Krankenbesuch (Karl Gerok), Erik Lindner, Jehuda Amichai, Dolce far niente

Dolce far niente

 

 
In het ziekenhuis door Nikolai Petrovich Bogdanov-Belsky, ca. 1910

 

Krankenbesuch

Psalm 80, 4.
Lass leuchten dein Antlitz, so genesen wir.

Frühwinter wars, erstorben Busch und Baum,
Da pilgert‘ ich zu eines Kranken Hütte,
Fern lag sie an der Vorstadt letztem Saum,
In weißer Felder, öder Gärten Mitte.

Eng war die Pforte, niedrig das Gemach,
Gebückt nur trat ich in die düstre Kammer,
Doch wie viel Elend unter niedrem Dach,
Im engen Stüblein wie viel Not und Jammer!

Schwindsüchtig lag der Vater hingestreckt
Und hob mit Müh sein bleiches Haupt vom Lager,
Darauf, mit großem Teppich schlecht bedeckt,
Sein Leib sich krümmte, abgezehrt und mager.

Aus hohler Brust schon röchelte der Tod,
Doch hofft er noch zu leben, nicht zu sterben,
Für Weib und Kinder noch ein kärglich Brot
Mit seiner Hände Arbeit zu erwerben.

Ein holdes Knäblein schlief in seinem Arm,
Mit roten Wangen, leichtem Kinderodem,
Süßträumend mitten unter Not und Harm,
Frischblühend in der Krankenstube Brodem.

Ein ältres Mägdlein aber saß abseits,
Mit frosterstarrten Fingern mühsam strickend,
Ein kränkelnd Blümlein, frühgeknickt vom Kreuz,
Aus trüben Augen scheu und schüchtern blickend.

Wie dann die bleiche Mutter trat hervor,
Und schlicht mir ihrer Leiden Lauf erzählte,
Mit Blicken sagend, was sie vor dem Ohr
Des Kranken sorglich schonend gern verhehlte:

Die Angst um ihres Gatten nahen Tod,
Den schon der Arzt mit dürrem Wort verkündet,
Die Angst dabei um Hauszins, Holz und Brot,
Die mit der Angst der Liebe sich verbündet! –

Nicht am Altar, gedeckt mit Purpursamt,
Auf goldner Kanzel nicht, an heilger Stätte,
Ward mir so schwer, ward mir so süß mein Amt,
Wie hier an dieses Tagelöhners Bette.

Da galts, ein himmlisch Evangelium
Zu predigen den Kranken und den Armen,
Da galts, zum Herrn im obern Heiligtum
Aus tiefer Not zu schreien um Erbarmen.

Da galts, zu spenden Leibes- und Seelenkost,
Und als ich schied aus der betrübten Kammer,
Ließ ich zurück wohl einen Strahl von Trost,
Trug aber weg dafür ein Herz voll Jammer.

Doch sieh! wie grüßt ein wunderholder Glanz
Mein düstres Auge an des Hauses Schwelle:
Der Weg, der Zaun, die weite Landschaft ganz,
Sie lodert rings in rosenroter Helle!

Die Wintersonne wars im Untergehn,
Die noch die Wolken rosig überhauchte,
Die schwarze Stadt, die weißbeschneiten Höhn
In sanfte Glut, in holdes Feuer tauchte.

Das kahle Feld, die blumenleere Flur,
Der Rebenhügel frostig öde[s] Warten,
Die winterlich erstorbene Natur,
Sie blühte wie ein weiter Rosengarten.

Da hob ich zu der Sonne mein Gesicht:
„Gesegnet sei, du freundliche und milde,
Die auch den kurzen Tag verklärt in Licht
Und Rosen zaubert auf das Schneegefilde!

„Du sollst ein Bild mit jener Sonne sein,
Die sich in Christi Antlitz uns erschließet,
Und mit des Himmels goldnem Widerschein
Die dürre Scholle dieser Welt umgießet;

„Die auch den rau’sten Weg im Pilgerland
Mit der Verheißung Rosenlicht bestrahlet,
Und an des Armen kahle Stubenwand
Ein Paradies in Gold und Purpur malet;

„Die noch ein sterbend Auge, eh es brach,
Verklären kann in sel’ge Himmelswonne;
— O, einen Strahl auch unter jenes Dach
Von deinem Glanz, du ew’ge Geistersonne!“

 


Karl Gerok (30 januari 1815 – 14 januari 1890)
Vaihingen an der Enz, de geboorteplaats van Karl Gerok

 

De Nederlandse dichter Erik Lindner werd geboren op 3 mei 1968 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Erik Lindner op dit blog.

Vers

De hemelstaarder staat onder een boom.
Prevelend loopt de regen in zijn oog.
En alle wolken zijn van marmer.
En alle bladeren dragen een andere naam.

Steels is deze voor eeuwig te behouden
overgave, nog in staat tot verzet.
Eens de schoonheid te dicht genaderd
bloedt de inrichting van haar toilet.

Hij glijdt uit de vijver in een vlies
van klank die zijn woorden ontzet.
De takken buigen tot een melodie
de kracht verwerft die hem belet.

 

Au repos

Hier is de deur, daar is een kruk.
Het licht houdt op bij het raam.
De kleur van de vloer vloeit uit.
Het naakt lijkt iets mee te delen.
Het kan niet alleen zijn wat het is.
Er komt dadelijk een keerpunt in
de verlamming die Balthus bracht.
De lingeriereclames van de haltes
en wij op de achterbank van bus vijf,
omringd door het jodoform van Bronovo. Nu

zit ze voor lijk in een fauteuil,
gevlekt waar haar ondergoed was,
in een wit overhemd dat als een doek
om haar schouders valt – en wat haar
rechterborst kon zijn deels bedekt. Een been
raakt net de vloer, het ander ligt onder
de dij, een hand omklemt de leuning,
de ander valt eroverheen. De rug
van de fauteuil boven haar
weggedraaid gezicht.

 

De sleutel

I
De stad oogt onbewoonbaar op deze heldere dag
een jongen van nauwelijks twaalf
klimt vanaf een auto een boom in
en snijdt bebloemde takken af

de resten van het handvat
tussen het stof achter de kachel
en de fles in de greep van zijn hand
en het water dat langs de pols loopt

helder is de stad niet onbewoonbaar is de dag.


Erik Lindner (Den Haag, 3 mei 1968)

 

De Duits-Israëlische dichter en schrijver Jehuda Amichai werd op 3 mei 1924 geboren in Würzburg. Zie ook alle tags voor Jehuda Amichai op dit blog.

Dingen die kwijt zijn

Uit advertenties in de krant en van mededelingenborden
leer ik over dingen die kwijt zijn.
Zo weet ik wat de mensen hadden
en waar ze van houden.

Op een keer zakte mijn hoofd vermoeid op mijn
harige borst en daar vond ik de geur van mijn vader
terug, die jarenlang kwijt was geweest.

En mijn herinneringen zijn als iemand
die niet meer terug mag naar Tsjechoslowakije
of die bang is om weer naar Chili terug te gaan.

Soms zie ik weer
de holle witte kamer
met het telegram
op tafel.

 

Zo’n vrouw

Zo’n vrouw, mooi als een droomontwerp
van een moderne architect, en elegant als was ze uitgeknipt
uit een modeblad voor koningen.

Maar een vergetende en een verliezende vrouw!
En alle dingen die ze vergeet en verliest
zijn het handschrift van haar leven
en het rest mij dat te leren lezen:
maar als ik het eindelijk kan lezen
en opkijk,
is ze al ver weg.

 

Vertaald door Tamir Herzberg

 

Ik ben een gast in dit leven

Ik ben een gast in dit leven, maar ik zie,
mijn gastgevers worden langzaamaan
moe en ongeduldig.
Bomen beven, bergen trekken
van de ene plaats naar de andere, de hemel geeuwt.
In de nachten doen de winden
van alles onrustig bewegen: rook, mensen, lichtjes.

Ik schrijf mijn naam in Gods gastenboek:
Ik kwam, bleef hier even, het was goed,
Ik heb genoten, gezondigd, bedrogen –
Van de ontvangst in deze wereld
was ik erg onder de indruk.

 

Vertaald door Frans Roumen

 
Jehuda Amichai (3 mei 1924 – 22 september 2000)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e mei ook mijn blog van 3 mei 2018 en ook mijn blog van 3 mei 2017 en mijn blog van 3 mei 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Frederik Hemkes

De Nederlandse dichter Frederik Leonardus Hemkes werd geboren in Noordwijk 3 mei 1854. Hemkes studeerde enige tijd in Leiden en behaalde vervolgens de MO-akte Nederlands, waarna hij enkele jaren leraar was in Venlo. Zijn poëzie beperkte zich tot één bundel “XL Gedichten” (1882). Naar de vorm sluiten deze gedichten aan bij die van Staring en Potgieter, maar de emotionaliteit loopt vooruit op die van de Tachtigers. Het hoofdthema van zijn poëzie is de dood. Het meest bekend bleven de gedichten ‘Het kindeken van den dood’, geschreven naar aanleiding van het overlijden van zijn enig zoontje, en ‘Geuzenvendel op den thuismarsch’. In 1957 verzorgde P.J. Meertens de uitgave Veertig gedichten van Hemkes.

Het kindeke van de dood

Hoe ligt de stille heide dáár
Gelijk een bloeiend graf!
Geen klank, geen lied breekt even maar
Het doodse zwijgen af;
’t Is, of die nevel, koud en kil,
Het brede land begraven wil;
De zon schijnt vreemd en rood, –
En op de hei speelt bleek en stil
Het Kindeke van de Dood.

Er leefde een kind in ’t heideland,
Een zwak en zieklijk wicht;
Dat had zijn vreugd aan elke plant,
Die bloeit bij warmte en licht;
Steeds wilde ’t op de heide zijn
En huppelen in de zonneschijn,
Zijn liefste speelgenoot;
Men noemde ’t om zijn stervenspijn
Het Kindeke van de Dood.

En eenmaal op een dag in Mei,
Was ’t kind zo moe, zo loom;
Hem leek de brede, bruine heî
Wel ’t landschap uit een droom;
De vogels zongen ginder ver,
Als zweefden ze op een gouden ster
Hoog boven zorg en nood,
En kweelden zoet en zongen er
Voor ’t Kindeke van de Dood.

Het was hem, of de nacht begon,
De bange duistre nacht,
Al had nog niet de lieve zon
Haar halve loop volbracht;
Aan zon en bloesem hing zijn hart;
Het dacht niet aan zijn boze smart,
Aan bittre pijn en nood;
Te sterven was zelfs wreed en hard
Voor ’t Kindeke van de Dood.

En ’t bad, – dat als ’t begraven lag
het ieder jaar in Mei,
Slechts éne blijde, lange dag
Mocht spelen op de hei,
En, als het middaguur begon,
Mocht hupplen in de warme zon,
Tot weêr het daglicht vlood –
Het kind dat niemand helen kon,
Het Kindeke van de Dood.

Wie kent de macht van ’t schuldloos kind,
Dat stervend vraagt en hoopt?
Soms rijst, wanneer de Mei begint,
Eer ’t middaguur verloopt,
Een nevel op, die koud en kil,
Het brede land begraven wil;
De zon schijnt vreemd en rood; –
Dan speelt op ’t heiveld, bleek en stil
Het Kindeke van de Dood.

Dan leeft en zweeft het heel de dag
En speelt met bloem en plant;
Dan klinkt bij wijle een vreemde lach
Langs ’t eenzaam heideland,
Maar als de zon in ’t Westen scheidt,
En stervend nog een luister spreidt
Van glansrijk avondrood –
Dan klaagt een kinderstem, dan schreit
Het Kindeke van de Dood.

Frederik Hemkes (3 mei 1854 – 19 april 1887)