Dolce far niente, Wolfgang Seekamp, William Saroyan, Sander Kok

Dolce far niente

 

Im sommerlichen Laubwald door Julius Exter, z.j.


Sommer-Abschied
(Der September)

Noch liegen Feld und Wiesen
unter heißer Sonnenlast,
doch seht, dort holt der Sommer
seine Fahne schon vom Mast.

Noch träumen rote Früchte
hoch im Laub vom Liebestraum,
doch hört, da fallen Äpfel
laut ins Gras vom Apfel-Baum.

Scheu huschen Rosendüfte
durch die späte Sommerzeit,
doch schmeckt, hier reifen Früchte
mit süßer, schwerer Üppigkeit.

Der Sommer strebt zum Ende,
herbst-zarter Duft zieht durch das Land,
am Himmel treiben Wolken,
Abendrot im Festgewand.

Und all die Spinnen weben
so manchen feinen Schleier,
der Herbst gibt jetzt dem Sommer
die letzte Abschiedsfeier.

Wolfgang Seekamp (Bremen, 1944)
Bremen, de geboorteplaats van Wolfgang Seekamp


De Amerikaanse dichter en schrijver William Saroyan werdgeboren op 31 augustus 1908 in Fresno, Californië. Zie ook alle tags voor William Saroyan op dit blog.

Uit: Fresno Stories (FIRE)

“One of the few things all of the Bashmanians are agreed about is fire, which we love, as we do all things in the fire family: the sun, all reds and yellows, California poppies and sunflowers. No wonder the Armenians fought off the Persians when they came with swords to demand that we join them in fire worship. Why should we spoil a good thing by making it official? We had official Jesus, and that was wonder enough. When a building was on fire in Fresno and the Fire Department came roaring up in its red fire engines, we would already be there, laughing, and rejoicing in the light, heat, color, and music of the fire eating wood to ash. The greatest fire I ever witnessed was a comparatively insignificant one. The thing that made it great was that it was my house. I had gone with my family in 1919 to Armona—about forty miles southwest of Fresno and three miles from Hanford—where there was good work in the fresh-fruit packing houses, and we shared a house bought for his family by my uncle Gunyaz Bashmanian after he suffered losses in three consecutive business enterprises. A small grocery store on 0 Street in Fresno went bankrupt because of the lower prices at the big store that suddenly opened next door. Then an orchard of peach and apricot trees in Biola brought forth two crops so meager that the place had to be given back to the bank. And finally this unlucky man bought a jewelry store on Mariposa Street in Fresno, next to D. Yezdan’s Clothing Store. One night it was emptied of everything by robbers, who were never apprehended. “Robbers?” Gunyaz said when he heard of the theft. “Not police?” Gunyaz put all of his remaining money into the buying of the old house in Armona, so that he and his wife and his two sons could work in the packing houses and perhaps save money again, but his wife took ill, one of his sons broke his arm, and Gunyaz himself sprained his back so badly that even with a brace holding him together he could do no more than stand and walk. When he was almost entirely out of money, with a lot of doctor’s bills to pay, Gunyaz took all of his business papers to a lawyer named Jivelikian and asked him to study them carefully. The following day the lawyer said, “I have found all of your papers in order. You paid two thousand dollars cash for the house and its furnishings. I know the house well, as the previous owner asked me to help him sell it three years ago. At best, the furnishings, the house, and the lot on which it stands are all together worth one thousand dollars. However, the fire insurance policy on the house is for six thousand dollars, and has a week to go.” Gunyaz said, “The house is old and rotten. I’m afraid it might catch fire some night when all of us are asleep.” “That is something to avoid at all costs,” the lawyer said. “I can’t stand guard every night,” Gunyaz said. “I have a bad back and many debts.” “My fee is one dollar,” the lawyer said. Gunyaz paid Jivelikian a silver dollar and went home. As luck would have it, everybody was either at the packing house or at the doctor’s, and Gunyaz Bashmanian was home all alone, his head full of sorrow, anger, and fire. That night, when everybody was home from work or from the doctor’s, he said to his wife, “Prepare a feast. We shall enjoy our good health and good fortune in this world, under the fig tree in the back yard.” The feast began a little after ten, by which time I was more sleepy than hungry. Nevertheless, I kept myself awake enough to have a little of everything, and then I began to long for my bed, which I shared with my brother Bakrot Bashmanian, called Buck for short. But Gunyaz said, “No, you must eat now. You are eleven years old; it is not time to go into the house.” He himself went into the house by way of the back door and came out by way of the front door.”

William Saroyan (31 augustus 1908 – 18 mei 1981)
Sayorans huis in Fresno 


De Nederlandse schrijver Sander Kok (ook bekend fotomodel) werd geboren in Arnhem op 31 augustus 1981. Zie ook alle tags voor Sander Kok op dit blog.

Uit: Smeltende vrouw

“Soms kreeg hij de aandrang een groot gebaar te maken, desnoods fysiek, een gebaar waarvan iedereen zou schrikken. Maar in de lusteloosheid van de klas reflecteerde zijn eigen lusteloosheid, hun dode ogen waren zijn dode ogen, en uiteindelijk stond hij hier voor het geld en niet voor hen, zoals hij niet naliet hun, en zichzelf, te vertellen. Zijn leven was thuis, bij Neeltje. Op school was hij bij Hades. Zijn leven had ergens een vreemde bocht gemaakt, een bocht omlaag. Dagelijks keerde hij uit de onderwereld terug en dagelijks kon hij bij thuiskomst Neeltje zien opbloeien. De plastic klok tegenover hem stond bijna op kwart voor vier, maar hij liep voor en het duurde nog een tijd voor hij naar huis mocht. Hij stond met zijn rug naar het schoolbord en leunde met zijn vuist op het bureau, de andere hand hing slap naast zijn lichaam, de palm en nagels wit van het krijt. Achter hem stond op het bord de Nederlandse spelling van ‘Tolstoj’, die hij eerder met lange halen op het groen had neergekalkt. Hij keek naar de klas, die als een monolithisch blok voor hem zat Niemand keek terug. In de hoek pakte een meisje een make-updoosje uit haar rugzak en peuterde het met haar nagel open. Ze keek afwisselend in haar spiegeltje en in het gezicht van Reukens, zoals automobilisten afwisselend op hun telefoon kijken en dan naar de weg. Het is niet dat ze ongeïnteresseerd zijn, dacht hij, ze zijn gewoon afwezig. Wie heeft een vraag over Tolstoj?’ Hij keek de klas rond en zag een vinger. Willemijn heeft een vraag over Tolstoj.’ Willemijn de Vries was zestien jaar, zeer aantrekkelijk en sprak zeven talen, waaronder Oudperzisch, een taal die ze haar eerste liefde noemde. Haar lievelingsauteur was Heinrich Heine, omdat die ‘zo mooi zong’, en `niet alleen door Schumann’ — hij moest nog opzoeken wat ze daarmee bedoelde. Hij had aan haar eenzelfde soort hekel als aan oude vrouwen die een te zwaar parfum dragen. `Is bekend wat Tolstoj vond van Dostojevski’s stijl, of misschien het gebrek eraan, in Misdaad en straf?’ `Is bekend wat Tolstoj vond — Ja… In elk geval niet dat ik weet. Maar ik denk dat hij Dostojevski waardeerde om zijn psychologisch inzicht en hem toch, zoals Nabokov en Karel van het Reve een eeuw later, een matige schrijver vond — schrijftechnisch tenminste.’ `Maar is er niks bekend over wat Tolstoj vond van Misdaad en straf in het bijzonder?’ `Dat is niet bij mij bekend.’ Hij vroeg zich af waarom ze dit wilde weten, waarom dit soort mensen zich niet uit zelfhaat verhing, bijvoorbeeld op het schoolplein beneden. Hij keek naar de honderdjarige eik naast de ingang. Die was dik genoeg, die zou houden. In de klas waarin hij zelf scholier was geweest, zou Willemijn zijn uitgelachen en beschimpt om dat soort vragen, maar niet hier, niet op de Mirandola School voor Hoogbegaafden. Hier was alles anders. De pubers waren even weerspannig als elders op de wereld, maar ze droegen het op een andere — ingetogenere, beschaafdere — manier uit. Mirandola was een van die scholen voor kinderen die volgens de ouders, de directeur en het zittende kabinet meer moesten worden uitgedaagd. Kinderen die beter zijn, dacht Reukens erbij. Hij haatte ze met een hartstocht die aan liefde grensde. De managementlui vonden het zijn taak om voor die uitdaging te zorgen. Ze hadden gedaan of hij, uitgerekend hij, noodzakelijk was voor hun ontwikkeling. Ha! Hij was erin getuind, hij had de baan aangenomen, voor een schandelijk laag salaris. En nu stond hij hier Nietzsche en Dostojevski te verklaren voor een klas die zich nog minder voor filosofie en literatuur interesseerde dan een gewone klas. De rijen waren star en onbeweeglijk. Rijen bomen in een aangeplant bos. Geen wind woei, geen takje bewoog. Bij tijd en wijle voelde hij zich nuttelozer dan hij zich vroeger had gevoeld, op de gewone middelbare school, waar hij nog eens vijftien jaar van zijn volwassen leven had doorgebracht.”

Sander Kok (Arnhem, 31 augustus 1981)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 31e augustus ook mijn blog van 31 augustus 2018 en ook mijn blog van 31 augustus 2017.

Dolce far niente, Wilhelm Busch, Charles Reznikoff, François Cheng, Mary Shelley

Dolce far niente

 

Summer Hills door Steven Guy Bilodeau, 2012

 

Der Winter ging

Der Winter ging, der Sommer kam,
er bringt aufs Neue wieder
den viel beliebten Wunderkram
der Blumen und der Lieder.

Wie das so wechselt Jahr um Jahr,
betracht ich fast mit Sorgen.
Was lebte, starb, was ist, es war,
und heute wird zu morgen.

Stets muss die Bildnerin Natur
den alten Ton benutzen
im Haus und Garten, Wald und Flur
zu ihren neuen Skizzen.

Wilhelm Busch (15 april 1832 – 9 januari 1908)
De Wilhelm-Busch-Apotheke in Wiedensahl, de geboorteplaats van Wilhelm Busch

 

De Amerikaanse dichter Charles Reznikoff werd op 30 augustus 1894 in New York geboren. Zie ook alle tags voor Charles Reznikoff op dit blog

‘The lamps are burning in the synagogue…’

“The lamps are burning in the synagogue,
in the houses of study, in dark alleys. . .”
This should be the place.
This is the way
the guide-book describes it. Excuse me, sir,
can you tell me
where Eli lives, Eli the katzev—
slaughterer of cattle and poultry?
One of my ancestors.
Reb Haskel? Reb Shimin? My grandfathers.

This is the discipline that withstood the siege
of every Jew;
these are the prayer-shawls that have proved
stronger than armor.

Let us begin then humbly. Not by asking:
Who is This you pray to? Name Him;
define Him. For the answer is:
we do not name Him.
Once out of a savage fear, perhaps;
now out of knowledge—of our ignorance.

Begin then humbly. Not by asking:
shall I live forever?
Hear again the dear dead greeting me gladly
as they used to
when we were all among the living?
For the answer is:
if you think we differ from all His other creatures,
say only if you like with the Pharisees, our teachers,
those who do not believe in an eternal life
will not have it.

In the morning I arise and match again
my plans against my cash.
I wonder now if the long morning-prayers
were an utter waste of an hour
weighing, as they do, hopes and anguish,
and sending the believer out into the street
with the sweet taste of the prayers on his lips.

Charles Reznikoff (30 augustus 1894 – 22 januari 1976)


De Chinees-Franse dichter, schrijver en vertaler François Cheng werd geboren op 30 augustus 1929 in Nanchang in China. Zie ook alle tags voor François Cheng op dit blog.

Uit:Cinq méditations sur la beauté

La cosmologie chinoise est fondée sur l’idée du Souffle, à la fois matière et esprit. À partir de cette idée du Souffle, les premiers penseurs ont avancé une conception unitaire et organique de l’univers vivant où tout se relie et se tient. Le Souffle primordial assurant l’unité originelle continue à animer tous les êtres, les reliant en un gigantesque réseau d’entrecroisements et d’engendrement appelé le Tao, la Voie. Au sein de la Voie, la nature du Souffle et son rythme sont ternaires, en ce sens que le Souffle primordial se divise en trois types de souffles qui agissent concomitamment : le souffle Yin, le souffle Yang et le souffle du Vide médian. Entre le Yang, puissance active, et le Yin, douceur réceptive, le souffle du Vide médian — qui tire son pouvoir du Vide originel — a le don de les entraîner dans l’interaction positive, cela en vue d’une transformation mutuelle, bénéfique pour l’un et pour l’autre. Dans cette optique, ce qui se passe entre les entités vivantes est aussi important que les entités mêmes. (Cette intuition si ancienne rejoint la pensée d’un philosophe du xxe siècle : Martin Buber.) Le Vide prend ici un sens positif, parce qu’il est lié au Souffle ; le Vide est le lieu où circule et se régénère le Souffle. Tous les vivants sont habités par ces Souffles ; chacun est cependant marqué par un pôle plus déterminant du Yin ou du Yang. Citons, comme exemples, les grandes entités formant couples : Soleil-Lune, Ciel-Terre, Montagne-Eau, Masculin-Féminin, etc. En correspondance avec cette vision taoïste, la pensée confucéenne, comme nous l’avons vu plus haut, est elle aussi ternaire. La triade Ciel-Terre-Homme affirme le rôle spirituel que l’homme doit jouer au sein du cosmos. Cette conception cosmologique fondée sur le Souffle-Esprit entraîne notamment trois conséquences concernant notre manière d’appréhender le mouvement de la vie. Première conséquence : à cause de la nature dynamique du Tao, et surtout de l’action du Souffle qui assure, depuis l’origine, et de façon continue, le processus qui va du non-être vers l’être — ou plus précisément, en chinois, du wu « il n’y a pas » vers le you « il y a » le mouvement de la vie et notre participation à ce mouvement sont toujours un permanent et mutuel jaillissement, comme au commencement. Autrement dit, le mouvement de la vie est perçu à chaque instant plutôt comme un avènement ou un « rebondissement » que comme une plate répétition du même. Pour illustrer cette forme de compréhension, nous pouvons citer comme exemples deux pratiques qui ont traversé le temps et qui demeurent vivaces : le taijiquan et la calligraphie. »

François Cheng (Nanchang, 30 augustus 1929)
Cover Engelse uitgave

 

De Engelse schrijfster Mary Wollstonecraft Shelley werd geboren op 30 augustus 1797 in Somers Town, London. Zie ook alle tags voor Mary Wollstonecraft Shelley op dit blog.

Uit: Frankenstein

« La cosmologie chinoise est fondée sur l’idée du Souffle, à la fois matière et esprit. À partir de cette idée du Souffle, les premiers penseurs ont avancé une conception unitaire et organique de l’univers vivant où tout se relie et se tient. Le Souffle primordial assurant l’unité originelle continue à animer tous les êtres, les reliant en un gigantesque réseau d’entrecroisements et d’engendrement appelé le Tao, la Voie. Au sein de la Voie, la nature du Souffle et son rythme sont ternaires, en ce sens que le Souffle primordial se divise en trois types de souffles qui agissent concomitamment : le souffle Yin, le souffle Yang et le souffle du Vide médian. Entre le Yang, puissance active, et le Yin, douceur réceptive, le souffle du Vide médian — qui tire son pouvoir du Vide originel — a le don de les entraîner dans l’interaction positive, cela en vue d’une transformation mutuelle, bénéfique pour l’un et pour l’autre. Dans cette optique, ce qui se passe entre les entités vivantes est aussi important que les entités mêmes. (Cette intuition si ancienne rejoint la pensée d’un philosophe du xxe siècle : Martin Buber.) Le Vide prend ici un sens positif, parce qu’il est lié au Souffle ; le Vide est le lieu où circule et se régénère le Souffle. Tous les vivants sont habités par ces Souffles ; chacun est cependant marqué par un pôle plus déterminant du Yin ou du Yang. Citons, comme exemples, les grandes entités formant couples : Soleil-Lune, Ciel-Terre, Montagne-Eau, Masculin-Féminin, etc. En correspondance avec cette vision taoïste, la pensée confucéenne, comme nous l’avons vu plus haut, est elle aussi ternaire. La triade Ciel-Terre-Homme affirme le rôle spirituel que l’homme doit jouer au sein du cosmos. Cette conception cosmologique fondée sur le Souffle-Esprit entraîne notamment trois conséquences concernant notre manière d’appréhender le mouvement de la vie. Première conséquence : à cause de la nature dynamique du Tao, et surtout de l’action du Souffle qui assure, depuis l’origine, et de façon continue, le processus qui va du non-être vers l’être — ou plus précisément, en chinois, du wu « il n’y a pas » vers le you « il y a » le mouvement de la vie et notre participation à ce mouvement sont toujours un permanent et mutuel jaillissement, comme au commencement. Autrement dit, le mouvement de la vie est perçu à chaque instant plutôt comme un avènement ou un « rebondissement » que comme une plate répétition du même. Pour illustrer cette forme de compréhension, nous pouvons citer comme exemples deux pratiques qui ont traversé le temps et qui demeurent vivaces : le taijiquan et la calligraphie. »

Mary Shelley (30 augustus 1797 – 1 februari 1851)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e augustus ook mijn blog van 30 augustus 2017 en ook mijn blog van 30 augustus 2016.

I’m In Love (Alexander Rybak)

Dolce far niente

….sieben Rosen später

 

Uit: No Boundaries

I DO NOT OWN ANYTHING

I’m In Love

No matter what they say, now I’m in love
I do it my way, ‘cause I’m in love
And I can’t keep that song out of my mind
Playing that silly tune, all the time.

I’m in love. No matter what they say,
I don’t care I do it any way, anywhere
I found this little song, on my own
She said that I’m a genius, I’m in love.

My friends said that I’ve gone crazy, I’m just fine
My neighbours stare at me, never mind
‘Cause all they tell is sweetness, of her smile
My supersonic girl, I’m in love.

No matter what they say, now I’m in love
I do it my way, ‘cause I’m in love
And I can’t keep that song out of my mind
Playing that silly tune, all of the time.

I’m in love.

No matter what they say, I don’t care
I do it any way, anywhere
I found this little song, on my own
She said that I’m a genius, I’m in love.

My friends said that I’ve gone crazy, I’m just fine
My neighbours stare at me, never mind
‘Cause all they tell is sweetness, of her smile
My supersonic girl, I’m in love.

No matter what they say, now I’m in love
I do it my way, ‘cause I’m in love
And I can’t keep that song out of my mind
Playing that silly tune, all of the time.

I’m in love.

My friends said that I’ve gone crazy, I’m just fine
My neighbours stare at me, never mind
‘Cause all they tell is sweetness, of her smile
My supersonic girl, I’m in love.

 

Alexander Rybak (Minsk, 13 mei 1986)
In 2012

 

Zie voor de schrijvers van de 29e augustus ook mijn blog van 29 augustus 2018 en eveneens mijn blog van 29 augustus 2017 en ook mijn blog van 29 augustus 2016 en ook mijn blog van 29 augustus 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Sommer (Johann Wolfgang von Goethe), Dolce far niente

Dolce far niente

 

Sommer auf dem Land door Ernst Huber, ca. 1945


Sommer

Der Sommer folgt. Es wachsen Tag und Hitze,
und von den Auen dränget uns die Glut;
doch dort am Wasserfall, am Felsensitze
erquickt ein Trunk, erfrischt ein Wort das Blut.

Der Donner rollt, schon kreuzen sich die Blitze,
die Höhle wölbt sich auf zur sichern Hut,
dem Tosen nach kracht schnell ein knatternd Schmettern;
doch Liebe lächelt unter Sturm und Wettern.

Johann Wolfgang von Goethe (28 augustus 1749 – 22 maart 1832)
Zomer in Frankfurt am Main, de geboorteplaats van Goethe


De Duitse dichter en schrijver Johann Wolfgang von Goethe werd geboren op 28 augustus 1749 in Frankfurt am Main. Zie ook alle tags voor Johann Wolfgang von Goethe op dit blog.

Uit: Faust I

In einem hochgewölbten, engen gotischen Zimmer Faust, unruhig auf seinem Sessel am Pulte.

Faust:

Habe nun, ach! Philosophie,
Juristerei und Medizin,
Und leider auch Theologie
Durchaus studiert, mit heißem Bemühn.
Da steh ich nun, ich armer Tor!
Und bin so klug als wie zuvor;
Heiße Magister, heiße Doktor gar
Und ziehe schon an die zehen Jahr
Herauf, herab und quer und krumm
Meine Schüler an der Nase herum –
Und sehe, daß wir nichts wissen können!
Das will mir schier das Herz verbrennen.
Zwar bin ich gescheiter als all die Laffen,
Doktoren, Magister, Schreiber und Pfaffen;
Mich plagen keine Skrupel noch Zweifel,
Fürchte mich weder vor Hölle noch Teufel –
Dafür ist mir auch alle Freud entrissen,
Bilde mir nicht ein, was Rechts zu wissen,
Bilde mir nicht ein, ich könnte was lehren,
Die Menschen zu bessern und zu bekehren.
Auch hab ich weder Gut noch Geld,
Noch Ehr und Herrlichkeit der Welt;
Es möchte kein Hund so länger leben!
Drum hab ich mich der Magie ergeben,
Ob mir durch Geistes Kraft und Mund
Nicht manch Geheimnis würde kund;
Daß ich nicht mehr mit saurem Schweiß
Zu sagen brauche, was ich nicht weiß;
Daß ich erkenne, was die Welt
Im Innersten zusammenhält,
Schau alle Wirkenskraft und Samen,
Und tu nicht mehr in Worten kramen.

O sähst du, voller Mondenschein,
Zum letzenmal auf meine Pein,
Den ich so manche Mitternacht
An diesem Pult herangewacht:
Dann über Büchern und Papier,
Trübsel’ger Freund, erschienst du mir!
Ach! könnt ich doch auf Bergeshöhn
In deinem lieben Lichte gehn,
Um Bergeshöhle mit Geistern schweben,
Auf Wiesen in deinem Dämmer weben,
Von allem Wissensqualm entladen,
In deinem Tau gesund mich baden!

Weh! steck ich in dem Kerker noch?
Verfluchtes dumpfes Mauerloch,
Wo selbst das liebe Himmelslicht
Trüb durch gemalte Scheiben bricht!
Beschränkt mit diesem Bücherhauf,
den Würme nagen, Staub bedeckt,
Den bis ans hohe Gewölb hinauf
Ein angeraucht Papier umsteckt;
Mit Gläsern, Büchsen rings umstellt,
Mit Instrumenten vollgepfropft,
Urväter Hausrat drein gestopft –
Das ist deine Welt! das heißt eine Welt!

Johann Wolfgang von Goethe (28 augustus 1749 – 22 maart 1832)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e augustus ook mijn blog van 28 augustus 2018 en ook mijn blog van 28 augustus 2016 deel 2.

Dolce far niente, Christa Kluge, Tom Lanoye, Kristien Hemmerechts, Paul Verhuyck

Dolce far niente

 

All Summer In A Day door Peter Graham, 2015


Sommerhitze

Des Mittags Hitze lastet schwer
und drückend auf den reifen Früchten.
Doch ohne Gnade strahlt die Sonne,
kein Lebewesen regt sich mehr.

Kein Wölkchen ist bis jetzt zu sehen
am Himmel, der wie blaue Seide.
Erschöpft und wie in tiefem Schlafe
die Rosen kaum noch aufrecht stehen.

Die Luft, vor Glut scheint sie zu flimmern,
ein leiser Windhauch lässt sie zittern.
Und auf des Daches dunklen Ziegeln
Millionen Sonnenstrahlen schimmern.

Kein Vogel singt sein frohes Lied,
von Blatt zu Blatt kein Falter taumelt,
der Nachbarshund, er schlummert fest,
auch keine Biene jetzt sich müht.

Der Gärtner selbst, in heit’rem Traum
ruht er von seiner Arbeit aus.
Doch – plumps – da fällt mit lautem Knall
auf ihn ein Apfel jäh vom Baum.

 

Christa Kluge (1941)
Naumburg, gedurende lange tijd de woonplaats van Christa Kluge


De Belgische dichter, schrijver en vertaler Tom Lanoye werd geboren te Sint-Niklaas op 27 augustus 1958. Zie ook alle tags voor Tom Lanoye op dit blog.

Uit: Sprakeloos

“Het kleine moederland verzilverde het allemaal, dubbel en dik zelfs, dankzij zijn eeuwenoude troef. Zijn ligging in het klokhuis van Europa, pal op de kruisende lijnen van Londen naar Berlijn en van Parijs naar Rotterdam.
Veel beter kun je niet liggen in Europa, tenzij wanneer het oorlog wordt.
Maar spijts zijn beginnende burgerluchtvaart — opererend in wit en blauw, omdat zijn nationale kleuren te veel geleken op die van Duitsland — en spijts zijn dichte spoorwegnet met robuuste locomotieven van eigen makelij, spijts ook de doorbaak van een vaderlandse superbolide, de Minerva, ‘de Rolls-Royce van het Vasteland’, spijts dat alles en veel meer, deed het Belgisch interbellum buiten de hoofdstad — ‘Bruxelles? Petit Paris!’ — en, komaan, ook buiten Antwerpen en Luik natuurlijk, en allez vooruit: ook buiten Gent en Bergen, en uiteraard ja: ook buiten Charleroi — enfin, samengevat: in de provincie en op de boerenbuiten deed het Belgisch interbellum nog altijd een beetje terugdenken aan de belle époque. Maar dan zonder de koetsen en de paardentrams, en in kleren die gemakkelijker zaten en waaraan, boven de gordel dan toch, al eens een knop mocht blijven openstaan.
Evengoed werd van een vrouw die rookte op straat nog altijd schande gesproken, evengoed bleven de overal opduikende danszalen bestemd voor werkvolk en crapuul, evengoed stonden de priester-leraars aan de ingang van de steeds populairdere cinema’s de namen te noteren van bezoekende leerlingen, die de dag daarna zonder pardon veranderden in ex-leerlingen. En evengoed was het niet vanzelfsprekend dat een stichtelijk opgevoede jongedame uit het Waasland in haar eentje de wereld begon af te reizen terwijl ze niet eens missiezuster wilde worden, maar gewoon op cursus ging, ter Vervolmaking dan nog, tot ver over het Kanaal.
Dat kon met recht en reden curieus worden genoemd, het meiske zelf mocht nog zo bij de pinken zijn, nog zo koket, nog zo goed van de tongriem gesneden, in drie talen alstublieft. Maar zelfs dat van die drie talen? Dat had ze van jongs af aan zelf zo gewild en zo bepleit, bij ieder die daarover zijn toestemming te geven had, en bij een boel anderen die er helemaal niets over in de pap te brokken hadden. Als ze maar kon pleiten. ‘Het liefst van al,’ zou ze heel haar leven benadrukken, meestal achter haar slagerstoonbank vandaan, en met altijd iets van spijt, ‘het liefst van al was ik advocaat geworden aan de balie. Maar ik wilde kinderen. Dat ging voor. De mens moet leren kiezen in zijn leven.’
Ewel, wie weet? Misschien had ze op een goede dag ook uit zichzelf ervoor gekozen om zo knap en elegant te worden? En was dat vervolgens ook geschied?
Het zou weinigen verbaasd hebben. ‘Als ons Joséeke zich iets voorneemt?’ Dat kon je haar elf broers en zussen meer dan eens te berde horen brengen, niet zelden zuchtend, op nieuwjaarsfeesten en huwelijkspartijen, vlak voor, of nog lang na, het uitbarsten van alweer een familiedispuut dat jaren aan kon slepen. Al dient gezegd dat de Verbeken zich bij markante familiemomenten nooit lieten kennen als kleinzielig of kleinzerig. Ze verschenen zonder mankeren opnieuw op het appel, tegen hun goesting of juist in weergevonden harmonie, hoe dan ook: hier zaten ze weer, herenigd op elkaars lip, in hun gebruikelijke kakofonie van harde architectenstemmen, knarsende metsersmoppen en vloekend kaarterslatijn

Tom Lanoye (Sint-Niklaas, 27 augustus 1958)


De Belgische schrijfster Kristien Hemmerechts werd geboren in Brussel op 27 augustus 1955. Zie ook alle tags voor Kristien Hemmerechts op dit blog.

Uit: Alles verandert

“Ze heeft zin om het tegen het portret van Freud te knallen. Knusjes hangt het tussen vader en grootvader Wouters in, alle drie in donkere tinten uitgevoerd, en in olieverf. Hij stelt zijn vaste vraag: of ze afgelopen week iets moois heeft gezien? Als er geen antwoord komt, loopt hij naar de mahoniehouten kast, kiest de dildo van Muranoglas. Ooit heeft ze hem toevertrouwd die het lekkerst te vinden, lekkerder zelfs dan de ivoren uit Japan, die een tijdlang ‘haar’ dildo was. Ze beeldde zich in dat de dokter een geisha was, zij zijn steenrijke klant. ‘En dat windt je op?’ — ‘Ja, dat windt me op.’ Daarna had hij haar de Murano leren kennen, door opa Wouters op Capri van een oude homo gekocht. Die had de dildo laten maken voor zijn vrouw, met wie hij een verstandshuwelijk gesloten had om zijn familie te paaien. Het echtpaar noemde de dildo `il toro di vetro’ en bewaarde hem in een nis waar ooit een Mariabeeld had gestaan. De echtgenote was overleden, de weduwnaar zat in geldnood, en dus werd de toro op de markt gegooid. Langer dan de Japanner moet dokter Wouters hem opwarmen in zijn vuist en hij moet hem met olie behandelen. Haar moet hij eerst natter laten worden, maar eenmaal in haar past hij zo perfect als Assepoesters voetje in het muiltje van glas. Hoe razend ze ook op de dokter is, haar kutje begint al te kwijlen. Hongerig, gulzig beest. Hij dempt het licht, zet de muziek iets luider, nodigt haar uit te gaan liggen. Alles verloopt zoals altijd, maar koeler, professioneler, alsof ze vreemden voor elkaar zijn geworden. Ze is een nummer, een van de vele vrouwen die hem voor een efficiënte behandeling 5o euro betalen, en die hij een getuigschrift overhandigt waarmee ze van het ziekenfonds 33 euro krijgen terugbetaald. Wat een luxe! Wat een land! Zodra de sessie is afgelopen, stapt ze van de onderzoekstafel. Ze trekt haar laarsjes aan, legt een briefje van vijftig op zijn bureau, pakt haar jas en tas. Bij de deur draait ze zich om. Dag’, zegt ze. ‘Dag’, zegt hij over zijn schouder. Op straat beseft ze dat ze het getuigschrift vergeten is, het allerlaatste getuigschrift uit zijn dokterscarrière, eentje om in te lijsten. Met snelle passen loopt ze terug, drukt op de bel bij de ingang voor patiënten, wacht, drukt opnieuw, wacht tevergeefs. Dan richt ze haar aandacht op de deur voor de bewoners. Er hangt geen bel, wel een codeslot. Hij slaat op de vlucht, denkt ze. Hij is bang voor wat er tussen ons is gegroeid. Het was er meteen, vanaf het allereerste moment. `Je hoeft je niet uit te kleden’, had hij met zijn diepe, vaderlijke stem gezegd. ‘Ik kan erbij.’ Alsof hij wist dat ze kousen droeg, en geen panty. Natuurlijk wist hij dat.”

Kristien Hemmerechts (Brussel, 27 augustus 1955)

 

De Vlaamse schrijver Paul Verhuyck werd op 27 augustus 1940 in Antwerpen geboren. Zie ook alle tags voor Paul Verhuyck op dit blog.

Uit: Inmiddels op aarde

“Waren we halve elfen? Interessant, vond Stijn, maar dat klankspel geldt alleen in onze taal, en is dus onvertaalbaar, want elke taal heeft zijn eigen metaforen, andere kruisverbanden voor afwijkende gewrichten. Stijn zou daar later zijn proefschrift over schrijven, Het vertalen van onvertaalbaarheden. Kobus wees erop dat elf ook het getal was van de zotten bij de carnavalsviering, de Raad van Elf, maar om ons nou de Elf Zotten te noemen, daar hadden we net niet genoeg zelfspot voor. Neen, we kozen voor de Elf Zonen van Kafka, dat klonk mooi en somber en als puber moest je levensmoeheid uitstralen. Een verveelde blik, sigaret in de mondhoek, een rebels air van onbemindheid. Kafka was toen al in de mode, hoewel hij in de lessen nog niet vermeld werd. Hij heerste over de buitenschoolse tegencultuur. Kafka s verhaal over de elf zonen was niet erg bekend, dat vonden we een voordeel. We dachten dat alleen wij het kenden. Het is een heel kort verhaal. De vader is aan het woord en begint met de zin Ik heb elf zonen, daarna bespreekt hij elke zoon in een korte, kritische alinea om te eindigen met de laconieke zin dat zijn de elf zonen. Hij somt ze op, hij geeft ze niet eens een naam, hij vindt ze niet geweldig. Maar de elf zonen en wij, dat was problematischer. Dagenlang hebben we bij elke zoon een passende klasgenoot gezocht. Dat lukte niet goed, hoe we ook schoven met de mogelijkheden tot we de tekst bijna uit ons hoofd kenden. We goochelden met genummerde rechthoekjes van gekleurd karton, links de rode voor de elf zonen van Kafka, rechts de groene voor ons, maar hoe we ook schoven en wisselden, we kwamen er niet uit. De kartonnetjes, die Alexander uit het kelderlokaal van Handenarbeid had gepikt, wilden geen verstandshuwelijk aangaan, zelfs geen afspraakje, hoezeer we onze vermeende eigenschappen ook vervalsten. Hadden we wel goed gekozen? Waren we wel de elf zonen van Kafka? Kennelijk niet. Toch bleven we ons stug zo noemen, misschien wel een paar maanden lang, tot de fictie in april 58 een stille dood stierf. Daar is nog een foto van, een klassenfoto.
De klassenfoto werd gemaakt toen we net geen zonen van Kafka meer waren. Die foto is een van de zeldzame documenten die bewijzen dat onze eindexamenklas ooit echt bestaan heeft, hetgeen met de jaren minder evident wordt. Verder zijn er ook de palmaressen geweest, gestencilde, geniete boekjes met de uitslagen die aan het eind van elk schooljaar ongevraagd werden uitgedeeld. De palmares: letterlijk de lijst van de uitgedeelde palmen. Palmen van lauwerblad. Daarin kon je zien wie de eerste van de klas was, wie de tweede, wie de laatste, wie bleef zitten of een herexamen had; we leken roedels wolven met alfa-, bèta- en omegadieren.”

Paul Verhuyck (Antwerpen, 27 augustus 1940)
In 1996

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e augustus ook mijn blog van 27 augustus 2018 en ook mijn blog van 27 augustus 2017 deel 1 en eveneens deel 2.

Summertime (George Gershwin, Dubose Heyward

Dolce far niente – augustus

 

Summertime door Alfons Niex, 2012.


Summertime

Summertime
And the living is easy
Fish are jumpin’
And the cotton is high

Oh, your daddy’s rich
And your mama’s good lookin’
So hush little baby now
don’t you cry

One of these mornin’s
You’re gonna rise up singin’
Then you’ll spread your wings
And take to the sky

But til that mornin’
Ain’t nothin’ can harm you
With your daddy
And your mammy
standin’ by.

 

George Gershwin en Dubose Heyward, Porgy and Bess 
Scene uit Porgy and Bess 

 

Zie voor de schrijvers van de 26e augustus ook mijn blog van 26 augustus 2018 deel 1 en eveneens deel 2 en ook deel 3.

Dolce far niente – The Narrow Door (Fannie Stearns Davis)

Dolce far niente –  Bij de 21e zondag door het jaar

 

The Narrow Door door Anthony Falbo, 2014


The Narrow Doors

The Wide Door into Sorrow
Stands open night and day.
With head held high and dancing feet
I pass it on my way.

I never tread within it,
I never turn to see
The Wide Door into Sorrow.
It cannot frighten me.

The Narrow Doors to Sorrow
Are secret, still, and low:
Swift tongues of dusk that spoil the sun
Before I even know.

My dancing feet are frozen.
I stare. I can but see.
The Narrow Doors to Sorrow
They stop the heart in me.

Oh, stranger than my midnights
Of loneliness and strife
The Doors that let the dark leap in
Across my sunny life!

Fannie Stearns Davis (30 april 1877 – 15 februari 1930)
Cover

 

Zie voor de schrijvers van de 25e augustus ook mijn blog van 25 augustus 2018.