Hans Faverey en Vriendschappelijke brieven (Frans Roumen)

De Nederlandse dichter Hans Faverey werd op 14 september 1933 geboren in Paramaribo. Zie ook alle tags voor Hans Faverey op dit blog.

Zonder begeerte, zonder hoop

Zonder begeerte, zonder hoop
op beloning, ook niet uit angst voor straf,
de roekeloze, de meedogenloze schoonheid

te fixeren waarin leegte zich meedeelt,
zich uitspreekt in het bestaande.

Laat de god die zich in mij verborgen houdt
mij willen aanhoren, mij laten uitspreken,
voor hij mij met stomheid slaat en mij
doodt waar ik bij sta, waar jij bij staat.

 

Bij herhaling blijkt het zelfs…

Bij herhaling blijkt het zelfs goed
om te zijn in de werkelijkheid;

maar voor een gedicht is het meestal

niks. Bronmos markeert wel de plaats
waar zich de bron bevindt, maar tevens
talloze andere plaatsen waar van
een bron allang geen sprake meer is,

laat staan van mos. Zo gaat het ook
met bronnymfen en vinders van bronnen,
met makers van verzen en met slagen
van wieken langs de hemeltergende
knechtende hemel.

 

Net als ik zeg

Net als ik zeg: er is niets meer,
ik ben niets meer, hoor ik wat.

En het begint weer helemaal
opnieuw:
daar heb je mij weer.

Als ik het zelf niet was,
help jij mij dan zeggen
wie ik ben.

 

Hans Faverey (14 september 1933 – 8 juli 1990)

 

*************************

In de tweede helft van de jaren negentig werkte Frans Roumen aan een roman die de titel “Vriendschappelijke brieven” had moeten krijgen. Het manuscript gold na een verhuizing jarenlang als zoekgeraakt. Onlangs werden er echter toch flinke delen van bij een grote opruimactie ontdekt in een oude doos in de kelder. Romenu heeft de toestemming gekregen om er regelmatig fragmenten uit te publiceren. Vandaag volgt het tweede van een nog nader te bepalen aantal

Uit: Vriendschappelijke brieven

Dinsdag 4 juni 1996, 0.18 uur.

Liefste Stefan,

Terug van de Kringavond. Voor het eerst heel “lieve” gevoelens voor Wil, die onder het rondje dan ook diverse keren zelf lief mijn kant op keek,

Daarvoor zag ik kans toch nog even naar jou, Steefje, te bellen om je succes te wensen morgen, Je had bij je moeder gegeten om, 19,00 uur, was je daar natuurlijk nog niet van terug.

De Europese Ariane 5 start vandaag. Kosten : 10 miljard. Vooruitbesteld zijn echter al 14 stuks. Er gebeurt dus toch nog wat in de ruimtevaart.

Citaat Alex : “Het prachtige van hoger bewustzijn is dat wat het beste voor jou is, het beste voor ieder ander is.” Alex is een zeer bijzondere man.

Ander citaat : Als je op het vierde of een hoger niveau gaat leven, verandert je stralend innerlijk wezen op een creatieve wijze de gevoelens en handelingen van de mensen en de vibraties van de situaties waarmee je in contact komt. Je geeft ze het grootst mogelijke geschenk – je stemt je af op de mooie plek in hen, die achter hun lager-bewustzijns-spelletjes ligt. Je hebt een harmonieus contact met ze, op het vierde niveau, waar zij zuivere liefde zijn. En dit kan zelfs gedaan worden met niets meer dan een liefdevol oog-in-oog-contact of een glimlach.

Hier staat beschreven wat er – in elk geval tussen Wil en mij -gisteravond gebeurde. (het is 01.14 uur)

Ik hoorde trouwens een wat beklemmend gesprek in een Turkse supermarkt hier in het Spijkerkwartier over twee broers die bij een aanslag of iets dergelijks om het leven waren gekomen. De COOP was namelijk wegens een verbouwing gesloten en ik moest mijn kipfilet ergens anders vandaan halen.

Morgen nog eens nagaan of het de Türkiyem Market was of een andere. (2.48 uur) Terug van een wandeling door deze kant van het centrum. Bij de Rabobank : “Bestellen Sie dem  Stefan schöne Grüße!“ Daarna mijn weg langs V en D, van Dam (sic) vervolgd. Via het politiebureau en de Damstraat weer terug naar mijn bankje in het park. Om deze tijd rijden er praktisch alleen nog taxi’s. En behoorlijk wat. Mercedes-Benz is het wat de klok slaat.

Het blijkt een slapeloze nacht te zijn. Een nacht om te werken, Stefan.

Wist je al, Kenan, dat Zuid-Korea een licentie wil hebben van Mercedes-Benz ? De eerste serie plannen ze natuurlijk in decent legergroen. Ach, ja, je roddelt wat af in zo’n nacht na volle maan…

Arie ! Ik lees nog steeds Kundera en vraag mij plotseling bij hoofdstuk 4 af of jij je met Tereza identificeert, want jij werkt nu zelf dan wel niet als serveerster in een restaurant, maar wel als ober in een café…?”

 

Zie voor de schrijvers van de 14 september ook mijn blog van 14 september 2018.

In Memoriam György Konrád

In Memoriam György Konrád

De Hongaarse schrijver en anticommunistische dissident György Konrád is op 86-jarige leeftijd overleden. György Konrád werd geboren op 2 april 1933 in Berettyóújfalu (bij Debrecen). Zie ook alle tags voor György Konrád op dit blog.

Uit: Zonsverduistering (Vertaald door R. Kellerman)

“Het was een feest om in de oceaan van geleuter een solide eiland aan te treffen. In de jaren van censuur was lezen een vlucht, een elke avond weerkerende emigratie, een tijdelijke opschorting van de valse verhalen die de woning binnen drongen. Een goed boek in mijn tas was een compensatie voor de frases die ik lijdelijk had moeten aanhoren, en een bron van genot, zoals de theesalon of het bordeel dat voor opgeschoten jongens was. Met behulp van de literatuur kunnen we streng zijn tegenover onze medemensen, maar als we leren lezen kunnen we hun ook vergeven, ons zelfs in hen verlustigen. Sedert mijn gymnasiumtijd stel ik mij voor dat de mensheid in standgehouden wordt door aanhoudende conversatie tussen dicht geschreven teksten.
(…)

We hebben een huis in het dorp gebouwd, we passen erin, in deze kamer heb ik draaglijk geschreven en hier regel ik ook wat ik van elders heb meegebracht. Dit zich terugtrekken om te kunnen observeren geeft vrijheid. In Berlijn ben ik Boedapester, in Boedapest Berlijner, in beide hoofdsteden iemand uit Hegymagas.
Ik verkoop mijn gebrom aan het publiek, zolang ik nog enigszins in de markt lig.
Ik schrijf, ik spreek, van andere dingen heb ik geen verstand, de manifestaties bevruchten elkaar en vermeerderen zich ongeremd.
Laat het huis vol zijn, laat iedereen komen!”

György Konrád (2 april 1933 – 13 september 2019)


Tõnu Õnnepalu en Vriendschappelijke brieven (Frans Roumen)

De Estische dichter, schrijver en vertaler Tõnu Õnnepalu werd geboren op 13 september 1962 in Tallin. Zie ook alle tags voor Tõnu Õnnepalu op dit blog.

Uit: Flanders Diary (Vertaald door Miriam McIlfatrick)

“The first to push this anticipation further into the future was perhaps the Church itself, when it started to build heavy stone churches, crypts, beneath which the chosen dead had to await the Resurrection. The very thickness of the walls shows that this event is not likely to to come about any time soon.
I have not lived in other cultures so I do not know if anticipation occupies such an important place in them. Some claim that it does not, but I do not place much trust in such external observation of foreign cultures. You see what you are looking for there. And if you live it as your own, you do not see anything other than life.
This civilisation that I see here in the heart of Europe, in old Flanders, on my salutary bicycle trips through these endlessly branching and snaking little concrete roads, this is our civilisation and yet it is not. I am as much inside it as outside it. It is a question of a small shift of time and space. I am still not used to everything being ready, concreted, smoothed, fully constructed, in order and reliable. But I have seen the speed and enthusiasm with which Estonia has in recent years aspired to this state, and with some success, though “a great deal still has to be done”. I have never really believed that we will ever achieve this state in our country. We made it to the party-table at the very last minute, we did make it but a wee bit too late. Just in time for dessert. Soon the waiters will start clearing the table, the party is over, the guests are tired and a little drunk, everyone is going home. We probably will not achieve such a level of concreting, mechanisation and welfare, because before getting there the spiritual and material preconditions will have been lost. Boredom and fear will destroy the spiritual preconditions, mother nature will take care of the material preconditions.
Because what will happen, I am thinking on the spiritual plane, when everything is ready? What is left for people then? Boredom, because there is nothing else to do except everyday aimless (yes, aimless, because it changes practically nothing) pottering about, though of course like Sisyphus people always try to get ahead, bring home a new computer, install a faster internet browser, fly away to some even further part of the globe. And come back no wiser because how far away was it really? And fear, when they occasionally stop to think about things (and this moment comes every day), just like when we walk past the mirror and see ourselves, before it occurs to us to make that face that we usually make when we look in the mirror. We are afraid because we have so much. Or it seems to us that we have so much, i.e., we have so much to lose. Or just as much to escape from?
Creating well-being has for some time been purely fictitious. As there is actually nothing more to add, appearances are added. What is human well-being? To eat your fill (and not just anything, but what tastes good), to be protected from the elements, to sleep in a warm enough room between cool clean sheets, to “have” a husband or wife, preferably children too, who appreciate and love you, not to spend every minute in fear for your life. In short, peace, a fear-free existence, just enough excitement … Voilà. Of course, the trouble with this is that well-being is very hard to define. Because it does not exist. It is where we are not. If your stomach is full of delicacies, it starts to hurt, your health.”

Tõnu Õnnepalu (Tallin, 13 september 1962)
Cover

 

*************************

In de tweede helft van de jaren negentig werkte Frans Roumen aan een roman die de titel “Vriendschappelijke brieven” had moeten krijgen. Het manuscript gold na een verhuizing jarenlang als zoekgeraakt. Onlangs werden er echter toch flinke delen van bij een grote opruimactie ontdekt in een oude doos in de kelder. Romenu heeft de toestemming gekregen om er regelmatig fragmenten uit te publiceren. Vandaag volgt het eerste van een nog nader te bepalen aantal.

Uit: Vriendschappelijke brieven

“Arnhem, 1 juni 1996, 14.12 uur

Lieve Stefan,

Ik heb je net aan de telefoon gehad, dus studeer maar ijverig verder met al je moeheid. Gefeliciteerd met je uitzicht op promotie, hoe dan ook. Dat je je bij al die drukte niet lekker voelt kan ik me voorstellen. Ik denk dat je op dit moment meer geleefd wordt dan zelf leeft. Dat is heel vermoeiend.

(Voorhoeve kletst nog altijd uit zijn nek en ik vergeet ook steeds weer dat die klojo minister van defensie is. En dat wou ik nou even kwijt.)

14.43 uur. De wasmachine weer eens aangezet. Raar. Ik heb daar maar twee minuten werk aan en toch moet ik mij er iedere keer toe dwingen. 0 Mama Mia.

Naar de Aldi, Kenan.

Ik moet zeggen : je undercover uitvoering met de twee flessen goedkope Martini is perfect. Die goeie ouwe tijd toch in het Kronenburgerpark. Ik heb maar flink wat Primus Inter Pares ingeslagen. ( 15.43 uur ).

Sorgdrager en Dijkstal hebben ook iets opgepikt over een hoeveelheid andere mentaliteit, gezien hun opdracht aan mr. C. Ficq.

Albrecht Nederland zit in Culemborg. Weten wij dat ook weer. Zou Albrecht veel lezen ?

V en D, Kenan, en daarna de COOP.

Ik sta iets zeer eenvoudigs te koken, nu om 18.28 uur, later dan normaal. De computer staat aan. Ik luister naar mijn nieuwe cd van Sinatra. De t.v. staat aan en af en toe lees ik in een boek en ik geniet eigenlijk van deze vrijheid c.q. chaos. En net als ik denk dat ik eenzaam ben – niet dus – belt Deny.

Zegt van Mierlo tegen Bolkestein : Wij willen Tommel best kwijt als jullie Voorhoeve wegdoen.

19.29 uur. Cappuccino met “One for my baby”.

Stefan, kun jij een rekening op beider naam openen ? Dan ben jezelf hoofdverantwoordelijke voor wat ermee gebeurd. Als je wil weten waarom zal ik het je uitleggen. It’s my kind of town Chicago is !

20.57 uur. Deny heeft om half acht opnieuw gebeld. Daarna ben ik maar de eendjes gaan voeren en de kleine wilde gansjes in het park. De zon was toen echter al weer weg. De muggen vlogen laag en dat noemde mijn moeder vroeger altijd een teken voor goed weer op de volgende dag. Wij hebben afgesproken morgen naar Nijmegen, naar de Waalkade te gaan als het werkelijk mooi wordt. Voor de wandeling nog met Arno’s vriendin Martine gepraat. Arno is twee dagen niet te bereiken. Pas maandagavond weer thuis. Het zou toch wel heerlijk zijn hem terug te zien. Ik hoop dat hij dus het komende weekend tijd heeft.

Een jaar heeft – prachtig gegeven – 31.536.000 seconden. Wat een rijkdom ! En daarvan heb ik er dit jaar nog 15.768.000 over zo ongeveer. En je kunt er mee doen wat je wil !

23.23 uur. Slot. Op weg naar Entre Nous.

Zondag 2 juni 1996, 13.27 uur.

Arie gebeld om te kijken of hij thuis was of moest werken. Maar hij was weer een stem op het antwoordapparaat. Gezegd dat wij misschien Samson zouden binnenvallen.

Een broer van Netanyahu is gesneuveld als een held in de terroristenbestrijding. (De Amerikanen blijven optimistisch. Wij ook)

In Entre Nous heb ik je gemist – goede middag trouwens – Steefje. Te moe ? Of Torch song trilogy? Leo, Piet waren er wel en tot mijn troost vanaf 3.00 uur Peter. (En Pim natuurlijk, Arie, zoals altijd. )

De Amerikanen blijven ook de wens uitspreken Karadić zo snel mogelijk – het liefst in een koffertje – naar Den Haag te brengen. Deny zal er zo zijn, want het is 13.47 uur. Dus over en sluiten. 22.00 uur Terug van een wandeling door het park. Ik type even blind, om te oefenen, zoals je kunt zien.

Arie was weer niet in Samson vanmiddag. Daar zijn Deny en ik als eerste naar toe geweest. Maar hij werkt er wel nog, heeft ergens in deze week weer dienst. Aldus Frits.

Overigens heb ik de Rabobank op de gebruikelijke manier laten weten dat ze jou niet naar Den Haag moeten wegpromoveren, Steefje. “Dan krijgen jullie problemen met de computer.”

Verder nog Radovan Karadić die in Genève besproken is. De VS oefenen nog steeds druk uit, maar het lijkt allemaal nog wegens een gebrek aan harmonieuze doortastendheid getraineerd te kunnen worden. Wat dan ook gebeurt.

Kundera, Arie, schrijft inderdaad hele mooie zinnen.”

Ontwerp voor een cover

Ballade van het uiterlijke leven (Hugo von Hofmannsthal)

Dolce far niente

 

Big Eye children door Christian – Montmartre, 1964 (Fragment)


BALLADE DES ÄUSSEREN LEBENS

Und Kinder wachsen auf mit tiefen Augen,
Die von nichts wissen, wachsen auf und sterben,
Und alle Menschen gehen ihre Wege.

Und süße Früchte werden aus den herben
Und fallen nachts wie tote Vögel nieder
Und liegen wenig Tage und verderben.

Und immer weht der Wind, und immer wieder
Vernehmen wir und reden viele Worte
Und spüren Lust und Müdigkeit der Glieder.

Und Straßen laufen durch das Gras, und Orte
Sind da und dort, voll Fackeln, Bäumen, Teichen,
Und drohende, und totenhaft verdorrte …

Wozu sind diese aufgebaut? und gleichen
Einander nie? und sind unzählig viele?
Was wechselt Lachen, Weinen und Erbleichen?

Was frommt das alles uns und diese Spiele,
Die wir doch groß und ewig einsam sind
Und wandernd nimmer suchen irgend Ziele?

Was frommts, dergleichen viel gesehen haben?
Und dennoch sagt der viel, der »Abend« sagt,
Ein Wort, daraus Tiefsinn und Trauer rinnt

Wie schwerer Honig aus den hohlen Waben.

Hugo von Hofmannsthal (1 februari 1874 – 15 juli 1929)


Ballade van het uiterlijke leven

En kinderen groeien op met diepe ogen
Die van niets weten, groeien op en sterven
En alle mensen gaan hun eigen wegen.

En bittere vruchten worden zoet en sterven
En vallen “s nachts als dode vogels neer
En liggen enkele dagen en bederven.

En altijd waait de wind en altijd weer
Vernemen wij en spreken vele woorden
En voelen lust en moeheid in de leden

En straten lopen door het gras en oorden
Zijn hier en daar, vol fakkels, bomen, dijken,
En dreigende, en dodelijk verdorde…

Waarom zijn zij toch opgebouwd?
En lijken Nooit op elkaar? En zijn ontelbaar vele?
Wat wisselt lachen, wenen en bezwijken?

Wat baat dat alles ons en deze spelen,
Daar wij toch groot en eeuwig eenzaam zijn
En zwervend door geen doel worden geboeid?

Zoveel gezien te hebben, kan dat baten?
En nochtans zegt hij veel die “avond” zegt,
Een woord, waaruit diepte en droefheid vloeit

Als zware honing uit de holle raten.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Zie voor de schrijvers van de 12e september ook mijn blog van 12 september 2018.

De keizer van China spreekt (Hugo von Hofmannsthal)

Dolce far niente

 

Een keizerlijk portret van de Chinese imperator Xianfeng, 1855


Der Kaiser von China spricht

In der Mitte aller Dinge
Wohne Ich, der Sohn des Himmels.
Meine Frauen, meine Bäume,
Meine Tiere, meine Teiche
Schließt die erste Mauer ein.

Drunten liegen meine Ahnen:
Aufgebahrt mit ihren Waffen,
Ihre Kronen auf den Häuptern,
Wie es einem jeden ziemt,
Wohnen sie in den Gewölben.

Bis ins Herz der Welt hinunter
Dröhnt das Schreiten meiner Hoheit.
Stumm von meinen Rasenbänken,
Grünen Schemeln meiner Füße,
Gehen gleichgeteilte Ströme

Osten-, west- und süd- und nordwärts,
Meinen Garten zu bewässern,
Der die weite Erde ist.
Spiegeln hier die dunkeln Augen,
Bunten Schwingen meiner Tiere,

Spiegeln draußen bunte Städte,
Dunkle Mauern, dichte Wälder
Und Gesichter vieler Völker.
Meine Edlen, wie die Sterne,
Wohnen rings um mich, sie haben

Namen, die ich ihnen gab,
Namen nach der einen Stunde,
Da mir einer näher kam,
Frauen, die ich ihnen schenkte,
Und den Scharen ihrer Kinder,
Allen Edlen dieser Erde

Schuf ich Augen, Wuchs und Lippen,
Wie der Gärtner an den Blumen.
Aber zwischen äußern Mauern
Wohnen Völker meine Krieger,

Völker meine Ackerbauer.
Neue Mauern und dann wieder
Jene unterworfnen Völker,
Völker immer dumpfern Blutes,
Bis ans Meer, die letzte Mauer,

Die mein Reich und mich umgibt.

Hugo von Hofmannsthal (1 februari 1874 – 15 juli 1929)


De keizer van China spreekt

In het midden van alle dingen
Woon ik de Zoon des Hemels.
Mijn vrouwen, mijn bomen,
Mijn dieren, mijn vijver
Sluit in de eerste muur.

Beneden ligt mijn voorgeslacht
Opgebaard met hun wapens,
Hun kronen op de hoofden,
Zoals het een ieder past,
Wonen zij in de gewelven.

Tot in’t wereldhart beneden
Dreunt het schrijden van mijn hoogheid.
Stom vanaf mijn zodenbanken
Groene bankjes van mijn voeten,
Gaan stromen in gelijke delen
Oost-en west en zuid-en noordwaarts,

Om mijn tuin er te bevloeien,
Die de wijde aarde is.
Spiegelen hier de donkere ogen,
Bonte vleugels van mijn dieren,
Spiegelen buiten bonte steden,
Donkere muren, dichte wouden

En gezichten veler volkeren.
Mijn edellieden, als de sterren,
Wonen rond om mij, zij hebben
Namen, die ik hun gaf,
Namen naar dat eerste uur,
Toen er een mij nader kwam,

Vrouwen, die ik hun schonk,
En de scharen van hun kinderen ;
Alle edellieden dezer aarde,
Schiep ik ogen, groei en lippen,
Zoals de tuinman aan de bloemen.
Echter tussen buitenste muren

Wonen volkeren, mijn krijgers,
Volkeren, mijn akkerbouwers.
Nieuwe muren en dan weer
Deze onderworpen volkeren,
Volkeren van steeds doller bloed,
Tot aan de zee, de laatste muur,

Die mijn rijk en mij omgeeft.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Zie voor de schrijvers van de 11e september ook mijn blog van 11 september 2018.

Ein Traum von grosser Magie (Hugo von Hofmannsthal)

Dolce far niente

 

The Magician door Alexandre-Evariste Fragonard, z.j.


Ein Traum von grosser Magie

Viel königlicher als ein Perlenband
Und kühn wie junges Meer im Morgenduft,
So war ein großer Traum – wie ich ihn fand.

Durch offene Glastüren ging die Luft.
Ich schlief im Pavillon zu ebner Erde,
Und durch vier offne Türen ging die Luft –

Und früher liefen schon geschirrte Pferde
Hindurch und Hunde eine ganze Schar
An meinem Bett vorbei. Doch die Gebärde

Des Magiers – des Ersten, Großen – war
Auf einmal zwischen mir und einer Wand:
Sein stolzes Nicken, königliches Haar.

Und hinter ihm nicht Mauer: es entstand
Ein weiter Prunk von Abgrund, dunklem Meer
Und grünen Matten hinter seiner Hand.

Er bückte sich und zog das Tiefe her.
Er bückte sich, und seine Finger gingen
Im Boden so, als ob es Wasser wär.

Vom dünnen Quellenwasser aber fingen
Sich riesige Opale in den Händen
Und fielen tönend wieder ab in Ringen.

Dann warf er sich mit leichtem Schwung der Lenden –
Wie nur aus Stolz – der nächsten Klippe zu;
An ihm sah ich die Macht der Schwere enden.

In seinen Augen aber war die Ruh
Von schlafend- doch lebendgen Edelsteinen.
Er setzte sich und sprach ein solches Du

Zu Tagen, die uns ganz vergangen scheinen,
Daß sie herkamen trauervoll und groß:
Das freute ihn zu lachen und zu weinen.

Er fühlte traumhaft aller Menschen Los,
So wie er seine eignen Glieder fühlte.
Ihm war nichts nah und fern, nichts klein und groß.

Und wie tief unten sich die Erde kühlte,
Das Dunkel aus den Tiefen aufwärts drang,
Die Nacht das Laue aus den Wipfeln wühlte,

Genoß er allen Lebens großen Gang
So sehr – daß er in großer Trunkenheit
So wie ein Löwe über Klippen sprang.

………………………………………………………………

Cherub und hoher Herr ist unser Geist –
Wohnt nicht in uns, und in die obern Sterne
Setzt er den Stuhl und läßt uns viel verwaist:

Doch Er ist Feuer uns im tiefsten Kerne
– So ahnte mir, da ich den Traum da fand –
Und redet mit den Feuern jener Ferne

Und lebt in mir wie ich in meiner Hand.

Hugo von Hofmannsthal (1 februari 1874 – 15 juli 1929)


Een droom van grote magie

Voor Alexander

Veel koninklijker dan een parelsnoer
En koen als jonge zee in morgenlucht,
Zo was een grote droom die ik ervoer.

Door open glazen deuren ging de lucht.
Ik sliep in’t paviljoen, dicht bij de aarde
En door vier open deuren ging de lucht

En eerder liepen al getuigde paarden
Erdoor en honden, een hele schaar
Aan mijn leger voorbij. Maar toen gebaarde

De magiër, de eerste, grote; daar
Was plotseling tussen hem en wat ik vond
Zijn trotse knikken, koninklijke haar.

En achter hem geen muren; er ontstond
Een wijde pracht van afgrond, donkere zee,
En uit zijn hand wies groene weidegrond.

Hij bukte zich en trok het diep omhoog.
Hij bukte zich en zie, zijn vingers gingen
Zo, als was het water, de bodem door.

Maar uit dunne bronwateren vingen
Zijn handen zich opalen van gewicht
Die klinkend al weer neervielen in ringen.

Toen wierp hij met een lendenzwaai zich licht,
En als uit trots de klippen op, zozeer nabij, –
Voor hem zag ik de zwaartekracht gezwicht.

En in zijn ogen was het stil getij
Van slapende – maar levende edelstenen.
Toen ging hij zitten en sprak zulk een jij

Tot dagen die ons ver verleden schenen,
Dat zij terugkeerden, vol verdriet en groot;
Toen was hij blij te lachen en te wenen.

Hij voelde zich der mensen lotgenoot,
Zoals hij dromend ook zijn lichaam voelde.
Hem was niets te na of ver, niets klein of groot.

En toen diep onder hem de aarde afkoelde,
Het donker uit de diepten opwaarts drong,
De nacht de lauwheid uit de kruinen woelde,

Genoot hij met wie het leven groots bezong
Zo zeer dat hij in grote dronkenschap,
Zoals een leeuw over de klippen sprong.

………………………………………………………………

Cherub en hoge heer is onze geest –
Woont niet in ons, en in de hoogste sterren
Zet hij zijn stoel en laat ons zeer verweesd:

Maar hij is vuur in onze diepste kern en –
Vermoedde ik, toen in die droom beland –
Hij spreekt ook met de woorden van die verte

En leeft in mij als ik leef in mijn hand.

 

Vetaald door Frans Roumen

 

Zie voor de schrijvers van de 10e september ook mijn blog van 10 september 2018.

Vivaldi “Summer” (Alexander Rybak), Liefdeslied (Rainer Maria Rilke)

 

Alexander Rybak (Minsk, 13 mei 1986)

 

Liefdeslied

voor Alexander

Hoe moet ik mijn ziel nu houden, dat
zij niet de jouwe raakt? Hoe moet ik haar
heentillen over jou naar andere dingen?
Oh, graag zou ik haar nu zomaar wat
Verloren in het donker doen bedaren,
op een vreemde, stille plek die niet
blijft zingen nu al je diepten zingen.
Maar alles wat ons aanraakt, jou en mij,
brengt ons tesamen in een wij,
dat nu een toon vormt uit twee snaren.
Op wiens viool zijn wij beland?
En welke strijker heeft ons in de hand,
Mijn liefste lied?

Vertaald door Frans Roumen

 

Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)
De Sint-Salvatorkerk in Praag, de geboortestad van Rilke


Zie voor de schrijvers van de 10e september ook mijn blog van 10 september 2018.