Marjoleine de Vos, n. c. kaser

De Nederlandse dichteres en schrijfster Marjoleine de Vos werd geboren in Oosterbeek op 19 april 1957. Zie ook alle tags voor Marjoleine de Vos op dit blog.

 

Februari

De keuze, zegt hij, is niet groot, er is verdriet
om bij te blijven, of kies je voor het leven.
Zo makkelijk klinkt hij, lacht moeilijk
en wenst geloof ik alle dingen nieuw.
Achter het raam zit het huiselijk leven
onder de lamp bij de hagelslag
luistert slordig naar elkaar en de muziek;
vier jaargetijden, eerste deel. Hoor de lente.
Wat al ruikbaar is moet nog te voorschijn komen
het kan eenvoudig toegevroren, februari,
verijsde rietpluimen aan metalen water.
Toch doet een reeds vergeten geur geloven
dat het komen zal. De dolle pimpelmees
weet er al van, net als de vlier aan het diepje
dat zich een weg slingert door modderig gras.

Het is zo ver weg, wij zijn zo stram vertederd
het huiverig oog stuit op de kerktoren
in de verte tussen onzichtbaar bezige bomen.
Gehoorzaam halen wij onze adem in en
als koolzuur in de Spa zo onbedwingbaar
groeit alles zich een weg naar boven
feestelijk bereid tot bijna niets.

 

Mevrouw Despina wil afscheid nemen

Ik teken ervoor, zegt de man in de trein
zo weg, zegt hij, het hart, geen pijn. Maar
zijn vrouw, gilt mevrouw Despina die zwijgend
uit het raam springt boven haar krant
waarin plotseling is overleden zonder een woord
een kus geen wuiven. Deed zij de deur achter hem
dicht lachte ze tot de hoek om zijn kruin
die zo bloot, zijn stappen al te haastig
van angst om vertrek zei ze dag.

Nu niet, weet mevrouw Despina, in schril protest
het lot vloeken: buigen, denk aan de wijze
onverdrinkbaar in de stroom aan de levenskunstige
fuut op zijn nest van vuilnis, men moet
een achteloos vangnet bij de hand terugveren
als een bal op een racket bereid zijn
voor het valluik, de neersuizende dakpan
de revolutie van eigen organen.

Van rechtvaardigheid nu geen woord gevraagd wordt
vast te houden steeds weer de liefste dagelijks
zwaaien, het liegende lot te geloven als het lacht
van altijd voor eeuwig met thee aan de tafel
en nooit een bericht ondertekend door wie
zonder een blik – Mevrouw Despina verklaart
zich bereid te betalen als niet in stilte
ongewaarschuwd knalt nog haar vloek tegen
zomaar verdwijnen en zwaait ze gedag
naar langsvliegende sloten, zwanen, de zon.

 

Marjoleine de Vos (Oosterbeek, 19 april 1957)

 

De Zuidtiroolse dichter norbert c. kaser werd geboren op 19 april 1947 in Brixen. Zie ook alle tags voor norbert c. kaser op dit blog.

 

lied van het gebrek aan fantasie

geliefd land
opgebouwd uit koebellen &
vechtpartijen in cafés

kind van het weer
moeder van de druiven

het blazen van de wind
alpine gloed
langs groene rivieren
& aan de voet
een gedode worm
bekende straatjes
burgerschap, trotse boerenstand
vijand van de Franstaligen en erger
als die

kind van het weer
moeder van de druiven

intieme dorpjes
blauw schort & stieren
autonoom
heidenen in de rok van de schutters
brandweer muziek
snijplanken citers
jodelen kan niemand

samenzwerend met het hart van god

& overal boven zweeft de roodkopgier

 

Vertaald door Frans Roumen

 

n. c. kaser (19 april 1947 – 21 augustus 1978)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e april ook mijn blog van 19 april 2020 en eveneens mijn blog van 19 april 2019 en ook mijn blog van 19 april 2018 en ook mijn blog van 19 april 2015 deel 2.

Roos van Rijswijk, Hanane Aad

De Nederlandse schrijfster Roos van Rijswijk werd geboren in Amsterdam op 18 april 1985. Zie ook alle tags voor Roos van Rijswijk op dit blog.

Uit: De Dwaler (Seven Year Itch)

“Als haar zoon met een oerkreet haar deur open¬trapt draait Ans Dorrepaal, die bijna een manus-cript uit godbetert eind achttiende eeuw aan flar¬den snijdt, zich om op haar stoel. Ze scant binnen luttele seconden het lichaam van haar kind. Er is geen bloed te zien, zelfs geen tranen, en hij staat zoals gebruikelijk nog stevig op zijn kunstbenen. Ze zoekt als hij bij haar bureau is aangekomen voor de zekerheid met haar handen de contou¬ren van het harnas onder zijn shirt af. Jopie duwt haar handen ongedurig weg, hij wordt er liever niet aan herinnerd, zegt een paar keer per week dat hij denkt wel uitgegroeid te zijn en dus aan de vaste benen toe is. Papa was ook kort, zegt hij dan.
Ze kan zich niet herinneren dat ze haar zoon in de twaalf jaar dat hij bestaat ooit heeft horen schreeuwen; zelfs als baby was hij kalm. Gela¬ten zelfs. Op de dag dat hij in het ziekenhuisbed ontwaakte zonder benen had hij zijn wenkbrau¬wen opgetrokken en gezegd dat hij zijn tenen nog had, ze waren alleen onzichtbaar. Hij was toen pas vijf.
‘Papa is weg,’ gilt hij buiten zinnen.
Er brandt een kaarsje op het bureau van Ed om¬dat het vandaag precies zeven jaar geleden is dat Ed en Jopie van de weg gereden werden – meer doen ze er niet meer aan. Hoe mooi het ochtend¬licht aan het eind van de vroege herfst de kamer van haar man verguldt, de rust haast tastbaar in de kamer vangt; Ans was het vergeten. Zo opge¬ruimd als nu was het toen hij nog leefde nooit. Zo schoon ook niet, Ed Dorrepaal stond erop zelf zijn ruimte te onderhouden en vergat daarbij re-gelmatig de ruiten, of een hoek van het tapijt. Zijn kamer ziet er ouderwetser uit dan de hare, terwijl hij zich bezighield met bytes en zij met boeken. De sporen van zijn bewegingen zijn al¬lang uitgewist door die van Jopie en haarzelf, ze haalt eens per week een lap door het kantoor. De uSoul, die op het bureau staat, moet ze met een speciaal doekje doen. Dat doet ze niet, en daar¬door is het apparaat dofzwart geworden.
Haar man zit in dat dofzwarte ei. Het intensie¬ve gebruik door haar zoon is te zien aan de vet¬te vingerafdrukken die erop glimmen. Uit het ei steekt een kabel met Jopies telefoon eraan, die laadt hij altijd aan zijn vader op. Aan de onder¬kant van het bureau kleven stickers die Jopie er stiekem op plakte: fotootjes van Mrc LeFaw, een Britse popster die bestaat uit witte tanden, kaak¬lijn, spieren en mascara. Jopies billen passen pre¬cies in de kuil van de poef waar hij op gaat zitten als hij met zijn vader praat. Vreemd, vindt Ans dat laatste. De jongen zou ook gewoon op een stoel, op ooghoogte, kunnen gaan zitten, maar kennelijk wil hij naar zijn vader opkijken.”

 

Roos van Rijswijk (Amsterdam, 18 april 1985)

 

De Libanese dichteres, journaliste en vertaalster Hanane Aad werd geboren op 18 april 1965 in Beiroet. Zie ook alle tags voor Hanane Aad op dit blog.

 

Bloedrode tederheid

Mijn ogen zijn een arena van verbazing
in mijn lach is de onschuld van de scepter
ik ben een viool die hangt
tussen de trilling van de geest
en de hartslag van de snaar

Til mij op
met de kracht van de laatste weddenschap
kleur de vruchtbare velden van de kindertijd
 met jouw bloedrode tederheid
vul de kruiken van het moment
met de wijn van de eeuwigheid
geef de grenzen van mijn mond
aan de mythe
vind voor mijn gezicht
een horizon zo helder als de bestendigheid
Draag mij aan jouw borst
jij zoekt toevlucht in de tuin
van het geheim genot
telkens als je de tederheid mist
verberg mij in jouw gebeente
als een raadsel dat oplaait door de mythe
een lente die jouw aderen beklimt
neem mij elke morgen
naar jouw stilte
neem een slokje van de regen van mijn gedachtenis
troost de ijzige geest met haar warmte
til mij naar het toppunt van jouw wachten
versla de keizers van de wreedheid
 met de stralen van mijn wimpers
was een met nevel gestenigde wereld
met de zoetheid van mijn hart
Daar, daar wacht op mij
in de avonden van een andere tijd
waar nieuwe levens geschapen worden
wacht mij daar
op de oever van het volmaakte
omhels mij helemaal
bezing met mij de overwinning
van de vrijheid gekneed met zekerheid
ín een kuise ontmoeting met de eeuwigheid.

 

Vertaald door Cees Nijland

 

Hanane Aad (Beiroet, 18 april 1965)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e april ook mijn blog van 18 april 2020 en eveneens mijn blog van 18 april 2019 en ook mijn blog van 18 april 2017 en ook mijn blog van 18 april 2015 deel 2.

Vincent Corjanus, Sarah Kirsch

De Nederlandse dichter Vincent Daniel Corjanus werd geboren op 17 april 1995 in Zwolle. Zie ook alle tags voor Vincent Corjanus op dit blog.

 

Soldaten van Cura

Stemmen uit mijn telefoon.
Hoe het gaat.
De stilte,
het hardste geluid.
Mijn gitaar blijft hangen aan de muur
voor de reizen van later.
Wanneer we elkaar weer mogen zien.
Jouw hand,
mijn hand
in gedachten.
Het schetsboek haalt adem.
Geen gedicht gekregen van de muze
tot vandaag.
Al mag ik niet schrijven.
Al mag ik niet verdwalen
in mijn eigen poëtische vlindertuin.
Geen inkt verzacht
een lach van tranen.
Er is hoop.
Er is hulp.
Soldaten van Cura.
De bestrijders van de eeuwige nacht.
Dromen zijn niet verboden.
Daar omhels ik je teder
en koester ik jou
voorzichtig
van een afstand.

 

Een vergeten passage

Oostende.
Barcelona.
Boekarest.
Praag.

Er werd gedanst
van vroeg in de morgen
tot vandaag.

We zien kleuren in foto’s.
Slecht geprint.
Waar we misschien eens of nooit meer
onszelf zijn.

 

Vincent Corjanus (Zwolle, 17 april 1995)

 


De Duitse schrijfster en dichteres Sarah Kirsch (eig. Ingrid Hella Irmelinde Kirsch) werd geboren op 16 april 1935 in Limlingerode. Zie ook alle tags voor Sarah Kirsch op dit blog.

 

Trieste dag

Ik ben een tijger in de regen
Water maakt een scheiding in mijn vacht
Druppels druppelen in de ogen

Ik schuifel langzaam en gooi mijn poten
Langs de Friedrichstrasse
En ben in de regen afgebrand

Ik beuk me een weg door auto’s bij rood licht
Ga naar het café voor bittertjes
Vreet het orkest en schommel verder

Ik brul de regen op scherp bij de Alexanderplatz
De wolkenkrabber wordt nat, verliest zijn gordel
(Ik grom: je doet wat je kunt)

Maar het regent op de zevende dag
Ik ben boos tot aan de wimpers

Ik bries de straat leeg
En ga zitten onder eerlijke meeuwen

Ze kijken allemaal naar links de Spree in

En als ik, enorme tijger, huil
Begrijpt u: ik bedoel, hier zouden
nog andere tijgers moeten zijn.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Sarah Kirsch (16 april 1935 – 5 mei 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e april ook  mijn blog van 17 april 2020 en eveneens mijn blog van 17 april 2019 en ook mijn blog van 17 april 2017 deel 2.

Thomas Olde Heuvelt, Sarah Kirsch

De Nederlandse schrijver Thomas Baudelet Olde Heuvelt werd geboren in Nijmegen op 16 april 1983. Zie ook alle tags voor Thomas Olde Heuvelt op dit blog.

Uit: Orakel

“Er lag die ochtend mist over het land, en daarom waren Luca Wolf en Emma Reich de eersten die het schip zagen. Later zou Luca zich afvragen hoeveel mensen er al op weg naar hun werk voorbij waren gereden, zich onbewust van wat daar vlakbij in het veld tegen de duinen verborgen had gelegen. Zij hadden niet geweten hoe rakelings ze op dat moment hun noodlot hadden gepasseerd. De lucky ones, zou Luca ze tijdens het verhoor noemen – geen politieverhoor; de mensen die hem aan de tand zouden voelen wáren helemaal geen politie. In zijn stem zou een sterke verbittering te horen zijn, want met zijn dertien jaar had hij, geïnspireerd door de Netflixseries die hij keek, een behoorlijk gevoel voor drama. Daarna zou hij in huilen uitbarsten en wensen dat ze zelf zoveel geluk hadden gehad.
Emma en hij waren zoals elke doordeweekse ochtend met de fiets op weg naar school gegaan, maar als het aan Luca had gelegen was dat niet eens gebeurd. Toen hij nog half gevangen in de warmte van de slaap uit het raam had gekeken, was de wereld buiten stil en donker geweest. Toch had hij twee dingen gezien: dat de lamp bij de schuur werd omgeven door een halo van dichte mist en dat de goten en de dakpannen waren bedekt met rijp.
Met een zucht had hij zich terug op bed laten vallen. Hij opende Snapchat, nam een selfie waarop hij een gezicht trok dat al het lijden van de wereld uitdrukte en stuurde: Bussie nemen dan? En een kussende smiley.
Dramaqueen, stuurde Emma terug. En ook een selfie. Zíj al helemaal opgefrist en aangekleed, natuurlijk; met haar geborstelde weelderige rode haar zag ze er tiptop uit. Ze moest na school door naar hockey, zei ze, en moest dus wel met de fiets. De twee roze hartjes die ze meestuurde maakten veel goed, ook al wist Luca dat die puur vriendschappelijk waren.
Emma Reich zag er, volgens de bescheiden mening van Luca Wolf, eigenlijk altíjd wel tiptop uit. Ze kenden elkaar al sinds de kleuterschool en waren in groep zeven even vriendje-vriendinnetje geweest, meer iets kinderachtigs dan een echte relatie, maar Luca was al lang geleden ge-friendzoned. Hij was sowieso geen boyfriend material, zoals de meisjes in de klas dat noemden: als zíj eenmaal op de middelbare school zaten keken ze alleen nog naar gasten uit de bovenbouw. Het was het wrede lot van iedere jongen van dertien, maar Luca had er vrede mee gehad… tot hij recentelijk toch wat voor haar was gaan voelen. Iets serieus, dit keer.”

 

Thomas Olde Heuvelt (Nijmegen, 16 april 1983)

 

De Duitse schrijfster en dichteres Sarah Kirsch (eig. Ingrid Hella Irmelinde Kirsch) werd geboren op 16 april 1935 in Limlingerode. Zie ook alle tags voor Sarah Kirsch op dit blog.

 

THE LAST OF NOVEMBER

Eerst naar de wisselkantoren bij de dierentuin
de laatste zilveren paardjes uit alle
jaszakken
wisselen – een geweldige koers
er bleef nog iets over
De wind, de wind, onhemels kind
blies ons in een prachtige cabriolet naar de Reichstag
sneeuwbessen druppelden
kleine dieren ritselden op de vreselijke plek
op sommige plaatsen groene kalk
dat is de muur
torentjes en observatieplatforms hier en daar
registreer alles zegt hij
zoals Hemingway op zijn terugtocht in Spanje
het stinkende paard
we reden en vlogen drie keer rond de kersvers
vergulde engel
ontmoetten onze dode dichters in hun voertuigen
ze vlogen sneller en mooier dan wij.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Sarah Kirsch (16 april 1935 – 5 mei 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e april ook mijn blog van 16 april 2020 en eveneens mijn blog van 16 april 2019 en ook mijn blog van 16 april 2017 deel 2.

Tomas Tranströmer

De Zweedse dichter en schrijver Tomas Tranströmer werd geboren in Stockholm op 15 april 1931. Zie ook alle tags voor Tomas Tranströmer op dit blog.

 

OCHTENDVOGELS

Ik wek de auto
zijn voorruit met stuifmeel bedekt.
Ik zet mijn zonnebril op.
Vogelzang donkert.

Terwijl een andere man een krant koopt
op het station
vlakbij een grote goederenwagon die
helemaal rood van roest te flikkeren
staat in de zon.

Nergens lege ruimte hier.

Dwars door de lentewarmte een koude gang
waardoor iemand aan komt hollen
en vertelt dat men hem heeft belasterd
tot in het bestuur.

Door een achterdeur in het landschap
komt de ekster
zwart en wit, Hellevogel.
En de merel heen en weer hippend tot
alles één houtskooltekening wordt,
behalve de witte kleren aan de waslijn,
een palestrinakoor.

Nergens lege ruimte hier.

Fantastisch te voelen hoe mijn gedicht groeit
terwijl ikzelf krimp.
Het groeit, het neemt mijn plaats in.
Het verdringt mij.
Het gooit mij uit het nest.
Het gedicht is af.

 

NA DE AANVAL

De zieke jongen.
Gevangen in een visioen
met zijn hoornstijve tong.

Hij zit met zijn rug naar het schilderij van het korenveld.
Het verband rond zijn kaak doet aan balsemen denken.
Zijn bril is dik als die van een duiker. En alles is onbeantwoord
en heftig als een telefoon rinkelend in het donker.

Maar het schilderij achter hem. Het is een rustgevend landschap hoewel het koren een goudgele
[storm is.
Slangenkruidblauwe hemel en overdrijvende wolken. Daaronder in de gele deining
zeilen een paar witte overhemden: maaiers – zij werpen geen schaduw.

Verweg op het veld staat een man die hierheen lijkt te kijken.
Een brede hoed verbergt zijn gezicht.
Hij lijkt de donkere gestalte hier in de kamer gade te slaan, misschien om te helpen.
Onmerkbaar begint het schilderij uit te dijen en opent zich achter de zieke
in gedachten verzonken. Het fonkelt en hamert. Iedere aar erop gebrand hem te wekken!
De ander – in het koren – geeft een teken.

Hij is dichterbij gekomen.
Niemand ziet het.

 

Mijnstreek

ik loop over rokende wonden
(in het ogenblik van de distel)
en aan mijn riem draag ik duizend sleutels

(dat wielen hierboven ook hebben gedraaid)

eenzaam de mijntoren
een duivelse vinger
en gruis zwart van verlangen naar water
en de spar zwart van verlangen naar storm

ik loop over rokende wonden
als verschrikte paarden snellen verbrande wolken
over de boomtoppen
de paden zoeken hun doel
en het bos draagt duizend sleutels aan zijn riem

 

Vertaald door J.  Bernlef

 

Tomas Tranströmer (15 april 1931 – 26 maart 2015)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e april ook mijn blog van 15 april 2020 en eveneens mijn blog van 15 april 2019 en ook mijn blog van 15 april 2018 deel 2.

Tjitse Hofman, Roman Graf

De Nederlandse dichter Tjitse Hofman werd geboren in Assen op 14 april 1974. Zie ook alle tags voor Tjitse Hofman op dit blog.

 

MASCHINE

Maschine
Maschine sagst du
du sagst daß ich Maschine heiß
heisse Maschine
doch was
weißt du
von Drehen
mähenden Blättern
singenden Sägen
Räder schaufeln
Rädchen rattern
rasen feine
Spalten reissen in
mein Kondensgefäß
denn ich weiß
du meinst es ernst
und ich weiß
du nimmst es dir
von meiner Pferdekraft
von meiner Pferdekraft.

 

PARA

Da gleiten Schlangen
entlang an meinen Beinen
von meinen Leisten
abwärts
kalte lange
Glibberschlangen
ohne Zischen
abwärts

Ich weiß das es
nicht wahr ist
denn ich liege im Bett
und ich will aufstehen
doch ich kann nicht
mein ganzer Körper
ist gelähmt angewachsen
an die Matratze
die klammen Laken

Ich weiß daß es
nicht wahr ist
ich weiß das es
nicht wahr ist
draußen greift
die Sonne nach den Wolken
doch die wollen nicht
zur Seite und darum
ist es dunkel
im Dunkeln herrscht
Lärm ich ertrage
keinen Lärm das
läßt die Sterne
fallen das mag
ich nicht

Ich weiß das es
nicht wahr ist
ich weiß das es
nicht wahr ist
es kommt durch
die Wärme bei dieser
Wärme kann ein Mensch
nicht normal atmen
Fische haben das auch

Ich weiß es ja
da wachsen Wurzeln aus
meinem Rücken weil ich mich
nicht bewegen kann
ein Körper will Nahrung
und ein Körper hat Durst
es ist gut um
Wurzeln zu haben
sie werden finden
finden Feuchte.

 

Vertaald door Jan Klug

 

Roman Graf (Winterthur, 14 april 1978)
Portret door Klaas Geertsma, 2009

 

De Zwitserse dichter en schrijver Roman Graf werd geboren geboren op 14 april 1978 in Winterthur, Zwitserland. Zie ook alle tags voor Roman Graf op dit blog.

 

Het begin van een dag

Open je ogen, daar is de dag. Je hart
Niet in slaap gevallen ’s nachts.
En jij – weer geen tsaar.
Zoals altijd (twintig jaar) “gepofte tarwekost”,
Terwijl buiten het goud van de zon.
Je staat in de maart van een jaar.
De planten beginnen te bloeien
En bladeren. De wereld is nog niet vergaan.
Houdt zich in balans. Thuis het werk,
Een gedicht pleit voor het een of ander.
Wat wilde je denken?
Thee kalmeert de geest.
Drink.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Roman Graf (Winterthur, 14 april 1978)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e april ook mijn blog van 14 april 2020 en eveneens mijn blog van 14 april 2019 deel 1 en ook deel 2.

Nachoem Wijnberg, Seamus Heaney

De Nederlandse dichter en schrijver Nachoem Mesoelam Wijnberg werd geboren in Amsterdam op 13 april 1961. Zie ook alle tags voor Nachoem Wijnberg op dit blog.

Het lawaai in het atelier van Rodin

Zijn leerlingen maken uitsluitend handen
en leggen die in kasten, naar soort gerangschikt,
en hijzelf kneedt de restlichamen van klei
waar hij de voorbereide handen aan bevestigt.
Hij buigt openingen uiteen en bevochtigt de klei
met speeksel uit zijn mond, om tijd te winnen.
Hij loopt tussen de stapels klei en de op lakens
knielende modellen terwijl de leerlingen toekijken
en handen vasthouden die grijpen en loslaten.

 

Marcel Proust

Marcel Proust kwam tenslotte
hij droeg meerdere lagen kleren
zijn gezicht is nu bijna kleurloos
deze man is zo plotseling oud geworden
schoonheid ligt misschien in herhaling
voordat hij kwam belde zijn huishoudster
driemaal om te vragen of een bepaalde thee
voor hem gereedstond

vraag hem niet zijn jas uit te trekken
hij heeft vrijwel geen tijd meer, laat hem
zijn handschoenen verwarmen aan het glas thee.

 

Bekrachtiging

Om de overeenkomst waarde te geven
betasten de twee mannen elkaars testikels
elk van hen zoekt onder het lichtgekleurde kleed
van de ander met de vingers van zijn rechterhand
naar het behaard en ineengekrompen geslachtsdeel
van de ander, zo wordt deze overeenkomst meer
dan een willekeurige afspraak tussen vreemden

nadat de zon ondergaat zijn zij als mannen
die zonder dwang water verdeeld hebben.

 

Nachoem Wijnberg (Amsterdam, 13 april 1961)

 

De Ierse dichter Seamus Heaney werd op 13 april 1939 te County Derry, Noord-Ierland, geboren. Zie ook alle tags voor Seamus Heaney op dit blog.

 

De reis terug

Larkins schim verraste mij. Hij citeerde Dante:
‘Het daglicht week, de schemering verscheen
Die alle aardse schepselen bevrijdde
Van dagelijkse zorgen; ik alleen

Moest mij op de beproeving voorbereiden
Van deze reis en van het medelij

En er was niets veranderd, waar spitsuur-bussen

De afgematten en belasten door de stad droegen.
Ik had een wijze koning kunnen zijn die uittrok
Bij de kerstverlichting – behalve dat het

Meer voelde als de voorspelde reis terug
Naar de binnenlanden van het alledaagse.
Nog mijn oude zelf. Toe aan een borrel.

Een negen-tot-vijf-man, die poëzie had gezien.’

 

Vertaald door Jan Eijkelboom

 

Seamus Heaney
(13 april 1939 – 30 augustus 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e april ook mijn blog van 13 april 2019 en ook mijn blog van 13 april 2018 en ook mijn blog van 13 april 2014.

Antje Rávic Strubel, Tomas Tranströmer

De Duitse schrijfster Antje Rávic Strubel werd geboren op 12 april 1974 in Potsdam. Zie ook alle tags voor Antje Rávic Strubel op dit blog.

Uit: In den Wäldern des menschlichen Herzens

„Während der Tour schliefen sie in einem schnell aufstellbaren Igluzelt. Ihre Gruppe war klein. Fünf Kanus auf der Weite des Stora Le, der sich bis nach Norwegen erstreckte. Schroff ragte Trollön aus dem See, eine Insel mit Kanurastplatz hoch oben auf einem Plateau. Das Wasser um die Insel herum war aufgewühlt. Wellen brandeten an die Klippen, besprengten den Pfad, der im Zickzack vom Ufer aus anstieg. Das Felsplateau war von einer so dünnen, trockenen Erdschicht bedeckt, dass die Heringe beim Straffen der Zeltleinen immer wieder aus dem lockeren Boden flippten. Aber niemand protestierte. Die Aussicht von hier oben wog die Schwierigkeiten auf.
René und Katja spannten eine Plane als Windschutz über die Lebensmittel und stiegen noch einmal zum Ufer hinunter. Sie schoben ihr Kanu ins Wasser, ließen die Gruppe und das Lagerfeuer zwischen den Zelten zurück und paddelten hinaus. Katja saß vorn, René am Ende des Bootes. Als der Grund in die Tiefe abfiel, begannen sie zu angeln. Nach einer Weile fingen Tiere an zu rufen. Die Rufe kamen vom gegenüberliegenden Ufer und mischten sich unter die Fetzen der Songs, die die Gruppe am Feuer zu singen begonnen hatte, einmal klang es wie die deutsche Nationalhymne.
»Sie sollten die schwedische singen«, sagte René, »oder die kanadische.«
»Die kanadische? Weil die Typen im Camp behaupten, die Tipis stammen aus einem Indianerreservat?«
»Die Cheyenne leben in Nordamerika, nicht in Kanada.«
»Sie behaupten, sie hätten die Dinger bei kaputten Hippie-Häuptlingen gegen Halluzinogene eingetauscht«, sagte Katja. »Und die Mädels haben das geglaubt.«
»Die Landschaft hier hat was von Kanada. Riesige Seen, unberührte Weite. Endlose, tiefe, dunkle –«
»Du mit deiner Schwäche für den Norden«, sagte Katja. »Warst du überhaupt schon in Kanada?«
»– Wälder«, sagte René. »Mit einem ungeheuren Fichtenbestand.«
»Wie kommen sie auf sowas Blödsinniges wie die Nationalhymne?« Katja stach das Paddel senkrecht ins Wasser und zog durch, was René mit einem sorgfältigen Schlag ausglich.
»Vielleicht weil sie ein paar Textbruchstücke kennen«, sagte René. »Kannst du dich an den Text erinnern?«
»Kein Bedarf.«
»Er ist mehr wie ein Volkslied.«
Katja sagte nichts. Sie paddelten langsam weiter und achteten darauf, der Angelsehne nicht in die Quere zu kommen.“

 

Antje Rávic Strubel (Potsdam, 12 april 1974)

 

De Zweedse dichter en schrijver Tomas Tranströmer werd geboren in Stockholm op 15 april 1931. Zie ook alle tags voor Tomas Tranströmer op dit blog.

 

WOLKBREUK BOVEN HET BINNENLAND

De regen hamert op de autodaken.
Het onweer rommelt. Het verkeer mindert vaart.
Autolichten midden op de zomerdag ontstoken.

De rook slaat neer in de schoorstenen.
Alles wat leeft duikt in elkaar, sluit de ogen.
Een naar binnen gekeerde beweging, voel het leven heviger.

De auto is bijkans blind. De man stopt,
ontsteekt zijn eigen vuur en rookt
terwijl het water langs de ruiten stroomt.

Hier op een bosweg, kronkelend en afgelegen
vlakbij een meer met waterlelies en
een langgerekte berg verdwijnend in de regen.

Daarboven liggen de steenhopen
uit het ijzeren tijdperk toen dit een plek was
voor stamtwisten, een koudere Kongo

en het gevaar dreef vee en mensen bijeen
tot een gemurmel achter muren,
achter de struiken en stenen op de bergkam.

Een donkere helling, iemand die log
omhoog klimt met zijn schild op zijn rug
daaraan denkt hij terwijl de auto staat.

Het wordt licht, hij draait het raampje open.
Een vogel fluitkletst in zichzelf
in een steeds dunnere stille regen.

Het meeroppervlak staat gespannen. De onweershemel
fluistert dwars door de lelies tegen de modder.
De ramen van het bos gaan langzaam open.

Maar de donder knalt regelrecht uit de rust!
Een oorverdovende klap. En daarna de leegte
waarin de laatste druppels dalen.

In de stilte hoort hij een antwoord komen.
Van verre. Een soort ruwe kinderstem.
Vanaf de berg stijgt een geloei op.

Een gejammer van samengekitte tonen.
Een lange hese trompet uit de ijzertijd.
Misschien vanuit zijn eigen binnenste.

 

Vertaald door J. Bernlef

 

Tomas Tranströmer (15 april 1931 – 26 maart 2015)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e april ook mijn blog van 12 april 2020 en eveneens mijn blog van 12 april 2019.

St. Thomas Didymus (Denise Levertov), Mark Strand

 

Bij Beloken Pasen

 

Ongelovige Thomas door Giovanni Serodine, ca. 1620

 

St. Thomas Didymus  

In the hot street at noon I saw him
a small man
gray but vivid, standing forth
beyond the crowd’s buzzing
holding in desperate grip his shaking
teethgnashing son,

and thought him my brother.

I heard him cry out, weeping and speak
those words,
Lord, I believe, help thou
mine unbelief,

and knew him
my twin:

a man whose entire being
had knotted itself
into the one tightdrawn question,
Why,
why has this child lost his childhood in suffering,
why is this child who will soon be a man
tormented, torn, twisted?
Why is he cruelly punished
who has done nothing except be born?

The twin of my birth
was not so close
as that man I heard
say what my heart
sighed with each beat, my breath silently
cried in and out,
in and out.

After the healing,
he, with his wondering
newly peaceful boy, receded;
no one
dwells on the gratitude, the astonished joy,
the swift
acceptance and forgetting.
I did not follow
to see their changed lives.
What I retained
was the flash of kinship.
Despite
all that I witnessed,
his question remained
my question, throbbed like a stealthy cancer,
known
only to doctor and patient. To others
I seemed well enough.

So it was
that after Golgotha
my spirit in secret
lurched in the same convulsed writhings
that tore that child
before he was healed.
And after the empty tomb
when they told me that He lived, had spoken to Magdalen,
told me
that though He had passed through the door like a ghost
He had breathed on them
the breath of a living man —
even then
when hope tried with a flutter of wings
to lift me —
still, alone with myself,
my heavy cry was the same: Lord
I believe,
help thou mine unbelief.

I needed
blood to tell me the truth,
the touch
of blood. Even
my sight of the dark crust of it
round the nailholes
didn’t thrust its meaning all the way through
to that manifold knot in me
that willed to possess all knowledge,
refusing to loosen
unless that insistence won
the battle I fought with life

But when my hand
led by His hand’s firm clasp
entered the unhealed wound,
my fingers encountering
rib-bone and pulsing heat,
what I felt was not
scalding pain, shame for my
obstinate need,
but light, light streaming
into me, over me, filling the room
as I had lived till then
in a cold cave, and now
coming forth for the first time,
the knot that bound me unravelling,
I witnessed
all things quicken to color, to form,
my question
not answered but given
its part
in a vast unfolding design lit
by a risen sun.

 

Denise Levertov (24 October 1923 – 20 December 1997)
Ilford Hospital Chapel. Denise Levertov werd geboren in Ilford

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Mark Strand werd geboren op 11 april 1934 in Summerside, Prince Edward Island, Canada. Zie ook alle tags voor Mark Strand op dit blog.

 

OUDE MAN VERLAAT FEEST

Toen ik het feest verliet bleek zonneklaar
Dat ik, hoewel over de tachtig, nog
Een mooi lijf had. De maan scheen zoals verwacht
Op momenten van intense zelfbeschouwing. De wind stokte.
En kijk, iemand had een spiegel tegen een boom laten staan.
Zodra ik mij alleen wist, trok ik mijn hemd uit.
De berengrasbloemen lieten hun maanovergoten kopjes hangen.
Ik trok mijn broek uit en de eksters draaiden om de reuzenpijnen.
Beneden in het dal stroomde nog eenmaal de krakende rivier.
Wat vreemd dat ik in de wildernis alleen met mijn lichaam moest staan.
Ik weet wat je denkt. Ik was ooit zoals jij. Maar nu
Met zoveel voor mij, zoveel smaragdgroene bomen en
Door kruid gewitte velden, bergen en meren, hoe kon ik niet
Van ogenblik tot ogenblik alleen mijzelf zijn, deze vleselijke droom?

 

Vertaald door H.C. ten Berge

 

Mark Strand (11 april 1934 – 29 november 2014)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e april ook mijn blog van 11 april 2020 en eveneens mijn blog van 11 april 2019 en mijn blog van 11 april 2017 en ook mijn blog van 11 april 2015 deel 1 en eveneens deel 2 en deel 3.

Leo Vroman, Johannes Bobrowski

De Nederlandse dichter Leo Vroman werd op 10 april 1915 in Gouda geboren. Zie ook alle tags voor Leo Vroman op dit blog.

 

Altijd

De aarde is zwaar, de sterren zijn ver,
en ik ben wentelensmoede,
wilde versintelen als een ster,
moet op en onder spoeden.

De zwarte, dikke wereld rond
laat ik mij onder het gaan
steigeren, kantelen op mijn mond,
opstaan en slapengaan,
opsteigeren, omkantelen op mijn mond,
opstaan, slapen gaan.

En lang nadat ik dood zal zijn
dein ik nog op en neer,
bevonden groot, bevonden klein,
een doodgewankeld heer.

 

Nacht

Dieper naar voren kan ik mij niet buigen
over de wereldrand, spaarzaam verlicht.
Met het gelaat op blinde duisternis gericht
kan ik mij van Gods glans niet overtuigen.

De verste nadering betracht ik in de vele
gedachten die ik naar dat hol gebied
uitzend; talrijke keren niet,
doch ik verlies mij in dit koppig spelen

En in de pijn die tot een lust verdooft
om hun verminkte wederkomst waaraan
‘k een wreed en zeker teken hecht van Gods bestaan:
dat ginds een wand is waar wat in hem gelooft
en tot zijn licht vliegt blindelings op stuit.

Doch wellicht hoort hij in de stilste nachten
het zieke ritselen van mijn gedachten
die zich te pletter fladderen buiten op zijn ruit.

 

De twee gedachten

Een denker dacht met zacht misbaar
twee gedachten bij elkaar.

Daar zij niet naar buiten kwamen
had hij zelf voor hen geen namen.

Wij noemen ze dus Ploot en Fuit
(zo zagen zij er namelijk uit).

Fuit was zestig angström groot
maar magerder dan kromme Ploot.

Het viel niet op hoe overdag
de een over de ander lag

maar in de stilte van de nacht
lagen zij languitgedacht

en zo verward als mensenhaar
vochten zij dan met elkaar

zodat de denker mompels maakte
en met een pijn in ’t hoofd ontwaakte.

Dus stonden altijd naast zijn bed:
a) glas water; b) tablet.

Hij goot en kruimde deze dingen
dan door het hoofd het lichaam binnen

en spoedig lagen Ploot en Fuit en
ook anderen het westen buiten.

Later hadden zij dan spijt
van hun tegenstrijdigheid
.

‘Waarom denkt’ riep dan het paar
‘hij ons altijd bij elkaar?

Als hij mij om beurten dacht
wou ‘k wel om de andere nacht
opnieuw bedacht.’

Toen kreeg de denker een idee:
hij dacht om beurten aan de 2.

Nu slaapt hij altijd in op tijd
en door tot uren na het ontbijt.

Moraal:
op enkele dagen van het jaar
is bijna alles wel eens waar.

 

Leo Vroman (10 april 1915 – 22 februari 2014)

 

De Duitse schrijver, dichter en essayist Johannes Bobrowski werd geboren op 9 april 1917 in Tilsit. Zie ook alle tags voor Johannes Bobrowski op dit blog.

 

Vlierbloesem

Komt daar
Babel, Isaak.
Hij zegt: bij de pogrom,
toen ik kind was,
mijn duif de kop
rukten ze af.

Huizen in houten straat,
met hekken, daarboven vlier.
Wit geschuurd de drempel,
het trapje af –
Toen, moet je weten,
het bloedspoor.

Mensen, jullie zeggen: vergeten –
Komt daar het jongvolk,
lachend als bossen vlierbloesem.
Mensen, sterven
zou willen de vlier
aan jullie vergeetachtigheid.

 

Vertaald door C.O. Jellema

 

Johannes Bobrowski
(9 april 1917 – 2 september 1965)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e april ook mijn blog van 10 april 2020 en eveneens mijn blog van 10 april 2019 en ook mijn blog van 10 april 2016 deel 2