to behind him, healing itself,
Lifting and lengthening, splayed like the feathers
Down an immense wing whose darkening spread
Shadows his solitariness: alone, he is unnamed
By this baptism, where only Chenango bears a name
In a lost language he begins to construe —
A speech of densities and derisions, of half-
Replies to the questions his body must frame
Frogwise across the all but penetrable element.
Human, he fronts it and, human, he draws back
From the interior cold, the mercilessness
That yet shows a kind of mercy sustaining him.
The last sun of the year is drying his skin
Above a surface a mere mosaic of tiny shatterings,
Where a wind is unscaping all images in the flowing obsidian,
The going-elsewhere of ripples incessantly shaping.

 

 
Alfred Tomlinson (8 januari 1927 – 22 augustus 2015)
Stoke-on-Trent, Old Town Hall. Alfred Tomlinson werd geboren in Stoke-on-Trent.

Doorgaan met het lezen van “Dolce far niente, Alfred Tomlinson, Lucebert, Jan Slauerhoff, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie, Orhan Kemal, Gunnar Ekelöf”

Lucebert, Jan Slauerhoff, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie, Claude McKay, Orhan Kemal, Karl Philipp Moritz

De Nederlandse dichter Lucebert werd in Amsterdam geboren op 15 september 1924 onder de naam Lubertus Swaanswijk. Zie ook mijn blog van 15 september 2010 en eveneens alle tags voor Lucebert op dit blog.

gedicht

I
van vaste duisternissen ik laat mij een lied zingen
van hoe de mensen webben spinnen en sterven
van savonds versierde hyenaas en cocons in de ochtend
van zwaar slapen aanblazen en van de vraatzucht

II
hoe in de heldere natuur eender werken de dingen en wezens
bruisend zich rekken de takken en huilende vallen de stenen
een denkende mier of een denkende ster en een slang
zacht vertrekt uit zijn zwangere staart als de beken
uit hun drabbig foedraal zoals de leliën ook en
van verdriet of van vrede blauw zijn de bloemende bergen

III
altijd en overal anders zijn de mensen want anders
dragen zij de aarde: vaak door de slaafse spreekbuis
hinkend zij dragen de aarde of vallend van de statietrap
zij torsen de aarde maar nooit en te nimmer zij nemen
de aarde aan als een wind in ’t gezicht in het web

IV
door donkerte nader zij komen met allen en alles
en daar gelijk is het oor aan de mond het hoofd aan het hart
aan alles aan allen gelijk het licht zij vloeien het toe

 

 
Lucebert, Het geschenk, 1986

 

V
maar daaraan terstond zij maken bodemloze fotoos van de almacht
als was de nacht hun moeder niet de avond niet hun vader
zij steken de zon in de mond verorberen de wolken
zij beduimlen de bliksem met hun smeulende tongen
en bootsen de maan na met hun pluimstrijkende ogen
of gaan wonen in hoge wisselstromen onttronend de diepte

VI
spook en talisman zij trouwen en bouwen hun huizen daarom
maar buiten zij breken graag de glazen derwisch van het water
en gehaast zij plukken de magnetische springveren
die van het vuur en de maandragende paarden der zee
blazen zij op en het steen het steen zij besmetten het met
rokende rivieren of sluizen en aldus ook hun mummies
zij sluimren of mijmren niet maar zij stomen zij bonzen

VII
oh de moede man die de sleutels der dubbelzinnigheid smolt
of wegwierp dat hij staat voor de zo vaak vertoonde kasten en laden
die zo gehoond gelijk zij geloofd zijn dat hij er staat en vraagt
naar een deur om daar door te gaan

VIII
zie dan voor zijn vetgemeste spiegel wil hij vliegen en zweven
hoor dan door zijn mulle microfonen wil hij van vrede lachen en zingen
deze die eens de sleutels der dubbelzinnigheid smeedde
hem opent geen vrede

 
Lucebert (15 september 1924 – 10 mei 1994)

Doorgaan met het lezen van “Lucebert, Jan Slauerhoff, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie, Claude McKay, Orhan Kemal, Karl Philipp Moritz”

Lucebert, Jan Slauerhoff, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie, Claude McKay, Orhan Kemal

De Nederlandse dichter Lucebert werd in Amsterdam geboren op 15 september 1924 onder de naam Lubertus Swaanswijk. Zie ook mijn blog van 15 september 2010 en eveneens alle tags voor Lucebert op dit blog.

Vrede is eten met muziek

Vredig eten is goed eten
Want lekker eten doet men alleen in rust en vrede
Voor een goede spijsvertering is het een vereiste
Dat men elk hapje minstens vijftienmaal kauwt
Daarom eet men met muziek ook beter
Want onder vrolijke tonen bewegen de kaken vanzelf
Harmonieus en met de kaken ook de slokdarm
En later zelfs de overige dertig meter
Lange darmen in de buik

Vrede is goed eten met goede muziek
Met marsmuziek kan men beter lopen dan eten
Als men dan ook maar vredig loopt
En niet meemarcheert met een troep soldaten
Tegen andere soldaten
Dan is marsmuziek net zo bedorven
Als besmet voedsel

Maar bij dansmuziek is het zeker goed eten
Want dansen is geen vechten
Wie danst houdt rekening met andere dansers
Zoals men onder het eten niet alle
Lekkere hapjes alleen verorbert maar die deelt
Met overig disgenoten.

 

 
Lucebert, En zij wendden zich af van het kruis, 1985

 

Van de econoom

onverschrokken bij braindrain de schoonprater
springt van nest naar vogel en blijft opgetogen
in de spaghetti van glossolalie lepelen

bepaalde aspecten moeten worden meegenomen
als je niet bepaalde effecten voorkomt
maar kunnen ook blijven liggen als vorm van antwoord
zoals de schepping ook is bepaald die met mensen in de supermarkt
al te toevallige offers heeft afgewend daar komen we onszelf tegen
in de ethiek van het economisch leven

zorgvuldig produceren en consumeren
er is een omslag ontstaan in de omgang
een kwestie van gewenning
invulling van verantwoordelijkheden meer vulsel
dat uitspruit tot vullus
toegevoegde waarde
strijkstok van strijkages

 
Lucebert (15 september 1924 – 10 mei 1994) Lucebert, verkleed als Keizer der Vijftigers, 1954

Doorgaan met het lezen van “Lucebert, Jan Slauerhoff, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie, Claude McKay, Orhan Kemal”

Lucebert, Jan Slauerhoff, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie

De Nederlandse dichter Lucebert werd in Amsterdam geboren op 15 september 1924 onder de naam Lubertus Swaanswijk. Zie ook mijn blog van 15 september 2010 en eveneens alle tags voor Lucebert op dit blog.

 

 

Over schilders IV

het atelier staat wijd open
maar eerst worden van licht de tere benen
gebroken voordat de bezoeker zo kan staan
als de schilder zijn bezoeker droomt

maar vaak is de bezoeker in het atelier
een haan met haar en veel
zitvlees met stemverheffing
geen schilderij kan hem aan

soms ook komt als op kousevoeten
de beschouwende bezoeker die diep in gedachten
wat mee- nee wat napenseelt
omdat juist die kompositie die kleur niet past
bij zijn kiekeboe-museumcarrière of kamer
bij zijn kiekeboe-ega of zijn kiekeboe-kantoor

al die gasten waren toch gewaarschuwd
op het palet blijft het eeuwig een smeerboel
parasieten beulen zelfs de koddebeier van ’t heelal
alles roert in de verf fervent en met verve

et la belle peinture o la la dat is het móóie schilderen
dat is uit de knieën van geknielde spuiten tranen
omdat zij zich schamen voor het bloed dat niet is te stuiten

 

 

Lucebert, Orpheus en de dieren, 1952

 

 

 

kleine strateeg

de kleine zonnetafel was immens
waaraan ik als kind mijn dromen speelde
de bergen hier de dalen daar
en het gevaar daartussen met zijn woeste baard

alles was toen geel onder gelukkige ogen
geen schaduw werd er ingedeeld
zelfs de despoot bleef onbewogen en in stilte
aan de altijd zingende slaven uitgespeeld

 

Slaap

De oude wind beweent met as de gouden zee
daarop traag en treurend drijft de dag weg
het sterft het streng en trouw gesprek en een zucht
verheft zich tussen de donkere doornen
wit schichtig de tred van de maan

In de diepte en onder zwijgzaamheid
trekken toekomstige handen naar
het werk aan waters en aan de wortel.

In wolken echter rusten
nu overbodige ogen uit
hun ijle vleugels sluiten alom
in het sterstijve licht.

 

 

Lucebert (15 september 1924 – 10 mei 1994)

Doorgaan met het lezen van “Lucebert, Jan Slauerhoff, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie”

Jan Slauerhoff, Lucebert, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie

De Nederlandse dichter en schrijver Jan Jacob Slauerhoff werd geboren in Leeuwarden op 15 september 1898. Zie ook mijn blog van 15 september 2010 en eveneens alle tags voor Jan Slauerhoff op dit blog.

 

De laatste herfst

Ver stond de strakke lucht
Als een grijszijden scherm
Gespannen voor de dood.
Aan deze zijde een vlucht
Vogelen met gekerm,
Onze hoofden over, vlood.

De grond bekroop wat groen.
Schril staken stengels riet.
De wereld stond ontbladerd
Uitstervend in seizoen,
Dat zon voorgoed verliet,
Weer tot de maan genaderd.
Wij vonden nog een zoen.
Ergens zijn wij ons toen
Ontweken of genaderd?

 

Eenzaamheidsverlangen

Ik wilde alleen zijn met mijn droefenis
En ik verborg mij in ’t gewoekerd gras.
Maar tevergeefs: mijn droefenis verried mij,
Mijn smartkreet overstemt de roep der vogels.
Waarom kan men niet lijden ongehoord
En ongezien, terwijl men toch alleen,
Alleen de lange levensweg moet gaan,
En toch nooit eenzaam leven kan: altijd
Zijn broeders, zusters, zonen, dochters, ouders
Aanwezig en bewijzen zorg en aandacht.
Ontvlucht men in de tempel, dan moet men
Voorouders aandacht wijden, offers brengen,
Om door demonen niet omringd te worden.
Ach, alles, eer en welstand, wilde ik offren
Om met mijn droefenis alleen te zijn.

 

De wijze

Mijn huis is vuil, mijn kinderen, talrijk, krijsen.
De varkens wroeten ronkend in de hof.
Maar bergen, blauw en ver verheven, eisen
Mijn aandacht op, die stijgt uit stank en stof.

Jan Slauerhoff (15 september 1898 – 5 oktober 1936)

Doorgaan met het lezen van “Jan Slauerhoff, Lucebert, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie”

Gunnar Ekelöf, Agatha Christie, Jim Curtiss, Ina Seidel

De Zweedse dichter en schrijver Bengt Gunnar Ekelöf werd geboren op 15 september 1907 in Stockholm. Zie ook mijn blog van 15 september 2007 en ook mijn blog van 16 september 2008 en ook mijn blog van 15 september 2009 en ook mijn blog van 15 september 2010

 

De bloemen

de bloemen slapen voor het raam en de lamp staart licht

en het raam staart gedachteloos in het donker daarbuiten

de schilderÿen tonen onntzield de hun toevertrouwde oinhoud

en de vliegen staan stil op de muur en denken

de bloemen leunen tegen de nacht en de lamp spint licht

in de hoek spint de kat wollen draden om mee te slapen

op het fornuis snurkt de koffieketel af en toe met welbehagen

en de kinderen spelen stil met woorden op de vloer

de wit gedekte tafel wacht op iemand

wiens stappen nooit de trap opkomen

een trein die in de verte de stilte doorboort

ontsluiert het geheim der dingen niet

maar het lot telt de slagen van de klok in decimalen.

 

Ik geloof in de eenzame mens

Ik geloof in de eenzame mens,

in hem die eenzaam dwaalt,

die niet als een hond zijn reuk achterna rent,

die niet als een wolf de reuk van mensen mijdt:

mens en anti-mens tegelijk.

Hoe gemeenschap te vinden?

Mijd de hoge buitenweg:

wat vee is in anderen is ook vee in jou.

Neem de lage binnenweg:

wat bodem is in jou is ook bodem in anderen.

Moeilijk om aan jezelf te wennen.

Moeilijk jezelf te ontwennen.

Wie het doet wordt toch nooit alleen gelaten.

Wie het doet blijft toch altijd soldair.

Het onpraktische is het enig praktische

op den duur.

Vertaald door H.C. ten Berge en Marguérite Törnqvist

 

Gunnar Ekelöf (15 september 1907 – 16 maart 1968)

Doorgaan met het lezen van “Gunnar Ekelöf, Agatha Christie, Jim Curtiss, Ina Seidel”

Jan Slauerhoff, Lucebert, Orhan Kemal, Gunnar Ekelöf, Agatha Christie, Ina Seidel, Jim Curtiss

De Nederlandse dichter en schrijver Jan Jacob Slauerhoff werd geboren in Leeuwarden op 15 september 1898. Zie ook mijn blog van 15 september 2006. Zie voor de twee bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 15 september 2007 en ook mijn blog van 16 september 2008 en ook mijn blog van 15 september 2009.

De voortekenen

Witte ijsvogels wiegen
Zich op zee en twijgen dichtbij.
Zij wijst ze en roept ze met helle
Bekoringsstem: “Zij voorspellen
Geluk!”
Maar ik zie verder: van het bergenjuk
Komt een donkere stip neersnellen,
Een zwarte vogel voegt zich er bij.

 

Dit eiland

Voor de zachtmoedigen, verdrukten,
Tot geregelde arbeid onwilligen,
Voor de met moedwil mislukten
En de groots onverschilligen,

De reine roekelozen,
Door het kalm leven verworpen,
Die boven steden en dorpen
De woestenijen verkozen,

Die zonder een zegekrans
Streden verloren slagen
En ’t liefst met hun fiere lans
De wankelste tronen schragen;

Voor allen, omgekomen
Door hun dédain voor profijt,
Slechts beheerst door hun dromen
De spot der bezitters ten spijt,

Neem ik bezit van dit eiland,
Plant ik de zwarte vlag,
Neem iedere natie tot vijand,
Erken slechts ’t azuur als gezag.

Wie nadert met goede bedoeling:
Handel, lust of bekering,
Wordt geweerd aan ’t rif door bezwering
Of in ’t atol door onderspoeling.

Oovral op aarde heerst orde,
Men late mijn eiland met rust;
’t Blijft woest, zal niet anders worden
Zolang ik kampeer op zijn kust.

 

In mijn leven

In mijn leven, steeds uiteengerukt
Door de vlagen waar ‘k aan blootsta,
Daar ‘k niet kan hechten aan liefde en geluk
Die mij zullen drijven tot ik doodga,
Ontstaan soms plotsling enkle plekken
Van een stilte zo onaangedaan,
Dat ik geloof in slaap te zijn gekomen
Bij de diepten waar geen onderstromen
Meer door ’t eeuwig stilstaand water gaan.

slauerhof

Jan Slauerhoff (15 september 1898 – 5 oktober 1936)
Met zijn vrouw Darja Collin

 

De Nederlandse dichter Lucebert werd in Amsterdam geboren op 15 september 1924 onder de naam Lubertus Swaanswijk. Zie ook mijn blog van 15 september 2006 en ook mijn blog van 15 september 2007 en ook mijn blog van 16 september 2008 en ook mijn blog van 15 september 2009.

Zielsverhuizing

stram strompelt hij van knooppunt naar knooppunt
de eens zo bekoorlijke zondebok
je mag hem aanlachen als je kunt
hij grijnst maar trekt het zich niet aan
aangebrand niet maar afgebrand een flauwte
dat gaat weer over hij zal wel weer opstaan
plooiend zijn broek zijn rok het ouwe rund

dra staat hij lang en breed tussen de pilaren
door de schaduwen bestormd het marmer van zijn kaken
de zweep spelemeiend met de laars
aldoordringend de blik gericht op de dreigende maan

langzaam daalt hij af men juicht
pondereus buiten alle proportie daalt hij af
en plaatst zich naast de labbekak de losplaats
onveranderd niet met verlossing als poetslap

 lucebert1

 Poëzieprent van Lucebert

 

School der poëzie

Ik ben geen lieflijke dichter
Ik ben de schielijke oplichter
Der liefde, zie onder haar de haat
En daarop een kaaklende daad.

Lyriek is de moeder der politiek,
Ik ben niets dan omroeper van oproer
En mijn mystiek is het bedorven voer
Van leugen waarmee de deugd zich uitziekt.

Ik bericht, dat de dichters van fluweel
Schuw en humanistisch dood gaan.
Voortaan zal de hete ijzeren keel
Der ontroerde beulen muzikaal opengaan.

Nog ik, die in deze bundel woon
Als een rat in de val, snak naar het riool
Van revolutie en roep: rijmratten, hoon,
Hoon nog deze veel te schone poëzieschool.

 

Liefde

ik droom dus ben ik niet

ik droom dat iemand de deur intrapt
niet voor de grap maar voor een politieke moord

ik droom dat ik niet ben

ik droom dat ik dood ga
niet voor de grap maar voor niets

ik droom dat er een ik is

ik droom dat ik eet en drink
voor de grap maar ook voor jou

 lucebert2

Lucebert (15 september 1924 – 10 mei 1994)

 

De Turkse schrijver Orhan Kemal (eig. Mehmet Raşit Öğütçü) werd geboren op 15 september 1914 in Ceyhan. Zie ook mijn blog van 15 september 2009.

Uit: Der Mann und Seine Frau (Vertaald door Adalet Cimcoz)

„Der Vater stand vor der Eismachine.Er füllte den Kessel mit kleinen Eisstückchen und streute Salz darauf. Seine Frau saβ daneben, in einem Sonnenstreifen.Sie hatte ihm sechs Mädchen geboren. Sie flickte das Hemd ihres siebenten Kindes,das ein Bub war.

Sie schien nachzudenken.Der Fater schaute die Frau an und sagte:”Weib,an was denkst du? Denkst du, daβ du die Mutter eines Artzes sein wirst, he?”Die Frau lachte:” Du   bist derjenige, der so was denkt , nicht ich.. Du kannst es fast nicht mehr erwarten….”,sagte sie.

“Das ist wahr .Ich kann es kaum erwarten . . . Ein groβes Haus besitzen und einen feinen, neuen Anzug haben . . . Keine Kleinigkeit,der Vater eines Artzes zu sein . . .Vielleicht:in einem schönen Kaffeehaus sitzen und Wasserpfeife rauchen . . .”

Die Frau legte ihre Flicken auf die Knie und rieb sich die Augen :Ich träume oft davon….

Weiβt du ,in einem Haus auf der Hauptstraβe, aber in dem gröβten . . . Und dan vor der Tür das Schild vom Buben . . .Ich sag’ dir was,Mann,ich werde das Schild jeden Tag mit Seifenwasser waschen . . .Und wenn er sich verheiratet,werde ich zu seiner Frau-Gott soll mich behüten -nicht wie eine Swiegermutter sein . . . Und die Enkelkinder werde ich ans Herz drücken . . .”

“Ich auch” ,sagte der Mann.”Ich werde die Knirpse jeden Tag in den Park führen .Kinder sind wie Blumen.Sie brauchen frische Luft und viele Sonne.” “Ich were ihnen die Hausarbeiten machen ,werde das Geschirr abwaschen , die Wäsche flicken . . . Die Hausarbeiten darf man nicht fremden Leuten lassen,die machen es oberflächlich . . .”

“Sicher werden sie uns ein Zimmer in ihrem groβen Haus geben . . .Und das Essen . . Was werden wir schon essen? Bis dahin sind wir auch viel älter . . .”

“Wir sterben dann in einem bequemen Bett . . .Und nicht auf der Straβe . . .”

“Laβ das . . . Wen der Bub mal so weit ist,möchte ich nur Eines : Ich möchte mich schon frühmorgens in einen Kaffeehaus setzen und Wasserpfeife . . . Die und die Freunde sollen platzen vor Neid . . .”

Du,die werden mit Messer und Gabel essen. Ob wir da mitkönnen, Alter?”

“An was du auch alles denkst . . .Wir ziehen uns in unser Zimmer zurück und essen dort , wie wir es gewöhnt sind . . .”

“Auch wenn sie Besuch bekommen gehen wir in unser Zimmer . . . schlieβen die Tür und

zeigen uns nicht . . .”

“Aber wir kochen ihnen den Kaffee und reichen ihn durch die Tür . . .”

“Ja den Kaffee müssen wir ihnen kochen . . .”

Ach was , das ist ja alles nicht wichtig . . . Nur das Eine . . . Nur einmal,in meinem alten Tagen,die Wassepfeife rauchen . . .Im Kaffeehaus vor Freund und Feind . . .”

“Und ?”

“Dann,meinetwegen,kann ich sterben . . .”

Der Mann fing an, mit seinen kräftigen Händen die Eisenmaschine zu drehen. Der Kessel sauste zwischen Salz und kleinen Eisstückchen.”

kemal

Orhan Kemal (15 september 1914 – 2 juni 1970)

 

De Zweedse dichter en schrijver Bengt Gunnar Ekelöf werd geboren op 15 september 1907 in Stockholm. Zie ook mijn blog van 15 september 2007 en ook mijn blog van 16 september 2008 en ook mijn blog van 15 september 2009.

Uit: Diwan on the Prince of Emgion

Five times I saw the Shadow
And greeted her as we passed,
But the sixth time
In a narrow alley of the lower city
Suddenly she stood before me
Barring my way
And began to revile me
In the coarsest language
Then she asked:
“Why have you rejected me?
Why have you not lain with your Shadow?
Am I so repulsive?”
To which I answered:
“How can a man lie with his Shadow?
It is customary
To let it walk two paces behind him
Until the evening.”
She smiled scornfully
And pulled her black shawl tighter about her face:
“And after sunset?”
“Then a wanderer has two shadows,
One from the lantern he has just left behind him
And one from the lantern he is just approaching:
They keep changing places.”
She smiled scornfully and laid her hand on the neighboring wall:
“Then I am not your Shadow?”
I said: “I do not know whose shadow you are”
And meant to walk on
But, lifting her hand, she showed its black impression
In the moonlight on the white wall
And said again:
“Then I am not your Shadow?”
To which I answered:
“I see who you are.
It is for you to take me
Not for me to take you”
She smiled scornfully. “Beloved,” she said
“At your place? Or at mine?”
“At yours,” I answered.

 

Vertaald door Steven Fowler

 Ekelöf

Gunnar Ekelöf (15 september 1907 – 16 maart 1968)
Portret door Reinhold Ljunggrens, 1958

 

De Britse schrijfster Agatha Christie werd geboren in Torquay (Devon) op 15 september 1890. Zie ook mijn blog van 16 september 2008 en ook mijn blog van 15 september 2009.

Uit: Murder on the Orient Express

„It was five o’clock on a winter’s morning in Syria. Alongside the platform at Aleppo stood the train grandly designated in railway guides as the Taurus Express. It consisted of a kitchen and dining-car, a sleeping-car and two local coaches.
By the step leading up into the sleeping-car stood a young French lieutenant, resplendent in uniform, conversing with a small lean man, muffled up to the ears, of whom nothing was visible but a pink-tipped nose and the two points of an upward curled moustache.
It was freezingly cold, and this job of seeing off a distinguished stranger was not one to be envied, but Lieutenant Dubosc performed his part manfully. Graceful phrases fell from his lips in polished French. Not that he knew what it was all about. There had been rumours, of course, as there always were in such cases. The General — his General’s — temper had grown worse and worse. And then there had come this Belgian stranger — all the way from England, it seemed. There had been a week — a week of curious tensity. And then certain things had happened. A very distinguished officer had committed suicide, another had resigned — anxious faces had suddenly lost their anxiety, certain military precautions were relaxed. And the General — Lieutenant Dubosc’s own particular General — had suddenly looked ten years younger.“

christie.jpg

Agatha Christie (15 september 1890 – 12 januari 1976)
Buste bij de haven van Torquay

 

De Duitse schrijfster en dichteres Ina Seidel werd geboren op 15 september 1885 in Halle. Zie ook mijn blog van 15 september 2007 en ook mijn blog van 15 september 2009.

Lichtmeß

Stille Luft und eingewölkte Himmelskuppel, hinter deren
Lichter Alabasterwölbung steht mit silberklaren schweren
Strahlenschwertern ausgebreitet, abgedämpft und gött-
lich fern:

Der im Winterdunst verlorne,
Der ersehnte, neu geborne
Ungeheure Sonnenstern.

 

August

Sanft – so dehnt sich mein Herz,
Segel, gehoben von Luft,
Sehnt sich weit länderwärts,
Stiller, blauer August –
Sanft so dehnt sich mein Herz.

Silberne Fäden fliehn
An mir vorüber im Wind,
Schimmernde Wolken ziehn,
Wege bedrängen mich lind.  

Wege verlocken mein Herz,
Einer dem andern mich gibt,
Wiesenzu, wälderwärts:
Oh, wie die Erde mich liebt! –
Sanft – so dehnt sich mein Herz …

 seidel

Ina Seidel (15 september 1885 – 2 oktober 1974)
Illustratie door U. Postler

 

De Amerikaanse schrijver Jim Curtiss werd geboren op 15 september 1969 in Beaver Falls, Pennsylvania. Zie ook mijn blog van 15 september 2009.

Uit: Sheboygan, Poland

„As I ate breakfast while staring out the kitchen window, the phone rang. I let the answering machine take it and was startled to hear, “Hello, I’m calling from the American School of English – I was told Elijah Counts could be…”

I spit a mouthful of Cookie Crisp into the sink and ran over to the phone.

Taking a deep breath, I picked up the receiver. “Hello?”

The speaker continued: “…and if he could – Oh… uh… Hello. Can I speak to Elijah Counts?”

“That’s me.”

“Great, I’m glad I caught you! Elijah, I just got your online application, and I’m really happy you’re interested in the job in Poland!”

I blinked.

“Elijah? Are you there?”

“…”

“Elijah?”

“Uh…sorry. D…did you say… ‘Poland’?”

I switched on the speakerphone and paced as Todd, the smooth recruiter from The American School, promised me three meals a day and a private room, with bathroom, for the whole summer in the resort town of Wegierska Górka, Poland, an hour south of Katowice.

There, I would spend a leisurely summer – beginning just three weeks hence – teaching children and teenagers English over four two-week intervals. A substantial bulk payment, in Polish Zloty, would come at the end of the summer.

“So, Elijah, are you interested?”

After a short pause I said, “You know, on a certain level I am. But I honestly never considered going to Poland, so you’ll have to give me some time to think about it.”

curtiss.jpg

Jim Curtiss (Beaver Falls, 15 september 1969)

 

Gunnar Ekelöf, Agatha Christie, Ina Seidel, Jim Curtiss

De Zweedse dichter en schrijver Bengt Gunnar Ekelöf werd geboren op 15 september 1907 in Stockholm. Zie ook mijn blog van 15 september 2007 en ook mijn blog van 16 september 2008.

 

Sonata Form Denatured Prose

crush the alphabet between your teeth yawn vowels, the fire is burning in hell vomit and spit now or never I and dizziness you or never dizziness now or never.

we will begin over

crush the alphabet macadam and your teeth yawn vowels, the sweat runs in hell I am dying in the convolutions of my brain vomit now or never dizziness I and you. i and he she it. we will begin over. i and he she and it. we will begin over. i and he she it. we will begin over. i and he she it. scream and cry: it goes fast what tremendous speed in the sky and hell in my convolutions like madness in the sky dizziness. scream and cry: he is falling he has fallen. it was fine it went fast what tremendous speed in the sky and hell in my convolutions vomit now or never dizziness i and you. i and he she it. we will begin over. i and he she it. we will begin over. i and he she it. we will begin over. i and he she it.

we will begin over.

crush the alphabet between your teeth yawn vowels the fire is burning in hell vomit and split now or never i and dizziness you or never dizziness now or never.

 

Vertaald door Robert Bly en Christina Paulston

Ekelof

Gunnar Ekelöf (15 september 1907 – 16 maart 1968)

 

 

De Britse schrijfster Agatha Christie werd geboren in Torquay (Devon) op 15 september 1890. Zie ook mijn blog van 16 september 2008.

 

Uit: The Mysterious Affair at Styles

“The intense interest aroused in the public by what was known at the time as “The Styles Case” has now somewhat subsided. Nevertheless, in view of the world-wide notoriety which attended it, I have been asked, both by my friend Poirot and the family themselves, to write an account of the whole story. This, we trust, will eVectually silence the sensational rumours which still persist.

I will therefore brieXy set down the circumstances which led to my being connected with the aVair.

I had been invalided home from the Front; and, after spending some months in a rather depressing Convalescent Home, was given a month’s sick leave. Having no near relations or friends, I was trying to make up my mind what to do, when I ran across John Cavendish. I had seen very little of him for some years. Indeed, I had never known him particularly well. He was a good Wfteen years my senior, for one thing, though he hardly looked his forty-Wve years. As a boy, though, I had often stayed at Styles, his mother’s place in Essex.

We had a good yarn about old times, and it ended in his inviting me down to Styles to spend my leave there.

“The mater will be delighted to see you again?after all those years,” he added.

“Your mother keeps well?” I asked.

“Oh, yes. I suppose you know that she has married again?”

I am afraid I showed my surprise rather plainly. Mrs. Cavendish, who had married John’s father when he was a widower with two sons, had been a handsome woman of middle-age as I remembered her. She certainly could not be a day less than seventy now. I recalled her as an energetic, autocratic personality, somewhat inclined to charitable and social notoriety, with a fondness for opening bazaars and playing the Lady Bountiful. She was a most generous woman, and possessed a considerable fortune of her own.”

 

Christie

Agatha Christie (15 september 1890 – 12 januari 1976)

 

 

De Duitse schrijfster en dichteres Ina Seidel werd geboren op 15 september 1885 in Halle. Zie ook mijn blog van 15 september 2007.

 

 

Regenballade

 

Ich kam von meinem Wege ab, weil es so nebeldunstig war. 

Der Wald war feuchtkalt wie ein Grab und Finger griffen in mein Haar. 

Ein Vogel rief so hoch und hohl, wie wenn ein Kind im Schlummer klagt 

und mir war kalt, ich wußte wohl, was man von diesem Walde sagt! 

 

Dann setzt’ ich wieder Bein vor Bein und komme so gemach vom Fleck 

und quutsch’ im letzen Abendschein schwer vorwärts durch Morast und Dreck. 

Es nebelte, es nieselte, es roch nach Schlamm, verfault und naß, 

es raschelte und rieselte und kroch und sprang im hohen Gras. 

 

Auf einmal, eh ich’s mich versehn, bin ich am Strom, im Wasser schier. 

Am Rand bleib ich erschrocken stehn, fast netzt die Flut die Sohle mir. 

Das Röhricht zieht sich bis zum Tann und wiegt und wogt soweit man blickt 

und flüstert böse ab und an, wenn es i
m feuchten Windhauch nickt. 

 

Das saß ein Kerl! Weiß Gott, mein Herz stand still, als ich ihn sitzen sah! 

Ich sah ihn nur von hinterwärts, und er saß klein und ruhig da. 

Saß in der Abenddämmerung, die Angelrute ausgestreckt, 

als ob ein toter Weidenstrunk den dürren Ast gespenstisch reckt. 

 

“He, Alter!” ruf ich, “beißt es gut?” Und sieh, der Baumstamm dreht sich um 

und wackelt mit dem runden Hut und grinst mit spitzen Zähnen stumm. 

Und spricht, doch nicht nach Landesart, wie Entenschnattern, schnell und breit, 

kommt’s aus dem algengrünen Bart: “Wenn’s regnet, hab’ ich gute Zeit”! 

 

“So scheint es”, sag ich und ich schau in seinen Bottich neben ihn. 

Da wimmelts blank und silbergrau und müht sich mit zerfetzem Kiem´, 

Aale, die Flossen zart wie Flaum, glotzäugig Karpfen. Mittendrin, 

ich traue meinen Augen kaum, wälzt eine Natter sich darin! 

 

“Ein selt’nes Fischlein, Alter, traun!” Da springt er froschbehend empor. 

“Die Knorpel sind so gut zu kaun” schnattert listig er hervor. 

“Gewiß seid ihr zur Nacht mein Gast! Wo wollt ihr heute auch noch hin? 

Nur zu, den Bottich angefaßt! Genug ist für uns beide drin!” 

 

Und richtig watschelt er voraus, patsch, patsch am Uferrand entlang. 

Und wie im Traume heb ich auf und schleppe hinterdrein den Fang. 

Und krieche durch den Weidenhag, der eng den Rasenhang umschmiegt, 

wo, tief verborgen selbst am Tag, die schilfgebaute Hütte liegt. 

 

Da drinnen ist nicht Stuhl, nicht Tisch, der Alte sitzt am Boden platt, 

es riecht nach Aas und totem Fisch, mir wird vom bloßem Atmen satt. 

Er aber greift frisch in den Topf und frißt die Fische kalt und roh, 

packt sie beim Schwanz, beißt ab den Kopf und knirscht und schmatzt im Dunkeln froh. 

 

“Ihr eßt ja nicht! Das ist nicht recht!” Die Schwimmhand klatscht mich fett aufs Knie. 

“Ihr seid vom trockenen Geschlecht, ich weiß, die Kerle essen nie! 

Ihr seid bekümmert? Sprecht doch aus, womit ich Euch erfreuen kann!” 

“Ja”, klappre ich: “Ich will nach Haus, aus dem verfluchten Schnatermann.” 

 

Da hebt der Kerl ein Lachen an, es klang nicht gut, mir wurde kalt. 

“Was wißt denn Ihr vom Schnatermann?” “Ja”, sag ich stur,” so heißt der Wald.” 

“So heißt der Wald?” Nun geht es los, er grinst mich grün und phosphorn an: 

“Du dürrer Narr, was weißt du bloß vom Schnater-Schnater-Schnatermann?!” 

 

Und schnater-schnater, klitsch und klatsch, der Regen peitscht mir ins Gesicht. 

Quatsch´ durch den Sumpf, hoch spritzt der Matsch, ein Stiefel fehlt – ich acht es nicht. 

Und schnater-schnater um mich her, und Enten- ,Unken-, Froschgetöhn. 

Möwengelächter irr und leer und tief ein hohles Windgestöhn… 

 

Des andern Tags saß ich allein, nicht weit vom prasslenden Kamin 

und ließ mein schwer gekränkt´ Gebein wohlig von heißem Grog durchziehn. 

Wie golden war der Trank, wie klar, wie edel war sein starker Duft! 

Ich blickte nach dem Wald – es war noch sehr viel Regen in der Luft… 

 

Seidel

Ina Seidel (15 september 1885 – 2 oktober 1974)

 

 

Onafhankelijk van geboortedata:

 

 

De Amerikaanse schrijver Jim Curtiss werd geboren in 1969 in Beaver Falls, Pennsylvania. In 2008 verscheen van hem een fictie en nonfictie onder de titel „Stories from elsewhere”. Zijn roman Every Thing Counts is nog niet gepubliceerd, maar delen ervan zijn opgenomen in de bundel „Stories from elsewhere” en in de bloemlezing „Falling in Love Again” van de Outrider Press.

 

Uit: Every Thing Counts

 

„When I wasn’t examining it, I carried the ring in my pocket. I thought of it as a charm, a type of connection with my grandmother’s spirit. It had been her ring, after all, and perhaps it would bring me some of her wisdom. Perhaps it would see me through the turmoil of deciding between tying myself to a Central European lady or remaining Mr. Freeandeasy. Both paths beckoned, and the situation really didn’t need exacerbated by the re-appearance of rock-and-roll hoochie-koo. But sometimes I suppose these things happen for a reason.

The story: On Feb. 1st I told Liliana I was going into town to meet Josh. No problem, she said. She had a lot of work.

Into town I went. After two beers and no Josh, I called my messages and he’d left one saying he couldn’t make it. Great.

So, being the in-love fool that I was, I hurried back to spend a quiet evening with baby.

But when I knocked on her dorm room there was no answer.

Ok…

Since I didn’t have to teach the next day, I headed over to the big campus bar to see if Karel was there. Maybe we’d play some pool.

I went in, got a beer, and looked around the large hall. There were perhaps 30 square tables in the middle of the room, pool tables off to the right. Being a weeknight and sparsely peopled, it was easy to pick out Liliana.

She was sitting with Mr. Rock and Roll himself, Zdenek I-forget-his-last-name (Ok, I do remember it, but I’m spiting it out of memory).

Liliana was sitting with her back to me, Zdenek to her left. I could partially see his face.

Like an idiot, I skulked over to a nearby table and watched them. They were enjoying each other’s company, and every now an
d again they’d explode in laughter.“

 

Curtiss

Jim Curtiss (Beaver Falls, 1969)