Murat Isik, David van Reybrouck, D.H. Lawrence, Eddy van Vliet, Andre Dubus III, Tomas Venclova, Merrill Moore, Barbara Bongartz, Adam Asnyk

De Nederlands-Turkse schrijver, columnist en journalist Murat Isik werd geboren in Izmir op 11 september 1977. Zie ook alle tags voor Murat Isik op dit blog.

Uit: Wees onzichtbaar

“De mannen liepen de lift uit. In Hamburg had ik geen enkele zwarte man gezien, maar in Amsterdam was ik alleen nog maar negers tegengekomen, zoals Kadir ze noemde. Erol wees afkeurend naar een plas midden op de liftvloer. ‘Ik hoop maar dat het water is en geen pis.’ Terwijl we ons met vertrokken gezichten tegen de wand drukten, kwam de lift schuddend in beweging en stopte bij de tweede verdieping. We stapten uit in een klein halletje met houten lambrisering. Kadir en Erol liepen de galerij op en riepen gelijktijdig: ‘ We zijn er!’
Ik keek naar het brede raam waar vitrage voor hing. Kadir belde aan. Er klonk geroezemoes dat overging in luide mannenstemmen, deuren sloegen dicht. Mijn moeder leek naar de grond te staren, maar vanonder haar wimpers keek ze afwachtend omhoog. Mijn zus liet mijn hand los, veegde het haar uit haar gezicht en zette een glimlach op. Ik verwachtte elk moment het lachende gezicht van mijn vader in de deuropening te zien. Hij zou me oppakken en in de lucht houden.
Een sleutel draaide in het slot. Er klonk een klik en de deur ging met een zwaai open. Mijn vader stond in de deuropening en keek ons vragend aan, alsof hij ons niet verwacht had. Ik herkende hem nauwelijks: hij had zijn grote snor afgeschoren waardoor hij er tien jaar jonger uitzag. Hij schudde eerst Kadir en Erol zakelijk de hand. Daarna keek hij mijn moeder onbewogen aan, maakte een uitnodigend gebaar met zijn arm en klopte haar op de rug zoals ik mannen in het buurtcentrum in Hamburg bij elkaar had zien doen. Mijn zus en ik kregen een korte aai over ons hoofd.
‘ Waar bleven jullie?’ vroeg mijn vader.
Drie voor mij onbekende mannen stonden in de woonkamer. Ze begroetten ons afstandelijk. Mijn oog viel op de grote zwart-witte buffetkast die bijna een halve muur besloeg en het bruine behang met motiefjes van gedroogde bloemen. Mijn zus en ik renden meteen kirrend door het huis dat groter leek dan elk ander huis dat we ooit hadden betreden. Ik struikelde telkens over de houten drempel tussen de deuropeningen. ‘Dit wordt mijn kamer!’ riep mijn zus toen we de slaapkamer aan de kant van de galerij betraden. Het was de enige kamer met een bed. In de andere kamers lagen matrassen op de grond.
In de woonkamer vertelden Kadir en Erol over onze lange reis. Mijn moe- der zat op de hoek van de bank.
‘Baba!’ riep ik. ‘Baba, ik heb autogereden!’
Mijn vader reageerde niet. Hij luisterde naar Kadir en keek er ernstig bij.”

 
Murat Isik (Izmir, 11 september 1977)

 

De Vlaamse dichter, schrijver en wetenschapper David Van Reybrouck werd geboren in Brugge op 11 september 1971. Zie ook alle tags voor David van Reybrouck op dit blog.

Uit: De Plaag

“Zoals gewoonlijk bestel ik een dagsoep en een pint. Eens per maand kom ik in dit Utrechts bistrootje eten, het ligt op de weg van de universiteitsbibliotheek naar het station. Ik neem mijn boekentas op schoot. Het oude leer kreunt onder het gewicht, weer te veel boeken mee. In Leiden werk ik aan een proefschrift over de geschiedenis van de prehistorische archeologie, maar af en toe kom ik naar Utrecht, want hier zit de belangrijkste vakgroep primatologie van de Lage Landen. Ik wil weten hoe gedragsstudies van mensapen de beeldvorming over onze voor ouders gekleurd hebben.
In mijn boekentas zitten een paar monografieën over het sociaal gedrag van chimpansees, een congresbundel uit de vroege ja ren zestig over agressie bij bavianen en een stapel fotokopieën over onderwerpen waar men het niet over eens kan worden: seks frequentie, mannelijke dominantie, het voordeel van grote hoektanden. Dit is een heerlijk rustmoment. Na een dag opzoeken, diagonaal lezen en kopiëren eventjes de buit bekijken, zoals een stroper zijn ransel inspecteert. Mijn blik gaat niet meteen naar de klassiekers en de standaardwerken, maar naar een onooglijk pocketje uit 1969 dat tussen de grote banden wegkwijnt, een kerkje naast wolkenkrabbers. Ik haal het eruit.
Eugène Ma rais, staat erop, The Soul of the Ape. Het is aan alle kanten lelijk: de rug is hel oranje, op de voorkant staat een brullende baviaan, de achterkant zegt me dat het vijftig shilling gekost heeft. Meer lijkt het me ook niet waard, zelfs niet na dertig jaar inflatie.
‘Mag ik even?’ zegt de serveerster en ze schuift een papieren placemat onder mijn handen. ‘Neem me niet kwalijk,’ mompel ik, het boek opheffend. Ze legt ook nog een servet en wat bestek neer.
Een paar maanden geleden had iemand me Marais aangeraden. Je werkt aan de geschiedenis van de primatologie? Dan moest ik die rare Zuid-Afrikaan maar eens lezen. Die zou twee boeken geschreven hebben: The Soul of the Ape en The Soul of the White Ant. Dat laatste kon me gestolen worden. Ik was al van Neanderthalers overgestapt naar apen, ik zou niet nog eens overstappen naar termieten. Maar Marais zou naar verluidt al heel vroeg bavianen in het wild bestudeerd hebben, reeds vanaf het begin van de twintigste eeuw. Ik had er mijn twijfels over. Al mijn onderzoek wees erop dat pas in de jaren vijftig een begin werd gemaakt met systematisch veldwerk bij apen in het wild.
Luchtvaart, landrovers en malariapillen maakten dit soort onderzoek ineens een stuk haalbaarder.”

 
David van Reybrouck (Brugge, 11 september 1971)

 

De Engelse dichter en schrijver D.H. Lawrence werd geboren op 11 september 1885 in Eastwood (Nottinghamshire). Zie ook alle tags voor D. H. Lawrence op dit blog.

Uit: Sons and Lovers

“She was thirty-one years old, and had been married eight years. A rather small woman, of delicate mould but resolute bearing, she shrank a little from the first contact with the Bottoms women. She came down in the July, and in the September expected her third baby.
Her husband was a miner. They had only been in their new home three weeks when the wakes, or fair, began. Morel, she knew, was sure to make a holiday of it. He went off early on the Monday morning, the day of the fair. The two children were highly excited. William, a boy of seven, fled off immediately after breakfast, to prowl round the wakes ground, leaving Annie, who was only five, to whine all morning to go also. Mrs. Morel did her work. She scarcely knew her neighbours yet, and knew no one with whom to trust the little girl. So she promised to take her to the wakes after dinner.
William appeared at half-past twelve. He was a very active lad, fair-haired, freckled, with a touch of the Dane or Norwegian about him.
“Can I have my dinner, mother?” he cried, rushing in with his cap on. “‘Cause it begins at half-past one, the man says so.”
“You can have your dinner as soon as it’s done,” replied the mother.
“Isn’t it done?” he cried, his blue eyes staring at her in indignation. “Then I’m goin’ be-out it.”
“You’ll do nothing of the sort. It will be done in five minutes. It is only half-past twelve.”
“They’ll be beginnin’,” the boy half cried, half shouted.
“You won’t die if they do,” said the mother. “Besides, it’s only half-past twelve, so you’ve a full hour.”
The lad began hastily to lay the table, and directly the three sat down. They were eating batter-pudding and jam, when the boy jumped off his chair and stood perfectly stiff. Some distance away could be heard the first small braying of a merry-go-round, and the tooting of a horn. His face quivered as he looked at his mother.
“I told you!” he said, running to the dresser for his cap.
“Take your pudding in your hand–and it’s only five past one, so you were wrong–you haven’t got your twopence,” cried the mother in a breath.
The boy came back, bitterly disappointed, for his twopence, then went off without a word.
“I want to go, I want to go,” said Annie, beginning to cry.
“Well, and you shall go, whining, wizzening little stick!” said the mother. And later in the afternoon she trudged up the hill under the tall hedge with her child. The hay was gathered from the fields, and cattle were turned on to the eddish. It was warm, peaceful.”


D.H. Lawrence (11 september 1885 – 2 maart 1930)
Rupert Evans als Paul en James Murray als William Morel in de gelijknamige tv-film uit 2003

 

De Vlaamse dichter en schrijver Eddy van Vliet werd geboren op 11 september 1942 in Antwerpen. Zie ook alle tags voor Eddy van Vliet op dit blog

Oud Antwerpen

de druiven rijpen niet
nauwelijks de zon
langs de oude kaaien opgekomen
plots deze regen
regen van neon
regen langs de schepen
zimmer
chambres pour voyageurs
lachen de huizen de late bezoekers toe
de vrouwen in rood en blauw
uitnodigend de ramen zacht
stilte langs het steen
liefde zoeken langs de stenen
gooien we onze ankers uit
in de stapelhuizen
huizen we bij de ratten
bij maria van den hoek
op de hoek van de krabbenstraat
tekenen we 13 op de muur
en bestellen griekse wijn
zuur langs de monden
roepen athene tot getuige
op de tafel
onder de stoelen
om veelkleurig te rijden
de kathedraal tegemoet
wachten op zijn tweede toren
zoals de drie indonesiërs
op maria van den hoek
13 op de muren getekend
en plots de regen
steeds de regen

 

De eend

Doelend op de eend die dook
riep je: zij gaat dood.

Langs het jaagpad liepen wij er heen.
Wat verdween kwam niet weer.
Voor de een: verborgen in het riet,
voor de ander: op de bodem van het diep.

Voorlopig en definitief.
Woorden die weerkwamen in elke brief.

 
Eddy van Vliet (11 september 1942 – 5 oktober 2002)
Cover

 

De Amerikaanse schrijver Andre Dubus III werd geboren op 11 september 1959 in Oceanside, California. Zie ook alle tags voor Andre Dubus III op dit blog.

Uit: The Cage Keeper

“It’s midnight in December, an hour past lights out, and I’m walking the hall of the women’s wing. I open the doors fast so the hinges don’t squeak and I run the beam of my flashlight over the beds. I try not to shine it in anybody’s face while they’re sleeping but sometimes I have to if their hair is in the way or something. They don’t like that. Emma, this black woman from the projects of east Denver, she’s mean; once I shined the light in her eyes and she threw her clock radio at me, yelled something like, “Get that damn light outta my face.” I had to put her on restriction and cancel four of her weekend furloughs for that. Emma has ten kids and I guess I’m supposed to feel sorry for her when she can’t get back to Denver to see them after throwing a radio at me. Fact is, I’m not too popular around here anyway. Leon is, though.
Leon’s black and he lifts weights down at a gym near the university here in Boulder. His father’s a realtor like mine, so he didn’t grow up poor. And he doesn’t let any of the black inmates come across with their “Hey, brother” malarkey either. Usually, when they start a sentence like that with him, they’re trying to butter him up for some favor or another and Leon knows it. But he just puts his finger to their chest lightly and says, “Don’t be giving me no brother shit, Clay. Now go wash down the mess hall walls.” But he is more popular than I am. Not that I’m very worried about it, because I’m not. Like my older brother, Mark, the House Director, said to us in a meeting once: “If the inmates like you too much, then you’re not doing your job properly.” Leon does his job; it’s just that he looks at these people differently than I do. We talked about this over a couple beers at The Rhino once after our four P.M. to one A.M. shift. He said that it’s probably because he’s black that he roots for the underdog. Me. I don’t look at it that way; I don’t believe that all convicted adult felons are underdogs. Plus, I have always felt for the person who just had their car stolen, or was mugged or raped or even killed. Those are the ones I feel sorry for. And I guess even though Leon and I approach our jobs in pretty much the same way, which is rule enforcer first, someone to talk to second, the inmates must pick up on this philosophical difference somehow.
It’s amazing how they can do that. Like the last time we came out of a staff meeting after having just decided to initiate a surprise room-to-room search for contraband. When we got upstairs most everybody was in their rooms organizing things, cleaning up, and I’m sure, tossing an item or two out the window into the alley.”

 
Andre Dubus III (Oceanside, 11 september 1959)

 

De Litouwse dichter, schrijver en vertaler Tomas Venclova werd geboren op 11 september 1937 in Klaipeda, Litouwen. Zie ook alle tags voor Tomas Venclova op dit blog.

A Poem About Friends

For Natalija Gorbanevskaya

When even strangers are not strangers
And all that has not yet happened
Flows in currents to nonexistence,
As if nothingness had a direction,
When outside the city day ends
And the radio crackles as the storm approaches,
Let’s lock ourselves away once again
From the last minutes of summer.

When the skies are dark, through the door walk
The vanished, the overdue, the retreated
For whom this night our room
Is the only Elysian field,
Whose shadows wander through our dreams
Having loved and forgotten each other,
Who settle down in the pits of mirrors
And unexpectedly surface and rise.

And so are reborn in their buried coffins
The winged women, the unseen brothers,
The generation long changed to echoes,
To book margins, to dry grass;
And those who still live are gathered by fogs,
Empty houses and long journeys.
Their weaponresistance and silence,
And the hope that Apollo may yet save them.

The garret will dissemble nature’s bounds,
The night will separate the thaw from the frost,
And even language in the presence of death
Will protect their constancy if,

Having poisoned sensation and thought,
Having hollowed out a hole in the stone steps,
An unasked for future awaits them

Their wasted and remitted thing.

They visited our forest. The dead
Furniture remembers their wood-like fingers.
Having marched into maturity
They do not answer to the earthly judge.
They are an open and great family
Whose children share a single name

Having replaced their voice, emptiness
Fills our spaces to the limit.

I don’t believe in misadventure and believe
In friends for whom I have equally divided
The distance between the world and the eyes,
This fragile and ethereal endlessness.
All faces vanish in the light.
Lamps burn out, truths come clear,
But all their footsteps meet in me
The way parallel lines in the distance converge.

Again the fall, filled and lavish.
In the city won by a few souls
Above foreign streetcars and old houses
This is September’s first brave hour.
Large barges loom in the water,
Each nerve in the morning is strained,
And the first leaf that hits the ground
Is angular, like a coat of arms.

 

Vertaald door Jonas Zdanys

 
Tomas Venclova (Klaipeda, 11 september 1937)

 

De Amerikaanse dichter en psychiater Merrill Moore werd geboren op 11 september 1903 in Columbia, Tennessee. Zie ook alle tags voor Merrill Moore op dit blog.

No Envy, John Carter

Some night, John Carter, you will dream of hands,
Hands that are dead now, or as good as dead,
That you killed, or as good as made them die
Along the road that you have prospered by;
And I will never envy you the dread
With which you must awake then, as you see
Hands stretched towards you, striving, piteously
Stretched, beseeching, grasping at what was taken,

Hands by pain and grievance sorely shaken
And pointed at you while your agents keep
The power you’ve gained in this and other lands –
Some night, Mr. Carter, you will dream.
But it will not be an untroubled dream,
And, oh, I shall not envy you your sleep.

 

A Hymn For Water

Go get water, it is good to drink
Water will drown better than wine will drown
Certain sorrows that will not go down.

Water has sunk more grievances than wine
And will continue. Turn the water on
Stick your hand in the stream; water will run

And kiss it like a dog or it will shake
It like a friend or it will tremble there
Like a woman sobbing with her hair
Falling in her face and do not think.

That water has been everything, it has
But now it is only water, that will make
You whole as it is whole, clear as it is,
Immune against fate and her traitories.

 
Merrill Moore (11 september 1903 – 20 september 1957)
In 1945

 

De Duitse schrijfster Barbara Bongartz werd geboren op 11 september 1957 in Keulen. Zie ook alle tags voor Barbara Bongartz op dit blog.

Uit: Karpfen grün

„Der Fisch sah ungewöhnlich aus. Das Gericht, das er vorstellen sollte, heißt Karpfen blau. Man kann das auch mit Forelle machen, ich habe später im Kochbuch nachgesehen. Nachdem man ihn erschlagen hat, läßt man den Fisch in heißem, nicht kochendem Wasser sieden, bis er blau anläuft, ein Färbungsprozeß, den man bei Menschen nur kennt, wenn sie erkalten. Man serviert das zuvor mit Milchbrot gemästete Tier an zerlassener Butter, neuen Kartoffeln und frischem Gemüse. Ich fragte mich, ob es mit der besonderen Zusammensetzung ihres Blutes zusammenhängt, daß diese Fische blau anlaufen, wenn man sie erhitzt.
Dieser hatte die falsche Farbe. Er war grün, als hätte er den Span einer Bronze angesetzt, die seit Jahren auf einen Sockel gebettet im Garten liegt. Span hätte auch gut zu seiner Attitüde gepaßt. Attitüde, sage ich, weil mir dunkel bewußt war, daß nicht jeder Karpfen so in einer Schüssel liegt. Er sah aus, als hätte die Hausfrau ihn hingedreht, den Schwanz extra aufgestellt, so wie ein Bildhauer der Tonstudie zu seiner Skulptur noch den letzten Schwung verleiht. Der Schwung lag hier im Schwanz. Über den Leib war ein dichtes Knäuel aus Kräutern gedeckt. Meine Mutter pflegte so die toten kleinen Vögel, die im Frühjahr manchmal aus den Nestern fallen, zu bestatten. Grün wie er da lag, drängte sich mir außer anderen, nicht so schönen Gedanken die Frage auf, ob er vielleicht gar kein Fischblut in sich gehabt habe, sondern anderes Blut. Was sonst mochte der Grund der falschen Farbe sein?
Ich wußte, er war nicht am selben Tag geschlachtet worden. Zumindest schenkte ich Meggi darin Glauben, weil sie viel zu mitfühlend war, ein Tier eigenhändig zu erschlagen. Sie kannte nicht einmal aus Erzählungen die Schweinerei, die es macht, einen Karpfen zu töten. Nicht, daß ich je Erfahrung damit gehabt hätte. Ich mochte Karpfen nicht, wahrscheinlich, weil bei uns in der Familie niemand ein Faible für Allesfresser hatte, außer meiner Tante Gerda. Tante Gerda schwärmte für fette Fische, und da sie jung und frisch sein mußten und gut gewässert, hielt sie die Tiere, bevor sie gnadenlos unter den Hammer kamen, einige Tage in der Badewanne. Alle mußten währenddessen duschen, was Eliza, meine sehr viel ältere Kusine, besonders störte. Sie liebte damals schon, als ich noch nicht einmal wußte, was ein Badeduft war, kochend heiße, schaumgekrönte Bäder. Natürlich kam bei meiner Tante der Karpfen Weihnachten dran, und da Eliza nicht baden konnte, war ihr Jahre später noch Weihnachten so verhaßt, wie es das sonst nur den orthodoxen Eltern längst assimilierter jüdischer Nachkommen ist.
„Weihnachten treibt mich wie Vieh unter die Duschstation“, maulte Eliza, die nicht nur gern badete, sondern auch gern gut und am liebsten fettfrei aß. Sie liebte es ebenso, sich nach einem langen, ausgiebigen Schaumbad schön anzuziehen. Soviel Sinn für Eleganz mußte vor einem so häßlichen Blauknochen kapitulieren.“

 
Barbara Bongartz (Keulen, 11 september 1957)

 

De Poolse dichter en toneelschrijver Adam Asnyk werd geboren op 11 september 1838 in Kalisz. Zie ook alle tags voor Adam Asnyk op dit blog.

Das verwelkte Blättchen

Mein Herz, das ruhelose,
Es wallte stürmisch auf,
Ich nahm von der weißen Rose
Ein Blatt und schrieb darauf.

Die Worte süß und bange
Die nie geworden laut,
Die hab’ ich im heißen Drange
Dem zarten Blatt vertraut.

Die Hoffnung, die ich hegte,
Die Schmerzen, die ich litt,
Was mich im Traum bewegte,
Dem Blättchen theilt’ ich’s mit.

Bestimmt war’s ihren Händen,
Entziffern sollte sie’s
Und dann mir Antwort senden
Auf gleichem Blatt wie dies.

Noch einmal wollt’ ich prüfen
Die seltene Schrift vorher,
Doch ach, die Züge verliefen,
Kein Wort erkannt’ ich mehr.

Das Blatt war welk und faltig,
Und jede Spur verschwand
Der Worte süß und gewaltig,
Bestimmt für ihre Hand!

Vertaald door Heinrich Nitschmann

 
Adam Asnyk (11 september 1838 – 2 augustus 1897)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e september ook mijn blog van 11 september 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

David van Reybrouck, Murat Isik, D.H. Lawrence, Eddy van Vliet, Andre Dubus III, Tomas Venclova, Merrill Moore, Barbara Bongartz, Adam Asnyk

De Vlaamse dichter, schrijver en wetenschapper David Van Reybrouck werd geboren in Brugge op 11 september 1971. Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor David van Reybrouck op dit blog.

Zink
in memoriam Lisbé Smuts-Smith

1
Veeg de sneeuw van de daken
vouw de vogels weer dicht
laat de winter nog slapen
doe iets aan het licht

Sluit de tuin en strooi kiezels
in het bord van het kind
pluk messen en wespen
plet van perziken de pit.

(Gordijnen wil men en aceton
en al wat de lente vertraagt.
Slavernij desnoods of spoorwegen
of ergens iets desolaats.)

2
Nu klotst het water zaagt men hout
blaffen honden brutaal

Nu zit ik hier in deze vlei
te roeien naar een taal

Papyrus zingt de ibis vliegt
de stilte hoort men niet

De boot valt stil wij stappen uit
en rillen met het riet

Onder het water zal mijn adem
trager woorden blazen

Dit machteloze schrijven
is een vroege vorm van zwijgen –

 
David van Reybrouck (Brugge, 11 september 1971)

Continue reading “David van Reybrouck, Murat Isik, D.H. Lawrence, Eddy van Vliet, Andre Dubus III, Tomas Venclova, Merrill Moore, Barbara Bongartz, Adam Asnyk”

Adam Asnyk, James Thomson, Thomas Parnell, Fitz Hugh Ludlow, Johann Jakob Engel

De Poolse dichter en toneelschrijver Adam Asnyk werd geboren op 11 september 1838 in Kalisz. Zie ook alle tags voor Adam Asnyk op dit blog en ook mijn blog van 11 september 2010.

No, nothing happened there between us two

No, nothing happened there between us two.
Confessions none, no secrets to reveal.
No obligations had we to pursue,
But for the springtide fancies so unreal;

But for the fragrances and colors bright
That floated freely in the mirthful air,
But for the singing groves by day or night,
And all the green and fragrant meadows there;

But for the brooks and waterfalls up high
That cheerfully sprinkled every gorge and dell,
But for the clouds and rainbows in the sky,
But for the nature’s of all sweetest spell.

But for the lucid fountains we did share,
Wherefrom our hearts would drink delights so true,
But for the primroses and bindweeds there,
No, nothing happened there between us two.

Vertaald door Jarek Zawadzki

 

 
Adam Asnyk (11 september 1838 – 2 augustus 1897)
Adam Asnyk en de muze, geschilderd door Jacek Malczewski 

Continue reading “Adam Asnyk, James Thomson, Thomas Parnell, Fitz Hugh Ludlow, Johann Jakob Engel”

O. Henry, Joachim Fernau, Peter Hille, Adam Asnyk, James Thomson, Thomas Parnell, Fitz Hugh Ludlow, Johann Jakob Engel

De Amerikaanse schrijver O.Henry, pseudoniem van William Sydney Porter , werd geboren in Greensboro (North Carolina) op 11 september 1862. Zie ook mijn blog van 11 september 2008 en ook mijn blog van 11 september 2009 en ook mijn blog van 11 september 2010.

 

Uit: The Gift of the Magi

“There was a pier-glass between the windows of the room. Perhaps you have seen a pier-glass in an $8 flat. A very thin and very agile person may, by observing his reflection in a rapid sequence of longitudinal strips, obtain a fairly accurate conception of his looks. Della, being slender, had mastered the art.
Suddenly she whirled from the window and stood before the glass. Her eyes were shining brilliantly, but her face had lost its color within twenty seconds. Rapidly she pulled down her hair and let it fall to its full length.
Now, there were two possessions of the James Dillingham Youngs in which they both took a mighty pride. One was Jim’s gold watch that had been his father’s and his grandfather’s. The other was Delia’s hair. Had the Queen of Sheba lived in the flat across the airshaft, Delia would have let her hair hang out the window some day to dry just to depreciate Her Majesty’s jewels and gifts. Had King Solomon been the janitor, with all his treasures piled up in the basement, Jim would have pulled out his watch every time he passed just to see him pluck at his beard from envy.
So now Della’s beautiful hair fell about her rippling and shining like a cascade of brown waters. It reached below her knee and made itself almost a garment for her. And then she did it up again nervously and quickly. Once she faltered for a minute and stood still while a tear or two splashed on the worn red carpet.
On went her old brown jacket; on went her old brown hat. With a whirl of skirts and with the brilliant sparkle still in her eyes, she fluttered out the door and down the stairs to the street.
Where she stopped and sign read: “Mme. Sofronie. Hair Goods of All Kinds.” One flight up Della ran, and collected herself, panting. Madame, large, too white, chilly, hardly looked the “Sofronie.”.
“Will you buy my hair?” asked Della.
“I buy hair,” said Madame. “Take yer hat off and let’s have a sight at the looks of it.”
Down rippled the brown cascade.
“Twenty dollars,” said Madame, lifting the mass with a practised hand.
“Give it to me quick,” said Della.
Oh, and the next two hours tripped by on rosy wings. Forget the hashed metaphor. She was ransacking the stores for Jim’s present.
She found it at last. It surely had been made for Jim and no one else. There was no other like it in any of the stores, and she had turned all of them inside out. It was a platinum fob chain simple and chaste in design, properly proclaiming its value by substance alone and not by meretricious ornamentation—as all good things should do. It was even worthy of The Watch. As soon as she saw it she knew that it must be Jim’s. It was like him. Quietness and value—the description applied to both.”

 

O. Henry (11 september 1862 – 5 juni 1910)

Continue reading “O. Henry, Joachim Fernau, Peter Hille, Adam Asnyk, James Thomson, Thomas Parnell, Fitz Hugh Ludlow, Johann Jakob Engel”

D.H. Lawrence, Eddy van Vliet, Barbara Bongartz, Tomas Venclova, O. Henry, Joachim Fernau, Peter Hille, Adam Asnyk, Fitz Hugh Ludlow, James Thomson, Thomas Parnell, Johann Jakob Engel

De Engelse dichter en schrijver D.H. Lawrence werd geboren op 11 september 1885 in Eastwood (Nottinghamshire). Zie ook mijn blog van 11 september 2006 en ook mijn blog van 11 september 2007 en ook mijn blog van 11 september 2008 en ook mijn blog van 11 september 2009.

From A College Window

The glimmer of the limes, sun-heavy, sleeping,
Goes trembling past me up the College wall.
Below, the lawn, in soft blue shade is keeping
The diasy-froth quiescent, softly in thrall.

Beyond the leaves that overhang the street,
Along the flagged, clean pavement summer-white,
Passes the world with shadows at their feet
Going left and right.

Romoste, although I hear the beggar’s cough,
See the woman’s twinkling fingers tend him a coin,
I sit absolved, assured I am better off
Beyond a world I never want to join.

 

On That Day

ON that day
I shall put roses on roses, and cover your grave
With multitude of white roses: and since you were brave
One bright red ray.

So people, passing under
The ash-trees of the valley-road, will raise
Their eyes and look at the grave on the hill, in wonder,
Wondering mount, and put the flowers asunder

To see whose praise
Is blazoned here so white and so bloodily red.
Then they will say: “’Tis long since she is dead,
Who has remembered her after many days?”

And standing there
They will consider how you went your ways
Unnoticed among them, a still queen lost in the maze
Of this earthly affair.

A queen, they’ll say,
Has slept unnoticed on a forgotten hill.
Sleeps on unknown, unnoticed there, until
Dawns my insurgent day.

 

No! Mr. Lawrence!

No, Mr Lawrence, it’s not like that!
I don’t mnd telling you
I know a thing or two about love,
perhaps more than you do.

And what I know is that you make it
too nice, too beautiful.
It’s not like that, you know; you fake it.
It’s really rather dull.

Lawrence

D.H. Lawrence (11 september 1885 – 2 maart 1930)
Portret door Mike Bolt

 

De Vlaamse dichter Eddy van Vliet werd geboren op 11 september 1942 in Antwerpen. Zie ook mijn blog van 11 september 2006 en ook mijn blog van 11 september 2007 en ook mijn blog van 11 september 2008 en ook mijn blog van 11 september 2009.

Wij gingen uit stelen

Wij gingen uit stelen en begonnen meteen
met de dag. Van zonsopgang tot een handvol
peperdure minuten na middernacht.

Wij verzamelden geneeskrachtige kruiden
zoals de zangerige lus van de bergweg,
de speeltuinen en de boomgaard waarin
het boerse linnen te bleken lag.

Wij droogden wat we met honderd listigheden
verworven hadden en stampten het fijn
met de vijzel van alwetendheid tot woorden
die door niemand konden worden uitgelegd.

 

De kustlijn verandert niet voor de visser

De kustlijn verandert niet voor de visser
die dagelijks zijn netten uitgooit
en onder het slijk het aardewerk niet vermoedt

Het land was steeds land voor de boer
die over haaienkerkhoven heen
zijn wiede afstapt

Graniet is hard en eeuwig en zo ook het marmer
voor het kind dat metershoge
tot kiezels afgesleten rotsen
over het wateroppervlak doet springen

Onfeilbaar juist was de tijd
voor de Majapriesters die na 260 dagen
een nieuw jaar intraden

En toch vraag ik je soms
‘wanneer kom je terug?’
terwijl tranen op je wangen zich oplossen in de lucht
en zich vermengen met het stof van een van een volgende eeuw.

 vanvliet

Eddy van Vliet (11 september 1942 – 5 oktober 2002)

 

De Duitse schrijfster Barbara Bongartz werd geboren op 11 september 1957 in Keulen. Bongartz studeerde theater-, film-en tv-Studies (TFF), germanistiek en filosofie in Parijs, München en Keulen. In 1984 ontving ze een master aan de Universiteit van Keulen. Van 1982 tot 1988 werkte zij als freelance assistent-directeur en directeur (documentaires over beeldende kunst). In 1989 studeerde ze af aan het instituut voor Theater-Film-und Fernsehwissenschaft van de Universiteit van Keulen. Vanaf 1996 leefde ze als een freelance schrijver in Düsseldorf en New York. In samenwerking met beeldend kunstenaar Gisela Kleinlein ontstaan edities en speciale edities van hun geschriften. Sinds 2002 woont en werkt in Berlijn. Bongartz schrijft romans, korte verhalen, essays, artikelen over beeldende kunst, boekbesprekingen en radio-uitzendingen.

Uit: Die amerikanische Katze

„Es war einer dieser grausamen heißen Sommer in Manhattan, und ich verbrachte oft schlaflose Nächte. Es war jener Sommer, in dem Präsident Clinton beinah zu Fall gebracht worden wäre, und ich wußte nicht, was ich in New York sollte. Ich fühlte mich schlecht. Ich hatte einen scheußlichen Winter gehabt.

Zum Herbst hin war ein dickes Buch von mir über Die Melancholie des Vergeblichen erschienen, ein wirklicher Koloß von einem Wälzer, ein fett gebundener Schinken unter der Vielzahl von Schwarten, der nur mit Mühe seine Blätter hielt. Seit der Buchmesse fürchtete ich die öffentliche Reaktion. Man hatte mir schon einmal nachgesagt, ich sei das Produkt fremder Geister, meine Notate ausschließlich den Einflüsterungen fremder Stimmen zu verdanken, sämtliche meiner Worte Zitate. Da meine Herkunft dunkel ist, ist es schwer, all dieses zu widerlegen.

Ich bin keine sehr stabile Persönlichkeit. Weder meine dubiose Vergangenheit, noch meine desolate Gegenwart, noch meine unsichere Zukunft stehen dafür. Und als Ende Februar des Jahres 1998 etwas Unerwartetes geschah, wurde ich panisch. Ein Mann rief mich an. Er sprach mit tiefer, eindringlicher Stimme. Es war die Stimme eines Fremden. Er sagte, sein Name sei Stroheim, “und ich bin auf der Flucht vor meiner Frau.” Ich antwortete ihm, daß er sich verwählt haben müsse, denn einen Mann dieses Namens kennte ich nicht. Der Fremde hielt dagegen. Er sei deutschstämmig – aus Swinemünde auf Usedom in Polen – , und wir seien verwandt. Er wolle sich im Rheinland niederlassen, und ich, als seine Verwandte, müsse ihm behilflich sein. Es nützte nichts, daß ich versuchte, ihm begreiflich zu machen, daß meine Herkunft dunkel sei, daß ich keinen Nachweis über Verwandte hätte, ja daß ich nicht einmal sagen könnte, ob der deutsche Paß meiner Herkunft entspreche. Er sagte, er wisse davon. Er wisse mehr als ich von mir. Er wisse alles, und er würde es mir erzählen, wenn ich ihm behilflich sei. Und wenn ich ihm nicht behilflich sein wolle, erzählte er es mir erst recht. Ich würde mich wundern. Ich weigerte mich, ihn zu sehen, und legte auf.“

 bongartz

Barbara Bongartz (Keulen, 11 september 1957)

 

De Litouwse dichter, schrijver en vertaler Tomas Venclova werd geboren op 11 september 1937 in Klaipeda, Litouwen. Hij is de zoon van Antanas Venclova, ook een schrijver, maar ook een communistisch politicus. Venclova, die in 1977 is geëmigreerd uit Litouwen in 1977, doceert aan de Yale University, VS, Russische en Oost-Europese literatuur. In de zomer van 2010 bekleedde Tomas Venclova de Samuel Fischer gastleerstoel letterkunde aan de Vrije Universiteit van Berlijn.

Vor der Tür das Ende der Welt

Vor der Tür das Ende der Welt.
Von fernher rollt die Flut.
Das Licht wie ein Spalt
Zwischen Wind und Stein.
Ich bin hier geboren, ewig ist es her,
Doch das Ufer hat sich schon früher geteilt
(Noch tiefer leuchtet die Lage Kies
Am Saum der schwindenden Nacht).

Den glatten Asphalt werden ein wenig
Massige Strahlen aufrauhen,
Die Kiefer wird Sauerstoff atmen
Über so manchem Schieferdach.
Glut wird leuchten im Eck,
Von Zukunft kein Moment mehr übrig sein,
Dem Säugling angst sein vor der Nacht,
Er wird sich retten in den Schlaf.

Kein Ochs wird an der Schwelle stehn,
Keine drei Könige, kein Ruhm,
Doch für den Herrn gibt’s Raum genug,
Da braucht sich bloß der Nadelbaum
Zu neigen, der am Fenster knarrt –
Gewölbe und Achse der Welt,
Und Segen wird der Wiege sein
Und nie das Feuer ausgehen im Herd.

Nur weit vom Auge entfernt
Das Kind: ich gehe mit ihm
Den holperigen und steilen Pfad hinauf
Am Hang des Atmens. Ich lausche,
Merke mir die Zeichen, schreite aus,
Und weiß es selber nicht: mit wem
Ich spreche – mit dem, der keine Grenzen kennt,
Oder ganz einfach mit dem Kreis des Lichts.

 venclova

Tomas Venclova (Klaipeda, 11 september 1937)

 

De Amerikaanse schrijver O.Henry, pseudoniem van William Sydney Porter , werd geboren in Greensboro (North Carolina) op 11 september 1862. Zie ook mijn blog van 11 september 2008 en ook mijn blog van 11 september 2009.

Uit: Brickdust Row

“With a curious eye, a critical mind, and a fairly withheld judgement Blinker considered the temples, pagodas and kiosks of popularized delights. Hoi polloi trampled, hustled, and crowded him. Basket parties bumped him; sticky children tumbled, howling, under his feet, candying his clothes. Insolent youths strolling among the booths with hard-won canes under one arm and easily won girls on the other, blew defiant smoke from cheap cigars into his face. The publicity gentlemen with megaphones, each before his own stupendous attraction, roared like Niagara in his ears. Music of all kinds that could be tortured from brass, reed, hide, or string, fought in the air to gain space for its vibrations against its competitors. But what held Blinker in awful fascination was the mob, the multitude, the proletariat shrieking, struggling, hurrying, panting, hurling itself in incontinent frenzy, with unabashed abandon, into the ridiculous sham palaces of trumpery and tinsel pleasures. The vulgarity of it, its brutal overriding of all the tenets of repression and taste that were held by his caste, repelled him strongly.”

henry

O.  Henry (11 september 1862 – 5 juni 1910)

 

De Duitse schrijver, kunstenaar en kunstverzamelaar Joachim Fernau werd geboren in Bromberg op 11 september 1909. Zie ook mijn blog van 11 september 2008 en ook mijn blog van 11 september 2009.

Uit: Deutschland, Deutschland über alles…

“Ach, meine Lieben, die Sache mit dem ersten Kreuzzug war leider ganz, ganz anders. Die Kreuzzüge sind überhaupt eines der merkwürdigsten, interessantesten und folgenschwersten Ereignisse des Mittelalters. Ich kann mich nicht enthalten, sie Ihnen zu erzählen, bitte Sie jedoch, Heinrich IV. nicht aus dem Auge zu verlieren, den wir in einer Ecke Deutschlands abgestellt haben.
Es begann an einem Tage des Jahres 1095 in dem französischen Städtchen Clermont. Dort hielt auf einem Kirchenkonzil der Papst als Hauptreferat eine flammende Rede über die Greuel eines asiatischen Volkes (der Sarazenen), das soeben Kleinasien erobert, die Heiligen Stätten verwüstet und sämtlichen Christen den Hals abgeschnitten hatte. Er endete mit dem Aufruf, einen Kriegszug zur Befreiung des Heiligen Landes im Namen Christi und unter dem Reisezeichen eines Kreuzes zu unternehmen. Wenn Sie sich erinnern, was ich über die innere Wandlung und Bereitschaft der damaligen Menschen sagte, so werden Sie verstehen, daß die Worte des Papstes ungeheuren Eindruck machten. Da der Papst persönlich natürlich nicht dorthin zu ziehen gedachte, waren seine leidenschaftlichen Worte an die Adresse der Könige und Adligen gerichtet. Die Priester, die Mönche, alles schaltete sich ein und erreichte, daß eine Welle kriegerisch-religiöser Begeisterung durch Deutschland, Frankreich und Italien ging.“

fernau

Joachim Fernau (11 september 1909 – 24 november 1988) 

 

De Duitse dichter en schrijver Peter Hille werd geboren in Erwitzen bij Nieheim op 11 september 1854. Zie ook mijn blog van 11 september 2007.en ook mijn blog van 11 september 2008 en ook mijn blog van 11 september 2009.

Wie deine grüngoldnen Augen funkeln

Wie deine grüngoldnen Augen funkeln,
Wald, du moosiger Träumer!
Wie deine Gedanken dunkeln,
Einsiedel, schwer von Leben,
Saftseufzender Tagesversäumer!

Über der Wipfel Hin- und Wiederschweben
Wies Atem holt und voller wogt und braust
Und weiter zieht
und stille wird
und saust.

Über der Wipfel Hin- und Wiederschweben
Hoch droben steht ein ernster Ton,
Dem lauschten tausend Jahre schon
Und werden tausend Jahre lauschen
Und immer dieses starke, donnerdunkle Rauschen.

 

Seegesicht

Die Küste ruht.
Weites Tritonengetut
Silberne Wunden der Flut
Tobende Augen der Wut.

Krähende Pausbacks auf steigenden Rossen,
Plätschernder Spielen purpurne Flossen,
Neckisch Bedräuen mit Zacken und Spießen,
Kräftig anfassendes Leiberumschließen.

Und sieh, eine Muschel fleischgelb und zart

Von Amorinen flüsternd bewahrt.
Hingegossen ruhende Linien,
Grüßender rauschender Palmen und Pinien.
Angeblühte rosige Brüste.
Lächelnde sonnengestreifte Küste.

Fürder kein Dräuen mit Zacken und Spießen
Müdhinlallendes Leiberumschließen.
Nickende Pausbacks auf schlürfenden Rossen. –
Grünhinflüsternde, finstere Flossen.

Erloschene Wunden der Flut,
Fernes Tritonengetut
Stierende Augen der Wut.
Die Küste ruht.

 hille

Peter Hille (11 september 1854 – 7 mei 1904)
Geschilderd door Lovis Corinth, 1902

 

De Poolse dichter en toneelschrijver Adam Asnyk werd geboren op 11 september 1838 in Kalisz en werd opgevoed als erfgenaam van het landgoed van zijn familie. Als zodanig kreeg hij onderwijs op het Instituut voor Landbouw en Bosbouw in Marymont en vervolgens op de Medisch Chirurgische School in Warschau. Hij vervolgde zijn studie in het buitenland in Breslau, Parijs en Heidelberg. In 1862 keerde hij terug naar Congres-Polen en nam deel aan de Januari-opstand tegen Rusland. Hierom moest hij het land ontvluchten en hij vestigde zich in Heidelberg, waar hij in 1866 een doctoraat in de filosofie ontving. Kort daarna keerde hij terug naar Polen en vestigde hij zich aanvankelijk in Lwów en vervolgens in Krakau.

Pointless your mourning

Pointless your mourning and your toil
Helpless your curses dire
Past forms no miracle can bring
Back from funereal pyre.

The world will not release its grip
On fleeting ghosts of yore
Fire or sword will not bring back
What’s lost forevermore.

One must go forward with the living
Reach for new life, instead
Of placing a bunch of wasted laurels
Stubbornly on one’s head.

You shall not turn the tide of life!
Your anger keep at bay
Pointless your mourning and your toil
The world shall go its way.

 

Vertaald door Jan Rybicki

 asnyk

Adam Asnyk (11 september 1838 – 2 augustus 1897)
Adam Asnyk en de muze, geschilderd door Jacek Malczewski

 

De Amerikaanse schrijver, journalist en ontdekkingsreiziger Fitz Hugh Ludlow werd geboren op 11 september 1836 in New York. Ludlow werd vooral bekend door zijn autobiografische boek The Hasheesh Eater uit 1857. De verkenningen van veranderde staten van bewustzijn in de Hasheesh Eater zijn tegelijkertijd ongrijpbaar welsprekende beschrijvingen van subjectieve verschijnselen en surrealistische, bizarre en prachtige literatuur. In zijn tweede boek The Heart of the Continen schreef hij ook over zijn reizen door heel Amerika. Fitz Hugh Ludlow was ook de auteur van vele werken van korte fictie, essays, wetenschappelijke rapportages en kunstkritieken. Hij wijdde veel van de laatste jaren van zijn leven aan pogingen om de behandeling van opiaatverslaafden te verbeteren.

Uit: The Hasheesh Eater

„About the shop of my friend Anderson the apothecary there always existed a peculiar fascination, which early marked it out as my favorite lounging-place. In the very atmosphere of the establishment, loaded as it was with a composite smell of all things curative and preventive, there was an aromatic invitation to scientific musing, which could not have met with a readier acceptance had it spoken in the breath of frankincense. The very gallipots grew gradually to possess a charm for me as they sat calmly ranged upon their oaken shelves, looking like a convention of unostentatious philanthropists, whose silent bosoms teemed with every variety of renovation for the human race. A little sanctum at the inner end of the shop, walled off with red curtains from the profane gaze of the unsanative, contained two chairs for the doctor and myself, and a library where all the masters of physic were grouped, through their sheep and paper representatives, in more friendliness of contact than has ever been known to characterize a consultation of like spirits under any other circumstances. Within the limits of four square feet, Pereira and Christison condensed all their stores of wisdom and research, and Dunglison and Brathwaite sat cheek by jowl beside them. There stood the Dispensatory, with the air of a business-like office, wherein all the specifics of the materia medica had been brought together for a scientific conversazione, but, becoming enamored of each other’s society, had resolved to stay, overcrowded though they might be, and make an indefinite sitting of it. In a modest niche, set apart like a vestibule from the apartments of the medical gentlemen, lay a shallow case, which disclosed, on the lifting of a cover, the neatly-ordered rank of tweezers, probe, and lancet, which constituted my friend’s claim to the confidence of the plethoric community; for although unblessed with metropolitan fame, he was still no “Cromwell guiltless of his country’s blood.”

Here many an hour have I sat buried in the statistics of human life or the history of the make-shifts for its preservation. Here the details of surgical or medical experiment have held me in as complete engrossment as the positions and crises of romance; and here especially, with a disregard to my own safety which would have done credit to Quintus Curitus, have I made upon myself the trial of the effects of every strange drug and chemical which the laboratory could produce.“

ludlow

Fitz Hugh Ludlow (11 september 1836 – 12 september 1870)

 

De Schotse dichter en schrijver James Thomson werd geboren op 11 september 1700 in Ednam, Roxburghshire. Zie ook mijn blog van 11 september 2009.

Evening In Autumn

The western sun withdrawn the shorten’d day,
And humid evening, gliding o’er the sky
In her chill progress, to the ground condensed
The vapours throws. Where creeping waters ooze,
Where marshes stagnate, and where rivers wind,
Cluster the rolling fogs, and swim along
The dusky-mantled lawn. Meanwhile the moon,
Full-orb’d, and breaking through the scatter’d clouds,
Shews her broad visage in the crimson east.
Turn’d to the sun direct, her spotted disk,
Where mountains rise, umbrageous dales descend,
And caverns deep, as optic tube descries,
A smaller earth, gives us his blaze again,
Void of its flame, and sheds a softer day.
Now through the passing cloud she seems to stoop,
Now up the pure cerulean rides sublime.
Wide the pale deluge floats, and streaming mild
O’er the skied mountain to the shadowy vale,
While rocks and floods reflect the quivering gleam,
The whole air whitens with a boundless tide
Of silver radiance, trembling round the world.

 

Gifts

GIVE a man a horse he can ride,
Give a man a boat he can sail;
And his rank and wealth, his strength and health,
On sea nor shore shall fail.

Give a man a pipe he can smoke,
Give a man a book he can read:
And his home is bright with a calm delight,
Though the room be poor indeed.

Give a man a girl he can love,
As I, O my love, love thee;
And his heart is great with the pulse of Fate,
At home, on land, on sea.

thomson

James Thomson (11 september 1700 – 27 augustus 1748)

 

De Ierse dichter Thomas Parnell werd geboren in Dublin op 11 september 1679. Zie ook mijn blog van 11 september 2009.

A Song

Thyrsis, a young and am’rous Swain,
Saw two, the Beauties of the Plain;
Who both his Heart subdue:
Gay Cælia’s Eyes were dazzling fair,
Sabina’s easy Shape and Air
With softer Magick drew.
He haunts the Stream, he haunts the Grove,
Lives in a fond Romance of Love,
And seems for each to dye;
‘Till each a little spiteful grown,
Sabina Cælia’s Shape ran down,
And she Sabina’s Eye.
Their Envy made the Shepherd find
Those Eyes, which Love cou’d only blind;
So set the Lover free:
No more he haunts the Grove or Stream,
Or with a True-love Knot and Name
Engraves a wounded Tree.
Ah Cælia! (sly Sabina cry’d)
Tho’ neither love, we’re both deny’d;
Now, to support the Sex’s Pride,
Let either fix the Dart.
Poor Girl! (says Cælia) say no more;
For shou’d the Swain but one adore,
That Spite which broke his Chains before,
Wou’d break the other’s Heart.

parnell

Thomas Parnell (11 september 1679 – 24 oktober 1718)

 

De Duitse schrijver Johann Jakob Engel werd geboren op 11 september 1741 in Parchim, Mecklenburg-Schwerin. Hij studeerde theologie in Rostock en Bützow, en filosofie in Leipzig, waar hij zijn artsengraad behaalde. In 1776 werd hij benoemd tot hoogleraar in de moraalfilosofie en bellettrie aan het Joachimstal gymnasium in Berlijn, en een paar jaar later werd hij docent van de kroonprins van Pruisen, de latere Frederik Willem III. De lessen in ethiek en politiek die hij gaf aan zijn koninklijke leerling werden gepubliceerd in 1798 onder de titel Furstenspiegel, en zijn een goed voorbeeld van zijn talent als populair filosofisch schrijver. In 1787 werd hij toegelaten tot de Academie van Wetenschappen van Berlijn, en in hetzelfde jaar werd hij directeur van de koninklijke schouwburg, een ambt dat hij zijn ontslag in 1794 vervulde. Naast tal van drama’s, waarvan sommige een groot succes waren, schreef Engel een aantal waardevolle boeken over esthetische onderwerpen.

Uit: Herr Lorenz Stark

Herr Lorenz Stark galt in ganz H ….., wo er lebte, für einen sehr wunderlichen, aber auch sehr vortrefflichen alten Mann. Das Äusserliche seiner Kleidung und seines Betragens verkündigte auf den ersten Blick die altdeutsche Einfalt seines Charakters. Er ging in ein einfarbiges, aber sehr feines Tuch, grau oder bräunlich, gekleidet; auf dem Kopfe trug er einen kurzen Stutz, oder wenn’s galt, eine wohlgepuderte Troddelperücke; mit seinem kleinen Hute kam er zweimal ausser die Mode, und zweimal wieder hinein; die Strümpfe waren mit grosser Zierlichkeit über das Knie hinaufgewickelt; und die stark besohlten Schuhe, auf denen ein Paar sehr kleiner, aber sehr hell polirter Schnallen glänzten, waren vorne stumpf abgeschnitten. Von überflüssiger Leinewand vor dem Busen und über den Händen war er kein Freund; sein grösster Staat war eine feine Halskrause mit Spitzen.

Die Fehler, deren dieser vortreffliche Mann nicht wenig hatte, und die denen welche mit ihm leben mussten, oft sehr zur Last fielen, waren so innig mit den besten seiner Eigenschaften verwebt, dass die einen ohne die andern kaum bestehen zu können schienen. Weil er in der That klüger war, als fast Alle mit denen er zu thun hatte, so war er sehr eigenwillig und rechthaberisch; weil er fühlte, dass man ihm selbst seiner Gesinnungen und Handlungen wegen keinen gegründeten Vorwurf machen könnte, so war er gegen Andre ein sehr freier, oft sehr beschwerlicher Sittenrichter; und weil er, bei seiner natürlichen Gutmüthigkeit, über keinen Fehler sich leicht erhitzen, aber auch keinen ungeahndet konnte hingehen lassen, so war er sehr ironisch und spöttisch.

In seiner Casse stand es ausserordentlich gut; denn er hatte die langen lieben Jahre über, da er gehandelt und gewirthschaftet hatte, den einfältigen Grundsatz befolgt: dass man, um wohlhabend zu werden, weniger ausgeben als einnehmen müsse. Da sein Anfang nur klein gewesen, und er sein ganzes Glück sich selbst, seiner eigenen Betriebsamkeit und Wirthlichkeit schuldig war: so hatte er in frühern Jahren sich nur sehr karg beholfen; aber auch nachher, da er schon längst die ersten Zwanzigtausend geschafft hatte, von denen er zu sagen pflegte, dass sie ihm saurer als sein nachheriger ganzer Reichthum geworden, blieb noch immer der ursprüngliche Geist der Sparsamkeit in seinem Hause herrschend: und dieser war der vornehmste Grund von dem immer steigenden Wachsthum seines Vermögens.”

engel

Johann Jakob Engel (11 september 1741 – 28 juni 1802)
Portret door Anton Graff