Jules Deelder, Paul Celan

De Nederlandse dichter en schrijver Jules Deelder werd geboren op 24 november 1944 te Rotterdam, in de wijk Overschie. Zie ook alle tags voor Jules Deelder op dit blog.

Aan een radiotoestel in een Londense pub

aan de radio
made in één/twee en dertig
het toestel waardoor dylan thomas
voor het eerst van de wereld hoorde
een wereld vol bederf en angst
waardoor de magere muziek van krisis
knarste uit tijden toen – weet je nog
wel oudje – mensen met een hbs diploma
op de trem stonden hun ogen vol
versleten schoenen
rijdend door steden weerklinkend met
onheilspellende marsmuziek
toen de eerste branden reeds werden
gesignaleerd en gesust door grijze
prelaten vorstinnen en staatslieden
met nobele stem – slaapt zacht volk
van Doodskoppenland! wij waken! –
en weer konden velen met een gerust
hart sterven
het toestel dat later in ekstra
bulletins ging spreken van bloed en
duizenden doden en spoedig ramp op
ramp versloeg en na de katastrofe
de idealistiese toespraken die
leegbloedden in de Echokamers van
de Koude Oorlog en weer later kwamen
de countdowns
aan de radio
die nu eindelijk zwijgt
overbodig en treurig en stil in het
Licht van de reusachtige jukeboks
met Nieuwe Geluiden
hangt een slordig kartonnen kaartje
the police will be called without
warning at the slightest sign of
marihuana or pills –

 

Geschreven in het teken des kruizes 7 juni 1966

op het balkon Vrede en Rust
de schrijfmachine staat op de zitting
van een ouderwetse zeer hoge stoel
bovenop 1 der stijlen van de rugleuning
– mooi bruin hout
hier en daar een krasje, een verfspatje –
zittie
met plakband
en rijst plus minus
een halve meter
boven de balkonrand uit

ik zit er vlak voor en als ik er van onder
tegenop kijk schiet hij de hemel in
zichtbaar voor iedereen
realisties rood geverfd
honderden meters boven de werkende stad
Jezus Christus aan een zwart kitschkruis
Jezus Christus met z’n – nu gebroken –
Magies Oog
Jezus Christus met z’n vastgespijkerde
gipsen vingers het Firmament inwijzend

als een baken
als een baken

en in de schaduw van Onze Lieve Heer
zit ik en tik dit

 

Jules Deelder (24 november 1944 – 19 december 2019)

 

De Duits-Roemeense dichter Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Zie ook alle tags voor Paul Celan op dit blog.  Hier volgt de vertaling van een vroeg gedicht uit 1947.

 

Finale

De herfst heb ik in Gods hart gesponnen
een traan heb ik naast zijn oog geweend…
Zoals je mond was, zondig, is de nacht begonnen.
Naast je hoofd is, duister, de wereld versteend.

Beginnen ze nu met de kruiken te komen?
Zoals loof dat verstrooid werd, is verspild de wijn …
Mis je de trek van vogels boven de bomen?
Laat de steen de wolk, mij de kraanvogel zijn.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Paul Celan (23 november 1920 – 20 april 1970)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e november ook mijn blog van 24 november 2018 en ook mijn vorige blog van vandaag.

Paul Celan

De Duits-Roemeense dichter Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Zie ook alle tags voor Paul Celan op dit blog.

Schwarze Flocken

Schnee ist gefallen, lichtlos. Ein Mond
ist es schon oder zwei, dass der Herbst unter mönchischer Kutte
Botschaft brachte auch mir, ein Blatt aus ukrainischen Halden:

»Denk, dass es wintert auch hier, zum tausendstenmal nun
im Land, wo der breiteste Strom fließt:
Jakobs himmlisches Blut, benedeiet von Äxten …
O Eis von unirdischer Röte – es watet ihr Hetman mit allem
Tross in die finsternden Sonnen … Kind, ach ein Tuch,
mich zu hüllen darein, wenn es blinket von Helmen,
wenn die Scholle, die rosige, birst, wenn schneeig stäubt das Gebein
deines Vaters, unter den Hufen zerknirscht
das Lied von der Zeder …
Ein Tuch, ein Tüchlein nur schmal, dass ich wahre
nun, da zu weinen du lernst, mir zur Seite
die Enge der Welt, die nie grünt, mein Kind, deinem Kinde!«

Blutete, Mutter, der Herbst mir hinweg, brannte der Schnee mich:
sucht ich mein Herz, dass es weine, fand ich den Hauch, ach des Sommers,
war er wie du.
Kam mir die Träne. Webt ich das Tüchlein.

 

Ich kann dich noch sehen

Ich kann Dich noch sehn: ein Echo,
ertastbar mit Fühl-
wörtern, am Abschieds-
grat.

Dein Gesicht scheut leise,
wenn es auf einmal
lampenhaft hell wird
in mir, an der Stelle,
wo man am schmerzlichsten Nie sagt.

 

Corona

Uit de hand vreet de herfst me zijn blad: we zijn vrienden.
We pellen de tijd uit de noten en leren hem lopen:
de tijd keert terug in de dop.

In de spiegel is zondag,
in de droom wordt geslapen,
de mond praat oprecht.

Mijn oog daalt af naar het geslacht der geliefde:
we kijken elkaar aan,
we zeggen iets duisters,
we beminnen elkaar als papaver en geheugen,
we slapen als wijn in de schelpen,
als de zee in de bloedstraal der maan.

We omarmen elkaar voor het raam staand, van de straat af zien ze
ons toe:
het is tijd dat men weet!
Het is tijd dat de steen zo goed is te bloeien,
dat voor onrust een hart klopt.
Het is tij d dat het tijd wordt.

Het is tijd.

 

Laat en diep::

Boosaardig als een gouden toespraak begint deze nacht.
Wij eten de appels van de stommen.
Wij doen een werk dat men graag aan zijn ster overlaat;
wij staan in de herfst van onze lindes als peinzend vlaggenrood,

als brandende gasten uit het zuiden.
Wij zweren bij Christus de Nieuwe om het stof met het stof te trouwen,
de vogels met de zwervende schoen,
ons hart met een trap in het water.
Wij zweren voor de wereld de heilige eed van het zand,
wij zweren graag,
wij zweren luid vanaf de daken van de droomloze slaap
en zwaaien met het witte haar van de tijd …

Zij roepen: Jullie lasteren!

Wij weten dat al lang.
Wij weten dat al lang, maar wat zou het?
Jullie malen in de molens van de dood de witte bloem van de belofte,
Jullie zetten het onze broeders en zusters voor –
Wij zwaaien met het witte haar van de tijd.

Jullie vermanen ons: jullie lasteren!
Wij weten het wel,
moge ons de blaam treffen.
Moge ons de blaam treffen van de waarschuwende signalen van ons allen,
Moge komen de gorgelende zee,
de gepantserde windvlaag van de omkeer,
de middernachtelijke dag,
moge komen wat nooit is geweest!
Moge komen een mens uit het graf.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Paul Celan (23 november 1920 – 20 april 1970)
Portret door Andrea Ventura, 2020

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e november ook mijn blog van 23 november 2018 en eveneens mijn blog van 23 november 2014 deel 2.

Dirk van Weelden, Christian Filip

De Nederlandse schrijver Dirk van Weelden werd geboren in Zeist op 22 november 1957. Zie ook alle tags voor Dirk van Weelden op dit blog.

Uit: Rond de kerktoren

‘Ik weet niet wat jij ziet, maar ik zie onrendabel geworden landbouwgrond. Decoratieve boerderijdieren. Kunstmatig drooggemalen rivierdelta-moeras. Dat door eeuwenlange bemaling alsmaar verder is weggezakt en ingeklonken. Verder zie ik nuttige wateropslagbekkens, slim gecombineerd met een kunstmatig gediversifieerd poldergebied dat smaakvol is ontworpen voor het recreatief fietsen, kanoën en plantjes en vogels kijken. Het is slim rond watertjes, een eendenkooi en de Vinexwijken gedrapeerd. De weg hindert de watertjes, kikkers en fietsers niet en zelfs de herrie en zichthinder in de omringende dorpen is geminimaliseerd. Er zijn enclaves waar de vogeltjes rust hebben. Het is een hi-tech grootstedelijk park. Geen natuur. Voor natuur moet je naar Noorwegen, Peter, niet naar Pijnacker.’
Peters gezicht werd wat donkerder van opwinding. Hij schreef. Zijn mond verstrakte.
‘En de kerktoren… Heeft die een neoreligieuze betekenis? Een oproep misschien om weer christelijk te worden tegen de oprukkende islam?’

‘Grappig dat je meteen laat weten wat je me graag hoort zeggen. Nee, het beeld is ontleend aan een volgens mij heel herkenbare Hollandse ruimtelijke ervaring. Je schaatst op een heldere winterdag over een plas. Zon. Zwart ijs. Geel ritselend riet. Overal in de verte zie je de kerktorens van de dorpen. Je koerst op die torenspitsen zoekend naar warme chocolademelk, pannenkoeken, een beerenburgje, een bord hachee. De glasplaten verwijzen naar ijs. Ook al werken ze visueel als water. Zoals mijn werk in het land ligt is het een synthese van al die beelden en ervaringen, van de geschiedenis die daarin is opgeslagen. Een heel Hollands soort schoonheid. Het ziet er toch schitterend uit? Voel je niks als je ernaar kijkt?’
Peter haalde zijn schouders op. Hij noteerde de uitspraken van Timon.
Timon kon het niet laten. Hij zei tegen de verslaggever: ‘Dan moet jij zeggen: bij de nazi’s zag alles er ook schitterend uit. Leni Riefenstahl, prachtig! En dan citeer je Armando, schoonheid is niet pluis.’ Hij grijnsde even naar Angela, die niet-begrijpend teruglachte.
Peter van Leunen bedankte voor het vraaggesprek en meed Timons blik. Snel handje. Daarna beende hij wijdbeens achter zijn buik aan naar de tafel met champagne. Timon wist dat de man van de Haagse Courant hem een arrogante klootzak vond. Een mooipratende kontkruiperige kunstenaar, die meelulde met de regenten en een enorme bult belastinggeld in zijn zak stak. En nog een praalhans en rokkenjager bovendien. Maar zou dat ook in de krant komen te staan?”

 

Dirk van Weelden (Zeist, 22 november 1957)

 

De Duitse dichter, schrijver, acteur en regisseur Christian Filips werd geboren op 22 november 1981 in Osthofen. Zie ook alle tags voor Christian Filips op dit blog.

 

Exultate, jubilate!

Weg libido! Weg, boeken! Lichaam, weg!
Jullie willen me toch allemaal slechts te grazen nemen.
Weg liefdesperikelen. Laat niemand toe.
En als je me met kranen belaagt:
Kun je beter naar Kamtsjatka of Leipzig gaan,
Bouw kolonies in de omgeving noem ze
Naar mij (dus: Filips-Congo. Of: Christograd),
Bouw dierentuinen, gedenktekens, nachtclubs,
Schrijf huiswerk over mijn gedichten,
Vertaal me in het Hongaars, verzorg me, smeek maar –
Dit alles laat me koud. Ik, met mijn grandeur,
Heb een snel hart, ga om negen uur naar bed.
Verdwaal niet in mijn denken, speculeer
ook niet langer meer op jullie telefoontjes
– Of iemand juist bereid is om met mij te delen
Zijn beetje leven, werk, aangeboren driften –
Ik ga gewoon slapen. Zeg hardop:
Legendes blijven groeien. Tot ze waar zijn.
De duivel pronkte met zijn geloof en siste.
Werd substantie. En gaf zichzelf over: aan de geest.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Christian Filips (Osthofen 22 november 1981)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e november ook mijn blog van 22 november 2018 en eveneens mijn blog van 22 november 2015 deel 2.

Margriet de Moor, Scott Cairns

De Nederlandse schrijfster Margriet de Moor werd als Margaretha Maria Antonetta Neefjes op 21 november 1941 in Noordwijk geboren. Zie ook alle tags voor Margriet de Moor op dit blog.

Uit: Als een hond zijn blinde baas

“Wat? Niet geëngageerd?! De schrijver communiceert niet met de lezer. In een tijd waarin de schrijver meer dan ooit voor publiek verschijnt, mag dit een vreemde bewering zijn, maar over literaire avondjes en televisie heb ik het niet. Dat zijn podiumkunsten, podiumkunsten van niks als je het mij vraagt, maar een bepaald soort lezers wil de schrijver in levenden lijve zien. Waarom is me een raadsel. De vlotteriken, de stuntels, de lakeien, de lievelingen die uit de massa een dik pak adoratie weten los te maken: hun stem en hun temperament vallen toch onmogelijk gelijk te stellen met de stem en het temperament van hun boek> Men zegt wel dat elk kunstwerk een zelfportret van de maker is. Romans en gedichten lijken hierin vaak heel concreet. Hoeveel gedichten beginnen niet met het woord ‘Ik, hoeveel romans hebben niet een ik-figuur als hoofdpersoon en hoe vaak blijken bij naspeuring diens belevenissen nier te herleiden tot die van de schrijver? En als het verhaal verzonnen is, of opgepikt uit de krant, dan kun je toch heel goed stellen dat de schrijver in dat geval rondzwierf in een tot leven gewekte autobiografie, een mogelijkheid van zijn persoon die zonder dat hij het wist wel degelijk in hem smeulde? Toch, alleen al het feit dat je als lezer van dat boek evengoed In een leven meent te treden dat je nog nier had geleefd, maar dat zeer zeker wel bij je hoort, bewijst al dat de vingerafdruk van de roman niet uitsluitend de vingerafdruk van de schrijver Is. Er is niets dat het misverstand over de band tussen kunstenaar en publiek zo provocerend duidelijk maakt als het zelfportret bij uitstek, het schilderij waar de schilder zelf voor heeft geposeerd. Ik denk dat iedereen die het Rijksmuseum bezoekt, de schok wel kent. Je hebt je noch bij de Nachtwacht noch bij de vlezige blote Bathseba een voyeur gevoeld, dan kom je bijen van de zelfportretten en huivert: je onderschept de blik van de kunstenaar die zich volstrekt alleen waant, die met inzet van alles wat hij is de wereld heeft teruggebracht tot één strategisch doel: het eigen gezicht. Met ogen die heel wat dieper kijken dan Narcissus indertijd. Een waakzame uitdrukking, neusplooien, lippen, licht krullend haar onder een fluwelen baret… Rembrandt, op een ochtend in 1640, was niet in het minst in de wereld geïnteresseerd, laat staan in ons, maar in verf, licht, een stevig penseel van marterhaar of misschien toch maar dat dunnere kwastje, van nerts. lk denk nooit aan de lezer. Niet voor, niet tijdens en niet na voltooiing van het we& Of het boek bij de lezer zal overkomen, gaat mc volstrekt niet aan. Ik heb er mijn handen aan vol om mijn personages en alles wat ze moet overkomen onder te brengen In het gesloten circuit waar ze thuishoren, het verhaal in kwestie.”

 

Margriet de Moor (Noordwijk, 21 november 1941)
Portret door Heppe de Moor, ca. 1980

Margriet de Moor (Noordwijk, 21 november 1941)

 

De Amerikaanse dichter, librettist en essayist Scott Cairns werd geboren op 19 november 1954 in Tacoma, Washington. Zie ook alle tags voor Scott Cairns op dit blog.

Uit: Idiot Psalms

  1. Isaak’s boetespsalm, onbegeleid.

Nogmaals, en ja nogmaals, O Onophoudelijke Gedoger
….van onze sombere herhalingen, O Voor Eeuwig Voorgegane
….Afgedane (sans conclusion), O Onuitputtelijke,
….Ik vind mijn gezicht tegen de vloer, en toch ontsnapt
….mijn pleidooi weer aan onreine lippen en uit een hart,
….aangekoekt en samengetrokken door zijn eigen vervuilde resten.
U bent voor altijd en eeuwig gezegend, en ik streef ernaar
….op een dag om mijn boeien af te werpen en dingen te veranderen,
….om ten minste één laat seizoen zondeloos door te komen,
….om nog een keer voor u te buigen zonder berouw.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Scott Cairns (Tacoma, 19 november 1954) Portret door Bruce Herman, z.j.

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e november ook mijn blog van 21 november 2018 en ook mijn blog van 21 november 2015 deel 2.

Don DeLillo, Scott Cairn

De Amerikaanse schrijver Don DeLillo werd op 20 november 1936 geboren in New York City als zoon van Italiaanse immigranten. Zie ook alle tags voor Don DeLillo op dit blog.

Uit: Zero K

“When I got here I was met by two armed escorts. Took me through security, took me to the room, said next to nothing. That’s all I know. And the name, which sounds religious.”
“Faith-based technology. That’s what it is. Another god. Not so different, it turns out, from some of the earlier ones. Except that it’s real, it’s true, it delivers.”
“Life after death.”
“Eventually, yes.”
“The Convergence.”
“Yes.”
“There’s a meaning in mathematics.” “There’s a meaning in biology. There’s a meaning in physiology. Let it rest,” he said.
When my mother died, at home, I was seated next to the bed and there was a friend of hers, a woman with a cane, standing in the doorway. That’s how I would picture the moment, narrowed, now and always, to the woman in the bed, the woman in the doorway, the bed itself, the metal canc. Ross said, “Down in an area that serves as a hospice I some-times stand among the people being prepared to undergo the process. Anticipation and awe intermingled. Far more palpable than apprehension or uncertainty. There’s a reverence, a state of astonishment. They’re together in this. Something far larger than they’d ever imagined. They feel a common mission, a destination. And I find myself hying to imagine such a place centuries back. A lodging, a shelter for travellers. For pilgrims.”

“Okay, pilgrims. We’re back to the old-time religion. Is it possible for me to visit the hospice?” “Probably not,” he said.
He gave me a small flat disk appended to a wristband. He said it was similar to the ankle monitor that kept police agencies informed of a suspect’s whereabouts, pending trial. I’d be allowed entry to certain areas on this level and the one above, nowhere else. I could not remove the wristband without alerting security.
“Don’t be quick to draw conclusions about what you see and hear. This place was designed by serious people. Respect the idea. Respect the setting itself. Artis says we ought to regard it as a work-in-progress, an earthwork, a form of earth art, land art. Built up out of the land and sunk down into it as well. Restricted access. Defined by stillness, both human and environmental. A little tomblike as well. The earth is the guiding principle,” he said. “Return to the earth, emerge from the earth.”
I spent time walking the halls. The halls were nearly empty, three people, at intervals, and I nodded to each, receiving only a single grudging glance. The walls were shades of green. Down one broad hall, turn into another. Blank walls, no windows, doors widely spaced, all doors shut. These were doors of related colours, subdued, and I wondered if there was meaning to be found in these slivers of the spectrum. This is what I did in any new environment. I tried to inject meaning, make the place coherent or at least locate myself within the place, to confirm my uneasy presence.”

 

Don DeLillo (New York City, 20 november 1936)

 

De Amerikaanse dichter, librettist en essayist Scott Cairns werd geboren op 19 november 1954 in Tacoma, Washington. Zie ook alle tags voor Scott Cairns op dit blog.

Uit: Idiot Psalms

3. Een psalm van Isaak, gefluisterd te midden van de Filistijnen, zachtjes.

Meester, zowel onzichtbaar als notoir
…..traag met handelen, mocht u geneigd zijn
……Uw genereuze aandacht op dit moment te houden
……bij de bekrompen scène van deze, de ons toegewezen
……saaiheid, mocht U – zodra onze vriendelijke
……secretaris naar behoren genoteerd heeft wie van ons
……aanwezigheid veinzen, en wie verontschuldigd is, wie niet,
……vindt U het misschien leuk om te horen hoeveel we te zeggen hebben
……over zo weinig. Tussen deze andere middelmatigen,
……vangt Uw middelmatige dienaar een glimp op van hoe
……zijn slappe en magere aanbidding eruit zou kunnen zien
……vanwaar U eindeloos onze droefgeestigheid volgt.
Heilige, vergeef, zie af en, zo U wilt, weer
……uit mijn hart het gevoel dat ik hier aan het verdrinken ben
……te midden van de roering, de discussies, de vele
……vragen, eindeloos herschikt, onze papieren stemmen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Scott Cairns (Tacoma, 19 november 1954)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e november ook mijn blog van 20 november 2018 en eveneens mijn blog van 20 november 2017.

Sharon Old, Scott Cairns

De Amerikaanse dichteres Sharon Olds werd geboren op 19 november 1942 in San Francisco. Zie ook alle tags voor Sharon Olds op dit blog.

The End

We decided to have the abortion, became
killers together. The period that came
changed nothing. They were dead, that young couple
who had been for life.
As we talked of it in bed, the crash
was not a surprise. We went to the window,
looked at the crushed cars and the gleaming
curved shears of glass as if we had
done it. Cops pulled the bodies out
Bloody as births from the small, smoking
aperture of the door, laid them
on the hill, covered them with blankets that soaked
through. Blood
began to pour
down my legs into my slippers. I stood
where I was until they shot the bound
form into the black hole
of the ambulance and stood the other one
up, a bandage covering its head,
stained where the eyes had been.
The next morning I had to kneel
an hour on that floor, to clean up my blood,
rubbing with wet cloths at those glittering
translucent spots, as one has to soak
a long time to deglaze the pan
when the feast is over.

 

The Ferryer

Three years after my father’s death
he goes back to work. Unemployed
for twenty-five years, he’s very glad
to be taken on again, shows up
on time, tireless worker. He sits
in the prow of the boat, sweet cox, turned
with his back to the carried. He is dead, but able
to kneel upright, facing forward
toward the other shore. Someone has closed
his mouth, so he looks more comfortable, not
thirsty or calling out, and his eyes
are open, there under the iris the black
line that appeared there in death. He is calm,
he is happy to be hired, he’s in business again,
his new job is a joke between us and he
loves to have a joke with me, he keeps
a straight face. He waits, naked,
ivory bow figurehead,
ribs, nipples, lips, a gaunt
tall man, and when I bring people
and set them in the boat and push them off
my father poles them across the river
to the far bank. We don’t speak,
he knows that this is simply someone
I want to get rid of, who makes me feel
ugly and afraid. I do not say
the way you did. He knows the labor
and loves it. When I dump someone in
he does not look back, he takes them straight
to hell. He wants to work for me
until I die. Then, he knows, I will
come to him, get in his boat
and be taken across, then hold out my broad
hand to his, help him ashore, we will
embrace like two who were never born,
naked, not breathing then up to our chins we will
pull the dark blanket of earth and
rest together at the end of the working day.

 

Sharon Olds (San Francisco, 19 november 1942)

 

De Amerikaanse dichter, librettist en essayist Scott Cairns werd geboren op 19 november 1954 in Tacoma, Washington. Zie ook alle tags voor Scott Cairns op dit blog.

 

Vroege vorst

Vanmorgen doet het witte gezicht van de wereld ons eraan denken
dat het leven weer de neiging heeft om serieus worden.
En dezelfde luidruchtige vogels die ons de hele zomer lang
irriteerden met hun verheven attitude en gekwetter
zitten stil langs de galg van het hek, een beetje verbluft,
deemoedig genoeg.

Ze zien eruit alsof ze erop wachten dat
alles erger wordt, maar kijken naar het huis,
alsof ze ergens in hun vage herinneringen
iets kunnen vinden over deze verlaten tuin,
dat hen zou kunnen redden.

De hond van de buurman heeft ook geleerd te waken
zonder overdrijving. En de buurman zelf
heeft zijn auto met minder lawaai bereikt en start
de kleine motor met een soort eerbied. Bij het raam
is zijn vrouw getuige van dit sombere tafereel, knipperend
met haar ogen, zwijgend.

Ik vul de voerbakken tot de rand en rij ze
naar de boom, haast me weer naar binnen
om de ochtend aan deze belachelijke
vogels over te laten, die het weer te binnen schiet, de simpele huisjes vinden,
zich voorover buigen, en dan eten.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Scott Cairns (Tacoma, 19 november 1954)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e november ook mijn blog van 19 november 2018 en eveneens mijn blog van 19 november 2017 deel 2.

Joost Zwagerman, Seán Mac Falls

De Nederlandse dichter en schrijver Joost Zwagerman werd geboren in Alkmaar op 18 november 1963. Zie ook alle tags voor Joost Zwagerman op dit blog.

Zag jij misschien

… zag jij misschien dat ik naar jou,
dat ik je zag en dat ik zag hoe jij
naar mij te kijken zoals ik naar jou
en dat ik hoe dat heet zo steels,
zo en passant en ook zo zijdelings –
dat ik je net zo lang bekeek tot ik
naar je staarde en dat ik staren bleef.
Ik zag je toen en ik wist in te zien
dat in mijn leven zoveel is gezien
zonder dat ik het ooit eerder zag:
dat kijken zoveel liefs vermag.

 

Aan de beurt

Ik ga het hebben over vriendschap.

Vriendschap kwam
voor het eerst voor
in het Holoceen.

Dat is een soort krijt. Of Jura.
Maar dan dus na de dinosaurussen.

Ze hadden toen nog geen licht
niet elektrisch dus bedoel ik maar ik denk wel kaarsen.
Of anders gewoon vuur.
Daar heb ik een plaatje van.
Kijk.
Hier zie je
hoe ze toen met vuur en dergelijke vriendschap
maakten.

Nee, rechts. Bij m’n vinger.

Anders laat ik het wel even rondgaan.

Tegenwoordig hebben wij natuurlijk heel andere
soorten vriendschap want daar gaat het over.

Ik heb er een meegenomen en die ga ik nu pakken.
Nou, dit is hem dus.
Ik kan hem niet te lang laten zien
want hij kan niet tegen licht.

Heeft iedereen het gezien?
O ja, ik heb ook nog een lijst van vriendschappen
die je in het wild kan aantreffen
maar die lees ik nu niet op want dat duurt te lang.

Hier wil ik het bij laten.

Nou, als iemand een vraag heeft.

 

Liefde is een platitude en daarom ook zo mooi.

Liefde is een platitude en daarom ook zo mooi.
Jij, jij was veel meer dan dat zodat ik van meer
naar minder kon. Jij was zo jij dat je werd mij,
aan mij was het genot om in je op te gaan, geluk
zo groot dat ik steeds minder hoefde te bestaan.

Wat meer dan liefde is en minder dan de dood
is de warme dood waar ik niet bang voor ben,
dat is het doodgaan door te leven met een vrouw.
Dat ik mocht niet-bestaan dat kwam door jou.
In mij is die dood verdreven door de onmogelijkheid
opnieuw met jou te leven. Hoogstens ben ik ziek
en schrijf ik om de ziekte naam te geven. Hoe
hopeloos dit is, het brengt je niet terug naar mij.
Wat blijft is de ziekte, de ziekte die heet jij.

 

Joost Zwagerman (18 november 1963 – 8 september 2015)

 

De Iers-Amerikaanse dichter Seán Mac Falls werd geboren op 18 november 1957 in Boston. Zie ook alle tags voor Seán Mac Falls op dit blog.

 

Kauwen

De kauw is een vogel op zich
En geen tweederangs kraai.
Als ik lid was van de Vederen Raad
En het vogeljargon vloeiend uit mijn strot kwam
Zou ik samenwerking, samen vliegen, samen reizen veroordelen
In het bos, in de lucht, in geploegd land en grasland.
Ik zou adviseren en sterk aanbevelen
Een onafhankelijke organisatie voor kauwen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Seán Mac Falls (Boston, 18 november 1957)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e november ook mijn blog van 18 november 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Guido van Heulendonk, Chinua Achebe

De Vlaamse schrijver Guido van Heulendonk (pseudoniem van Guido Beelaert) werd geboren in Eeklo op 17 november 1951. Zie ook alle tags voor Guido van Heulendonk op dit blog.

Uit: Niemand uit België

`Kijk,’ zegt Cynthia. Hij kijkt: een dikke vrouw stapt uit de Ford voor hen, strekt de benen en richt een camera op de passagier. Ze roept iets en drukt af. `Nee!’ zegt Cynthia als de flits door de wagon bliksemt. Haar stem klinkt als zullen zo meteen alle alarmen afgaan, waarna de trein zal stilvallen en aanstormend boordpersoneel iedereen naar een druipende noodtunnel zal leiden, waar het Kanaalwater hoorbaar achter de wand klotst. `Rustig,’ zegt hij. ‘Er gebeurt niets.’ Dat klopt. De vrouw wringt zich weer in de schommelende wagen en de trein snelt even gemoedelijk verder als daarnet. Alleen het kerstmannetje op de hoedenplank valt om wanneer het portier dichtklapt. `Hoe is het mogelijk!’ zegt Cynthia. ‘Hoe kun je nu zo zijn?! Hoe kun je nu zo met de levens van mensen spelen?’ Je overdrijft, schat,’ zegt Blancke. Hij neemt haar hand vast. `Het is uitdrukkelijk omgeroepen: geen flitslampen. Kan interfereren met branddetectoren. Zijn zij dan doof?’ `Ze kennen misschien geen Engels, of Frans. Kijk.’ Hij wijst naar het Sloveense kenteken op de Ford. Cynthia schudt haar hoofd, zakt terug in de stoel, neemt de krant weer op die ze net van hem heeft overgenomen. Maar ze leest niet verder. The Guardian heeft ook weinig vrolijks te melden. Klimaatverandering, twintig miljoen vluchtelingen in de wereld, volgend jaar parlementsverkiezingen in het Verenigd Koninkrijk: 7 mei 2015 – ‘147 DAYS TO GO!’ Dat de zittende premier zus, dat Labour zo, voor Europa, tegen Europa, dat LibDem, de Schotten, uKIP… Blancke ziet haar blik spoedig over de bovenrand van de pagina kruipen, terug richting Slovenië. Arme schat, denkt hij. Hij weet wat ze doorstaat, al sinds haar paniekaanval onder de Mont Blanc tijdens hun verlovingstrip naar Aosta. Tunnelangst — er was een tijd dat het aan oedipale tektoniek werd geweten. Broeierig gerommel in de spelonken van de kindertijd. Dromen van een witte eenhoorn, galopperend door een holle weg: ook daarover waren hem ooit vragen gesteld, tijdens lang vervlogen examens. Grondbeginselen van de psychologie, gedoceerd door een gastdocent wiens naam hij niet meer aan de oppervlakte krijgt. Blancke spant zich in, maar alleen die van Koornhert komt terug. Geschiedenis van de Angelsaksische wereld, Hastings. ‘IJ heeft dat zeer goed begrepen, meneer Blancke.’ Zijn eerste examen aan de universiteit. Hij belde meteen naar huis: dat de professor hem gecomplimenteerd had. Zijn moeder moest iets wegslikken. Proficiat, jongen, doe zo verder. Wanneer het cijfer hem uiteindelijk bereikt, blijkt het een negen-plus te zijn. Een fucking negen-plus! Op twintig, niet eens een voldoende.”

 

Guido van Heulendonk (Eeklo, 17 november 1951)

 

De Nigeriaanse dichter en schrijver Chinua Achebe werd geboren op 16 november 1930 in Ogidi. Zie ook alle tags voor Chinua Achebe op dit blog.

 

Liefdescyclus

Bij zonsopgang trekt
de zon langzaam zijn
lange mistige armen terug uit
de omhelzing. Gelukkige geliefden

van wie de inspanningen
geen nasmaak of sentiment achterlaten
van de verbranding van liefde; Aarde ,
geparfumeerd in dauwdruppel-
geur wordt wakker

door het gefluister
van licht met zachte ogen …
Later zal hij
zijn kalmte verliezen
bij het ploegen van de uitgestrekte hectares
van de hemel en zich

op haar uitleven in brandende
pijlen van woede. Al lang
gewend aan zulke grillen
wacht zij geduldig

op de avond wanneer gedachten
aan een andere nacht
zijn zachtheid zullen herstellen
en haar macht
over hem.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Chinua Achebe (Ogidi, 16 november 1930)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e november ook mijn blog van 17 november 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Anton Koolhaas, Chinua Achebe

De Nederlandse schrijver Anton Koolhaas werd op 16 november 1912 in Utrecht geboren. Zie ook alle tags voor Anton Koolhaas op dit blog.

Uit: Fame, Fortune and the Ant (Vertaald door Iain Macintyre)

“He woke up in the middle of the night and at first had no idea where he was. But he soon remembered es erg thing. Often things that are still more or less formless when we fall asleep are suddenly equipped with a clear solution the next morning.
He would push the sugar cube to the biggest anthill in the world, make his entrance unannounced, and show all the ants in the anthill once and for all what an ant can do! Yes, it would be an incredible achievement. First, he would have to shift it halfway across the city (the Supreme Court was right in the middle), then make his way down the long road to the forest, to where the biggest anthill in the world was (right in the middle again). In fact, it was a plan that only the strongest ant in the world could have countenanced. Sugar is energy, which was just as well. Once he had made his plans, he ate some sugar from the cube and was soon impatient to start his journey. He decided to keep pushing at the short end of the sugar cube, because if he bumped into some obstacle or other he wouldn’t have to run along the full length of the cube to see what it was, but just part of the short side! And he would only eat from the place where he was pushing. That would create a little hollow, of course, but most of the ants who saw him arrive would hardly accuse him of any deception, since the chance that they had ever even seen an entire double sugar cube was extremely remote, and those who had would doubtless find the whole affair that much more interesting, because they could point this out to the others. At half past six in the morning the ant dis-lodged the sugar cube from the bottom step and began to push against the narrow side, off towards the road that led to the forest. It was a year later when he reached the road. Already he was slightly deformed from all the pushing. His poor legs. always braced with all their might at loll stretch, had developed balloon-like calves – something never seen even on the most industrious ant; his eyes were glazed over. the extent of his terrible experiences far eclipsed those of any soldier at the front. The only way he could count himself lucky was that the great highway was no longer concrete. It had been asphalted some time before. But in the meantime he had eaten so much sugar from the area where he was pushing that a hole had been created, in which he had disappeared, so deep that only two legs still protruded as he pushed against the asphalt he now encountered. He had to eat away at the floor of the hole to regain the use of all his legs. This made the sugar cube a rather sorry sight, and not just to the expert eye. On the other hand, on his travels through the city, he had come across several hundred ants who had quizzed him about his purpose for the past two months, and some of them had even come up to him and said: ‘Sir, you must be the ant who is on his way with the double sugar cube,’ ‘Indeed, I am’ – had been his only response.”

 

Anton Koolhaas (16 november 1912 – 16 december 1992)

 

De Nigeriaanse dichter en schrijver Chinua Achebe werd geboren op 16 november 1930 in Ogidi. Zie ook alle tags voor Chinua Achebe op dit blog.

 

Vlinder

Snelheid is geweld
Macht is geweld
Gewicht is geweld

De vlinder zoekt veiligheid in lichtheid
In gewichtloze, golvende vlucht

Maar op een kruispunt waar gevlekt licht
Van bomen op een onbezonnen nieuwe snelweg valt
Ontmoeten onze convergerende territoria elkaar

Ik met genoeg kracht voor twee
En de tere vlinder biedt
Zichzelf aan als felgele offergave
Op mijn harde siliconen schild.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Chinua Achebe (Ogidi, 16 november 1930)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e november ook mijn blog van 16 november 2018 en eveneens mijn blog van 16 november 2014 deel 2.

Clemens J. Setz, Ted Berrigan

De Oostenrijkse dichter, schrijver en vertaler Clemens J. Setz werd geboren op 15 november 1982 in Graz. Zie ook alle tags voor Clemens J. Setz op dit blog.

Uit: Der Trost runder Dinge (Südliches Lazarettfeld)

„Ich weiß noch, dass ich an dem Tag recht früh erwachte. An Träume erinnere ich mich nicht. Ich zog mich an und trat auf den Balkon. Es wurde gerade hell, aber die Sonne war noch nicht ganz aufgegangen. Ein leichter Wind bewegte die Katzenminze. Ich rauchte eine Zigarette und studierte dabei eine dämmerungsträge Spinne, die etwas oberhalb des Geländers in ihrem schon halb aufgegebenen Nachtnetz hing. Es war später März, und auf der Hausmauer war viel los. Die Feuerwanzen klebten schon wieder am Hinterteil zusammen.
Unten im noch dunklen Garten waren Autos geparkt mit aktivierten Sicherheitssystemen: Hinter jeder Windschutzscheibe blinkte eine kleine Raumstation. Ein Specht bearbeitete einen Baumstamm, aber er war schlecht synchronisiert, das Klopfen passte nicht zu seinen Kopfbewegungen. Er hüpfte mehrere Äste ab und maß dem Baum den Puls. Ich bekam davon ein mulmiges Gefühl, wie Durst, und ging zurück in die Wohnung, um etwas zu trinken. Wie immer, wenn man ein volles Glas Wasser durch einen Raum trägt, ohne dass es überschwappt, befiel mich das leicht übernatürliche Fernlenkgefühl. Selbst wenn ich versuchte, absichtlich ein bisschen Wasser zu verschütten, hielt mein inneres Lot irgendwie dagegen und glich alles aus. Zu Mittag würde ich nach Kanada fliegen, für vier Wochen. Es war der Flug OS 4977.
Für den Vormittag war Föhnwind vorhergesagt. Ich schaute mir Wetterseiten im Internet an und betrachtete später unser holzgeschnitztes Barometer im Vorzimmer. Es bestand aus zwei tanzenden Bauersleuten, einem Mann und einer Frau, und je nach Luftdruck verschwand einer von beiden in das Gehäuse. Zu keiner Zeit war es ihnen erlaubt, sich gemeinsam in ihrem Heim aufzuhalten. Wie fast jeden Morgen befiel mich beim An-blick des altertümlichen Messgeräts die Gewissheit, dass die sich ins Häuschen zurückdrehende Figur, sobald sie um die Ecke bog und unsichtbar wurde, in einer anderen, weit entfernten Wohnung, wenn nicht überhaupt auf einem ganz anderen Kontinent oder Planeten, in Erscheinung treten würde.
Ich kontrollierte die Zeit. Noch etwa eine Stunde, dann ging es los, Taxi, Flughafen, warten, dann fast einen halben Tag oben im Loch. Es half nicht viel, dass man aus dem Flugzeugfenster Wolkenfelder und den endlosen Atlantik würde sehen können, man war abgeschnitten von der Welt, man erstreckte sich nicht mehr. Ich hörte, dass meine Frau aufgestanden war: Im Schlaf-zimmer wurden alle über Nacht aufgerollten Teppichecken heruntergeklappt. Dann lief sie, ohne mich zu bemerken, an mir vorbei, und im Raum roch es für einen Augenblick nach et-was lang Vergangenem, nach Adventskalender oder Dinosaurierbuch.“

 

Clemens J. Setz (Graz, 15 november 1982)

 

De Amerikaanse dichter Ted Berrigan werd geboren op 15 november 1934 in Providence, Rhode Island. Zie ook alle tags voor Ted Berrigan op dit blog.

 

De sonnetten: XLI

rond stotend in een sigaret, ze is niet “verliefd”
mijn droom een drankje met Ira Hayes wij bespreken de code van het westen
mijn handen vrijen met mijn lichaam als ik mijn armen om je heen sla
je vertelt me nooit hoe je heet
en ik ben gedwongen ‘buik’ te schrijven als ik ‘liefde’ bedoel
Au revoir, scène!
Ik word wakker, lees, schrijf lange brieven en
dwaal rusteloos rond als de bladeren waaien
mijn droom een verfrommelde hoorn
voorafgaand aan de gebroken arm
zij mompelt iets over wenken voor haar vingers
huilt in de ochtend om zo geketend door liefde wakker te worden
Ik niet. Ik hou ervan mensen in elkaar te slaan.
Mijn droom een witte boom

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Ted Berrigan (15 november 1934 – 4 juli 1983)

 

Voor nog meer schrijvers van de 15e november zie ook mijn blog van 15 november 2018 en eveneens mijn blog van 15 november 2015 deel 2 en eveneens deel 3.