Cees Nooteboom, Jill McDonough

De Nederlandse dichter en schrijver Cees Nooteboom werd geboren in Den Haag op 31 juli 1933. Zie ook alle tags voor Cees Nooteboom op dit blog.

Uit: Roads to Santiago (Vertaald door Ina Rilke)

“Berlanga, Gormaz, Penaranda, Penafiel, they all take on the colour of the dry soil as they lie there, sprawled and menacing on the low ripple of hills. Like dismantled, empty shells, the vast carcasses of extinct beasts–that is how they rule over the bare land and the low, unprepossessing villages in which churches and convents preserve the remembrance of former glory. In their sculpted calligraphy they evoke the memory of vanished Arab rulers. Time really did melt in this place, and then solidified for ever. The traveller sees the map growing emptier as he proceeds. There is nothing to tell, he feels lost in a well of centuries, set upon by ruins. The hot wind rolls with him over the plain, and he will encounter few beings on his way: Soria is the most deserted province of Spain, the population is still trickling away, there is no livelihood to be had there.
I seek refuge from the heat in the monastery of Veruela. It’s like slamming the door on the plain behind you and stepping into a different, cooler, world. Oak trees and cypresses, the gentle lapping of water, rustling leaves, shade. There is no one to be seen, no cars belonging to other visitors, nothing. In Italy one often has the feeling that all the treasures are out on display, the eye is inebriated by what it sees, the great cornucopia is drained of its contents, there is no end to it. In Spain, and especially in these parts, one has to make an effort. Distances have to be covered, conquests made. The Spanish character has something monastic about it, even in their great monarchs there is a touch of the anchorite: both Philip and Charles built monasteries for themselves and spent much time in seclusion, turning their backs to the world they were required to govern. Anyone who has travelled widely through Spain is accustomed to such surprise encounters, and indeed anticipates them: in the middle of nowhere an enclave, an oasis, a walled, fortresslike, introverted spot, where silence and the absence of others wreak havoc in the souls of men. That is how it is here. I have walked under all the quarterings of Ferdinand of Aragon’s coat of arms and the simpler, mitred arms of the archbishop of Zaragoza and of the abbot of the monastery. I am standing in the courtyard and have tugged the bell, but there is no response. I go back to the coats of arms and stare up at them, but they have lost their meaning. I can see, but am blind to what I see. There must have been a time when people “read” these symbols the way I read a traffic sign. I know that those quarterings indicate lineage, that they speak of couplings in remote Spanish castles which yielded knights and ladies, all of whom, rowing down the long rivers of their blood, are fused in this Ferdinand.”


Cees Nooteboom (Den Haag, 31 juli 1933)


Onafhankelijk van geboortedata

De Amerikaanse dichteres Jill McDonough werd geboren in Hartford, Connecticut in 1972 en groeide op in North Carolina.


Nog steeds vallend

Mijn vriend probeert te stoppen met roken, en ik zeg: Ach, wees niet zo hard voor jezelf, ziek
van het doen alsof we niet dood gaan. We gaan dood en vallen nog steeds

voor onzin over bessen, een glas rode wijn. Het had erger kunnen zijn. We zijn niet suïcidaal,
geef de duivels een klap, Swazi. Dus we slaan nog steeds de sportschool over, eten nog steeds friet, vallen nog steeds

in slaap met de tv aan. Wat dan ook. We zijn dagelijks dichter bij het sterven, maar
het lijkt langzaam te gebeuren. De avond, poedersneeuw, de koude nacht, vallen nog steeds,

lacht hij, een lang touw van rook, zijn warme adem stijgt op. Goed. We hangen allemaal
onszelf op, maar het is een lang touw, Jill. Zie je? We zijn allemaal nog steeds in orde, we vallen nog steeds.


Vertaald door Frans Roumen


Jill McDonough
(Hartford, Connecticut, 1972)


Zie voor nog meer schrijvers van de 31e juli ook mijn blog van 31 juli 2019 en ook mijn blog van 31 juli 2018 en ook mijn blog van 31 juli 2017 en ook mijn blog van 31 juli 2016 deel 1 en eveneens deel 2.

Maja Lunde, Anya Silver

De Noorse schrijfster en scenariste Maja Lunde werd geboren in Oslo op 30 juli 1975. Zie ook alle tags voor Maja Lunde op dit blog. Zie ook alle tags voor Maja Lunde op dit blog.

Uit: The History of Bees (Vertaald door Diane Oatley)

“Their eyes were on us, on the trees. Curious, wrinkling their noses a bit, cocking their heads. As if they were here for the first time, even though all of them had grown up in the district and didn’t know of any kind of nature other than the endless rows of fruit trees, against the shadow of the overgrown forest in the south. A short girl looked at me for a long time, with big, slightly close-set eyes. She blinked a few times, then sniffed loudly. She held a skinny boy by the hand. He yawned loudly and unabashedly, didn’t lift his free hand to his mouth, wasn’t even aware that his face stretched open into a gaping hole. He wasn’t yawning as an expression of boredom; he was too young for that. It was the shortage of food that caused his fatigue. A tall, frail girl held a little boy by the hand. He was breathing heavily through a stuffed-up nose, with his mouth open, missing both front teeth. The tall girl pulled him behind her while she turned her face towards the sun, squinted and wrinkled her nose, but kept her head in the same position, as if to get some color, or perhaps glean strength. They arrived every spring, the new children. But were they usually so small? Were they younger this time? No. They were eight. As they always were. Finished with their schooling. Or … well, they learned numbers and some characters, but beyond that school was only a kind of regulated storage system. Storage and preparation for life out here. Exercises in sitting quietly for a long time. Sit still. Completely still, that’s right. And exercises to develop fine motor skills. They wove carpets from the age of three. Their small fingers were ideally suited for work with complex patterns. Just as they were perfect for the work out here. The children passed us, turned their faces to the front, towards other trees. Then they walked on, towards another field. The boy without teeth stumbled a bit, but the tall girl held his hand tightly, so he didn’t fall. The parents were not here, but they took care of one another. The children disappeared down along the tire rut, drowned between the trees. “Where are they going?” a woman from my crew asked. “I don’t know:’ another replied. “Probably towards forty-nine or fifty’: a third said. “Nobody has started there yet:’ My stomach twisted into a knot.”


Maja Lunde (Oslo, 30 juli 1975)


De Amerikaanse dichteres Anya Silver werd geboren op 22 december 1968 in Media, Pennsylvania.


Uit het ziekenhuis ontslagen

Terwijl de deuren achter me dicht glijden,
de wereld weer tot leven komt –
besta ik weer, kom tot mezelf,
zonlicht niet gedimd door donkere ruiten,
de hitte op mijn armen de adem van de aarde.
De wind zet me rechtop
als een hinde die haar pasgeboren kalfje schoonlikt.
Achter mijn rug, dagen gemeten aan de hand van vitale functies,
mijn geopende mond en mijn gestrekte arm,
de nachtelijke kreten van een man, tot kindermaat
verdord door kanker en het gerinkel
van lege infusen die door gangen tolden.
Voor mij het leven – mysterieus, gewoon –
pijn op afstand houdend met zijn gespierde vleugels.
Als ik op de stoeprand stap, duikt een oranje mot
in de mand met rozen
die de laatste tijd op mijn ziekenhuistafel stond,
en de bloembladen wijken voor zijn aanhoudende
duwtje, openen zich veelvoudig en als van goud.


Vertaald door Frans Roumen


Anya Silver (22 december 1968 – 6 augustus 2018)


Zie voor meer schrijvers van de 30e juli ook mijn blog van 30 juli 2019 en ook mijn blog van 30 juli 2017 en ook mijn blog van 30 juli 2016 deel 1 en eveneens deel 2.

Harry Mulisch, Thomas Rosenlöcher

De Nederlandse schrijver Harry Mulisch werd geboren op 29 juli 1927 in Haarlem. Zie ook alle tags voor Harry Mulisch op dit blog.

Uit: Archibald Strohalm en het paradijs

“Archibald Strohalm trilde. Niet om de grote vlam, die vlak voor zijn voeten geel omhoog laaide: een brandend stuk papier, waarin Bronislaws weggeworpen lucifer had gesmeuld, – hij had er al even naar zitten kijken, maar de schilder zag haar nu pas. Afwezig stak hij een been naar voren en trapte haar uit, waarbij de vonken en kooldeeltjes langs zijn voet opstoven. Hij had Bronislaws schrik nauwelijks bemerkt; hij schuurde de zool van zijn schoen over de grond. Natuurlijk kwam er weer een eiergesprek. Het was of Bronislaw voelde, dat dit de enige mogelijkheid was om het zwijgen te vermijden; zelf stuurde hij in deze richting. Archibald strohalm dacht aan zijn voornemen om menselijk kontakt te krijgen met Bernard door de eieren heen, – een methode, waarvan hij zich nog geen voorstelling kon maken. Hij overwoog dat dit, mocht het lukken, wellicht een menselijkheid als gevolg zou kunnen hebben, waarbij al het buiten-eiige in het niet verdween. Zou hij nu met Boris Bronislaw misschien al een experiment in deze richting kunnen nemen?
Hilde legde haar hand op Bronislaw arm en noemde zacht zijn naam. Ze drukte haar lippen even tegen zijn slaap. Hij richtte zich snel op. ‘Wat heb ik?’ vroeg hij met opgetrokken wenkbrauwen. ‘Begrijp je dat?’ De vrouw knikte. Verwonderd en vragend zag hij haar aan. Dan fronste hij plotseling zijn wenkbrauwen en keek naar het half verbrande papier, dat omgeven was door zwarte, veerlicht wegrollende schilfertjes. Hij wendde zich naar archibald strohalm om te verklaren, maar zag dat deze daar geen behoefte aan had.
‘Dat is een goede vergelijking,’ zei archibald strohalm.
‘Wat?’ De schilder kneep aanhoudend met zijn oog, maar hij wreef over zijn gezicht en herstelde zich. Hij glimlachte even naar Hilde.
‘Dat met die lamp.’
‘Lamp? O, dat is niets. Daar draai ik mijn hand niet voor om. Heb ik je niet bezeerd, Hilde? Hier, een kusje. Maar nu is het jou beurt, Strohalm. Wat was jij aan het filosoferen? Overtref me eens als je kunt.’
‘Ik wil geen figuur slaan, Bronislaw.’
De schilder lachte weer; alleen zijn oog kwam niet tot rust. – ‘Over wat voor onderwerp ging het? Dan zal ik nog eens filosofisch improviseren en je wel even wat op weg helpen. Altijd prijs.’
Archibald strohalm trok een bijbel uit zijn zak. – ‘Hierover.’
‘Haha!’ lachte Bronislaw toen hij het woord op de zwarte kaft las. ‘Filosofeer je daar met dit weer over, neef?’
Archibald strohalm nam hem verwonderd op en keek dan om zich heen.
‘Is hij je neef?’ vroeg Hilde.
‘Nee, dat kun je niet begrijpen. Word je niet moe van het zitten, schat?’
Ondanks deze bondige afwijzing werd Hilde niet kwaad. – ‘Nee, jongen,’ zei ze.”


Harry Mulisch (29 juli 1927 – 30 oktober 2010)


De Duitse dichter en schrijver Thomas Rosenlöcher werd geboren op 29 juli 1947 in Dresden. Zie ook alle tags voor Thomas Rosenlöcher op dit blog.



Een gerammel van toetsen. En de dood stampt bonk
bonk de trap op. Maar de kerel is hem al weer
gesmeerd over alle octaven,
draait grijnzend zijn hoofd om in het triolenlawaai.

Tot op de dag van vandaag loopt de dood door Wenen
en raadpleegt het Knöchelverzeichnis
en overtuigt de perplexe experts ervan
dat de nepschedel echt is.

Maar opnieuw hoort hij de onsterfelijkheidstriller
en neemt meteen de lift, treft de verkeerde aan,
die hier ook slechts oefende. Wees niet verdrietig, dood.
Je krijgt immers iedereen, ook mij. – Haast je, daar rent hij.


Vertaald door Frans Roumen


Thomas Rosenlöcher (Dresden, 29 juli 1947)


Zie voor nog meer schrijvers van de 29e juli ook mijn blog van 29 juli 2019 en ook mijn blog van 29 juli 2017 deel 1 en ook deel 2.

Remco Campert, Claudia Gabler

De Nederlandse dichter en schrijver Remco Campert werd op 28 juli 1929 in Den Haag geboren. Zie ook alle tags voor Remco Campert op dit blog.

Verzet begint niet met grote woorden

Verzet begint niet met grote woorden
maar met kleine daden

zoals storm met zacht geritsel in de tuin
of de kat die de kolder in zijn kop krijgt

zoals brede rivieren
met een kleine bron
verscholen in het woud

zoals een vuurzee
met dezelfde lucifer
die een sigaret aansteekt

zoals liefde met een blik
een aanraking iets wat je opvalt in een stem

jezelf een vraag stellen
daarmee begint verzet

en dan die vraag aan een ander stellen.


Ja rozen

Dit zijn rozen voor je
en alle poëzie.
Dit is mijn mooiste pose:
die van liefde’s acrobaat,
zwevend schijnbaar moeiteloos,
maar met krampende tenen
boven een bed
van rozen en doornen.

Ik zal je nu beschrijven:
kijk, ik teken rozen op je huid
en jij doornen op de mijne.

ik ben een acrobaat.
Is er een mooiere pose?

Pose van gevaar,
balancerend tussen begeerte en verweer:
ik stijg, ik val en onderwijl:

ik teken rozen

en dit zijn rozen.


Naar buiten

Naar buiten met die woorden!
Alsof ze vertaald zijn, misschien
niet zo best maar wie weet dat,
zó moeten ze klinken….

De straat op met je waar!
Wind staat om de monden en oren!
veel gaat verloren, flarden
zijn verstaanbaar, afzonderlijk-

heden nu treden naar voren
Olie op het asfalt, hier
stond een auto, smeulende peuk
op het trottoir daar

gaat een man


Remco Campert (Den Haag, 28 juli 1929)


De Duitse dichteres Claudia Gabler werd op 28 juli 1970 geboren in Lörrach. Zie ook alle tags voor Claudia Gabler op dit blog.


Onze eigen tuinen hadden ons afgewezen

Onze eigen tuinen hadden ons afgewezen,
zelfs de bloemen, tot op dit moment onze vrienden, waren er nu vandoor gegaan.
Derhalve kozen wij voor andere steden,
alleen hun geluidskwaliteiten waren daarvoor doorslaggevend.

De nieuwe baden stilden snel onze dorst naar douchewater,
maar de groene grens beschermde niet tegen insecten.
Ook niet tegen wilde dieren.
De buren waren echte gevoelsterroristen.

Wij zelf klaagden over berengeluiden
en werden en passant zelf onze ergste vijanden.
Ons voortijdige gezoem lag nu over de nieuwe tuinen als een provinciale symfonie.
Weer was het echter het water dat redding bood.

Thermale bronnen en de levenslust als van zowat een tsaar die erin gevierd werd
verhinderde vuurwapengebruik. We waren ineens heel vrolijk.
Ook al waren we omsloten door bontwaren en wisten we duidelijk:
Hier blaft een Siberische hond.


Vertaald door Frans Roumen


Claudia Gabler (Lörrach, 28 juli 1970)


Zie voor de schrijvers van de 28e juli ook mijn blog van 28 juli 2019 en ook mijn blog van 28 juli 2017 en ook mijn blog van 28 juli 2011 deel 2.

Michael Longley

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.


Here are two pictures from, my father’s head —
I have kept them like secrets until now:
First, the Ulster Division at the Somme
Going over the top with ‘Fuck the Pope!’
‘No Surrender!’: a boy about to die,
Screaming ‘Give ‘em one for the Shankill!’
‘Wilder than Gurkhas’ were my father’s words
Of admiration and bewilderment.
Next comes the London-Scottish padre.
Resettling kilts with his swagger-stick,
With a stylish backhand and a prayer.
Over a landscape of dead buttocks
My father followed him for fifty years.
At last, a belated casualty,
He said – lead traces flaring till they hurt –
‘I am dying for King and Country, slowly.
I touched his hand, his thin head I touched.

Now, with military honours of a kind,
With his badges, his medals like rainbows,
His spinning compass, I bury beside him
Three teenage soldiers, bellies full of
Bullets and Irish beer, their flies undone.
A packet of Woodbines I throw in,
A lucifer, the Sacred Heart of Jesus
Paralysed as heavy guns put out
The night-light in a nursery for ever;
Also a bus-conductor’s uniform –
He collapsed beside his carpet-slippers
Without a murmur, shot through the head
By a shivering boy who wandered in
Before they could turn the television down
Or tidy away the supper dishes.
To the children, to a bewildered wife,
I think ‘Sorry Missus’ was what he said



Beneath a gas-mantle that the moths bombard,
Light that powders at a touch, dusty wings,
I listen for news through the atmospherics,
A crackle of sea-wrack, spinning driftwood,
Waves like distant traffic, news from home,

Or watch myself, as through a sandy lens,
Materialising out of the heat-shimmers
And finding my way for ever along
The path to this cottage, its windows,
Walls, sun and moon dials, home from home.


De ijscoman

Rum en rozijnen, vanille, butterscotch, walnoot, perzik:
Je zou er de smaken afrijmen. Dat was voordat
Ze de ijsjesman op Lisburn Road hebben vermoord
En je anjers kocht om buiten voor zijn winkel te leggen.
Ik heb alle wilde bloemen van de Burren voor je opgenoemd
Die Ik in één dag had gezien: tijm, valeriaan, kattestaart,
Moerasspirea, grote keverorchis, varkenskers, struikhei, angelica,
Robertskruid, marjolein, fluitenkruid, zonnedauw, wikke,
Zilverkruid, houtsalie, echte koekoeksbloem, grote muur,
Duizendblad, geel walstro, winde, teer guichelheil.


Vertaald door Frans Roumen


Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)
Portret door Colin Davidson, 2011-2012


Zie voor nog meer schrijvers van de 27e juli ook mijn blog van 27 juli 2018 en ook mijn blog van 27 juli 2017 en ook mijn blog van 27 juli 2011 deel 2.

Arthur Japin, Michael Longley

De Nederlandse schrijver Arthur Japin werd geboren in Haarlem op 26 juli 1956. Zie ook alle tags voor Arthur Japin op dit blog.

Uit: Vaslav

“Vanochtend, al voor dag en dauw, begint voor ons de waanzin. Het hele huis in rep en roer. Opgewonden stemmen in het trappenhuis. Geroep in de tuin. Voeten die de trap op rennen.
Lise hoort het in haar slaap. Ze kreunt even, haalt een keer diep adem alsof ze zich wil omdraaien. Ik heb mijn armen om haar heen geslagen en druk haar nog eens tegen me aan, waarop ze weer ontspant. Zo lig ik het liefst, mijn hoofd tussen haar schouders, mijn onderlijf stijf tegen het hare, knieën samen opgetrokken, alsof zij mij op haar rug draagt en me veilig over donzen bergen gidst. Even nog, denk ik, in godsnaam, en zak weer weg. Het volgende moment zie ik onze lijven als de wanden van een dal. Ik zeil erlangs, rakelings, een adelaar die afdalend vanuit de hoge wind de luwte zoekt. Dan wordt er op mijn deur geklopt. Vier korte doffe slagen, die ik in mijn halfslaap als schoten hoor. Ze weerkaatsen in de kloof van Lises dijen waar ik tussendoor zweef. Onder me zie ik de zon in de Inn weerkaatst, een zilveren lint dat de meren van Sankt Moritz, Sils en Silvaplana doorrijgt, maar het volgende salvo schiet me wakker.
Marie is aan de deur, helemaal hysterisch. Ik roep dat ik eraan kom, maak licht en zoek mijn kleren bij elkaar. Lise zucht. Door samengeknepen wimpers kijkt ze hoe ik vechtend met mijn onderbroek op één been door de kamer spring. De lange pijpen, gisteravond laat te gretig uitgetrapt, zitten helemaal verknoopt. Als ik struikel, schiet ze in de lach. Ik leg mijn vinger tegen mijn lippen en geef haar haar kleren aan.
‘Het kleintje,’ snikt Marie, ‘ze is weg.’
Ik knoop mijn hemd dicht terwijl we naar beneden rennen.
‘Haar bed is leeg, de voordeur staat open. Kyra, o God, onze lieve kleine Kyra.’
‘En mevrouw?’
‘Weet nog van niks. Dit mag Miss Grant haar zelf vertellen. Mooie gouvernante is me dat. Die heeft een deken omgeslagen en is zo de tuin in gehold op zoek naar voetstappen, maar het is pikdonker. Jij moet mee om bij te lichten.’
De kou van de nacht hangt in de hal. Ik ga de achtertrap af naar het stookhok, drenk een rag in de petroleum, wind hem om een teerfakkel en wil die aansteken als ik me ineens bedenk. Ik hol terug naar boven, neem de gang op de eerste, stilletjes om mevrouw niet te alarmeren, en steek de overloop over naar de kamer van mijnheer. Ik klop niet aan omdat ik wel weet hoe laat het is, maar open direct de deur en kijk naar binnen.”


Arthur Japin (Haarlem, 26 juli 1956)


De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.



Achilles jaagt achter Hector aan als een sperwer
Krijsend naar een doodsbange kraagduif
Die fladdert in het aangezicht van haar beul, dus
Hector doet onder de muren van Troje moeite om in leven te blijven.
Voorbij de verweerde wilde vijgenboom en de uitkijk-
Post versnellen ze allebei hun pas, weg van de stad
Langs een karrenspoor tot aan dubbele springbronnen
Die uitstromen in de wervelende Skamandros, één met
Warm water dat stoomt als rook van een vreugdevuur,
De andere koud als hagelstenen, sneeuwwater,
Handig voor de uit steen gehouwen wasbakken
Waarin Trojaanse huisvrouwen en hun mooie dochters
In de goede oude tijd te hun glanzende kleding uitspoelden,
Op wasdagen, voordat de Griekse soldaten naar Troje kwamen.


Vertaald door Frans Roumen


Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)


Zie voor nog meer schrijvers van de 26e juli ook mijn blog van 26 juli 2018 en ook mijn blog van 26 juli 2017 en eveneens mijn blog van 26 juli 2015 deel 2.

Lieke Marsman, Michael Longley

De Nederlandse dichteres Lieke Marsman werd op 25 juli 1990 geboren te Den Bosch. Zie ook alle tags voor Lieke Marsman op dit blog.

Man met hoed I

Ik volgde een nacht lang de rook
van de stad, ik zei tegen een man
die me naliep: probeer mij eens te volgen
terwijl ik achter jou aanloop, kun je dan nog raden
waar ik heenga?

Ik las in een boek dat je, als je steeds
rechtsaf slaat, altijd weer thuis komt.
Maar ik dacht: wat als je begint bij een plaats
die niet je huis is, waar kom je in dat geval
terecht? En als je linksaf slaat – werkt het nog?

Ik begon in een huis op een land
dat plat was. Daar stond in een boek
dat het aan de binnenkant van ons lichaam
helemaal donker is. Pikzwart. Ik dacht:
hoe kun je het weten als je er niet kunt kijken?

Ik zei tegen de man die ik volgde
dat ik naar huis moest, een licht
in mijn longen aandoen. Ik kon hem zeggen
wat ik dacht omdat ik iets schreef
in mijn hoofd. Het was dit.

Iemand gaf me een boek dat vertelde
over een parallel universum dat zich op één
millimeter van onze huid bevindt.
Huid: de vitrage die ervoor zorgt dat
onze organen geen schaduwen hebben.

De man liep rechtsaf mijn straat in. Vanuit een
bovenraam op de hoek klonk een feest. Hij kwam
bij mijn voordeur en draaide zich om.
Hij zei: laat me met rust
en lees niet zoveel boeken.

Ik schreef: als ik in een parallel universum geloofde,
zou het zijn waar ik mijn huis liet bouwen.
Als ik in mezelf geloofde, zou ik er lachend
op de bank zitten wachten
totdat ik thuiskwam.


Man met hoed II

Ik zal terugkeren en ik zal haast
geen huid meer hebben, mijn vlees
zal mijn kieuwen moeten overnemen

Ik kom uit het water
Hoewel ik niet uit de regen zal komen,
zal ik hopen dat je me een handdoek aangeeft

Ik zal geen oevers meer hebben als ik terug ben gekeerd
Dag na dag stroom ik de richting van mijn gezicht achterna
Met de armen gestrekt beperk ik waar ik naar kijken kan

Ik zal wel moe zijn, denk ik

Ik kom verwilderd terug, ik leg
mijn handen op het enige stukje huid
van je rug dat nog vrij is
en bloot.

Boven het hart
dat je onder je riem draagt, naast
de dolk.


Lieke Marsman (Den Bosch, 25 juli 1990)


De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.


Gaspeldoorn vuurtjes

Het vee uit hun stal ruikt nog naar mest, lammetjes
zijn vanaf vorig jaar als uit een omheining gestapt.
Vijf of zes mannen staren naar een roestige tractor
Voordat ze werktuigen naar afzonderlijke velden vervoeren.

Ik reis van de ene april naar de andere.
Het is dezelfde trein tussen dezelfde dijken.
Gaspeldoorn vuurtjes roken, maar sleutelbloemen branden
En speenkruid en witte meidoorn en gaspeldoornbloemen.


Vertaald door Frans Roumen


Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)
Portret door Jeffrey Morgan


Zie voor de schrijvers van de 25e juli ook mijn blog van 25 juli 2018 en eveneens mijn blog van 25 juli 2017.

Robert Graves, Michael Longley

De Engelse dichter en schrijver Robert Graves werd geboren in Londen (Wimbledon) op 24 juli 1895. Zie ook alle tags voor Robert Graves op dit blog.

Give Us Rain

“Give us Rain, Rain,” said the bean and the pea,
“Not so much Sun,
Not so much Sun.”
But the Sun smiles bravely and encouragingly,
And no rain falls and no waters run.

“Give us Peace, Peace,” said the peoples oppressed,
“Not so many Flags,
Not so many Flags.”
But the Flags fly and the Drums beat, denying rest,
And the children starve, they shiver in rags.


A Boy In Church

“Gabble-gabble,… brethren,… gabble-gabble!”
My window frames forest and heather.

I hardly hear the tuneful babble,
Not knowing nor much caring whether
The text is praise or exhortation,
Prayer or thanksgiving, or damnation.

Outside it blows wetter and wetter,
The tossing trees never stay still.
I shift my elbows to catch better
The full round sweep of heathered hill.
The tortured copse bends to and fro
In silence like a shadow-show.

The parson’s voice runs like a river
Over smooth rocks. I like this church:
The pews are staid, they never shiver,
They never bend or sway or lurch.
“Prayer,” says the kind voice, “is a chain
That draws down Grace from Heaven again.”

I add the hymns up, over and over,
Until there’s not the least mistake.
Seven-seventy-one. (Look! there’s a plover!
It’s gone!) Who’s that Saint by the lake?
The red light from his mantle passes
Across the broad memorial brasses.

It’s pleasant here for dreams and thinking,
Lolling and letting reason nod,
With ugly serious people linking
Sad prayers to a forgiving God….
But a dumb blast sets the trees swaying
With furious zeal like madmen praying.


She Tells Her Love

She tells her love while half asleep,
In the dark hours,
With half-words whispered low:
As Earth stirs in her winter sleep
And put out grass and flowers
Despite the snow,
Despite the falling snow.


Robert Graves (24 juli 1895 – 7 december 1985)


De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.


Vijftig jaar

Je hebt keer op keer met me gewandeld
Over het stenige pad naar Carrigskeewaun
En halt gehouden tussen de heksenringen om
Champignons te plukken voor het ontbijt en voor poëzie.

Je hebt erop gewezen, zoals op een slakkenhuis
Of een wulpveer of rogge-eieren,
Op het juiste woord, stiltes en lettergrepen
Hoorbaar aan de winderige rand van het water.

We hebben otterafdrukken gevolgd naar Allaran
En  uren op onze kille troon gewacht,
Vijftig jaar lang, man en vrouw, met zachte stem,
Scholeksters en kleine zandlopers geteld.


Vertaald door Frans Roumen


Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)
Hier met zijn echtgenote


Zie voor nog meer schrijvers van de 24e juli ook mijn blog van 24 juli 2019 en ook mijn blog van 24 juli 2018 en eveneens mijn blog van 24 juli 2016 deel 2.

Lauren Groff, Michael Longley

De Amerikaanse schrijver Lauren Groff werd geboren op 23 juli 1978 in Cooperstown, New York. Zie ook alle tags voor Lauren Groff op dit blog.

Uit: Fates and Furies

“A QUESTION OF VISION. From the sun’s seat, after all, humanity is an abstraction. Earth a mere spinning blip. Closer, the city a knot of light between other knots; even closer, and buildings gleamed, slowly separating. Dawn in the windows revealed bodies, all the same. Only with focus came specifics, mole by nostril, tooth stuck to a dry bot-tom lip in sleep, the papery skin of an armpit. Lotto poured cream into coffee and woke his wife. A song played on the tape deck, eggs were fried, dishes washed, floors swept. Beer and ice carried in, snacks prepared. By midafternoon, all was shining, ready. “Nobody’s here yet. We could—” Lotto said into Mathilde’s ear. He pulled her long hair away from her nape, kissed the knob of bone there. The neck was his, belonging to the wife who was his, shining, under his hands. Love that had begun so powerfully in the body had spread luxuriantly into everything. They had been together for five weeks. The first, there had been no sex, Mathilde a tease. Then came the week-end camping trip and the besotted first time and the morning piss where he found his junk bloodied stem to stern and he knew she’d been a virgin, that she hadn’t wanted to sleep with him because of it. He turned to her in the new light, dipping her face in the frigid stream to wash it, coming up cheeks flushed and glazed with water, and he knew her to be the purest person he’d ever met, he, who had been primed for purity. He knew then they would elope, they would graduate, they would go to live in the city and be happy together there. And they were happy, if still strange to each other. Yesterday, he’d found she was allergic to sushi. This morning, when he was talking to his aunt on the telephone, he’d watched Mathilde toweling off out of the shower and it struck him hard that she had no family at all. The little she spoke of childhood was shadowed with abuse. He’d imagined it vividly: poverty, beat-up trailer, spiteful—she implied worse—uncle. Her most vivid memories of her childhood were of the television that was never turned off. Salvation of school, scholarship, modeling for spare change. They had begun to accrete stories between them. How, when she was small, isolated in the country, she’d been so lonely that she let a leech live on her inner thigh for a week. How she’d been discovered for modeling by a gargoyle of a man on a train. It must have taken an immense  force of will for Mathilde to turn her past, so sad and dark, blank behind her. Now she had only him. It moved him to know that for her he was everything. He wouldn’t ask for more than she’d willingly give. Outside, a New York June day steamed. Soon there’d be the party, dozens of college friends descending on them for the housewarming, though the house was already sizzling with summer.”


Lauren Groff (Cooperstown, 23 juli 1978)


De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.



Onder een gloeikousje dat de motten bestoken,
Licht dat verpulvert bij aanraking, stoffige vleugels,
Ik luister naar nieuws door het ruisen heen,
Een geknetter van zeegras, wervelend drijfhout,
Golven als ver verkeer, nieuws van thuis,

Of kijk naar mezelf, als door een zanderige lens,
Hoe ik verschijn uit de hitte-glinstering
En voor altijd mijn weg vind langs
Het pad naar dit huisje, de ramen,
Muren, zon- en maanwijzers, thuis-van-huis.


Vertaald door Frans Roumen


Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)


Zie voor nog meer schrijvers van de 23e juli ook mijn blog van 23 juli 2019 en ook mijn blog van 23 juli 2018 en ook mijn blog van 23 juli 2017 deel 2.

Arno Geiger, Michael Longley

De Oostenrijkse schrijver Arno Geiger werd geboren op 22 juli 1968 in Bregenz, Vorarlberg. Zie ook alle tags voor Arno Geiger op dit blog.

Uit: Unter der Drachenwand

„Noch am Tag der Verwundung wurde ich mit dem Krankenwagen weggebracht. Wenn nicht ein großer LKW zur Begleitung abgestellt worden wäre, wären wir im Schlamm steckengeblieben, gleich draußen vor dem Dorf. So ging’s bis zum Hauptverbandplatz, wo ich einige grobe nähte bekam. ich schaute beim Vernähen zu, erneut mit größter Verwunderung. / Die Wäsche, die ich Ende Oktober angezogen hatte, hatte ich fast einen Monat am Leib gehabt, das Hemd war buchstäblich schwarz, als es mir ausgezogen wurde.
9ich sah einen Arzt, der beim Versuch, sich eine Zigarette anzuzünden, fünf Streichhölzer abbrach. Mit hängendem Kopf stand er da, bis eine Rot-Kreuz-Schwester kam und ihm die Streichhölzer aus der Hand nahm. nach zwei Zügen, die er lange mit geschlossenen Augen in der Lunge gehalten hatte, stieß der Arzt ein paar Wortfetzen aus und taumelte zwischen den blutigen Liegen davon. Zwei Tage später fuhren wir weiter. einmal wären wir bald umgekippt mit unserer Karre, wir waren in einen zuvor nicht sichtbaren Graben gerutscht. Als die andern den Wagen wie-der heraus hatten, war vor und hinter uns der Weg zu, denn es hatte starker Schneefall eingesetzt. Für neun Kilometer brauchten wir den ganzen Vormittag, weil der Weg freigeschaufelt werden musste, hinter uns war der Weg dann besser. Aber ich spürte jede rippe im Leib. / Auch auf der Haupt-straße war es schrecklich, sechsmal mussten wir Deckung suchen gegen Flugzeuge, die uns mit Bordwaffen angriffen. Bei einer hastigen Bewegung ging die Wunde am Oberschenkel auf. / Am Bahnhof von Dolinskaja wurden wir dreimal in einer Stunde von Bombern angegriffen, ich war froh, als ich von dort wegkam.in Dolinskaja warfen sie uns schachtelweise Drops und Schokolade in den Waggon. Das ist immer so: Wenn’s zurück geht, werden die Lager geräumt, bevor sie zuletzt den Sowjets in die Hände fallen. Drops und Schokolade sind das einzige, was uns Soldaten zugutekommt, sonst erleben wir nur Schreckliches. Frisch verbunden lag ich in einem Lazarettzug. Der Zug stand meistens auf freier Strecke wegen des starken Verkehrs. Fünf Tage brauchten wir bis Prag, und von Prag zwei Tage bis ins Saargebiet. / Man sollte es nicht für möglich halten, dass man vom Osten nach dem äußersten Westen verlegt wird, aber das beweist wieder, wie klein das sogenannte Großdeutschland ist.“


Arno Geiger (Bregenz, 22 juli 1968)


De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

De waterval

Als je mijn gedichten zou lezen, allemaal, ik bedoel,
Mijn levenswerk, in één keer, op die ene plek,
Laat het hier zijn bij deze halfslachtige waterval
Die elk kiezelbekken zijn eigen zegje laat doen,
Vochtige stenen en lettergrepen, dan, als het donker wordt
En je naar huis gaat langs overwoekerde wijngaarden en
Kastanjebomen, ooit leverancier van dwarsbalken, maan-
Gevormde noten, meel en krakende vulling voor matrassen,
Laat ze hier, op de pagina, voor mijn geestesoog, verlicht
Als de vuurvliegjes bij de waterval, een muur van sterren.


Vertaald door Frans Roumen


Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)


Zie voor de schrijvers van de 22 juli ook mijn blog van 22 juli 2019 en ook mijn blog van 22 juli 2018 deel 2.