Dolce far niente, Margroet Spoelstra, Hugo Brandt Corstius, Elma van Haren, Oliver Wendell Holmes Sr.

Dolce far niente

 


Zomerraam door Stanislav Joukovski, ca. 1930

 

Seizoenen

Ik sprokkel late stukjes
zomer in fragmenten
geel. De lente laat ik heel.
Het schuchter groen – nog nooit
kon ik wat aarzelt breken.

Jouw geur vleugt onvergeten door het gras.
Weet jij de bomen nog? En nog
waarom het was dat ooit
de herfst begon en onze dromen
met de vogels weken?

Nee, spreek niet van de winter –
het wordt nacht – de winter wacht wel
want de tijd beweegt zich
zonder haast nu
van ons af.

Kom, sluit je ogen en vergeet
voor even alle storm, de kou
en laat het donker aan voorbije dagen
en laat de zon aan wat niet meer zal zijn.
Ik open de gordijnen.

Dan, in het strijklicht van de maan,
herken ik je
en heb ik je
nog even
lief.

 

 
Margreet Spoelstra (Vrouwenpolder, 1952)
Vrouwenpolder, de geboorteplaats van Margreet Spoelstra

 

De Nederlandse schrijver en wetenschapper Hugo Brandt Corstius werd geboren in Eindhoven op 29 augustus 1935. Zie ook alle tags voor Hugo Brandt Cortius op dit blog.

Uit: Taal

“Als er een goed geschreven boek over ademhalingstechnieken zou verschijnen, lijkt het me waarschijnlijk dat ik vóór het eind bereikt te hebben gestikt ben. Een dergelijk effect heeft Edward Sapir’s Language. In de hoofdstukken die de zinsconstructie behandelen is het zwaar lezen omdat men op iedere zin de theorie gaat toepassen en de zin van de zin de lezer dus ontgaat. Bij andere hoofdstukken kunt u beter uit de buurt van medemensen blijven omdat u verplicht bent hottentotse woordcombinaties uit te spreken.
Ondanks deze moeilijkheden is het klassieke boek van Sapir over de taal uiterst lezenswaardig. Het is geen gewoonte herdrukken te bespreken, maar de verschijning in de Harvest Books-reeks verdient wel een vermelding omdat dit nog steeds het boek is dat iedereen lezen moet die belangstelling voor ‘taal’ heeft. En wie heeft dat niet? Er was een tijd dat de taalwetenschap een typische lekenwetenschap was, een hobby voor de avonduren. De etymologie is er nog niet geheel van bekomen. Zo’n algemene belangstelling heeft zeker zijn goede zijden, al was het maar om Hillenius de gelegenheid te geven een nieuwe theorie te ontwikkelen, maar er zijn ook nadelen in de vorm van allerlei roestige misverstanden. De werkwijze van Sapir is dat hij in elk hoofdstuk begint met de bestrijding van allerlei misvattingen. Na deze zuivering kan hij dan zijn gang gaan. Het negatieve bestanddeel is zeker niet het onbelangrijkste gedeelte: taal heeft geen onomatopeïsche oorsprong, er bestaat geen hierarchie in de talenverzameling, de taal is geen uiting van het nationaal temperament, taal, ras en cultuur zijn begrippen die niet corresponderen. Zijn Duitse jeugd en de kennis van alle oorspronkelijke Indianentalen verhinderen Sapir niet om dit in buitengewoon helder Engels uiteen te zetten.
Het positieve blijft niet achterwege: de definitie van taal, de spraakelementen, de fonetiek, de grammatica, de syntaxis, de verandering van een taal, de wederzijdse beïnvloeding, literatuur en taal, al deze onderwerpen worden door Sapir behandeld op een wijze die nu na dertig jaar nog steeds in grote trekken aanvaardbaar is.
Eén probleem blijft onopgelost: Hoe komen we aan onze taal? We kennen dank zij Sapir een aantal manieren waarop het zeker niet gegaan is, maar hoe het wel ging is nog duister.
Deze vraag is door speculatie niet op te lossen. De toch niet onverstandige Simon Stevin kwam door bespiegelingen tot de conclusie dat er in het paradijs Nederlands werd gesproken. Alleen de empirische methode kan hier baat brengen.”

 
Hugo Brandt Corstius (29 augustus 1935– 28 februari 2014)

 

De Nederlandse dichteres en beeldend kunstenares Elma van Haren werd geboren in Roosendaal op 29 augustus 1954. Zie ook alle tags voor Elma van Haren op dit blog.

Twee mannen

In krullen vleien zich de herinneringen vast
aan deze man, die anders is, meer doet denken aan.
– Eén kant verdampt al,
een gedaante, lopend door kokende regen.
Nu hij zijn rechterbeen vooruit zet,
vervaagt het been.
Zijn arm wordt bleekgroen,
alsof je door een beslagen ruit kijkt,
waarover druppels lopen.
Een spoor, een staart
van dun water achter zich aan,
het zaad van die man of het haar van die man,
half uit water, half uit vlees,
als een droom over een man.
Hij is gemaakt van schuim, vol blonde haartjes,
die op zijn voeten beginnen, omhoog,
tot aan de grens waar hij zich scheert –
Maar deze man is donker en duidelijk aanwezig.
’s Ochtends heft hij zijn gewichten, hij is naakt en
laat zijn spieren bewegen.
Dan komt de herinnering binnen rollen,
omkrullend door de zon,
verbleekt, blond.

De één heeft iedere band met de mensen verbroken.
Hij is onverstoorbaar in zijn onrust,
een schildpad,
een eiland op weg naar de zee.
De ander haalt de mensen bij zich binnen
met woorden als haken.
In hem staat een kind, dat roept naar de volwassenen.
Het kijkt naar hen op en roept, U, U

 
Elma van Haren (Roosendaal, 29 augustus 1954)
Roosendaal

 

De Amerikaanse dichter, schrijver, arts en hoogleraar Oliver Wendell Holmes Sr. werd geboren in Cambridge op 29 augustus 1809. Zie ook alle tags voor Oliver Wendell Holmes Sr. Op dit blog.

Sun And Shadow

As I look from the isle, o’er its billows of green,
To the billows of foam-crested blue,
Yon bark, that afar in the distance is seen,
Half dreaming, my eyes will pursue:
Now dark in the shadow, she scatters the spray
As the chaff in the stroke of the flail;
Now white as the sea-gull, she flies on her way,
The sun gleaming bright on her sail.

Yet her pilot is thinking of dangers to shun,–
Of breakers that whiten and roar;
How little he cares, if in shadow or sun
They see him who gaze from the shore!
He looks to the beacon that looms from the reef,
To the rock that is under his lee,
As he drifts on the blast, like a wind-wafted leaf,
O’er the gulfs of the desolate sea.

Thus drifting afar to the dim-vaulted caves
Where life and its ventures are laid,
The dreamers who gaze while we battle the waves
May see us in sunshine or shade;
Yet true to our course, though the shadows grow dark,
We’ll trim our broad sail as before,
And stand by the rudder that governs the bark,
Nor ask how we look from the shore!

 
Oliver Wendell Holmes Sr. (29 augustus 1809 – 7 oktober 1894)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e augustus ook mijn blog van 29 augustus 2017 en ook mijn blog van 29 augustus 2016 en ook mijn blog van 29 augustus 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Johann Wolfgang von Goethe, Maria Barnas, A. Moonen, C. J. Kelk, Frederick Kesner, Rita Dove, John Betjeman, Elmar Schenkel, Harro Harring

De Duitse dichter en schrijver Johann Wolfgang von Goethe werd geboren op 28 augustus 1749 in Frankfurt am Main. Zie ook alle tags voor Johann Wolfgang von Goethe op dit blog.

Uit: Faust I

DER HERR:
Hast du mir weiter nichts zu sagen?
Kommst du nur immer anzuklagen?
Ist auf der Erde ewig dir nichts recht?
Mephistopheles:
Nein Herr! ich find es dort, wie immer, herzlich schlecht.
Die Menschen dauern mich in ihren Jammertagen,
Ich mag sogar die armen selbst nicht plagen.
DER HERR:
Kennst du den Faust?
MEPHISTOTELES:
Den Doktor?
DER HERR:
Meinen Knecht!
MEPHISTOTELES:
Fürwahr! er dient Euch auf besondre Weise.
Nicht irdisch ist des Toren Trank noch Speise.
Ihn treibt die Gärung in die Ferne,
Er ist sich seiner Tollheit halb bewußt;
Vom Himmel fordert er die schönsten Sterne
Und von der Erde jede höchste Lust,
Und alle Näh und alle Ferne
Befriedigt nicht die tiefbewegte Brust.
DER HERR:
Wenn er mir auch nur verworren dient,
So werd ich ihn bald in die Klarheit führen.
Weiß doch der Gärtner, wenn das Bäumchen grünt,
Das Blüt und Frucht die künft’gen Jahre zieren.
MEPHISTOTELES:
Was wettet Ihr? den sollt Ihr noch verlieren!
Wenn Ihr mir die Erlaubnis gebt,
Ihn meine Straße sacht zu führen.
DER HERR:
Solang er auf der Erde lebt,
So lange sei dir’s nicht verboten,
Es irrt der Mensch so lang er strebt.
MEPHISTOTELES:
Da dank ich Euch; denn mit den Toten
Hab ich mich niemals gern befangen.
Am meisten lieb ich mir die vollen, frischen Wangen.
Für einem Leichnam bin ich nicht zu Haus;
Mir geht es wie der Katze mit der Maus.
DER HERR:
Nun gut, es sei dir überlassen!
Zieh diesen Geist von seinem Urquell ab,
Und führ ihn, kannst du ihn erfassen,
Auf deinem Wege mit herab,
Und steh beschämt, wenn du bekennen mußt:
Ein guter Mensch, in seinem dunklen Drange,
Ist sich des rechten Weges wohl bewußt

 
Johann Wolfgang von Goethe (28 augustus 1749 – 22 maart 1832)
Faust und Mephisto im Kerker door Joseph Fay, 1848

 

De Nederlandse schrijfster, dichter en beeldend kunstenaar Maria Barnas werd geboren in Hoorn op 28 augustus 1973. Zie ook alle tags voor Maria Barnas op dit blog.

 

Het regent op het Frederiksplein

Ze staat aan de rand van wat er staat
te gebeuren en omringende bomen verstarren

rechtop. Ze vouwt beloften aan anderen
op en spuugt twee woorden in het resolute

witte water. Een hond springt
over de rand als het begint

te regenen in de fontein.
Liefde had ermee te maken

maar het is alleen de taal die neigt.
En neigen blijft.

Fonteinen maken vergelijkbare gebaren
en de hond schudt zich nog uit zijn vacht

als dit zo door blijft gaan. Haar hand aarzelt
en waar haar woorden het water raken

beginnen twee honden te dagen.
Een zonder vacht de ander zonder hart.

 

Er staat een stad op

Vanaf de hoogste verdieping de stad in.
Beneden razen de straten van Buenos Aires.

De stad waar alles goed komt.

Ze nemen je mee in hoeken
van negentig graden. Maar het waait hier

schaduwen en het wentelt kiezelstenen
gebouwen. Er is er één

met een hart van geschaafde rode steen.

En om niet te zien hoe een hart zich uitstort
ga je naar beneden. Hou je schaduw bij je.

De rode zoom langs je hals mondt uit
in een rode rivier. Denk waterval.

Watervallen.

De klep van een piano slaat een huis stevig dicht.
Mept een gebouw tegen de muur.

In de lift struikel je over de drempel uit een zeker huis.
Een plafond van sterren stijgt.

Zo storten twintig verdiepingen. Languit.
Er staat een stad op.

 
Maria Barnas (Hoorn, 28 augustus 1973)

 

De Nederlandse schrijver A. Moonen, (spreek uit: ‘a-punt-moonen’) werd geboren in Rotterdam op 28 augustus 1937. Zie ook alle tags voor A. Moonen op dit blog.

Uit: Eigen weg

“Voor verdere natuurbeschrijvingen sleept u maar enkele muffe streekromans onder uw keurige nest vandaan.
In de verdere loop der dag zal de serene stilte wel overstemd worden door bovenal een zwarte groeperingskliek met vetspekkig overzees oerwouddialect, vermoedelijk afkomstig uit Senegal en omstreken, een niet door mij thuis te brengen kreetlachtaaltje door voornamelijk manspersonen, soms begeleid via geboor en gehamer hunnerwege of andere buurtbevuilers, waar ik tijdens ‘genezingsproces’ de ganse zomer nogal nerveus – tegen overspanning aan – door raakte en slechts een ondernomen fietstocht bij schaars zonnig weertype afweer aan kon bewerkstelligen.
Ik fietste er een halfuurtje over om Kralingen te bereiken. Mij ontbloot te presenteren op toegestaan naaktrecreatiegedeelte der Kralingse plas begint zowaar een liefhebberij te worden. Rond een uur of halftwaalf op een eindelijk eens zonnige zondag bleek ’t nog vrij rustig, en waar ik mij bevond, zittend op een bankje met vóór mij een strook nat strandzand en in de verte enkele zeilscheepjes over wijdse plas varend, ontdaan mijner kleren, was ik de enige naturist. Mijn vreugdebron zwol geleidelijk aan tot volle stramme wasdom, bewoog brutaal van plezier met vurige, flinke kop. De stille omgeving leek speciaal voor mijn persoon ontworpen. Ge zou er zo een bordje eigen weg plaatsen. Soms werd de zon overwolkt. Bespiedde iemand mij links in het struikgewas? Teleurgesteld soms dat ik geen elfjarige ruige knaap betrof? Toch bleef ik niet langer dan een halfuur, kleedde mij weer aan en ondernam een fietstocht door het bos. Snoof de geur van lover en moeder aarde op.
Een week eerder had ik op het naaktgrasstrandje gelegen, bracht het zelfs zover dat een Marokkaan van middelbare leeftijd, zelf aangekleed zijnde, me nabijgekomen begon te aanschouwen. Net als bij mijn nog in z’n vaderland verblijvende vaste partner scheen m’n witte lichaam prikkelend op hem te werken, al waren er verderop tevens platte damesreten plus bungelende uiers te zien. Er volgde rap een afspraak ter samenvoeging in het bos. Hij popelde van ongeduld, leek me publiekelijk reeds te willen bespringen. Terwijl ik mij rustig begon aan te kleden, zag ik hem naast zijn fiets staan wachten op rijwielpad met achter hem zondaggangers over voetgangersgedeelte lopend, zich vergapend aan onverhoeds en door veler verrassing toegestane blootlijvigheid der geringe schaamtelozen in hun ogen waarschijnlijk. Een groepje jeugdige Marokkanen lachte mij samenzwerend toe; het afspraakje was hen op korte afstand van het nog overleggende duo niet ontgaan. Het tweetal zocht fietsend ’t bos af voor een geschikte plek. Fietsen tegen een boom.”


A. Moonen (28 augustus 1937 – 24 januari 2007)
Cover

 

De Nederlandse dichter, schrijver, letterkundige en literatuurcriticus Cornelis Jan (Cees) Kelk werd geboren in Amsterdam op 28 augustus 1901. Zie ook alle tags voor C. J. Kelk op dit blog.

 

Diana

In ’t najaar aangeland en zelf tot herfst geworden
vol spinnewebben, vocht en rottend loof,
ontwaar ‘k eerst nu de ondoorwaadbre kloof,
die mij gescheiden hield van Diana’s naakte horden.

De pijlen, die zij op zoo menig hert verschoten
snorden mijn levenlooze droom voorbij.
Hier kruipt een siepelend vocht door de vallei
en ginds aan d’overzij hoor ik ’t trappelen van de pooten.

Zij vluchten in het woud, maar worden toch gevangen
en vrouwen drukken ze aan haar boezems rijk.
Straks staan hun koppen op een disch te prijk,
waar zwoele monden hun de bouten prangen.

O zoo geschoten zijn, gejaagd en overwonnen,
o zoo te sterven aan het druppelende bloed,
maar toch ééns lust te zijn, verzadiging en gloed,
hoe snel ook al het vloeiende is geronnen!

Diana spant haar boog, haar benden volgen,
de herten tuimelen en het woud weerschalt!
Wanneer de nacht van blad en regen valt,
is reeds de buit gebraden en verzwolgen.

Die toch zijn hert geweest met trillende geweien
zonder ontkomen aan het mannelijke lot.
Getroff’nen van ’t godinnelijke schot
bleef niets hun over dan zich nedervlijen.

Nu zelf een herfst, in ’t najaar aangeland
vol spinnewebben, vocht en rottend loover,
doorschouw ik pas de onvervangbre toover
van ’t goddelijk jachtbedrijf aan de overkant.

 


C. J. Kelk (28 augustus 1901 – 25 december 1981)
Hier op het boekenbal in 1964

 

De Australische dichter Frederick Kesner III werd geboren op 28 augustus 1967 in Manilla op de Filippijnen Zie ook alle tags voor Frederick Kesner op dit blog.

 

To Write

often it is the only
etched thing
between you and
improbability.
no stink kicked up,
no feigning love,
no affluence
can
hatch it.

 

One Child

Child of the outside
on the inside
one foot out
one foot in
never belonging
never apart

Child of the inside
on the outside
one foot in
one foot out
never apart
never belonging

Child of both sides
on neither side
both feet out
both feet in
never apart
never a part

Heart & soul divided
Mind & hands confused
Ears & nose demanding
Eyes & tongue confiding
Child of both
Child of none

 
Frederick Kesner (Manilla, 28 augustus 1967)
Manilla

 

De Amerikaanse schrijfster en dichteres Rita Frances Dove werd geboren op 28 augustus 1952 in Akron, Ohio. Zie ook alle tags voor Rita Dove op dit blog.

 

The Canefields

There is a parrot imitating spring
in the palace, its feathers parsley green.
Out of the swamp the cane appears
to haunt us, and we cut it down. El General
searches for a word; he is all the world
there is. Like a parrot imitating spring,
we lie down screaming as rain punches through
and we come up green. We cannot speak an R—
out of the swamp, the cane appears
and then the mountain we call in whispers Katalina.
The children gnaw their teeth to arrowheads.
There is a parrot imitating spring.
El General has found his word: perejil.
Who says it, lives. He laughs, teeth shining
out of the swamp. The cane appears
in our dreams, lashed by wind and streaming.
And we lie down. For every drop of blood
there is a parrot imitating spring.
Out of the swamp the cane appears

 

November For Beginners

Snow would be the easy
way out—that softening
sky like a sigh of relief
at finally being allowed
to yield. No dice.
We stack twigs for burning
in glistening patches
but the rain won’t give.

So we wait, breeding
mood, making music
of decline. We sit down
in the smell of the past
and rise in a light
that is already leaving.
We ache in secret,
memorizing

a gloomy line
or two of German.
When spring comes
we promise to act
the fool. Pour,
rain! Sail, wind,
with your cargo of zithers!


Rita Dove (Akron, 28 augustus 1952)

 

De Engelse dichter en literatuurcriticus Sir John Betjeman werd geboren in Londen op 28 augustus 1906. Zie ook alle tags voor John Betjeman op dit blog.

 

How To Get On In Society

Phone for the fish knives, Norman
As cook is a little unnerved;
You kiddies have crumpled the serviettes
And I must have things daintily served.

Are the requisites all in the toilet?
The frills round the cutlets can wait
Till the girl has replenished the cruets
And switched on the logs in the grate.

It’s ever so close in the lounge dear,
But the vestibule’s comfy for tea
And Howard is riding on horseback
So do come and take some with me

Now here is a fork for your pastries
And do use the couch for your feet;
I know that I wanted to ask you-
Is trifle sufficient for sweet?

Milk and then just as it comes dear?
I’m afraid the preserve’s full of stones;
Beg pardon, I’m soiling the doileys
With afternoon tea-cakes and scones.

 

Business Girls

From the geyser ventilators
Autumn winds are blowing down
On a thousand business women
Having baths in Camden Town

Waste pipes chuckle into runnels,
Steam’s escaping here and there,
Morning trains through Camden cutting
Shake the Crescent and the Square.

Early nip of changeful autumn,
Dahlias glimpsed through garden doors,
At the back precarious bathrooms
Jutting out from upper floors;

And behind their frail partitions
Business women lie and soak,
Seeing through the draughty skylight
Flying clouds and railway smoke.

Rest you there, poor unbelov’d ones,
Lap your loneliness in heat.
All too soon the tiny breakfast,
Trolley-bus and windy street!

 
John Betjeman (28 augustus 1906 – 19 mei 1984)
Portret door Grahame Laver, 2003

 

De Duitse schrijver en vertaler Elmar Schenkel werd geboren in Hovestadt (Westfalen) op 28 augustus 1953. Zie ook alle tags voor Elmar Schenkel op dit blog.

Uit: Geisterzüge

„Auch die Gespenster sind nicht mehr das, was sie einmal waren oder vorgaben zu sein: neblige Gespinste, die aus der dunklen Nacht auftauchen oder ein kühler Hauch Jenseits in einer warmen Finsternis.
Die Ungeheuer, mögen sie auch dank special effects in den Kinos noch tier- oder menschenförmig weiterleben, haben längst ganz neue Gestalt angenommen: in technischen Großkatastrophen, im Börsenkrach oder als Terrorsysteme.
Die Gespenster (nicht die Mystik, wie Musil es sich wünschte) sind taghell geworden, je weiter die Technik voranschreitet und je mehr die analoge Welt von einer digitalen abgelöst wird. Das Flimmern, die unerklärliche Verdoppelung von Symbolen auf dem Bildschirm, der Computer, der sich nicht mehr ausschalten, das elektronische Wagenfenster, das sich nicht mehr per Hand öffnen lässt, sind nur die geringsten Beispiele einer Technik, die sich als eine Parallelwelt zu der unsrigen entwickelt hat und zu der wir nur mittels Helfer und Magier, die wir Spezialisten nennen, noch Zugang haben. Selbst Kfz-Mechaniker sind inzwischen auf sie angewiesen. Wenn Technik zurückschlägt, so nur auf eigenartig zufällige Weise, wie es einem Despoten entspricht.
Ernst Bloch hat einmal geschrieben, dass nicht die Aufklärung die Gespenster und den Aberglauben vertrieben habe, sondern schlicht und einfach das elektrische Licht: „Die Glühbirne im schattenarm gewordenen Zimmer hat die Anfechtungen des Nachtgrauens weit gründlicher geheilt als etwa Voltaire.“ Er hat recht, wenn er die alten Gespenster damit meint, jene lichtscheuen Gestalten aus den Dämmerungszonen der Welt und des Bewusstseins. Und doch hat Technik schon im Zeitalter der ersten industriellen Revolution es nicht vermocht, uns die Gespenster auszutreiben. Vielmehr haben diese es verstanden, sich in die neuesten Errungenschaften der Zeit einzunisten und sie sozusagen von innen her aufzulösen mit der Botschaft: ihr wisst nicht, wohin euch diese Maschinen tragen werden, keiner von euch weiß, in welche Richtung der Fortschritt geht. Auch Bloch gesteht schließlich ein, dass nach dem kostümierten Spuk der Vergangenheit uns noch weiterer und echter Spuk ins Haus steht in einer Welt, „deren Technik das Urböse geradezu ungeahnt elektrifiziert hat.“
Nirgendwo ist der Zweifel am Fortschritt sinnfälliger geworden als bei jener technischen Errungenschaft, die in ihren Auswirkungen noch am ehesten mit unserer digitalen Revolution vergleichbar ist.“


Elmar Schenkel (Hovestadt, 28 augustus 1953)

 

De Duitse dichter, schilder en revolutionair Harro Paul Harring werd geboren op 28 augustus 1798 op de Ibenshof in Wobbenbüll in Noord-Friesland. Zie ook alle tags voor Harro Harring op dit blog.

 

Der Bundestag

In Frankfurt, da sitzt der deutsche Bund
Und macht Verbote auf Verbote kund!

Das wird dem deutschen Bund recht schwer –
Denn er findet gar wenig zu verbieten mehr.

Drum stöbert er emsig in jedem Mist,
Wenn nur irgend was drin zu verbieten ist.

Und nächstens wird er mächtig schrei’n:
Es darf in den Straßen kein Pflaster sein!

Denn so lang’ das Volk auf’m Pflaster geht;
Eine Waff’ ihm noch zu Gebote steht.

Ein gefährlich’ Ding; – so’n Pflasterstein!
Drum muß das Pflaster verboten sein!

Der Bundestag fürchtet sich sehr vor’m Tod,
Drum arbeitet er – an dem Pflaster-Verbot.

 
Harro Harring (28 augustus 1798 – 15 mei 1870)
Portret door Hermann Wilhelm Bissen, 1820

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e augustus ook mijn blog van 28 augustus 2016 deel 2.

John Green, Drs. P, Marion Bloem, Pepijn Lanen, Stephen Fry, Ali Smith, Jorge Luis Borges, Johan Fabricius, Robert Herrick

De Amerikaanse schrijver John Green werd geboren in Indianapolis, Indiana, op 24 augustus 1977. Zie ook alle tags voor John Green op dit blog.

Uit: Turtles All The Way Down

“At the time I first realized I might be fictional, my weekdays were spent at a publicly funded institution on the north side of Indianapolis called White River High School, where I was required to eat lunch at a particular time—between 12:37 P.M. and 1:14 P.M.—by forces so much larger than myself that I couldn’t even begin to identify them. If those forces had given me a different lunch period, or if the tablemates who helped author my fate had chosen a differ­ent topic of conversation that September day, I would’ve met a different end—or at least a different middle. But I was beginning to learn that your life is a story told about you, not one that you tell.
Of course, you pretend to be the author. You have to. You think, I now choose to go to lunch, when that monotone beep rings from on high at 12:37. But really, the bell decides. You think you’re the painter, but you’re the canvas.
Hundreds of voices were shouting over one another in the cafeteria, so that the conversation became mere sound, the rushing of a river over rocks. And as I sat beneath fluorescent cylinders spewing aggressively artificial light, I thought about how we all believed ourselves to be the hero of some personal epic, when in fact we were basically identical organisms colo­nizing a vast and windowless room that smelled of Lysol and lard.
I was eating a peanut butter and honey sandwich and drinking a Dr Pepper. To be honest, I find the whole process of masticating plants and animals and then shoving them down my esophagus kind of disgusting, so I was trying not to think about the fact that I was eating, which is a form of thinking about it.
Across the table from me, Mychal Turner was scribbling in a yellow-paper notebook. Our lunch table was like a long­ running play on Broadway: The cast changed over the years, but the roles never did. Mychal was The Artsy One. He was talking with Daisy Ramirez, who’d played the role of my Best and Most Fearless Friend since elementary school, but I couldn’t follow their conversation over the noise of all the others.
What was my part in this play? The Sidekick. I was Daisy’s Friend, or Ms. Holmes’s Daughter. I was somebody’s something.
I felt my stomach begin to work on the sandwich, and even over everybody’s talking, I could hear it digesting, all the bacteria chewing the slime of peanut butter-the students inside of me eating at my internal cafeteria. A shiver con­ vulsed through me.“


John Green (Indianapolis, 24 augustus 1977)

 

De Nederlands-Zwitserse schrijver, tekstschrijver, componist, zanger en pianist Drs. P (eig. Heinz Hermann Polzer) werd geboren in het Zwitserse Thun op  24 augustus 1919. Zie ook alle tags voor Drs. P op dit blog.

 

Venus van Milo

Het schrijnt mij van mijn hart tot in mijn d
Ze is zo koud, en toch zo lief, zo licht
En haar gebrek vervult mij met erb
Och, kon ik haar slechts troosten en verw
Al was het met een incompleet gedicht.

 

Telescoop

Dit maal komt telescooprijm aan bod
Een bij ’t zien al te snappen methode
Om de tijd die u zwaar valt te doden
Doe dit niet met breedvoerige oden –
Volg de nieuwe verskunstige mode
Vindt u dit nog te moeilijk? Mijn God!

Men maakt zich boos op die neutronenbom
In Nederland, in ’t Kremlin, zelfs in Rome…
Zijn oorlogswapens, door de bank genomen
Dan iets waarbij je lekker weg kunt dromen?
Dus met of zonder – kome maar wat kome
En ’t komt er geen seconde later om.

Voor dichters ga ik zelden plat
Tentije, J.J.L. ten Kate
En nog een aantal kan ik haten
Of minstens ongelezen laten
Maar ik waardeer in hoge mate
Light verse, mits goed – als in dit blad.

 

Streekroman

‘Marie trekt naar de stad en wordt frivool.
Boer Teunis stopt de kousen, zorgt voor pap.
De achterlijke Wobbe groeit als kool’.

Hij maakt een paard nerveus en krijgt een trap.
Zijn toekomst oogde toch al niet zo best
En nu ontgaat hem ook het vaderschap.

Boer Teunis sterft. Het vee krijgt runderpest
En Wobbe kan het niet meer aan. Maar dan…
Marie (nog mooi) terug in ’t oude nest!

‘Een nieuwe ramp! De vlam slaat in de pan!
Wat is hij flink, die jonge brandweerman.’

 
Drs. P (24 augustus 1919 – 13 juni 2015)

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Marion Bloem werd op 24 augustus 1952 geboren in Arnhem. Zie ook alle tags voor Marion Bloem op dit blog.

Uit: Haar goede hand

“Over mijn moeder heb ik veel geschreven.
Of eigenlijk dat ook weer niet. Ik heb telkens iets van haar geleend en het gehavend teruggegeven. Ze heeft daarover nooit geklaagd, terwijl het niet gepast is om van iemands trouwservies ongevraagd de theepot, een ontbijtbord, botervloot of schoteltje uit de kast te nemen, die te gebruiken en niet netjes te retourneren, maar maanden, jaren later in scherven, of op een verkeerde manier gelijmd, in een etalage te presenteren met de trotse woorden: ‘Kijk eens wat ik heb gemaakt! Je mag er net zo vaak naar kijken als je wilt.’
Ze vragen haar vaak: ‘Ben je niet trots op je dochter, die schrijfster?’
Meestal antwoordt ze: ‘Ik ben trots op alle vier mijn kinderen, op het ene niet meer dan op het andere, ze zijn allemaal gelijk.’
Mijn moeder durft wat ze werkelijk vindt niet hardop te zeggen. Misschien zelfs niet te denken. Daarom zeg ik het voor haar: het is geen benijdenswaardig lot om moeder van een auteur te zijn die zich permitteert jouw verleden, heden en toekomst als hutspot op te dienen en daarbij verwacht dat je de portie gretig consumeert, en vervolgens beweert dat het heus goed heeft gesmaakt.
Ze is kleurrijker dan ik zwart-op-wit kan beschrijven. Ze is complexer dan een leesbaar boek tolereert en ze is dapperder dan ik in zinnen kan uitdrukken.
Mijn broers en zus adviseer ik dit boek niet te lezen, tenzij met het besef dat hun moeder de mijne niet is en de mijne niet de vrouw is van mijn zeven jaar geleden overleden vader, noch de dame over wie haar buurvrouw de laatste jaren telkens klaagt: ‘Ze gaat wel vreselijk achteruit. Ze is vaak erg verward. Ze zou niet meer op zichzelf moeten wonen, het wordt levensgevaarlijk, weet je dat.”

 
Marion Bloem (Arnhem, 24 augustus 1952)

 

De Nederlandse schrijver en rapper Pepijn Lanen werd geboren in Utrecht op 4 augustus 1982. Zie ook alle tags voor Pepijn Lanen op dit blog.

Uit: Sjeumig

“Druppels uitgezwete alcohol dansten via zijn voorhoofd, wangen en nek zijn kraag in. Eerder al had hij zijn laptop geopend, de vingers gekruist dat de e-mail met de bevestiging van de desbetreffende afspraak nog openstond. Gelukkig kwam hij er juist op dat moment achter dat de accu helemaal leeg was geraakt. De chauffeur stuurde de elektrische mobiel nog maar een hoek om en keek in de achteruitkijkspiegel naar een zwetende jongeman met een rood hoofd die zijn blik ontweek.
Via de navigatie van zijn telefoon probeerde hij het adres te lokaliseren, aangezien de chauffeur steeds desgevraagd op zijn Tom- Tom-kastje tikte met een harige dikke vinger en vervolgens ‘nee’ schudde, waarna er soms een paar huidschilfers op zijn schouders belandden. Elke hap adem die hij nam voelde als een ingeslikt stuk ziekte. De chauffeur was buiten de auto de straat op gegaan om een paar lokaaltjes aan de tand te voelen over het nu bijna mythische adres van zijn bestemming. Vanaf zijn zitplaats op de achterbank zag hij mensen met hun hoofd schudden en de chauffeur met één hand in zijn zij en de andere aan zijn achterhoofd krabben. ‘Het leven is een gekke poppenkast’ stond op een sticker op het dashboard. De navigatie van zijn telefoon gaf aan a) dat zij geen flauw idee had waar in vredesnaam om gevraagd werd en b) dat het helemaal geen zin had om het uit te gaan zoeken omdat er precies bijna niks aan ontvangst mogelijk was. Het ding eindigde zijn monoloog met ‘O ja, ik ben helemaal leeg’ in de vorm van een abrupt zwart geworden scherm.
Honderdtweeënzestig euro en vijfenzeventig cent stond er op de teller, en de chauffeur was er onderhand klaar mee. Niet alleen voelde het meer en meer alsof de opgegeven locatie niet bestond, hij begon ook te twijfelen aan de mogelijkheid of zijn passagier überhaupt wel beschikte over de liquide middelen om hem te compenseren voor het ritje.
De chauffeur had vriendelijk doch onvriendelijk aangegeven niet langer de Robin bij zijn Batman dan wel de Jeeves bij zijn Wooster te willen zijn. De chauffeur stelde daarom ook voor dat er afgerekend werd en eenieder zijn eigen weg zou vervolgen. Toen hij aangaf dat hij moest pinnen om het verschuldigde bedrag in te kunnen lossen kreeg de chauffeur bijna een rolberoerte.”


Pepijn Lanen (Utrecht, 4 augustus 1982)

 

De Engelse komiek, schrijver, acteur en presentator Stephen John Fry werd geboren in Londen op 24 augustus 1957. Zie ook alle tags voor Stephen Fry op dit blog.

Uit: Mythos

“These days the origin of the universe is explained by proposing a Big Bang, a single event that instantly brought into being all the matter from which everything and everyone are made.
The ancient Greeks had a different idea. They said that it all started not with a bang, but with CHAOS.
Was Chaos a god – a divine being – or simply a state of nothingness? Or was Chaos, just as we would use the word today, a kind of terrible mess, like a teenager’s bedroom only worse?
Think of Chaos perhaps as a kind of grand cosmic yawn. As in a yawning chasm or a yawning void.
Whether Chaos brought life and substance out of nothing or whether Chaos yawned life up or dreamed it up, or conjured it up in some other way I don’t know. I wasn’t there. Nor were you. And yet in a way we were, because all the bits that make us were there. It is enough to say that the Greeks thought it was Chaos who, with a massive heave, or a great shrug, or hiccup, vomit or cough, began the long chain of creation that has ended with pelicans and penicillin and toadstools and toads, sea-lions, seals, lions, human beings and daffodils and murder and art and love and confusion and death and madness and biscuits.
Whatever the truth, science today agrees that everything is destined to return to Chaos. It calls this inevitable fate entropy: part of the great cycle from Chaos to order and back again to Chaos. Your trousers began as chaotic atoms that somehow coalesced into matter that ordered itself over aeons into a living substance that slowly evolved into a cotton plant that was woven into the handsome stuff that sheathes your lovely legs. In time you will abandon your trousers – not now, I hope – and they will rot down in a landfill or be burned. In either case their matter will at length be set free to become part of the atmosphere of the planet. And when the sun explodes and takes every particle of this world with it, including the ingredients of your trousers, all the constituent atoms will return to cold Chaos. And what is true for your trousers is of course true for you.
So the Chaos that began everything is also the Chaos that will end everything.
Now, you might be the kind of person who asks, ‘But who or what was there before Chaos?’ or ‘Who or what was there before the Big Bang? There must have been something.”


Stephen Fry (Londen, 24 augustus 1957)

 

De Schotse schrijfster en journaliste Ali Smith werd geboren op 24 augustus 1962 in Inverness. Zie ook alle tags voor Ali Smith op dit blog.

Uit: Autumn

It was the worst of times, it was the worst of times. Again. That’s the thing about things. They fall apart, always have, always will, it’s in their nature. So an old old man washes up on a shore. He looks like a punctured football with its stitching split, the leather kind that people kicked a hundred years ago. The sea’s been rough. It has taken the shirt off his back; naked as the day I was born are the words in the head he moves on its neck, but it hurts to. So try not to move the head. What’s this in his mouth, grit? it’s sand, it’s under his tongue, he can feel it, he can hear it grinding when his teeth move against each other, singing its sand-song: I’m ground so small, but in the end I’m all, I’m softer if I’m underneath you when you fall, in sun I glitter, wind heaps me over litter, put a message in a bottle, throw the bottle in the sea, the bottle’s made of me, I’m the hardest grain to harvest, to harvest…
the words for the song trickle away. He is tired. The sand in his mouth and his eyes is the last of the grains in the neck of the sandglass.
Daniel Gluck, your luck’s run out at last.
He prises open one stuck eye. But –
Daniel sits up on the sand and the stones – is this it? really? this? is death?
He shades his eyes. Very bright.
Sunlit. Terribly cold, though.
He is on a sandy stony strand, the wind distinctly harsh, the sun out, yes, but no heat off it. Naked, too. No wonder he’s cold. He looks down and sees that his body’s still the old body, the ruined knees.
He’d imagined death would distil a person, strip the rotting rot away till everything was light as a cloud.
Seems the self you get left with on the shore, in the end, is the self that you were when you went.
If I’d known, Daniel thinks, I’d have made sure to go at twenty, twenty five.
Only the good.
Or perhaps (he thinks, one hand shielding his face so if anyone can see him no one will be offended by him picking out what’s in the lining of his nose, or giving it a look to see what it is – it’s sand, beautiful the detail, the different array of colours of even the pulverized world, then he rubs it away off his fingertips) this is my self distilled. If so then death’s a sorry disappointment.

 
Ali Smith (Inverness, 24 augustus 1962)

 

De Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges werd geboren op 24 augustus 1899  in Buenos Aires. Zie ook alle tags voor Jorge Luis Borges op dit blog.

Calle Piedras en calle Chile

Door deze straten liep ik vele dagen.
Ik herinner me ze niet. Niet dichterbij
dan de uitheemse Ganges lijken mij
die ochtenden en avonden. Ze schragen
me niet langer. Ze zijn gedweeë klei
van mijn verleden, door de tijd verteerd
of door de kunsten gemanipuleerd
en niet ontcijferd door wichelarij.
Misschien dat er een zwaard in het duister was,
wellicht groeide daar ook een roos. Vervlochten
schimmen verzamelen hen in hun krochten.
Niets. Het enige dat mij nog rest is as.
Wanneer ik van mijn maskers ben bevrijd
ben ik in de dood alleen vergetelheid.

 

Vertaald door Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer

 

A Patio

At evening
they grow weary, the patio’s two or three colours.
Tonight, the moon, bright circle,
fails to dominate space.
Patio, channel of sky.
The patio is the slope
down which sky flows into the house.
Serene,
eternity waits at the crossroad of stars.
It’s pleasant to live in the friendly dark
of entrance-way, arbour, and cistern.

 

Vertaald door A. S. Kline

 

Rain

The afternoon has brightened up at last
For rain is falling, sudden and minute.
Falling or fallen. There is no dispute:
Rain is a thing that happens in the past.

Who hears it fall retrieves a time that fled
When an uncanny windfall could disclose
To him a flower by the name of rose
And the perplexing redness of its red.

Falling until it blinds each windowpane,
Within a suburb now long lost this rain
Shall liven black grapes on a vine inside

A certain patio that is no more.
A long-awaited voice through the downpour
Is from my father. He has never died.

 

Vertaald door A.Z. Foreman

 
Jorge Luis Borges (24 augustus 1899 – 14 juni 1986)
Borstbeeld in Buenos Aires

 

De Nederlandse schrijver Johan Johannes Fabricius werd op 24 augustus 1899 in Bandoeng in Nederlands-Indië geboren. Zie ook alle tags voor Johan Fabricius op dit blog.

Uit: De scheepsjongens van Bontekoe

“Blok trok een ernstig gezicht, spoog zo er eens voor zich heen en mat met zijn ogen de grond af. ‘Zie je dat paaltje, helemaal daarginds?’
‘Dat daar?’
‘Nee, nog eentje verder. Zo lang is-t-ie vast wel van ’t galjoen tot aan de spiegel.’
En de schipper ging met zijn beide zoons de zeilen inrollen.
Padde had er zwijgend bij staan luisteren, pakte nu zijn emmertje weer op, en de beide jongens vervolgden hun weg. ‘Die sprong in de tjalk viel niet mee!’ zei Padde. ‘’t Was een heel eind!’
Maar Hajo gaf geen antwoord.
Zo kwamen de jongens op de Italiaanse zeedijk. Er lag een brede strook ijs.
Plotseling bleef Hajo stilstaan. Padde schoot gedachteloos nog een eindje door. Toen hield hij stil en keek verbaasd om. De blik in Hajo’s ogen duidde op onweer.
‘Kijk eens, Padde,’ zei Hajo langzaam en wees voor zich uit. ‘Wat zie je daar op het ijs?’
‘Hemeltje!’ zei Padde, ‘daar is er een aan het botkloppen.’
‘Juist! Er is er een in mijn bijt aan het botkloppen. Ken jij hem? Ik niet.’
Padde begon opgewonden te blazen. ‘In onze bijt! Nee, wie het is, kan ik niet zien. Ik zie niet zo goed als jij.’ En Paddes ogengeknip onderstreepte deze verklaring.
‘Kom mee,’ beval Hajo.
Padde stelde voor zichzelf vast dat het weer een spannende middag kon worden.
Samen stevenden ze op de roekeloze botklopper af.
Het was een netgeklede jongen, die, een emmertje naast zich, energiek met een bijl op het ijs klopte, om de door de kou verdoofde bot te wekken en naar de bijt te lokken waarin het verraderlijke net hing. De jongen was zo in zijn werk verdiept, dat hij niet merkte wat hem boven het hoofd hing.
Padde kon zijn verontwaardiging niet langer verkroppen: toen ze de dijk afgingen, rende hij op de ijverige klopper toe. Maar vlak bij hem gekomen, had hij het ongeluk uit te glijden; hij plofte achterover op het ijs – dat weinig meegaf! – en kwam verbouwereerd overeind.”


Johan Fabricius (24 augustus 1899 – 21 juni 1981)
Cover

 

De Engelse dichter en priester Robert Herrick werd geboren in Londen en gedoopt op 24 augustus 1591. Zie ook alle tags voor Robert Herrick op dit blog.

 

To Electra

I dare not ask a kiss,
I dare not beg a smile,
Lest having this, or that,
Will make me proud the while.

No, no the utmost share,
Of my heart’s desire be,
Only to kiss that air,
That lately kissed thee

 

Another Grace for a Child

Here a little child I stand
Heaving up my either hand;
Cold as paddocks though they be,
Here I lift them up to Thee,
For a benison to fall
On our meat, and on us all. Amen.

 
Robert Herrick (24 augustus 1591 – 15 oktober 1674)
Portret op een titelblad uit 1648

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e augustus ook mijn blog van 24 augustus 2017 en ook mijn blog van 24 augustus 2014 deel 2.

Charles Busch, Curtis Sittenfeld, Koos Dijksterhuis, Albert Alberts, Ilija Trojanow, Willy Russell, Gustav Ernst, Ephraïm Kishon, William Henley

De Amerikaanse schrijver en acteur Charles Busch werd geboren op 23 augustus 1954 in New York. Zie ook alle tags voor Charles Busch op dit blog.

Uit: Outrageous! Monologues and the Odd Scene

“CHARLES. You know, I wonder if this whole thing started when I was browsing at the Drama Book Shop and saw that several of my colleagues had anthologies of their monologues, and suddenly my eyes narrowed into an envious squint, and I thought, “Hey, why not me?” But maybe it was earlier when I received an email from a young girl in Austin, Texas, who wanted me to know that she had performed a monologue from one of my plays in competition material. Well, you know something?
She won! I think it was a monologue from Vampire Lesbians of Sodom.
She didn’t say which monologue, but there are several really juicy ones in that play. That got me thinking that maybe I could make it easier for people who are looking for audition material or competition pieces by compiling all the monologues from my plays into one book. I also think you can read this tome without an angle of looking for fresh material. Just have yourself a good laugh. That’s important nowadays. And so for good measure, I threw in some of my favorite two-person scenes from my vast oeuvre.
I’ve always been mad for the convention of the big speech in plays. I love giving actors and often one particular actor, ME, an opportunity for a tour de force moment. I think of these speeches as arias. I remember when we were in rehearsals for The Tale of the Allergist’s Wife, the great Linda Lavin, who created the role of Marjorie Taub, had big speeches dotted throughout the latter part of the play. However, she didn’t really get a chance to take stage until the end of the first act. Linda is a playwright’s dream, for she has unlimited resources of both intense emotion and comic invention. A number of years earlier, Linda had played Madame Rose in Gypsyon Broadway. I told Linda she needed the equivalent in our show to Rose’s first big number, “Some People.” Therefore, I wrote the speech that I’ve included in this anthology where Marjorie goes ballistic when her aged mother suggests she should do some volunteer work. It established the character as an extravagantly verbal, emotionally volatile woman and made the audience look forward to her next rant.”

 
Charles Busch (New York, 23 augustus 1954)
Cover

 

De Amerikaanse schrijfster Elizabeth Curtis Sittenfeld werd geboren op 23 augustus 1975 in Cincinnati, Ohio.Zie ook alle tags voor Curtis Sittenfeld op dit blog.

Uit: You Think It, I’ll Say It

“The understanding is that, after Casey’s iPhone alarm goes off at 6:15 a.m., Kirsten wakes the boys, nudges them to get dressed, and herds them downstairs, all while Casey is showering. The four of them eat breakfast as a family, deal with teeth-brushing and backpacks, and Casey, who is the principal of the middle school in the same district as the elementary school Jack and Ian attend, drives the boys to drop-off. Kirsten then takes her shower in the newly quiet house before leaving for work.
The reality is that, at 6:17, as soon as Casey shuts the bathroom door, Kirsten grabs her own iPhone from her nightstand and looks at Lucy Headrick’s Twitter feed. Clearly, Kirsten is not alone: Lucy has 3.1 million followers. (She follows a mere five hundred and thirty-three accounts, many of which belong to fellow-celebrities.) Almost all of Lucy’s vast social-media empire, which of course is an extension of her life-style-brand empire (whatever the fuck a life-style brand is), drives Kirsten crazy. Its content is fake and pandering and boring and repetitive—how many times will Lucy post variations on the same recipe for buttermilk biscuits?—and Kirsten devours all of it, every day: Facebook and Instagram, Tumblr and Pinterest, the blog, the vlog, the TV show. Every night, Kirsten swears that she won’t devote another minute to Lucy, and every day she squanders hours. The reason that things go wrong so early in the morning, she has realized, is this: she’s pretty sure Twitter is the only place where real, actual Lucy is posting, Lucy whom Kirsten once knew. Lucy has insomnia, and, while all the other posts on all the other sites might be written by Lucy’s minions, Kirsten is certain that it was Lucy herself who, at 1:22 a.m., wrote, “Watching Splash on cable, oops I forgot to name one of my daughters Madison!” Or, at 3:14 a.m., accompanied by a photo of an organic candy bar: “Hmm could habit of eating chocolate in middle of night be part of reason I can’t sleep LOL!”


Curtis Sittenfeld (Cincinnati, 23 augustus 1975)

 

De Nederlandse schrijver, journalist en dichter Koos Dijksterhuis werd geboren op 23 augustus 1962 in Amersfoort. Zie ook alle tags voor Koos Dijksterhuis op dit blog

Meeroken is ongezond

Toen ik er een had opgestoken
Dacht ik bij de eerste trek:
Het is toch eigenlijk te gek
Om allen mee te laten roken

Dat gaat maar met mijn rookwaar aan de haal
Die pakjes kosten mij een kapitaal!

 

Speedy

Het rijmen viel die dag bepaald niet mee
mij was gevraagd een kort sonnet te schrijven
ik leek uit pure faalangst te verstijven
en rende af en aan naar de w.c.

Gehurkt ontsnapte mij een schietgebed
en zie: opeens had ik een speedsonnet

 

Kippig

Het pluimvee is met zorg gepluimd
en scharrelt nooit spontaan de mest in
toch broedt de fokker, piekert, duimt
want heeft zo’n hoenderhuisarrest zin?

Al zijn de kippen opgeruimd
in Barneveld heeft men de pest in

 
Koos Dijksterhuis (Amersfoort, 23 augustus 1962)

 

De Nederlandse schrijver en vertaler Albert Alberts werd op 23 augustus 1911 in Haarlem geboren. Zie ook alle tags voor Albert Alberts op dit blog.

Uit: Namen noemen / Het mooiste eiland van de wereld

“Ze lagen eigenlijk in de dossierkasten, die niet al te vaak werden opengemaakt. Waarom niet?
In de eerste plaats voelde het Bestuur er niet veel voor. Er zouden gronden moeten worden onteigend en er zou werkvolk moeten worden gevonden en beide maatregelen werden aangevoeld als een inbreuk op de vrijheid der bevolking. Bovendien waren de betrokken wedana’s van mening, dat het nut van Madoera’s reboisatie voor de lager gelegen landbouwgronden problematisch was. Zoals de zaken stonden viel tijdens iedere natte moesson het regenwater langs de kale kalkachtige heuvels en verdween in spleten om ondergronds keurige natuurlijke reservoirs te vormen, die in de droge tijd het nodige bevloeiingswater konden leveren. Het was vooral dit argument, dat het Bestuur in staat stelde de reboisatieboot jarenlang af te houden door in de letterlijke zin van het woord Gods water over Gods Madoerese akkers te laten lopen.
Gelukkig kon worden gezegd dat deze gang, of liever deze stilstand van zaken, de pret van de opperhoutvester van Madoera niet drukte. En dat was maar goed ook, want de gemeenschap van het eiland zou daaraan bepaald wat hebben gemist. De opperhoutvester Mijers was namelijk een bijzonder opgeruimd mens. Hij kon bovendien zijn ambtsbedrijf naar hartelust uitoefenen op het zestig mijl ten oosten van Madoera gelegen eiland Kangean. Daar stonden wel bomen. Hele bossen. De opperhoutvester werkte daar tot volle tevredenheid van zichzelf en waarschijnlijk ook wel van alle anderen, maar toch zat hier een haartje in de boter. En dat zat zo:
De opperhoutvester van Kangean-Madoera – om de man zijn volle titel te geven – had zijn standplaats op Pamekasan, de hoofdplaats van de bosloze residentie Madoera, en zijn werkelijke ressort, Kangean, lag in het regentschap Soemenep, waartoe laatstgenoemd eiland behoorde. De heer Mijers ging daar vrijwel iedere maand een week of tien dagen naar toe en het Soemenepse Bestuur, dat wil zeggen de regent, de assistent-resident, de patih en de aspirant-controleur, kwamen er hooguit driemaal per jaar. Het was dus een vaststaand feit, dat de opperhoutvester meer van de dagelijkse gang van zaken op Kangean meemaakte dan het desbetreffende Bestuur, dat zijn berichten over het wel en wee op het eiland kreeg van de wedana van Kangean, die hoogstens eenmaal per maand naar het hoofdeiland kwam. En het Bestuur vond dit alles niet helemaal plezierig, vooral niet wanneer deze situatie praktische gevolgen had. En die had ze.”

 
Albert Alberts (23 augustus 1911 – 16 december 1995)
Cover biografie

 

De Duitse schrijver en uitgever Ilija Trojanow werd geboren in Sofia, Bulgarije, op 23 augustus 1965. Zie ook alle tags voor Ilija Trojanow op dit blog.

Uit: Der Weltensammler

„Auf dem Schiff hatte er genug Hindustani aufgelesen, um sich grob zu orientieren, um sich vor den Einheimischen nicht lächerlich zu machen, und das war mehr – wie er zu seinem Erstaunen festgestellt hatte –, als selbst jene Offiziere vermochten, die vom Hind seit längerem gezeichnet waren. Einer von ihnen redete ausschließlich im Imperativ; ein anderer benutzte stets die weibliche Konjugation – alle wußten, er plapperte seine einheimische Geliebte nach. Ein Schotte hatte keinen einzigen seiner Zungenschläge anpassen können, so daß ihn seine Landsleute nur mühsam und die Einheimischen überhaupt nicht verstanden. Versuchte er sich am Hindustani, antworteten sie höflich und bedauernd, sie verstünden leider kein Englisch, der Saheb möge sich einen Augenblick gedulden, sie würden jemanden holen, der übersetzen könne.
Nach den Regimentspflichten setzte sich Burton an seinen Schreibtisch und versenkte sich bis in den späten Abend hinein in die Grammatiken, die er in Bombay erworben hatte. Er wurde selten gestört. Es hatte sich schnell herumgesprochen, daß der Griffin ein Sonderling war. Es fiel ihm nicht leicht, ruhig sitzen zu bleiben. Kein halbes Jahr her, da war er von Greenwich aus aufgebrochen, in der Erwartung, aus dem Krämeralltag in das Reich famoser Heldentaten und zügiger Aufstiege überzusetzen, Ruhm und Ehre anzulaufen. Männer seines Alters kommandierten dreitausend Sikhs, eroberten Ländereien für Ihre Majestät, die größer waren als Irland.
Schweißtropfen rannen über seine Unterarme, seinen Rücken, Fliegen schwirrten um ihn herum, Afghanistan war anderswo und bereits befriedet, und ihm blieb nichts anderes übrig, als Wörter laut auszusprechen, hundertfach wiederholt. Sobald er schwieg, hörte er das Surren der Moskitos, die er nicht loswurde, egal wie oft er durch die Luft schlug und dabei das Wort brüllte, das er sich gerade aneignete. Es gab nur eine Strategie, diese Plage zu besiegen.”

 
Ilija Trojanow (Sofia, 23 augustus 1965)

 

De Engelse dichter, schrijver, dramaturg en componist Willy Russell werd geboren op 23 augustus 1947 in Whinston bij Liverpool. Zie ook alle tags voor Willy Russell op dit blog

I hate poems (Fragment)

I hate the theatre
And watchin’ plays
that go on… and on… and on for days
till you’ve got the stiff necks and the paralysed bums
waitin’ for Godot and he never bleedin’ comes
and do you know if you go down to that Barbican
its full of vegetarians
All eating lettuce off pebble dash bread
And tara.. mar.. solata
They look half dead

They don’t serve Spam
They don’t serve Spam
They don’t serve Spam at the Barbican

But I like the Arts Council
There should be more of that you know
They say no.. they say no.. they say no
They say, if you’re looking for funding then don’t come to me
Get they to a lottery
They make all the artists drop their pants
And then they cut off their arts council grants
One day soon their going to set us free
From all this awful artistry
And then they’ll be no more Orchestra’s, an painter’s an poets

And then they’ll
Bring back Hughie
Bring back Hughie

 
Willy Russell (Whinston, 23 augustus 1947)

 

De Oostenrijkse schrijver Gustav Ernst werd geboren in Wenen op 23 augustus 1944. Zie ook alle tags voor Gustav Ernst op dit blog.

Uit: Zur unmöglichen Aussicht

„Bei dem man in jedem Moment die Gewissheit hat, der hört wirklich zu! Das ist einmalig, sagte Kagraner, wirklich einmalig! Sie können ihm die persönlichsten Dinge erzählen. Sie haben sogar das Gefühl, was ihn wirklich interessiert, das sind Ihre persönlichsten Dinge. Sie fühlen sich sofort verstanden. Sie spüren Verbindlichkeit, Wärme, Anteilnahme. Er gibt keine Ratschläge, Ratschläge nie!, nie Ratschläge!, rief Kagraner aus, aber er stellt die richtigen Fragen, sodass Sie allein durch diese Fragen Ihre persönlichen Angelegenheiten in einem neuen und klareren Licht sehen. Ihnen fallen Dinge auf, die Ihnen bisher nicht aufgefallen sind. Und das freut ihn. Das bringt er auch zum Ausdruck, dass ihn das freut. Alle Bedenken, jemand anderen könne das nie und nimmer interessieren, was Sie zu erzählen haben, hat ja auch bisher niemanden interessiert!, sagte Kagraner, sind im Gespräch mit ihm wie weggeblasen. Er möchte immer mehr wissen, immer genauer erfahren, was Ihr Problem ist. Aber nicht aus Neugier, sagte Kagraner, das merken Sie sofort, nicht aus Neugier!, nie aus Neugier!, sondem aus wirklichem Interesse an der Sache. Verstehen Sie? Sie haben das Gefühl, frei von der Leber weg sprechen zu können. Sie können Dinge eingestehen, benennen, die Sie niemandem sonst gegenüber, auch sich selbst gegenüber nicht!, eingestehen und benennen würden. Die einzugestehen und zu benennen Sie auch noch nie Anlass gehabt haben. Und Sie haben auch nicht den Eindruck, und das ist überaus bemerkenswert!, sagte Kagraner, etwas einzugestehen. Sie sagen es einfach. Alles erscheint im Gespräch mit ihm vollkommen selbstverständlich. Tatsächlich?, sagte ich. Sie glauben mir nicht?, fragte Kagraner. Das verstehe ich gut, dass Sie mir nicht glauben, sagte er, ich würde Ihnen wahrscheinlich auch nicht glauben. Ich würde selbst mir nicht glauben, sagte Kagraner, wenn ich nicht genau wüsste, dass diese Person existiert hat, dass ich sie gekannt habe. Ein Sozialhelfer?, fragte ich. Sozialhelfer?, sagte Kagraner. Wieso Sozialhelfer? Überhaupt kein Sozialhelfer! Auch kein Psychologe oder Mediator. Also ein Wunder, sagte ich, ein Heiliger. Beinahe, sagte Kagraner und lachte. Aber das Interessante ist, sagte er, und das ist wirklich interessant, dass die Nähe, die in diesen Gesprächen hergestellt wurde, kaum war das Gespräch weg, auch weg war. Weg?, sagte ich. Und wie weg!, sagte Kagraner. Was meinen Sie mit weg?, fragte ich. Weg, sagte Kagraner, einfach weg. Es gab keine Anrufe, keine weiteren Treffen. Wo man doch glauben könnte, die Dinge, die man besprochen hat, würden zumindest einen Anruf nach sich ziehen, eine Nachfrage, wie das oder jenes ausgegangen sei. Nichts. Gar nichts. Kein Bedürfnis, mit mir in Verbindung zu treten.“

 
Gustav Ernst (Wenen, 23 augustus 1944)

 

De Hongaars/Israëlische schrijver Ephraïm Kishon werd op 23 augustus 1924 in Boedapest geboren. Zie ook alle tags voor Ephraïm Kishon op dit blog.

Uit: The Fox in the Chicken Coop

“The last session of the Temporary Council took place in an unprec-edentedly charged atmosphere. On the agenda was a tricky question: the village youth had informed the “government” that they wanted to set up a soccer team to compete with the team from the village of Metula beyond Flood Mountain. This preposterous idea would have been considered sacrilege only a few months back, but in view of the changed attitude of the public toward travelling—the council found itself in a quandary. The councillors were therefore not hasty in com-ing to a decision, but personally went out to the area at the foot of the dams and studied the youngsters’ exercises at length until they grew familiar with the rules of the game. After that the council decided in principle in favor of a one-time contest with Metula; but then they got stuck on the issue of picking the Kimmel Springs team. This was truly a complex matter. The barber, of course, demanded the majority of the team for himself, on the grounds that his bloc of support-ers formed the largest of all the village camps. But the cobbler denied the latter claim, stating that the Cobbler’s class at school was no smaller than the Barber’s, adding that the ball itself was his own manufacture. He therefore demanded for his followers three out of the five “forward” positions. As a result the other representatives demanded secure posi-tions for themselves, based on their status in the village. Moreover, the slaughterer announced that he wished to escort the players in person, in order to keep an eye on them in the tumult of Metula. “I also know something about ballplaying,” said the slaughterer in self-recommendation. “In Hebrew school we used to play a lot until the teacher caught us and pulled out sidelocks.” The councillors consented to the slaughterer’s trip since it would be irrational to leave him alone in the village when all the other coun-cillors would be taking upon themselves the burden of escorting the team. But under no circumstances could they agree on the composition of the team. Elifaz Hermanovich proposed the game be postponed until after the elections, since then it would be easier to work out the team according to electoral strength. But his proposal was immediately vetoed because—they claimed—”after the elections there would be no need for such trips.”


Ephraïm Kishon (23 augustus 1924 – 29 januari 2005)
DVD-cover voor de gelijknamige film uit 1978

 

De Engelse dichter en schrijver William Ernest Henley werd geboren op 23 augustus 1849 in Gloucester. Zie ook alle tags voor William Henley op dit blog.

With Strawberries

With strawberries we filled a tray,
And then we drove away, away
Along the links beside the sea,
Where wave and wind were light and free,
And August felt as fresh as May.
And where the springy turf was gay
With thyme and balm and many a spray
Of wild roses, you tempted me
With strawberries.
A shadowy sail, silent and gray,
Stole like a ghost across the bay;
But none could hear me ask my fee,
And none could know what came to be.
Can sweethearts all their thirst allay
With strawberries?

 

London Types: The Artist Muses At His Ease

The Artist muses at his ease,
Contented that his work is done,
And smiling-smiling!-as he sees
His crowd collecting, one by one.
Alas! his travail’s but begun!
None, none can keep the years in line,
And what to Ninety-Eight is fun
May raise the gorge of Ninety-Nine.

 
William Henley (23 augustus 1849 – 11 juli 1903)
Een portret door Leslie Ward, gepubliceerd in Vanity Fair 26 november 1892

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e augustus ook mijn blog van 23 augustus 2016 en ook mijn blog van 23 augustus 2015 deel 2.

Remco Ekkers, F. Starik, Wim T. Schippers, J. J. Voskuil, Carry Slee, Denis Johnson, Alun Lewis, George Sand, Juan Carlos Onetti

De Nederlandse dichter en schrijver Remco Ekkers werd geboren op 1 juli 1941 in Bergen. Zie ook alle tags voor Remco Ekkers op dit blog.

Lezer

Waar in de bibliotheek zij zat
te lezen hoe woorden zich laten voegen
en niet begreep hoe een ander
moest lachen om de woorden
van een dichteres en vroeg
wat en hoe, waarom poëzie?

Hij, verbaasd dat niet iedere lezer
begreep waarom die woorden aandacht
trekken door hun muziek en betekenis
begon te begrijpen hoe klein de sekte was.

Vele jaren later steeds als hij
daar langs kwam, zag hij haar zitten
streng, gedisciplineerd en begreep
dat hij haar nooit bereiken zou
en ze wuifden naar elkaar zonder woorden.

 

De libellen

Waar de zwaan zwemt met vier jongen
over het kleine kratermeer Monticchio
zweven de blauwe libellen Calopterix Virgo.

Waar de vader zwaan de jongen bedreigt
die aan komt rennen om te vissen
vliegen rusteloos de blauwe libellen.

Waar de vader van de jongen zijn zoon redt
– angstig staat de jongen te wachten
tot de hand op zijn schouder hem rustig
leidt langs de blazende zwaan –

Daar dansen de blauwe libellen
over het water en schrijven hun brieven
over de zwaan, de jongen, het kratermeer.


Remco Ekkers (Bergen, 1 juli 1941)

 

De Nederlandse dichter, schrijver, beeldend kunstenaar, zanger en fotograaf F. Starik werd geboren in Apeldoorn op 1 juli 1958. Zie ook alle tags voor F. Starik op dit blog.

Uit: O teder lied. Bij Rainer Maria Rilkes Nieuwe gedichten

“Staat u mij dus toe een cruciale regel uit de eerste elegie in het Duits te citeren. Zo moeilijk is dat nu ook weer niet. En we gaan die engel straks nog nodig hebben. ‘Wie, als ik riep, zou mij dan horen uit de reien der engelen? En stel eens, één nam mij plotseling aan het hart: ich verginge von seinem stärkeren Dasein.’ Het is hier vertaald als ‘ik zou vergaan door zijn sterker bestaan’. Ik vind dat geen gelukkige keuze. Ik weet ook niet hoe dat beter moet, misschien is het een onoplosbaar probleem, maar wat had ik graag gezien dat Peter Verstegen zich met zijn wendbare elegantie hier eens aan waagde.
Het is tijd om op te merken dat Peter Verstegen de Neue Gedichte weergaloos heeft vertaald. Het lezen van een vertaling van Peter Verstegen is een verhelderende en plezierige exercitie; je valt van de ene verbazing in de andere. Hoe handig en slim hij dat heeft gedaan. Hoe hij goochelt met rijmschema’s, ritme, metrum, betekenis, stijl. Hoe hij, door soms ogenschijnlijk fors van het origineel af te wijken, dat origineel juist heel dicht nadert. Verstegen swingt.
In diezelfde intuïtief gerangschikte boekenkast moet zich ergens een exemplaar bevinden van de twintig liefdesgedichten van Rilke die Menno Wigman in 1997 heeft vertaald. Ik leen dus maar het exemplaar dat mijn geliefde in haar keurig alfabetisch geordende collectie heeft staan. Er is alleen even verwarring of het onder de W van Wigman dan wel de R van Rilke zal zijn gerubriceerd. Het blijkt de W van Wigman. Terecht: Wigman blijft in zijn vertalingen dicht bij zijn eigen stijlkenmerken als dichter. Het sluw verborgen halfrijm. De retorische drieslag van de opsomming. Verstegen is in de eerste plaats vertaler, al heeft hij zowel onder eigen naam als onder het pseudoniem Igor Streepjes enige poëzie gepubliceerd.”


F. Starik (1 juli 1958- 16 maart 2018)

 

De Nederlandse televisiemaker, schrijver en beeldend kunstenaar Wim T. Schippers werd geboren in Groningen op 1 juli 1942. Zie ook alle tags voor Wim T. Schippers op dit blog.

Uit: Veelbelovend

“Het afgewogen gat dat Harry en Hein lieten vallen in hun door anderhalve man en een paardenkop op gepaste afstand beluisterde tweespraak over Hegeliaanse dialectiek in het denken van Marx, werd prompt opgevuld met de zinsnede ‘en dan heb je nog je gas en je licht!’, toegevoegd door de aanschuivende, gemoedelijk ogende oude dikke gedragskunstenaar Gras Heyen. ‘Als het ware,’ nuanceerde een uit Gras Heyens schaduw opduikende magere jonge veelbelovende kunstenaar. Daar hadden de grote denker en de beroemde schaker niet van terug. ‘Eenieder wordt vriendelijk verzocht nu op te rotten, uw portier heeft ook recht op een seksleven,’ klonk aansluitend door het onherbergzame sociëteitslokaal. Hier en daar wat protest. Geruzie met de barman. Een gerenommeerd dichter sloeg met nieuwe vriendin en barkruk en al ruggelings tegen de vloer.
Lang geen gekke avond, stelde de veelbelovende kunstenaar vast. Veel onzin uitgekraamd, nog meer onzin opgevangen, een uur lang tot ergernis van velen weer eens fijn quatre-mains gespeeld met Gras Heyen, en passant gewonnen met sjoelbakken, mooie dingen bedacht – ook weer vergeten, maar toch. Geflikflooid met vrouwvolk. Misschien was zijn aanpak op het laatst te abrupt en/of te doortastend geweest want ze was er ineens vandoor, maar dat was voor een volgende keer dan wel weer een mooi aanknopingspunt, al had hij daar nu natuurlijk niet veel aan. En er viel niks te betalen want hij had hier en daar goed getimed een praatje aangeknoopt en onopvallend van rondjes geprofiteerd.
Weer eens als laatste kloste hij de steile houten trap af. Uitdagend gloorde de ochtend hem tegemoet. Hij schopte een berg kartonnen dozen vol horeca-afval van de stoep. Hij miste het geruststellende geritsel van de twee grote populieren die tot voor kort sinds jaar en dag, ver verheven boven het lamlendig struikgewas en het sleetse gras met in perkjes gevangen timide bloeiende plantjes, het aanzien van het pleintje bepaalden. De gemeentelijke plantsoenendienst had kennelijk ingezien dat die populieren er wel wat raar bij stonden en gedacht die misstand te kunnen rechtzetten, niet met het verplaatsen van de laag-bij-de-grondse begroeiing, maar met het omzagen van de hoge bomen. Daarmee waren ook de traditionele spreeuwen beroofd van een riante verzamelplek voor de trek. Eens, in een heldere oktobernacht, had hij Gras Heyen gewezen op zo’n bijeenkomst. Die wendde zich tot het vogelvolk, sprak en zei: ‘Dondert op met uw gekwetter! Vliegt op! En wel nu!’ En zie, zij vlogen op, scheerden in duikvlucht om de mannen heen en trokken zuidwestwaarts. Waarop Gras riep: ‘Niet zo bedoeld, kom maar weer terug, het spijt me!’ Maar ze wilden hem niet meer horen. Of ze hoorden hem echt niet. Die spreeuwen, welteverstaan. Want her en der werden ramen opengeschoven.”

 
Wim T. Schippers (Groningen, 1 juli 1942)

 

De Nederlandse schrijver Johannes Jacobus (Han) Voskuil werd op 1 juli 1926 in Den Haag geboren. Zie ook alle tags voor J. J. Voskuil op dit blog.

Uit: Das Büro 1: Direktor Beerta (Vertaald door Gerd Busse)

“Waren Sie gerade am Arbeiten?” fragte er.
“Ich bin immer am Arbeiten”, antwortete Beerta. Er sah Maarten unbewegt an. “Ich hab dich lange nicht gesehen.” Es klang vorwurfsvoll.
“Wir haben ein Jahr in Groningen gewohnt”, sagte Maarten. “Ich war dort Lehrer.”
Beerta nickte. “Ich war auch Lehrer”, erwiderte er, so, als wenn das die Sache damit besser machte. “Und was tust du jetzt?”
“Nichts.”
“Nichts!” wiederholte Beerta. Er spitzte seine Lippen, halb erstaunt, halb ironisch. “Ich glaube, ich wäre darüber nicht so begeistert.” Er stand auf. “Wollt ihr vielleicht noch eine Tasse Tee?”
“Ob es ihm paßt, daß wir hergekommen sind?” fragte Nicolien, als Beerta das Zimmer verlassen hatte.
“Natürlich paßt es ihm”, sagte Maarten entschieden, aber er war sich seiner Sache nicht sicher. Er ließ seinen Blick über die große, eingerahmte Zeichnung eines Bauernjungens schweifen, ein Werk von Toorop oder von van Konijnenburg, betrachtete das Batiktuch, das dahinter über den Kaminsims drapiert war, sowie die dunklen Möbel und bestickten Kissen, die dem Raum etwas Unvergängliches gaben, ein Eindruck, der durch das langsame Ticken einer Pendeluhr im vorderen Zimmer noch verstärkt wurde. Es hing ein etwas drückender, leicht parfümierter Geruch im Raum, der ihn vage an das Zimmer seiner Großmutter erinnerte, in den letzten Jahren vor ihrem Tod.
“Von Klaas de Ruiter höre ich auch nichts mehr”, sagte Beerta, als er wieder in den Raum kam. Vorsichtig hantierte er mit einer Teekanne, die in einem in den Farben Rosa, Braun und Blau gestrickten Kannenwärmer steckte und aus der nur der Griff und der Ausguß herausragten.
“Der ist auch Lehrer”, sagte Maarten.
“Das weiß ich”, entgegnete Beerta trocken. “Aber ist das ein Grund, mich nicht mehr zu besuchen?”
“Vielleicht hat er viel zu tun”, wandte Nicolien ein. Sie lachte nervös.
“Wir haben alle viel zu tun”, sagte Beerta und verzog dabei ironisch seine Mundwinkel, “außer Maarten natürlich. Möchtet ihr Milch und Zucker?”
Sie bekamen einen Keks aus einer alten Blechtrommel, deren Blümchenmuster bereits an mehreren Stellen verschlissen war.“


J. J. Voskuil (1 juli 1926 – 1 mei 2008)

 

De Nederlandse schrijfster Carry Slee werd geboren op 1 juli 1949 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Carry Slee op dit blog.

Uit: #Laatstevlog

“Roos kijkt ongeduldig naar Femke, die in de aula bij de koffi eauto- maat met Jesse staat te praten. Ze wil naar hen toe gaan, maar weet niet of ze hen wel kan storen, want het gesprek ziet er heel serieus uit. Een eindje bij hen vandaan gaat ze zitten en ze haalt haar tablet uit haar rugzak Als ze dan toch moet wachten, dan kan ze mooi even haar Instagram-account checken. Roos bekijkt de foto die ze gisteravond heeft gepost. Chill! Al meer likes dan bij de vorige foto. Jammer genoeg heeft ze vandaag geen tijd om nog meer te posten. Ze moeten taarten bakken. Misschien hebben ze er nog wel meer bestellingen bijgekregen vanochtend. Roos checkt haar mail. Zie je wel, nog een bestelling. Dat zijn al drie taarten! Femke moet nu wel opschieten.
De deur van de aula gaat open. Gijs staat in de deuropening. Hij kijkt naar Femke. Wat een timing! Femke pakt Jesse vast en geeft hem een knuff el. Roos schrikt van Gijs’ kwade gezicht. Zal ze naar hem toe gaan en zeggen dat het niet is wat hij denkt? Femke is niet verliefd op Jesse, ze zijn gewoon vrienden. Maar Gijs draait zich om en loopt woedend weg. Laat maar, denkt Roos. Femke lost het wel weer op. Ze hebben wel vaker ruzie. Als het niet om Jesse is, dan gaat het wel ergens anders over.
Roos kijkt weer naar haar telefoon. Als ze ziet hoe laat het is, schrikt ze. Nu moet Femke toch echt komen, anders krijgen ze de bestellingen nooit af. Net op het moment dat Roos haar vriendin wil waarschuwen, geeft Femke Jesse een kus en komt naar haar toe.
‘Hèhè,’ verzucht Roos.
‘Sorry!’ Femke wacht tot Jesse de deur van de aula achter zich dichtdoet. ‘Ik moest echt even naar Jesse luisteren. Hij was zo zielig.”


Carry Slee (Amsterdam, 1 juli 1949)
Cover

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Denis Hale Johnson werd geboren op 1 juli 1949 in München. Zie ook alle tags voor Denis Johnson op dit blog.

Heat

Here in the electric dusk your naked lover
tips the glass high and the ice cubes fall against her teeth.
It’s beautiful Susan, her hair sticky with gin,
Our Lady of Wet Glass-Rings on the Album Cover,
streaming with hatred in the heat
as the record falls and the snake-band chords begin
to break like terrible news from the Rolling Stones,
and such a last light—full of spheres and zones.
August,
you’re just an erotic hallucination,
just so much feverishly produced kazoo music,
are you serious?—this large oven impersonating night,
this exhaustion mutilated to resemble passion,
the bogus moon of tenderness and magic
you hold out to each prisoner like a cup of light?

 

Quickly Aging Here

1
nothing to drink in
the refrigerator but juice from
the pickles come back
long dead, or thin
catsup. i feel i am old

now, though surely i
am young enough? i feel that i have had
winters, too many heaped cold

and dry as reptiles into my slack skin.
i am not the kind to win
and win.
no i am not that kind, i can hear

my wife yelling, “goddamnit, quit
running over,” talking to
the stove, yelling, “i
mean it, just stop,” and i am old and.

 
Denis Johnson (1 juli 1949 – 24 mei 2017)

 

De Engelse (Welshe) dichter Alun Lewis werd geboren op 1 juli 1915 in Cwmaman, in de buurt van Aberdare in Cynon Valley, Zuid-Wales. Zie ook alle tags voor Alun Lewis op dit blog.

Goodbye

So we must say Goodbye, my darling,
And go, as lovers go, for ever;
Tonight remains, to pack and fix on labels
And make an end of lying down together.

I put a final shilling in the gas,
And watch you slip your dress below your knees
And lie so still I hear your rustling comb
Modulate the autumn in the trees.

And all the countless things I shall remember
Lay mummy-cloths of silence round my head;
I fill the carafe with a drink of water;
You say ‘We paid a guinea for this bed,’

And then, ‘We’ll leave some gas, a little warmth
For the next resident, and these dry flowers,’
And turn your face away, afraid to speak
The big word, that Eternity is ours.

Your kisses close my eyes and yet you stare
As though god struck a child with nameless fears;
Perhaps the water glitters and discloses
Time’s chalice and its limpid useless tears.

Everything we renounce except our selves;
Selfishness is the last of all to go;
Our sighs are exhalations of the earth,
Our footprints leave a track across the snow.

We made the universe to be our home,
Our nostrils took the wind to be our breath,
Our hearts are massive towers of delight,
We stride across the seven seas of death.

Yet when all’s done you’ll keep the emerald
I placed upon your finger in the street;
And I will keep the patches that you sewed
On my old battledress tonight, my sweet.


Alun Lewis (1 juli 1915 – 5 maart 1944)
Cover brievenboek

 

De Franse schrijfster George Sand (pseudoniem van Amandine Lucile Aurore Dudevant, geboren Dupin) werd op 1 juli 1804 geboren in Parijs. Zie ook alle tags voor George Sand op dit blog.

Uit:Journal intime

„L’homme se sait nécessaire à la femme.
Il a trop d’imbécile confiance et, soit cupidité, soit galanterie, soit vanité, la plupart des femmes sont trop intéressées par leur amour pour qu’il ne s’arroge pas un pouvoir despotique sur elles, dans l’amour, comme dans la haine.
La femme n’a qu’un moyen d’alléger son joug et de conserver son tyran, quand son tyran lui est nécessaire : c’est de le flatter bassement. Sa soumission, sa fidélité, son dévouement, ses soins, n’ont aucun prix aux yeux de l’homme ; sans tout cela, selon lui, il ne daignerait pas se charger d’elle. Il faut qu’elle se prosterne et lui dise : « Tu es grand, sublime, incomparable. Tu es plus parfait que Dieu ! Ta face rayonne, ton pied distille l’ambroisie, tu n’as pas un vice et tu as toutes les vertus. Aucun mortel ne peut t’être comparé, je ne dis pas par moi qui suis éblouie de l’éclat de tes regards, mais par ce peuple stupide qui devrait se prosterner quand tu passes et t’élire roi de l’univers ; quand tu me frappes, je suis glorieuse , quand tu me repousses du pied, mon sort est préférable à celui de tous les êtres, t’appartenir est une telle gloire que le genre humain tout entier voudrait se mettre à ma place s’il savait quel honneur y est attaché. » Et pourtant, ces aberrations sont quelquefois dans l’amour le plus pur et le plus vrai. Mais si elles ne sont suivies de réactions violentes, n’y crois pas, homme imbécile, car celle qui t’adore sans cesse, te méprise en secret, celle-la seule qui t’accepte imparfait, et te subit injuste, t’aime avec désintéressement. Mais, fat imprudent, tu ne veux pas qu’on te pardonne, tu veux qu’on croie et qu’on prétexte n’avoir rien à te pardonner. Tu veux qu’on baise la main qui frappe et la bouche qui ment. Cherche donc l’objet de ton amour dans la fange, et empêche tout un rêve d’en sortir tant que tu seras toi-même une idole debout, car si la femme n’ennoblissait, tu serais forcé, pour demeurer son supérieur, de t’ennoblir et de te purifier aussi et c’est ce que tu ne sais, ne peux, ni ne veux faire.”


George Sand (1 juli 1804 – 8 juni 1876)
Cover Engelse uitgave

 

De Urugayaanse schrijver Juan Carlos Onetti werd geboren op 1 juli 1909 in Montevideo. Zie ook alle tags voor Juan Carlos Onetti op dit blog.

Uit: Das kurze Leben (vertaald door Curt Meyer-Clason)

“Santa Rosa
“Verrückte Welt”, sagte noch einmal die Frau, als zitiere, als übersetze sie.
Ich hörte sie durch die Wand. Ich stellte mir ihren Mund vor, wie er sich vor dem nach gärenden Nahrungsmitteln riechenden eisigen Atem des Kühlschrankes bewegte oder vor dem braunen Holzperlenvorhang, der vermutlich steif zwischen dem Abend und dem Schlafzimmer hing und die Unordnung der jüngst eingetroffenen Möbel verdunkelte. Zerstreut lauschte ich den abgehackten Sätzen der Frau, ohne an das zu glauben, was sie sagte.
Als ihre Stimme, ihre Schritte, ihr Morgenrock und ihre dicken Arme – so stellte ich sie mir vor – von der Küche ins Schlafzimmer wanderten, wiederholte ein Mann einsilbige Worte, stimmte zu, ohne sich völlig dem Spotten zu überlassen.
Die Hitze, welche die Frau im Gehen durch schnitt, schloß sich wieder, füllte die Ritzen und legte sich schwer auf alle Zimmer, auf die Hohlräume der Treppen, in die Ecken des Gebäudes.
Die Frau ging in dem einzigen Raum der Wohnung nebenan auf und ab, ich hörte sie vom Bad aus, den Kopf unter den fast unhörbaren Regen der Dusche gebeugt.
“Auch wenn es mir das Herz in winzige Stücke zerreißt”, sagte die Stimme der Frau leicht singend, nach jedem Satz den Atem anhaltend, als tauche jedes Mal ein hartnäckiges Hindernis auf, um sie davon abzuhalten, etwas zu bekennen, “schwöre ich, werde ich ihn nicht auf den Knien anflehen. Er hat es so gewollt, und nun hat er es. Auch ich habe meinen Stolz. Auch wenn es mir weher tut als ihm.”
“Komm, komm”, sagte der Mann versöhnlich. Kurze Zeit lauschte ich der Stille in der Wohnung, in dessen Mitte jetzt Eisstückchen in Gläsern quirlten. Der Mann war vermutlich in Hemdsärmeln,
vierschrötig und dicklippig; sie zog nervöse Grimassen, trübselig wegen des Schweißes, der ihr von der Oberlippe und der Brust rann.“


Juan Carlos Onetti (1 juli 1909 – 30 mei 1994)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e juli ook mijn blog van 1 juli 2017 deel 2.

Saul Bellow, Ion Creanga, Oktay Rifat, Peter Kurzeck, Antun Mihanović,, Tijl Nuyts

De joods-Amerikaanse schrijver Saul Bellow werd geboren op 10 juni 1915 te Lachine, een voorstad van Montreal. Zie ook alle tags voor Saul Bellow op dit blog.

Uit: By The St. Lawrence

“Not the Rob Rexler?
Yes, Rexler, the man who wrote all those books on theater and cinema in Weimar Germany, the author of Postwar Berlin and of the controversial study of Bertolt Brecht. Quite an old man now and, it turns out, though you wouldn’t have guessed it from his work, physically handicapped-not disabled, only slightly crippled in adolescence by infantile paralysis. You picture a tall man when you read him, and his actual short, stooped figure is something of a surprise. You don’t expect the author of those swift sentences to have an abrupt neck, a long jaw, and a knot-back. But these are minor items, and in conversation with him you quickly forget his disabilities.
Because New York has been his base for half a century, it is assumed that he comes from the East Side or Brooklyn. In fact he is a Canadian, born in Lachine, Quebec, an unlikely birthplace for a historian who has written so much about cosmopolitan Berlin, about nihilism, decadence, Marxism, national socialism, and who described the trenches of World War I as “man sandwiches” served up by the leaders of the great powers.
Yes, he was born in Lachine to parents from Kiev. His childhood was divided between Lachine and Montreal. And just now, after a near-fatal illness, he had had a curious desire or need to see Lachine again. For this reason he accepted a lecture invitation from McGill University despite his waning interest in (and a growing dislike for) Bertolt Brecht. Tired of Brecht and his Marxism-his Stalinism-he stuck with him somehow. He might have canceled the trip. He was still convalescent and weak. He had written to his McGill contact, “I’ve been playing hopscotch at death’s door, and since I travel alone I have to arrange for wheelchairs between the ticket counter and the gate. Can I count on being met at Dorval?”
He counted also on a driver to take him to Lachine. He asked him to park the Mercedes limo in front of his birthplace. The street was empty. The low brick house was the only one left standing. All the buildings for blocks around had been torn down. He told the driver, “I’m going to walk down to the river. Can you wait for about an hour?” He anticipated correctly that his legs would soon tire and that the empty streets would be cold, too. Late October was almost wintry in these parts. Rexler was wearing his dark-green cloaklike Salzburg loden coat.”

 


Saul Bellow (10 juni 1915 – 5 april 2005)
 

 

De Roemeense schrijver Ion Creanga werd geboren op 10 juni 1839 in Humuleşti. Zie ook alle tags voor Ion Creanga op dit blog.

Uit: Memories of My Boyhood (Vertaald door Ana Cartianu en R.C. Johnston)

“Yet, the true St. Nicholas seems to have been mindful of me, for, lo and behold, that blessed boy walked into the schoolroom. Where upon, with permission or not, I made for the door, slipped out quickly, and, never lingering about the school, took to my heels homewards! A glance over my shoulder showed me two hulking brutes already on my tracks. Then I started running so fast that my feet struck sparks out of the ground! I passed our house without going in, turned left and entered the yard of one of our neighbors; from the yard I went into the stableyard, and from the stableyard into the maize field, newly hoed and tilled, with the boys after me. Before they reached me, scared out of my wits as I was, I somehow managed to burrow into the mound at the root of a maize stalk. Nica, Costache’s son, with Toader, Catinca’s son, an equally loathsome brute, passed by me, saying just what they were going to do to me.
Surely the Lord blinded them, so that they couldn’t find me! After a while, hearing no rustling of maize leaves, not even a hen scratching the ground, I suddenly darted out, with earth on my head, and rushed home to mother and began telling her with tears in my eyes that I would not go back to school, no, not if they were to kill me. The next day, however, the priest came to our house and settled things with father; they calmed me down and took me back to school again. “For really, it’s a pity to be left without any education, ” the priest was saying, “you’re now past your ABC’s, you’re working on the prayerbook, and, one of these days, you’ll go on to the psalter, which is the key to all wisdom. And who can tell what time has in store for us? Maybe you’ll live to become the priest here, at the church of St. Nicholas, because it’s for the likes of you that I take the pains I do. I have an only daughter, and I will think seriously about my choice of a son-in-law.”


Ion Creanga (10 juni 1839 – 31 december 1889)

 

De Turkse dichter Oktay Rifat werd geboren op 10 juni 1914 in Trabzon. Zie ook alle tags voor Oktay Rifat op dit blog.

 

Agamemnon I (Fragment)

Leaving the ships to be scraped we trudged on, and reached a valley; each of us rolled a cigarette with fingers gnarled or missing.
A smoke killed time as we crouched and leant against the rocks.
The quickest way to kill time! It gets less and less or ends for good. Or then again, it expands against the pull of earth and the north-caster! Panting like squirrels, suspicious, always suspicious!
Whatever is ours is behind the mountain. But they are there, running away in the sudden flight of a partridge, or in a lizard’s glance, in every hole and under every stone.
They turned their fiery sharp savage weapons of destruction against us, cowardly with their long-shadowed spears, murderous as their guns or mortars, shells and bazookas.
Just when we say they can’t increase, they do! Their faces are like ours but inside their armour are gods, their luminous eyes terrifying!
`What have we done wrong?’ we asked, ‘can someone tell us our crime?’ We know the weight of guilt. Our backs bent double under this rock, our teeth blackened with tbis water.
If we must land up in hospital wards or in prison cells, or be sold dirt-cheap in the labour-market, so be it!
From behind the barbed wire let’s look at someone taking random instant photographs of the white muslin over the copper yoghurt vessel, or of the huge Prison full of light!

In the evening the water in our jug is finished and perched on stone, or sometimes concrete, our birds all fly away.
One piece of lokum remains on the rose-patterned plate – God knows how! The fruit on the branch consumes night for us.
Yes, for us! Agamemnon laughs at this. Diomedes belts on his swords to become the icon of deathless epics.

 

Vertaald door Richard McKane en Ruth Christie

 
Oktay Rifat (10 juni 1914 – 10 april 1988)
Trabzon

 

De Duitse schrijver Peter Kurzeck werd geboren op 10 juni 1943 in Tachau, Bohemen. Zie ook alle tags voor Peter Kurzeck op dit blog.

Uit: Ein Kirschkern im März

„Im Westend ein vornehmes Mietshaus. Die Wohnung im zweiten Stock und im Dachgeschoß nochmal zwei Zimmer. Birgit und Peter heißen meine Gastgeber. Und Domi ihr Sohn. Mit Carina im Kinderladen. Birgit ist Lehrerin. Sie will malen. Als Lehrerin eine halbe Stelle. Schon ihr Leben lang will sie malen. Und Peter (der andere Peter, sagen Domi und Carina, mein Peter und dein Peter) am Institut für Friedens- und Konfliktforschung. Bart und Doktortitel. Ein freundliches Gesicht. Birgits Arbeitszimmer mit hellen Möbeln, die nach Bienenwachs riechen. Ihr Schreibtisch schon für mich leergeräumt. Über dem Schreibtisch ein Oberlichtfenster. Viel Himmel und den ganzen Tag hell das Licht auf den Schreibtisch. Ein großer Strauß frische Tulpen und ein voller Obstkorb für mich. Wie für ein Bild der Obstkorb und Kunstbücher in den Regalen. Teppich und Holzfußboden. Und ein Sofa, aus dem man mit drei Handgriffen ein Bett machen kann. Hier also. Und daneben das zweite, sein Arbeitszimmer. Groß. In der Mitte ein Schreibtisch und noch zwei Tische daneben. Überall Papier, Akten, Mappen und Ordner. Regale, ein Schrank. Auf dem Fußboden Domis Spielzeug. Playmobil. Eine Ritterburg, Elefanten, Bauernhoftiere, ein Indianerlager und Schiffe. Ein Meer von Schiffen. Drei Fenster nach Westen und unter den Fenstern eine stille Nachmittagsseitenstraße. Du kannst mein Arbeitszimmer auch mitbenutzen, sagt er zu mir. Tagsüber sowieso, tagsüber ist er in seinem Büro. Mitbenutzen nicht, sagte ich mir, aber manchmal zur Tür herein und durch das Licht und die Stille von Fenster zu Fenster. Hier also! Und dann noch das Bad. Ein kleines perfektes Bad. Für heißes Wasser ein Boiler mit bunten Lämpchen. Und im Vorraum zum Bad Waschmaschine, Kühlschrank und Kochplatte. Also gerettet? In Sicherheit? Vorerst gerettet, aber wie lang? Und zusammen mit Freunden noch ein Haus auf dem Land, sagen meine Gastgeber am ersten Tag mittags beim Essen zu mir.In der Schwalm. Klein und alt und für die Wochenenden beinah schon ein bißchen zu weit. Ein Fachwerkhaus mit spitzem Giebel und kleinen Fenstern. Und ein Gärtchen dabei und im Gärtchen die Jahreszeiten. Vielleicht bald einmal zusammen hinfahren, sagen sie. Mit den Kindern. Wenn es jetzt wärmer wird. Görzhain heißt das Dorf. In der Schwalm sind die Winter länger. Schön, daß Carina und Domi sich so gut verstehen. Als Gast, wie lang bleibt man als Gast? Mittag, der erste Tag. Mit meinen Gastgebern essen und nach dem Essen noch jeder einen Kaffee.“


Peter Kurzeck (10 juni 1943 – 25 november 2013)

 

De Kroatische dichter en diplomaat Antun Mihanović werd geboren in Zagreb op 10 juni 1796. Zie ook alle tags voor Antun Mihanović op dit blog.

 

Ons mooie vaderland

Ons mooie vaderland,
Zo onverschrokken en verfijnd,
De oude glorie van onze vaders,
moge u voor altijd gelukkig zijn.
Beste, u bent voor ons als enige glorieus,
U bent ons als enige lief,
Beste, waar u een vlakte bent,
Beste, waar u een berg bent.
Drava, Sava, blijf stromen,
Noch de Donau verliest kracht.
Diepe blauwe zee, vertel de wereld,
Dat een Kroaat van zijn volk houdt.
Zolang z’n gebieden in de zonneschijn warm zijn,
Zolang z’n eiken door wilde winden worden geschud,
Zolang z’n doden in graven verborgen liggen,
Zolang zijn levende hart slaat.


Antun Mihanović (10 juni 1796 – 14 november 1861)

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Vlaamse dichter Tijl Nuyts werd geboren in 1993. Zie ook alle tags voor Tijl Nuyts op dit blog.

 

Safra

het tetragrammaton licht op in het duister
zon breekt als een stralend mes in onze ogen

onder de trompetboom drinken we zwart vocht
en lezen boeken vol mensenproza
de tijd is een tumor die de taal in een hoek drukt

ik zal jullie vertellen wat ik gisteren zag
vanuit mijn zetel van bruine skai, in de schaduw van de ficus:

een kleuter-krijger liep over het hete asfalt de rotonde op
en slalomde tussen de auto’s

toen hij stilstond op het riooldeksel was de straat leeg
het ene moment stond hij gewoon naast de brievenbus en de kriekelaar
het volgende werd hij opgegeten door papier

(het klinkt raar, ik weet het, maar zo ging het):

boodschappenlijsten, doktersvoorschriften, boeken over ibn ‘arabi
werden aangeblazen door de lome wind en drukten zich op zijn
zomerarmen, -benen, -schouders, -hoofd, -romp, -handen, -voeten;
de bladen bezetten zijn lichaam met kleur en lastlijn

de kleuter-krijger werd volledig gemummificeerd

toen het oud papier even later wegwaaide
was de kleuter-krijger verdwenen

 
Tijl Nuyts (Kortrijk (?), 1993)

Maarten Doorman, Paul Beatty, Xander Michiel Beute, Anton Roothaert, Mirko Bonné, Curzio Malaparte, Jian Ghomeshi, Charles Webb, Rudolf Borchardt

De Nederlandse dichter, schrijver, criticus en filosoof Maarten Doorman werd geboren op 9 juni 1957 in Medina Sidonia (Spanje). Zie ook alle tags voor Maarten Doorman op dit blog.

 

IJskristallen

Zo koud werd het in huis,
zo koud als de winter
dat we vastvroren
aan elkaar.

Elke poging tot een gebaar
ging verloren in
splinters ijs op de huid.
Elk geluid werd flinterdun.

Toen de dooi inviel
smolt ook de glasheldere pijn
die ons zo omzichtig had aangeraakt.

O, dat ijskoud liefhebben
dat mijn samenzijn met jou
mogelijk maakt, onmogelijk maakt.


Ingevroren, bewaard (1)

Langs de slootrand gleed ik
naar beneden, gehurkt
op het ijs.
Alles was heel wit.

Ik wiste de sneeuw van het water
tot ergens zichtbaar
de diepte werd.

Daar zat een kikker heel stil
onder mijn voet, hij staarde
naar belletjes in het loden licht.

Koud streelde mijn kleine hand
het harde oppervlak.
Wij keken een andere kant op,
ik tegemoet.

  

Ingevroren, bewaard (2)

Zo had ik kort daarvoor gelegen
in het ziekenhuis,
een beetje schuin
bij een wand van glas.

Daarachter mochten mensen
bewegen: ik in mijn eigen verband
gewikkeld
peilde nog niet de afstand.

Die bleek heel klein,
ook toen de ruit weg was
lieten ze mij niet vallen.

Alleen op het ijs was ik alleen
met mijn dodehand.


Maarten Doorman (Medina Sidonia, 9 juni 1957)

 

De Amerikaanse schrijver Paul Beatty werd geboren op 9 juni 1962 in Los Angeles. Zie ook alle tags voor Paul Beatty op dit blog.

Uit: De verrader (Vertaald door Gerda Baardman en Bart Gravendaal)

“Je hoort te huilen als je vader sterft. Het systeem te vervloeken omdat je vader dood is door toedoen van de politie. Je beklagen dat je tot de lagere middenklasse behoort en kleurling bent in een politiestaat die alleen rijke blanken en filmsterren van elk ras beschermt, al kan ik me even geen enkele Aziatisch-Amerikaanse ster voor de geest halen. Maar ik huilde niet. Ik dacht dat zijn dood een truc was. Een van zijn ingewikkelde plannetjes om me iets te leren over de positie van het zwarte ras en me te stimuleren iets van mezelf te maken, ergens verwachtte ik dat hij zou opstaan, het stof van zijn pak zou kloppen en zeggen: ‘Kijk nigger, als dit de slimste zwarte ter wereld kunt overkomen, stel je dan eens voor wat jij aan jouw stomme reet kan krijgen. Dat racisme dood is betekent niet dat ze niet nog steeds niggers zonder aanleiding neerschieten.’
Nou, wat mij betreft zal dat hele zwart-zijn me aan mijn reet roesten. Tot op heden heb ik, als het volkstellingsformulier weer eens in de bus valt, bij de vraag over ‘RAS’ altijd het vakje ‘anders’ aangevinkt en trots ‘Californiër’ ingevuld. Natuurlijk kwam er dan twee maanden later een volksteller aan de deur, die één keer naar me keek en zei: ‘Vuile nigger. Wat heb jij als zwarte tot je verdediging aan te voeren?’ En als zwarte heb ik nooit iets tot mijn verdediging aan te voeren. Vandaar de noodzaak van een motto dat ik, als we het hadden gehad, met geheven vuist zou uitschreeuwen om vervolgens de deur voor de neus van de overheid dicht te smijten. Maar we hebben er geen. Dus mompel ik ‘sorry’ en krabbel mijn initialen naast het vakje met ‘Zwart, Afro-Amerikaan, neger, lafaard’.
Nee, dat beetje inspiratie dat ik in het leven bezit, komt niet voort uit een gevoel van raciale trots. Het is afkomstig uit hetzelfde eeuwenoude verlangen dat grote presidenten en grote pretendenten heeft voortgebracht, en geboren captains of industry en captains van footballteams; het oedipale verlangen dat een man aanzet tot allerlei shit die we liever niet zouden doen, zoals een oefenwedstrijd basketbal spelen of met het buurjongetje op de vuist gaan, want in mijn familie beginnen we nooit, maar reken maar dat we het afmaken. Ik heb het alleen maar over die elementairste aller basisbehoeften, die van het kind om de vader te behagen.”

 
Paul Beatty (Los Angeles, 9 juni 1962)

 

De Nederlandse schrijver Xander Michiel Beute werd geboren op 9 juni 1975 te Gouda. Zie ook alle tags voor Xander Michiel Beute op dit blog.

Uit: Nachtvoorstelling

“Het is de hoogste tijd. Ik moet zo snel mogelijk naar huis. Een knal voor mijn ogen kan ik krijgen. De vuist raakt mijn voorhoofd. Ik voel het vel boven mijn wenkbrauw scheuren, mijn huid barst open. Druppels bloed lopen in mijn ogen. Het prikt. Naar huis, dat is een droom. Mijn fiets is onbereikbaar, nog geen tien nieter van me vandaan. De man heeft zijn hand op mijn borst gelegd. Mijn lichaam zit klem tussen de hand op mijn borst en de lantarenpaal in mijn rug. Die ene hand is genoeg mij volledig te bedwingen, om mij volledig de baas te zijn. Een pink zou genoeg zijn. Geruisloos vallen de vuisten in mijn gezicht. De fietssleutels in mijn broekzak steken tegen mijn bovenbeen. Dat voel ik heel duidelijk, de rest is onwerkelijk. Het is alsof ik geen lichaam meer heb. Een klap op mijn hoofd. Mijn lip barst open. Het bloed stroomt mijn mond in, de rest stroomt naar buiten en druipt langs mijn kin. Ik probeer om me heen te kijken. Mijn ogen doen pijn. Ze zitten dichtgeplakt, dikke korsten van bloed houden mijn ogen bijna gesloten… De man is niet meer alleen, het zijn er nu twee of drie. Ik probeer hun gezichten te zien, maar gezichten hebben ze niet. Handen, vuisten. Een tand haalt de binnenkant van mijn wang open. De achterkant van mijn hoofd dreunt tegen de lantarenpaal elke keer als ik geslagen word. Ik tel de slagen in mijn gezicht. De knallen voor mijn kop. Het gebonk van vuisten op mijn ogen, mijn kin, mijn wangen. Het zoute zweet prikt in de open wonden. Mijn neus gloeit. Bij de vijfde klap zak ik door mijn benen en val op de grond. Mijn hoofd hangt langs mijn romp. Ik weet mijn handen voor mijn gezicht te krijgen. Dekking hoog houden Maarten! Ik merk dat ik op de grond lig, de keien steken in mijn vlees. Mijn gezicht is bloedheet. De hitte brandt alles weg. Verschillende handen trekken me weer omhoog, opnieuw tegen de lantarenpaal. Terechtgesteld. Ik word terechtgesteld! Mensen schreeuwen. Iedereen lacht en praat door elkaar, ik kan niemand meer verstaan. Niets. Iemand schreeuwt. Het is een kreet, ik kan geen woorden ontdekken. ’Kijk me godverdomme aan als ik tegen je praat! ’ Het is de man. Dit kan niet meer, het moet ophouden. Er zit een grote rode vlek op mijn overhemd. Het is bloed. Ze slaan me dood! Een klap in mijn maag. Ik ijl door alles heen. Ogen opendoen. Helder blijven. Het is niets anders dan een stomme poging om de man die voor me staat aan te kijken. Een verblindend licht stroomt mijn kop binnen, Het suist in mijn oren. De stemmen. Ze houden niet op.”


Xander Michiel Beute (Gouda, 9 juni 1975)

 

De Nederlands schrijver en jurist Antonius Martinus Henricus (Anton) Roothaert werd geboren in Tilburg op 9 juni 1896. Zoe ook alle tags voor Anton Roothaert op dit blog.

Uit: Doctor Vlimmen

“Treeborg geraakt in de war. Hij is er maar half met zijn hoofd bij, wachtte slechts op een opening om zichzelf te gaan huldigen en nu is de ander zo onbeleefd om de aandacht af te leiden… Waarom bemoeit hij zich ook met dien veebonk?….
De veebonk ziet, dat de feut de mop niet schijnt te snappen, is onmiddellijk overtuigd, dat het wel weer aan zijn eigen onhandigheid zal liggen, laat zijn mislukte komieken-ernst los en lacht nu dwaas maar verduidelijkend.
‘O, je bedoelt het circus?’ vraagt Treeborg intelligent, grijnst noodgedwongen mee en ergert zich. Maar de bomen gaan op en Vlimmen trapt zenuwachtig op de starter. Dan, met het gevoel of iemand anders het doet, steekt hij de hand op, zegt; ‘Nou, beterschap ermee!’, schrikt er zelf van en rijdt met een warm hoofd door.
Treeborg wuift even. ‘Adieu!’ Hij verwenst den veebonk van harte en spreekt met zichzelf af, dat het de laatste keer is geweest. Toch vindt hij het eigenlijk zeer ongepast, dat iemand als Vlimmen aan hèm het land durft te hebben, of liever: niet wat meer tegen hem opziet en begint terstond weer een ander verhaal te verzinnen ter ere van hemzelf.
Onderweg begroot Vlimmen de aangerichte schade… Het is zoals gewoonlijk weer van zelf misgelopen, zonder dat hij het eigenlijk wilde. Ondanks alles heeft hij toch een beetje ondeugend plezier, nu hij na jarenlange verwaarlozing niet dadelijk een pootje heeft gegeven… Toch is het stom! Die kletsmeier gaat zich nu wreken door nog wat intenser te roddelen en de kwast is overal haantje de voorste, heeft een brede kring van invloedrijke kennissen…
Hij herinnert zich het voorlaatste treffen met Treeborg, al jaren geleden… Een rechtstreeks treffen was het niet; ze troffen elkaar langs Janus Oerlemans van de Groenen Hoek.”


Anton Roothaert (9 juni 1896 – 29 maart 1967)

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Mirko Bonné werd op 9 Juni 1965 in Tegernsee / Oberbayern. Zie ook alle tags voor Mirko Bonné op dit blog.

Uit: Lichter als der Tag

“Aus der Zeit, als er noch ein Junge gewesen war, kannte er ein Licht, das fand er später für sehr lange Zeit nur in der Bahnsteighalle seiner Stadt wieder, und auch nur an bestimmten Tagen. Er dachte oft darüber nach, woran es lag, dass etwa ein Tag Ende April dieses Leuchten hatte, aber einer Anfang Mai nicht. Doch er wartete auch einfach gern, und wenn er in der Mittags-pause mit der U-Bahn vom Hafen zum Hauptbahnhof fuhr, dann war er umso froher, wenn das Licht über-raschend da war. Einmal hatte er als Gymnasiast ein ähnliches Leuchten auf einem alten Gemälde gesehen, vor dem in einer Aus-stellung über Landschaftsmalerei seine Kunstlehrerin stehen geblieben war, um der Klasse etwas über den Impressionismus und seine Vorläufer zu erzählen. Das Bild, nicht sehr groß und eher unscheinbar, stammte von Camille Corot, spätsommerliche Bäume stellte es dar, Pappeln, Robinien, in der Ferne eine Hügelkette und im Vordergrund den Rand eines Feldes, an dem ein Land-arbeiter Getreide schnitt und eine Frau mit Kleid, Schürze und einer Haube auf dem Kopf dem Mann zusah. Wei-zenfeld im Morvan — was das bedeutete, wusste niemand, bis Moritz, sein bester Freund, ihnen erklärte, der Mor-van sei ein Landstrich im Burgund, ein mittelfranzösi-sches Granitmassiv. Auf Corots Gemälde schien alles in ein Licht getaucht, als würde man durch ein Fenster auf einen Sommertag blicken, der längst vergangen war und zugleich bis heute anhielt.
Der Himmel über der Stadt erschien Raimund Merz nie riesig oder gar endlos, selbst dann nicht, wenn er so hell-blau war wie das Kleid der Frau am Rand des Weizenfel-des auf dem Bild. Am Horizont, Richtung Hafen und Elbe, war allerdings des öfteren ein rosiger Schimmer zu sehen, und schon als Junge, wenn er mit den anderen Kin-dern über die Redder der Feldmark gelaufen war, hatte er sich an der Pracht des Hamburger Himmels gar nicht sattsehen können. Raimund Merz hatte nur wenig ver-misst, als er nach dem Abi und dem Zivildienst für ein paar verschenkte Semester nach England ging, angeblich um Biologie zu studieren; aber dieses Heimweh, eigent-lich ein Lichtweh, war nicht besser geworden, als er mit Mitte zwanzig zurückkam und für ein knappes Jahrzehnt nach Berlin zog, weil seine Frau es für ihren Werdegang und auch seinen vorteilhaft fand, wenn sie eine Zeit lang dort lebten, wo jeder lebte, der etwas aus sich und seinem Leben machen wollte. Merz hatte diesen um sich selbst kreisenden Ehrgeiz nicht. Floriane hatte ihn nach England begleitet. NVihrend er das Studium hinwarf und anfing, lustlos bei Zeitschriften zu jobben, studierte sie in Birmingham Zahnmedizin und auf Anraten ihrer Mutter dazu auch gleich Medizin. Von Anfang an sollte Flori Kieferchirurgin werden. Er blickte stattdessen in den Himmel und die Wollten an.“


Mirko Bonné (Tegernsee, 9 juni 1965)
Cover

 

De Italiaanse schrijver van Duitse afkomst Curzio Malaparte (pseudoniem van Kurt Erich Suckert) werd geboren in Prato Toscane, 9 juni 1898. Zie ook alle tags voor Curzio Malaparte op dit blog.

Uit: Kaputt (Vertaald door Hellmut Ludwig)

„Die Birkenruten hinterließen auf diesem schwammigen Fleisch ihre weißen Spuren, die sodann rot wurden und verschwanden. Ein beweglicher Wald von Birkenlaub erschien und verschwand an Himmlers Haut. Die nackten Männer hoben und senkten die Geißeln mit wütender Heftigkeit: Der Atem entfuhr mit kurzem Zischen ihren geschwellten Lippen. Himmler versuchte anfangs, sich abzuschirmen, indem er das Gesicht mit den Armen verdeckte und lachte; aber es war ein gezwungenes Lachen, das Wut und Angst verriet. Dann, als die Gerten ihm die Flanken peitschten, wand und krümmte er sich nach allen Seiten, schützte sich den Bauch mit den Ellbogen, stellte sich auf die Fußspitzen, zog den Hals zwischen die Schultern und lachte unter den Peitschenschlägen sein hysterisches Lachen, so als litte er mehr unter dem Kitzeln als unter den Streichen der Birkenreiser. Schließlich erspähte Himmler die offene Saunatür hinter uns und, die Arme vorstreckend, um sich Platz zu schaffen, bahnte er sich einen Weg, erreichte die Tür und, verfolgt von den nackten Männern, die nicht abließen, auf ihn einzupeitschen, entfloh er laufend zum Fluß hinüber und sprang ins Wasser.“


Curzio Malaparte (9 juni 1898 – 19 juli 1957)
Cover

 

De Canadese schrijver, muzikant en tv-en radiopresentatorpresentator Jian Ghomeshi werd geboren op 9 juni 1967 in Londen en groeide op in Thornhill, Ontario. Zie ook alle tags voor Jian Ghomeshi op dit blog.

Uit: 1982

“Mitch Toker carried a knife & had a reputation for being ‘wild’.  I had secretly hoped that Mitch would hook up with my older sister, Jila, when I was in Grade 7.  That way, he would have to like me so my sister wouldn’t break up with him.  I tried to get them together on at least 3 occasions.  But one day, when Jila came to meet me at Toke’s house on our way to the mall, Mitch made the wrong move.  Seems that as Jila was waiting outside, Mitch called down to her while hanging out of one of the upper windows with no clothing on.  Jila did not witness his whole naked body, but she could certainly see his bare chest…She [later] explained that she had not been impressed with Mitch’s insistence upon ‘dangling from the window & displaying his naked torso’… Things didn’t look too positive after that for a Mitch & Jila romance.”
(…)

“Experiencing a loss can make you forget about putting on airs. Maybe that’s what happened after I lost my Adidas bag. [Forbes threw it at Joan Jett during her set with The Blackhearts at the 1982 Police Picnic concert at the CNE.] Or maybe it was a genetic predisposition to react calmly to catastrophe. My father had a knack for bringing calm to a storm. He could react with impressive composure when truly horrible things went down…My father could be calm when we needed him to be. Maybe that had rubbed off on me.”

 
Jian Ghomeshi (Londen, 9 juni 1967)

 

De Amerikaanse schrijver Charles Webb werd geboren op 9 juni 1939 in San Francisco. Zie ook alle tags voor Charles Webb op dit blog.

Uit: The Graduate

“Ben?” Mr. Robinson said, holding out his hand. “I’ve got a client waiting for me over in Los Angeles.” Benjamin nodded and shook his hand. “Real proud of you boy,” Mr. Robinson said. Benjamin waited till he had gone out the door, then turned around and walked upstairs and into his room. He closed the door behind him and sat down at his desk. For a long time he sat looking down at the rug, then he got up and walked to the window. He was staring out at a light over the street when the door opened and Mrs. Robinson stepped inside, carrying a drink and her purse. “Oh,” she said. “I guess this isn’t the bathroom is it.” “It’s down the hall,” Benjamin said. She nodded but instead of leaving the room stood in the doorway looking at him “It’s right at the end of the hall,” Benjamin said. Mrs. Robinson was wearing a shiny green dress cut very low across her chest, and over one of her breasts was a large gold pin. “Don’t I get to kiss the graduate?” she said. “What?” She smiled at him. “Mrs. Robinson,” Benjamin said, shaking his head. “I’m kind of distraught at the moment. Now I’m sorry to be rude but I have some things on my mind.” She walked across the room to where he was standing and kissed one of his cheeks. “It’s good to see you,” Benjamin said. “The bathroom’s at the end of the hall.” Mrs. Robinson stood looking at him a moment longer, then turned around and walked to his bed. She seated herself on the edge of it and sipped at her drink. “How are you,” she said. “Look,” Benjamin said. “I’m sorry not to be more congenial but I’m trying to think.” Mrs. Robinson had set her glass down on the rug. She reached into her purse for a package of cigarettes and held it out to Benjamin. “No.” She took one for herself. “Is there an ash tray in here?” “No.” “Oh,” she said, “I forgot. The track star doesn’t smoke.” She blew out her match and set it down on the bedspread. Benjamin walked to his desk for a wastebasket and carried it to the bed. He picked up the match and dropped it in.”


Charles Webb (San Francisco, 9 juni 1939)
Luke Guldan als Benjamin en Judith Lightfoot Clarke als Mrs. Robinson in een uitvoering van The Graduate inIvoryton, Essex, Connecticut, 2012

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Rudolf Borchardt werd geboren op 9 juni 1877 in Königsberg. Zie ook alle tags voor Rudolf Borchert op dit blog.

 

Die September Sonette

I
Vom Tage nährt sich schon die Nacht verstohlen;
Schlaflose Stürme laufen in den Gärten
Und holen mich auf ihre blassen Fährten.
Ich binde mir die Flügel an die Sohlen
Und bin hinaus — (doch träum ich wohl). Mich holen
In ihre Reigen andere Gefährten —
Wo sah ich sie, die sich gleich Sternen mehrten
An heißen Abenden? — Ein Atemholen

Und alles hin, wie Duft. Ich bin ganz wach
Und weiß, ich geh, und sag: „Noch heute nur!”
Von Stunden ein verfließendes Gesind
Schwebt tönend fort durch Kammer, Tor und Flur.
Ich spüre vom erhobenen Gemach
Atmende Nacht und Bäume ohne Wind.

II
Atmende Nacht und Bäume ohne Wind
Verführen mich, an deinen Mund zu denken,
Und daß die Pferde, mich hinweg zu lenken,
Schon vor den Wagen angebunden sind;

Daß alles uns verließ, wie Wasser rinnt,
Daß von dem Lieblichsten, was wir uns schenken,
Nichts bleiben kann und weniges gedenken:
Blick, Lächeln, Hand und Wort und Angebind;

Und daß ich so einsam bekümmert liege,
Und dir so fern, wie du mir fern geblieben —
Die Silberdünste, die den Mond umflügeln,
Sind ihm so ferne nicht, als ich dir fliege,
So ferne Morgenrot nicht Morgenhügeln,
Als diese Lippen deinen, die sie lieben.


Rudolf Borchardt (9 juni 1877 – 10 januari 1945)
In 1935

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e juni ook mijn vorige blog van vandaag.