Deutscher Buchpreis 2020 voor Anne Weber

Deutscher Buchpreis 2020 voor Anne Weber

De winnares van de Deutscher Buchpreis 2020 is Anne Weber. Zij krijgt deze prijs voor haar roman in verzen “Annette, ein Heldinnenepos”. De Duitse schrijfster en vertaalster Anne Weber werd geboren op 13 november 1964 in Offenbach am Main. Zie ook alle tags voor Anne Weber op dit blog.

Uit: Annette, ein Heldinnenepos

“Anne Beaumanoir ist einer ihrer Namen.
Es gibt sie, ja, es gibt sie auch woanders als auf
diesen Seiten, und zwar in Dieulefit, auf Deutsch
Gott-hats-gemacht, im Süden Frankreichs.
Sie glaubt nicht an Gott, aber er an sie.
Falls es ihn gibt, so hat er sie gemacht.
Sie ist sehr alt, und wie es das Erzählen will,
ist sie zugleich noch ungeboren. Heute,
da sie fünfundneunzig ist, kommt sie
auf diesem weißen Blatt zur Welt –
in eine undurchdringliche Leere, in die sie
lange runde Maulwurf blicke wirft und die sich
nach und nach mit Formen und mit Farben,
mit Vater Mutter Himmel Wasser Erde füllt.
Himmel und Erde sind bleibende Erscheinungen,
das Wasser aber kommt und geht, es strömt
ins trockne Bett des Flusses Arguenon, wo es
zweimal am Tag die Boote aufrichtet, die schon seit
Stunden auf der Flanke liegen. Zweimal am Tag
zieht sichs ins Meer zurück, Ärmelkanal
nennt man es hier, auch kurz La Manche, Der
Ärmel, obwohl es kein Kanal und auch kein Ärmel ist,
nichts Hohles also, eher schon ein Arm: der
Meeresarm, den der Atlantik zur
Nordsee rüberstreckt. Sachte legen sich die
Boote wieder seitlich auf den Bauch.

Im All des Zimmers, dem noch unbewohnten,
schwimmen vier und auch manchmal sechs
glänzende Gestirne oder Augen. Wie in der Dunkelkammer
langsam Konturen aus dem Nichts aufsteigen,
beginnen sich um die Gestirne
Gesichter abzuzeichnen. Mutter. Großmutter.
Vater. Das Kind, das Anne heißt und alle
Annette nennen (sprich Annett) bringt diese
Planeten zum Kreisen.

Von Annette ist Anne (die Heutige) dem Alter nach
doppelt so weit entfernt, wie ihre
Großmutter es damals war, aber irgendwo
erstaunlich fern und nah
gibt es noch dieses Kind. Es ist eins mit ihr,
ist nicht verkümmert und nicht tot, es schläft,
es ist noch da.”

 

Anne Weber (Offenbach am Main, 13 november 1964)

Herman Brusselmans, Louise Glück

De Vlaamse schrijver Herman Brusselmans werd geboren in Hamme op 9 oktober 1957. Zie ook alle tags voor Herman Brusselmans op dit blog.

Uit: De Tafel

“Ik heb jaren aan een stuk bezworen dat ik nooit een boek zou schrijven met als titel De tafel. En tja, op een dag begin je er dan toch aan. Want hoewel ik vanaf 1982 vond dat De tafel een veel te simpele, weinigzeggende titel is, dacht ik daarstraks: nou, eigenlijk valt dat wel mee. Tenslotte weet iedereen wat een tafel is, en een titel mag gerust begrijpelijk zijn voor het grote publiek. Zonder tafel zouden we in een heel andere cultuur leven, bijvoorbeeld de woestijncultuur, waar de bewoners van de grond eten, of van een zelf geknoopt tapijt. Geef mij dan maar een tafel. Ik heb slechts één keer in m’n leven van de grond gegeten, en dat was toen ik drie maanden in een psychiatrisch instituut verbleef, en iedereen daar ervan wilde overtuigen dat ik werkelijk gek was. Van de grond eten, m’n uitwerpselen verkopen voor veel te veel geld aan de andere gekken, een vrouw die bij de verpleging zat beloven dat ik haar zwanger zou maken en daarna alsnog weigeren om met haar te neuken, dat soort dingen. Het was geen leuke periode. Oké, er zit iets fout in m’n hoofd, dat wel. Dat 6begon al goed toen ik op straat een paard wilde omhelzen, maar het bleek geen paard maar een oud wijf met een veel te groot bovengebit. Ik omhelsde haar trouwens veel te stevig, en door ademnood viel ze neer op de straat. Ik riep: ‘Bel de politie! Bel de politie! Een vrouw probeert de straat te stelen!’ Niemand belde de politie omdat iedereen wist: een straat stelen door er bewusteloos op neer te vallen, dat is onmogelijk. Zeker niet als de zogenaamde dief een vrouw is van tweeënnegentig, zich bovendien voortbewegend met een rollator. Ik gaf haar een trap in haar maag. Stom wijf. Eerst een beetje een paard lopen imiteren, en dan in coma raken, ik ken dat, mij moet je geen appelen voor citroenen verkopen. Omdat ik nog nooit de kut had gezien van een tweeënnegentigjarige vrouw, deed ik haar rok en haar onderbroek uit, en staarde ik tussen haar benen. Godverdomme, zoiets lelijks had ik nog nooit gezien. Het leek wel alsof tussen die benen de smoel van een hamster was ontploft. Van die rauwe vleesresten, weet je wel. Zo’n harige, ontplofte smoel van een bejaarde hamster. Zou die kut ook naar een dode hamster rúiken? Ik stak m’n neus tussen de benen van de vrouw en snoof hard en veelvuldig. Nee, de kut rook niet naar een dode hamster, maar wel naar iets wat per ongeluk zoek is geraakt in een slachthuis en daar al enkele weken ligt te rotten.
Ondertussen had iemand alsnog de politie gebeld, niet om de oude vrouw aan te houden vanwege straatdiefstal, maar om mij aan te houden vanwege het op een onzedelijke manier lastigvallen van die vrouw. Altijd als er iets gebeurt met een man en een vrouw, wordt de man in het ongelijk gesteld. Dat is al zo sinds de tweede feministische golf van 1865, toen een Franse lesbo door een rechter in het gelijk werd gesteld nadat ze een man beschuldigd had van verkrachting.”

 

Herman Brusselmans (Hamme, 9 oktober 1957)

 

De Amerikaanse dichteres, essayiste en schrijfster Louise Elisabeth Glück werd geboren op 22 april 1943 in New York. Zie ook alle tags voor Louise Glück op dit blog.

 

Metten

Wat heb je met mijn hart
dat je het keer op keer moet breken
als een kweker die zijn nieuwe
ras beproeft? Experimenteer
maar op iets anders: hoe kan ik leven
in groepen, zoals jij wilt, als jij me
in de quarantaine van hartzeer dwingt, me scheidt
van de gezonde leden van
mijn eigen soort: zoiets doe je niet
in de tuin, de zieke roos
afzonderen; die laat je rustig met zijn openbare
geteisterde bladeren in
de gezichten van de andere rozen wapperen, en de luizen

van de ene op de andere plant springen, wat maar weer bewijst
dat ik het laagste van jouw schepselen ben, lager nog
dan de tierige bladluis en de klimmende roos – Vader,
als vertegenwoordiger van mijn eenzaamheid, verzacht
althans mijn schuld; neem
het brandmerk van mijn afzondering weg, tenzij
je van plan bent mij weer
voor altijd gezond te maken, zoals ik
gezond was en heel in mijn onbegrepen jeugd,
of als toen niet, onder de lichte druk
van mijn moeders hart, of als toen niet
in dromen: eerste
wezen dat nooit zou sterven.

 

Vertaald door Erik Menkveld

 

Louise Glück (New York, 22 april 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e oktober ook mijn blog van 9 oktober 2018 en ook mijn blog van 9 oktober 2017 en eveneens mijn blog van 9 oktober 2016 deel 2.

Nobelprijs voor de Literatuur voor Louise Glück

De Nobelprijs voor de Literatuur is dit jaar toegekend aan Louise Glück. Haar poëzie wordt gekenmerkt door een streven naar duidelijkheid, aldus het comité. Terugkerende thema’s zijn het gezinsleven en de relatie tussen ouders en broers en zussen. De Amerikaanse dichteres, essayiste en schrijfster Louise Elisabeth Glück werd geboren op 22 april 1943 in New York. Zie ook alle tags voor Louise Glück op dit blog.

The Red Poppy

The great thing
is not having
a mind. Feelings:
oh, I have those; they
govern me. I have
a lord in heaven
called the sun, and open
for him, showing him
the fire of my own heart, fire
like his presence.
What could such glory be
if not a heart? Oh my brothers and sisters,
were you like me once, long ago,
before you were human? Did you
permit yourselves
to open once, who would never
open again? Because in truth
I am speaking now
the way you do. I speak
because I am shattered.

 

Vespers

In your extended absence, you permit me
use of earth, anticipating
some return on investment. I must report
failure in my assignment, principally
regarding the tomato plants.
I think I should not be encouraged to grow
tomatoes. Or, if I am, you should withhold
the heavy rains, the cold nights that come
so often here, while other regions get
twelve weeks of summer. All this
belongs to you: on the other hand,
I planted the seeds, I watched the first shoots
like wings tearing the soil, and it was my heart
broken by the blight, the black spot so quickly
multiplying in the rows. I doubt
you have a heart, in our understanding of
that term. You who do not discriminate
between the dead and the living, who are, in consequence,
immune to foreshadowing, you may not know
how much terror we bear, the spotted leaf,
the red leaves of the maple falling
even in August, in early darkness: I am responsible
for these vines.

 

October (section I)

Is it winter again, is it cold again,
didn’t Frank just slip on the ice,
didn’t he heal, weren’t the spring seeds planted

didn’t the night end,
didn’t the melting ice
flood the narrow gutters

wasn’t my body
rescued, wasn’t it safe

didn’t the scar form, invisible
above the injury

terror and cold,
didn’t they just end, wasn’t the back garden
harrowed and planted—

I remember how the earth felt, red and dense,
in stiff rows, weren’t the seeds planted,
didn’t vines climb the south wall

I can’t hear your voice
for the wind’s cries, whistling over the bare ground

I no longer care
what sound it makes

when was I silenced, when did it first seem
pointless to describe that sound

what it sounds like can’t change what it is—

didn’t the night end, wasn’t the earth
safe when it was planted

didn’t we plant the seeds,
weren’t we necessary to the earth,

the vines, were they harvested?

 

Louise Glück (New York, 22 april 1943)

International Booker Prize voor Marieke Lucas Rijneveld

International Booker Prize voor Marieke Lucas Rijneveld

De Nederlandse schrijfster Marieke Lucas Rijneveldheeft de prestigieuze International Booker Prize gewonnen met de debuutroman The Discomfort of Evening, de Engelse vertaling van Rijnevelds debuutroman De avond is ongemak. Marieke Lucas Rijneveld werd geboren in Nieuwendijk op 20 april 1991. Zie ook alle tags voor Marieke Lucas Rijneveld op dit blog.

Uit: The Discomfort of Evening

‘Meat or cheese first before you go for the sweet stuff,’ she’d always say. This was the rule and it would make us big and strong, as big as the giant Goliath and as strong as Samson in the Bible. We always had to drink a large glass of fresh milk as well; it had usually been out of the tank for a couple of hours and was lukewarm, and sometimes there was a yellowish layer of cream that stuck to the top of your mouth if you drank too slowly. The best thing was to gulp down the whole glass of milk with your eyes closed, something Mum called ‘irreverent’ although there’s nothing in the Bible about drinking milk slowly, or about eating a cow’s body. I took a slice of white bread from the basket and put it on my plate upside down so that it looked just like a pale toddler’s bum, even more convincing when partly spread with chocolate spread, which never failed to amuse me and my brothers, and they’d always say, ‘Are you arse-licking again?’

‘If you put goldfish in a dark room for too long they go really pale,’ I whispered to Matthies, putting six slices of cooked sausage on my bread so that they covered it perfectly. You’ve got six cows and two of them get eaten. How many are left? I heard the teacher’s voice inside my head every time I ate something. Why those stupid sums were combined with food – apples, cakes, pizzas and biscuits – I didn’t know, but in any case the teacher had given up hope that I’d ever be able to do sums, that my exercise book would ever be pristine white without a single red underscore. It had taken me a year to learn to tell the time – Dad had spent hours with me at the kitchen table with the school’s practice clock which he’d sometimes thrown on the floor in despair, at which point the mechanism would bounce out and the annoying thing would just keep on ringing – and even now when I looked at a clock the arms would still sometimes turn into the earthworms we dug out of the ground behind the cowshed with a fork to use as fishing bait. They wriggled every which way when you held them between forefinger and thumb and didn’t calm down until you gave them a couple of taps, and then they’d lie in your hand and look just like those sweet, red strawberry shoelaces from Van Luik’s sweet-shop.

 

Marieke Lucas Rijneveld  (Nieuwendijk, 20 april 1991)

Iris Murdoch, William Irwin Thompson

De Iers-Britse schrijfster en filosofe Iris Murdoch werd geboren in Dublin op 15 juli 1919. Zie ook alle tags voor Iris Murdoch op dit blog.

Uit: The sea, the sea

‘You look a right clown,’ I said.
‘That’s good, dear, that’s like old times.’
‘Do you want anything to eat?’
‘No, I had high tea at my hotel.’
`Your hotel?’
‘Yes. I’m staying at the Raven Hotel.’
‘Oh. I was there this evening. They wouldn’t let me into the dining room.’ ‘I’m not surprised, you look like a filthy student. Seaside life suits you. You look twenty. Well, thirty. I heard them discussing you in the bar. You seem to have annoyed everyone already.’
‘I can’t have done, I haven’t met anyone—’
‘I could have told you the country is the least peaceful and private place to live. The most peaceful and secluded place in the world is a flat in Kensington.’ ‘You mean the waiter turned me out even though he knew who I was?’ ‘Well, he may not have recognized you. You aren’t all that famous. I’m far more famous than you.’
This was true. ‘Stars are always more famous than those who create them. May I ask what you are doing at the Raven Hotel?’
‘Visiting you.’
‘How long have you been there?’ ‘Oh ages, a week, I don’t know. I just wanted to keep an eye on you. I thought it might be rather fun to haunt you.’
‘To haunt me? You mean—’
‘Haven’t you felt haunted? Not that I’ve done very much, no turnip lanterns, no dressing up in sheets—’ I wanted to shout with exasperation and relief. `So it was you—you broke the vase and the mirror, and you’ve been creeping round at night and peering at me—’
‘I broke the vase and the mirror, but I haven’t been creeping round at night, I wouldn’t come in here in the pitch dark. This house is creepy.’
‘But you did, you looked at me through the glass of that inner room.’
‘No, I didn’t. I never did. That must have been some other ghost.’
‘You did, someone did. How did you get in?’
‘You leave your windows open downstairs. You shouldn’t, you know.’
I suddenly then, as I was staring at her, saw a vision: it was as if her face vanished, became a hole, and through the hole I saw the snake-like head and teeth and pink opening mouth of my sea monster. This lasted a second. “

 

Iris Murdoch (15 juli 1919 – 8 februari 1999)

 

De Amerikaanse dichter, sociaal filosoof en cultuurcriticus William Irwin Thompson werd geboren op 16 juli 1938 in Chicago, Illinois. Zie ook alle tags voor William Irwin Thompson op dit blog.

Voor de operatie

I
Deze kanker die ik aanwend tegen
mijn weelderige door klieren vernietigde zelf
is kunst en kwaad van mijn eigen
kankerachtige, donkere, creatieve geest;
in woede en prachtige ironie,
vermenigvuldigde ik de cellen overvloedig,
overspoelde leven na leven voor de dood:
donker als ramen die ik ooit opende
op een maanloze, rijpende zee.

II
Omdat sterrenstelsels een aparte tijd hebben,
klopt jouw hart anders dan het mijne,
maar anticiperende muziek vindt
de vertrouwde maatstaven van onszelf.

In je donkere, Sefardische ogen,
denk ik aan een mogelijke duisternis,
wiens aanraking licht, enorm en getijdenrijk is,
en die hardnekkig opnieuw eindigt.

Ik wilde je nog iets anders vertellen
over wat er bijna gebeurt,
maar het raam leidde me weer af:
als ijspegels druppelen sterrenbeelden
langzaam weg van de vensterbank.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

William Irwin Thompson (Chicago, 16 juli 1938)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e juli ook mijn blog van 15 juli 2019 en ook mijn blog van 15 juli 2017 deel 2.

In Memoriam György Konrád

In Memoriam György Konrád

De Hongaarse schrijver en anticommunistische dissident György Konrád is op 86-jarige leeftijd overleden. György Konrád werd geboren op 2 april 1933 in Berettyóújfalu (bij Debrecen). Zie ook alle tags voor György Konrád op dit blog.

Uit: Zonsverduistering (Vertaald door R. Kellerman)

“Het was een feest om in de oceaan van geleuter een solide eiland aan te treffen. In de jaren van censuur was lezen een vlucht, een elke avond weerkerende emigratie, een tijdelijke opschorting van de valse verhalen die de woning binnen drongen. Een goed boek in mijn tas was een compensatie voor de frases die ik lijdelijk had moeten aanhoren, en een bron van genot, zoals de theesalon of het bordeel dat voor opgeschoten jongens was. Met behulp van de literatuur kunnen we streng zijn tegenover onze medemensen, maar als we leren lezen kunnen we hun ook vergeven, ons zelfs in hen verlustigen. Sedert mijn gymnasiumtijd stel ik mij voor dat de mensheid in standgehouden wordt door aanhoudende conversatie tussen dicht geschreven teksten.
(…)

We hebben een huis in het dorp gebouwd, we passen erin, in deze kamer heb ik draaglijk geschreven en hier regel ik ook wat ik van elders heb meegebracht. Dit zich terugtrekken om te kunnen observeren geeft vrijheid. In Berlijn ben ik Boedapester, in Boedapest Berlijner, in beide hoofdsteden iemand uit Hegymagas.
Ik verkoop mijn gebrom aan het publiek, zolang ik nog enigszins in de markt lig.
Ik schrijf, ik spreek, van andere dingen heb ik geen verstand, de manifestaties bevruchten elkaar en vermeerderen zich ongeremd.
Laat het huis vol zijn, laat iedereen komen!”

György Konrád (2 april 1933 – 13 september 2019)


In Memoriam T. van Deel

In Memoriam T. van Deel

De Nederlandse dichter en literair criticus T. van Deel is overleden, meldde uitgeverij Querido vrijdag. Hij stierf maandag op 74-jarige leeftijd in Amsterdam. Zie ook alle tags voor T. van Deel en ook voor Tom van Deel op dit weblog.

Epithalamion

Twee schelpen wordt er wel gezegd
die ooit aaneen ooit vanelkaar maar
nu ten slotte. Of zou het eigenste,
het duplicaat, nu juist geen ring, geen
nest of huis, geen woning zijn, alleen
verveelde spiegeling. Wat heel niet past
maar toch gelijkt, aantrekt, vervoert
is waard om goed bezegeld, bestreden
en bemind, in eindeloze aandacht
beslist omarmd te houden. Twee schelpen ja
maar twee in hoogst verrukt onpassen.

 

Gebeurtenis

Op zoek naar een gebeurtenis
genoeg voor dit gedicht
kwam ik een koolmees tegen
Ik bukte en bekeek hem
van dichtbij wat nader
en zag dat hij ging sterven
Zijn oog liet mij dat weten
Hij beefde in zijn veertjes
en kon niet meer bewegen
Iets in hem was fel bezig
de overhand te nemen
Ik heb hem daar gelaten
boven de koude steen

 

Vooruitzicht

Hoe plezierig is het niet om iets
in het vooruitzicht te hebben, een
veldje met pas begonnen bloemen, of
een berg die naar behoren de lucht
in steekt. Het is alsof de wereld met
zulke gunstbewijzen aan het tijdelijke
zich verontschuldigt voor het wrede
dat haar eigen is. Want meestal
zien we weinig, is het donker, nacht.
Er is zeker durf, en zelfs wel moed,
voor nodig om het veldje in te lopen
of de berg te beklimmen, wetend dat
ze daarmee voorgoed voorbij zulen zijn.

Tom van Deel (21 februari 1945 – 12 augustus 2019)


Derik Walcott, Cees Nooteboom, Wouter Godijn, Dolce far niente

Dolce far niente

 

Bleecker Street Shadows & Reflections door Sonya Sklaroff, ca. 2010


Bleeker Street, Summer

Summer for prose and lemons, for nakedness and languor,
for the eternal idleness of the imagined return,
for rare flutes and bare feet, and the August bedroom
of tangled sheets and the Sunday salt, ah violin!

When I press summer dusks together, it is
a month of street accordions and sprinklers
laying the dust, small shadows running from me.

It is music opening and closing, Italia mia, on Bleecker,
ciao, Antonio, and the water-cries of children
tearing the rose-coloured sky in streams of paper;
it is dusk in the nostrils and the smell of water
down littered streets that lead you to no water,
and gathering islands and lemons in the mind.

There is the Hudson, like the sea aflame.
I would undress you in the summer heat,
and laugh and dry your damp flesh if you came.

 

Derik Walcott (Castries, 23 januari 1930)
Castries


De Nederlandse dichter en schrijver Cees Nooteboom werd geboren in Den Haag op 31 juli 1933. Zie ook alle tags voor Cees Nooteboom op dit blog.

Uit: Roads to Santiago (Vertaald door Ina Rilke)

“To make time melt strikes me as a peculiarly Spanish occupation, and nowhere has time been melted so handsomely as on the decaying, snaillike blob of Dali’s watch. As I wait for my car, I unfold the Mundo Diario and read the letter the ailing painter has written to his people to explain how ill he is not. The signature under the typed statement (letterhead: TEATRO MUSEO DALI) is shaky, but still familiarly distinctive — the letters of the magical name subsumed into a drawing of a Quixotic horseman, the lance thrusting bravely forward into the blank space of the paper. Poring over that signature, I think how Spanish Dali’s appearance is, how easily his self-made image will be absorbed into the national panopticum alongside pancake-frying Teresa of Avila, the nuns’ corpses strung on the gallows of the Civil War, the garrotte, and Philip II languishing in the dungeon that is his own palace. Shutting my eyes, I can see the painter, the two pencil-sharp points of his moustache aimed like antennae upwards into the ionosphere to receive rarefied, coded messages incomprehensible to all other moustaches. STATEMENT FROM DON SALVADOR AND DONA GALA DALI reads the heading with majestic simplicity — no addressee specified.
“We are pleased to bring to the attention of all … the sincere hope of the undersigned artist …” — and more such dignified phrases give the letter the aura of a bulletin, issued at the palace gates when the king is known to be dying. Bitter earnest or is it black humour, you never know, but in any case “the undersigned artist” makes it known to his people that he has already set to work on a new painting. When it is finished it will go to his wife, and anon she will pass it on to the museum. On the inside page the signature is repeated, considerably enlarged. The newspaper editors have submitted it to a Professor Lester. It is not explained who this is, but in these parts if someone does not have a Spanish-sounding surname and has no first name at all it means that whoever he is need not be taken too seriously. The professor advises Dali to take great care between 4 and 19 November, for at this time the planet Pluto and the star Lilith — the black moon — are in conjunction in the sign of Cancer, and this spells trouble above Cadaques, where the artist lives. He can escape disaster by travelling to Greece, where it is safer for Taureans at this particular time.
My route takes me through Zaragoza, by motorway from Barcelona to Soria, to old Castile, Castilla la Vieja. I see the town lying in the distance like a vision, shimmering in the heat. This is where the true Spain begins, the meseta, the high plain of Castile, empty, scorched, as huge as an ocean. Not much can have changed since the thirteenth century, when the principal sheep farmers joined forces to secure free passage of their flocks from the drought-ridden prairies of Extremadura to the green pastures of the northern cordillera. Soria pura, cabeza de Extremadura is the motto in the city’s coat of arms. This is where the kingdoms of Castile and Aragon met the Muslim south. All over this region, transected by the River Duero like a line of defence, rise the ruins of once mighty fortresses whose sturdy contours still dominate the landscape.”

Cees Nooteboom (Den Haag, 31 juli 1933)
Zomers Amsterdam


De Nederlandse dichter en schrijver Wouter Godijn werd geboren in Amsterdam op 31 juli 1955. Zie ook alle tags voor Wouter Godijn op dit blog.

Over hemelse schoonheid

Een beroemde dichter terroriseerde zijn gezin;
het contrast tussen zijn gezin en zijn gedichten kon hij niet verdragen;
de ‘prins der duisternis’: hij bracht de hemel naar de aarde
en leidde kinderen en vrouwen naar de hel die hij rondom de hemel maakte
als hij geen trompet speelde.
Kun je schrijven: voor deze kunstenaars was de schoonheid van hun kunst een te zware last?
(Zijn deze formuleringen helder en eenvoudig
of moet ik er nog aan werken?)
Ik bedenk – terwijl ik Miles Davis opzet –
dat ze die schoonheid beter niet hadden kunnen maken
als ze dan minder slecht waren geweest.
Van dat streng zijn ga ik me groter voelen,
Plato- en kikkerachtig zwel ik op,
ik voel me een trompet waarop wordt gespeeld.
Ik spreek in gedachten tegen mijn vrouw en dochter:
jullie verwoesten mijn leven! Alles maken jullie kapot!
en ik word nòg groter, als deeg rijst hemelse schoonheid rond me op.
‘Ga weg!’ roep ik. ‘Ik wil geen hemelse schoonheid!’

Ik wil slecht schrijven en onbenullig zijn.
Ik ga naar mijn vrouw en dochter en aai ze over hun hoofd;
ik voel mezelf veranderen in een aardige man.
Het zonlicht aait de slootjes rondom het huis;
overal beginnen kikkers te kwaken.
De enige waardevolle muziek en de enige waardevolle poëzie, besef ik, klinkt zo:
kwaak-kwaak-kwaak.
Nu is iedereen gelukkig.

Wouter Godijn (Amsterdam, 31 juli 1955)
Den Haag, Scheveningen


Zie voor nog meer schrijvers van de 31e juli ook mijn blog van 31 juli 2018 en ook mijn blog van 31 juli 2017 en ook mijn blog van 31 juli 2016 deel 1 en eveneens deel 2.

Georg-Büchner-Preis voor Lukas Bärfuss

Georg-Büchner-Preis voor Lukas Bärfuss

De Zwitserse schrijver en dramaturg Lukas Bärfuss krijgt de Georg-Büchner-Preis 2019. Lukas Bärfuss werd geboren op 30 december 1971 in Thun. Zie ook alle tags voor Lukas Bärfuss op dit blog.

Uit: Hagard

„Seit viel zu langer Zeit versuche ich, Philips Geschichte zu verstehen. Ich will das Geheimnis lüften,
das in ihr verborgen ist. Ein ums andere Mal bin ich gescheitert und konnte das Rätsel jener Bilder nicht entschlüsseln, die mich heimsuchen, Bilder der Grausamkeit und der Komik, wie in jeder Erzählung, in der das Begehren auf den Tod trifft.
Ich weiß alles, und ich begreife nichts. Ich kenne die Abfolge der Ereignisse. Ich weiß, wie die Geschichte anfängt, ich kenne den Tag und ich kenne den Ort: Es ist der Brezelstand vor dem Warenhaus beim Bellevue. Ich weiß, wann sie ihr Ende findet, nämlich sechsunddreißig Stunden später, am frühen Donnerstagmorgen des dreizehnten März auf einem Balkon irgendwo in der Vorstadt. Auch die Ereignisse, die dazwischen liegen, sind geklärt: die Sache mit dem Pelz, die erste kalte Nacht im Wagen, die fehlende Börse, die Elster, der verlorene Schuh, der tote japanische Mathematiker – all dies liegt offen zu Tage. Die Umstände aber, die Bedingungen, die jene Ereignisse ermöglicht haben, bleiben verborgen. Und je gründlicher ich die Einzelheiten kläre, umso schemenhafter wird die Welt, in der sich die Geschichte ereignete. Man könnte denken, es gehe mir wie jenem, den die Redensart beschreibt; doch der Wald, darauf bestehe ich, ist eine reine Behauptung, ein abstraktes System, das in der Wirklichkeit nicht zu finden ist. Der Wald zerfällt in lauter Bäume, genau wie der Himmel in Planeten zerfällt, in Sterne und Meteore.
Nach meinen vergeblichen Versuchen, einen Zusammenhang in den Bildern zu finden, bin ich zum Schluss gekommen, dass es weniger diese Geschichte als solche ist, die ich nicht verstehe, und es vielmehr darum geht, meine Verstrickung zu erklären, herauszufinden, was sie mir sagen wollen, diese Erscheinungen, die mich berücken, verzaubern und einige Male an den Rand des Wahnsinns geführt haben. Meine Existenz hängt an dieser Geschichte, so rede ich mir ein, und gleichzeitig weiß ich, wie lächerlich ich bin und dass ich nichts zu fürchten habe, dass ich die Ereignisse jener Märztage ruhen lassen könnte und mir nichts geschehen würde, ich mein Leben weiterführen könnte wie bisher. Tatsächlich wäre ich gerettet, wenn ich eingestehen könnte, an Philips Geschichte gescheitert zu sein. Sie ist zu groß für mich – obwohl sie ganz einfach erscheint. Es ist, als ob ich bei jedem Versuch etwas vergessen würde, eine Einzelheit, die unerlässlich ist, als ob ich ein Zeichen verlöre, das mich auf die richtige Spur führt. Ich weiß, wie oft ich es geschworen und mich damit belogen habe wie ein Trinker, der sich mit dem letzten Glas betrügt. Ich bin ein Spieler knapp vor dem Bankrott, der ein letztes Mal die Karten geben lässt – einen Versuch will ich noch wagen, einmal noch werde ich die Ereignisse auferstehen lassen, einmal noch, und dann soll es damit sein Bewenden haben.“

Lukas Bärfuss (Thun, 30 december 1971)


In Memoriam R.A. Basart

In Memoriam R.A. Basart

De Nederlandse dichter en schrijver R.A. Basart is dinsdag op 72-jarige leeftijd overleden. R.A. Basart werd op 2 september 1946 in Amsterdam geboren. Zie ook alle tags voor R. A. Basart op dit blog.

Berichten

1
Weer met de zon voor niks vroeg opgegaan;
de ganse dag vergeefs gewacht
op de Messias.
Nu daalt de duisternis, als stof,
op wat geen schaduw is van vroeger.

2
Bedankt. Maar in de gloria… nee, niet
bepaald. Ik zit hier maar te zitten met je
natte ansicht op mijn schoot, tuur in de

kille achtertuin en luister naar de kolen
die verschuiven in ’t fornuis, waarbij, o,
eeuwig de pantoffels smeulen… (Zeg

nu zelf: wat leven is dat voor een boerjongkerel!)
En telkens weer probeer ik
kom terug te schrijven – tevergeefs, het

zal je nooit bereiken, nooit zolang mijn
linkerhand de rechter achtervolgt op het
papier en uitwist wat zojuist geschreven is.

 

Omne animal

Wat meer beangstigt dan:
ik zal er niet meer zijn, is
de gedachte: alles gaat dood-
gewoon door, zei zij, droogde
haar navel, gaapte, wond
de wekker op.

R.A. Basart (2 september 1946 – 25 juni 2019)