Alex Boogers, Lieve Joris, Allard Schröder, John van Ierland, Susanne Röckel, Peter O. Chotjewitz, Harriet Beecher Stowe, Hermann Kant, Thomas Graftdijk

De Nederlandse schrijver Alex Boogers werd geboren op 14 juni 1970 in Vlaardingen. Zie ook alle tags voor Alex Boogers op dit blog.

Uit:Onder een hemel van sproeten

“Het begon met een afwijzing.
Ik lag bij mijn moeder op haar borst, na een bevalling van drie-entwintig uur. De verloskundige had haar met een opgeluchte en vreugdevolle blik aangekeken, maar het was mijn vader die als eerste sprak: ‘Dat gedrocht is niet van mij.’ Daarna verliet hij de kraamkamer.
Ik was te groot en te zwart, zei mama, en ik had geen karakteristieke familietrekken die mijn vader kon herkennen. Hij was lichtgekleurd, verfijnd, pezig, en hoewel mama donkerder was dan hij, was ook zij slank, met de armen en benen van een balletdanseres, en een hoog, rimpelloos voorhoofd, zoals Nefertiti, de koningin van het oude Egypte.
‘Papa was vooral bang,’ zei mama. In de jaren daarna gaf hij mij veel namen, maar nooit die van zoon, en ook noemde hij mij niet bij mijn echte naam. Mama zegt dat ik me dit onmogelijk kan herinneren, maar dat ligt eraan, denk ik. Als iemand hard en lang genoeg iets bij je naar binnen ramt, laat dat een litteken na, een stempel, een afdruk. Hoewel je niet meer precies weet hoe je eraan bent gekomen, blijft het weefsel hard, stug en weinig elastisch. Het gevoel dat je had toen je het litteken kreeg zit in het weefsel opgesloten, en dat blijft bij je. Dat voel je. Je kunt het lezen, als braille.
Je geeft het gevoel door aan je kinderen. Het wordt een erfenis, zoals de striemen op de ruggen van onze voorouders. Je wordt er elk moment weer aan herinnerd. Mama zei: ‘Je bent mijn knappe
jongen.’
Mama geloofde dat ik voorbestemd was om grootse daden te verrichten, maar mijn vader wilde er niets van weten. ‘De grootse daden in deze buurt bestaan uit moord, diefstal en ongewenste
zwangerschappen. We passen er perfect tussen.’
We woonden in een lange, fantasieloze straat met grofvuil dat elke week tegen de lantarenpalen voor onze flat werd gezet zodat de vuilniswagen het kon ophalen. Veel troep werd op straat gegooid, ook als er geen vuilniswagen langskwam. Soms werden er op de hoek van de straat verroeste fietsframes neergezet, of doorgezakte, versleten bankstellen waarvan de voering er op allerlei plekken uitstak. Die rommel werd niet meegenomen door de vuilnismannen, zodat die troep soms maanden buiten bleef staan en de kinderen uit de buurt ermee gingen spelen.”

Alex Boogers (Vlaardingen, 14 juni 1970)


De Vlaamse schrijfster Lieve Joris werd geboren op 14 juni 1953 in Neerpelt. Zie ook alle tags voor Lieve Joris op dit blog.

Uit: Terug naar Neerpelt

“Mijn vader belt. Hij heeft van zichzelf al een doodgraversstem, maar nu klinkt die extra somber. Onze Fonny heeft een accident gehad. Eergisternacht, op zijn verjaardag. Hij ligt in coma op de intensieve.
‘Weten de anderen het al?’
‘Ja, ja, behalve ons Nicole. En Hildeke – die hoeft het nog niet te weten.’
Op de weg van Hasselt naar Tongeren is Fonny’s auto tegen een boom gevlogen en twee keer over de kop gegaan. Fonny was onder invloed, natuurlijk, maar dat vertelt mijn vader er niet bij.
‘Hier is ma,’ kan hij nog net uitbrengen voor zij hem de hoorn uit de hand grist. Fonny zag er zo goed uit die ochtend. Wel had ze ruzie met hem gemaakt. Toen het ziekenhuis belde, hoopte ze dat hij dood zou zijn, maar inmiddels wil ze dat hij erdoor komt. Als hij invalide wordt, zal ze tot het einde van haar leven voor hem zorgen. ‘Ik ben zo sterk als een paard,’ zegt ze, met een snik in haar stem. ‘Ik werk, ik jank en ik bid tot mijne God.’
Dan is ze weer weg.
‘De verpleegsters hebben Fonny’s bebloede hemd meegegeven,’ vervolgt papa, een beetje geheimzinnig, ‘dat is ze in de bergplaats aan het wassen, in een emmer. Haar tranen druppen in het water – net een mater dolorosa.’
Niet alleen met mama, ook met zijn vriendin Annie heeft Fonny op zijn verjaardag onenigheid gehad. Hij heeft een ruit van haar appartement ingegooid en kwam ’s nachts om halftwaalf thuis aan: of papa zijn bed bij Annie wilde weghalen. Onze pa, welja, een gepensioneerde belastingontvanger van bijna zeventig jaar.”

Lieve Joris (Neerpelt, 14 juni 1953)
Cover achterkant

 

De Nederlandse dichter en schrijver Allard Schröder werd geboren in Haren op 14 juni 1946. Zie ook alle tags voor Allard Schröder op dit blog.

Supermarktgedicht

Eindeloze rijen bonen in blik daar blinkend staan,
waar traag het karretje langs de schappen rijdt
waar cornflakes, bruine suiker, sudderlappen
tot aan wollig witbrood en de doodvermoeide moeder;
haar handen bij de fijne vleeswaren op de tast, aan de rok
het voorgebakken jengelkind met korting wegens misgebakken –
en zij, voor haar meeëters verbeten leeftocht zoekend…
Waar een blonde pracht de zachte merken kiest, fel nog
haar leven vol hooggehakte, glansgelakte lichte plekken
en ’s ochtends snel de blanke yoghurt uitgelepeld,
dan werkwaarts, het fris selderijhart vol klare zouten,
de dood woont nog in het gootsteenkastje bij de oude spons…
Waar de zot bij ontbijtkoek te tobben staat
– intussen zijn onbegrijpelijk leven overwegend –
hij vraagt me de prijs – godsallejezus de prijs met die zware stem
alsof een ander uit hem spreekt: ‘Wat kost ontbijtkoek?’
Een blauwe engel in stofjas wordt hem gewezen,
eens ijzige godin der lege flessen, thans inquisiteur
van een zot bij koek die hij nooit betalen kan…
Waar de oude dame met porseleinen hand vanillevla inlaadt.
Spoedig zal ze sterven, al kan vanillevla barmhartig zijn.
Wie weet dat niet? ‘Wat kost ontbijtkoek?’
Waarom weet je dat niet? ‘Wil jij hem voor me kopen?’
Zal de zot tot de kassa naast me lopen
als een zoon, de hand aan de kar, de blik op koek…
Waar een donker voorbijgaand wicht naar abrikozen ruikt.
Ineens verlang ik naar vanillevla met haar,
maar alles heeft zijn loop al, zacht soezend in mijn kar –
louter geborgenheid van aardappels en het wijs besluit
van de scharrelmens te midden van frambozen bessen.
Daarnaast de zot, de goede zotzoon met zijn koek,
wachtend bij de kassa-engel, tot er voor hem wordt afgerekend.
Zegels.

 

Het is tijd

Het is tijd de dieren te vertellen wie we zijn;
voorzichtig, hun huid niet aanraken en geduld bewaren.
Aan woorden zijn ze niet gewend.
We zullen onze schoenen voor hen uittrekken
en het bittere van onze geur verbergen,
een beetje buigen als het zover is.
Een menuet dansen – een menuet is het beste –
bijna geruisloos, zonder hen
aan te kijken – vooral dat niet.
We zullen dansen in stilte, dat doet hen goed.
Dan samen voorzichtig een krant beginnen
eerst maar zonder woorden.
Daarna nog altijd sprakeloos tegenover elkaar zitten.
Blikken van elkaar wegdraaien.
Wanneer komt het ruimteschip?

Allard Schröder (Haren,14 juni 1946)


De Nederlandse schrijver en uitgever John van Ierland werd op 14 juni 1964 geboren in Breda. Zie ook alle tags voor John van Ierland op dit blog.

Uit: Kasseien

“Dat verstaan wij Jordanezen niet.”
Het was de gevleugelde uitspraak die steevast als repliek diende wanneer de kinderen weer eens vroegen om de brug over te steken.
“Ze benne d’r heel anders dan wij, we kunnen er niet aarden.”
De hele familie Mulder hield heel lang vast aan de eigen vertrouwde Jordaan, daar hadden ze meer dan genoeg aan. Het was het meest kostbare bezit van hun leven. Ze wisten niet beter. Ondanks de betrekkelijke armoede, het harde werken om het hoofd boven het water van de omliggende grachten te houden, kwam het bij hen niet op dat ze wellicht geluk konden vinden op de oevers van de onbekende wereld van de overkant. Nu is die wereld niet meer zo onbekend, niet zo gevaarlijk en is iedereen er goed te verstaan. Zijn broers en zussen hebben de stap al gemaakt, zij zijn al vele malen de brug overgegaan. Maar Freek, de oudste van de kinderen, bevindt zich nog in de ongewisse schemerzone. Hij weet nog niet goed wat hij aan moet met de vooruitgang. Links ligt volgens hem alles wat zich buiten de grachten bevindt, hij noemt het de vernieuwing, en rechts ligt de warme geborgenheid van zijn Jordaan.
Tegen het vallen van de avond is hij vaak te vinden aan de kanten van een gracht, de Prinsengracht is daarbij veruit zijn favoriete stek. Met zijn benen bungelend over de rand loopt hij in gedachten van links naar rechts. Hij wil heel graag vooruit, zich verbeteren, maar de Jordaan ligt hem erg na aan het hart. Voor de wal liggen schepen in het roetzwarte grachtenwater. Volgens hem lijken ze op donkere beesten met een gekleurd vachtje dat rul oogt. In de schemering ziet hij er gele lichtjes glimmen in de volgens hem knusse kajuitjes. De schepen deinen op het Amsterdamse water dat zachtjes stroomt tussen de gemetselde walmuren. Hij vangt met zijn neus, lichtjes tegen de wind ingedraaid, de rook op van grijze turfsmook die her en der opdwarrelt uit de roestige pijpen. Hij is gewend aan de geluiden van het dorp in de stad, van het ratelen van de karren, het brullen van de motoren van de auto’s en het slaan van de klokken van de Noorderkerk. Ondanks die gewenning kijkt hij door de galm van het stevige bronzen geluid toch weer om naar het imposante gebouw. Hij ziet het silhouet van de na zeven slagen weer zwijgende kerk dat opdonkert tegen de loodgrauwe lucht. Een torentje met een parmantige koperen windhaan, een grijsblauw leiendak boven een samenstel van nissen en schaduwhoeken die zachtjesaan qua vorm vervagen door de invallende duisternis”.

John van Ierland (Breda, 14 juni 1964)

 

De Duitse schrijfster en vertaalster Susanne Röckel werd geboren op 14 juni 1953 in Darmstadt. Zie ook alle tags voor Susanne Röckel op dit blog.

Uit: Der Vogelgott

„… Es war, wie mir bald klar wurde, jene sagenhafte Gegend, von der ich bei den Großen meines Fachs schon so viel gelesen hatte. Während die ramponierte Lok in irgendein Depot geschleppt
wurde, erhielt ich mehrere Angebote ortsansässiger Taxifahrer mit Schnauzbärten und schmutzigen Gummistiefeln, die wünschten, mich über die kurvigen und schlaglochreichen Bergstraßen zum nächsten Bahnhof zu fahren, doch nach einem Blick gen Himmel, der ungewöhnlich hell und rein zu werden versprach, beschloss ich, an Ort und Stelle zu bleiben und mir in dem Dorf Z., das mir gezeigt wurde – wie es unregelmäßig und schief zwischen den Felszacken hing, ähnelte es dem Brutplatz eines Wanderfalken –, eine Unterkunft zu suchen.
Der Weg schlängelte sich zwischen Wiesen, Wäldchen und Äckern in sanfter Steigung aufwärts. Auf den ersten Blick war mir die Landschaft malerisch erschienen, doch während ich mit meinem schweren Gepäck voranrückte, bemerkte ich, dass mir die Erinnerung an die gelesenen Bücher den Blick getrübt hatte. Pechstein und von Boettiger hatten vom abwechslungsreichen Anblick der bestellten Felder geschwärmt, von grünen Hügeln, sprudelnden Quellen, reizenden Hainen, von der erhabenen Silhouette der Felsenberge am Horizont. Droste hatte – besonders diese Stelle seiner Lustreisen eines Vogelnarren war mir im Gedächtnis geblieben – den melodiösen Gesang der fleißigen Bäuerinnen beschrieben, der sich mit dem frommen Jubel der Lerchen mischt. Ich fand nichts von alldem.
Neben dem monotonen Grillengezirp ließen sich weder menschliche noch Vogelstimmen hören, und die Felder wurden offenbar schon seit Jahren nicht mehr bestellt. Ich sah die Reste von Zäunen, Heuschobern, Unterständen für Tiere und ähnliche Anzeichen ehemaliger landwirtschaftlicher Tätigkeit, doch waren sie sämtlich bis zum Boden eingesunken und von Disteln, Quecken, Brennnesseln überwuchert. Ein einst schmuckes Bienenhaus mit farbig gestrichenen Anflugbrettern
hatte man offenbar zu zerstören und in Brand zu setzen versucht; die herausgerissenen Kästen steckten halb vermodert in der Erde.“

Susanne Röckel (Darmstadt, 14 juni 1953)


De Duitse schrijver, vertaler en jurist Peter O. Chotjewitz werd geboren op 14 juni 1934 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Peter O. Chotjewitz op dit blog.

Uit: Mein Freund Klaus

„Es war so. Eines Tages hatten die zwei Geschäftsfrauen den Plan, Klaus und Linde zu verkuppeln.
Man warf sich also in Schale, stieg ins Auto und fuhr los.
In dem üblichen Ausflugslokal angekommen, gingen die zwei Alten ein wenig auf und ab, während die zwei Jungen auf Vorschlag der zwei Alten einen Spaziergang absolvierten.
»Nun und, wie war’s?« drängele ich.
»Es war schrecklich«, gesteht Linde.
»Der reife, ältere Student aus der Großstadt Heidelberg und das dumme junge Gänschen aus dem Frankenland. Ich war hoffnungslos overdressed.«
»Und Klaus? Wie war der?«
»Der hat bestimmt einen Anzug angehabt.«
»Einen Anzug?«
»Ja. Nehme ich an.«
»Habt Ihr’s getrieben?«
»Wo denkst du hin?«
»Hat er wenigstens gebaggert?«
»Was für ein Ausdruck. Dafür war er viel zu gebildet. Viel zu elegant.«
»Ihr habt nichts gemacht?«
»O, doch, natürlich.«
»Was?«
Nach ihrer Erinnerung hätten sie Konversation gemacht.“

Peter O. Chotjewitz (14 juni 1934 – 15 december 2010)

 

De Amerikaanse schrijfster en abolitioniste Harriet Beecher Stowe werd geboren in Litchfield, Connecticut, op 14 juni 1811. Zie ook alle tags voor Harriet Beecher Stowe op dit blog.

Uit: Uncle Tom’s Cabin

“He was waited upon over the factory, shown the machinery by George, who, in high spirits, talked so fluently, held himself so erect, looked so handsome and manly, that his master began to feel an uneasy consciousness of inferiority. What business had his slave to be marching round the country, inventing machines, and holding up his head among gentlemen? He’d soon put a stop to it. He’d take him back, and put him to hoeing and digging, and “see if he’d step about so smart.” Accordingly, the manufacturer and all hands concerned were astounded when he suddenly demanded George’s wages, and announced his intention of taking him home.
“But, Mr. Harris,” remonstrated the manufacturer, “isn’t this rather sudden?”
“What if it is?–isn’t the man _mine_?”
“We would be willing, sir, to increase the rate of compensation.”
“No object at all, sir. I don’t need to hire any of my hands out, unless I’ve a mind to.”
“But, sir, he seems peculiarly adapted to this business.”
“Dare say he may be; never was much adapted to anything that I set him about, I’ll be bound.”
“But only think of his inventing this machine,” interposed one of the workmen, rather unluckily.
“O yes! a machine for saving work, is it? He’d invent that, I’ll be bound; let a nigger alone for that, any time. They are all labor-saving machines themselves, every one of ‘em. No, he shall tramp!”
George had stood like one transfixed, at hearing his doom thus suddenly pronounced by a power that he knew was irresistible. He folded his arms, tightly pressed in his lips, but a whole volcano of bitter feelings burned in his bosom, and sent streams of fire through his veins. He breathed short, and his large dark eyes flashed like live coals; and he might have broken out into some dangerous ebullition, had not the kindly manufacturer touched him on the arm, and said, in a low tone,
“Give way, George; go with him for the present. We’ll try to help you, yet.”
The tyrant observed the whisper, and conjectured its import, though he could not hear what was said; and he inwardly strengthened himself in his determination to keep the power he possessed over his victim.
George was taken home, and put to the meanest drudgery of the farm. He had been able to repress every disrespectful word; but the flashing eye, the gloomy and troubled brow, were part of a natural language that could not be repressed,–indubitable signs, which showed too plainly that the man could not become a thing.”

Harriet Beecher Stowe (14 juni 1811 – 1 juli 1896)
Cover 


De Duitse schrijver Hermann Kant werd op 14 juni 1926 in Hamburg geboren. Zie ook alle tags voor Hermann Kant op dit blog.

Uit: Lebenslauf, zweiter Absatz

„Aus einigen der kleinen Fenster fiel sanftes gelbes Licht in den noch fast unberührten Schnee auf der Straße – es trat so ruhig und sicher durch die Scheiben, als wollte es für alle Ewigkeit weiterleuchten. Die alte Haushälterin, der ich sagte, ich sei der Elektriker, wiederholte die Berufsbezeichnung in einem Ton, der mir sogleich klarmachte, daß das in diesem Hause ein Schimpfwort war. Ich hatte Herrn Buttewegg schon öfter gesehen, darum erschrak ich nicht, als er die Stiege heruntergetrippelt kam. Er sah aus, als wollte er auch mit seiner äußeren Erscheinung deutlich machen, daß zwischen einem Fabrikanten feinsten Branntweins und einem vulgären Bierbrauer ein Unterschied weit wie der Himmel liege. Bierbrauer sind – zumindest ist das eine weitverbreitete Ansicht – in Statur und Gemüt den Pferden, die ihr Produkt vom Hof weg in die Kneipen schleppen, ähnlich, sie sind grobknochige, breitschultrige, dickwänstige Kerle, die gar nicht wissen, wohin mit all ihrer Gesundheit.
Nicht so Herr Buttewegg. Er war ein Hänfling, und ein häßlicher obendrein. Statt meinen Gruß zu erwidern, musterte er mich scharf und sagte mit einer Stimme, die irgendwer mit einer Schrotfeile bearbeitet zu haben schien: »Ihr Chef sprach von einem Spezialisten …« »Und er weiß, was er sagt«, antwortete ich. »Deliziöse Antwort«, raspelte er und schickte sich an, mir die Geschichte seiner Leiden zu erzählen. Als er das erste Mal »und dann passierte es« gesagt hatte, unterbrach ich ihn, was mir einen Blick mit einer tüchtigen Ladung Strychnin darin einbrachte. »Herr Buttewegg«, sagte ich und versuchte wie ein ergrauter Spezialist für Kurzschlüsse dreinzuschauen, »ersparen Sie mir diese Quisquilien; was Sie da mit dem wohl eher ins Medizinische greifenden Ausdruck >periodische Malaise< zu bezeichnen suchen, ist nichts weiter als ein ordinärer schleichender Kurzschluß …« Ich glaube, hätte ich ihm auf die Schulter geschlagen und »Das werden wir bald haben, Sie häßlicher kleiner Giftmischer!« gesagt, er hätte nicht geschockter aussehen können. Er trat einen Schritt zurück und eine Stufe der Treppe hinauf, um mir gerade in die Augen starren zu können, dann fragte er fast sanft: »Sie haben Bildung genossen?« »Ist das jetzt relevant?« fragte ich zurück und zog dabei die Augenbrauen so hoch, daß mir geradezu anzusehen war, welch eine piekfeine Bildung ich genossen hatte. Aus meiner Brust aber flog ein Segensspruch jenem Fleischerlehrling nach, von dem ich vor langer Zeit ein Fremdwörterbuch gegen einen alten Akku eingehandelt hatte. Das Buch war immer scharfer Konkurrent von Edgar Wallace, und wenn es mich überkam und ich daheim in der Küche mit meinen Lesefrüchten aufwartete, bedurfte es erst eines Machtwortes meiner Mutter, daß ich dem »karierten Gefasel« ein Ende setzte.“

Hermann Kant (14 juni 1926 – 14 augustus 2016)

 

De Nederlandse dichter, schrijver en vertaler Thomas Graftdijk werd geboren in Amsterdam op 14 juni 1949. Zie ook alle tags voor Thomas Graftdijk op dit blog.

Natuurlijk verdwaalde ik
op de terugweg. Tekeningen, foto’s,
films van mijn leven tot nu toe
werden onbegrijpelijke sferen
die ik onmogelijk kon herkennen. Ik
had ze godverdomme toch
nog nooit gezien.

*          

Het is eigenlijk niet belangrijk meer
wat ik heb willen zeggen
en af en toe heb ik de dingen gedaan
alsof het allemaal maar vanzelf sprak,
maar toch was het nooit meer dan: laten
we weggaan, laten we het proberen.

*          

Soms wil ik beleefd zijn
en geef vrolijk grijnzend iedereen
een hand. Soms praat ik zelfs urenlang.
met de ongelofelijke slijmerd
die ik steeds weer
overal tegenkom.

Soms loopt de spoorrails
van mijn argeloosheid
dood waar de zomer voor de zoveelste
keer begint. Maar als er
weer eens oorlog komt

Thomas Graftdijk (14 juni 1949 – 10 februari 1992)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e juni ook mijn blog van 14 juni 2018 en ook mijn blog van 14 juni 2015 deel 1 en eveneens deel 2.