Ad Zuiderent, Linda Pastan

De Nederlandse dichter en criticus Ad Zuiderent werd geboren in ’s-Gravendeel op 28 mei 1944. Zie ook alle tags voor Ad Zuiderent op dit blog.

Muziek bij het werk

De naald blijft steken in de groef, maar mijn
gedachten draaien op dit leeg papier
rond wat daarboven hangt in een rood lint
– van welk oudjaar alweer daterend
je handgebaar dat geuren veiligstelde:
kruidnagels in een sinaasappelschil –
met stof op stekels in een sterk gekrompen bast.

Daarom houd ik deze herinnering nu hoog
in de warmte van het lamplicht, en ruik ik
bisschopswijn, waar hij misschien in lag,
toen wij die dronken en de tijd gedachten.

Wellicht is de bureaulamp sterk genoeg
voor neus en oog, de deuren van geheugen:
een beeld van handeling komt op papier,
de zwakke schaduw van een bol, die is
als woorden op een plaat die draaien blijft
en in gedachten tikt: muziek. Zo ben ik rond.

 

De glanzende kiemcel

Voor ’t eerst dit jaar zijn er geen winternevels,
we gaan naar Frankendael. Je bent daar als
een boom in dood seizoen; het leven valt
nog niet te zien, je jas weerkaatst de zon.

Vlak bij me hangt de lucht van nog geen voorjaar,
vlak naast me loopt in laars en broek je been,
vlak voor me op het grindpad valt je schaduw,
maar ik spring er nog ontwijkend overheen.

 

Portret van de kunstenaar als een fatale vrouw

De schoenen liggen op de vloer, mijn hand
omhelst het glas, dat ik niet gooien mag.
Hier heb ik op gewacht: sta boven mij,
maak het gebaar van handen in mijn haar.

Ik wil wel delen wat ik niet omvatten kan,
de woorden wanhoop, man, aanduiding van:
je staat wel met je handen in mijn haar;
maar ’t glas zweeft snel omhoog. Vergeet het maar.

 

Ad Zuiderent (’s-Gravendeel, 28 mei 1944)

 

De Amerikaanse dichteres Linda Pastan werd geboren op 27 mei 1932 in New York. Zie ook alle tags voor Linda Pastan op dit blog.

Een nieuwe dichter

Een nieuwe dichter vinden
is als het vinden van een nieuwe wilde bloem
in het bos. Je ziet de naam

niet in de bloemenboeken, en
niemand die je het vertelt gelooft
in de rare kleur of de manier waarop

de bladeren groeien in gespreide rijen
over de hele lengte van de pagina. Eigenlijk
ruikt de hele pagina naar gemorste

rode wijn en de mufheid van de zee
op een mistige dag – de geur van waarheid
en van liegen.

En de woorden zijn zo bekend,
zo vreemd nieuw, woorden
die je bijna zelf schreef, als er maar

in je dromen een potlood was geweest
of een pen of zelfs een penseel,
als er maar een bloem was geweest.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Linda Pastan (New York, 27 mei 1932)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e mei ook mijn blog van 28 mei 2019 en ook mijn blog van 28 mei 2017 deel 2 en ook mijn blog van 28 mei 2016.

Linda Pastan

De Amerikaanse dichteres Linda Pastan werd geboren op 27 mei 1932 in New York. Zie ook alle tags voor Linda Pastan op dit blog.

Marks

My husband gives me an A
for last night’s supper,
an incomplete for my ironing,
a B plus in bed.
My son says I am average,
an average mother, but if
I put my mind to it
I could improve.
My daughter believes
in Pass/Fail and tells me
I pass. Wait ‘til they learn
I’m dropping out.

 

The Happiest Day

It was early May, I think
a moment of lilac or dogwood
when so many promises are made
it hardly matters if a few are broken.
My mother and father still hovered
in the background, part of the scenery
like the houses I had grown up in,
and if they would be torn down later
that was something I knew
but didn’t believe. Our children were asleep
or playing, the youngest as new
as the new smell of the lilacs,
and how could I have guessed
their roots were shallow
and would be easily transplanted.
I didn’t even guess that I was happy.
The small irritations that are like salt
on melon were what I dwelt on,
though in truth they simply
made the fruit taste sweeter.
So we sat on the porch
in the cool morning, sipping
hot coffee. Behind the news of the day–
strikes and small wars, a fire somewhere–
I could see the top of your dark head
and thought not of public conflagrations
but of how it would feel on my bare shoulder.
If someone could stop the camera then…
if someone could only stop the camera
and ask me: are you happy?
perhaps I would have noticed
how the morning shone in the reflected
color of lilac. Yes, I might have said
and offered a steaming cup of coffee.

 

De nieuwe hond

In de zwaartekracht van mijn leven,
de serieuze ceremonies
van polijsten en papier
en pen, kwam

dit maniakale dier
wiens onschuldige verstoringen
iets onzinnigs maken
van mijn oude eenvoud–

alsof ik hem nodig had
om opnieuw te bewijzen dat
na alle zorgvuldige planning,
alles kan gebeuren.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Linda Pastan (New York, 27 mei 1932)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e mei ook mijn blog van 27 mei 2019 en ook mijn blog van 27 mei 2018 deel 2.

Alan Hollinghurst, Maxwell Bodenheim

De Britse schrijver Alan Hollinghurst werd geboren op 26 mei 1954 in Stoud, Gloucestershire. Zie ook alle tags voor Alan Hollinghurst op dit blog.

Uit: The Sparsholt Affair

“Oh, yes, him,” Evert said, as the source of the shadow moved slowly into view, a figure in a gleaming singlet, steadily lifting and lowering a pair of hand-weights. He did so with concentration though with no apparent effort—but of course it was hard to tell at this distance, from which he showed, in his square of light, as massive and abstracted, as if shaped from light himself. Peter put his hand on my arm.
“My dear,” he said, “I seem to have found my new model.” At which Evert made a little gasp, and looked at him furiously for a second.
“Well, you’d better get a move on,” I said, since these days new men left as quickly and unnoticed as they came.
“Even you must admire that glorious head, like a Roman gladiator, Freddie,” said Peter, “and those powerful shoulders, do you see the blue veins standing in the upper arms?”
“Not without my telescope,” I said.
I went to fill the kettle from the tap on the landing and found Jill Darrow coming up the stairs; she was late for the meeting at which she might have like to vote herself. I was very glad to see her, but the atmosphere, which had taken on a hint of deviancy, rather changed when she came into the room. She hadn’t had the benefit of ten years in the boys’ boarding school, with all its ingrained depravities; I doubt she’d ever seen a naked man. Charlie said, “Ah, Darrow,” and half stood up, then dropped back into his chair with an informality that might of might now have been flattering. “We want Dax to ask his father,” he said, as she removed her coat, and took in who was there. I set about making the tea.
“Oh, I see,” said Jill. There was a natural uncertainty in Evert’s presence as to what could be said about A. V. Dax.
At the window Evert himself seemed not to know she had come in. He and Peter stood staring up at the room opposite. Their backs were expressive, Peter smaller, hair thick and temperamental, in the patched tweed jacket which always gave off dim chemical odours of the studio; Evert neat and hesitant, a strictly raised boy in an unusually good suit who seemed to gaze at pleasure as at the far bank of a river. “What are you two staring at?” Jill said.
“You mustn’t look,” said Peter, turning and grinning at her. At which she went straight to the window, myself close behind. The gladiator was still in view, though now with his back turned, and doing something with a piece of rope. I was almost relieved to see that the scouts had started their rounds.”

 

Alan Hollinghurst (Stoud, 26 mei 1954)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Maxwell Bodenheim werd geboren op 26 mei 1892 in Hermanville, Mississippi. Zie ook alle tags voor Maxwell Bodenheim op dit blog.

Dichter tegen zijn geliefde

Een oude zilveren kerk in een bos
Is mijn liefde voor jou.
De bomen eromheen
Zijn woorden die ik uit je hart heb gestolen.
Een oude zilveren klok, de laatste glimlach die je gaf,
Hangt boven in mijn kerk.
Hij luidt alleen als je door het bos komt
En ernaast gaat staan.
En dan hoeft hij niet te luiden,
Want jouw stem komt in zijn plaats.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Maxwell Bodenheim (26 mei 1892 – 6 februari 1954) Portret door Leonard De Grange, ca. 1950

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e mei ook mijn blog van 26 mei 2019 en ook  mijn blog van 26 mei 2018.

Egyd Gstättner, Theodore Roethke

De Oostenrijkse schrijver en essayist Egyd Gstättner werd geboren op 25 mei 1962 in Klagenfurt. Zie ook alle tags voor Egyd Gstättner op dit blog.

Uit: Absturz aus dem Himmel

„Vielleicht war niemand bereits während seiner Gymnasialzeit so sehr davon überzeugt wie ich, dass er (ich) ein großer Dichter wird (werde). Die Freunde nicht. Die Eltern nicht. Die Lehrer nicht. Von den Experten einmal ganz zu schweigen. Ich hatte eine sogenannte wohlbehütete Kindheit zwischen Gartenzäunen, deshalb ist auch nichts außer mir aus mir geworden. Die Mutter aufarbeiten und den Vater bewältigen und den Großvater, von dem erzählt wird, er sei immer ohne Regenschirm nach Hause gekommen, wenn es unterwegs zu regnen aufgehört habe. Er sei aber immer mit Regenschirm nach Hause gekommen, wenn es unterwegs zu regnen begonnen habe. Er starb vor meiner Geburt und war im Übrigen niemals eingetragenes Mitglied irgendeiner Partei gewesen, wie niemand aus der Familie irgendwann einmal eingetragenes Mitglied irgendeiner Partei war, die Kirche ausgenommen, aber die Jenseitsfuchtel kandidiert ja nicht. Allerdings arbeitete die Mutter außer Haus und der Vater im Büro und ich war allein. Ich schaute aus dem Parterrefenster einer grauen Hauswand hinaus und in die gegenüberliegende graue Hauswand wieder hinein. Dazwischen verlief eine Straße, auf der dann und wann Autos fuhren, und die zählte ich. Viele, viele bunte Autos. Sonst war ich allein mit meinem kleinen Seelchen in mir. Also einmal die Seele plappern lassen nach Herzenslust. Wenn sie nur nicht so abgründig wäre und so trocken und so ernst, lyrisch, das heißt ohne Anfang und Ende. Die Lebenslüge des Mittelstands? Nein, besser ein nicht erwischbares Ich für den großen Wurf; Biografie: Auslage in Arbeit. Der Mensch ist ein Fleisch, das bald stinkt, ein Schifferl, das bald versinkt: Ein geschwisterlicher Fötus, der direkt aus der Mutter in die Restauranttoilette plumpst. Eine Tante, die sich in Neuseeland vom Balkon gestürzt hat. Eine andere Tante in Deutschland, die überhaupt nur aus Abschiedsbriefen besteht, aber einen Selbstmord nach dem anderen verhaut, Suicidus interruptus: Das sind Bilder! Das sind Geschichten! – wenn auch keine neuen Geschichten! Was ist schon neu? Das Neue ist alt! Das Neue ist uralt, das Neue wird immer älter! Neu wäre es auch nicht zu erzählen, ohne Geschichten zu erzählen. Es wimmelt von jungen Dichtern in Turnpatschen und Safarianzügen, die nur schreiben können, weil sie erstens kein Thema und zweitens keinen Vater haben. Wenigstens mein Vater hatte keinen Vater, wenigstens hatte ich keinen Großvater, vielleicht hat irgendein Großkritiker oder das deutsche Feuilleton doch ein Einsehen! Ich hatte keinen Großvater, Leute!!! Keinen einzigen!!! Wisst ihr, was das bedeutet??? Hört ihr mich??? Saftsäcke. Ein Thema entfernt im Übrigen das Schreiben vom Schreiben, Themen haben viele, aber die Gestalt der Worte widersetzt sich, verba tene, res sequentur –„

 

Egyd Gstättner (Klagenfurt, 25 mei 1962)

 

De Amerikaanse dichter Theodore Huebner Roethke werd geboren in Saginaw, Michigan op 25 mei 1908. Zie ook alle tags voor Theodore Roethke op dit blog.

Het ontwaken

Ik wandelde over
Een open veld;
De zon scheen;
Hitte was blij.

Hier langs! Hier langs!
De keel van het winterkoninkje glinsterde,
Van de een naar de ander.
De bloesems zongen.

De stenen zongen,
De kleintjes ook,
En bloemen sprongen
Als kleine geiten.

Een rafelige rand
Van madeliefjes zwaaide;
Ik was niet de enige
In een bosje appelbomen.

Ver in het bos
Zuchtte een nesteling;
De dauw liet los
De ochtend geurde.

Ik kwam waar de rivier
Over stenen stroomde:
Mijn oren kenden
Een vroege vreugde.

En alle wateren
Van alle stromen
Zongen in mijn aderen
Die zomerdag.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Theodore Roethke (25 mei 1908 – 1 augustus 1963)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e mei ook mijn blog van 25 mei 2019 en ook mijn blog van 25 mei 2017 en ook mijn blog van 25 mei 2015 deel 2.

Vader (Rutger Kopland), Michael Chabon, Joseph Brodsky

Bij een bijzondere verjaardag

 

De onzichtbare man door Salvador Dali, 1930

 

Vader, ik zie je gezicht weer, jaren
na je dood -bijna een schaduw
in deze ruimte, een schaduw
wit van de hitte -eenzame
steen in de hemel, de zee.


Een romeins veldherenhoofd, kapot
geslagen neus, opengereten mond,
lege oogkassen omhoog naar
de zon, in een woestijn.

Bijna een schreeuw nog om
deze dood.

Vader, je gezicht daar, zo’n
eiland waar nooit iemand
heeft gewoond, waar
nooit iemand komt.

 

Rutger Kopland (4 augustus 1934 – 11 juli 2012)

 

De Amerikaanse schrijver Michael Chabon werd geboren op 24 mei 1963 in Washington. Zie ook alle tags voor Michael Chabon op dit blog.

Uit: Moonglow

“Nothing can be done about a boy who throws cats out of windows,” said old Abraham, my grandfather’s grandfather, in his Pressburger German. Abraham ruled from his corner of the parlor that doubled as a dining room, enthroned atop his hemorrhoid donut among his books of commentary. It was nearly dark, one of the last free evenings of the summer.
“But what if he’s lost?” my grandmother said, for the thousandth or millionth time.
“He isn’t lost,” Uncle Ray said, issuing the finding that ultimately prevailed in the family Talmud. “He knows where he is.”
At that moment, he found himself under a boxcar, hiding from a railroad bull, a big man named Creasey with a film on his left eye and patches of carroty hair growing on parts of his face where no hair ought to be. Creasey had already thrashed my grandfather soundly a number of times that summer. The first time he had jerked my grandfather’s arm up behind his back so hard the bones sang. The second time he had dragged my grandfather across the yard by an earlobe, to the main gate, where he applied his boot heel to the seat of my grandfather’s trousers. My grandfather claimed the earlobe still bore the print of Creasey’s thumb. The third time Creasey caught my grandfather trespassing, he strapped him thoroughly with the leather harness of his Pennsy uniform. This time my grandfather planned to stay under that boxcar until Creasey moved on or dropped dead.
At last Creasey trampled his fifth cigarette, took another swig, and moved off. My grandfather counted to thirty and then slid out from under the boxcar. He brushed the grit from his belly, where the skin prickled. He spotted Creasey, carrying a knapsack, making for one of the little stucco houses scattered, here and there, across the lots. On his first forays into the Greenwich Yards my grandfather had been charmed by the idea that railmen were cottaged like shepherds among the herded trains. He soon determined that the little bungalows were no one’s habitations. They had mesh grilles over their blackwashed windows, and if you put your ear to their doors you could hear a thrum of power, and sometimes a thunk like the clockwork of a bank vault. Until now my grandfather had never seen anybody going into one, or coming out.
Creasey fished a keyring from his hip and let himself in. The door closed softly behind him.
My grandfather knew that he ought to head for home, where a hot supper and an operetta of reproach awaited him. He was hungry, and practiced in deafness and the formulation of remorse. But he had come here, today, to stand one final time at the top of one particular signal bridge that he had come to think of as his own, and tell another summer goodbye.”

 

Michael Chabon (Washington, 24 mei 1963)

 

De Russisch-Amerikaanse dichter en schrijver Joseph Brodsky werd op 24 mei 1940 in Leningrad (het huidige St.Petersburg) geboren als Iosif Brodski. Zie ook alle tags voor Joseph Brodsky op dit blog.

Debuut

1
Van de tentamenlast bevrijd, had zij
voor zaterdag een vriendje uitgenodigd;
’t was avond, en op tafel stond in ’t kaarslicht
de stevig dichtgekurkte rode wijn.

Maar zondagmorgen ving met regen aan;
en de logé sloop, een ervaring rijker,
steels weg en nam zijn kleren van de spijker,
die losjes in het pleisterwerk bleef staan.

Ze pakte van ’t burootje bij de muur
een beker, goot een restje thee naar binnen.
De woning sliep nog op dit vroege uur.
Ze lag in bad en voelde hoe in ’t midden

de bodem bladderde, en plotseling
kroop toen de leegte, licht naar badschuim geurend,
bij haar naar binnen via nog een opening,
die na vannacht bekend was met de wereld.


2
De hand, die stil de deur geopend had,
was – hij schrok op – besmeurd; hij stak hem weg en
het geld, nog van de wijn teruggekregen,
liet horen dat het in de voering zat.

De straat was leeg. Er dreven peukjes rond
in ’t water, stromend uit de regenpijpen.
Hij zag opnieuw het stucwerk en de spijker
en van zijn opgezwollen lippen klonk

ineens een vloek. De leegte bleef onaangedaan,
hij bloosde hevig en – bewust van ’t vreemde
van zijn gedrag – was door de grond gegaan,
als daar de trolleybus niet was verschenen.

Weer thuisgekomen, kleedde hij zich uit,
niet kijkend naar de sleutel, die nu afhing,
op vele deuren past en stonk naar zweet,
verbijsterd bij de allereerste draaiing.

 

Vertaald door Pieter Zeeman

 

Joseph Brodsky (24 mei 1940 – 28 januari 1996)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e mei ook mijn blog van 24 mei 2019 en ook mijn blog van 24 mei 2018 en ook mijn blog van 24 mei 2015 deel 2.

Adriaan Roland Holst, Jane Kenyon

De Nederlandse dichter Adriaan Roland Holst werd geboren op 23 mei 1888 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Adriaan Roland Holst op dit blog.

De belijdenis van de stilte

V.
Eens in een woud liep ik en dacht in droomen
Aan u, tot bij een open plek mijn pas
Inhield…. het scheen of even voor mijn komen
Daar uw gestalte heengeschreden was.

Ik zag er langzaam nog het laat licht doven
Zooals een lamp die men vergeten heeft –
De hooge bloemen en het loof er boven
Wiegden nog waar uw kleed was heengezweefd.

En alles wat in de eeuwen is verdwenen
Was in die bloemen en hun wiegeling –
Het eigen leven was toen lang al henen,
Nauwlijks de schaduw van een mijmering –

En toen ik eindlijk opzag uit mijn droomen
Stond aan de woudzoom dier geheimenis,
Hoog voor het diepe duister van de boomen
Uw vreemde zuster, die de Scheem’ring is.

VI.
Uw zuster – zij, die ik de Scheemring noem
En die ik liefheb…. Troostte zij mij niet
Eens toen ik zwak was? Zong ik niet haar roem
Eens in het eigen weemoed zingend lied?

Maar nu ik die verloor, en luistrend leun
Tegen de steilte van den Tijd, en hoor
In ’t donker diep der eeuwen zeegedreun
Zingen wat de Aard eens zong, en lang verloor,

Is zij mij meer geworden dan een vrouw,
Die troost en die een kind uit meêlij kust –
Háar liefde werd mijn wonder en mijn trouw
Geheim van wijsheid en mijn dal van rust –

Én mijn bedwelming, die zij om mij wond
Wanneer zij mijm’rend naar mij zag, en naar
Mijn mond haar langzaam openende mond
Neeg in de breede schaduw van heur haar.

 

Adriaan Roland Holst
(23 mei 1888 – 5 augustus 1976)
Portret door door Carel Willink, 1948

 

De Amerikaanse dichteres en vertaalster Jane Kenyon werd geboren op 23 mei 1947 in Ann Arbor, Michigan. Zie ook alle tags voor Jane Kenyon op dit blog.

De open plek

De hond en ik dringen door de ring
van druipende jeneverbessen
om de open ruimte hoog op de heuvel binnen te gaan
waar ik hem van de riem af laat.

Hij springt snuffelend tussen bosjes mos;
twijgen knakkend onder zijn gewicht; hij rolt
en wrijft zijn wangen over de aromatische aarde;
de roze tong uit zijn bek.

Ik zoek stokken van het juiste gewicht
om voor hem te gooien, terwijl hij zit, alert
en oprecht in zijn liefde, als het liefde is.

De hele nacht een kletsnatte regen en nu ademt
de heuvel verlichting uit en de geur
van warme aarde. . . . De zegge
is sinds gisteren een centimeter gegroeid,
en varens ontvouwden zich, en zelfs als ze het proberen
kunnen de seringen bij de schuur
niet voorkomen dat ze open gaan vandaag.

Ik verlangde naar de duizend zachte groentinten van de lente,
en de roep van de witkeelmus
die grenst aan grofheid. Weet je-
sinds je wegging
is alles wat ik kan doen
wachten tot je bij me terugkomt.

Vertaald door Frans Roumen

 

Jane Kenyon (23 mei 1947 – 22 april 1995)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e mei ook mijn blog van 23 mei 2019.

Erik Spinoy, Jane Kenyon

De Vlaamse dichter en schrijver Erik Spinoy werd geboren op 22 mei 1960 in Sint-Niklaas. Zie ook alle tags voor Erik Spinoy op dit blog.

Oog om oog?

Geen denken aan:
hier is de rechterwang
en hier de linker.

Je weet
hoe het om alles staat
hoe of men zich gedraagt –
negeer het straal.

Wat dwars zit in de keel
(een botje, vissengraat)
zij alle eer.

Wil wat niet rijmt
in dit verband

en maak het
werkelijk
nieuw.

 

De wind, de eindeloze wind

De wind, de eindeloze wind
waait waar hij wil

danst op een esdoornblad
smijt schepen heen en weer
vermaakt zich met een zwaluw
legt zich doodmoe neer
opeens.

Wat hij, zijn waaien
te betekenen heeft?
Verkeerd, aan dit adres!

 

Zelfportret met zus

Meisje met vlechtjes en sproeten
lange bleke benen handig hinkelend,
hij erbij, handen in de zakken van
de fiere lederhosen (oom uit Inns-
bruck) en korstige knieën open
gevallen de tweede keer die dag,
verveelt zich gauw, met houten
zwaardje Zorro nu of liever nog
Jan Breydel, die van spieren als
koorden, eens ik ook,
eens, das geen probleem, ik ook.

 

Erik Spinoy (Sint-Niklaas, 22 mei 1960)

 

De Amerikaanse dichteres en vertaalster Jane Kenyon werd geboren op 23 mei 1947 in Ann Arbor, Michigan. Zie ook alle tags voor Jane Kenyon op dit blog.

Credo

Farmaceutische wonderen zijn aan het werk
maar ik geloof alleen in dit moment
van welzijn. Onheilige geest,
je zult zeker terugkomen.

Grof, gemeen, leg je je voeten
op de salontafel, leun je achterover
en verandert me in iemand die niet
de moeite doet om te spreken; iemand
die niet kan slapen, of die niets doet
dan slapen; niet kan lezen of bellen
voor een afspraak voor hulp.

Er is niks wat ik kan doen
tegen je komst.
Als ik wakker ben, ben ik nog steeds bij je.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jane Kenyon (23 mei 1947 – 22 april 1995)

 

Zie voor meer schrijvers van de 22e mei ook mijn blog van 22 mei 2018 en eveneens mijn blog van 22 mei 2017.