In Memoriam T. van Deel

In Memoriam T. van Deel

De Nederlandse dichter en literair criticus T. van Deel is overleden, meldde uitgeverij Querido vrijdag. Hij stierf maandag op 74-jarige leeftijd in Amsterdam. Zie ook alle tags voor T. van Deel en ook voor Tom van Deel op dit weblog.

Epithalamion

Twee schelpen wordt er wel gezegd
die ooit aaneen ooit vanelkaar maar
nu ten slotte. Of zou het eigenste,
het duplicaat, nu juist geen ring, geen
nest of huis, geen woning zijn, alleen
verveelde spiegeling. Wat heel niet past
maar toch gelijkt, aantrekt, vervoert
is waard om goed bezegeld, bestreden
en bemind, in eindeloze aandacht
beslist omarmd te houden. Twee schelpen ja
maar twee in hoogst verrukt onpassen.

 

Gebeurtenis

Op zoek naar een gebeurtenis
genoeg voor dit gedicht
kwam ik een koolmees tegen
Ik bukte en bekeek hem
van dichtbij wat nader
en zag dat hij ging sterven
Zijn oog liet mij dat weten
Hij beefde in zijn veertjes
en kon niet meer bewegen
Iets in hem was fel bezig
de overhand te nemen
Ik heb hem daar gelaten
boven de koude steen

 

Vooruitzicht

Hoe plezierig is het niet om iets
in het vooruitzicht te hebben, een
veldje met pas begonnen bloemen, of
een berg die naar behoren de lucht
in steekt. Het is alsof de wereld met
zulke gunstbewijzen aan het tijdelijke
zich verontschuldigt voor het wrede
dat haar eigen is. Want meestal
zien we weinig, is het donker, nacht.
Er is zeker durf, en zelfs wel moed,
voor nodig om het veldje in te lopen
of de berg te beklimmen, wetend dat
ze daarmee voorgoed voorbij zulen zijn.

Tom van Deel (21 februari 1945 – 12 augustus 2019)


Dolce far niente, Cicero, Wolf Wondratschek, Danielle Steel, Erwin Strittmatter, Sir Walter Scott

Dolce far niente

“Cicero veroordeelt Catilina”. Fresco door Cesare Maccari, 1888

 

Uit: Tegen Catilina

“Catilina, hoe lang nog, in ’s hemelsnaam, ga je ons geduld misbruiken? Hoe lang nog gaat jouw razernij ons ontwijken? Hoe lang nog zal die ongebrijdelde durf van jou zich opwerpen? Heeft de nachtelijke bezetting van de Palatijn je niets gedaan, noch de wachtposten van de stad, noch de vrees van het volk, noch de samenkomst van alle republikeinen, noch de superversterkte plaats om de senaatszitting te houden, noch de gelaatsuitdrukking van dezen? Merk je niet dat je plannen uitgelekt zijn? Zie je niet dat jouw samenzwering reeds volledig lam ligt door de kennis van al dezen hier? Wie van ons, denk je, weet niet wat je vorige nacht en die daarvoor gedaan hebt, waar je was, wie je bijeengeroepen hebt, welk plan je beraamd hebt?

O tijden! O zeden! De senaat weet het, de consul ziet het; toch leeft hij. Leeft hij? Wat zeg ik? Hij komt zelfs naar de senaat, participeert aan de staatsbeslissingen, merkt en duidt eenieder van ons met zijn ogen ten dode. Wij echter, sterke mannen, hebben de indruk voldoende te doen voor de republiek als we zijn waanzin en zijn moordtuig vermijden. Het moest al lang dat jij, Catilina, op bevel van de consul tot de dood zou worden geleid en dat de pest, die jij al lang tegen ons allen beraamt, op jouw hoofd zou neerkomen.

Is het niet zo dat de zeer achtenswaardige man, Publius Scipio, de hoogste hogepriester, als ambteloos burger, Tiberius Gracchus heeft laten vermoorden, en dat deze slechts in geringe mate de republiek heeft doen wankelen; zullen wij, consuls, Catilina dulden, die heel de wereld verlangt te verwoesten door moord en brand? En dan ga ik nog voorbij aan al te oude precedenten, hoe Caius Servilius Ahala Spurius Maelius, die ijverde voor hervormingen, met zijn eigen handen heeft vermoord. Er was, er was ooit in deze republiek die deugd dat dappere mannen een verderfelijk burger met strengere straffen beteugelden dan de vreselijkste vijand. We hebben een hard en streng senaatsbesluit tegen jou, Catilina; het ontbreekt de republiek niet aan beleid, noch aan gezag van deze orde; ik zeg openlijk dat wij, consuls, dat wij in gebreke blijven.”

Cicero (3 januari 106 v. Chr. – 7 december 43 v. Chr.)

 

De Duitse dichter en schrijver Wolf Wondratschek werd geboren op 14 augustus 1943 in Rudolstadt. Zie ook alle tags voor Wolf Wondratscheck op dit blog.

Uit: Das Geschenk

Geld, hatte d’Amato gesagt, ist nur zu einem gut, daß man es von einem Zug aus Fremden zuwirft. Was ganz das war, was Chuck dachte. Es ging weiter. Es hörte nicht auf. Nichts hörte auf, nicht plötzlich. Es gab immer eine Chance zu reagieren, und noch eine. Er kannte das. Und keinem erzählte er es lieber als seinem Sohn. Wichtiger als Geld war die Ruhe dessen, der keines hat. Sein Sohn suchte gerade den Tisch nach einem Wurfgeschoß ab, um die Fliege zu treffen, die eine undichte Stelle in der Fensterscheibe vermutete und sie deshalb inimmer neuen Attacken danach absuchte, bevor sie aufgab und zur Decke hinauf abdrehte. Die angebrochene Tafel Schokolade, die herumlag, interessierte ihn nicht, nur das Stanniolpapier, von dem er eine Ecke abriß und,ein Auge immer der Flugbahn der Fliege folgend, zu einem Kügelchen zusammenrollte. Geld verdirbt einem die Armut, sagte Chuck, und meinte es so. Es muß etwas bleiben, was man nicht hat, und nicht leicht bekommen kann, nicht zu seinen Bedingungen. Geld kostet was. Geld hat Hunger. Es ist eine Bestie. Es frißt dich auf. Es frißt, was es kriegt, deinen Verstand, dein Herz, deine Seele. Was bleibt, ist nichts, nur Angst, nackte Angst. Und was tut ein Mensch, der Angst hat? Er bewaffnet sich. Und mit was? Mit Geld! Er wollte wissen, ob sein Sohn darüber schon einmal nachgedacht habe, über Geld, über das, was Geld will, was es bedeutet, was es einem wert war. Man sagt, daß Geld Sicherheit bedeutet. Kann sein. Fragt sich nur, und ich frage das jetzt dich, wie abgesichert willst du leben? Wie viel Sicherheit ist sicher? Der Junge wirkte bedrückt. Was Geld wert war? Was man, wenn man sie hätte, mit einer Million anfinge, meinte er das? Was war das, ein Verhör? Gab es, vorausgesetzt, man hatte Lust, sich darüber Gedanken zu machen, eine Antwort? Und welchen Sinn hätte sie? Es würde der Antwort, falls er eine hätte, nur die nächste Frage folgen, und noch eine. Oder nicht ? Oder etwa nicht? Nachgedacht, fragte er, warum? Was war damit? Was sollte damit sein? Was gingen ihn die Vor- oder Nachteile einer Sache an, die ihn nichts anging? Und außerdem, sah sein Vater nicht, mit was er beschäftigt war, daß es nur eine Frage der Zeit sein konnte, wann sich die Fliege auf dem Tisch niederlassen würde? Er brachte also besser schon mal seine Munition in Stellung. Warum ? Weil es dein Leben kosten kann, mein Sohn, darum! Soweit er seinen Vater einschätzen konnte, war das seine Art, sich in seine Erziehung einzumischen. Er hatte immer solche Ideen, große Ideen. Und immer war man, wenn man sich darauf einließ, der Dumme. Man ging also besser in Deckung. Was für ein Leben? Deines. Damit niemand kommt und es stiehlt ! Oder kauft! Damit es dir gehört, allein dir, und nicht eines Tages einem anderen, einer Firma, einem Konzern, einer Regierung! Deshalb! Du wirst herausfinden müssen, was das ist, Geld, was dich daran interessiert.“

Wolf Wondratschek (Rudolstadt, 14 augustus 1943)

 

De Amerikaanse schrijfster Danielle Steel werd geboren in New York op 14 augustus 1947. Zie ook alle tags voor Danielle Steel op dit blog.

Uit: Lost and Found

“Madison Allen lived in an old brick firehouse in the West Village in downtown New York, a few blocks east of the Hudson River. The firehouse was a hundred years old. It had been a departure for Maddie, after living on the Upper East Side most of her life. She had raised her three children in a comfortable although not luxurious apartment, in a serious-looking prewar building. Buying the firehouse downtown had been an act of independence for her, and it had become a labor of love. She had bought it fifteen years before, when her youngest child, Milagra, had left for college. Her older two, Deanna and Ben, were twenty and twenty-one when she bought it, and still came home for school holidays. Two years later, they had moved into their own apartments, and never came home to live again after they had graduated.
Deanna moved in an apartment in Chelsea and got a job as an assistant designer for a successful contemporary fashion brand that was popular with young women. She had gone to Parsons School of Design and had real talent. She was fiercely competitive with other designers and single-minded with her love of fashion, always focused on her own success. She was less intellectual than her brother and sister. Ben, her younger brother, had a keen instinct for business and had done well. Milagra, the youngest, had been writing since she was fifteen, and her first novel was published by the time she was nineteen. All three of Maddie’s children were very different from each other, with their interests in design, business, and literature. Unlike her younger siblings, Deanna had a killer instinct.
After graduating from Berkeley, Ben had decided to stay in San Francisco, in the world of start-ups. He swore he’d never come back to New York to live, and he hadn’t. He loved the outdoors, California life, and the high-tech world. He was a kind and loving person, a good husband and father, and caring son, although Maddie seldom saw him, and rarely contacted any of them. She didn’t want to intrude on them now that they were adults, and most of the time waited to hear from them. Sometimes it was a long wait, so she called them. But she held out as long as she could.
Milagra had gone to UCLA, taken postgraduate writing classes at Stanford, and moved to Mendocino in northern California. She needed isolation to write her books, and silence. So Maddie heard from her the least often.
Maddie would have rattled around her old apartment alone, like a marble in a shoebox, if she’d stayed there. When she moved downtown, her children had been shocked, and objected strenuously. They felt awkward in their mother’s new and somewhat unusual home. But she was firm about it and knew it was right for her at the time and they would adjust to it eventually. And as she knew they would, they grew up and left.”

Danielle Steel (New York, 14 augustus 1947)
Cover

 

De Duitse schrijver Erwin Strittmatter werd geboren op 14 augustus 1912 in Spremberg. Zie ook alle tags voor Erwin Strittmatter op dit blog.

Uit: Der Laden

„Der Möbelwagen ist ein Haus auf Rädern; sein Dach ist gewölbt, an seiner Vorderseite, hoch über den Pferden, ein Sitz für vier Kutscher. Es sind Männer mit Bauerngesichtern und Lederschürzen, stämmig, gewaltig, krummbeinig, vom Lastentragen erdwärts gedrückt, und alle sind Sorben vom Lande, die in der Kleinstadt nach Glück fischen.
Die Räder des Möbelwagens sind athletisch. Ihre metallenen Reifen rieben sich an den Landstraßensteinen silberig; auch die Steine werden was von der Reibung gehabt haben, aber unsere Augen sind grob, sie sehen die Reibspuren auf den Straßensteinen nicht.
Vor dem Möbelwagen stehen sechs Belgierpferde, sie stehn in zwei Reihen und haben gespaltene Kruppen. Eine Hirschlaus krabbelt durch das Brusthaar eines Braunschimmels. Vielleicht fürchtet sie sich so wie ich, wenn ich durch eine finstere Waldschlucht muß?
Von den Flanken der Pferde steigt Dunst auf. Der Dunst ist wie mit Nadeln versetzt, und die Nadeln sticheln in meiner Nase.

Ammoniak, sagt die Mutter. Was hilfts? Es stichelt.
Die gelösten Zugstränge liegen über den Rücken der Gäule; sie klirren leise, wenn die Tiere atmen, und sie klirren laut, wenn die Pferde sich schütteln. Die Köpfe der Pferde stecken bis zu den Augen in Futterbeuteln, und die Tiere prusten in den Häcksel, um an die Haferkörner zu kommen. Sogleich nässen die Kutscher das Futter, gießen je einen Schwapp Wasser in die Freßsäcke, und Häcksel und Hafer sind nicht mehr zu trennen. Die Steppe, die Pferdeweide von einst, ist auf einen Raum, der in einem Futtersack Platz hat, zusammengedrängt.
Das schreibst du heute, sagt mein Sohn, aber hast dus damals so gesehen?
Ich habe es damals so gesehen, aber ich sagte es nicht; ich fürchtete mich vor dem Ausgelächter.
Einmal bewirtete mich die Vatermutter, von uns die Amerikanische genannt, mit Milchsuppe, und ich löffelte die Suppe langsam, weil sie einen Beigeschmack hatte.“

Erwin Strittmatter (14 augustus 1912 – 31 januari 1994)
Spremberg

 

De Schotse dichter en schrijver Sir Walter Scott werd geboren in Edinburgh op 14 augustus 1771. Zie ook alle tags voor Sir Walter Scott op dit blog.

Uit: Ivanhoe

“And where sleeps Gurth the swineherd?” said the stranger. “Gurth,” replied the bondsman, “sleeps in the cell on your right, as the Jew on that to your left; you serve to keep the child of circumcision separate from the abomination of his tribe. You might have occupied a more honourable place had you accepted of Oswald’ s invitation.” “It is as well as it is,” said the Palmer; “the company, even of a Jew, can hardly spread contamination through an oaken partition.” So saying, he entered the cabin allotted to him, and taking the torch from the domestic’s hand, thanked him, and wished him good-night. Having shut the door of his cell, he placed the torch in a candlestick made of wood, and looked around his sleeping apartment, the furniture of which was of the most simple kind. It consisted of a rude wooden stool, and still ruder hutch or bed-frame, stuffed with clean straw, and accommodated with two or three sheepskins by way of bed-clothes. The Palmer, having extinguished his torch, threw himself, without taking off any part of his clothes, on this rude couch, and slept, or at least retained his recumbent posture, till the earliest sunbeams found their way through the little grated window, which served at once to admit both air and light to his uncomfortable cell. He then started up, and alter repeating his matins, and adjusting his dress, he left it, and entered that of Isaac the Jew, lifting the latch as gently as he could. The inmate was lying in troubled slumber upon a couch similar to that on which the Palmer himself had passed the night. Such parts of his dress as the Jew had laid aside on the preceding evening, were disposed carefully around his person, as if to prevent the hazard of their being carried off during his slumbers. There was a trouble on his brow amounting almost to agony. His hands and arms moved convulsively, as if struggling with the nightmare; and besides several ejaculations in Hebrew, the following were distinctly heard in the Norman-English, or mixed language of the country: “For the sake of the God of Abraham, spare an unhappy old man! I am poor, I am penniless — should your irons wrench my limbs asunder, I could not gratify you!” The Palmer awaited not the end of the Jew’s vision, but stirred him with his pilgrim’s staff. The touch probably associated, as is usual, with some of the apprehensions excited by his dream; for the old man started up, his grey hair standing almost erect upon his head, and huddling some part of his garments about him, while he held the detached pieces with the tenacious grasp of a falcon, he fixed upon the Palmer his keen black eyes, expressive of wild surprise and of bodily apprehension.”

Sir Walter Scott (14 augustus 1771 – 21 september 1832)
Roger Moore als Ivanhoe in de tv-serie (KRO, 1961-1964)

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e augustus ook mijn blog van 14 augustus 2018 en ook mijn blog van 14 augustus 2016 deel 1 en ook deel 2.

Georg-Büchner-Preis voor Lukas Bärfuss

Georg-Büchner-Preis voor Lukas Bärfuss

De Zwitserse schrijver en dramaturg Lukas Bärfuss krijgt de Georg-Büchner-Preis 2019. Lukas Bärfuss werd geboren op 30 december 1971 in Thun. Zie ook alle tags voor Lukas Bärfuss op dit blog.

Uit: Hagard

„Seit viel zu langer Zeit versuche ich, Philips Geschichte zu verstehen. Ich will das Geheimnis lüften,
das in ihr verborgen ist. Ein ums andere Mal bin ich gescheitert und konnte das Rätsel jener Bilder nicht entschlüsseln, die mich heimsuchen, Bilder der Grausamkeit und der Komik, wie in jeder Erzählung, in der das Begehren auf den Tod trifft.
Ich weiß alles, und ich begreife nichts. Ich kenne die Abfolge der Ereignisse. Ich weiß, wie die Geschichte anfängt, ich kenne den Tag und ich kenne den Ort: Es ist der Brezelstand vor dem Warenhaus beim Bellevue. Ich weiß, wann sie ihr Ende findet, nämlich sechsunddreißig Stunden später, am frühen Donnerstagmorgen des dreizehnten März auf einem Balkon irgendwo in der Vorstadt. Auch die Ereignisse, die dazwischen liegen, sind geklärt: die Sache mit dem Pelz, die erste kalte Nacht im Wagen, die fehlende Börse, die Elster, der verlorene Schuh, der tote japanische Mathematiker – all dies liegt offen zu Tage. Die Umstände aber, die Bedingungen, die jene Ereignisse ermöglicht haben, bleiben verborgen. Und je gründlicher ich die Einzelheiten kläre, umso schemenhafter wird die Welt, in der sich die Geschichte ereignete. Man könnte denken, es gehe mir wie jenem, den die Redensart beschreibt; doch der Wald, darauf bestehe ich, ist eine reine Behauptung, ein abstraktes System, das in der Wirklichkeit nicht zu finden ist. Der Wald zerfällt in lauter Bäume, genau wie der Himmel in Planeten zerfällt, in Sterne und Meteore.
Nach meinen vergeblichen Versuchen, einen Zusammenhang in den Bildern zu finden, bin ich zum Schluss gekommen, dass es weniger diese Geschichte als solche ist, die ich nicht verstehe, und es vielmehr darum geht, meine Verstrickung zu erklären, herauszufinden, was sie mir sagen wollen, diese Erscheinungen, die mich berücken, verzaubern und einige Male an den Rand des Wahnsinns geführt haben. Meine Existenz hängt an dieser Geschichte, so rede ich mir ein, und gleichzeitig weiß ich, wie lächerlich ich bin und dass ich nichts zu fürchten habe, dass ich die Ereignisse jener Märztage ruhen lassen könnte und mir nichts geschehen würde, ich mein Leben weiterführen könnte wie bisher. Tatsächlich wäre ich gerettet, wenn ich eingestehen könnte, an Philips Geschichte gescheitert zu sein. Sie ist zu groß für mich – obwohl sie ganz einfach erscheint. Es ist, als ob ich bei jedem Versuch etwas vergessen würde, eine Einzelheit, die unerlässlich ist, als ob ich ein Zeichen verlöre, das mich auf die richtige Spur führt. Ich weiß, wie oft ich es geschworen und mich damit belogen habe wie ein Trinker, der sich mit dem letzten Glas betrügt. Ich bin ein Spieler knapp vor dem Bankrott, der ein letztes Mal die Karten geben lässt – einen Versuch will ich noch wagen, einmal noch werde ich die Ereignisse auferstehen lassen, einmal noch, und dann soll es damit sein Bewenden haben.“

Lukas Bärfuss (Thun, 30 december 1971)


In Memoriam R.A. Basart

In Memoriam R.A. Basart

De Nederlandse dichter en schrijver R.A. Basart is dinsdag op 72-jarige leeftijd overleden. R.A. Basart werd op 2 september 1946 in Amsterdam geboren. Zie ook alle tags voor R. A. Basart op dit blog.

Berichten

1
Weer met de zon voor niks vroeg opgegaan;
de ganse dag vergeefs gewacht
op de Messias.
Nu daalt de duisternis, als stof,
op wat geen schaduw is van vroeger.

2
Bedankt. Maar in de gloria… nee, niet
bepaald. Ik zit hier maar te zitten met je
natte ansicht op mijn schoot, tuur in de

kille achtertuin en luister naar de kolen
die verschuiven in ’t fornuis, waarbij, o,
eeuwig de pantoffels smeulen… (Zeg

nu zelf: wat leven is dat voor een boerjongkerel!)
En telkens weer probeer ik
kom terug te schrijven – tevergeefs, het

zal je nooit bereiken, nooit zolang mijn
linkerhand de rechter achtervolgt op het
papier en uitwist wat zojuist geschreven is.

 

Omne animal

Wat meer beangstigt dan:
ik zal er niet meer zijn, is
de gedachte: alles gaat dood-
gewoon door, zei zij, droogde
haar navel, gaapte, wond
de wekker op.

R.A. Basart (2 september 1946 – 25 juni 2019)


In Memoriam Leo Herberghs

In Memoriam Leo Herberghs

De Nederlandse dichter en schrijver Leo Herberghs is in de nacht van vrijdag op zaterdag overleden. Hij was 94 jaar. Zie ook alle tags voor Leo Herberghs op dit blog.

oude wandelingen

maar de wind is een adelaar
die op ons jaagt, die ons kaal
plukt. we leggen onze snavel
tegen onze borstveren aan

de wind naait met zijn naaigaren
onze ogen dicht. wij draaien
rond een met zilver beslagen
kerktoren die we niet naderen

weggelegd worden we in de laden
van wind en weggedragen
in de diepste aardlagen.
niemand die ons terugvindt

 

Portret van een landschap        

I Bezijden

Waar het licht is, vult het de vlakken, ontvouwt het zijn
zwarten, legt het schaduw op vierkanten, daalt het onder het
vlak: een water misschien dat stil lag.

En het wreedste in de struik, het blijdste, de grond daaronder
angstig. Wat het daar nadert, nadert het langzaam.

Als het nabij is? Waar zal het zich neerleggen? Waarvoor zal
het zich hoeden, waar zal het zich bergen?

Alsof het er niet was. Iemand zag het en toen was het er.
Nooit was het er vroeger geweest. Die het gezien had was
daarna weggegaan, was er daarna niet meer.

Alsof het terug was onder het blauwe, weggenomen was van
het gele.
Alsof het bij sparappels was gaan wonen, bij eikenbladeren,
gegaan was naar het stille van varens, naar kelders, naar zolders.

Dat vlakke was er: een pad.

Alsof het later geworden was, alsof het eerder was begonnen.
Alsof het er vroeger geweest was, ervoor was, erna. Alsof het
daarna op was gehouden, weer was begonnen, schuil was
gegaan.

 

VII Afdrift

Aan alle kanten is het zichtbare zichtbaar, trekt zich daarna
terug, wordt kleiner. Zoveel licht: tot aan de verblinding.
Zoveel duisternis: daarin verliest het zich.
Iets wil het kennen voor het nacht wordt. Het schuift door
onder het liggende: of het daarginds is. Achter het water gaat
het: of het omhoog gaat. Wat is hoger dan water? Wat is lager
dan water?
Het staat en is rond. Of is het niet rond en hangt het?
Wat daar omheen is, is het vlakke. Paden zijn er: wat iemand
zich herinnert. Als de smaak van zichtbare druiven.
Kon het maar liggen zoals de akker ligt. Kon het maar ongeoogst
blijven en ongemaaid. Kon het maar troost zijn.

Ontmoet het dit en waar? Staat het bij een boom en wacht
het? Is het bij de bocht met de vis? Staat het stil waar het is? Is
het er als het komt, bij wat daar waait, wat daar aan de zoom
gezien wordt? Even staat het, zoveel wind in zijn afscheid.

Waarom is het hier, rust het hier uit, ligt het zo, wordt het
weggedragen en neergelegd waar iemand het kan zien, waar
het niet meer kan weggaan.

Zover als het te zien is, is het overal, maakt het de wind overal
donker.
Het is ergens en het staat er. Nergens komt het vandaan, nergens
gaat het heen. Nog even is het te zien. En daarna.


Leo Herberghs (Heerlen, 21 juli 1924 – 11 mei 2019)

Libris Literatuur Prijs 2019 voor Rob van Essen

Libris Literatuur Prijs 2019 voor Rob van Essen

 De Nederlandse schrijver Rob van Essen heeft de Libris Literatuur Prijs 2019 gewonnen. Dat werd gisteravond bekendgemaakt in Nieuwsuur, traditioneel vanuit het Amstel Hotel in Amsterdam. Van Essen won met zijn autobiografische roman “De goede zoon”. Rob van Essen werd op 25 juni 1963 geboren in Amstelveen. Zie ook alle tags voor Rob van Essen op dit blog.

Uit: De goede zoon

“Ik had vandaag ruzie bij de kassa van de Albert Heijn in de Rijnstraat. Bijna ruzie, niet eens echt. De vrouw achter mij zette haar boodschappen al op de band toen ik nog bezig was mijn boodschappen op de band te zetten, ik kan daar slecht tegen, iemand maakt inbreuk op jouw ruimte, op ruimte die in ieder geval op dat moment van jou is en ik weet ook wel dat je zo geen roman moet beginnen, ik ben godverdomme geen columnist, maar witheet kan ik van zoiets worden, iemand negeert je bestaan en alleen al daarom zou je haar ter plekke dood moeten maken en tegelijkertijd was er niets aan de hand omdat de vrouw zag hoeveel boodschappen ik nog op de band moest zetten en genoeg ruimte overliet. Geen enkel probleem dus, je zou zelfs kunnen zeggen dat we gestroomlijnd bezig waren met z’n tweeën, alsof we afgesproken hadden het afrekenen zo snel en soepel mogelijk te laten verlopen, maar dan nog, je zou haar op z’n minst een harde duw moeten geven, of met een breed gebaar al haar boodschappen van de band vegen, ik zag haar pot jam al uiteenspatten op de tegels, je zou haar op z’n minst moeten kunnen aanspreken op haar gedrag maar ook dat kan niet omdat ik weet dat ik dan niet uit m’n woorden ga komen en ik kan wel thuis van tevoren dingen op schrift gaan stellen die je bij dit soort gelegenheden de ander moet toevoegen maar ook dan zou ik niet weten waar ik de superieure vanzelfsprekendheid vandaan moest halen om zo’n tekst met overtuiging te kunnen uitspreken, ik ben niet iemand voor dat soort teksten, ik ben niet iemand voor dit soort situaties, ik ben te aardig, te meegaand, ik zeg toch: ik had bijna ruzie, en in plaats van dat ik daar wat aan doe heb ik die slappe meegaandheid van me alleen maar versterkt met dat boeddhisme en die meditatiecursussen. Wat hebben al die pogingen om mezelf redelijkheid en compassie bij te brengen nu eigenlijk opgeleverd? Er heeft zich de afgelopen jaren in mij een kleine halfbakken boeddhist genesteld, een kleine kale boeddhist in een oranje pij, ik heb hem vetgemest met meditatiecursussen en boeken en boekjes en als dank doet hij me de onthechte glimlach voor waarmee ik situaties als die bij de kassa zou moeten begroeten, laat het voorbijgaan, het is woede, niet jouw woede, het is ergernis, niet jouw ergernis, je veroorzaakt je eigen lijden door gehechtheid aan je stemming. Ik zou de glimlach van zijn gezicht moeten slaan, het liefst zou ik mijn vingers links en rechts om de randen van mijn ribbenkast haken, de boel uit elkaar trekken en mijn handen naar binnen steken om die kleine kale innerlijke boeddhist eigenhandig te wurgen, om zijn keel zo strak te omklemmen dat zijn hoofdje opzwelt en zijn oogbollen als kleine knikkers naar buiten schieten om stuk te spatten tegen de muur.
En daarna alles en iedereen doodschieten, te beginnen in de Albert Heijn. Dat zal natuurlijk niet gaan, zoveel munitie heb ik niet, ik heb niet eens een wapen. Ik ben ongewapend. Drie woorden die je de kou om het hart doen slaan. Ik loop al zestig jaar ongewapend op deze planeet rond. Vreedzame jaren grotendeels, ik geef het toe, maar opeens komt het me absurd voor, alsof ik zestig jaar naakt heb rondgelopen en iedereen heb uitgenodigd om zijn gang met mij te gaan. Niet langer!”

 
Rob van Essen (Amstelveen, 25 juni 1963)

Astrid Lindgren Memorial Award voor Bart Moeyaert

Astrid Lindgren Memorial Award voor Bart Moeyaert

De Belgisch schrijver Bart Moeyaert heeft dit jaar de Astrid Lindgren Memorial Award gewonnen, een internationale prijs voor jeugdliteratuur waar een bedrag van 480.000 euro aan verbonden is. De prijs geldt als de Nobelprijs van de jeugdliteratuur. Bart Moeyaert werd geboren in Brugge op 9 juni 1964. Zie ook alle tags voor Bart Moeyaert op dit blog.

Uit: Tegenwoordig heet iedereen Sorry

“Achter mijn rug doet de magnetron ping, maar toch zet mijn moeder niks op tafel. Ze gaat zitten en plant haar ellebogen naast haar bord. Ze zegt dat ze iets met ons wil bespreken. ‘Rustig,’ zegt ze tegen Alan, en ze houdt haar hand voor zijn gezicht, alsof hij al veel te veel heeft gepraat, terwijl Alan heel rustig is en stilzit en ademt. Ze pakt zijn mes en zijn vork af. Daarna zet ze haar ellebogen weer op tafel en legt ze haar kin op haar handen. Ze kijkt van mij naar een vlek op het tafelblad, hij heeft de vorm van een vis. Ze haalt diep adem en zegt dat mijn vader en zijn Cruz het anders willen aanpakken dan vroeger. Ik zeg: ‘Mama, doe eens zonder inleiding. ’Zonder inleiding zegt ze dat papa en zijn Cruz mij onhandelbaar vinden. Dat is geen nieuws. Het voorstel dat erop volgt is wel nieuw. Ze zouden het gemakkelijker vinden als ik niet meer elke week het weekend bij ze zou doorbrengen. Ze denken dat om de twee weken beter zou zijn. Of om de drie. Ze denken dat ik dat zelf ook liever heb. Wel? Het klinkt niet als een voorstel. Het klinkt als iets wat we gaan doen. Toch willen ze weten wat ik ervan denk. Ik kijk van mijn moeder naar het witte bord voor me.
Er ligt niks op, maar hallo: kijk eens goed. Er ligt ineens een stuk taai vlees waar ik niet om heb gevraagd. Ik zeg: ‘Ik ben niet onhandelbaar. Ik ben alleen een beetje lastig soms.’‘Het zijn niet mijn woorden, Bianca,’ zegt mijn moeder. ‘Nee,’ zeg ik. ‘Maar je zou papa kunnen tegenspreken.’ Mijn stem trilt. Mama schudt haar hoofd en doet alsof ze glimlacht. ‘Ik geef alleen door wat hij heeft gezegd,’ zegt ze. ‘Dan kun jij het straks met hem en Cruz verder bespreken, als ze je vanmiddag komen halen. Jij beslist. Je weet dat je een meisje met een gebruiksaanwijzing bent en daar hou ik rekening mee. Je wilde het zonder inleiding, dus heb ik de boodschap niet verpakt. Ik gebruik het woord dat zij hebben gebruikt. ’Onhandelbaar. Ik schuif mijn bord weg. Ik kijk naar Alan, die zijn vork en zijn mes weer heeft opgepakt en ze als twee soldaten naast zijn bord laat wachten op voer uit de magnetron. ‘En hij?’ zeg ik tegen mama, terwijl ik naar Alan knik. Van mij mag hij met dat bestek doen wat hij wil. Zelfs al houdt hij het mes gevaarlijk dicht bij zijn gezicht en steekt hij zich bijna een oog uit. Alan kijkt naar mij. Hij zucht eens. Hij wil niet weten wat ik vind. Naar de uitleg van mijn moeder luistert hij wel. Ze zegt dat er voor hem niks verandert.”


Bart Moeyaert (Brugge, 9 juni 1964)