Rutger Kopland, Martin Piekar

De Nederlandse dichter en schrijver Rutger Kopland (eig. Rutger Hendrik van den Hoofdakker) werd geboren in Goor op 4 augustus 1934. Zie ook mijn blog van 4 augustus 2010 en ook alle tags voor Rutger Kopland op dit blog.

Er moeten toch mensen wonen

Er moeten toch mensen wonen, ik luister,
en herinner mij dit huis, de lege eierschalen,
de koude resten thee, de waaiende gordijnen,
op het tafellaken grijze stront van vogeltjes,

Oh, goede morgen, als kabouters in zachte
pyjama’s gaan de geluiden door het huis, de
eerste Clementi, de kranen, de fluit van
het kokende water. Geluk is langzaam naar

beneden gaan en daar zitten wachten
op stappen, tussen muren bedekt
met tekeningen: vaders, moeders,

kinderen, tafel, huis, voorgoed
aan het ontbijt. En ik
was één van hen.

 

Wie

Wie zal de vriend zijn van mijn vriendin,
de baas voor mijn hond, het kind in mijn jeugd,
de oude man bij mijn dood, wie zal dat zijn als
ik het niet ben? Jij? Ach kom, jij bent niets

dan twee ogen, die zien wat ze zien, jij
bent niets dan het uitzicht: een zon schijnt,
een appelboom bloeit, een stoel staat in
het gras; vreugde, verdriet, weet jij veel,

uitzicht. maar wie zal mijn liefste grijs en
ziek laten worden, er voor zorgen dat de hond
jankt, het kind huilt, en de dood komt? Wie
zal de appelboom laten verkommeren, de stoel
voorgoed laten staan in de regen? Iemand toch
zal toe moeten zien dat alles voorbij gaat.

 

Tegen het krakende hek

Zo stonden wij tegen het krakende hek,
zo buiten de wereld als paarden.

Het was weer aarde, gier en soir de
paris, een avond van waar en wanneer.

In mij kwamen vergeten regels omhoog,
zachte op nacht rijmende landerijen,

maar jij fluisterde: hier, hier is het
het fijnste, waar je nu bent, waar je nu

bent met je handen. Zo lagen we tegen
de aarde en tegen elkaar, terwijl het hek

kraakte tegen de opdringende paarden.

 

Rutger Kopland (4 augustus 1934 – 11 juli 2012) Portret door Trudy Kramer, 2002

 

De Duits-Poolse dichter Martin Piekar werd geboren op 5 augustus 1990 in Bad Soden am Taunus. Zie ook alle tags voor Martin Piekar op dit blog.

 

Centraal Station Frankfurt am Main I

I.

Mijn perspectieven eindigen daar
De moeder van mijn treinstations
Wat hier ontsproot, kwam altijd terug
Naar of met mij (altijd heeft
Een blind quotum, maar een quotum)
A million faces, each a million lies
Schreef ik in de ICE, dan komen
De bruggen, de boten, ik geloof
Dat je altijd in een cirkel rijdt – bijna
Geometrisch – ik zweer het
Bij al mijn fetisjen: Frankfurt
Spiegelt zich niet in de Main
De rivier spiegelt zich hier in de stad

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Martin Piekar (Bad Soden am Taunus, 5 augustus 1990)

 

Zie voor de schrijvers van de 4e augustus ook mijn blog van 4 augustus 2019 en ook mijn blog van 4 augustus 2017 en ook mijn blog van 4 augustus 2013 en mijn blog van 4 augustus 2011 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3 en mijn blog over Robert Beck.

Marica Bodrozić

De Duitse dichteres en schrijfster Marica Bodrozić werd geboren op 3 augustus 1973 in Zadvarje in het toenmalige Joegoslavië. Zie ook alle tags voor Marica Bodrozić op dit blog.

EIN KOLIBRI KAM UNVERWANDELT
in die Gattung der Träume hinein,
sah sich um, sah die dort vorhandenen
Menschen, malte seine Flügel blau und sagte
zu den Zweibeinigen: ich bin der Himmel.
Die Farbe sprach dafür.
Aber die Leute hatten keine Beweise.
Also schwiegen sie feige um die Schönheit
herum, gaben vor, Diplomatie zu betreiben.
Sie rechneten, betrieben Kalkulation
und teilten am Ende dem Kolibri mit,
man habe beschlossen, Farbe,
das sei Illusion. Der Vogel staunte,
er lernte das Staunen unvermittelt
von den Menschen, flog zu den lila Blüten,
setzte sich hin und packte sein Zauberbuch aus.
Dann blätterte er einige Mal hin und her,
verwandelte sich in einen Schmetterling,
malte seine Flügel blau und sagte
zu den Menschen: ich bin der Himmel.
Die Farbe sprach dafür.
Aber die neuen Kinder hatten keine Träume mehr.
Sie nahmen das sprechende Wunder
zwischen die Finger. Und erst der Staub
rief sie ins Staunen. Der Schmetterling
wurde unterdessen gelb, flog in die Urgegend
der Bilder, ruhte auf den reifenden Zitronen,
wurde ein Kolibri, kam unverwandelt
in die Gattung der Träume hinein,
sah sich um, sah die dort vorhandenen
Menschen, und hatte Geduld.

 

EEN KOLIBRIE KWAM ONVERANDERD
het genre van de dromen binnen,
keek om zich heen, zag de daar aanwezige
mensen, schilderde zijn vleugels blauw en zei
tegen de tweevoeters: ik ben de hemel.
De kleur sprak ervoor.
Maar de mensen hadden geen bewijs.
Dus zwegen ze laf om de schoonheid
heen, deden alsof ze diplomatie bedreven.
Ze maakten berekeningen en calculeerden
en deelden uiteindelijk aan de kolibrie mee
dat men besloten had dat kleur,
een illusie is. De vogel was verbaasd,
hij leerde plotseling verbaasd te staan
van de mensen, vloog naar de paarse bloemen,
ging zitten en pakte zijn magische boek uit.
Toen bladerde hij een paar keer heen en weer,
veranderde zichzelf in een vlinder,
schilderde zijn vleugels blauw en zei
tegen de mensen: ik ben de hemel.
De kleur sprak ervoor.
Maar de nieuwe kinderen hadden geen dromen meer.
Ze namen het pratende wonder
tussen de vingers. En pas het stof
wekte hun verbazing. De vlinder
werd ondertussen geel, vloog naar het oergebied
van de schilderijen, rustte op de rijpende citroenen,
werd een kolibrie, kwam onveranderd
het genre van de dromen binnen,
keek om zich heen, zag de daar aanwezige
mensen, en had geduld.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Marica Bodrozić (Zadvarje, 3 augustus 1973)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e augustus ook mijn blog van 3 augustus 2018 en ook mijn blog van 3 augustus 2016 en mijn blog van 3 augustus 2015 en eveneens van 3 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

James Baldwin

De Amerikaanse schrijver James Baldwin werd op 2 augustus 1924 in Harlem, New York, geboren. Zie ook alle tags voor James Baldwin op dit blog.

Uit: Letter from a Region in My Mind

“Yet there was something deeper than these changes, and less definable, that frightened me. It was real in both the boys and the girls, but it was, somehow, more vivid in the boys. In the case of the girls, one watched them turning into matrons before they had become women. They began to manifest a curious and really rather terrifying single-mindedness. It is hard to say exactly how this was conveyed: something implacable in the set of the lips, something farseeing (seeing what?) in the eyes, some new and crushing determination in the walk, something peremptory in the voice. They did not tease us, the boys, any more; they reprimanded us sharply, saying, “You better be thinking about your soul!” For the girls also saw the evidence on the Avenue, knew what the price would be, for them, of one misstep, knew that they had to be protected and that we were the only protection there was. They understood that they must act as God’s decoys, saving the souls of the boys for Jesus and binding the bodies of the boys in marriage. For this was the beginning of our burning time, and “It is better,” said St. Paul—who elsewhere, with a most unusual and stunning exactness, described himself as a “wretched man”—“to marry than to burn.” And I began to feel in the boys a curious, wary, bewildered despair, as though they were now settling in for the long, hard winter of life. I did not know then what it was that I was reacting to; I put it to myself that they were letting themselves go. In the same way that the girls were destined to gain as much weight as their mothers, the boys, it was clear, would rise no higher than their fathers. School began to reveal itself, therefore, as a child’s game that one could not win, and boys dropped out of school and went to work. My father wanted me to do the same. I refused, even though I no longer had any illusions about what an education could do for me; I had already encountered too many college-graduate handymen. My friends were now “downtown,” busy, as they put it, “fighting the man.” They began to care less about the way they looked, the way they dressed, the things they did; presently, one found them in twos and threes and fours, in a hallway, sharing a jug of wine or a bottle of whiskey, talking, cursing, fighting, sometimes weeping: lost, and unable to say what it was that oppressed them, except that they knew it was “the man”—the white man. And there seemed to be no way whatever to remove this cloud that stood between them and the sun, between them and love and life and power, between them and whatever it was that they wanted. One did not have to be very bright to realize how little one could do to change one’s situation; one did not have to be abnormally sensitive to be worn down to a cutting edge by the incessant and gratuitous humiliation and danger one encountered every working day, all day long.”

 

James Baldwin (2 augustus 1924 – 1 december 1987)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 2e augustus ook mijn blog van 2 augustus 2018 en ook mijn blog van 2 augustus 2017 en ook mijn blog van 2 augustus 2011 deel 2.

Gerrit Krol, Alfred Tennyson

De Nederlandse dichter en schrijver Gerrit Krol werd geboren op 1 augustus 1943 in Groningen. Zie ook alle tags voor Gerrit Krol op dit blog.

Uit: Over de aandoeningen der ziel

“Over onze tekortkomingen. Want niemand schiet meer tekort dan wij – wij zijn niet groter. Als wij groter waren, konden we meer zien, en als we meer konden zien, konden we meer denken, en meer zien.
Op de markt staat een machine. Wie daarin kruipt ziet de toekomst, maar als hij er uit kruipt is hij die toekomst weer vergeten. Hij kan niemand vertellen wat hij heeft gezien. Daarom moet er een machine zijn voor twee personen, zodat deze elkaar hun ervaringen kunnen mededelen, maar daardoor zal, zoals te begrijpen is, hun eenzaamheid nog groter zijn want, terug op de wereld, hebben ze slechts elkaar om zich mede te delen en wát ze ons ook vertellen, hun belevenissen zijn de onze niet. Ze kunnen niets laten zien en met al hun geestdrift blijven ze ernstig in gebreke. Daarentegen, als ze maar iets meegenomen hadden, een kijkglas, een beroet glaasje om door te kijken en een object, waar iedereen naar kon kijken, dan konden wij, zij het door een zwart glaasje, allen hetzelfde zien. Want wanneer wij zodra wij met elkaar spreken, hetzelfde bedoelen, schieten wij niet meer tekort, maar nu schieten wij te kort.
Er zijn drie ruimtes, of vier, maar hoofdzakelijk drie. Drie ruimtes. De eerste ruimte wordt opgevuld door de dingen om ons heen. Deze dingen zijn voor allen hetzelfde. De tweede ruimte wordt opgevuld door hetgeen in ons is. Dit is voor elk van ons verschillend. De derde ruimte bestaat uit de woorden waarmee wij deze verschillende dingen aan elkaar gelijk stellen, zodat wij elkaar verstaan. De vierde ruimte is de ruimte die bestaat uit de dingen die zowel om ons heen zijn als in ons: onze waarnemingen. En de vijfde ruimte is gelijk aan de vierde, maar bestaat slechts uit woorden.
Er is een ruimte, die je ruimte 4a kunt noemen: je waarnemingen, maar niet die van nu, – die van gisteren. Deze ruimte heet de geest. Het zijn de gedachten. Iedereen heeft een eigen geest en zijn eigen gedachten. Deze gedachten, van jou en mij, hebben dus niets met elkaar gemeen dan de naam die we er aan geven.
Een gedachte waar we zelf deel van uitmaken, is een gevoel. Het gevoel van jou en het gevoel van mij, hebben niets gemeen, ook niet het woord dat we ervoor gebruiken, want hij bedoelt jezelf en ik bedoel mij. Je hoeft daarover dus niets tegen mij te zeggen.”

 

Gerrit Krol (1 augustus 1934 – 24 november 2013)

 

De Engelse dichter Alfred, Lord Tennyson werd geboren op 6 augustus 1809 in Somersby, Lincolnshire, England. Zie ook alle tags voor Alfred Tennyson op dit blog.

 

Uit: In Memoriam

Blijf bij mij als mijn lamp laag staat,
Als ’t bloed stokt, elke zenuw prikt
En tintelt, als het hart haast stikt,
En ’s Levens raderwerk traag gaat.

Blijf bij mij als ’t zintuigelijk lijf
Door folterpijn van hoop ontbloot is,
De Tijd een stof strooiend despoot is,
Het Leven een vuurspuwend wijf.

Blijf bij mij als ’t geloof droog staat,
De mens een herfstvlieg is, gedoemd,
Die eitjes legt, en steekt, en zoemt,
Zijn nietige cel weeft, en vergaat.

Blijf bij mij in mijn stervenstijd,
Wijs mij het eind van ’t menselijk streven,
En aan de duistere rand van ’t leven
De dageraad der eeuwigheid
.

 

Vertaald door Rudy Bremer

 

Alfred Tennyson (6 augustus 1809 – 6 oktober 1892) Portret door George Frederic Watts, 1863-1864

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e augustus ook mijn blog van 1 augustus 2019 en ook mijn blog van 1 augustus 2017 en ook mijn blog van 1 augustus 2011 deel 3.

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 1 augustus 2017.

De Amerikaanse dichter en advocaat Francis Scott Key werd geboren op de plantage Terra Rubra bij Frederick (Maryland) op 1 augustus 1779.

Cees Nooteboom, Jill McDonough

De Nederlandse dichter en schrijver Cees Nooteboom werd geboren in Den Haag op 31 juli 1933. Zie ook alle tags voor Cees Nooteboom op dit blog.

Uit: Roads to Santiago (Vertaald door Ina Rilke)

“Berlanga, Gormaz, Penaranda, Penafiel, they all take on the colour of the dry soil as they lie there, sprawled and menacing on the low ripple of hills. Like dismantled, empty shells, the vast carcasses of extinct beasts–that is how they rule over the bare land and the low, unprepossessing villages in which churches and convents preserve the remembrance of former glory. In their sculpted calligraphy they evoke the memory of vanished Arab rulers. Time really did melt in this place, and then solidified for ever. The traveller sees the map growing emptier as he proceeds. There is nothing to tell, he feels lost in a well of centuries, set upon by ruins. The hot wind rolls with him over the plain, and he will encounter few beings on his way: Soria is the most deserted province of Spain, the population is still trickling away, there is no livelihood to be had there.
I seek refuge from the heat in the monastery of Veruela. It’s like slamming the door on the plain behind you and stepping into a different, cooler, world. Oak trees and cypresses, the gentle lapping of water, rustling leaves, shade. There is no one to be seen, no cars belonging to other visitors, nothing. In Italy one often has the feeling that all the treasures are out on display, the eye is inebriated by what it sees, the great cornucopia is drained of its contents, there is no end to it. In Spain, and especially in these parts, one has to make an effort. Distances have to be covered, conquests made. The Spanish character has something monastic about it, even in their great monarchs there is a touch of the anchorite: both Philip and Charles built monasteries for themselves and spent much time in seclusion, turning their backs to the world they were required to govern. Anyone who has travelled widely through Spain is accustomed to such surprise encounters, and indeed anticipates them: in the middle of nowhere an enclave, an oasis, a walled, fortresslike, introverted spot, where silence and the absence of others wreak havoc in the souls of men. That is how it is here. I have walked under all the quarterings of Ferdinand of Aragon’s coat of arms and the simpler, mitred arms of the archbishop of Zaragoza and of the abbot of the monastery. I am standing in the courtyard and have tugged the bell, but there is no response. I go back to the coats of arms and stare up at them, but they have lost their meaning. I can see, but am blind to what I see. There must have been a time when people “read” these symbols the way I read a traffic sign. I know that those quarterings indicate lineage, that they speak of couplings in remote Spanish castles which yielded knights and ladies, all of whom, rowing down the long rivers of their blood, are fused in this Ferdinand.”

 

Cees Nooteboom (Den Haag, 31 juli 1933)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Amerikaanse dichteres Jill McDonough werd geboren in Hartford, Connecticut in 1972 en groeide op in North Carolina.

 

Nog steeds vallend

Mijn vriend probeert te stoppen met roken, en ik zeg: Ach, wees niet zo hard voor jezelf, ziek
van het doen alsof we niet dood gaan. We gaan dood en vallen nog steeds

voor onzin over bessen, een glas rode wijn. Het had erger kunnen zijn. We zijn niet suïcidaal,
geef de duivels een klap, Swazi. Dus we slaan nog steeds de sportschool over, eten nog steeds friet, vallen nog steeds

in slaap met de tv aan. Wat dan ook. We zijn dagelijks dichter bij het sterven, maar
het lijkt langzaam te gebeuren. De avond, poedersneeuw, de koude nacht, vallen nog steeds,

lacht hij, een lang touw van rook, zijn warme adem stijgt op. Goed. We hangen allemaal
onszelf op, maar het is een lang touw, Jill. Zie je? We zijn allemaal nog steeds in orde, we vallen nog steeds.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jill McDonough
(Hartford, Connecticut, 1972)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 31e juli ook mijn blog van 31 juli 2019 en ook mijn blog van 31 juli 2018 en ook mijn blog van 31 juli 2017 en ook mijn blog van 31 juli 2016 deel 1 en eveneens deel 2.

Maja Lunde, Anya Silver

De Noorse schrijfster en scenariste Maja Lunde werd geboren in Oslo op 30 juli 1975. Zie ook alle tags voor Maja Lunde op dit blog. Zie ook alle tags voor Maja Lunde op dit blog.

Uit: The History of Bees (Vertaald door Diane Oatley)

“Their eyes were on us, on the trees. Curious, wrinkling their noses a bit, cocking their heads. As if they were here for the first time, even though all of them had grown up in the district and didn’t know of any kind of nature other than the endless rows of fruit trees, against the shadow of the overgrown forest in the south. A short girl looked at me for a long time, with big, slightly close-set eyes. She blinked a few times, then sniffed loudly. She held a skinny boy by the hand. He yawned loudly and unabashedly, didn’t lift his free hand to his mouth, wasn’t even aware that his face stretched open into a gaping hole. He wasn’t yawning as an expression of boredom; he was too young for that. It was the shortage of food that caused his fatigue. A tall, frail girl held a little boy by the hand. He was breathing heavily through a stuffed-up nose, with his mouth open, missing both front teeth. The tall girl pulled him behind her while she turned her face towards the sun, squinted and wrinkled her nose, but kept her head in the same position, as if to get some color, or perhaps glean strength. They arrived every spring, the new children. But were they usually so small? Were they younger this time? No. They were eight. As they always were. Finished with their schooling. Or … well, they learned numbers and some characters, but beyond that school was only a kind of regulated storage system. Storage and preparation for life out here. Exercises in sitting quietly for a long time. Sit still. Completely still, that’s right. And exercises to develop fine motor skills. They wove carpets from the age of three. Their small fingers were ideally suited for work with complex patterns. Just as they were perfect for the work out here. The children passed us, turned their faces to the front, towards other trees. Then they walked on, towards another field. The boy without teeth stumbled a bit, but the tall girl held his hand tightly, so he didn’t fall. The parents were not here, but they took care of one another. The children disappeared down along the tire rut, drowned between the trees. “Where are they going?” a woman from my crew asked. “I don’t know:’ another replied. “Probably towards forty-nine or fifty’: a third said. “Nobody has started there yet:’ My stomach twisted into a knot.”

 

Maja Lunde (Oslo, 30 juli 1975)

 

De Amerikaanse dichteres Anya Silver werd geboren op 22 december 1968 in Media, Pennsylvania.

 

Uit het ziekenhuis ontslagen

Terwijl de deuren achter me dicht glijden,
de wereld weer tot leven komt –
besta ik weer, kom tot mezelf,
zonlicht niet gedimd door donkere ruiten,
de hitte op mijn armen de adem van de aarde.
De wind zet me rechtop
als een hinde die haar pasgeboren kalfje schoonlikt.
Achter mijn rug, dagen gemeten aan de hand van vitale functies,
mijn geopende mond en mijn gestrekte arm,
de nachtelijke kreten van een man, tot kindermaat
verdord door kanker en het gerinkel
van lege infusen die door gangen tolden.
Voor mij het leven – mysterieus, gewoon –
pijn op afstand houdend met zijn gespierde vleugels.
Als ik op de stoeprand stap, duikt een oranje mot
in de mand met rozen
die de laatste tijd op mijn ziekenhuistafel stond,
en de bloembladen wijken voor zijn aanhoudende
duwtje, openen zich veelvoudig en als van goud.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Anya Silver (22 december 1968 – 6 augustus 2018)

 

Zie voor meer schrijvers van de 30e juli ook mijn blog van 30 juli 2019 en ook mijn blog van 30 juli 2017 en ook mijn blog van 30 juli 2016 deel 1 en eveneens deel 2.

Harry Mulisch, Thomas Rosenlöcher

De Nederlandse schrijver Harry Mulisch werd geboren op 29 juli 1927 in Haarlem. Zie ook alle tags voor Harry Mulisch op dit blog.

Uit: Archibald Strohalm en het paradijs

“Archibald Strohalm trilde. Niet om de grote vlam, die vlak voor zijn voeten geel omhoog laaide: een brandend stuk papier, waarin Bronislaws weggeworpen lucifer had gesmeuld, – hij had er al even naar zitten kijken, maar de schilder zag haar nu pas. Afwezig stak hij een been naar voren en trapte haar uit, waarbij de vonken en kooldeeltjes langs zijn voet opstoven. Hij had Bronislaws schrik nauwelijks bemerkt; hij schuurde de zool van zijn schoen over de grond. Natuurlijk kwam er weer een eiergesprek. Het was of Bronislaw voelde, dat dit de enige mogelijkheid was om het zwijgen te vermijden; zelf stuurde hij in deze richting. Archibald strohalm dacht aan zijn voornemen om menselijk kontakt te krijgen met Bernard door de eieren heen, – een methode, waarvan hij zich nog geen voorstelling kon maken. Hij overwoog dat dit, mocht het lukken, wellicht een menselijkheid als gevolg zou kunnen hebben, waarbij al het buiten-eiige in het niet verdween. Zou hij nu met Boris Bronislaw misschien al een experiment in deze richting kunnen nemen?
Hilde legde haar hand op Bronislaw arm en noemde zacht zijn naam. Ze drukte haar lippen even tegen zijn slaap. Hij richtte zich snel op. ‘Wat heb ik?’ vroeg hij met opgetrokken wenkbrauwen. ‘Begrijp je dat?’ De vrouw knikte. Verwonderd en vragend zag hij haar aan. Dan fronste hij plotseling zijn wenkbrauwen en keek naar het half verbrande papier, dat omgeven was door zwarte, veerlicht wegrollende schilfertjes. Hij wendde zich naar archibald strohalm om te verklaren, maar zag dat deze daar geen behoefte aan had.
‘Dat is een goede vergelijking,’ zei archibald strohalm.
‘Wat?’ De schilder kneep aanhoudend met zijn oog, maar hij wreef over zijn gezicht en herstelde zich. Hij glimlachte even naar Hilde.
‘Dat met die lamp.’
‘Lamp? O, dat is niets. Daar draai ik mijn hand niet voor om. Heb ik je niet bezeerd, Hilde? Hier, een kusje. Maar nu is het jou beurt, Strohalm. Wat was jij aan het filosoferen? Overtref me eens als je kunt.’
‘Ik wil geen figuur slaan, Bronislaw.’
De schilder lachte weer; alleen zijn oog kwam niet tot rust. – ‘Over wat voor onderwerp ging het? Dan zal ik nog eens filosofisch improviseren en je wel even wat op weg helpen. Altijd prijs.’
Archibald strohalm trok een bijbel uit zijn zak. – ‘Hierover.’
‘Haha!’ lachte Bronislaw toen hij het woord op de zwarte kaft las. ‘Filosofeer je daar met dit weer over, neef?’
Archibald strohalm nam hem verwonderd op en keek dan om zich heen.
‘Is hij je neef?’ vroeg Hilde.
‘Nee, dat kun je niet begrijpen. Word je niet moe van het zitten, schat?’
Ondanks deze bondige afwijzing werd Hilde niet kwaad. – ‘Nee, jongen,’ zei ze.”

 

Harry Mulisch (29 juli 1927 – 30 oktober 2010)

 

De Duitse dichter en schrijver Thomas Rosenlöcher werd geboren op 29 juli 1947 in Dresden. Zie ook alle tags voor Thomas Rosenlöcher op dit blog.

 

Mozart

Een gerammel van toetsen. En de dood stampt bonk
bonk de trap op. Maar de kerel is hem al weer
gesmeerd over alle octaven,
draait grijnzend zijn hoofd om in het triolenlawaai.

Tot op de dag van vandaag loopt de dood door Wenen
en raadpleegt het Knöchelverzeichnis
en overtuigt de perplexe experts ervan
dat de nepschedel echt is.

Maar opnieuw hoort hij de onsterfelijkheidstriller
en neemt meteen de lift, treft de verkeerde aan,
die hier ook slechts oefende. Wees niet verdrietig, dood.
Je krijgt immers iedereen, ook mij. – Haast je, daar rent hij.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Thomas Rosenlöcher (Dresden, 29 juli 1947)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e juli ook mijn blog van 29 juli 2019 en ook mijn blog van 29 juli 2017 deel 1 en ook deel 2.

Remco Campert, Claudia Gabler

De Nederlandse dichter en schrijver Remco Campert werd op 28 juli 1929 in Den Haag geboren. Zie ook alle tags voor Remco Campert op dit blog.

Verzet begint niet met grote woorden

Verzet begint niet met grote woorden
maar met kleine daden

zoals storm met zacht geritsel in de tuin
of de kat die de kolder in zijn kop krijgt

zoals brede rivieren
met een kleine bron
verscholen in het woud

zoals een vuurzee
met dezelfde lucifer
die een sigaret aansteekt

zoals liefde met een blik
een aanraking iets wat je opvalt in een stem

jezelf een vraag stellen
daarmee begint verzet

en dan die vraag aan een ander stellen.

 

Ja rozen

Dit zijn rozen voor je
en alle poëzie.
Dit is mijn mooiste pose:
die van liefde’s acrobaat,
zwevend schijnbaar moeiteloos,
maar met krampende tenen
boven een bed
van rozen en doornen.

Ik zal je nu beschrijven:
kijk, ik teken rozen op je huid
en jij doornen op de mijne.

Goed,
ik ben een acrobaat.
Is er een mooiere pose?

Pose van gevaar,
balancerend tussen begeerte en verweer:
ik stijg, ik val en onderwijl:

ik teken rozen
rozen
rozen

en dit zijn rozen.

 

Naar buiten

Naar buiten met die woorden!
Alsof ze vertaald zijn, misschien
niet zo best maar wie weet dat,
zó moeten ze klinken….

De straat op met je waar!
Wind staat om de monden en oren!
veel gaat verloren, flarden
zijn verstaanbaar, afzonderlijk-

heden nu treden naar voren
Olie op het asfalt, hier
stond een auto, smeulende peuk
op het trottoir daar

gaat een man

 

Remco Campert (Den Haag, 28 juli 1929)

 

De Duitse dichteres Claudia Gabler werd op 28 juli 1970 geboren in Lörrach. Zie ook alle tags voor Claudia Gabler op dit blog.

 

Onze eigen tuinen hadden ons afgewezen

Onze eigen tuinen hadden ons afgewezen,
zelfs de bloemen, tot op dit moment onze vrienden, waren er nu vandoor gegaan.
Derhalve kozen wij voor andere steden,
alleen hun geluidskwaliteiten waren daarvoor doorslaggevend.

De nieuwe baden stilden snel onze dorst naar douchewater,
maar de groene grens beschermde niet tegen insecten.
Ook niet tegen wilde dieren.
De buren waren echte gevoelsterroristen.

Wij zelf klaagden over berengeluiden
en werden en passant zelf onze ergste vijanden.
Ons voortijdige gezoem lag nu over de nieuwe tuinen als een provinciale symfonie.
Weer was het echter het water dat redding bood.

Thermale bronnen en de levenslust als van zowat een tsaar die erin gevierd werd
verhinderde vuurwapengebruik. We waren ineens heel vrolijk.
Ook al waren we omsloten door bontwaren en wisten we duidelijk:
Hier blaft een Siberische hond.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Claudia Gabler (Lörrach, 28 juli 1970)

 

Zie voor de schrijvers van de 28e juli ook mijn blog van 28 juli 2019 en ook mijn blog van 28 juli 2017 en ook mijn blog van 28 juli 2011 deel 2.

Michael Longley

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

WOUNDS

Here are two pictures from, my father’s head —
I have kept them like secrets until now:
First, the Ulster Division at the Somme
Going over the top with ‘Fuck the Pope!’
‘No Surrender!’: a boy about to die,
Screaming ‘Give ‘em one for the Shankill!’
‘Wilder than Gurkhas’ were my father’s words
Of admiration and bewilderment.
Next comes the London-Scottish padre.
Resettling kilts with his swagger-stick,
With a stylish backhand and a prayer.
Over a landscape of dead buttocks
My father followed him for fifty years.
At last, a belated casualty,
He said – lead traces flaring till they hurt –
‘I am dying for King and Country, slowly.
I touched his hand, his thin head I touched.

Now, with military honours of a kind,
With his badges, his medals like rainbows,
His spinning compass, I bury beside him
Three teenage soldiers, bellies full of
Bullets and Irish beer, their flies undone.
A packet of Woodbines I throw in,
A lucifer, the Sacred Heart of Jesus
Paralysed as heavy guns put out
The night-light in a nursery for ever;
Also a bus-conductor’s uniform –
He collapsed beside his carpet-slippers
Without a murmur, shot through the head
By a shivering boy who wandered in
Before they could turn the television down
Or tidy away the supper dishes.
To the children, to a bewildered wife,
I think ‘Sorry Missus’ was what he said

 

THE WEST

Beneath a gas-mantle that the moths bombard,
Light that powders at a touch, dusty wings,
I listen for news through the atmospherics,
A crackle of sea-wrack, spinning driftwood,
Waves like distant traffic, news from home,

Or watch myself, as through a sandy lens,
Materialising out of the heat-shimmers
And finding my way for ever along
The path to this cottage, its windows,
Walls, sun and moon dials, home from home.

 

De ijscoman

Rum en rozijnen, vanille, butterscotch, walnoot, perzik:
Je zou er de smaken afrijmen. Dat was voordat
Ze de ijsjesman op Lisburn Road hebben vermoord
En je anjers kocht om buiten voor zijn winkel te leggen.
Ik heb alle wilde bloemen van de Burren voor je opgenoemd
Die Ik in één dag had gezien: tijm, valeriaan, kattestaart,
Moerasspirea, grote keverorchis, varkenskers, struikhei, angelica,
Robertskruid, marjolein, fluitenkruid, zonnedauw, wikke,
Zilverkruid, houtsalie, echte koekoeksbloem, grote muur,
Duizendblad, geel walstro, winde, teer guichelheil.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)
Portret door Colin Davidson, 2011-2012

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e juli ook mijn blog van 27 juli 2018 en ook mijn blog van 27 juli 2017 en ook mijn blog van 27 juli 2011 deel 2.

Arthur Japin, Michael Longley

De Nederlandse schrijver Arthur Japin werd geboren in Haarlem op 26 juli 1956. Zie ook alle tags voor Arthur Japin op dit blog.

Uit: Vaslav

“Vanochtend, al voor dag en dauw, begint voor ons de waanzin. Het hele huis in rep en roer. Opgewonden stemmen in het trappenhuis. Geroep in de tuin. Voeten die de trap op rennen.
Lise hoort het in haar slaap. Ze kreunt even, haalt een keer diep adem alsof ze zich wil omdraaien. Ik heb mijn armen om haar heen geslagen en druk haar nog eens tegen me aan, waarop ze weer ontspant. Zo lig ik het liefst, mijn hoofd tussen haar schouders, mijn onderlijf stijf tegen het hare, knieën samen opgetrokken, alsof zij mij op haar rug draagt en me veilig over donzen bergen gidst. Even nog, denk ik, in godsnaam, en zak weer weg. Het volgende moment zie ik onze lijven als de wanden van een dal. Ik zeil erlangs, rakelings, een adelaar die afdalend vanuit de hoge wind de luwte zoekt. Dan wordt er op mijn deur geklopt. Vier korte doffe slagen, die ik in mijn halfslaap als schoten hoor. Ze weerkaatsen in de kloof van Lises dijen waar ik tussendoor zweef. Onder me zie ik de zon in de Inn weerkaatst, een zilveren lint dat de meren van Sankt Moritz, Sils en Silvaplana doorrijgt, maar het volgende salvo schiet me wakker.
Marie is aan de deur, helemaal hysterisch. Ik roep dat ik eraan kom, maak licht en zoek mijn kleren bij elkaar. Lise zucht. Door samengeknepen wimpers kijkt ze hoe ik vechtend met mijn onderbroek op één been door de kamer spring. De lange pijpen, gisteravond laat te gretig uitgetrapt, zitten helemaal verknoopt. Als ik struikel, schiet ze in de lach. Ik leg mijn vinger tegen mijn lippen en geef haar haar kleren aan.
‘Het kleintje,’ snikt Marie, ‘ze is weg.’
Ik knoop mijn hemd dicht terwijl we naar beneden rennen.
‘Haar bed is leeg, de voordeur staat open. Kyra, o God, onze lieve kleine Kyra.’
‘En mevrouw?’
‘Weet nog van niks. Dit mag Miss Grant haar zelf vertellen. Mooie gouvernante is me dat. Die heeft een deken omgeslagen en is zo de tuin in gehold op zoek naar voetstappen, maar het is pikdonker. Jij moet mee om bij te lichten.’
De kou van de nacht hangt in de hal. Ik ga de achtertrap af naar het stookhok, drenk een rag in de petroleum, wind hem om een teerfakkel en wil die aansteken als ik me ineens bedenk. Ik hol terug naar boven, neem de gang op de eerste, stilletjes om mevrouw niet te alarmeren, en steek de overloop over naar de kamer van mijnheer. Ik klop niet aan omdat ik wel weet hoe laat het is, maar open direct de deur en kijk naar binnen.”

 

Arthur Japin (Haarlem, 26 juli 1956)

 

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

 

OORLOG & VREDE

Achilles jaagt achter Hector aan als een sperwer
Krijsend naar een doodsbange kraagduif
Die fladdert in het aangezicht van haar beul, dus
Hector doet onder de muren van Troje moeite om in leven te blijven.
Voorbij de verweerde wilde vijgenboom en de uitkijk-
Post versnellen ze allebei hun pas, weg van de stad
Langs een karrenspoor tot aan dubbele springbronnen
Die uitstromen in de wervelende Skamandros, één met
Warm water dat stoomt als rook van een vreugdevuur,
De andere koud als hagelstenen, sneeuwwater,
Handig voor de uit steen gehouwen wasbakken
Waarin Trojaanse huisvrouwen en hun mooie dochters
In de goede oude tijd te hun glanzende kleding uitspoelden,
Op wasdagen, voordat de Griekse soldaten naar Troje kwamen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e juli ook mijn blog van 26 juli 2018 en ook mijn blog van 26 juli 2017 en eveneens mijn blog van 26 juli 2015 deel 2.