Erik Lindner, Jehuda Amichai

De Nederlandse dichter Erik Lindner werd geboren op 3 mei 1968 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Erik Lindner op dit blog.

 

Tong en trede

Loopt een man en zo natuurlijk
hoe elk obstakel naar hem opkijkt
en zijn voeten de sporen uitvegen
die hij thuis op een kaart naliep.

Hij draagt het huis op de schouders,
herleest het landschap in zijn ogen.
Er springen kiezels in de richting
die de punt van zijn sandaal onthoudt.

Er is een schiereiland in dit huis.
Een weg die zich krommend perst
tussen het losse vlees achter twee tanden
en naar geen ander leidt.

In de kruipruimte van zijn denken
is het huis een inrichting van glas.
Een wandmeubel, een beddensprei,
een zitje voor zijn patiencespel.

Bij elk obstakel houdt hij stil
en loopt de ballast voor hem uit.
Wat hij aflegt is hij kwijt, spellend
hoe de huig het hoofd herinnert.

 

Turenne

In de gevel, een gehoorgang
kunnen voorstellen: reiger
slang en ooievaar, een zwart
naakt brons jongetje

kan geen water schenken
uit een kruik die nog niet droog is,
luistert of de straal valt
in een schelpvormig bassin.

Zouden we het beeld willen omhelzen.

Een beeld staat zolang stil
tot het alleen in de stad is.

De stad, de zieke scherven.
Een hek sluit de gevelrij.

 

Een man hangt uit een raam…

Een man hangt uit een raam en slaat
met een hamer onder de vensterbank

een meisje knijpt een tube uit en wrijft

broodkorsten in een plastic krat in de achterbak
een claxon en daarna remmen en een stem

twee bowlingbanen naast elkaar
zwembanen afgezet door touw met schijven kurk

bolle spiegels boven de kassa’s
de rij ineengeschoven karretjes die zwenkt

zang uit de achterzaal
de driehoek rosbief op een plank

invoegen op de rechter rijstrook

crème die van wit doorzichtig raakt
een bergje zand.

 

Erik Lindner (Den Haag, 3 mei 1968)

 

De Duits-Israëlische dichter en schrijver Jehuda Amichai werd op 3 mei 1924 geboren in Würzburg. Zie ook alle tags voor Jehuda Amichai op dit blog.

 

Het strand bij Asjkelon

Hier op het strand bij Asjkelon kwamen we aan het eind
van de herinnering, als rivieren die uitmonden in zee.
Het nabije verleden zinkt het verre verleden in
En het verre rijst op uit de diepten naar het nabije.
Vrede, vrede degenen die verre zijn en degenen die nabij zijn.

Hier tussen brokstukken van idolen en pilaren
Vraag ik me af hoe Simson de tempel, waarin hij stond, blind,
ten val bracht, en zei ‘mijne ziel sterve met de Filistijnen’,

Of hij de pilaren heeft omarmd, zoals bij een laatste liefde,
Of ze met zijn beide armen van zich af heeft geduwd,
Om in zijn dood alleen te zijn.

 

Vertaald door Theodor Dunkelgrün

 

Jehuda Amichai (3 mei 1924 – 22 september 2000)  

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e mei ook mijn blog van 3 mei 2020 en eveneens mijn blog van 3 mei 2019 en ook mijn blog van 3 mei 2017 en mijn blog van 3 mei 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Wytske Versteeg, Angela Krauß

De Nederlandse schrijfster Wytske Versteeg werd geboren op 2 mei 1983. Zie ook alle tags voor Wytske Versteeg op dit blog.

Uit: Quarantaine

“Nog altijd ben ik ervan overtuigd dat ze eigenlijk ergens daar thuishoorde, op een plek die mijn verbeelding voor haar ingericht heeft. Dat ze die avond in mei alleen per vergissing verzeild was geraakt op dat stomvervelende feest in de polder. Nu er niets over is, hunker ik ernaar om nog een keer te zien hoe zij bewoog, haar sierlijkheid zo ongebruikelijk voor vrouwen uit ons land, die zich ongeacht hun schoeisel voortbewegen alsof ze regenlaarzen dragen. Sierlijk, maar wat zegt dat? Valt dat woord soms aan te raken, vast te pakken?
Alleen in mijn gebarricadeerde huis doe ik mijn best me te herinneren hoe haar gezicht eruitzag, haar stukje voor stukje vanuit het niets weer op te bouwen. De lachrimpels rond haar rode lippen, het glanzend zwarte haar dat ze die eerste avond opgestoken droeg bij wijze van parodie op een oudere, stoffigere vrouw. Telkens als ik aan haar denk wis ik haar verder uit, onvermijdelijk worden haar trekken vager, onduidelijk wat echt was en wat niet. Had ze een moedervlek op haar linkerwang, had ze überhaupt een moedervlek?
Over een jaar of tien, of misschien eerder, morgen, overmorgen of volgende week, zal er een leger komen om ons in beslag te nemen, misschien de Russen wel. Ze zullen onze huizen vullen met hun flessen wodka, met stapels Dostojewski en zwaarmoedigheid, en ik zal hen niet tegenhouden, als ik tegen die tijd nog leef. Ik stel me de soldaat voor die op zijn zware laarzen dit huis binnenstampt, het dunne snorretje boven zijn lip, grote, vochtige ogen. Hij zal mijn spullen vinden, en wie weet, misschien ook mij als een geraamte met tegen mijn borst geklemd een stapel losse blaadjes, aangetast door vocht en schimmels en de tijd, volgekalkt in mijn handschrift, dat nog het meest weg heeft van een verzameling insectenpoten, eerst uitgetrokken en daarna zorgvuldig tussen lijntjes gerangschikt. Lieve schat, ik ben melodramatisch, maar gun me dit plezier, de ijdele gedachte dat een lezer mijn al lang verlaten huis zal binnengaan. Nog terwijl ik dit schrijf zie ik het ongeduldig schouderophalen waarmee jij steevast reageerde op dergelijke uitspraken van mijn kant, hoe je demonstratief de andere kant uit keek en ondertussen met een prachtige hand strengen draaide van je haren, verveling geperfectioneerd tot kunst. Wreed, misschien, om eindeloos tegen je aan te praten nu jij je niet meer kunt verweren. Vergeef me, dear. Je zult het geluid van mijn stem nog een keer moeten verdragen, waar je ook bent.”

 

Wytske Versteeg (Amsterdam (?), 2 mei 1983)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Angela Krauß werd geboren op 2 mei 1950 in Chemnitz. Zie ook alle tags voor Angela Krauß op dit blog.

 

Mijn kleine broertje
mijn oudste metgezel.
Die de tafel met dekens vol hing,
wanneer bezoek werd aangekondigd.
Mijn kleine broertje in zijn schuilplaats.
Wilde hij worden verlost?
Drink niet, broedertje!
Het bezoek roerde in de kopjes,
een belletje op de grond,
beneden haalde iemand diep adem.
Een dierenjong,
dat een geur in zich opneemt.
Ik heb hem nooit gevraagd:
Liet hij een kiertje open
waardoor hij naar ons keek?
En waarom hij daar was
en niet ik.
Ik vraag het hem niet
mijn bloedbroeder
van de ondoorzichtige vlakte achter ons,
in de buurt van de eeuwige jachtvelden,
van waaruit we zijn vertrokken.
Tot het einde van ons leven
hoeven we elkaar geen vragen te stellen.
Als hadden we in het duister van onze levensstart
elkaar alles verteld.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Angela Krauß (Chemnitz, 2 mei 1950)

 

Zie voor de schrijvers van de 2e mei ook mijn blog van 2 mei 2018 en ook mijn blog van 2 mei 2017 en ook mijn blog van 2 mei 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

Dag van de arbeid (Letty Kosterman), André Schinkel

 

Bij 1 mei          

 

Steel door Thomas Hart Benton, 1931

 

Dag van de arbeid

Wat moet je op 1 mei ter tafel brengen?
Dat is de vraag die mij laatst werd gesteld.
Mijn antwoord op die vraag is gauw verteld,
op 1 mei moet je rood met rood vermengen.

Begin de dag dus met een zak tomaten.
Vermijd het kroontje wel tot elke prijs
Als lunch gebruik je dan een bos radijs.
Je kan er brood bij doen, je kan ’t ook laten.

1 mei, de dag van d’Arbeid, het diner.
Een rooie huisvrouw zal het simpel houwen,
ze zal een diepvriesmaal in d’oven douwen.

Dan is z’op tijd bij al die and’re vrouwen,
die samen aan een nieuwe toekomst bouwen.
En zij gaat met die rooie vrouwen mee!

 

Letty Kosterman (17 maart 1935 – 5 februari 2017)
Utrecht, de geboorteplaats van Letty Kosterman

 

De Duitse dichter, schrijver en archeoloog André Schinkel werd geboren op 27 april 1972 in Eilenburg. Zie ook alle tags voor André Schinkel op dit blog.

 

Aan de nachtblauwe vlinder

Op jou, vlinder, ik heb de hele
Dag al gewacht, jouw zeeblauwe
Vleugels. Ik ging onrustig door de nacht,
Vroeg in de ochtend begon ik te drinken,
Want: ik hield de verwachting niet uit. En nu
Weer nacht en mijn hoofd vol wijn,
En de slaap komt niet eerder dan dat jij
Komt. Jouw vlucht van ver weg, vanaf de
Baltische Zee, en altijd naar mij, op de
Vlucht voor de kraaien die uit Noorwegen
Zijn. Jouw uitzicht – zuidelijk Scandinavisch licht
Onder de gelijkmatige vleugelslag,
Wanneer je terugkeert naar het thuishok,
Nectarparels in de vacht en de geur van stuifmeel: op
Jou heb ik de hele zomer gewacht.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

André Schinkel (Eilenburg, 27 april 1972)

 

Zie voor de schrijvers van de 1e mei ook mijn blog van 1 mei 2020 en eveneens mijn blog van 1 mei 2019 en ook mijn blog van 1 mei 2016 deel 1 en deel 2 en eveneens deel 3.

Jeroen Brouwers, Ulla Hahn

De Nederlandse schrijver Jeroen Brouwers werd geboren op 30 april 1940 in Batavia, de hoofdstad van het voormalige Nederlands-Indië (tegenwoordig Djakarta, Indonesië). Zie ook alle tags voor Jeroen Brouwers op dit blog.

Uit: Het hout

“Ongeveer op dat punt brandt het licht in Mansuetus’ kamer. Twee tl-buizen. Het raam waar dat licht schijnt is een gele lap in het pastoorzwart van de nacht, te zien door de takken van de kastanjes. Hij van daaruit zal het povere schijnseltje van mijn lampje wel niet zien als het brandt.
Als je nu niet onmiddellijk ophoudt met die smerige gelui-den, Weytjens! Schreeuwen doe ik niet. Het heeft hier alles van een strafinstelling. Broeder? Ja Weytjens? Mark Freelink is er nog altijd niet. Knor knor. Ahômm. Besmuikte geluiden in verschillende slaapcoupés. Stilte! Iedereen slapen! Ik pro-duceer opnieuw een roffel met het kruis van het weesgegroe-tensnoer met de houten kralen. Daar rinkelt de lamp van in de fitting, het resoneert in de thermosfles.
Ik kom niet van mijn stoel en word weer onbeweeglijk. Druppels aan mijn oren en neus. Er glibbert er een van nek naar stuit. Nog een van borstbeen naar daaronder, waar het jeukt. Kloosterzakdoek om te vegen en te deppen was van-morgen al doorweekt. De lap hangt achter mij aan het bed te drogen nadat ik hem onder de kraan heb uitgespoeld. Me-debroeders op de aardappel en groenteakkers opzij van de gebouwen leggen een knoop in de vier punten van de zakdoek en spannen hem zo over het hoofd. God weet wat de confra-ters nog meer met hun zakdoeken doen. Naast God weet ik dat ook, ik doe er hetzelfde mee, waartoe het weefsel bij voor-keur droog zij, nat is niet prettig.
Mark Freelink moest nablijven na de avondstudie. Mansuetus verscheen in de deuropening van de studiezaal en commandeerde met die snorkende stem van hem, na eerst dat schraapgeluid: Freelink! Als hij opdoemt slaat meteen ab-solute stilte in. Als hij weer in de gang is opgelost, deur geluid-loos achter zich gesloten, zoals hij hem ook opeens geluid-loos heeft geopend, blijft iedereen nog seconden verstijfd. De leerlingen, maar wij, zijn kloosterbroeders, evengoed, die Mansoeweetoes ook buiten het schoolgebouw meemaken.
Een stronk van een kerel, die door zijn gestalte boven alles uitsteekt, ook als hij zit of knielt. Het franciscuskleed bergt een zo omvangrijk lichaam dat het hem niet tot de voeten maar tot halverwege de behaarde onderbenen reikt. Daar ver-plaatst hij zich niet mee met dreunend misbaar als de kolos die hij is, maar onhoorbaar, zonder te sluipen, of hij met grote stappen zweeft. Opeens is hij er, opeens staat hij voor of achter je en je schrikt. Die schrik is angst. Dat bolle kale hoofd met de kleine loerende ogen boven pofferige wangen. Broe-der ever. Hij zet een stem op die wel altijd dreunt. En voordat hij iets zegt altijd eerst dat bijna rochelende aggrômm. Alleen al bij de klank daarvan verstommen mens en natuur, terwijl de mens er ook nog bij verbleekt. Onze broedergemeenschap ziet hem alleen in de kapel, niet altijd bij alle diensten, en in de kloosterrefter in het slot.”

 

Jeroen Brouwers (Batavia, 30 april 1940)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Ulla Hahn werd geboren op 30 april 1946 in Brachthausen. Zie ook alle tags voor Ulla Hahn op dit blog.

 

Mijn woorden

Ik heb mijn woorden
uitgetrokken
tot ze er lagen
ademend en naakt
onder mijn tong.

Ik draai ze om
spuug ze uit
zuig ze naar binnen
blaas ze op

span ze aan
van top tot teen
span ze open

Maak ze groot
als een ruimteschip naar de maan
en klein als een kind.
Overal zoek ik de zin
die me vertelt
waar ik mezelf vind.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Ulla Hahn (Brachthausen, 30 april 1946)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e april ook mijn blog van 30 april 2020 en eveneens mijn blog van 30 april 2018 en ook mijn blog van 30 april 2016 deel 1 en eveneens deel 2.

K. P. Kaváfis, Monika Rinck

De Griekse dichter Konstantínos Petros Kaváfis werd geboren te Alexandrië (Egypte) op 29 april 1863. Zie ook alle tags voor Konstantínos Petros Kaváfis op dit blog.

 

Τrojanen  

Ons pogen is, van wie voor rampspoed is geboren;
ons pogen is zoals van de Trojanen.
Iets krijgen wij wel voor elkaar, iets komen
wij er wel bovenop, en voelen dan
hoe er begin van moed en goede hoop is.

Maar altijd duikt er wel iets op en stopt ons af.
Achilles bij de gracht verschijnt voor onze
ogen en jaagt ons met zijn luide kreten angst aan.–

Ons pogen is zoals van de Trojanen.
Wij menen dat we, moedig, vastbesloten,
de neergang nog wel zullen keren van ons lot,
en staan daarbuiten pal en gaan de strijd aan.

Maar als de grote crisis eenmaal daar is,
gaan onze moed en vastbeslotenheid teloor;
en overstuur raakt onze ziel, verlamt dan,
en rondomheen de muren rennen wij

om zo ons leven nog te redden door de vlucht.

Maar, onze val staat vast. Boven is, op de muren,
begonnen reeds de jammerklacht. Van onze
dagen herinneringen en gevoelens wenen er.
Bitter om ons weent Priamos met Hekabe.

 

Ver weg

Graag had ik die herinnering verteld…
Maar zo vervaagd is zij allengs… haast niets is ervan over —
want ver weg, in mijn vroegste jongenstijd is zij gelegen.

Een huid die wel gemaakt leek van jasmijn…
In die augustusmaand — was het augustus? — op een avond…
Amper weet ik de ogen nog; waren ze niet diepblauw…?
Ach ja: diepblauw, als een saffier zo blauw.

 

Vertaald door Hero Hokwerda

 

Chandelier

In a room -empty, small, four walls only,
covered with green cloth-
a beautiful chandelier burns, all fire;
and each of its flames kindles
a sensual fever, a lascivious urge.

In the small room, radiantly lit
by the chandelier’s hot fire,
no ordinary light breaks out.
Not for timid bodies
the lust of this heat.

 

Vertaald door George Barbanis

 

K. P. Kaváfis (29 april 1863 – 29 april 1923)

 

De Duitse dichteres en essayiste Monika Rinck werd geboren op 29 april 1969 in Zweibrücken. Zie ook alle tags voor Monika Rinck op dit blog.

 

HOHO HORTENSIA

hoho hortensia, jij was er, als solitaire stond je
in je vaas en ik schreef je niet, jij stond te rotten
en werd toch niet kleiner. kom nu niet bij me aan
met kinderschorten of briefpapier. ik ben er toch, ik –
zorg voor je. hortensia, ken je die lampen niet,
waar je model voor staat, rond (natuurlijk rond) en
zo geliefd in clubs en retro-discotheken? ken je niet.

of een rond (jahaa, rond) ruimtestation in orion,
wie woont daarin? hoho hortensia, je raadt het niet:
frank sinatra met een schortje om, fixing drinks, bezig
met de cocktailgarde en de sodafles, woont
met zijn barcombi in jouw omgekeerd gewelfde midden,
en buiten alleen maar univers. hoor je mij, hortensia.
buiten alleen maar univers en grote zwarte zwartheid.

 

Vertaald door Monique de Waal

 

Monika Rinck (Zweibrücken, 29 april 1969)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e april ook mijn blog van 29 april 2020 en eveneens mijn blog van 29 april 2019.

In Memoriam Hafid Bouazza

 

In Memoriam Hafid Bouazza

 

De Marokkaans-Nederlandse schrijver Hafid Bouazza is op 51-jarige leeftijd overleden. Hafid Bouazza werd geboren op 8 maart 1970 in Oujda, Marokko. Zie ook alle tags voor Hafid Bouazza op dit blog.

Uit: Paravion

“Haar huid: een landschap van blank waar haar gezicht het oosten was: daar kwamen twee zonnen als
blossen op – en haar borsten waren het westen: daar gingen zij als areola’s onder. Zij was zo blank dat het leek alsof zij enkel in duisternis leefde, nimmer het daglicht had gezien, noch het daglicht haar. Het kon ook liggen aan haar frequente bezoeken aan het badhuis. Ze was er dol op en bracht er vele middagen door. Haar voeten waren even rood als de aarde waarop zij liepen.
De andere vrouwen, zelf hazel of mahagonie, benijdden haar alabaster. Haar naam was Mamoerra.
Wanneer haar ogen verzadigd waren van zijn beeld, vlijde zij haar broze warmte ruggelings tegen zijn boezem waar een brief lag te bonken. Zijn armen omsloten haar levendragend lijfje, omvatten haar alsof ze een mand zomervruchten was. Zij wentelde zich in zijn omarming en keek op naar hem; hij hield haar gezicht gekooid in zijn handen. Haar kin rustte waar de hielen van zijn palmen samenkwamen en hij kuste haar mond en voorhoofd. Vervloekt en nogmaals vervloekt wie de
oorzaak van deze verstrengelingen had onthuld!
En al die tijd leefde de brief tussen hen als een kind of een waardevol huisdier, naast de twee geiten en de ezel.
Het deed haar pijn dat al haar voorzorgsmaatregelen tevergeefs bleken. Maar ook zij was weerloos tegen gerucht, dat nooit sliep en talrijke echo’s als dienstmaagden had in de ravijnen en vlakten van noordelijk Morea (dat is Moorlant voor u, mijne heren), waar het witte gehucht moeizaam standhield op de rode aarde en alles aangreep om verstrooiing te vinden voor zijn verveeld bestaan. Een enkel woord opgevangen door een blad van de druivenrank die, zaadloos nog als het genot van een vrouw, over de muren van hun huis op kroop naar een hiernamaals van schreeuwerige markten en wie
weet van zondig glas – één zo’n woord doorverteld aan de wind die het voortzegde in de vrouwenvertrekken, was genoeg om het gehucht in een staat van opwinding te brengen, klapperend van roddels als een zeil in de wind.”

 

Hafid Bouazza (8 maart 1970 – 29 april 2021)

Wim Hazeu, Kathryn Maris

De Nederlands dichter, schrijver, journalist, radio- en televisieprogrammamaker, uitgever en biograaf Wim Hazeu werd geboren in Delft op 28 april 1940. Zie ook alle tags voor Wim Hazeu op dit blog.

Uit: Achterberg en de psychiatrie

“Het belang van al deze romans en andere (zoals Demonen), en van de thema’s en ideeën, wordt nog overtroffen door de indruk die Schuld en boete op Achterberg maakte, met name het personage van Raskolnikov en diens opvatting dat aan de grotere mens alles is geoorloofd. Raskolnikov doodde om aan zichzelf te bewijzen dat hij tot de categorie der buitengewone mensen behoorede. Waar de prostituee Sonja nog op een wonder wacht (zij leest Raskolnikov het verhaal over de opwekking van Lazarus voor) wordt Raskolnikov oor zijn bijna sadistische hartstocht beheerst, die ten tijde van Schuld en boete nog in Dostojevski zelf woelde. Later zou hij verklaren dat alleen de gevangenis hem redde voor waanzin, moord of zelfmoord. Het is verleidelijk om uit Schuld en boete te citeren, maar dat zou voor wat mij betreft neerkomen op honderd van de bijna vijfhonderd bladzijden, zo overweldigend lijken mij de voorbeelden, waaraan Achterberg zich heeft kunnen spiegelen in de keuze tussen ‘gewone en buitengewone’ mensen, of waarin hij zichzelf meende te herkennen; voorbeelden ook die als voorspellingen van Achterbergs verdere leven gelezen kunnen worden. ‘Alles, zelfs zijn misdaad, het vonnis en de verbanning kwamen in de eerste opwelling, voor als iets dat buiten hem omging, waar hij niets mee te maken had’, lezen wij op de laatste bladzijde van Schuld en boete. Ik kan het niet anders lezen dan als een vooruitlopen op Achterbergs arrestatie en gevangenschap in 1937, na het plegen van de doodslag op zijn hospita-geliefde, zonder (direct) schuldgevoel, en ook als een vooruitlopen op wat in 1932 en 1933 zou gebeuren, toen hij eerder aanstalten maakte om een geliefde te doden. Na de arrestaties in die beginjaren van 1930, werd hij psychiatrisch onderzocht en behandeld en daarna spoedig op de maatschappij losgelaten, zonder dat één psychiater ook maar het minste benul toonde voor het ‘unieke’ van Achterberg: een dichter voor wie niets meer telde dan de poëzie en een lezer die door Dostjoveski’s personages was beïnvloed. Het gespreksthema poëzie of Dostojevski werd niet serieus opgepakt, waardoor de psychiaters – als ik het voorzichtig mag formuleren – een kans hebben laten lopen om hun patiënt méér te begrijpen en om wellicht een terughoudender advies te geven, dan het zonder meer vrijlaten van wat toen al een desperaat mens was.
Het is natuurlijk niet zo dat, omdat Raskolnikov een moord pleegde en in de gevangenis terechtkwam, dit ook met Achterberg moést gebeuren. Maar het feit dat Achterberg zich in Raskolnikov ging herkennen (wat hij nota bene ook duidelijk heeft gezegd aan degenen die hem verplegen moesten), en zich op deze romanfiguur beriep, werd door de psychiaters niet als een punt van serieuze gesprekken overwogen. Men liet het bij vage oorzaken: wellicht was de val van een hooiberg, waarbij hersenbeschadiging zou hebben kunnen optreden, de oorzaak van het ongereguleerd driftleven van hun patiënt.”

 

Wim Hazeu (Delft, 28 april 1940)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Amerikaanse dichteres Kathryn Maris werd geboren in New York in 1971. Zie ook alle tags voor Kathryn Maris op dit blog.

 

De X Man

Zijn superkracht was dat zijn testikels sperma produceerden
met uitsluitend X-chromosomen en dat was ironisch want
niet alleen was hij een beest voor vrouwen, maar zijn 40 meisjesbaby’s groeiden
op, op zoek naar mannen zoals hun vader die ze nauwelijks zagen, tenzij ze
naar zijn atelier gingen om te worden geschilderd, wat hun moeders niet goed vonden,
die niet alleen jaloers waren, maar ook schuldig aan het baren van meisjes
die producten waren van een monster dat X-chromosomen maakt
& die binnenkort zouden lijden onder de handen van andere monsters met X-
type sperma waardoor de voortzetting van het lijden is verzekerd
& ondertussen werden alle meisjes schrijvers die lusteloos waren
van het zitten aan een bureau en het zijn van dochters en liefhebbers van beesten.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Kathryn Maris (New York, 1971)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e april ook mijn blog van 28 april 2020 en eveneens mijn blog van 28 april 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Robert Anker, André Schinkel

De Nederlandse dichter, schrijver en literatuurcriticus Robert Anker werd geboren in Oostwoud op 27 april 1946. Zie ook alle tags voor Robert Anker rop dit blog.

 

Heimwee naar de dag voordat jij kwam

Ik was Abba al voorbij maar Abba haalde mij
in het was een jonge dag de dag voordat jij kwam
het was zo’n dag dat iedereen je aankijkt en gestalte neemt
en: bewogen de gordijnen in de deur er was geen wind
knikkend zakte iets opzij een vloed een flakkering van licht
in het licht een zingend kleuren van de kleuren naar zichzelf
het was de dag voordat jij kwam ik heb gewoon ontbeten
denk ik en ik las de krant vermoed ik op mijn werk
zo zal ik ook geluncht en weer teruggelopen naar de tram
de sleutel in het slot no sense of living without aim
maar al die opkomst in het niets de dag voordat hij kwam.

 

Met haar rugzak zwaarder dan een paard

Met haar rugzak zwaarder dan een paard
om stuitert desondanks zij de trappen op en af
woont in abstracte lessen voor een toekomst met
haar gierende vriendinnen wild gearmd naar de wc’s
een wijle daar valt zij in een aandacht voor haar oogopslag
haar rozenmond in de beheersing van haar hoofddoek
strijkt zij langs de jongensblote navel der vriendin
o zij haat de broertjes in haar kamer met agendazware zucht
en tekent haar belofte in het stralendste gezicht
dat zij ooit tekende, o knusse dingen hou me vast
ik blaak van alles wat me ook vandaag omringde.

 

De zon daalt, wij hebben ons verinnerlijkt in ons bootje

De zon daalt, wij hebben ons verinnerlijkt in ons bootje
en varen zoet vereenzaamd in een landschap
waarbij ik roei en jij met elegante handslag het water
in het water schept opdat wij zinkende niet zinken
in het water waar zo pas zie ik omkijkend land was
en ver voor mij op de kant was de kindertijd en wuift nog
o god wat hou ik toch van de knieën uit je rok!

 

Robert Anker (27 april 1946 – 20 januari 2017)

 

De Duitse dichter, schrijver en archeoloog André Schinkel werd geboren op 27 april 1972 in Eilenburg. Zie ook alle tags voor André Schinkel op dit blog.

 

Vliegend stuifmeel

In de lente trekken de wolken voorbij,
rood-geel van bloeiend verlangen,
tussen de schaduwen, de groene hyperbool
van de hellingen van het voorgebergte;

de merels roepen tevergeefs
en blazen hun borst op
tegen de eksters die vlijtig
de nesten leegruimen; en

de wielewaal veert schuchter het zwart-
gele stempel van de vlucht
In het aangeleverde landschap,
waar vliegend stuifmeel heerst; –

wat een omgeving denk je,
gaat vol spijt weg met
in je rug de kudde van de heuvels,
op weg naar de drinkplaats.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

André Schinkel (Eilenburg, 27 april 1972)

 

Zie voor de schrijvers van de 27e april verder ook mijn blog van 27 april 2020 en eveneens mijn blog van 27 april 2018 en ook mijn blog van 27 april 2016 en mijn blog van 27 april 2013 deel 1 en eveneens deel 2.

Carl Christian Elze

De Duitse dichter en schrijver Carl-Christian Elze werd geboren op 26 april 1974 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Carl-Christian Elze op dit blog.

rückseite eines palastes

rückseite eines palastes: dunkel und eng, voller kot
und elektrischer leitungen, unbegreiflicher apparaturen.

eidechsen kriechen die wände hinauf, rutschen aus auf salpeter
und fangen sich wieder, im letzten moment, mit zitternden flanken.

ein heer von stacheln, das in die dunkelheiten ragt
und jede landung bedroht: ein taubenjunges, das vom himmel fiel –

noch halbnackt taumelt es am grund und stiert in die ecken
mit zuckendem kopf, sucht ein nest im universum der gasse.

auf einem vergitterten fenster, gleich über ihm balancierend
die katze, die satt in ihre speisekammer blickt, satt für minuten.

calle corner: manchmal ein mensch, der durch die enge streift
und seine hosen runterlässt und mit sich redet

wie schon seit jahren nicht mehr. oder auch zwei:
zwei menschen, mit regenschirmen, die sich wild verhaken.

am nächsten morgen: ein häufchen federn, knochenschimmer
und wieder sonnenspeere, die im boden stecken, kinderschreie

gepresst aus möwenköpfen .. als gäb es folterkammern
die im himmel stehn, in einem becken

von unverschämtem blau.

 

campo san polo

jeden morgen und jeden abend sitze ich auf einer roten bank
und lade mein blut auf mit den sprüngen der hunde

von campo san polo. sie fliegen mit glänzenden augen
und pulsierenden zungen über ein steinmeer mit acht

grünen mastbäumen und verrottenden tauben.
sie begreifen kein gefängnis, solange sie spielen:

sie schweben. ich versuche sie anzulocken, jeden morgen
und jeden abend mit einem brocken zärtlichem deutsch

in meiner ausgestreckten hand, aber sie halten abstand
trauen weder meinen worten noch meiner hand.

sobald sie abgeführt werden, in die umstehenden häuser
lauf ich zurück zum palazzo, der mir nichts bedeutet

der mich nicht wärmt, der mir seine größe aufdrängt
wie ein impotenter herrscher und verliere den faden.

nachts zucken meine pfoten im traum, im salotto
als wär ich einer von ihnen: ein hund von san polo.

doch sobald ich erwache, bin ich wieder ein mensch
dem alle tiere mit zweifeln begegnen.

wie konnte ich glauben, venedig zu bestehen
ohne die zuversicht eines hundes, der seine ängste verspeist

solange er fliegt
über ein steinmeer mit acht grünen mastbäumen –

 

achterkant van een paleis

achterkant van een paleis: donker en smal, vol uitwerpselen
en elektrische leidingen, onbegrijpelijke apparaten.

hagedissen kruipen de muren op, glijden uit over salpeter
en vinden op het laatste moment weer hun evenwicht met trillende flanken.

een leger van stekels die in de duisternis uitsteken
en elke landing bedreigen: een duivenjong dat uit de lucht viel –

nog halfnaakt tuimelt het op de grond en staart in de hoeken
met trillende kop, op zoek naar een nest in het universum van de steeg.

op een getralied raam, balancerend recht boven hem
de kat die met volle maag in je voorraadkast kijkt, vol voor enkele minuten.

calle corner: soms een persoon die door de smalle straatjes dwaalt
en zijn broek laat zakken en in zichzelf praat

zoals al jaren niet meer is. of ook twee:
twee mensen met paraplu’s die wild in elkaar haken.

de volgende ochtend: een hoopje veren, glinsterende botten
en weer de speren van de zon in de grond, kindergeschreeuw

geperst uit de hoofden van meeuwen … alsof er martelkamers zijn
die in de hemel staan, in een bassin

van schaamteloos blauw.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Carl Christian Elze (Berlijn, 26 april 1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e april ook mijn blog van 26 april 2020 en eveneens mijn blog van 26 april 2019 en ook mijn blog van 26 april 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Erik Menkveld, Ted Kooser

De Nederlandse dichter Erik Menkveld werd geboren op 25 april 1959 in Eindhoven. Zie ook alle tags voor Erik Menkveld op dit blog.

 

Zomerhuisjesuitzicht

Je stond te wassen in een teiltje
voor het raam. Een soort godin,
je blauwe jurk die ik zo schitterend
vind aan en achter je de duinen –

hopen pasgewassen bont.
De wolken hingen in de verte
al aan meeuwen in de zon,
boven het langzaam onderlopend wad

dat zilver in dat licht was
met wat zwart. O soort godin
die niet bleef staan. Nog voor hoogwater
had je weer een T-shirt aan.

 

Poème de l’extase

Rustige avond met een glaasje,
Poes, die warme zak
en Skrjabin. Hoe hoger
dat koper hoe hoger
hoe geraakter.

Tot dat beest moet hebben gedacht:
die blijft geen schoot,
die gaat weer uit deze stoel
als een langzame duif
in de lucht staan wuiven,
die gaat weer als een merel
met zijn ogen dicht
zijn bek staan tuiten –
Want hij dook onder tafel.

En even later sloeg ik
de bekkens en de maat,
floot ik trompetten
en fluiten.

 

Een eindje om

De stugge ontoegankelijkheid van dit gebied.
Zoals iets, voor de vierde keer verteld

weer in dezelfde woorden schiet
maar daar niet meer te vinden is

zo ligt dit landschap teruggetrokken
in de aanblik die het biedt:

een dunne plek in de lucht, vogels,
winters uitgekamd griend.

Er trekt een stilte uit de akkers op,
de grauwe gevel in het weiland

maakt haar diep: een raam, mensen
erachter, televisie aan. Stilte

waarin ik door golven fiets.

 

Erik Menkveld (25 april 1959 – 30 maart 2014)

 

De Amerikaanse dichter Ted Kooser werd geboren op 25 april 1939 in Ames, Iowa. Zie ook alle tags voor Ted Kooser op dit blog.

 

Dood van een hond

De volgende ochtend voelde ik dat ons huis
’s nachts was opgetild van zijn
fundament, en nu op drift was,
hoewel het zo zwaar was, werd het een voet of meer,
van wat het ook deed drijven omhoog getrokken, geen water
maar iets kouds en duns en helders,
stilte die over zijn oppervlak rimpelde toen het huis
op een sterke stroom begon te draaien,
vertrok, mijn vrouw en mij meenemend,
en hoewel het nooit in mij was opgekomen
tot dat moment, had onze hond
vijftien jaar lang vastgehouden wat we hadden
door zijn buik tegen de vloeren te drukken,
zijn voorpoten ook, en nu hij weg was
begon het huis naar buiten te zweven,
de leegte in, geen vaste grond in zicht.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Ted Kooser (Ames, 25 april 1939)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e april ook mijn blog van 25 april 2020 en eveneens mijn blog van 25 april 2019 en ook mijn blog van 25 april 2016 en mijn blog van 25 april 2015 deel 2.