Karl Ove Knausgård, Peter Handke, Yolanda Entius, Rafał Wojaczek, Henk van Woerden, Alfred Joyce Kilmer, Sophie von La Roche, Paul Adam, Charlotte Wood

De Noorse schrijver en vertaler Karl Ove Knausgård werd geboren in Oslo op 6 december 1968. Zie ook alle tags voor Karl Ove Knausgård op dit blog.

Uit: Engelen vallen langzaam (Vertaald door Marianne Molenaar)

“Dit argument, dat Thomas van Aquino verder uitwerkte en verfijnde, gaat echter uit van de veronderstelling dat de verhouding tussen de engelen en het licht niet alleen metaforisch van aard is, zoals algemeen wordt aangenomen, maar dat ze ook op gecompliceerde wijze met elkaar verweven zijn, bijna identiek. Licht is niet gelijk engelen, maar engelen is gelijk licht. Hoe mooi deze gedachte ook is en hoeveel ze ook over de aard van de engelen zegt, ze voldoet helaas niet. Licht is slechts een van de vele verschijningsvormen van de engelen, zoals uit de Bijbel blijkt, en waarom zou juist die als benaming zijn gebruikt toen deze volmaakte, door God uitverkoren schepselen ontstonden? Omdat ze in hun buitenaardsheid beschreven noch begrepen kunnen worden? In dat geval is het toch merkwaardig dat ze vlak daarna, in het verhaal over de tuin van Eden, zonder enige schroom met name worden genoemd en dat ze daar, de allereerste keer dat de engelen direct in de Schrift worden vermeld, zo concreet en resoluut present zijn dat ze met zwaarden zijn uitgerust. Daarom geloof ik dat Hiëronymus gelijk had met zijn bewering en dat de engelen niet in het scheppingsverhaal worden genoemd omdat ze toen al bestonden. In hoeverre ze altijd al hadden bestaan, zoals bijvoorbeeld Antinous Bellori beweerde, is natuurlijk onmogelijk met zekerheid te zeggen. Uberhaupt is alles wat de engelen betreft in een soort vage nevel gehuld: we weten niet wanneer ze zijn ontstaan, we weten niet waar ze vandaan komen, we weten niet welke eigenschappen ze bezitten, hoe ze denken of wat ze zien als ze ons zien. Anderzijds zijn ze in de hele Bijbel met een soort vertrouwdheid omgeven alsof hun aanwezigheid zo vanzelf spreekt dat er geen verdere verklaring nodig is. Deze ambivalentie ligt voor de hand, aangezien het belangrijkste kenmerk van de engelen is dat ze tot twee werelden behoren en de ene altijd meenemen naar de andere. Dat wordt nergens zo duidelijk als in het verhaal over de val van Sodom en Gomorra. Ze hebben iets vreemds — zodra Lot hen ’s avonds voor de stadspoort ziet, holt hij hun tegemoet en buigt hij zich voor hen in het stof — maar ook iets vertrouwds, want vlak daarop nodigt hij hen uit bij zich thuis, hij bakt brood en maakt een maaltijd voor hen klaar, die ze nuttigen. Waarschijnlijk komt het door bovengenoemde vertrouwdheid dat de schrijver het niet nodig vindt de situatie uitvoeriger te beschrijven. Aan een tafel in een keuken in Sodom zitten twee engelen te eten, door God gezonden om het lot van de stad te bezegelen, haar eventueel te verwoesten, en we krijgen niets te horen over de sfeer, over hoe ze eruitzien, wat ze tegen elkaar zeggen.”


Karl Ove Knausgård (Oslo, 6 december 1968)
Cover

 

De Oostenrijkse schrijver Peter Handke werd op 6 december 1942 in Griffen in Karinthië geboren. Zie ook alle tags voor Peter Handke op dit blog.

Uit: Kali: Eine Vorwintergeschichte

„Ab und zu hat sich ein Gesicht aus der Menge von außen den Scheiben genähert, anfänglich mit einem neugierigen Starren, das sich angesichts der Passagierin drinnen jeweils in ein Staunen verwandelte, wozu ein sofortiges Zurückweichen gehörte. Der Fahrer ist ein noch junger Mann, als eine Art Uniform weiße Handschuhe, und eine Kappe, die sie ihm gleich abnahm, so wie sie auch auf der Stelle das Radio abschaltete,was beides zu einem gemeinsamen Ritual zu gehören schien.
Und etwa so läßt sich der Fahrer dann hören: »Zu Ihrem Abschied von unserem Land möchte ich Ihnen etwas sagen. Ich war in allen IhrenKonzertenhier.IhrletztesKonzertheute war etwas ganz Besonderes. Aber auch die anderen Abende waren etwas Besonderes und, ich weiß das, nicht bloß für mich.Sie wollen einem mit ihrem Musizieren etwas geben.Auch wenn Sie zeitweise stumm sind und ich Sie nur noch in der Einbildung höre, geben Sie, entäußern Sie sich, teilen Sie sich auf für unsereinen – oft gerade dann.Ohne sich zu verausgaben, geben Sie, und wie. Oder nein: Sie verausgaben sich doch,wie nur je ein Musiker, aber so anders als die Musiker, die ich kenne, und ich kenne sie alle, alle. Auch die möchten geben, sich selber. Sie aber geben nichts, rein gar nichts von sich selber, sondern ich weiß nicht was. Es geht bei Ihnen keinen Ton oder Takt lang um Ehrlichkeit,oder gar Wahrheit, sondern um – ich weiß nicht was. Ich habe mir abgewöhnt, Wir zu sagen. Ich habe mir jedes Wir sogar verboten. Aber Ihre Musik hat mein Wir neubelebt. Wir, ja, wir sind von Ihren Konzerten gemeinsam weggegangen, ein jeder in seine Richtung, oder, umso besser, in gar keine Richtung, bloß keine Richtung, und bloß nicht nachhause.«


Peter Handke (Griffen, 6 december 1942)

 

De Nederlands schrijfster en actrice Yolanda Entius werd geboren in Den Haag op 6 december 1961. Zie ook alle tags voor Yolanda Entius op dit blog.

Uit: Abdoel en Akil 

“Augustus 1978. Met zware rugzakken op hun schouders liepen Gaby, Doris en Nola langs de oever van de Ouvèze. Meer dan een etmaal hadden ze in een overvolle trein naar het zuiden gezeten. Vanaf Orange hadden ze de bus naar Vaison-la-Romaine genomen vanwaar ze, bij gebrek aan geld voor een taxi, over het plakkende asfalt naar de camping liepen. Zweet sijpelde van Nola’s voorhoofd en prikte in haar ogen. Haar rugzak trok aan haar schouders en kleefde aan haar rug. In de verte, aan de andere kant van de trillende lucht boven het wegdek, kon ze het hek van de camping al zien. Nog een minuutje of tien en dan waren ze er. Ze had dorst en hoofdpijn van de stank van smeltend asfalt en zette er flink de pas in. Achter haar zuchtte Doris en vloekte Gaby: Nola ging, vonden zij, veel te hard. Vanaf de oever van de rivier hoorde ze iemand fluiten. Fjietfjieuw, en toen nog eens: fjietfjieuw!
Daar zat een man in de schaduw van de openstaande achterklep van een Renault die tussen het zand, de dorre struiken en de gladgeslepen keien stond. Hij was eind twintig, had een woest stoppelbaardje, door de zon gebleekt haar, lichtblauwe ogen en hij droeg een linnen overhemd dat een inkijk bood op zijn bruinverbrande borstkas. Hij stak zijn hand op, heel rustig, en lurkte aan een sigaret. Het lag niet in Nola’s aard te stoppen voor fluitende mannen, maar omdat hij zo kalm was en terughoudend – benen over elkaar, zijn opgestoken hand, de sigarettenrook die als een wolkje vrede richting hemel kringelde – minderde ze vaart en bleef, toen hij vroeg of ze haast had, staan.
‘Nee,’ zei ze, ‘geen haast, het is alleen nogal warm.’
Hij knikte. Ze keek achterom. Ook Gaby en Doris waren blijven staan.
Waar gaat de reis naartoe?’ vroeg hij.
‘Naar de camping,’ zei Gaby.
‘Les Trois Rivières ‘Willen jullie niet liever een roseetje met me drinken?’
Uitnodigend wees hij naar de rivier achter hem waar het water bruisend tussen de stenen stroomde. ‘Hij staat koud.’
‘Zullen we gewoon doorlopen.’ Geërgerd probeerde Doris een steentje uit het asfalt te schoppen.
‘Ik heb wel zin,’ zei Gaby luchtig, ‘jij?’
Nola haalde haar schouders op.
‘Weet je wat dat kost, die camping?’ vroeg de man.
‘Geen idee,’ zei Gaby.
Doris begon ongeduldig te worden.‘Verdomme,’ siste ze, ‘ik heb hier helemaal geen zin in.’ Maar Gaby had de heupband van haar rugzak al losgegespt waarna de man zijn sigaret in het zand gooide. Hij kwam overeind en liep naar hen toe. Hij stak zijn hand uit. ‘André,’ stelde hij zich voor.”

 
Yolanda Entius (Den Haag, 6 december 1961)

 

De Poolse dichter Rafał Wojaczek werd geboren in Mikołów op 6 december 1945. Zie ook alle tags voor Ralf Wojaczek op dit blog.

Five Sentences About Hair

1.
Hair is sad: the brain haunted by
Proud madness doesn’t care for it anymore

2.
Hair is silent when the brain is cosmically
Sawed by the long fiddlebow of spheres

3.
Hair falling out: though proud
When hungry the brain eats its roots

4.
Lonely hair: the brain isn’t here
Neither in the sky nor on the Earth

5.
Triumphant hair: it has guessed that
There is no brain because – rats have eaten it!

 
Vertaald door Jan J. Kałuża


Rafał Wojaczek (6 december 1945 – 11 mei 1971)

 

De Nederlandse schrijver en schilder Henk van Woerden werd op 6 december 1947 geboren te Leiden. Zie ook alle tags voor Henk van Woerden op dit blog.

Uit: De Turken zijn barbaren. Enkele brieffragmenten van Henk van Woerden

“Istanboel, 16 [september 1970]
Liefste Linda en Nicole,
Ik sprak in het Grieks met een Turk wiens familie eerder deze eeuw Kreta afgegooid was. Hij was uitgerekend over Kreta enorm enthousiast. Blijkbaar zijn er verschillende dorpjes aan de kust bij de zee van Marmara, ten westen van Istanboel, en ook aan de westkust, vooral Smirna, die voornamelijk bestaan uit voormalige Kretenzer gemeenschappen – waar je heen kan gaan om te luisteren naar oude mannen die nostalgisch vertellen. Deze man kwam zelf uit Chania. Er lopen mensen door de straten van Athene die zich de straten van Smirna herinneren. Er lopen mannen door de straten van Smirna die zich Herakleion herinneren. De Turken zijn arrogant tegenover buitenlanders – antagonistisch tegenover toeristen. Op elke straathoek staan kleine mannetjes hasj te verkopen. Clive kan er niet tegen: hij heeft er een hekel aan als hij wordt aangezien voor een hippie, en dat levert blasfemische en obscene uitwisselingen op. Toch zijn ze (de Turken) aardig voor katten en kinderen. Ik stond een keer per ongeluk op een kat – in Griekenland zouden ze dat juist opzoeken.
Gisteravond, terwijl we een ‘na-gileh’ (een Turkse waterpijp) aan het roken waren, wat we regelmatig doen, als de rups in Wonderland – maar zonder paddenstoelen, zelfs niet in de pijp, spraken we met een Turkse chirurg die geen chirurg kon zijn aan zijn handen te zien, hij was een charlatan. Schaamteloos liegen komt heel natuurlijk voor Turken – ik geloof dat Perzen geen gevoel voor eerlijkheid hebben, het concept lijkt hen vreemd.”

 
Henk van Woerden (6 december 1947 – 16 november 2005)
Leiden in de Adventstijd

 

De Amerikaanse journalist en dichter Alfred Joyce Kilmer werd geboren op 6 december 1886 in New Brunswick, New Jersey. Zie ook alle tags voor Alfred Joyce Kilmer op dit blog.

Prayer Of A Soldier In France

My shoulders ache beneath my pack
(Lie easier, Cross, upon His back).

I march with feet that burn and smart
(Tread, Holy Feet, upon my heart).

Men shout at me who may not speak
(They scourged Thy back and smote Thy cheek).

I may not lift a hand to clear
My eyes of salty drops that sear.

(Then shall my fickle soul forget
Thy agony of Bloody Sweat?)

My rifle hand is stiff and numb
(From Thy pierced palm red rivers come).

Lord, Thou didst suffer more for me
Than all the hosts of land and sea.

So let me render back again
This millionth of Thy gift. Amen.

 
Alfred Joyce Kilmer (6 december 1886 – 30 juli 1918)
Cover

 

De Duitse schrijfster Sophie von La Roche werd geboren op 6 december 1730 in Kaufbeuren als Marie Sophie Gutermann von Gutershofen. Zie ook alle tags voor Sophie von La Roche op dit blog.

Uit: Rosalie und Cleberg auf dem Lande

„Die gute Geschöpfe blickten mich an, reichten nach meinen Händen, küßten sie, und ich umarmte die Kinder mit der äussersten Bewegung, denn ihre Trauerkleider und die Erklärung der Madame Grafe – meine nun eigene Kinder, sagten mir, daß die kranke Mutter, wie man es befürchtet hatte, den Tod des Vaters nicht überlebte. Die gute alte Wärterinn von den verstorbenen Kindern unserer Grafe kam nun auch in die Stube, und letzte sagte:
»Rosalie! ich bleibe heute bei Ihnen, ich kann in diesem Regen nicht zurück, und muß Sie, als einen Lohn für erlittenen Kummer, wenigstens auf vier und zwanzig Stunden geniessen.«
»Herzlich gerne, liebe Frau! es ist Raum und es sind auch Betten im Hause:«
»Wenn Sie uns nur Raum und Betten für mich und Frau Sille geben, so ist es genug, denn die Betten der Kinder hab ich noch bei mir, und die sind bald in einer Ecke des Zimmers zurecht gelegt – aber ich will Ihnen erzählen wie ich herkam.
»Mein letztes Nachtquartier war nahe an W. Wir standen früh auf und waren bald in der Stadt, ich fragte gleich nach Ihnen, man sagte, Sie wären schon nach Seedorf gezogen, um dort die Abreise von Marianen zu beweinen! Es war mir leid für Sie, daß Ihre Freundinn fort ist; und für mich, daß ich Sie nicht fand. Ich gieng unmuthig in meinem Zimmer auf und ab. Mittlerweile wurden die Pferde von meiner Kutsche abgespannt und die Koffers abgepackt – mein Mann bleibt noch für mehrere Tage in A – ich konnte den Gedanken nicht tragen Sie zu missen, und gab kurz den Befehl, man solle den Bettsack wieder festbinden und die zwei Kutschenkistgen auch nicht auspacken, sondern um frische Pferde sich umsehen, weil ich weiter wollte. Frau Sille und mein guter Jacob sahen wechselsweis bald mich bald sich selbst an, und giengen zugleich an das Fenster, welches Frau Sille stillschweigend öffnete, und mit der Hand auf das gegenüber stark überströmende Dachtrauf zeigte. Ich seh es wohl ihr lieben Guten! aber Rosalie ist nicht hier – Rosalia weint wie der Himmel über uns; ich muß sie sehen – Herr Grafe kommt erst in sechs Tagen – Jacob setzt sich zu uns in den Wagen, in den Kistchen ist alles was wir brauchen und die Kinderbetten im Sack, die großen Koffers bleiben hier, und der Postillion wird für doppeltes Trinkgeld wohl den Regen ausdauren.“


Sophie von La Roche (6 december 1730 – 18 februari 1807)
Cover

 

De Franse dichter en romanschrijver Paul Adam werd geboren in Parijs op 6 december 1862. Zie ook alle tags voor Paul Adam op dit blog.

Uit: Chair molle

«Avec un bruit étourdisseur de vitres dansant en leurs châssis, l’omnibus cahota par la ville. Le monsieur avait mis un binocle. Partout, il scrutait Lucie, dans une étude insolente de sa toilette et de ses gestes. Sous ce regard la fille détourna la tête. Par le vasistas elle fixait les yeux sur une place caillouteuse, vers un kiosque à musique militaire, renfermant des chaises en piles. Elle songea : Ainsi on la méprisait, tout de suite, sitôt sa condition décelée et, pourtant, elle n’était pas encore au bordel ! Que serait-ce quand elle en porterait la livrée, ces hardes voyantes qu’elle imaginait bleues, rouges, vertes, très décolletées ; et, si on lui donnait des peignoirs de gaze, ils lui siéraient parfaitement, car elle avait la peau fort blanche.
Elle s’oublia en une minutieuse analyse de ses beautés corporelles et, ayant pensé aux costumes qui lui conviendraient le mieux, les magasins l’intéressèrent. Puis elle se mit à considérer les passants ; des dames marchandant au seuil des boutiques, des hommes graves, portant sous le bras des serviettes en cuir. En elle-même, furent critiquées leurs allures, impitoyablement. Aux rampes des balcons, des jeunes gens s’étayaient, fumant. L’idée qu’ils seraient ses clients ramena la fille à l’appréhension de son nouveau métier, la fit se désoler encore, se reprocher, ainsi qu’une faute, l’instant de distraction qu’elle venait de prendre. Cependant, il lui était bien permis s’éjouir un peu ; bientôt, elle allait être prisonnière pour un long temps.
Le monsieur s’était approché : il se serrait à elle, érotique. Lucie se recula, mimant une moue froissée. Vraiment il la dégoutait, cet homme ; il n’était même pas convenable, devant le monde ! Sévèrement, elle le toisa.”

 
Paul Adam (6 december 1862 – 2 januari 1920)
Cover

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Australische schrijfster Charlotte Wood werd geboren in 1965 in Cooma, New South Wales. Zie ook alle tags voor Charlotte Wood op dit blog.

Uit: The Natural Way of Things

“Then they got too hot, and Darren left her there sitting on the verge while he went and fetched two cups of water, but still nobody bought any moss. So they climbed the stairs and went inside to watch TV, and the moss dried out and turned grey and dusty and died.This was what the nightdress made her think of, the dead moss, and she loved Darren even though she knew it was him who let them bring her here, wherever she was. Perhaps he had put her in the crazed orange bucket and brought her here himself.
What she really needed was a ciggy.
While she waited there in the bed, in the dead-moss nightdress and the wide silence—the kookaburras stopped as instantly as they began—she took an inventory of herself.
Yolanda Kovacs, nineteen years eight months. Good body (she was just being honest, why would she boast, when it had got her into such trouble?). She pulled the rustling nightdress closer—it scratched less, she was discovering, when tightly wrapped.
One mother, one brother, living. One father, unknown, dead or alive. One boyfriend, Robbie, who no longer believed her (at poor Robbie, the rush of a sob in her throat. She swallowed it down). One night, one dark room, that bastard and his mates, one terrible mistake. And then one giant fucking unholy mess.
Yolanda Kovacs, lunatic. And that word frightened her, and she turned her face and cried into the hard pillow.She stopped crying and went on with her inventory. Things missing: handbag, obviously. Ciggies (almost full pack), purple lighter, phone, make-up, blue top, bra, underpants, skinny jeans.
Shoes. Three silver rings from Bali, reindeer necklace from Darren (she patted her chest for it again, still gone). Yolanda looked up at the dark window.
Oh, stars. Stay with me.
But very soon the sky was light and the two stars had gone, completely.She breathed in and out, longed for nicotine, curled in the bed, watching the door.”

 
Charlotte Wood (Cooma, 1965)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e december ook mijn blog van 6 december 2017

Wat heeft Sint voor jou gekocht? (Thomas Verbogt)

Bij Sinterklaas

 

 

Uit: Wat heeft Sint voor jou gekocht? (Sinterklaas heeft het zo druk)  

“Mijn moeder staat bij de kachel waarvoor onze schoenen staan. Ze staan daar omdat mijn jongste zusje nog gelooft. Uit de schoen van mijn andere zusje steekt een smal pakje, uit de mijne twee ballpoints – mijn moeder weet dat ik die graag heb. Ze bukt nu om een klein speelgoedbeest, ik geloof een grijs konijntje, in de schoen van mijn jongste zusje te doen. Dan strooit ze wat pepernoten rond de schoenen. Ze doet dit allemaal met grote aandacht. Ze loopt naar mijn vader, die aan tafel zit te schrijven, naast de kleine typemachine. Mijn moeder legt haar handen op zijn schouders en kijkt naar wat hij geschreven heeft. Mijn vader pakt het vel papier en begint te lezen. Ik zie dat het een gedicht is. Hij leest glimlachend, mijn moeder lacht ook, ze kust hem op zijn achterhoofd.
Dan gebeurt er iets onverwachts: het tafereel ontroert me. Ik heb vaak ruzie met mijn ouders. Ik heb, geloof ik, last van ze omdat ze ouder zijn dan ik en veel meer voor elkaar hebben dan ik en een veel ruimer leven leiden dan ik en al erg lang in later zijn beland, maar nu wordt de wereld van hen en van mij ineens klein en kwetsbaar, bijna teer. Ik weet zeker dat ik me dit altijd zal herinneren, ook als ik ver weg van hier zal zijn, misschien wel aan de andere kant van de wereld, en mijn ouders niet meer leven en iemand vraagt wat het toch is, dat sinterklaasfeest ‘van jou’. Dan zal ik proberen te omschrijven wat ik nu meemaak, en die omschrijving zal waarschijnlijk pover zijn, want het is niet te zeggen. Maar daar gebeurt het, daar in de stille huiskamer; mijn moeder heeft iets in de schoen gelegd, mijn vader werkt aan een gedicht waarin hij plezier heeft – en het zijn altijd ontzettend vernuftige gedichten die hij schrijft. Dat is het woord: vernuftig. Sommige woorden typt hij in rood en die woorden vormen dan weer een nieuw gedicht, een gedicht in het gedicht dus, en altijd vormen de eerste letters van de regels een woord of twee woorden die het gedicht nog meer gewicht geven. Mijn vader houdt ervan zo met taal in de weer te zijn.
Nog twee jaar en dan is deze avond vijftig jaar geleden. Ik hoef inderdaad mijn ogen maar te sluiten en ik sta daar weer, bijna veertien. Op pakjesavond krijg ik Blonde on Blonde van Bob Dylan, een dubbelelpee die me met grote triomf vervult. Die momenten verbind ik met elkaar, de paar minuten die ik eerder die week naar binnen stond te kijken, en de plaat van Dylan, en alles wat Dylan vertegenwoordigt. Ze zeggen iets over mijn leven, over de uitersten ervan.
Op die pakjesavond wordt er op de ramen gebonsd. Dat doet de buurman, niet de buurman van de carnavalsvereniging maar die van de andere kant, een stille man die haast te verlegen is om dit soort lawaai te produceren.
Mijn jongste zusje gaat in de keuken kijken, tot op het bot gespannen – aan haar mond is te zien dat ze nog net niet gilt. Als ze de zak ziet staan, durft ze niet verder.
Mijn moeder zegt: ‘Sinterklaas heeft het zo druk vanavond. Daarom laat hij in alle huizen snel een zak met cadeautjes neerzetten. Het liefst was hij zelf gekomen, maar dat kan natuurlijk niet, met al die duizenden en duizenden kinderen.’
Mijn zusje knikt bedremmeld. Alles wat er nu gezegd wordt, is veel voor haar, ook de zak in de keuken waaromheen nog de kou van buiten hangt. Ik vind het ook veel, ik kan het niet helpen, ik vind het echt, hoe kinderachtig ook.
Mijn vader zegt dat ik de zak maar de huiskamer in moet dragen. Wanneer ik dat doe weet ik zeker dat ergens in die zak ook mijn pakje Caballero zit. Dat mijn ouders het die avond in de schuur gevonden hebben. En ook dat het gedicht dat ik mijn vader die avond zag maken, daarover zal gaan. Het gedicht dat hij lachend aan mijn moeder voorlas.”

 
Thomas Verbogt (Nijmegen, 9 december 1952)
Sinterklaas bij de Waalkade in Nijmegen

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e december ook mijn vorige blog van vandaag.

Hanif Kureishi, Alois Brandstetter, Joan Didion, Christina Rossetti, Fjodor Tjoettsjev, Calvin Trillin, Afanasy Fet, Hans Helmut Kirst, Eugenie Marlitt

De Britse schrijver en regisseur Hanif Kureishi werd geboren op 5 december 1954 in Bromley, Kent. Zie ook alle tags voor Hanif Kureishi op dit blog.

Uit: My Beautiful Laundrette

“INT. THE LAUNDRETTE. DAY OMAR is showing JOHNNY round the laundrette.
JOHNNY: I’m dead impressed by all this.
OMAR: You were the one at school. The one they liked.
JOHNNY: (Sarcastic) All the Pakis liked me.
OMAR: I’ve been through it. With my parents and that. And with people like you. But now there’s some things I want to do. Some pretty big things I’ve got in mind. I need to to make this place good. I want to raise money to make this place good. I want you to help me do that. And I want you to work here with me.
JOHNNY What kinda work is it?
OMAR: Variety. Variety of menial things.
JOHNNY: Cleaning windows kinda thing, yeah?
OMAR: Yeah. Sure. And clean out those bastards, will ya. (OMAR indicates the sitting KIDS playing about on the benches)
JOHNNY: Now?
OMAR: I’ll want everything done now. That’s the only attitude if you want to do any big. (JOHNNY goes to the KIDS and stands above them. Slowly he removes his watch and puts it in his pocket. This is a strangely threatening gesture. The KIDS rise and walk out one by one. ‘ One kid resents this. He pushes JOHNNY suddenly. JOHNNY kicks him hard.)
EXT. OUTSIDE THE LAUNDRETTE. DAY Continuous. The kicked KID shoots across the pavement and crashes into SALIM who is getting out of his car. SALIM pushes away the frantic arms and legs and goes quickly into the laundrette.
INT. LAUNDRETTE. DAY SALIM drags the reluctant OMAR by the arm into the back room of the laundrette. JOHNNY watches than, then follows.
INT. BACK ROOM OF LAUNDRETTE. DAY
SALIM lets go of OMAR and grabs a chair to stuff under the door handle as before. OMAR suddenly snatches the chair from him and puts it down slowly. And JOHNNY, taking OMAR’S lead, sticks his big boot in the door as SALIM attempts to slant it.
SALIM: Christ, Omar, sorry what happened before. Too much to drink. Just go on one little errand for me, eh? (He opens OMAR ’s fingers and presses a piece of paper into his hand.) Like before. For me. OMAR: For fifty quid as well. snum: You little bastard. (OMAR turns away. JOHNNY turns away too, mocking SALIM, parodying OMAR.) All right.”

 
Hanif Kureishi (Bromley, 5 december 1954)
Omar (Gordon Warnecke) en Johnny (Daniel Day-Lewis) in de film uit 1985

 

De Oostenrijkse schrijver en taalkundige Alois Brandstetter werd op 5 december 1938 in Aichmühl bei Pichl, Oberösterreich geboren. Zie ook alle tags voor Alois Brandstetter op dit blog.

Uit: Kummer ade!

„In der Don-Bosco-Kirche am Bischof-Josef-Köstner-Platz in Klagenfurt hat neulich jemand den sogenannten Kummerkasten samt Inhalt »mitgehen lassen«. Das hat der Kirchenrektor Pater M. am vergangenen Sonntag nach der Messe im Rahmen der Verlautbarungen vor dem Schluß-segen uns, seiner Gemeinde, zur Kenntnis gebracht. Ob-wohl auf dem Kummerkasten im Vorraum zur eigent-lichen Kirche in einer Art Eingangshalle, die man bei mittelalterlichen Kirchen das »Paradies«, auch »Narthex« oder »Galiläa« genannt hat, deutlich lesbar stand: »Bitte kein Geld einwerfen!« und: »Ihre Meinung bitte! Anre-gungen, Wünsche und Beschwerden«, hat der Dieb, ver-mutlich ein Analphabet, den sogenannten Kummerkasten mit dem Opferstock verwechselt – und gestohlen – nach der »Beseitigung eines, die Wertsache vor Wegnahme schützenden Hindernisses«, wie die Juristen sagen. Eine illegitime »Besitzergreifung« also! Rauben im juristischen Sinne mußte er die Kiste ja nicht, weil sie unbewacht war und er keinen Wächter oder Custos überwältigen mußte, auch keinen Engel mit einem flammenden Schwert, wie er vor dem Paradies steht … Und einbrechen mußte er in das »Paradies« auch nicht, weil die Don-Bosco-Kirche eines jener katholischen Gotteshäuser ist, die Tag und Nacht frei zugänglich sind, um Besuchern rund um die Uhr zur Besichtigung, vor allem aber für Gebet oder Meditation zur Verfügung zu stehen. Noch fehlt in den meisten Got-teshäusern die Videoüberwachung, weil man vielleicht davon ausgeht: Gott sieht eh alles … Vielleicht hat der Täter oder die Täterin auch Frömmigkeit geheuchelt und vor der Tat ein Gebet gesprochen, um in Wahrheit aber nur zu warten, bis die Gelegenheit günstig, die Luft rein ist und der letzte Besucher die Kirche verlassen hat, um dann zuzuschlagen. Auch Helfer und Hehler sind denkbar, die Schmiere gestanden haben mögen … Nein, zuschlagen mußte der Täter oder die Täterin ja gar nicht, weil die Beschwerdebox nicht besonders verankert – und so eine leichte Beute war.“


Alois Brandstetter (Aichmühl, 5 december 1938)

 

De Amerikaanse schrijfster Joan Didion werd geboren in Sacramento Valley op 5 december 1934. Zie ook alle tags voor Joan Didion op dit blog.

Uit: Play It as It Lays

“(I talk about Kate to no one here. In the place where Kate is they put electrodes on her head and needles in her spine and try to figure what went wrong. It is one more version of why does a coral snake have two glands of neurotoxic poison.
Kate has soft down on her spine and an aberrant chemical in her brain. Kate is Kate. Carter could not remember the soft down on her spine or he would not let them put needles there.) From my mother I inherited my looks and a tendency to migraine. From my father I inherited an optimism which did not leave me until recently.
Details: I was born in Reno, Nev., and moved nine years later to Silver Wells, Nev., pop. then 28, now 0. We moved down to Silver Wells because my father lost the Reno house in a private game and happened to remember that he owned this town, Silver Wells. He had bought it or won it or maybe his father left it to him, I’m not sure which and it doesn’t matter to you. We had a lot of things and places that came and went, a cattle ranch with no cattle and a ski resort picked up on somebody’s second mortgage and a motel that would have been advantageously situated at a freeway exit had the freeway been built; I was raised to believe that what came in on the next roll would always be better than what went out on the last. I no longer believe that, but I am telling you how it was. What we had in Silver Wells was three hundred acres of mesquite and some houses and a Flying A and a zinc mine and a Tonopah & Tidewater RR siding and a trinket shop and later, after my father and his partner Benny Austin hit on the idea that Silver Wells was a natural tourist attraction, a midget golf course and a reptile museum and a restaurant with some slots and two crap tables. The slots were not exactly moneymakers because the only person who played them was Paulette, with nickels from the cashbox. Paulette ran the restaurant and (I see now) balled my father and sometimes let me pretend to cashier after school. I say “pretend” because there were no customers. As it happened the highway my father counted on came nowhere near and the money ran out and my mother got sick and Benny Austin went back to Vegas, I ran into him in the Flamingo a few years ago. “Your father’s only Waterloo was he was a man always twenty years before his time,” Benny advised me that night in the Flamingo. ‘The ghost-town scheme, the midget golf, the automatic blackjack concept, what do you see today? Harry Wyeth could be a Rockefeller in Silver Wells today.”
“There isn’t any Silver Wells today,” I said. “It’s in the middle of a missile range.”


Joan Didion (Sacramento Valley, 5 december 1934)

 

De Engelse dichteres en schrijfster Christina Georgina Rossetti werd geboren in Londen op 5 december 1830. Zie ook alle tags voor Christina Rossetti op dit blog.

If The Moon Came From Heaven

If the moon came from heaven,
Talking all the way,
What could she have to tell us,
And what could she say?
‘I’ve seen a hundred pretty things,
And seen a hundred gay;
But only think: I peep by night
And do not peep by day!’

 

If The Sun Could Tell Us Half

If the sun could tell us half
That he hears and sees,
Sometimes he would make us laugh,
Sometimes make us cry:
Think of all the birds that make
Homes among the trees;
Think of cruel boys who take
Birds that cannot fly.

 

Een verjaardag

Mijn hart is zoals een zingende vogel
wiens hart overloopt van vreugde:
Mijn hart is zoals een appelboom
wiens takken buigen door het rijpe fruit;
Mijn hart is zoals een regenboogschelp
die dobbert op een vredige zee;
Mijn hart is zo gelukkig en fier,
want mijn lief kwam, mijn lief is hier.

Richt zijden baldakijnen op voor mij;
Versier ze met bont en purperkleuren;
Graveer granaatappels en duiven
en pauwen met honderden ogen;
Borduur ze met filigranen druiven
en met blaren en fleurs-de-lys;
Daar ik de jaardag van mijn leven vier,
want mijn lief kwam, mijn lief is hier.

 

Vertaald door Lepus

 
Christina Rossetti (5 december 1830 – 27 december 1894)
Cover

 

De Russische dichter Fjodor Tjoettsjev werd geboren op 5 december 1803 in Ovstug in het gouvernement Orjol. Zie ook alle tags voor Fjodor Tjoettsjev op dit blog.

Silentium

Geen woord, kruip weg en ongestoord
Blijft wat jij voelt, wat jou bekoort –
En stil als sterren in de nacht
Komen, en gaan steeds even zacht,
Heel diep in jou je dromen voort,
Bewonder ze – en zeg geen woord.

Hoe kan het hart zich doen verstaan?
Is iemand met jouw lot begaan?
Kan jij bij iemand ooit terecht?
Verwoord is elke droom onecht;
Door roering wordt de bron verstoord,
Laaf je eraan – en zeg geen woord.

Volg slechts je eigen levenszin –
Er schuilt een wereld binnenin
Vol dromen, geheimzinnigheid
Die door het daglicht wordt ontwijd
En in het straatrumoer gesmoord,
Hoor naar die zang – en zeg geen woord!

 

Vertaald door Margriet Berg en Marja Wiebes

 

Ik houd van het geloof der lutheranen

Ik houd van het geloof der lutheranen,
Hun dienst: eenvoud en waardigheid alom,
De kale muren van hun heiligdom,
Die ons met strenge soberheid vermanen.

Ziet gij het niet? Klaar om terug te treden
Toont het geloof zich voor de laatste maal:
Nog heeft het niet de drempel overschreden,
Maar nu al is het godshuis leeg en kaal,

Nog heeft het niet de drempel overschreden,
Nog viel de zware deur niet in het slot…
Maar ’t uur is aangebroken. Richt uw beden
Nu voor de allerlaatste maal tot God.

1834

Vertaald door Werkgroep Slavistiek Leiden

 
Fjodor Tjoettsjev (5 december 1803 – 27 juli 1873)
Kerk in Ovstug, Orjol

 

De Amerikaanse schrijver, journalist en columnist Calvin (Bud) Marshall Trillin werd geboren op 5 december 1935 in Kansas City, Missouri. Zie ook alle tags voor Calvin Trillin op dit blog.

Uit: Feeding a Yen

“When I was a child, bagel consumption in Kansas City was not widespread. Bagels were thought of as strictly Jewish food, eaten mainly in New York. In those days, of course, salsa would have been considered strictly Mexican food, if anybody I knew in Kansas City had ever given any consideration to salsa. I doubt if many gentiles in Kansas City had ever heard of a bagel, let alone eaten one. Bagels were available in only two or three stores, one of which was called the New York Bakery. It was only in the real New York that bagels were part of the culture, for both Jews and gentiles. New Yorkers have always talked about picking up freshly baked bagels late at night and being reassured, as they felt the warmth coming through the brown paper bag, that they would be at peace with the world the next morning, at least through breakfast. They’ve talked about that day in the park when nothing seemed to soothe their crying baby until a grandmotherly woman sitting on a nearby bench, nattering with another senior citizen about Social Security payments or angel food cake recipes or Trotskyism, said that the only thing for a teething infant was a day-old bagel. They’ve talked about the joy of returning to New York from a long sojourn in a place that was completely without bagels–Indonesia or a tiny town in Montana or some other outpost in the vast patches of the world that New Yorkers tend to think of as the Bagel Barrens.
Roughly corresponding to the time it took our girls to grow up and move to California, bagels had become assimilated. Gefilte fish was still Jewish food, but not bagels. The bagel had gone from a regional ethnic food to an American standard, served at McDonald’s and available on supermarket shelves all over the part of America that baked-goods sociologists have long identified with white bread. At one point, I read that, because of a new plant established by one of the firms producing supermarket bagels, the state that led all other American states in turning out bagels was Iowa. A couple of years before Abigail and I discussed pumpernickel bagels on the way back from Chinatown, The New York Times had run a piece by Suzanne Hamlin reporting that in places recently introduced to bagels, emergency rooms were seeing an increasing number of bagel-related injuries–cuts, gouges, and severed digits caused by “impatient eaters who try to pry apart frozen bagels with screwdrivers, attempt to cut hard bagels with dull knives and, more than likely, use their palms as cutting boards.” There had been no increase in New York bagel injuries.”

 
Calvin Trillin (Kansas City, 5 december 1935)

 

De Russische dichter Afanasy Afanasievich Fet werd geboren op 5 december 1820 nabij Mzensk. Zie ook alle tags voor Afanasy Fet op dit blog.

Butterfly

Yes, right you are! Alone for outlines airy
I am so fine.
All velvet mine with all its twinkle merry—
Two wings of mine.

O, never ask me, wherefrom I appear
Or whither flit!
Upon a flow’r I have alighted here
To breathe and sit.

How long, without an effort, aim or worry
Am I to stay?
Just see, now I will flash my spread wings glory
And fly away.

 

Vertaald door U.R. Bowie

 

By life tormented, and by cunning hope (Fragment)

By life tormented, and by cunning hope,
When my soul surrenders in its battle with them,
Day and night I press my eyelids closed
And sometimes I’m vouchsafed peculiar visions.

The gloom of quotidian existence deepens,
As after a bright flash of autumn lightning,
And only in the sky, like a call from the heart,
The stars’ golden eyelashes sparkle.

And the flames of infinity are so transparent,
And the entire abyss of ether is so close,
That I gaze direct from time into eternity
And recognize your flame, universal sun.

Motionless, encircled by fiery roses,
The living altar of the cosmos smolders
And in its smoke, as in creative slumber,
All forces quiver, eternity’s a dream.

And all that rushes through the abyss of ether,
And every ray, embodied or ethereal,-
Is but your reflection, O universal sun,
It is but a dream, but a fleeting dream.

 
Afanasy Fet (5 december 1820 – 3 december 1892)
Borstbeeld in Mzensk

 

De Duitse schrijver Hans Hellmut Kirst werd geboren op 5 december 1914 te Osterode (voorm. Ost Preussen, nu Polen). Zie ook alle tags voor Hans Hellmut Kirst op dit blog.

Uit:08/15

„Schulz drehte sich langsam um und schaukelte sich verheißungsvoll auf ihn zu. »Vierbein«, sagte er, und er hatte seine kräftige Stimme mit Wohlwollen eingefettet, »wollen Sie mir einen Gefallen tun?«
Vierbein glaubte zu erblassen. »Jawohl, Herr Hauptwachtmeister!« rief er mutig.
»Sie brauchen nicht, wenn Sie nicht wollen. Das ist kein Befehl, Vierbein. Ich kann das nicht befehlen. Wenn Sie keine Lust haben, sagen Sie es mir ruhig. Dann gehen Sie eben Latrinen reinigen. Wollen Sie?«
»Jawohl, Herr Hauptwachtmeister.«
»Was? Latrinen reinigen?«
»Was Herr Hauptwachtmeister befehlen!«
»Na schön«, sagte der Spieß zufrieden. »Ich habe es auch nicht anders erwartet. Melden Sie sich bei meiner Frau zum Teppichklopfen.«
Der Hauptwachtmeister Schulz wanderte durch die Korridore des Batterieblocks; und wo er hinkam, nahm der Arbeitseifer sichtlich zu. Das bereitete ihm gelinde Genugtuung, obwohl er im Grunde seiner Kasernenhofseele eine derartige Reaktion als selbstverständlich empfand. Ungewöhnlich nur, wenn sie ausbliebe.
Für Dreck in jeder Form hatte er einen sechsten Sinn. Er sah auf zehn Meter Entfernung, ob die Rillen der Fliesen schmutzfrei waren. Waren sie es nicht, pflegte er mit dem Daumennagel prüfend in sie hineinzufahren und das so zusammengescharrte Häuflein Dreck dem nachlässigen Soldaten unter die Nase zu reiben, was dann natürlich auch eine Notiz in seinem Merkbuch, dem »Kohlenkasten«, zur Folge hatte.
So also schritt er, mit gelindem Genuß Unruhe verbreitend, durch sein Batterierevier. Aber tiefe Freude empfand er diesmal dabei nicht, obwohl es ihm doch nahezu spielend gelungen war, bereits in kurzer Zeit ein volles dutzendmal sogenannte »grobe Nachlässigkeit« festzustellen. Damit sollte es, für diesen Tag, genug sein. Klug, wie er war, hatte er in nur sieben Dienstjahren erkannt, daß ein Übermaß an Strafe, und somit eine zu hohe Zahl an Bestraften, lediglich abstumpft. Die feine Dosierung war das Geheimnis des Erfolges!
Er blieb in der Nähe des Schwarzen Brettes stehen, bewunderte kurz seine schwungvolle Unterschrift, die einen dort aushängenden Batteriebefehl zierte – gezeichnet: Derna, Hauptmann und Batteriechef; für die Richtigkeit: Schulz (sehr kühn, sehr energisch, kurvenreich und doch markig), Hauptwachtmeister.”

 
Hans Hellmut Kirst (5 december 1914 – 23 februari 1989)
Cover

 

De Duitse dichteres en schrijfster Eugenie Marlitt werd geboren op 5 december 1825 in Arnstadt. Zie ook alle tags voor Eugenie Marlitt op dit blog.

Uit: Die zwölf Apostel

„Es würde wohl nie ein fremder Fuß diesen entlegenen, sehr wenig einladenden Stadtteil betreten haben, wenn nicht das alte Kloster ein Juwel neben sich gehabt hätte, ein köstliches Denkmal längst versunkener Zeiten, die Liebfrauenkirche, um deren zwei schlanke Türme eine ganze reiche Sagenwelt webte und blühte. Die Kirche stand unbenutzt und verschlossen und nie mehr seit dem letzten Miserere der Nonnen hatten heilige Klänge durch die mächtigen Säulengänge gerauscht. Die ewige Lampe war verlöscht; die Orgel lag zertrümmert am Boden; um den verlassenen Hochaltar flatterten Schwalben und Fledermäuse, und die prächtigen, anspruchsvollen Grabmonumente alter untergegangener Geschlechter ruhten unter dichten Staubschichten. Nur die Glocken, deren wundervolles harmonisches Zusammenklingen in der ganzen Gegend berühmt war, schwangen sich noch allsonntäglich über den verwaisten Hallen, aber ihr wehmütiger Klang vermochte nicht die Gläubigen dahin zurückzuführen.
Daß man neben diesem Prachtbau mit seinen granitnen Mauern und Säulen das hinfällige Kloster stehen ließ, hatte seinen Grund in der weisen Oekonomie der löblichen Stadtbehörde. Es hatte längst seine eigentliche Bestimmung verloren. Luthers gewaltiges Wort hatte auch hier die Riegel gesprengt. Die zur neuen Lehre bekehrte Stadt duldete die gottgeweihten Jungfrauen, bis die letzte derselben eines seligen Todes verblichen war; dann aber fiel das Klostergebäude der Stadtverwaltung anheim, die es einem Teil der Armen als Asyl einräumte. Seit der Zeit sah man hinter den vergitterten Fenstern statt der bleichen Nonnengesichter bärtige Züge, oder den Kopf einer emsig flickenden und keifenden Hausmutter, während auf den ausgewaschenen Steinplatten des Hofes, welche früher nur die leise Sohle und die klösterliche Schleppe der frommen Schwestern berührt hatten, eine Schar wilder zerlumpter Kinder sich tummelte. Außer dem blühenden Gärtchen auf der Mauer aber hatte das alte Haus noch eine freundliche Seite, auf welcher der Blick ausruhen konnte, wenn er all das hier zusammengedrängte menschliche Elend gesehen hatte. Die Ecke, an welche die Stadtmauer stieß, zeigte vier sauber gewaschene Fenster mit weißen Vorhängen, von denen das letzte so auf das Gärtchen mündete, daß es bequem als Thür benutzt werden konnte, was jedenfalls auch geschah, denn an gewissen Tagen in der Woche war es weit geöffnet.”

 
Eugenie Marlitt (5 december 1825 – 22 juni 1887)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e december ook mijn blog van 5 december 2011.

Rainer Maria Rilke, Geert Mak, Pat Donnez, Feridun Zaimoglu, Emil Aarestrup, Nikolay Nekrasov, Trudi Guda, Samuel Butler, Thomas Carlyle

De Duitse dichter Rainer Maria Rilke werd als René Karel Wilhelm Johann Josef Maria Rilke op 4 december 1875 in Praag geboren. Zie ook alle tags voor Rainer Maria Rilke op dit blog.

Liebeslied

Wie soll ich meine Seele halten, daß
sie nicht an deine rührt? Wie soll ich sie
hinheben über dich zu andern Dingen?
Ach gerne möcht ich sie bei irgendwas
Verlorenem im Dunkel unterbringen
an einer fremden stillen Stelle, die
nicht weiterschwingt, wenn deine Tiefen schwingen.
Doch alles, was uns anrührt, dich und mich,
nimmt uns zusammen wie ein Bogenstrich,
der aus zwei Saiten eine Stimme zieht.
Auf welches Instrument sind wir gespannt?
Und welcher Geiger hat uns in der Hand?
O süßes Lied.

 

Geburt Mariae

O was muß es die Engel gekostet haben,
nicht aufzusingen plötzlich, wie man aufweint,
da sie doch wußten: in dieser Nacht wird dem Knaben
die Mutter geboren, dem Einen, der bald erscheint.

Schwingend verschwiegen sie sich und zeigten die Richtung,
wo, allein, das Gehöft lag des Joachim,
ach, sie fühlten in sich und im Raum die reine Verdichtung,
aber es durfte keiner nieder zu ihm.

Denn die beiden waren schon so außer sich vor Getue.
Eine Nachbarin kam und klugte und wußte nicht wie,
und der Alte, vorsichtig, ging und verhielt das Gemuhe
einer dunkelen Kuh. Denn so war es noch nie.

 

Uit: Die Sonette an Orpheus, Erster Teil 

Sonett IX

Nur wer die Leier schon hob
auch unter Schatten,
darf das unendliche Lob
ahnend erstatten.

Nur wer mit Toten vom Mohn
aß, von dem ihren,
wird nicht den leisesten Ton
wieder verlieren.

Mag auch die Spieglung im Teich
oft uns verschwimmen:
Wisse das Bild.

Erst in dem Doppelbereich
werden die Stimmen
ewig und mild.

 
Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)
Borstbeeld met gedenkplaat in Praag

 

De Nederlandse schrijver Geert Mak werd geboren op 4 december 1946 in Vlaardingen. Zie ook alle tags voor Geert Mak op dit blog.

Uit: In Europa

‘Wij zijn een onderdeel van deze eeuw. De eeuw is een deel van ons,’ schreef de historicus Eric Hobsbawm aan het begin van zijn grote werk over de twintigste eeuw. Voor hemzelf was bijvoorbeeld de 30ste januari 1933 niet allen – en hij benadrukte dat we dat nooit moesten vergeten – de datum waarop Hitler rijkskanselier werd, maar ook een wintermiddag in Berlijn waarop een vijftienjarige jongen met zijn zusje van school naar huis liep en, ergens onderweg, een krantenkop zag. ‘Ik zie het nog voor me, als in een droom.’
Voor mijn hoogbejaarde tante Maart in Schiedam, toen zeven jaar oud, was 3 augustus 1914, de dag waarop de Eerste Wereldoorlog uitbrak, een warme maandagmiddag waarover plotseling een zware beklemming viel. Arbeiders stonden in groepen bij de huisdeuren te praten, vrouwen veegden de ogen af met de punt van hun schort, en een man riep tegen een vriend: ‘Oorlog joh!’
Voor Winrich Behr, een van de vertellers in dit boek, was de val van Stalingrad het telegram dat hij als Duits verbindingsofficier binnenkreeg: ‘31.1. 07.45 Uhr Russe vor der Tür. Wir bereiten Zerstöring vor. AOK 6, Ia. 31.1 07.45 Uhr Wir zerstören. AOK 6.’
Voor Ira Klejner uit Sint-Petersburg betekende de 6de maart 1953, toen de dood van Stalin bekend werd gemaakt, een keuken in een communale woning, een twaalfjarig meisje, de angst dat ze niet zou kunnen huilen en de opluchting dat er toch een traan van haar wang viel, precies in de dooier van het spiegelei dat ze zat te eten.
Voor mijzelf, als negenjarige jongen, rook november 1956 naar paprikaschotels, vreemde geuren die Hongaarse vluchtelingen meebrachten in ons statige Leeuwarder grachtenhuis, stille, verlegen mensen die Nederlands leerden via de Donald Duck. Nog zo’n beeld, Friesland, vermoedelijk juni 1952 of 1953. Een bloeiend weiland, wij kinderen rennen tussen de pinksterbloemen, een pruttelend geluid over de spoordijk, veearts Dick Talsma zegt: ‘Dat is de Blauwe Engel, de nieuwe dieseltrein naar Sneek, het is voorbij met het stoom, voorgoed.’ En daar ging de negentiende eeuw, we zagen het laatste staartje nog net om de hoek verdwijnen.
Nu is ook de twintigste eeuw historie geworden, onze persoonlijke historie en die van de films, de boeken en de musea. Terwijl ik dit schrijf, worden de decors van het wereldtoneel in een hoog tempo omgebouwd. Machtscentra verschuiven, bondgenootschappen breken, nieuwe coalities ontstaan, andere prioriteiten staan centraal.
Vásárosbéc bereidt zich voor op de intrede in de Europese Unie. In drie jaar tijd zijn er nog eens zes Nederlanders komen wonen die samen zeker een dozijn huizen hebben gekocht. De meesten zijn gefascineerd door de lage prijzen in Oost-Europa, enkelen worden vermoedelijk gedreven door een probleem, het soort mensen-plus-verleden dat je overal aan de rand van het continent tegenkomt: belastingschulden, een desastreuze echtscheiding, een failliete zaak, iets met justitie.”

 
Geert Mak (Vlaardingen, 4 december 1946)

 

De Vlaamse dichter, schrijver, dichter, interviewer, performer en radiomaker Pat Donnez werd geboren in Mechelen op 4 december 1958. Zie ook alle tags voor Pat Donnez op dit blog.

Koopje

Doe mij maar in de uitverkoop.
Twee vierkante meter huid.
Prijs overeen te komen.
Ledematen met garantie voor één jaar.
De sluitspier kreeg het hard te verduren
maar hield stand.
Dunne darm min of meer geïsoleerd.
Longen, hart en nieren aan vervanging toe.
Smoel mag naar een goed doel.

Ik word gratis thuis bezorgd.

 

Teer

Voor mijn vader

Zo dichtbij voel je de doden
en hoewel ze weg zijn
verstopt achter een bocht
aan de andere kant van het hoofd
ze zijn er nog

Je hebt op je eentje
tweehonderd miljoen maal geademd
genoeg lucht
verzameld om een zeilschip
vijfmaal om de wereld te blazen

Zo dichtbij voel je zijn adem nu
leeggerookte longen
en hoewel hij weg is
lopend door een gang
van tong tot strot
hij is er nog

 
Pat Donnez (Mechelen, 4 december 1958)

 

De Duitse schrijver en beeldend kunstenaar van Turkse afkomst Feridun Zaimoglu werd geboren op 4 december 1964 in Bolu. Zie ook alle tags voor Feridun Zaimoglu op dit blog.

Uit: Evangelio

„Ich klink die Tür auf: Bücher mit Schweinslederein-band, schwere Deckel hüten die schwefligen Worte, die Meister Marrinus durch List dem alten Feind abgetrotzt. Man muss ins erste Saufen Gottes Namen sprechen, und also bewegt er stumm die Lippen und trinkt drei Schlucke. Im Schein der blakenden Tranlampe funkeln seine Augen auf. Er stellt die Füße auf den Walwirbel. Er legt das Papier vor sich hin. Kratzt mit der Feder Ru-nen, als würd der Dämon. der Macht ihm Zauberziffern in den Geist bluten. Hat er das zweite Gesicht? Er liest die Worte der fremden Völker. Malt er reursche Gnaden-bilder? Das Welsche ist verneint. Er mehrt durch Ge-bete seine Gabe. Was sah im Dornbusch der Gesandte Moses? Was sieht der Mönch, wenn in seinen Träumen ein kaltes Feuer brennt? Das Allerheiligste ist das Al-lerheimlichste. Frevelt er, wenn er Gott übersetzt? Der Herr braucht keine neuen Namen. Wir beten an den ungeschmückten Herrn. Am Rand der Welt trommeln die Barbarenstämme. Es klafft die Erde auf: Ich sch tief im Loch Hundezähne schimmern. Ein Tier wird aufsteigen, sagt er, und alles Wachs wird schmelzen und doch nicht erhellen den Himmel, den das Tier be-schwört. Eine Knochenmühle wird die Welt. Er aber vergisst den Schmerz, vergisst den bellenden Leviathan, und übersetzt Gott ins Teutsche. Salbt er uns zu unse-rem Schutze? Seine Frommheit ist der &lsche Fraß für den Hunger. Er und die Seinen quälen sich, um bald die anderen zu quälen. Sie sehen nur die Leiche an den Bal-ken, blasen ihr durch die Zauberei Leben ein. Sammeln Worte im Maul, um sie aufMänner meines Glaubens zu speien. Er aber kratzt Runen, dass wir fallen.
Ich wetz das Eisen am Stein für den Stoß in die Kehle des Leviathan. Ich sprech das Wort des Heilands heilig. Wir alle verfaulen langsam, da wir warten auf die Wiederkunft. Schutzgeister sind zu Asche verbrannt.
In kommende Kämpfe mengt sich der Frater, ohne zu wissen, wen er zum Kampfe peitscht. Es werden die an-deren sein, die Gott erhöht. Mir bleibt nur, mich zu gürten und dem Mönch den Überwurf umzutun, dass er nicht friert in den Nächten, da die Toten zu ihm sprechen. Und er sagt: Das Gotteslamm entzündet mich. Es (Int hinein in die Unsinnigen, die Spinnweben fressen. Die ihre Zähne stumpfgemahlen haben. Draußen im Land erlöschen die Grableuchten. Meister Tod klopft auf Rippen und Gebein. Frater ruft: Gottes Majestät! Die Knechte drehen und wenden das teutsche Wort für Gott. Ein jeder ruft Ich schneid mich los von Stricken. Ich reib das Kreuz aus Ruß und Schmier auf die Schlä-fen. Ich zieh als des Mönchs Gefolge in die Kriege … Ihr Verstand hängt ihnen wie eine schmutzige Schleppe am Arsch. Atemlose Dienet sie leben von hartem Brot und saurem Wein. Der Herr ist für sie ein wandelnder Rauch. Sie kauen Körner und verlachen mir Brei auf den Lippen Judas und den bösen Schächer. Sind nicht diese Kerle, sind nicht diese Weiber des Junkermönchs Luther unsinnige Kinder? Sie tun untertänig und rufen aber: Der Heilige Geist besteht aus einem Schwarm Tauben. Und also sind wir die Stücke der wahren Kir-che Christi …“

 
Feridun Zaimoglu (Bolu, 4 december 1964)

 

De Deense dichter Emil Aarestrup werd geboren op 4 december 1800 in Kopenhagen. Zie ook alle tags voor Emil Aarestrup op dit blog.

Die Braut

Vom Flusse die jungen Mädchen
Mit Fisch und Früchten gehn,
Lachs und Forellen wie Silber
Könnt’ ihr im Korbe seh’n.

Wackre Mädchen, laßt uns singen,
Laßt uns flechten einen Kranz!

Doch eine von Morgen bis Abend
Steht auf der Brücke allein,
Sprachlos – die schlanke Jungfrau! –
Als sei sie gemeißelt in Stein.

Wackre Mädchen, laßt uns singen,
Laßt uns flechten einen Kranz.

Sie starrt hinab in die Wellen,
Der Wind mit großer Macht
Drücket um ihrer Glieder
Die feuchte Sommertracht.

Wackre Mädchen, laßt uns singen,
Laßt uns flechten einen Kranz.

Und wenn man sie frägt: wer bist Du?
Schwermüthig sie an dich schaut,
Sie wirft einen Blick gen Himmel
Und sagt: Ei, ich bin Braut!

Wackre Mädchen, laßt uns singen,
Laßt uns flechten einen Kranz!

Und wieder in den grünen
Strom, wie in leeren Raum,
Kannst du sie starren sehen,
Als träumt sie den tiefsten Traum.

Wackre Mädchen, laßt uns singen,
Laßt uns flechten einen Kranz!

Vom Flusse die jungen Mädchen
Mit Fischen und Früchten geh’n,
Lachs und Forellen von Silber
Könnt ihr in Körben seh’n.

Wackre Mädchen, laßt uns singen,
Laßt uns flechten einen Kranz!

Eine Leiche zieht aus dem Fluß man,
Dort liegt sie, so bleich unterm Baum,
Ach, sie ist es, sie träumet
Den allertiefsten Traum!

Wackre Mädchen, laßt uns singen,
Laßt uns flechten einen Kranz!

 

Vertaald door Edmund Lobedanz

 
Emil Aarestrup (4 december 1800 – 21 juli 1856)
Kopenhagen in de Adventstijd

 

De Russische dichter Nikolay Nekrasov werd geboren op 4 december 1821 in Nemirovo. Zie ook alle tags voor Nikolay Nekrasov op dit blog.

Uit: Russische Frauen

2
„Daß Eure Tochter wiederkehrt,
Ist ohne Aussicht zwar,
Doch alles, was Ihr mich gelehrt,
Bleibt heilig mir, fürwahr!
Mein Stolz soll brechen nimmermehr
In jener fremden Welt,
Drum wein ich jetzt auch nicht, so schwer
Mir dieser Abschied fällt.“

3
„Bei Gott, gibt’s eine andre Pflicht,
Die heut uns höher steht?
Drum, Lieber, grämt Euch unnütz nicht,
Ihr wißt, um was es geht!
Weit ist mein Weg und voller Qual,
Kein Schicksal fürchte ich!
Hart will ich werden, hart wie Stahl!
Stolz sollt Ihr sein auf mich.“

4
„Leb wohl auch du, mein Heimatland,
Du Unglücksland, ade!
Du Stadt, in der ich ohn Verstand
Die Zaren hausen seh.
Wer London, Rom, Venedig kennt,
Paris erlebt’ wie ich,
Weint nicht, wenn er von dir sich trennt.
Und dennoch lieb ich dich.“

 
Nikolay Nekrasov (4 december 1821 – 8 januari 1878)
Cover

 

De Surinaamse dichteres en cultureel antropologe Gertrude (Trudi) Marie Guda werd geboren in Paramaribo op 4 december 1940. Zie ook alle tags voor Trudi Guda op dit blog.

De tuin (Fragment)

zijn lach
een lila lint,
een bos
van gouden regen

zo diep
heeft de jager
gezwegen
de hijgende zwerver,
de zwarte,

ruisende moesson,
vlammende ruiker

Duizend harten
heeft hij,
de hardste,
de zwartste,

zijn oog
en ronde regenboog,

zijn sleutel
een ring van pijn

Zijn tuin van stilte
berstende bloesem
dansende keerkring
van de kolibri

 
Trudi Guda (Paramaribo, 4 december 1940)
Hier met echtgenoot Frank Martinus Arion in 1977

 

De Engelse schrijver, componist, filoloog en schilder Samuel Butler werd geboren op 4 december 1835 in Langar, Nottinghamshire. Zie ook alle tags voor Samuel Butler op dit blog.

Uit: God the Known and God the Unknown

“I have now, perhaps, sufficiently proved my sympathy with the reluctance felt by many to tolerate discussion upon such a subject as the existence and nature of God. I trust that I may have made the reader feel that he need fear no sarcasm or levity in my treatment of the subject which I have chosen. I will, therefore, proceed to sketch out a plan of what I hope to establish, and this in no doubtful or unnatural sense, but by attaching the same meanings to words as those which we usually attach to them, and With the same certainty, precision, and clear-ness as anything else is established which is commonly called known. As to what God is, beyond the fact that he is the Spirit and the Life which creates, governs, and upholds all living things, I can say nothing. I cannot pretend that I can show more than others have done in Common Ground r 9 the Spirit and the Life consists, which governs all living things and animates them. I can-not show the connection between conscious-ness and the will, and the organ, much less can I tear away the veil from the face of God, so as to show wherein will and con-sciousness consist. No philosopher, whether Christian or Rationalist, has attempted this without discomfiture ; but I can, I hope, do two things : Firstly, I can demonstrate, per-haps more clearly than modern science is prepared to admit, that there does exist a single Being or Animator of all living things — a single Spirit, whom we cannot think of under any meaner name than God ; and, secondly, I can show something more of the persona or bodily expression, mask, and mouthpiece of this vast Living Spirit than I know of as having been familiarly expressed elsewhere, or as being accessible to myself or others, though doubtless many works exist in which what I am going to say has been already said. Aware that much of this is widely accepted under the name of Pantheism, I venture to think it differs from Pantheism with all the difference that exists between a coherent, intelligible conception and an incoherent zo God the Known and Unknown unintelligible one. I shall therefore proceed to examine the doctrine called Pantheism, and to show how incomprehensible and value-less it is. I will then indicate the Living and Personal God about whose existence and about many of whose attributes there is no room for ques-tion ; I will show that man has been so far made in the likeness of this Person or God, that He possesses all its essential character-istics, and that it is this God who has called man and all other living forms, whether animals or plants, into existence, so that our bodies are the temples of His spirit ; that it is this which sustains them in their life and growth, who is one with them, living, moving, and having.”


Samuel Butler (4 december 1835 – 18 juni 1902)
Als 23-jarige in 1858

 

De Schotse dichter en schrijver Thomas Carlyle werd geboren in Ecclefechan, gelegen in de regio Dumfries and Galloway in Schotland op 4 december 1795. Zie ook alle tags voor Thomas Carlyle op dit blog.

Uit:Sartor Resartus: The Life and Opinions of Herr Teufelsdröckh

“In so far as the Germans are chargeable with such, let them take the consequence. Nevertheless be it remarked, that even a Russian steppe has tumult and gold ornaments; also many a scene that looks desert and rock-bound from the distance, will unfold itself, when visited, into rare valleys. Nay, in any case, would Criticism erect not only finger-posts and turnpikes, but spiked gates and impassable barriers, for the mind of man? It is written, “Many shall run to and fro, and knowledge shall be increased.” Surely the plain rule is, Let each considerate person have his way, and see what it will lead to. For not this man and that man, but all men make up mankind, and their united tasks the task of mankind. How often have we seen some such adventurous, and perhaps much-censured wanderer light on some out-lying, neglected, yet vitally momentous province; the hidden treasures of which he first discovered, and kept proclaiming till the general eye and effort were directed thither, and the conquest was completed;—thereby, in these his seemingly so aimless rambles, planting new standards, founding new habitable colonies, in the immeasurable circumambient realm of Nothingness and Night! Wise man was he who counselled that Speculation should have free course, and look fearlessly towards all the thirty-two points of the compass, whithersoever and howsoever it listed.
Perhaps it is proof of the stunted condition in which pure Science, especially pure moral Science, languishes among us English; and how our mercantile greatness, and invaluable Constitution, impressing a political or other immediately practical tendency on all English culture and endeavor, cramps the free flight of Thought,—that this, not Philosophy of Clothes, but recognition even that we have no such Philosophy, stands here for the first time published in our language. What English intellect could have chosen such a topic, or by chance stumbled on it? But for that same unshackled, and even sequestered condition of the German Learned, which permits and induces them to fish in all manner of waters, with all manner of nets, it seems probable enough, this abtruse Inquiry might, in spite of the results it leads to, have continued dormant for indefinite periods.”

 
Thomas Carlyle (4 december 1795 – 5 februari 1881)
“Work” door Ford Madox Brown, 1865. Carlyle staat op dit schilderij, 2e van rechts, naast de theoloog en schrijver Frederick Maurice

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 4e december ook mijn blog van 4 december 2017 en ook mijn blog van 4 december 2016 deel 2.

Hendrik Conscience, Kristina Sandberg, Joseph Conrad, Herman Heijermans, Grace Andreacchi, Ugo Riccarelli, France Prešeren, F. Sionil José, Franz Josef Degenhardt

De Vlaamse schrijver Henri (Hendrik) Conscience werd geboren in Antwerpen op 3 december 1812. Zie ook alle tags voor Hendrik Conscience op dit blog.

Uit: De twee vrienden

“De eene kon wel negentig jaar oud zijn; hij ging diep gebogen en hem waggelde het hoofd over en weder, als ontbrak zijnen hals de macht om langer nog het gewicht zijner hersens te dragen. Diep waren zijne wangen uitgehold; zijn hoekig gebeente hief overal de huid op, en kin en neus raakten bijna elkander.
Ondanks het warme weder droeg hij eene kapoot van tamelijk zwaar laken met eenen kraag, die hem op borst en rug nederviel; hij leunde op eenen langen rotting, waarvan de zilveren appel verre boven zijne hand uitstak.
Het was erkennelijk, dat het graf dien man met ongeduld afwachtte; want bij zulken hoogen ouderdom en zulk uiterst verval van krachten scheen hij reeds een wandelend lijk.
Zijn gezel, ofschoon insgelijks met sneeuwwit haar en uitgemergeld gelaat, moest iets min oud zijn. Misschien was hij de zeventig jaar niet verre voorbij, want zijn blik was nog levendig; hij hield het hoofd recht, en zijne bewegingen getuigden van nog eenige overgeblevene kracht.
Deze droeg een blauwen frak, die tot onder de kin was gesloten. Aan een zijner linkerknoopsgaten blonk een kleurig lintje, dat men gemakkelijk als een eereteeken kon herkennen.
Beide deze grijsaards waren indrukwekkende, men mocht bijna zeggen majestatische beelden van den menschelijken ouderdom.
Dan, het was niet zoozeer hun uiterlijk opzicht, dat ons aller andacht hield geboeid en ons met eerbied en belangstelling deed toekijken, als wel de kinderlijke liefde, die de man met het eerelint zijnen ouderen gezel betuigde.
Misschien was hij zijn zoon? Dit gepeins konden wij echter moeilijk, bij den hoogen ouderdom van beiden, als gegrond aanvaarden. Hoe het zij, in dit geval zelfs hadde zijn gedrag ons nog met bewondering vervuld. Hij leidde de stappen van den uitgeleefden grijsaard met eene bijna koortsige bezorgdheid, steunde hem, verwijderde de steenen uit zijne baan, sprak hem moed in, lachte hem toe, droogde hem met eenen witten doek het zweet van het voorhoofd, ja verjaagde zelfs eene vlieg, die zich op zijne wang had nedergezet.
Was de stramme man zijn vader, dan zeker had de ouderdom de rollen verwisseld; want nu verzorgde, troostte en streelde hij zijnen ouden gezel als eene moeder, die waakt over haar ziek en kwijnend kind.
De twee grijsaards naderden de herberg, waar wij ons bevonden. De jongste leidde den ouderen naar eene tafel in de schaduw der linden en riep de waardin toe, dat zij een glas bier en een glas water met suiker zou brengen.”


Hendrik Conscience (3 december 1812 – 10 september 1883)
Portret door Hendrik De Pondt , ca. 1870

 

De Zweedse schrijfster Kristina Sandberg werd geboren op 3 december 1971 in Sundsvall. Zie ook alle tags voor Kristina Sandberg op dit blog.

Uit: Leven tot elke prijs (Vertaald door Jasper Popma en Webdy Prins)

“Ze heeft geen rijbewijs, geen geld voor eten, treinkaartjes… heeft hij gezorgd dat ze in de buurt van haar oudere zus is – hij heeft hen toch niet helemaal meegenomen naar Stockholm om zich op zijn vijftigste verjaardag van het leven te beroven? Kalmeer nu! Zei ze dat hardop? Haarvingertoppen, de vochtige kou als ze haar handen in haar schoot vouwt Nu slapen ze waarschijnIijk. Allebei. In elk geval Lasse. Misschien dat Anita net doet alsof Anita die altijd al zo bang is dat hen iets overkomt! Lieve God, laat Tomas terugkomen. Tegelijkertijd – de politie zou waarschijnlijk moeten lachen als Maj vannacht zou bellen. Hoorns, misschien is-ie op je uitgekeken. Eigenlijk morgenpas, morgenochtend, kan ze hem als vermist opgeven. Dan moet ze contact opnemen met Ragna. Of het hotelpersoneel om hulp vragen. Zij kunnen ongetwijfeld het nummer van dokter Bjerre op-zoeken. Hij zal daar toch niet in hypnose zijn gebleven… Als Tomas voor een tram is gestapt.. zou men zijn identiteit dan niet aan de hand van zijn rijbewijs weten te achterhalen en contact opnemen met de familie in earnsledlcIndlc en haar op die manier hier vinden… in het hotel? Maj komt overeind – ze heeft het koud zo vlak bij het raam – knipt de bureaulamp uit. Davlug even haar mond spoelen met kraanwater, en een koude plens in haar gezicht. Ze trekt geen nachtjapon aan.
Maar het is wel beter om even te gaan liggen, naast Anita in bed te schuiven ook al is het krap. Ook haar schoenen aanhouden? Hoe laat -bijna half twee. Wat zal Ragna zeggen als Tomas’ verjaardagsfeest morgen niet doorgaat? Hij zit in de kroeg tedrinken. Hij ligt verdronken in het water van Stremmen. Hij…
Dan dommelt ze weg- ontwaakt – het snelle kedoenk van haar hart – daar is het gerammel weer. Een sleutel in de deur. Tomas – of de portier van het hotel… Het lichtknopje van het bedlampje -Ben je nog wakker? Tomas… Ze gaat met haar handen over haar gezicht, over haar haar. Gaat rechtop zitten, maar durft niet op te staan. Haar benen -Mij ziet ze haast verslappen – ik was zo bang, Tomos! Het licht van het wand-lampje bereikt hem net niet, de geluiden als hij zijn mantel aan het knaapje hangt, langzaam wordt zijn gestalte zichtbaar, hoe hij zich bukt om zijn schoenen uit te doen. De sigaret – nu mag ze roken. Een hele, genotvolle sigaret – rook uitblazen, kramp… ze hoort het geklater tegen het porselein van de wc, dan wordt er doorgespoeld… Ze is zo opgelucht dat hij terug is dat ze niet in staat is boos te wor-den. Hoewel er zoveel is waar ze verdrietig, verontwaardigd en ver-bolgen over zou kunnen zijn. Razend, furieus, woedend – nu is bij terug, de verjaardag in Skansen gaat door. Langzaam zakt de span-ning weg uit haar schouders, nek, kaken. Weer bloed naar haar han-den, voeten. Ze hoeft haar zuster en Edvin morgen niet te bellen om hun te vragen haar en de kinderen te helpen terug te komen in Omsktildsvik. En ze hoeft de portier van het hotel niet lastig te vallen, geen gedoe met geld – want ze weet niet eens of Tomas de kamer vooruit had betaald.” n loopt ze op de tast naar de badkamer. Ze plast in het donker. Wil haar gejaagde gezicht niet in de spiegel zien. Alleen

 
Kristina Sandberg (Sundsvall, 3 december 1971)

 

De Brits-Poolse schrijver Joseph Conrad werd geboren op 3 december 1857 in Berdichev, Rusland in een gezin met Poolse ouders. Zie ook alle tags voor Joseph Conrad op dit blog.

Uit: Lord Jim

“He was an inch, perhaps two, under six feet, powerfully built, and he advanced straight at you with a slight stoop of the shoulders, head forward, and a fixed from-under stare which made you think of a charging bull. His voice was deep, loud, and his manner displayed a kind of dogged self-assertion which had nothing aggressive in it. It seemed a necessity, and it was directed apparently as much at himself as at anybody else. He was spotlessly neat, apparelled in immaculate white from shoes to hat, and in the various Eastern ports where he got his living as ship-chandler’s water-clerk he was very popular.
A water-clerk need not pass an examination in anything under the sun, but he must have Ability in the abstract and demonstrate it practically. His work consists in racing under sail, steam, or oars against other water-clerks for any ship about to anchor, greeting her captain cheerily, forcing upon him a card–the business card of the ship-chandler–and on his first visit on shore piloting him firmly but without ostentation to a vast, cavern-like shop which is full of things that are eaten and drunk on board ship; where you can get everything to make her seaworthy and beautiful, from a set of chain-hooks for her cable to a book of gold-leaf for the carvings of her stern; and where her commander is received like a brother by a ship-chandler he has never seen before. There is a cool parlour, easy-chairs, bottles, cigars, writing implements, a copy of harbour regulations, and a warmth of welcome that melts the salt of a three months’ passage out of a seaman’s heart. The connection thus begun is kept up, as long as the ship remains in harbour, by the daily visits of the water-clerk. To the captain he is faithful like a friend and attentive like a son, with the patience of Job, the unselfish devotion of a woman, and the jollity of a boon companion. Later on the bill is sent in. It is a beautiful and humane occupation. Therefore good water-clerks are scarce. When a water-clerk who possesses Ability in the abstract has also the advantage of having been brought up to the sea, he is worth to his employer a lot of money and some humouring. Jim had always good wages and as much humouring as would have bought the fidelity of a fiend. Nevertheless, with black ingratitude he would throw up the job suddenly and depart. To his employers the reasons he gave were obviously inadequate. They said “Confounded fool!” as soon as his back was turned. This was their criticism on his exquisite sensibility.”

 
Joseph Conrad (3 december 1857 – 3 augustus 1924)
Cover

 

De Nederlandse schrijver Herman Heijermans werd geboren op 3 december 1864 in Rotterdam. Zie ook alle tags voor Herman Heijermans op dit blog.

Uit: Ghetto

“EERSTE BEDRIJF
(De bedompte uitdragerswinkel van Sachet. Het is avond. Er brandt een kleine olielamp).
Eerste Tooneel. SACHEL. ROSE. EEN JOOD.
EEN JOOD. Goeienavond (knoopt een pak los). Warm. Om ‘r bij neer te vallen. Is Esther ‘r niet?
SACHEL. Esther is uit.
EEN JOOD. Hoe wou CI dan helpen?
SACHEL. Geef ’t maar hier. Ik zie beter met mijn han-den as jullie met je oogen! (het goed betastend). Niks. Geen cent waard. Heelemaal niks. Prullen.
EEN JOOD. Geen cent waard? En Esther heit ‘r me de vorige keer twee gulden op gegeven!
SACHEL. Twee gulden? Twee gulden! Daar had ik bij motten wezen! As ‘k tien stuiver geef is ’t mooi. Allemaal versleten goed….
EEN JOOD. As je kinderen ‘r maar nooit gebrek an zullen hebben! Noem je die jas versleten? Noem je die broek versleten? Ken merken dat u ‘r geen kijk op heit.
SACHEL. Ik vergis me niet. M’n vingers zién. Die zién voor zes. De knoopsgaten zijn heelemaal uit-gerafeld en wat heb ‘k an ’n broek met afgetrapte randen?
EEN JOOD. Noem u dat uitgerafeld? Noem u dat afgetrapt? Was uw zuster maar hier! Wat doe ‘k met die redeneering!
SACHEL. Rose — kom hier. Bekijk die jas is bij de lamp. Heb ‘k recht as ‘k zeg dat-ie versleten is? ROSE (de jas bekijkend). Mooi is-ie niet. Maar zoo erg versleten, zoo héel erg…
SACHEL (nijdig). Wat niet versleten! Ben jij blind? Houen jullie me voor de gek! Had ik me ódigen, dan had ik jou niet noodig, jou niet, niemand niet! Is ’t niet ongelukkig genoeg dat ‘k blind ben? An me vijanden ben ik overgeleverd. Nou staan ze me-kaar an te kijken of ‘k ’t zoo zie! Dievetuig! Maar bestelen laat ik me niet! Nog niet voor ’n cent! Geef hier die jas! (betastend). De knoopsgaten zijn kapot…. Hier is ’n plek waar de wol ‘r af is… En de voering…. de voering…. kijk die ge-scheurde voering!…. En zoo’n stomme os ziet niks, wil niet zien!…. Geven we je daarvoor te vreten dat je mijn in me zak liegt!
ROSE. Ik lieg niet….
SACHEL. Jij liegt! Jullie liegt allemaal!“


Herman Heijermans (3 december 1864 – 22 november 1924)
Poster voor een voorstelling in Dordrecht, 2011

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Grace Andreacchi werd geboren op 3 december 1954 in New York. Zie ook alle tags voor Grace Andreacchi op dit blog.

Uit: A Night On The Town

“I said. `What kind of pills do you want?’ `The kind that put you to sleep, the kind that let you die,’ I said. `Don’t be stupid. I’m not going to help you die,’ he said. `Why not? What is it your business? Why can’t I die if I want to?’ `You can do what you like. I’m not going to help you,’ he said. It seems nobody is going to help me. They all say the same thing. Then out into the night and a personal tour of the dark side. He took me to Communist Headquarters and kissed me on the mouth saying, `You are so beautiful, you are incredibly beautiful. You know that, don’t you?’ Yes, I know. There’s not a whole lot I can do about it though. He showed me where they used to torture people, the empty cells still clanging with pain and fear, bells tolling in the omniscient night. No more wall,’ he said. ‘One day it was just…all over.’ He seemed almost sorry. On the empty street a small girl approached, carrying a balloon, an older, bearded man held her tightly by the hand. She stopped for a moment to stare at us. What’s she doing up so late? ‘The lady has gloves like Mickey Mouse,’ she said to the man. I had not thought of the resemblance before, but it’s perfectly true, Mickey Mouse wears white gloves at all times. If I added a pair of mouse-ears the resemblance would be even more striking. The Doctor took me in his arms and began kissing me, pressing his long, hard body up against me as if he were trying to merge his flesh with mine, his face a little stubbly, and the stubble scratched my cheeks while he kissed me deeper and deeper, so deep I thought — I am falling, falling off a cliff and I’ll never hit the ground. With his hands he caressed me, my back, my arms, my hair, while my hands wandered over him, the back of his head, grasping his thick, spiky albino hair, feeling the tense muscles at the nape of his neck, the strong flat surface of his back, his hard little ass while he kissed me and kissed me Later he pointed a camera between my legs and took a photograph. Tor your collection?’ I said, and this made him very angry. `You don’t understand – there’s no collection – I need this, need to have it with me all the time.’
Somehow we ended up about three o’clock in the morning at the FriedrichstraBe Bahnhof. Nobody around but the rats, a couple of policemen in drab green, and the two of us. The rats swarmed over the empty tracks, tearing bits of discarded food packets with their sharp little teeth. The Doctor pointed to a giant Coca-Cola sign that hung directly above the railway tunnel. ‘In the old days a guard used to sit right there, with a machine gun,’ he said. ‘They’d shoot anybody who tried to get on a train —bang! no questions asked.’


Grace Andreacchi (New York, 3 december 1954)

 

De Italiaanse schrijver Ugo Riccarelli werd geboren op 3 december 1954 in Turijn. Zie ook alle tags voor Ugo Riccarelli op dit blog.

Uit: Die Residenz des Doktor Rattazzi (Vertaald door Annette Kopetzki)

„Lange betrachtete der alte Mann die Frau, die vor ihm saß. Ihre Gesichter waren nicht mehr als zwei Meter voneinander entfernt, ein kleiner Zwischenraum aus leerer Luft, wie es schien. Hätte jemand von außen in dieses Zimmer gespäht, er hätte tatsächlich nur eine Frau und einen alten Mann gesehen, die auf zwei bequemen Sesseln einander gegenübersaßen.
Die Frau lächelte, um das Schweigen zu brechen, das peinlich zu werden begann.
Der Alte fixierte einen Punkt an der Wand. Seine auf den Armlehnen des Sessels ruhenden Unterarme zitterten leicht.
Mit dem Verklingen der letzten Worte, die eben durch das Zimmer gegangen waren, schien zwischen ihnen die Zeit stehengeblieben zu sein. Die einzigen Worte, die seit der Begrüßung gesprochen worden waren. Über dem Echo dieser Stille erhob sich der Alte, schleppte langsam hinkend seine Beine und seine Jahre zum Fenster und stützte sich auf das Fensterbrett. Vor dem Haus belebte ein Wochenmarkt die Piazza. Wie auf einer Theaterbühne schienen die Menschen sich nach festgelegten Abläufen zu bewegen. Sie begegneten einander, blieben stehen, wechselten ein paar Worte oder betasteten die Ware, und ein insektengleiches Summen ging von ihnen aus.
Aus den Bäumen, die diesen alten freien Platz zwischen den Häusern umgaben, flog plötzlich, als würde er einem Befehl gehorchen, ein Starenschwarm auf, der sich sehr schnell bewegte und wie ein einziger Körper fortwährend die Richtung wechselte.
Die Blicke des Alten folgten diesen akrobatischen Figuren, sie folgten ihnen so, wie man die Reihe der Wörter auf einer Buchseite verfolgt. Dieser bewegliche Klumpen dunkler Punkte öffnete für ihn ein Buch, in das er vor vielen Jahren etwas geschrieben hatte, was er nicht vergessen konnte und jetzt einer unbekannten Journalistin erzählen sollte.
Im Geist des Alten verließ die schwarze Wolke der Stare die Piazza, durchquerte die Zeit und vollführte ihre Voluten nun im Hof der Irrenanstalt, über und in Foscos Kopf. Immer wenn dieses hektische schwarze Gebilde am Himmel der Verrückten erschienen war, hatte die Raserei der Vögel auf Fosco übergegriffen, als gehörte er selbst zu dem dunklen Schwarm.“


Ugo Riccarelli (Turijn, 3 december 1954)
Cover

 

De Sloveense dichter en schrijver France Prešeren werd geboren op 3 december 1800 in Vrba. Zie ook alle tags voor France Prešeren  op dit blog.

A Wreath of Sonnets (7/14)    

Above them savage peaks the mountains raise,
Like those which once were charmed by the refrain
Of Orpheus, when his lyre stirred hill and plain,
And Haemus’ crags and the wild folk of Thrace.

Ah, would, to cure the dearth of these our days,
An Orpheus dowered with song of native strain
Were sent to us that all Slovenes might gain
Fresh fire to set their frozen hearts ablaze.

His words might kindle thoughts that would remind
Us of lost pride of race; discord would cease;
Our people in one nation then combined

Would see that feuds no longer did increase.
His strains would bring the rule of joy and peace,
Where tempests roar and nature is unkind.

 

A Wreath of Sonnetd (8/14)    

Where tempests roar and nature is unkind:
Such was our land since Samo’s rule had passed
With Samo’s spirit – now an icy blast
Sweeps o’er his grave reft from the nation’s mind.

Our fathers’ bickerings let Pepin bind
His yoke upon us, then came thick and fast
Bloodstained revolts and wars, the Turk at last –
With woes our history is deeply lined.

Our age of glory needs must disappear
When deeds of valour ceased in our past state
And triumphs that our songs could celebrate.

The flowers on our Parnassus shyly rear
Their heads – the flowers that have been spared by fate:
They were all fed on many a plaint and tear.

 

Vertaald door V. de Sola Pinto

 
France Prešeren (3 december 1800 – 8 februari 1849)
Borstbeeld in Ljubljana

 

De Filipijnse schrijver F. Sionil José werd geboren op 3 december 1924 in Rosales, Pangasinan. Zie ook alle tags voor F. Sionil José op dit blog.

Uit: Tong

“I believe you,” she said. “Well then, first see to it that the main switch is off. Then look for the line that was burned. Sometimes rats gnaw the line. If you touch it and it is live . . .”
“I will not forget that,” he said.
“Clean the wires, then tape them individually. See to it that they do not meet. That they do not touch.”
“No touch, no fireworks,” he said. “Thanks for the lesson.”
In three months, Conrado Lopez learned a bit more about electricity and a lot about Alice Tan. She was studying in one of the Recto universities in the morning and in the afternoons, immediately after school, she came to the shop where she had lunch, usually cooked by her aunt. At eight in the evening, she walked to Avenida for her ride to Ongpin and the apartment she shared with her brothers. She seldom went out even on the Sundays when the shop was closed. She looked at televisions or play Ping-Pong in one of the Chinese clubs in Binondo.
Conrado Lopez took to having a late merienda at the shabby Chinese reataurant across the street. The restaurant was never full – there was always an empty table dirty with noodle drippings and dried blobs of beef, the loud of jeepney drivers who frequented the place, and the juke box oozing Rico Puno and Nora Aunor songs. It was a good place to watch Alice Tan as she went anout her chores.
Many a night, too, he would return to the restaurant for a cup of bad coffee and wait for her to leave and walk the short stretch to her jeepney stop, sometimes with him just a few steps behind.
In three months, too, Conrado could have opened a small shop for electrical supplies. He was buying yet another light bulb when Alice finally accosted him.
“I will not sell it to you,” she said simply.
He was taken aback
“I don’t know what you are trying to do but I know that you are not buying the goods to use. You don’t need all those bulbs. I have been counting them. A light bulb lasts more than six months. You have bought more than a dozen in a month.”
“I like changing them, you know different watts.”
“Mr. Lopez, tell me the truth.”
“I also like collecting lengths of electric wires, sockets, rubber tapes. Have you heard of Thomas Alva Edison? Maybe, I am an inventor . . .”
“You are a liar,” Alice Tan said, her eyues crinkling in a smile.”

 
F. Sionil José (Rosales, 3 december 1924)

 

De Duitse dichter, folkzanger en jurist Franz Josef Degenhardt werd geboren op 3 december 1931 in Schwelm. Zie ook alle tags voor Franz Josef Degenhardt op dit blog.

Zug der Schwäne

Über meiner Heimat Frühling
seh ich Schwäne nordwärts fliegen.
Ach mein Herz möcht sich auf grauen
Eismeerwogen wiegen.

Schwan, im Singsang deiner Lieder
grüß die grünen Birkenhaine.
Alle Rosen gäb ich gerne
gegen Nordlands Steine.

Grüß mir Schweden, weißer Vogel,
setz an meiner Statt die Füße
auf den kalten Stein der Ostsee.
Sag ihr meine Grüße.

Grüß das Eismeer, grüß das Nordkap,
ruf den Schären zu, den Fjorden,
wie ein Schwan sei meiner Seele
auf dem Weg nach Norden.

 

Winterlied

Es ist ein Schnee gefallen und fiel noch aus der Zeit.
Man wirft uns mit den Ballen, manch Weg ist uns verschneit.
Die Kälte und das Schweigen ringsum ist viel zu alt,
macht Mutigen und Feigen das Herz, die Hände kalt.
Ich lege meine Hände auf deinen warmen Bauch
und träume von dem Ende und von dem Anfang auch.
Ich hör die Wölfe heulen, und mir ist nicht sehr warm.
Komm, salbe mir die Beulen und nimm mich in den Arm.
Und sing die alte Weise, daß bald der Frühling naht
und unterm Schnee und Eise schon grünt die neue Saat.
Dann wollen wir uns wälzen nach einem heißen Bad
im Schnee, und der wird schmelzen, weil er zu schmelzen hat
im Lied von Degenhardt.

 
Franz Josef Degenhardt (3 december 1931 – 14 november 2011)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e september ook mijn blog van 3 december 2017 deel 2.

Advent (Marjoleine de Vos )

Bij de 1e zondag van de Advent

 

Jon McNaughton
Parting the Veil (The Second Coming) door Jon McNaughton, z. j.

 

Advent

Wie wacht weet nooit waarop
want steeds is alles anders.
Je wou rustige grond zijn
klaar voor de zaaier maar
niemand komt. Die stem ben je zelf
je zingt een oud lied van vrede.

Welke vrede. Je buigt het hoofd
knielt eerlijke woorden fietst
naar huis geen engel te zien.
Prijs dan de uren, als niet de jaren
hangt straks in de kerstboom
een bescheiden bazuin.

 

devos
Marjoleine de Vos (Oosterbeek, 19 april 1957)
De Oude Kerk in Oosterbeek

 

Zie voor de schrijvers van de 2e december ook mijn vorige blog van vandaag.

Frédéric Leroy, Ann Patchett, Hein Boeken, T. C. Boyle, George Saunders, Botho Strauß, Jacques Lacarrière, Iakovos Kampanellis, Eric L. Harry

De Vlaamse dichter Frédéric Leroy werd geboren op 2 december 1974 in Blankenberge. Zie ook alle tags voor Frédéric Leroy op dit blog.

Snaartheorie

De dag
is een kluwen en de uren
groeien in (en uit) mijn vlees
als hechtingsdraadjes rond
een open wonde

het lijkt alsof iemand bang is

dat ik hier en nu uiteen zou vallen
in nietszeggende deeltjes, lafhartige
stukjes die door het onbewaakte oog
van de naald willen kruipen, dat ik
toch de dans ontspringen zou.

Mijn vingers zijn vezelachtig
als afgekloven klokhuizen.

En waarom? Maar daarom! En wat?
En wee als ik in dit spel niet langer
de marionet wens te zijn,
niet ingepakt wil worden
als een vlieg in spinnenrag,

want dan zwaait er wat, zwaait
er wat.

 

Lied van vermiste kinderen

Een zonbeschenen plein. U heeft mij niet
begrepen. Nog eens: een zonbeschenen plein,
veel stof en voor wie het horen wil: een lied
dat zichzelf bezingt. Bomen. Geen fontein.

Dit is het plein, zonbeschenen en niet
voorzien van een fontein. Wel: het zingen
van vermiste kinderen. Maar dit is geen lied
dat in stilte ook de stilte kan bedwingen.

Ik besluit: een plein. Wijds en zonbeschenen,
veel stof en een onthutsend gebrek aan fontein.
Bomen. Een drietal. En kinderen die, verdwenen,

ontbeend, enkel het lied van een lied kunnen zijn.
Zo ook dit gedicht: een zonbeschenen plein,
het zingen en het zingend afwezig zijn.

 

Kamer zonder uitzicht

De slager naast Brazil zegt het al langer,
dus houdt het kort: “ik doe niet aan halal,
maar zo’n zwijnerij, geen rattenvanger
die daaraan wil beginnen”. De augiasstal

lokt nochtans “de meest voorname heren”,
verklaart ook mevrouw G., die de namen
bijhoudt. Niet dat ze zomaar wil beweren
het fi jne van de zaak te weten. De eenzame,

misogame dame heeft ze bovendien
niet op rij: “in de kampernoeliekwekerij,
meneer sjampetter, daar ligt onze Kristien,

het arme meisje, er stokstijfstilletjes bij”.
Hotel Brazil, waar de dag de vieze sokken
uittrekt, honger stilt met hondenbrokken.

leroy
Frédéric Leroy (Blankenberge, 2 december 1974)

 

De Amerikaanse schrijfster Ann Patchett werd geboren in Los Angeles op 2 december 1963. Zie ook alle tags voor Ann Patchett op dit blog.

Uit:Truth and Beauty

 “We knew things about Lucy the way one knows things about the private lives of movie stars, by a kind of osmosis of information. I do not remember asking or being told. It was simply passed through the air. Not only did we know about Lucy’s childhood, her cancer, her bravery, everyone in school knew that Lucy was the poet. Better than a very good college poet, she was considered by both teachers and hipsters to be a serious talent. She was always picked to give readings in the coffee shop on Parents’ Weekend. People pressed into the little room to listen, her voice as small as it was when she directed us to the emergency exits on Friday nights, but more self-confident.
“When I dream of fire,” she read, “you’re still the one I’d save / though I’ve come to think of myself / as the flames, the splintering rafters.”
As I sat in the audience, watching, I believed we had something in common even though I wrote short stories. People liked my work but had trouble remembering me. I was often confused with another writer named Anne who was in one of my classes, and with a girl named Corinna who lived downstairs from me. Unlike Lucy, I had a tendency to blur into other people. I had come to Sarah Lawrence from twelve years of Catholic school where we were not in the business of discovering our individuality. We dressed in identical plaid skirts, white blouses, saddle oxfords, and when we prayed, it was together and aloud. It was impossible to distinguish your voice from the crowd. There is an art to giving yourself over to someone else and as a group we mastered it. While Lucy had discovered that she was different from all the other children in her grade school because she was sick and was different from all the other children on the hospital’s cancer ward because she continued to survive, I had discovered I was so much like every other little girl in the world that it always took me a minute to identify my own face in our class photo. Still, I thought, in my shyness, my blurriness, it would not be so unreasonable to think that the famous Lucy Grealy and I could be friends. But when I waved to her in passing or said hello in the cafeteria, she would look at me blankly for a minute and then turn away as if we had never met. Once I stopped her at the window where we returned our trays and dirty dishes.
“My father and stepmother live in Los Angeles,” I said. “They invited a couple of the midshipmen from the Naval Academy over for Thanksgiving dinner and it turns out one of them went to high school with you. His name was Bobby something.”
She stared at me as if she could not possibly imagine why I was speaking to her. I made another stab at my story. “I guess Sarah Lawrence came up and they figured out we both went there, so he asked my parents to ask me to tell you hello.” I gave her a little smile but it went nowhere. “So, hello.”

patchett 
Ann Patchett (Los Angeles, 2 december 1963)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Hein (Hendrik Jan) Boeken werd geboren in Amsterdam op 2 december 1861. Zie ook alle tags voor Hein Boeken op dit blog.

Geloven

Wanneer ik nu in de oude bladen lees
En zie het wonder beeld-werk van die tijden,
Die nog voor ’t heil-begerig oog belijden
Een geloven, dat hoog boven werelds vrees

En hel en dood en wat het meeste dees
Tijden onteert: kil onverschillig lijden
Van weedom, hief tot ’t hoogste heil verbeiden,
Des dervend nu doolt menig hart als wees;

Dan voel ik in wie nu dichtste bij mij woont
Al schijnt ook de aard van heiligheid verlaten
En ’t schoonst verjaagd door ongeloof verwaten,

Dat toch de God, die in het diepst hart woont,
Nog niet verscheidde en licht me in ziele-pracht
Een eenzaam wacht-vuur, rondom donkre nacht.

 

O durige eredienst

O durige eredienst van kleine plichten
Gepleegd naar ’t levend voorschrift van de drang
Van mijn verlangend hart, waar dag niet lang
Nacht veel te kort voor valt, kon ‘k in ’t verrichten

Op dat denkbeeldig altaar, waar als lichten
Uwe ogen zijn, mijn zielsnood stijgt als zang
Van al onzichtbre koren en uw wang
En heilge slaap veel heilige gezichten

Vervangt en dierder onder ’t welfsel staat
Van mijn vervulde ziel dan in een kerk
Van stenen bouw al’ kostbaarst kerksieraad

Maken elk daadje tot zo’n innig werk
Dat wat nu, ach, is schijn van vluchtige uren
Een hemel werd, die de eeuwen kon verduren.

boeken
Hein Boeken (2 december 1861 – 19 oktober 1933)
Portret door Willem Witsen, ca. 1892

 

De Amerikaanse schrijver Thomas Coraghessan Boyle werd geboren op 2 december 1948 in Peekskill, New York. Zie ook alle tags voor T. C. Boyle op dit blog.

Uit: The human Fly (The Love Of My Life)

“They wore each other like a pair of socks. He was at her house, she was at his. Everywhere they went—to the mall, to the game, to movies and shops and the classes that structured their days like a new kind of chronology—their fingers were entwined, their shoulders touching, their hips joined in the slow triumphant sashay of love. He drove her car, slept on the couch in the family room at her parents’ house, played tennis and watched football with her father on the big thirty-six-inch TV in the kitchen. She went shopping with his mother and hers, a triumvirate of tastes, and she would have played tennis with his father, if it came to it, but his father was dead. “I love you,” he told her, because he did, because there was no feeling like this, no triumph, no high—it was like being immortal and unconquerable, like floating. And a hundred times a day she said it too: “I love you. I love you.”
They were together at his house one night when the rain froze on the streets and sheathed the trees in glass. It was her idea to take a walk and feel it in their hair and on the glistening shoulders of their parkas, an otherworldly drumming of pellets flung down out of the troposphere, alien and familiar at the same time, and they glided the length of the front walk and watched the way the power lines bellied and swayed. He built a fire when they got back, while she toweled her hair and made hot chocolate laced with Jack Daniel’s. They’d rented a pair of slasher movies for the ritualized comfort of them—“Teens have sex,” he said, “and then they pay for it in body parts”—and the maniac had just climbed out of the heating vent with a meat hook dangling from the recesses of his empty sleeve, when the phone rang.
It was his mother, calling from the hotel room in Boston where she was curled up—shacked up?—for the weekend with the man she’d been dating. He tried to picture her, but he couldn’t. He even closed his eyes a minute, to concentrate, but there was nothing there. Was everything all right? she wanted to know. With the storm and all? No, it hadn’t hit Boston yet, but she saw on the weather channel that it was on its way. Two seconds after he hung up—before she could even hit the START button on the VCR—the phone rang again, and this time it was her mother. Her mother had been drinking. She was calling from a restaurant, and China could hear a clamor of voices in the background. “Just stay put,” her mother shouted into the phone. “The streets are like a skating rink. Don’t you even think of getting in that car.”

boyle
 T. C. Boyle (Peekskill, 2 december 1948)

 

De Amerikaanse schrijver George Saunders werd geboren op 2 december 1958 in Chicago. Zie ook alle tags voor George Saunders op dit blog.

Uit: Lincoln in the Bardo

 “Mouth at the worm’s ear, Father said:
We have loved each other well, dear Willie, but now, for reasons we cannot understand, that bond has been broken. But our bond can never be broken. As long as I live, you will always be with me, child.
Then let out a sob
Dear Father crying  That was hard to see  And no matter how I patted & kissed & made to console, it did no
You were a joy, he said. Please know that. Know that you were a joy. To us. Every minute, every season, you were a—you did a good job. A good job of being a pleasure to know.
Saying all this to the worm!    How I wished him to say it to me    And to feel his eyes on me    So I thought, all right, by Jim, I will get him to see me And in I went It was no bother at all    Say, it felt all right   Like I somewhat belonged in
In there, held so tight, I was now partly also in Father
And could know exactly what he was
Could feel the way his long legs lay   How it is to have a beard    Taste coffee in the mouth and, though not thinking in words exactly, knew that
the feel of him in my arms has done me good. It has. Is this wrong? Unholy? No, no, he is mine, he is ours, and therefore I must be, in that sense, a god in this; where he is concerned I may decide what is best. And I believe this has done me good. I remember him. Again. Who he was. I had forgotten some- what already. But here: his exact proportions, his suit smelling of him still, his forelock between my fingers, the heft of him familiar from when he would fall asleep in the parlor and I would carry him up to—
It has done me good.
I believe it has.
It is secret. A bit of secret weakness, that shores me up; in shoring me up, it makes it more likely that I shall do my duty in other matters; it hastens the end of this period of weakness; it harms no one; therefore, it is not wrong, and I shall take away from here this resolve: I may return as often as I like, telling no one, accepting whatever help it may bring me, until it helps me no more.”

saunders
George Saunders (Chicago, 2 december 1958)
Chicago in de adventstijd

 

De Duitse schrijver Botho Strauß werd geboren op 2 december 1944 in Naumburg an der Saale. Zie ook alle tags voor Botho Strauß op dit blog.

Uit: Drüben

„Hier hat sie sich ein Zimmer ausgesucht, schon vorsorglich einen Platz reserviert, für später einmal. Sie meint, von dort werde sie dann – später einmal! – auf das Haus hinübersehen, in dem sie mehr als ihr halbes Leben zugebracht hat, auf die Fenster der vierten Etage zurückblicken, in der sie mit ihrer Mutter, ihrem Mann, den aufwachsenden Kindern so lange gewohnt hat. Sie würde sich auch bemühen, die Menschen, die nach ihr dort einzögen, kennen zu lernen und einen Kontakt zu ihnen zu finden. Aber das hat alles noch eine Weile Zeit. Später einmal, wenn sie die Treppen nicht mehr wird steigen können. Drüben gibt es einen Aufzug.
Sie sind jetzt über eine Stunde zu spät. Die alte Frau kann sich nicht mehr in Geduld fassen. Es könnte ihnen schließlich etwas zugestoßen sein. So weit ist der Weg doch nicht, selbst bei zähem Verkehr, sie müssten längst hier sein.
Aber sie haben sich gar nicht auf den Weg gemacht zu ihr. Die Tochter und ihr Mann haben die Einladung bei der Mutter einfach vergessen. Sie sind unter Mittag ein Stück ins Land hinausgefahren, haben Freunde besucht und sitzen nun zusammen in einem Gartenrestaurant bei Kaffee und Kuchen. Die Freunde haben noch zu einem Umtrunk in die Wochenendhütte eingeladen, da fällt es nun doch der Tochter ein, siedend heiß, sagt man wohl, dass sie bei der Mutter erwartet werden. So wie die Stimmung aber ist hier draußen, endlich aufgeräumt und unbeschwert, und endlich Sonne!, da sträubt
sich bei ihr alles, jetzt noch aufzubrechen, nach Haus zu fahren und sich zur Mutter in die stickige Wohnung zu setzen. Ihrem Mann ist es noch weniger recht, und so wird er zum Telefon geschickt, um eine Ausrede zu finden und abzusagen.
Die alte Frau sucht unterdessen in allen Zimmern nach ihrem Portemonnaie. Aus irgendeinem Grund fiel ihr plötzlich ein, dass sie der Tochter noch zwanzig Mark mitgeben muss für den Glaser. Da klingelt das Telefon. Der Schwiegersohn spricht von auswärts und entschuldigt sich. Sie seien gerade dabei, sich eine Eigentumswohnung anzusehen. Die Frau sagt ein wenig ungewiss: .Na, dann beeilt euch mal nicht.\” Der Mann setzt nun vorsichtig nach und meint, sie möge nicht länger warten, es würde heute wohl nichts mehr mit dem Kaffee … .Ach so\”, sagt die Alte still, und sie verabschieden sich.
Sie steht eine Weile auf dem dunklen Flur. Sie stützt beide Arme in die Hüfte und blickt auf den Läufer. Das Portemonnaie ist noch im Einkaufsbeutel! Tatsächlich findet sie es dort, nimmt zwanzig Mark heraus und legt sie unter den Kristallaschenbecher auf dem Garderobentisch.“

strauss
Botho Strauß (Naumburg, 2 december 1944)

 

De Franse schrijver Jacques Lacarrière werd geboren op 2 december 1925 in Limoges. Zie ook alle tags voor Jacques Lacarrière op dit blog.

Uit: Marie d’Egypte

“Que le fantôme de sainte Marie lEgyptienne (que pour ma part j’ai toujours appelée Marie d’Egypte, Marie des sables, Marie des buffles, Marie des lions) ressurgisse périodiquement du désert pour venir hanter notre époque, voilà qui devrait rassurer tous ceux qui déplorent le matérialisme insolent de ce siècle. Car on ne saurait imaginer genre de vie ni aspiration plus contraires à tout ce que notre époque adore et adule. Passer sa vie dans un trou du désert, y vivre enfouie comme une taupe pour juguler les désirs comme les remords du corps et aspirer à un état quasi angélique, voilà qui ne ressemble guère aux préoccupations d’aujourd’hui, voilà qui ne figure dans aucun projet de société, fût-elle religieuse, fût-elle même intégriste. Etre intégriste aujourd’hui consiste à violer les êtres et violenter le monde, faute de pouvoir le changer. Etre intégriste au W siècle après J.-C. – si tant est que ce mot ait pu avoir un sens à cette époque – consistait au contraire à s’éloigner du monde, le refuser, le fuir parce qu’on l’estimait corrompu et condamné à une fin imminente. Ainsi, l’existence de Marie l’Egyptienne a beau être incroyable et même très improbable, elle n’en est pas moins devenue une des figures exemplaires de l’Orient chrétien. Je crois qu’il y a à cela deux raisons principales. La première, c’est que l’itinéraire de Marie, qui passe en droite ligne de la débauche à l’ascétisme, « court-circuitant » en un saisissant raccourci l’itinéraire habituel et progressif des repentants et des renonçants, fournissait un exemple spectaculaire des pouvoirs de Dieu. Chacun conviendra en effet qu’il est plus difficile, même quand on est Dieu, de susciter une sainte à partir d’une prostituée notoire qu’à partir d’une noble dame romaine aux moeurs irréprochables, comme ce fut le cas de la plupart des femmes chrétiennes qui partirent alors au désert. Plus l’écart est grand entre la base et le sommet, entre le point de départ et le point d’arrivée, et plus sont manifestes les miracles opérés par Dieu. Dans le cas de Marie, le modèle répond si bien à ce schéma, répond si bien à la demande, qu’on ne peut s’empêcher de penser : si Marie lEgyptienne n’avait pas existé, il aurait fallu l’inventer I Et, de fait, elle fut inventée, un siècle et demi après sa vie et sa mort supposées, par un certain Sophronios, auteur d’une Vie de sainte Marie Egyptienne pénitente et qui écrit textuellement dans le prologue : « On ne doit pas appréhender d’ajouter foi à ce que je vais écrire par l’étonnement que donneront des actions si extraordinaires. » Car « il y a de la gloire à publier les oeuvres de Dieu »

Jacques Lacarrière
Jacques Lacarrière (2 december 1925 – 17 september 2005)
Cover

 

De Griekse dichter en schrijver Iakovos Kambanellis werd geboren op 2 december 1922 in Hora op het eiland Naxos. Zie ook alle tags voor Iakovos Kambanellis.

Uit: Die Freiheit kam im Mai (Vertaald door Elena Strubakis)

 „Wir fahren seit Tagesanbruch in Güterwaggons. Es ist stockfinster. Die meisten von uns haben bereits vierzig Tage Einzelhaft und ebenso vier Monate in einem kleinen Lager in der Nähe von Simmering verbracht. Dort war auch ein Jude gewesen. Die SSIer hatten einen offenen Kreis um ihn gebildet und ihm zugeschrien: „Ball!” Der Jude hatte zu laufen begonnen, vom einen zum anderen, und sie hatten ihn gegen die Beine, in den Bauch, in die Rippen, gegen den Kopf getreten. Das Fußballspiel hatte geendet, als der „Ball” im Schlamm aus Erde und Blut reglos liegen geblieben war. Als sie es überdrüssig geworden waren, jeden Tag dasselbe Spiel zu spielen, ertränkten sie ihn in einem Fluss, der von Kanälen gespeist wurde. Der Zug, in dem wir transportiert werden, hält in vielen Stationen. Die anderen Waggons sind reguläre Waggons. Aus demselben Zug steigen Reisende aus. Andere steigen ein. Sie sprechen leise und wir drücken die Ohren an die Wände. Wir hören Gespräche solcher Art: Eine Frau: „Sag der Helga, dass sie sich nicht um den Schirm sorgen soll.” Ein Mann: „Habe ich das Restgeld von der Theke genommen? Ah ja, hier ist esl” Ein anderer Mann: „Habt ihr noch anderes Gepäck?” Ein anderer Mann: „Das ist alles, danke.” Ein anderer Mann: „Halt, mein Herr! Mein Name ist Gandert… Gute Reise!” Eine andere Frau: „Helmut, verkauf mich nicht für dumm…” Der Mann: „Unsinn, am Sonntag werde ich zurück sein.” Wir hören alle Anweisungen und die Pfiffe der Bahnhofsvorsteher, aber wir verstehen weder, wo wir sind, noch, wohin wir fahren. Wir halten wieder. Sie entriegeln die Schiebetüren und öffnen sie. Es ist noch Tag. Die Sonne scheint uns direkt ins Gesicht und blendet uns. Aber besser so. Die Station ist klein, provinziell, umgeben von Bäumen, abgeriegelt von der der SS. Der Offizier ersucht die Reisenden, die aussteigen, schnell weiter zu gehen. Und er ersucht jene, die bereit dazu sind, in den Zug zu steigen, ein wenig zu warten. Die Übernahme durch die SS von Mauthausen erfolgt namentlich. Wir stellen uns in Fünferreihen auf.“

Kambanelis
Iakovos Kambanellis (2 december 1922 – 29 maart 2011)

 

De Amerikaanse schrijver Eric L. Harry werd geboren op 2 december 1958 in Ocean Springs, Mississippi. Zie ook alle tags voor Eric L. Harry op dit blog.

Uit: Pandora: Outbreak

 “The sound of the zipper on Emma Miller’s tent woke her with a start. Cold air flooded in. Backlit in dim starlight she saw a man, his breath fogged. Her heart raced as she fumbled for her flashlight … and found her pistol. “Who’s there?” She flicked the light on. It was the blond Russian soldier who had saved her life hours earlier. His pupils were black and unresponsive. “Stop!” He said nothing. She kicked at him. “Stop-stop!” He crawled atop her. She dropped the flashlight while flicking the pistol’s safety off. Barn! In the flash, his head rocked back with a hole in his brow. Sgt. Sergei Travkin collapsed heavily onto Emma’s shins. “Oh-my-God!” A knife stabbed her tent and sliced it open. Men hoisted Emma—whimpering before she thought to hold her breath—into the shockingly cold air. The ever sober young scientist loosed an animal sound. “Noon! Nor’ Someone wrenched from her grip the pistol Travkin had given her after being infected. The pistol with which she had killed him. Emma’s sobs merged with her shivering. Anonymous men clad in personal protective equipment unzipped her blue jeans and yanked. Goosebumps sprang from bare thighs. A bright lantern blinded her. Her jeans snagged at each ankle. “St0000p!” she screamed. “P-Please!” Buttons popped off her blouse. “Wait!” An ugly knife sliced through the front of her bra. She covered her breasts. Gloved fingers found the elastic of her panties. She clamped her knees together and stooped in a futile attempt at modesty. Her teeth clenched against an overpowering chatter. She shook from the cold, from the shock of killing a man and from the incapacitating terror at what may lie ahead. “Would … somebody … ?” Frigid spray stung her midriff. She doubled over with a grunt. Three men in gowns, hoods, boots, and gloves sprayed disinfectant through a wand, pumped a cylinder like an exterminator, and scrubbed her roughly with a brush at the end of a telescoping pole. She willed herself to stand upright, raising quivering arms and turning circles in place, as soldiers rolled Emma’s tent into a single biohazard bundle. Travkin’s dilated pupils hadn’t contracted even in the brilliance of her flashlight. Did he infect me? Noxious liquid burned her eyes and fouled her mouth. Despite its awful taste, she swished, gargled, and spat. The pool brush scraped at her hair. She grabbed it and used it to scrub her head and face herself. “He wouldn’t stop!” she shouted before coughing and spitting. He never got closer than my knees. Maybe I’m okay? Soldiers hoisted the impermeable crimson bag, covered in prickly black biohazard symbols, by loops at its corners and carried away her tent, parka, and backpack along with Travkin’s remains. The faint rays of her flashlight shone blood-red through its plastic. Buckets of cold water cascaded over her head. “Jee-zus!” One after another. “Aaaaw!”

harry
Eric L. Harry (Ocean Springs, 2 december 1958)