Wat heeft Sint voor jou gekocht? (Thomas Verbogt), Arthur Sze

Bij Sinterklaas

 

 

Uit: Wat heeft Sint voor jou gekocht? (Geraas)

“Terwijl de wind steeds harder door de bomen begon te waaien (hier in huis zelfs waaide de wind), moest ik alles nog regelen voor het heerlijk avondje. Ieder jaar neem ik me voor dat anders te gaan doen, zoals mijn moeder vroeger. Die had volgens mij in oktober alles al in huis. Nu vind ik dat wat vroeg, maar op de laatste dag is weer het andere uiterste. Over iets wat mijn eigen schuld is, klaag ik nooit. Waarom zou ik, ik vind het ook wel iets hebben. Laten we het alsjeblieft aangename nervositeit noemen. Altijd moet ik vlak voor pakjesavond nog iets kopen. Nu ook weer, in het warenhuis, een sieraad, althans een onderdeel van een sieraad, iets voor aan een ketting. Ik was danig winkelziek, maar had duidelijke instructies: die ingang, dan rechtdoor, tweede vitrine links Maar daarin zag ik het dringend gewenste geschenk niet, hoe heette het ook alweer? Het was benauwend druk en toen ik eindelijk een mevrouw van de sieradenafdeling te spreken kreeg en de gedeeltelijke naam van het sieraad noemde, zei ze dat ik waarschijnlijk ‘bij onze banketbakker’ moest zijn. Ik schudde mijn hoofd en keek om me heen. En ja, toen werd het stil in me, een milde vorm van acute levensmoeheid die naar binnen sloeg en me min of meer versteende. Alleen mijn ogen kon ik nog naar links en naar rechts draaien. Vanuit mijn linkerooghoek zag ik een verkoopster naar me toe komen, een Surinaamse. Ze glimlachte geruststellend, legde een hand op mijn onderarm en zei zacht: ‘IJ zoekt iets, maar weet niet wat.’ Ik kon me weer bewegen en knikte opgelucht, niet alleen omdat ze me begreep, maar ook omdat ze mijn leven trefzeker samenvatte. Ze stelde voor samen even te kijken. Dat deden we en binnen de kortste keren had ik wat ik zocht. Nadat ik had betaald, liep ze nog een stukje mee naar de uitgang. Ten afscheid legde ze weer even haar hand op mijn onderarm. Het heerlijk avondje was begonnen.”

 

Thomas Verbogt (Nijmegen, 9 december 1952)

 

De Chinees-Amerikaanse dichter Arthur Sze werd geboren op 1 december 1950 in New York. Zie ook alle tags voor Arthur Sze op dit blog.

 

Het geschenk

De stukjes van deze legpuzzel vormen
straks het gouden gezicht van Toetanchamon,

maar momenteel zijn het vlekjes
kleur verspreid over de vloer.

Deze momenten van bewustzijn
hebben geen puzzelpasvorm – hartslag

van een vliegende zwaluw – sporen
van een rode lynx op het Windsorpad,

voorgevoel dat vreugde schuilgaat in
een lucifer, in zonnebloemstengels uitrukken,

een urn leegschudden vanaf een brug
zodat de asresten een wolk vormen.

De stukjes van een leven blijven uiteindelijk
stukjes. Niemand kan papyrus herstellen

als het eenmaal vlam heeft gevat;
maar voordat de agapanthus bloeit,

voordat het lichaam verschroeit, uitwist
het bewustzijn, heb je tijd

om te puzzelen, schommelen, slingeren, brassen
huppelen, doedelen, klagen, gloeien.

 

Vertaald door K. Michel

 

Arthur Sze (New York, 1 december 1950)

 

Zie ook alle tags voor Sinterklaas en voor 5 december en zie voor de schrijvers van de 5e december ook mijn blog van 5 december 2018.

Wat heeft Sint voor jou gekocht? (Thomas Verbogt)

Bij Sinterklaas

 

 

Uit: Wat heeft Sint voor jou gekocht? (Sinterklaas heeft het zo druk)  

“Mijn moeder staat bij de kachel waarvoor onze schoenen staan. Ze staan daar omdat mijn jongste zusje nog gelooft. Uit de schoen van mijn andere zusje steekt een smal pakje, uit de mijne twee ballpoints – mijn moeder weet dat ik die graag heb. Ze bukt nu om een klein speelgoedbeest, ik geloof een grijs konijntje, in de schoen van mijn jongste zusje te doen. Dan strooit ze wat pepernoten rond de schoenen. Ze doet dit allemaal met grote aandacht. Ze loopt naar mijn vader, die aan tafel zit te schrijven, naast de kleine typemachine. Mijn moeder legt haar handen op zijn schouders en kijkt naar wat hij geschreven heeft. Mijn vader pakt het vel papier en begint te lezen. Ik zie dat het een gedicht is. Hij leest glimlachend, mijn moeder lacht ook, ze kust hem op zijn achterhoofd.
Dan gebeurt er iets onverwachts: het tafereel ontroert me. Ik heb vaak ruzie met mijn ouders. Ik heb, geloof ik, last van ze omdat ze ouder zijn dan ik en veel meer voor elkaar hebben dan ik en een veel ruimer leven leiden dan ik en al erg lang in later zijn beland, maar nu wordt de wereld van hen en van mij ineens klein en kwetsbaar, bijna teer. Ik weet zeker dat ik me dit altijd zal herinneren, ook als ik ver weg van hier zal zijn, misschien wel aan de andere kant van de wereld, en mijn ouders niet meer leven en iemand vraagt wat het toch is, dat sinterklaasfeest ‘van jou’. Dan zal ik proberen te omschrijven wat ik nu meemaak, en die omschrijving zal waarschijnlijk pover zijn, want het is niet te zeggen. Maar daar gebeurt het, daar in de stille huiskamer; mijn moeder heeft iets in de schoen gelegd, mijn vader werkt aan een gedicht waarin hij plezier heeft – en het zijn altijd ontzettend vernuftige gedichten die hij schrijft. Dat is het woord: vernuftig. Sommige woorden typt hij in rood en die woorden vormen dan weer een nieuw gedicht, een gedicht in het gedicht dus, en altijd vormen de eerste letters van de regels een woord of twee woorden die het gedicht nog meer gewicht geven. Mijn vader houdt ervan zo met taal in de weer te zijn.
Nog twee jaar en dan is deze avond vijftig jaar geleden. Ik hoef inderdaad mijn ogen maar te sluiten en ik sta daar weer, bijna veertien. Op pakjesavond krijg ik Blonde on Blonde van Bob Dylan, een dubbelelpee die me met grote triomf vervult. Die momenten verbind ik met elkaar, de paar minuten die ik eerder die week naar binnen stond te kijken, en de plaat van Dylan, en alles wat Dylan vertegenwoordigt. Ze zeggen iets over mijn leven, over de uitersten ervan.
Op die pakjesavond wordt er op de ramen gebonsd. Dat doet de buurman, niet de buurman van de carnavalsvereniging maar die van de andere kant, een stille man die haast te verlegen is om dit soort lawaai te produceren.
Mijn jongste zusje gaat in de keuken kijken, tot op het bot gespannen – aan haar mond is te zien dat ze nog net niet gilt. Als ze de zak ziet staan, durft ze niet verder.
Mijn moeder zegt: ‘Sinterklaas heeft het zo druk vanavond. Daarom laat hij in alle huizen snel een zak met cadeautjes neerzetten. Het liefst was hij zelf gekomen, maar dat kan natuurlijk niet, met al die duizenden en duizenden kinderen.’
Mijn zusje knikt bedremmeld. Alles wat er nu gezegd wordt, is veel voor haar, ook de zak in de keuken waaromheen nog de kou van buiten hangt. Ik vind het ook veel, ik kan het niet helpen, ik vind het echt, hoe kinderachtig ook.
Mijn vader zegt dat ik de zak maar de huiskamer in moet dragen. Wanneer ik dat doe weet ik zeker dat ergens in die zak ook mijn pakje Caballero zit. Dat mijn ouders het die avond in de schuur gevonden hebben. En ook dat het gedicht dat ik mijn vader die avond zag maken, daarover zal gaan. Het gedicht dat hij lachend aan mijn moeder voorlas.”

 
Thomas Verbogt (Nijmegen, 9 december 1952)
Sinterklaas bij de Waalkade in Nijmegen

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e december ook mijn vorige blog van vandaag.

A Ballad Of Santa Claus (Henry van Dyke)

Bij Sinterklaas                    

 

 

A Ballad Of Santa Claus

Among the earliest saints of old, before the first Hegira,
I find the one whose name we hold, St. Nicholas of Myra:
The best-beloved name, I guess, in sacred nomenclature,—
The patron-saint of helpfulness, and friendship, and good-nature.

A bishop and a preacher too, a famous theologian,
He stood against the Arian crew and fought them like a Trojan:
But when a poor man told his need and begged an alms in trouble,
He never asked about his creed, but quickly gave him double.

Three pretty maidens, so they say, were longing to be married;
But they were paupers, lack-a-day, and so the suitors tarried.
St. Nicholas gave each maid a purse of golden ducats chinking,
And then, for better or for worse, they wedded quick as winking.

Once, as he sailed, a storm arose; wild waves the ship surrounded;
The sailors wept and tore their clothes, and shrieked “We’ll all be drownded!”
St. Nicholas never turned a hair; serenely shone his halo;
He simply said a little prayer, and all the billows lay low.

The wicked keeper of an inn had three small urchins taken,
And cut them up in a pickle-bin, and salted them for bacon.
St. Nicholas came and picked them out, and put their limbs together,—
They lived, they leaped, they gave a shout, “St. Nicholas forever!”

And thus it came to pass, you know, that maids without a nickel,
And sailor-lads when tempest blow, and children in a pickle,
And every man that’s fatherly, and every kindly matron,
In choosing saints would all agree to call St. Nicholas patron.

He comes again at Christmas-time and stirs us up to giving;
He rings the merry bells that chime good-will to all the living;
He blesses every friendly deed and every free donation;
He sows the secret, golden seed of love through all creation.

Our fathers drank to Santa Claus, the sixth of each December,
And still we keep his feast because his virtues we remember.
Among the saintly ranks he stood, with smiling human features,
And said, “Be good! But not too good to love your fellow-creatures!”

 

Henry van Dyke (10 november 1852 – 10 april 1933)

 

 
Illustratie bij pakjesavond uit een Sinterklaasboek van de geplaagde Charlotte Dematons.

 

Zie voor de schrijvers van de 5e december ook mijn vorige blog van vandaag.

De nood van Sinterklaas (Felix Timmermans)

Bij Sinterklaas

 

 
Sinterklaas door Rien Poortvliet, 1977

 

Uit: De nood van Sinterklaas

“Het was koud, de maan stond hoog aan de hemel, en de sneeuw kraakte onder hun voeten. Plotseling galmde het ‘Slaap gerust’ door de vriezige stilte, vanaf de toren.
‘Nog iemand die niet slaapt!’ riep Sint Nicolaas verheugd, en Zwarte Piet stak snel zijn voet tussen de deur, die Trientje boos dicht wilde gooien.
‘Houden jullie dat mens wakker’, zei Zwarte Piet, ‘ik ben zo terug!’ en terwijl hij dat zei stootte hij de deur van Trientje zó hard weer open, dat ze in een grote mand met uien terechtkwam.
Terwijl de anderen weer naar binnen gingen, sprong Zwarte Piet op het paard van de Sint en galoppeerde door de straten. Hij hield stil bij de toren, klom langs de regenpijp omhoog tot bij Dries Andijvel, die juist in zijn kamertje ‘Er was een jager uit jagen gegaan’ op zijn viool kraste.
Dries liet van schrik zijn viool vallen, maar Zwarte Piet stelde hem gerust en vertelde hem alles.
‘Eerst zien en dan geloven!’ zei Dries. Samen met Piet ging hij naar beneden. Even later waren ze bij ‘De Suikeren Neusvleugel’ aangekomen.
Sint Nicolaas viel voor de nachtwaker op zijn knieën, en smeekte hem of hij vijfentwintig frank kon geven. Hij beloofde de nachtwaker alle geluk van de wereld als hij het deed.
Dries was ontroerd, en zei tegen de ongelovige, steenhartige Trientje: ‘Ik weet niet of hij liegt, maar zo staat Sint Nicolaas echt afgebeeld in het prentenboek van onze kleine, én in het kerkraam boven de doop- vont. Stel je nu voor Trientje, dat hij het is… Geef hem het schip maar!
Morgen betaal ik u…’
Trientje had alle vertrouwen in de torenwachter, een man die bij haar in de buurt woonde. En Sint Nicolaas kreeg het schip.
‘Ga jij nu maar snel naar huis om te slapen’, zei Sint Nicolaas tegen de kleine Cecilia, ‘we brengen dadelijk het schip…’
Het kind ging naar huis, maar het sliep niet. Ze zat onder de schoorsteenmantel met het kussen in haar armpjes te wachten op het schip… Een manestraal scheen door een kier in het gordijntje en gaf het kamertje een zilveren glans.
Hè, wat zag ze daar nu buiten! Ginder, aan de andere kant van het dorpje reed Sint Nicolaas op zijn witte schimmel. De stille vrieswind deed zijn rood-fluwelen mantel enigszins opwaaien. Zwarte Piet liep trouw naast zijn Meester voort. Cecilia volgde hen tot ze achter de grote kerk verdwenen waren. Toen keek ze naar het kussen. Tranen brandden achter haar ogen. Zwarte Piet, of de goede Heilige waren haar zeker vergeten; ze hadden het schip niet gebracht; het lag niet op het kussen…
Maar… hoe was dat nu mogelijk? Door haar tranen heen zag ze iets glinsteren. Het schip ‘de Congo’ was wél gebracht! Dáár, daar stond het, in de koude as, zonder een deukje of een barst. Wat een geluk! Het zilverpapier glansde, en er kwam wel voor zeven en een halve cent witte watten rokend uit de schoorsteen. Hoe was dit zo stil gebeurd? Hoe kon dit nu?
Ja, dát weet nu juist niemand, dat is de kundigheid en de vernuftigheid van Zwarte Piet, en dat leert hij aan niemand voort…

 
Felix Timmermans (5 juli 1886 – 24 januari 1947)
Cover Duitse uitgave

 

Zie voor de schrijvers van de 5e december ook mijn vorige blog van vandaag.

Sinterklaas, René de Clercq, Dolce far niente

Bij Sinterklaas

 

 

 

Sinte Klaas

Wees brave, broerke, brave,
Ons kloefkes staan gezet:
Het ene bij de kave,
En ’t ander onder ’t bed.
’t Zijn wortels in en raapkes,
Wel zes of zeven gaapkes.
Wees brave, of weet-je niet
Dat Sinte Klaas ons ziet?

Bid zoetekes, met zusje,
De heilgen tabbaardman,
Heel koes gelijk een musje,
Dat nog niet vliegen kan.
En morgen, bij ’t ontwaken,
Uw schoonste kruiske maken!
Wees brave, of weet-je niet
Dat Sinte Klaas ons ziet?

Dan lopen, juichen, zoeken
Uw marbels, band en top;
De menten en de koeken;
Mijn langgelinte pop!
Van ieder mokje en tartje,
Krijgt moederken haar partje.
En zo vergeet-je niet
Dat Sinte Klaas ons ziet.

 


René de Clercq (4 november 1877 – 12 juni 1932)

 

Zie voor de schrijvers van de 5e december ook mijn blog van 5 december 2014.

Sinterklaas, Drs. P., Hanif Kureishi, Joan Didion, Christina Rossetti, Fjodor Tjoettsjev

Bij Sinterklaas

 

Sinterklaaslied

U zult het niet geloven
Maar mensen, het is waar
Ik heb alweer een beetje minder zin dan vorig jaar
Een beetje minder adem
Een beetje minder kracht Wat had u anders van zo’n hoogbejaarde man verwacht

Mijn knecht die staat te lachen
En huppelt op en neer
O nee, dat doet mijn paard, enfin, het hoeft voor mij niet meer
Het is hier in het noorden
Zo schemerig en koud
En wat ik ook vertel of doe, de kinderen blijven stout

Als ik in mijn kazuifel
Door Kathedralen schuifel
Dan kan het leven er nog wel mee door
Maar komt de maand november
Dan denk ik aan december
En met een holle stem bereid ik mij op ’t ergste voor

 

 
Illustratie uit St. Nikolaas en zijn knecht, Jan Schenkman (1905)

 

’t Is altijd weer die poespas
En steeds in vol ornaat
Ze noemen mij kapoentje, ik weet niet waar dat op slaat
En altijd die gezichten
Dat snerpende gezang
En niemand die beseft hoe ik naar mijn pensioen verlang

Ze hebben immers weken
Hier naar me uitgekeken
Belust op speculaas en pepernoot
Toe jongens, niet zo dringen
En geen beschadigingen
Hij komt, hij komt, de goede Sint, hij zit weer in de boot

De maan schijnt door de bomen
Het bos niet meer te zien
Maar ja, die zit daar lekker boven in zijn vliegmachien
En ik loop hier beneden
Van ’t kastje naar de muur
Er moet toch wel iets mis zijn met de maatschappijstructuur
Maar ik moet eerlijk zeggen
Ik vind het toch wel fijn
Om net zo populair als Drs. P te zijn..

 
Drs. P (Thun, 24 augustus 1919)

Doorgaan met het lezen van “Sinterklaas, Drs. P., Hanif Kureishi, Joan Didion, Christina Rossetti, Fjodor Tjoettsjev”

Sinterklaas, Hans Andreus, Hanif Kureishi, Joan Didion, Christina Rossetti

Bij Sinterklaas

Uit: Een heel stout jongetje

“Even kijken,” zei Sint Nicolaas terwijl hij zijn bril opzette en in het Grote Boek keek, “ah, juist, nu weet ik het weer, hier woont dat hele stoute jongetje. Zozo…” en hij keek over zijn brillenglazen naar het jongetje. Het stoute jongetje keek brutaal terug, maar zijn tong durfde hij toch niet uit te steken.
“Piet,” vervolgde Sint Nicolaas tegen Zwarte Piet, “dit jongetje is onverbeterlijk. Wat ik niet allemaal over hem gehoord heb, sinds ik weer in Nederland ben!”
“Dus geen cadeautje, Sinterklaas?” vroeg Zwarte Piet.
“Cadeautje?” vroeg Sint Nicolaas. “Hoe haal je ’t in je hoofd, Piet. Is het niet juist,” vroeg hij toen aan Vader en Moeder, “dat dit jongetje dit jaar nóg meer ruiten heeft gebroken en nóg meer potten jam heeft leeggelikt dan verleden jaar? En dat hij de schoenen van zijn schoolmeester, die de arme man uitgetrokken had omdat zijn voeten zo’n pijn deden, zomaar heeft verstopt, zodat de meester op zijn sokken naar huis moest? En… ach, ik kan wel blijven doorgaan.”
“Het spijt ons,” knikten vader en moeder, “het is allemaal waar.”
“En heb jij geen spijt?” vroeg Sint Nicolaas aan het jongetje.

 
Illustratie uit “Sint Nicolaas en zijn knecht” van Jan Schenkman, uitgave ca. 1907

 

“Je hebt stoute jongetjes en Brave Hendriken,” zei het jongetje, “en ik wil geen Brave Hendrik zijn.”
“Nog steeds even brutaal,” zei Sint Nicolaas. “Piet, stop hem in de zak!” Het jongetje probeerde nog weg te lopen, maar Zwarte Piet pakte hem meteen beet en stopte hem in de zak. “Zo, dan gaan we maar weer,” zei Sint Nicolaas. “Maar ons jongetje dan?” vroegen vader en moeder. Sint Nicolaas en Zwarte Piet waren echter de kamer en het huis al uit.
Nu moet je weten dat Sint Nicolaas stoute kinderen nooit heel lang in de zak laat zitten. Na een half uurtje of zo vindt hij het wel genoeg, dan doet hij de zak open en laat de kinderen beterschap beloven, voor hij ze naar huis stuurt. En dikwijls geeft hij ze dan nog een cadeautje ook. Maar toevallig was het jongetje één van de laatste kinderen die hij had bezocht. En de volgende dag ging hij terug naar Spanje, want hij had haast dit jaar.
Pas toen ze weer thuis in Spanje waren, zei Sint Nicolaas tegen zijn knecht: “Zeg, Piet, herinner ik me dat nou goed? Hadden wij niet een heel stout jongetje in de zak gestopt?”
“Ja, baas,” zei Piet.
“Maar hebben we dat jongetje ook weer uit die zak gehaald?”
“Nee, baas, dat ben ik helemaal vergeten,” zei Piet.

 
Hans Andreus (21 februari 1926 – 9 juni 1977)

Doorgaan met het lezen van “Sinterklaas, Hans Andreus, Hanif Kureishi, Joan Didion, Christina Rossetti”

5 December, Annie M.G. Schmidt, Hanif Kureishi, Joan Didion, Fjodor Tjoettsjev

Bij 5 december

 

Uit: De heerlijkste 5 december in vijfhonderdvierenzeventig jaar

‘Daar zitten we weer,’ zei Sint. ‘Zegt u dat wel,’ zei Piet. ‘Op de stoomboot naar Nederland. Net als ieder jaar. Voor de hoeveelste keer is dat nou, Sinterklaas?’ ‘Voor de vijfhonderdvierenzeventigste keer,’ zei de Sint. ‘Bah,’ zei Piet. ‘Wat nou “bah”…’ zei Sinterklaas verontwaardigd. ‘Waarom “bah”?’ ‘Ik heb er zo genoeg van,’ zei Piet. ‘Maar je houdt toch van de kinderen? En de kinderen houden toch van ons ?’ ‘Welnee,’ zei Piet. ‘Ze houden alleen van onze cadeautjes, ’t Gaat ze enkel om de pakjes. Verder nergens om. En ’t gaat nog stormen ook. Bah !’ ‘Hoor ’s Piet, dat mag je volstrekt niet zeggen,’ zei Sinterklaas boos. ‘Als je nog een keer “bah” zegt, ontsla ik je. De kinderen houden wél van ons. Ze zijn gek op ons…’

 

Oude boekillustratie

 

Hoeii… voor Sinterklaas verder kon spreken kwam er een windvlaag die bijna z’n mijter meenam… de storm stak op… de lucht werd inktzwart… de golven werden hoger en hoger… ‘Daar heb je ’t nou…’ schreeuwde Piet. ‘We vergaan!’ ‘Onzin,’ riep Sinterklaas, “t Is al vierhonderddrieënzeventig keer goed gegaan met die boot, waarom zouden we dan nu ineens… haboeh…’ Sinterklaas kreeg een grote zilte golf naar binnen en hij moest met de ene hand z’n mijter en z’n staf vasthouden en met de andere de reling. De storm werd steeds erger en heviger en woester en wilder en vreselijker. Huizenhoge golven, torenhoge golven… de stoomboot leek wel een plastic speelgoedscheepje op de Westeinder Plas.

‘Ik ben zo bang…’ huilde Piet. ‘Onzin!’ riep Sinterklaas weer. En toen ineens… een ontzettende schok. Het schip was op een klip gevaren. ‘Help… help…’ schreeuwde Piet. ‘Help, de boot zinkt !’ ‘Wat zei je zo-even, Piet?’ vroeg Sinterklaas, terwijl hij probeerde te zwemmen met zijn mijter op en zijn staf in de hand. ‘Ik zei: De boot zinkt…’ kreunde Pieter, die naast hem zwom. ‘O,’ zei Sinterklaas. ‘Wel, je had gelijk. De boot is gezonken.’ ‘O, wat ben ik nat,’ zei Piet. ‘O, wat ben ik nat en koud en zielig. O, wat heb ik een medelijden met mij!’ ‘Denk liever aan die arme kindertjes in Nederland,’ zei Sinterklaas. ‘Als de Sint verdrinkt zullen ze nooit meer lekkers en speelgoed krijgen op 5 december. Daar ga ik, Piet. Ik ben te oud om in de Golf van Biskaje te liggen. Vaarwel dan, Piet.’ ‘Nee,’ riep Piet wanhopig, ‘niet zinken, Sinterklaas. Daar drijft een grote balk ! Misschien kunnen we erop klimmen.’

Hè hè, voorlopig waren ze gered.”

 

Annie M.G. Schmidt (20 mei 1911 – 21 mei 1995)

 

Zie ook mijn blog van 5 december 2011 en ook mijn blog van 5 december 2010 en ook mijn blog van 5 december 2009.

Doorgaan met het lezen van “5 December, Annie M.G. Schmidt, Hanif Kureishi, Joan Didion, Fjodor Tjoettsjev”

Annie M.G. Schmidt, Paul van Ostaijen, Alois Brandstetter, Christina Rossetti, Fjodor Tjoettsjev

Bij 5 december

 

Verlanglijst negatief

Geeft u mij maar geen zakdoeken-sasjet.
Ik weet niet hoe je ’t schrijft, maar ‘k wil het niet.
En ook geen glazenhoudertjes van riet,
omdat ik daar toch nooit een glas in zet.

En liever ook geen koperen hagedis,
en ook geen pop met stofdoeken erin,
en niet dat boek getiteld: Ons Gezin,
waarvan Trouw zegt dat het zo zuiver is.

En niet zo’n leuke gong voor in de hal
en als u bijgeval dan toch iets geeft:
ook niet dat boek: Hoe men Harmonisch leeft
(als ’t u hetzelfde is): ik weet het al.

En astublieft vooral geen necessaire
en astublieft geen manicure-etui,
ik heb die dingen allebei en zie,
zij geven mij uitsluitend veel misère.

Wel, als u dan bepaald iets voor ons zoekt:
geef ons dan geen pressure cooker per abuis.
Er is voldoende pressure in ons huis,
wij zijn er al compleet van gaarge-cook-t.

Geen sjaaltje met I love you, en geen vaasje…
Ziezo, dat was het. Dank u, Sinterklaasje.

Annie M.G. Schmidt(20 mei 1911 – 21 mei 1995)

 

Sint Nicolaas aan de Zaan

 

Het liedje van twee Sinten

Ik hou van Sint Niklaas
ik hou van Sinte Martin
ik hou van de ezel van Sint Niklaas
ik hou van het zwaard van Sinte Martin
ik hou van de ezel een oude wijs van wijze goedheld
– zijn rug draagt rust door de straat onbewuste venter –
lk hou van het zwaard het klieft de eigen mantel
– plotse scherpte van nieuwe ogen over de schijn der dingen –
goed en wijsscherp en rustig
ik hou van de ezel van Sint Niklaas
lk hou van het zwaard van Sinte Martin
ik hou van Sint Niklaas
lk hou van Sinte Martin

Paul van Ostaijen (22 februari 1896 – 18 maart 1928)

 

Zie ook mijn blog van 5 december 2010 en ook mijn blog van 5 december 2009.

Doorgaan met het lezen van “Annie M.G. Schmidt, Paul van Ostaijen, Alois Brandstetter, Christina Rossetti, Fjodor Tjoettsjev”

Simon Carmiggelt, Alois Brandstetter, Christina Rossetti, Fjodor Tjoettsjev, Afanasy Fet

Uit: De Sint  (door Simon Carmiggelt)

 

„Terwijl we verder liepen, dacht ik aan mijn kindertijd. Eerste klas lagere school. Ik geloofde niet meer. Sinds kort. En ik wist welke meester Sinterklaas speelde en welke jongen uit de hoogste klas verscholen was achter het mombakkes van Zwarte Piet, waarvan de mond ernstig was beschadigd, omdat hij zijn functie misbruikte door zelf voortdurend pepernoten te eten. En toch beefde ik van angst, toen ik uit de bank moest komen om Sinterklaas een handje te geven en sloeg mijn stem over van de zenuwen bij het zingen van een liedje, waar hij om vroeg.

“Toen ik nog klein was, zag je Sinterklaas niet zo gemakkelijk,” zei de oude man. “Nou hebben kinderen de intocht. En hij verschijnt elk ogenblik op de tv. Maar toen… Wanneer was het?” Hij dacht even na. “De winter van 1915,” vervolgde hij. “Ja, ik was toen zes. En m’n broertjes waren tien en vier. We woonden in de Indische buurt, hier in Amsterdam. En we hadden ’t niet breed. Maar Sinterklaas werd gevierd. Ik was toen op de grens van geloven en niet geloven. Tegen mijn vriendjes riep ik: ‘Sinterklaas bestaat niet. Dat is een verklede vent.’ Maar toch was ik diep onder de indruk, toen ik hem in persoon zag. Hij zat in de manufacturenwinkel van Nooy in de Eerste Van Swindenstraat. Kent u die winkel? Hij is er nog, geloof ik. Mijn moeder heeft me later verteld hoe we daar binnenkwamen. Als je voor minstens ’n gulden kocht, mocht één van de kinderen op vertoon van de kassabon Sinterklaas een handje geven. En dan kreeg zo’n kind een presentje.”

 

 

 

Plaat van Freddie Langeler, 1928 

 


Hij keek me van opzij aan. “Een presentje,” zei hij. “Een afgestorven woord. Net als versnapering. Mijn moeder kocht drie theedoeken aan één stuk. Zelf doorknippen en zomen. Dat kostte net genoeg voor zo’n heilige kassabon. Mijn broertje van vier was de uitverkorene. Want die geloofde nog helemaal. Ik was alleen maar zenuwachtig in die winkel. Het duurde een hele tijd eer mijn broertje aan de beurt was. Vanuit de verte zagen we dat hij een handje kreeg. En zo’n kleurboekie van één cent. Dat bestond toen – iets van één cent. Helemaal stralend kwam hij bij ons terug. Hij had een wonder meegemaakt. ‘En,’ vroeg mijn moeder, ‘heeft Sinterklaas nog iets gezegd?’ Hij knikte en op een eerbiedige toon antwoordde hij: ‘Ja, moe. Hij zei: «Verdorie, wat ’n rij nog.»'”

 

 

 

Simon Carmiggelt (7 oktober 1913 – 30 november 1987)

 

 

Doorgaan met het lezen van “Simon Carmiggelt, Alois Brandstetter, Christina Rossetti, Fjodor Tjoettsjev, Afanasy Fet”