Luise Hensel, Walt Whitman, Frank Goosen, Gabriel Barylli, Dolce far niente

Bij Maria Visitatie – Dolce far niente

 

Maria Visitatie door Heinrich Maria Hess, 1829

 

Mariä Heimsuchung

O Jungfrau, welch ein sel’ger Gruß
Erfüllt Dein Herz mit Freude!
Wie eilt Dein leichtbesohlter Fuß
Hin über blühende Haide!

Es duftet süß der Thymian,
Gestreift von Deinem Saume.
Die Blumen sehn Dich wonnig an;
Wie rauscht’s im Palmenbaume!

Leicht eilst Du über Bergeskamm,
Die Andacht giebt Dir Schwingen.
Die lieben Vögel wonnesam
Die schönsten Lieder singen. –

O nimm mich mit, o Jungfrau rein!
Will Dir Dein Bündlein tragen;
Will fromm auch und andächtig sein,
Kein einzig Wörtlein sagen. –

Da steht im Abendschein das Haus,
Drin walten Fried’ und Segen,
Die greise Freundin schaut heraus
Und eilt Dir froh entgegen.

Ihr Gruß tönt Dir wie Engels Gruß,
Der noch im Herzen klinget.
Demüthig sinkt sie Dir zu Fuß,
Die zärtlich sie umschlinget.

Und hell erschallt Dein Hochgesang,
Das höchste aller Lieder;
Die Himmel lauschen seinem Klang,
Der Erdball hallt ihn wieder.

Luise Hensel (30 maart 1798
– 18 december 1878)
De dorpskerk van Linum, de geboorteplaats van Luise Hensel

 

De Amerikaanse dichter Walt Whitman werd geboren op 31 mei 1819 in Westhills, Long Island, New York. Zie ook alle tags voor Whalt Whitman op dit blog.

Te denken aan tijd

1
te denken aan tijd… te denken door de terugblik,
Te denken aan vandaag… en de eeuwen die voortgaan.
Heb jij beseft dat jij zelf niet zult voortgaan? Heb je de angst gekend voor die aardkevers?
Heb je gevreesd dat de toekomst voor jou niets zou zijn?

Is vandaag niets? Is het beginloze verleden niets?
Als de toekomst niets is zijn ze even zeker niets.

Te denken dat de zon opkwam in het oosten… dat man en vrouw buigzaam waren en echt en in leven… dat alles echt was en in leven;
Te denken dat jij en ik niet voelden niet dachten ons deel niet droegen,
Te denken dat wij nu hier zijn en ons deel dragen.                                                                                                                             

2
Geen dag gaat voorbij… geen minuut of seconde zonder verlossing;
Geen dag gaat voorbij… geen minuut of seconde zonder een lijk.

Wanneer de trage nachten voorbij zijn, en de trage dagen ook,
Wanneer de pijn van zoveel in bed liggen voorbij is,
Wanneer de dokter, na lang uitstel, de stille en vreselijke blik geeft als antwoord,
Wanneer de kinderen gehaast en huilend komen, en de broers en zussen geroepen worden,
Wanneer medicijnen ongebruikt op de plank staan, en de geur van kamfer door de kamers trekt,
Wanneer de trouwe hand van de levende de hand van de stervende niet loslaat,
Wanneer de trillende lippen licht op het voorhoofd drukken van de stervende,
Wanneer de adem stokt en de hartslag stilvalt,

Dan strekken de lijkenledematen zich uit op bed, en de levenden kijken ernaar,
Ze zijn tastbaar zoals de levenden tastbaar zijn.

De levenden kijken naar het lijk met hun blik,
Maar zonder blik talmt een ander leven en kijkt nieuwsgierig naar het lijk.

3
Te denken dat de rivieren zullen komen om te stromen, en de sneeuw zal vallen, en de vruchten zullen rijpen… en ze zullen van invloed zijn op anderen zoals op ons nu… en niet op ons van invloed zijn;
Te denken aan al deze wonderen van de stad en het land… en anderen die groot belang erin stellen… en wij die klein belang erin stellen.

Te denken hoe gedreven wij zijn in het bouwen van onze huizen,
Te denken dat anderen net zo gedreven zullen zijn… en wij onverschillig.

Ik zie iemand een huis bouwen dat hem enkele jaren zal dienen… of zeventig of tachtig jaar op zijn hoogst;
Ik zie iemand een huis bouwen dat hem langer dan dat zal dienen.

Langzaam bewegende zwarte lijnen kruipen over de hele aarde… zij stoppen nooit… het zijn de graflijnen,
Hij die President was is begraven, en hij die nu President is zal zeker worden begraven.

Vertaald door Ilja Leonard Pfeijffer

Walt Whitman (31 mei 1819 – 26 maart 1893)

 

De Duitse schrijver en cabaretier Frank Goosen werd geboren op 31 mei 1966 in Bochum. Zie ook alle tags voor Frank Goosen op dit blog.

Uit: Pokorny lacht

“Hallo Papa, wie geht es dir?”
“Ach, wie soll es mir gehen …” Pause.
So war das immer. Sein Vater rief an, beklagte sich und wartete darauf, dass sein Sohn das Gespräch bestritt. Friedrich tat ihm den Gefallen.
“Was macht der Rücken?”
“Ach, was soll mein Rücken schon machen …”
“Soll ich heute Abend mal vorbeikommen?”
“Tja, wenn du meinst…”
“Möchtest du, dass ich vorbeikomme?”
“Also, wenn es dein Terminplan erlaubt…”
“Er erlaubt es.”
“Tja, wenn du einen Teil deiner kostbaren Freizeit mit deinem alten Vater verbringen möchtest…”
Friedrich atmete hörbar aus. Konnte sein Vater überhaupt noch einen Satz sagen, der nicht in drei Punkten endete?
“Also, wenn dir das alles zu viel wird”, sagte der alte Pokorny, “dann bleib lieber zu Hause.”
“Ich komme am frühen Abend vorbei.”
“Sehr genaue Zeitangabe!”
“Gegen sieben.”
“Gegen sieben? Na ja, dein alter Vater hat ja nichts mehr vor. Der sitzt nur blöd rum und wartet darauf, dass der Herr Sohn mal vorbeikommt.”
“Ich bin um Punkt sieben bei dir. Zufrieden?”
“Ich weiß nicht. Hört sich an, als wäre es eine enorme Überwindung für dich.” “Das stimmt nicht. Also um sieben?” “Tja, wenn du meinst…”
Sie legten auf.”

 Frank Goosen (Bochum, 31 mei 1966)

 

De Oostenrijkse schrijver, toneelspeler en regisseur Gabriel Barylli werd geboren op 31 mei 1957 in Wenen. Zie ook alle tags voor Gabriel Barylli op dit blog.

Uit: Die Botschaft des Himmels

„Als Madeleine zum ersten Mal erlebte, dass sie eine besondere Gabe besaß, war sie sieben Jahre alt. Es war einer jener tiefheißen Sommertage, an denen sie immer in den Wald ging. Der Waldesrand lag nur einige wenige Schritte hinter dem Haus, in dem Madeleine mit ihren Eltern lebte. Das Haus war sehr alt und aus dikken, langen Baumstämmen gebaut. Ihr Vater hatte Madeleine oft erzählt, dass in früheren Zeiten Bauern in diesem Haus gelebt hatten. Dann ging er mit Madeleine über die schrägen Wiesen, die vor dem Haus lagen, und setzte sich mit ihr auf einen der Felsen, die aus der Erde herausragten wie uralte Bauklötze, die die Kinder der Riesen beim Spielen verloren hatten … Er zeigte dann hinunter ins Tal, wo die Häuser klein und aneinander gedrückt an den Ufern des Flusses standen. Der Fluss war von der schrägen, steilen Wiese aus gesehen so breit wie die Hand von Madeleine. „Siehst du da unten die Häuser der Menschen und die Felder, die sie umgeben?”, fragte ihr Vater und Madeleine antwortete: „Ja, es sieht aus wie meine Spielzeugstadt.” „Da unten im Tal können die Bauern ihre Felder mit Maschinen bearbeiten. Hier oben aber mussten die Bauern jeden Tag auf diesem steilen Hang die Wiesen nur mit ihren Händen bewirtschaften. Jeden Tag konnten sie all ihre Arbeit nur zu Fuß und nur mit ihren Händen erledigen, und das Haus, in dem wir jetzt leben, haben sie aus den Steinen gebaut, auf denen wir jetzt sitzen. Und das Holz, aus dem unsere Zimmer gemacht sind, haben sie aus dem Wald geholt. Dieses Leben war kein Leben wie in deiner Spielzeugstadt. „Ja …”, sagte Madeleine und nahm die Hand ihres Vaters in ihre Hände. Sie edilte sich warm und stark an, und Madeleine liebte den Geruch der Farben, die die Jacke ihres Vaters überzogen und die auch in kleinen Resten an seinen Fingern zu sehen waren … Lange saß Madeleine dann an solchen Tagen mit ihrem Vater auf den Felsen der Riesenkinder und dann schwiegen sie und sahen dem Blütenstaub zu, der am Ende des Sommers über die Wiesen flog.“

 Gabriel Barylli (Wenen, 31 mei 1957)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 31e mei ook mijn blog van 31 mei 2017 en ook mijn blog van 31 mei 2015 deel 2.

Hoogtijden IV – Hemelvaart (Willem de Mérode)

Bij Hemelvaartsdag

 

 Hemelvaart door Francisco Camilo, 1651

 

Hoogtijden IV – Hemelvaart

Zij vroegen, waarom ik naar boven tuur,
Daar ‘k U, een stipje, zag verdwijnen,
Ik dacht, Gij zoudt de wolk doorschijnen,
Als een fel vuur.

En toen hun stille licht beneden kwam,
Heeft ’t langs mijn oogen niet geblonken.
Ik stond in aandacht weggezonken….
Toen zag ‘k hun witte vlam.

Nu weet ik, dat Gij zit ten troon
En van mij spreekt bij Uwen Vader.
O, wat komt nu mijn hart Hem nader!
Mijn Broeder is Zijn Zoon!

Want nu ik deel heb aan Uw bloed,
Uw dood, Uw leven,
Nu kan Hij U niets geven,
Dat Gij niet met mij deelen moet.

Wat deert mij dan de korte dag,
Dat Gij zijt weggenomen?
Zij zeggen, dat Gij weer zult komen,
Zooals ‘k U zag.

’t Is maar een weinig donkerheid.
‘k Zie reeds der wolken randen
Van goud en zilver branden,
Wijl Gij er achter zijt.

Straks, plotseling, rijst Uw gezicht.
En ik zal met U blinken.
Mij overzinken
De stroomen van Uw licht.

 

Willem de Mérode
(2 september 1887 – 22 mei 1939)
Spijk (Groningen),
de geboorteplaats van Willem de Mérode

 

Zie voor de schrijvers van de 30e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

Elizabeth Alexander, Oscar van den Boogaard, Countee Cullen, Emmanuel Hiel, Martin Jankowski, Alfred Austin, Eddy Bruma, Henri François Rikken, Jan Geerts

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Elizabeth Alexander werd geboren op 30 mei 1962 in New York. Zie ook alle tags voor Elizabeth Alexander op dit blog.

Early Cinema

According to Mister Hedges, the custodian
who called upon their parents
after young Otwiner and young Julia
were spotted at the matinee
of Rudolph Valentino in The Sheik
at the segregated Knickerbocker Theater
in the uncommon Washington December
of 1922, “Your young ladies
were misrepresenting themselves today,”
meaning, of course, that they were passing.
After coffee and no cake were finished
and Mister Hedges had buttoned his coat
against the strange evening chill,
choice words were had with Otwiner and Julia,
shame upon the family, shame upon the race.

How they’d longed to see Rudolph Valentino,
who was swarthy like a Negro, like the finest Negro man.
In The Sheik, they’d heard, he was turbaned,
whisked damsels away in a desert cloud.
They’d heard this from Lucille and Ella
who’d put on their fine frocks and French,
claiming to be “of foreign extraction”
to sneak into the Knickerbocker Theater
past the usher who knew their parents
but did not know them.
They’d heard this from Mignon and Doris
who’d painted carmine bindis on their foreheads
braided their black hair tight down the back,
and huffed, “We’ll have to take this up with the Embassy”
to the squinting ticket taker.
Otwiner and Julia were tired of Oscar Michaux,
tired of church, tired of responsibility,
rectitude, posture, grooming, modulation,
tired of homilies each way they turned,
tired of colored right and wrong.
They wanted to be whisked away.

The morning after Mister Hedges’ visit
the paperboy cried “Extra!” and Papas
shrugged camel’s hair topcoats over pressed pajamas,
and Mamas read aloud at the breakfast table,
“No Colored Killed When Roof Caves In”
at the Knickerbocker Theater
at the evening show
from a surfeit of snow on the roof.
One hundred others dead.

It appeared that God had spoken.
There was no school that day,
no movies for months after.

Elizabeth Alexander (New York, 30 mei 1962)

 

De Nederlandse schrijver Oscar van den Boogaard werd geboren in Harderwijk op 30 mei 1964. Zie ook alle tags voor Oscar van den Boogaard op dit blog.

Uit:De tedere onverschilligen

“Gisteren, op de laatste dag voor de zomervakantie, ben ik door de directie van de school ontslagen omdat ik een verhouding zou hebben met Nicky Vogel, het onberispelijke hockeymeisje uit de vierde klas. Ik heb niet zozeer een verhouding met Nicky, als wel met haar moeder Wanda, ook al noemt die het liever een ‘zielsverwantschap’. omdat Nicky daar jaloers op is, heeft ze me eerder deze week op een avond klemgereden in de fietsenkelder. Ze legde de krul van haarhockeystick in mijn nek en trok me langzaam naar zich toe.terwijl het me overkwam, voelde ik me als de jongevrouw uit het Engelse mopje van mijn grootvader. Op een avond werd ze door een vieze oude man in het hartje van Londen achternagezeten. Aan het eind van een doodlopend steegje stond ze met de rug tegen de muur.Before she could tell him that she was not that kind of girl, she was. het doet me plezier om me Nicky voor te stellen in de rol van dirty old man en zo mijn eigen onschuld te bewaren.het was volgens de rector niet de eerste keer dat ik het met een leerlinge heb aangelegd. ik zei hem op rustige toon dat alles een kwestie is van interpretatie. Hij vond dat een dooddoener die niet de kracht had zijn woorden te weerleggen. hij orakelde cynisch: ‘God rustte op de zevende dag, niet omdat hij moe was, maar omdat hij zag dat het goed was.’ Hij zweeg even, en zei vervolgens met een onheilspellende schittering in zijn ogen:‘U mag voortaan alle dagen van de week rusten.’ Ik kon geen woord uitbrengen. een lijkbleke ex-godsdienstleraar in een te lichtgrijs pak beschikte over de rest van mijn leven. Ik moest er plotseling om lachen.‘vindt u het soms grappig?’ Ik schudde mijn hoofd. Ik moest iets eten voordat ik kon denken. ik liep de kamer uit en ging naar het tankstation aan de overkant. Ik kocht een paar repen chocolade die ik achter elkaar opat. En daarna nog een wafel. Het was overigens nooit mijn bedoeling geweest om leraar te worden, ik wilde helemaal niets worden. Ik wilde Frans studeren om mijn moeder- en vadertaal te ontvluchten. Ik wilde een taal voor mezelf, waarin ik mijn eigen gedachten kon denken. ook al was dat met horten en stoten. Dat was het enige doel en daarmee hield het op. Van mijn vader had ik rechten of economie moeten studeren en net als hij bij shell gaan werken. Uiteindelijk heeft gebrek aan ambitie mij voor de klas geduwd, voor jonge mensen die me soms vertederen,maar meestal verontrusten, omdat ik me afvraag of ze later sterk genoeg zullen zijn om een gelukkig levenvoor zichzelf op te eisen.”

Oscar van den Boogaard (Harderwijk, 30 mei 1964)

 

De Afro-Amerikaanse dichter Countee Cullen werd geboren als Countee LeRoy Porter op 30 mei 1903 in Louisville, Kentucy, of Baltimore. Zie ook alle tags voor Countee Cullen op dit blog.

The Loss Of Love

All through an empty place I go,
And find her not in any room;
The candles and the lamps I light
Go down before a wind of gloom.
Thick-spraddled lies the dust about,
A fit, sad place to write her name
Or draw her face the way she looked
That legendary night she came.

The old house crumbles bit by bit;
Each day I hear the ominous thud
That says another rent is there
For winds to pierce and storms to flood.

My orchards groan and sag with fruit;
Where, Indian-wise, the bees go round;
I let it rot upon the bough;
I eat what falls upon the ground.

The heavy cows go laboring
In agony with clotted teats;
My hands are slack; my blood is cold;
I marvel that my heart still beats.

I have no will to weep or sing,
No least desire to pray or curse;
The loss of love is a terrible thing;
They lie who say that death is worse.

 Countee Cullen (30 mei 1903 – 9 januari 1946)
Hier voorlezend aan kinderen

 

De Vlaamse dichter en schrijver Emanuel Hiel werd geboren in Sint-Gillis-bij-Dendermonde op 30 mei 1834. Zie ook alle tags voor Emanuel Hiel op dit blog.

Een dichter

Geen kroon bevlekt zijn machtig hoofd.
geen scepter houdt zijn hand;
hij wordt nochtans geliefd, geloofd,
in ’t schone vaderland.

Wat geeft hem koningschap en macht,
naar goud heeft hij geen dorst;
wat is de ster, bij zonnepracht,
bij hem, wat is een vorst?

Hij heeft zijn lief, hij heeft zijn lied,
zijn volk, zijn vaderland;
hij mint, hij zingt, zijn hert geniet
een dubble liefdebrand.

Hij smaakt de min, wanneer zijn meid
hem zoete kussen schenkt,
de vreugd, wanneer, vol heerlijkheid,
het volk zijn zangen zingt.

O, dichter zijn is zalig zijn,
en warm als zonnegloed,
want drukt hem wrevel, zorg of pijn,
iets blijft in zijn gemoed:

het is zijn lied, zijn wonderlied,
dat altijd sproeit en juicht,
dat hooger klinkt dan ’t aards verdriet
en elk zo wel verheugt;

Het is zijn min, die eeuwig is
voor alles wat is goed,
die gloeit voor ’t land en ’t volk, zo fris
als voor zijn liefken zoet.

 Emanuel Hiel (30 mei 1834 – 27 augustus 1899)
Cover

 

De Duitse dichter en schrijver Martin Jankowski werd op 29 mei 1965 in Greifswald geboren. Zie ook alle tags voor Martin Jankowski op dit blog.

Uit: Rabet oder Das Verschwinden einer Himmelsrichtung

„Im größten Sackbahnhof des Landes stieg ich aus. Leipzig. Der Verkehr lärmte braungrau im blässlichen Sonnenlicht, es stank nach giftigem Herbst. Das riesige Doppel-M auf dem Selbstmörderturm neben dem Bahnhof drehte sich gemächlich über dem Gewimmel, strahlte in deplatziertem Himmelblau, als wollte es von etwas ablenken. Die Blicke der Passanten verschwammen im Leeren. Ich war zufrieden. Zu Fuß machte ich mich auf in die Gegend östlich des Bahnhofs und verschwand im Labyrinth schmutzigbrauner Wohnblöcke. Aus den Treppenhäusern sickerten seltsam modrige Gerüche auf die Straße. Je weiter ich mich vom Bahnhof entfernte, desto stiller wurde es im Häusergebirge. Auf den Dächern rosteten schiefe Antennenwälder, aus Hunderten winziger Lecks in den verbeulten Fallrohren tropfte es rhythmisch, von den Fassaden bröckelte Putz. Mit einem hallenden Geräusch fiel er in die Straßenschluchten, in deren dämmrigen Winkeln sich irgendwo mein neues Zuhause verbarg, und blieb auf den Bürgersteigen liegen. Eine lähmende Unzufriedenheit hockte breit über dem Häusermeer. Das Atmen wurde zur Anstrengung, die den Einsatz des ganzen Körpers verlangte. Die Luft schmeckte nach Abgasen und Kohlenruß. Mein Instinkt sagte mir, dass ich hier richtig war. Es war der Geruch der Gärung, der mich anzog. (…) Einen Unterschlupf zu finden war für mich nicht einfach gewesen, denn wie überall waren in der Stadt Zehntausende auf Wohnungssuche. Das war nichts Ungewöhn liches. Trotzdem lebte niemand auf der Straße. Es gab genug alte Häuser, die als unbewohnbar galten und es dennoch nicht waren. Das Haus, das ich mir ausgesucht hatte, war marode und abgelebt und im Stadtplan schon nicht mehr verzeichnet. Es galt als abgerissen, als nicht mehr existent. Der Grundriss wies keinen einzigen rechten Winkel auf. In verzerrten Rhomben hatte man das Gebäude in eine Straßenecke gequetscht, bevor der letzte Krieg die umliegenden Mietskasernen zu Staub zerrieb. Jetzt ragte es schmal und einsam neben einer verkrauteten Freifläche auf, als hätte man es dort vergessen. Die Straße hieß Rabet und lag am Rande eines gottverlassenen Viertels. Niemand konnte erklären, was ihr Name bedeutete. Es klang, als würde ich auf eine vergessene Insel ziehen. Das gefiel mir. Die kleinen Zimmer im obersten Stockwerk rochen nach der buckligen Frau, die seit dem Krieg hier gewohnt hatte und erst vor kurzem gestorben war. Es gab nur Außenwände. Nur einen einzigen Kachelofen. Schmale Fenster. Doch da war eine Tür, die man schließen konnte. Ich schloss sie.“

Martin Jankowski (Greifswald, 29 mei 1965)
Cover

 

De Engelse dichter Alfred Austin werd geboren in Headingley, Leeds, op 30 mei 1835. Zie ook alle tags voor Alfres Austin op dit blog.

A Twilight Song

Why, rapturous bird, though shades of night
Muffle the leaves and swathe the lawn,
Singest thou still with all thy might,
As though ‘twere noon, as though ‘twere dawn?
Silence darkens on vale and hill,
But thou, unseen, art singing still.

‘Tis because, though in dusky bower,
With love delighted still thou art;
Nor hath the deepening twilight power
To lay a curfew on thy heart.
Thou lovest; and, loving, dost prolong
The sense of sunlight with thy song.

Thus may love’s rapture haunt me still
When life’s full radiance fadeth slow
Along the faltering west, and fill
With melody my afterglow,
And something of Song’s morning might
Linger, to make you doubt ‘tis night.

 

A Wintry Picture

Now where the bare sky spans the landscape bare,
Up long brown fallows creeps the slow brown team,
Scattering the seed-corn that must sleep and dream,
Till by Spring’s carillon awakened there.
Ruffling the tangles of his thicket hair,
The stripling yokel steadies now the beam,
Now strides erect with cheeks that glow and gleam,
And whistles shrewdly to the spacious air.
Lured onward to the distance dim and blear,
The road crawls weary of the travelled miles:
The kine stand cowering in unmoving files;
The shrewmouse rustles through the bracken sere;
And, in the sculptured woodland’s leafless aisles,
The robin chants the vespers of the year.

Alfred Austin (30 mei 1835 – 2 juni 1913)
Leeds

 

De Surinaamse jurist, schrijver en politicus Eduard Johan (Eddy) Bruma werd in Paramaribo geboren op 30 mei 1925. Zie ook alle tags voor Eddy Bruma op dit blog.

Uit: De fuik

“De os verzette nog een poot en stond toen stil. Oom Safrie stak zijn pijp aan; hij zat op de wagen en nam de mannen en vrouwen, die om de kokospalm stonden, eens op. Hij kende ze allemaal. Zuster Winter, die nooit ontbrak als er iets aan de hand was. En Fedie van Broer Teto, die bij zijn vrouw vandaan was om een jonge meid uit de stad; en Jakie, die een paar jaar geleden een buffel in de bossen van Coronie had geschoten; en tante Jeanne en Luis van Clyde en Dofie, die altijd praats had; en al die anderen wier navelstreng in Novar begraven lag.
Toen zag Dofie hem op de wagen zitten en maakte zich uit de menigte los terwijl hij riep: ‘Nou, nou, kijk eens wie we daar hebben! Oom Safrie!’ Ze draaiden zich allen om en keken.
‘Oom zie je, wat een mensen er te hoop zijn gelopen om te lezen wat de Commissaris nu weer voor ons heeft laten aanplakken? Kom eens van je wagen en wees net zo benieuwd als wij. Doe maar niet of je niet brandt van nieuwsgierigheid om te weten wat er op staat!’
Oom Safrie kon zich nog goed te binnen brengen wat hij hem had geantwoord. ‘Luister eens, Dofie, ik vraag je: in godsnaam, hou je kalm! Zie je niet dat je huid zijn hele bestaan logenstraft vanwege de schurft jij zogenaamde blanke?’
Niet omdat Dofie lichter van kleur was dan hijzelf had hij hem voor ‘zogenaamde blanke’ uitgemaakt, maar omdat alle mensen, die brutaal waren, die niet zelf werkten, maar over anderen de baas speelden, die dronken, rookten en pronkten met het geld waarvoor anderen krom moesten liggen, op blanken leken.
Dat meende hij. En na de verhalen, die zijn vader, vroeger slaaf, hem had verteld, was hij zijn leven lang wrok tegen de blanken blijven koesteren en niemand kon hem bijbrengen dat de blanken van nu niet meer zo waren.
‘Dacht je dat?’ placht hij dan te antwoorden. ‘Dacht je dat? Och, van het ogenblik af dat mijn moeder mij ter wereld bracht, heb ik geweten, dat varkens alleen varkens kunnen krijgen.’
‘Oom,’ begon Dofie weer, ‘waarom ben je kwaad op me? We zijn toch allemaal Coronianen met elkaar. Als we beginnen te wrokken, neemt de Commissaris ons gebeente en maakt er een wenteltrap van. Kom Oom kom! Lees zelf wat voor een cadeautje de Commissaris en zijn mensen ons hebben gestuurd! Wij tellen niet meer mee.’

Eddy Bruma (30 mei 1925 – 6 november 2000)
In 1975

 

De Surinaamse schrijver Henri François Rikken werd geboren in Paramaribo op 30 mei 1863. Zie ook alle tags voor Henri François Rikken op dit blog.

Uit: Ma Kankantrie

“Op enige afstand van het Hof, op de hoek van de Noorderkerk- en Wage- (nu Keizer-) straat, stond een houten gebouw van twee verdiepingen, waar de vergaderingen van de verschillende Colleges gehouden werden en tevens als ‘Weeskamer’ of ‘Kamer van Wees, Curatele- en Onbeheerde Boedels’ diende. Het benedengedeelte werd gedurende enige tijd gebruikt als gevangenis voor Europeanen en vroeger nog was de Militaire Hoofdwacht daar gevestigd, daar het ‘voormaals door de Burgerwacht bezet werd’.
Het ontzettend rumoer, dat gedurende de markt op het plein heerste, waar de slavinnen vooral zo gaarne elkaar ontmoetten, werd nu vermeerderd door de luidruchtige stemming waarin de marktbezoeksters verkeerden.
‘Je zult zien’, schreeuwde men elkaar boven ’t rumoer uit toe, ‘je zult zien dat Misgeene ’t wint.’
‘We zullen zien’, gaven sommigen ten antwoord, die volstrekt niet onverschillig schenen voor de nederlaag van Falsi Lobi. Zo mogelijk nog luidruchtiger werd het succes van het Doe-gezelschap Falsi Lobi door de leden en vriendinnen besproken. Men was er evenwel, bij de overmoed waarmede de lof van Falsi Lobi bezongen werd, volstrekt niet gerust op, dat zij het niet voor Misgeene zou moeten afleggen. Omdat nochtans Misgeene op de uitdaging van Falsi Lobi niet was voorbereid, zou het nog enige tijd duren, alvorens deze zich aan de kamp zou wagen. Men zou er echter niets bij verliezen, meenden de belangstellenden. Integendeel. Immers, Misgeene zou tonen steeds aan haar devies getrouw te blijven, zodat Falsi Lobi wel afgunst vermocht op te wekken, doch de zegepalm tegenover haar niet zou kunnen wegdragen. Doch ook in het vooruitzicht van een mogelijke nederlaag lieten de leden en belangstellenden van de Doe-partij Falsi Lobi zich haar overmoedige vreugde over het behaalde succes van de vorige dag niet ontnemen.”

 Henri François Rikken (30 mei 1863 – 17 mei 1908)

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Vlaamse dichter Jan Geerts werd geboren in Hoogstraten in 1972. Zie ook alle tags voor Jan Geerts op dit blog.

Vraag

Als ik al het strelen van je handen
en de jaren die daarin voorbij zijn gegaan
achter elkaar zou leggen,

hoeveel kilometer tederheid heb ik dan?

Genoeg om de wereld te omarmen?
Genoeg om mezelf te redden?

Jan Geerts (Hoogstraten, 1972)
Hoogstraten, Begijnhof met kerk Sint Jan Evangelist

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e mei ook mijn blog van 30 mei 2017 en ook mijn blog van 30 mei 2015 deel 2.

André Brink, Eduard Escoffet, G. K. Chesterton, Bernard Clavel, T. H. White, Hans Weigel, Max Brand, Joel Benton, Dolores Dorantes

De Zuid-Afrikaanse schrijver André Brink werd geboren op 29 mei 1935 in Vrede. Zie ook alle tags voor André Brink op dit blog.

Uit: The blue door

“The urge to touch her becomes hard to resist. But I am restrained by the uncertainty about what might happen if I do. And there is the pure visual joy of looking at her. For the time being I do not want to do anything except to look, and look, and look. (How I wish I could paint her as she lies there now, at this moment, so close, so real.)
After a while, from the way in which she remains almost motionless, never bothering to turn a page, I realise that she is not reading either. Waiting for me to make the first move?
I move my hand closer to her, still without touching.
I seem to detect the merest hint of a stiffening in her body. But it may well be my imagination. And it is of decisive importance that I be sure before I risk an approach. Because if not…
‘What are you reading?’ I ask. But my voice is so strained that I have to clear my throat and repeat the question.
‘Haruki Murakami,’ she says, turning slightly over on her back and raising the book to let me see it. ‘Sputnik Sweetheart.’
‘What’s it like?’
‘A strange book,’ she says without looking at me. ‘I don’t think it’s entirely convincing, but it’s very disturbing.’ Now she settles squarely on her back and turns her head to look at me. ‘In the key episode of the story the young Japanese woman – what’s her name?’ She flips through a few pages. ‘Yes: Miu. She gets stuck at the top of a Ferris wheel at a fair in the middle of the night. And when she looks around, she discovers that she can see into her own apartment in the distance. And there’s a man in there, a man who has recently tried to get her into bed. While Miu is looking at him, she sees a woman with him. And the woman is she herself, Miu. It is a moment so shocking that her black hair turns white on the spot.’ Her black eyes look directly into mine. ‘Can you imagine a thing like that happening? Shifting between dimensions, changing places with herself…?’
‘I think that happens every day,’ I say with a straight face.
‘What do you mean?’
‘When one makes love. Don’t you think that’s a way of changing places with yourself? The world becomes a different place. You are no longer the person you were before.’

André Brink (29 mei 1935 – 6 februari 2015)

 

De Catalaanse dichter, schrijver en vertaler Eduard Escoffet werd geboren op 29 mei 1979 in Barcelona. Zie ook alle tags voor Eduard Escoffet op dit blog.

holz im herz (fragment)

holz im herz
holz im hirn
holz in den gedärmen

ein mann geht zur toilette. ein mann geht zur toilette. die kabine, auch die kabine. ein mann schließt die tür und ein anderer mann ist schon drin. es gibt noch mehr kabinen und trübes licht. ein paar hände fangen bei den hinterbacken an und reiben über den rücken, ziehen das unterhemd heraus bis zu den schultern. das andere paar hände stemmt sich gegen den körper und die kraft des anderen. es müsste alles schnell gehen. er kommt herein. ein mann kommt in eine andere kabine. verschlossen ein körper, doch offen dieser hier. das licht scheint weiter, als ob es den atem anhielte.

holz
das holz ist schon kein holz mehr
holz überall
und holz im wind

derjenige, der zur toilette geht, der drinnen das sonnenlicht mit dem licht der neonröhre verwechselt. kein interesse daran, sich damit aufzuhalten, eins vom anderen zu unterscheiden. er setzt sich auf die toilette: er hat alle zeit der welt. der hellsichtige und jener, dem ein licht wie das andere gilt. er verwechselt erst die hosentaschen, doch dann findet er sie. er sitzt auf der toilettenschüssel, spannt sich genüsslich an und löst den schuss aus. vielleicht fällt das licht durch ein fenster, oder es ist nur die neonröhre. von den ersten, die nach dem schuss hereinkommen, wird sicher einer den eimer und putzlappen holen.

Eduard Escoffet (Barcelona, 29 mei 1979)

 

De Engelse dichter, letterkundige, schrijver en journalist Gilbert Keith Chesterton werd geboren in Londen op 29 mei 1874. Zie ook alle tags voor G. K. Chesterton op dit blog.

Uit: Twelve Modern Apostles and Their Creeds

“The difficulty of explaining “why I am a Catholic” is that there are ten thousand reasons all amounting to one reason: that Catholicism is true. I could fill all my space with separate sentences each beginning with the words, “It is the only thing that…” As, for instance, (1) It is the only thing that really prevents a sin from being a secret. (2) It is the only thing in which the superior cannot be superior; in the sense of supercilious. (3) It is the only thing that frees a man from the degrading slavery of being a child of his age. (4) It is the only thing that talks as if it were the truth; as if it were a real messenger refusing to tamper with a real message. (5) It is the only type of Christianity that really contains every type of man; even the respectable man. (6) It is the only large attempt to change the world from the inside; working through wills and not laws; and so on.
Or I might treat the matter personally and describe my own conversion; but I happen to have a strong feeling that this method makes the business look much smaller than it really is. Numbers of much better men have been sincerely converted to much worse religions. I would much prefer to attempt to say here of the Catholic Church precisely the things that cannot be said even of its very respectable rivals. In short, I would say chiefly of the Catholic Church that it is catholic. I would rather try to suggest that it is not only larger than me, but larger than anything in the world; that it is indeed larger than the world. But since in this short space I can only take a section, I will consider it in its capacity of a guardian of the truth.
The other day a well-known writer, otherwise quite well-informed, said that the Catholic Church is always the enemy of new ideas. It probably did not occur to him that his own remark was not exactly in the nature of a new idea. It is one of the notions that Catholics have to be continually refuting, because it is such a very old idea. Indeed, those who complain that Catholicism cannot say anything new, seldom think it necessary to say anything new about Catholicism. As a matter of fact, a real study of history will show it to be curiously contrary to the fact. In so far as the ideas really are ideas, and in so far as any such ideas can be new, Catholics have continually suffered through supporting them when they were really new; when they were much too new to find any other support. The Catholic was not only first in the field but alone in the field; and there was as yet nobody to understand what he had found there.”

G. K. Chesterton (29 mei 1874 – 14 juli 1936)

 

De Franse schrijver Bernard Charles Henri Clavel  werd geboren op 29 mei 1923 in Lons-le-Saunier. Zie ook alle tags voor Bernard Clavel op dit blog.

Uit: Les roses de Verdun

« Et vous partiez à pied ? — On se regroupait par bataillons dans les prairies où il n’y avait plus un poil d’herbe. La poussière ou le bourbier. On nous distribuait la soupe ou le café et du pain souvent moisi. On mangeait debout, à côté des faisceaux. Et puis on partait, puis après on attendait la nuit pour s’enfiler dans les boyaux d’accès. On peut dire que la guerre commençait vraiment sur cette route. — Laisse Augustin parler. Tu dis assez parle pas. Sans se retourner, femme : — Ça n’est pas tous les jours que je roule sur la Voie sacrée. Si ça ne te fait aucun effet, tant mieux pour toi… moi, ça me remue. Il a cessé de m’interroger. Je préférais, car la route n’était vraiment pas facile et, dans les descentes, la voiture chassait un peu. Plusieurs fois, nous avons vu des véhicules arrêtés et qui nous gênaient pour passer. Un gros camion était couché dans le fossé. Non, Monsieur ne m’a plus interrogé, mais c’est lui qui s’est mis à parler. Il ne l’avait jamais fait de cette manière, et j’ai compris ce conduire. Ne le fais pas qu’un bon chauffeur ne le patron a lancé à sa matin-là que s’il m’avait si souvent interrogé, il avait dû beaucoup lire aussi et regarder souvent des images de cette partie de la Grande Guerre. Il connaissait les noms des villages où l’on s’était beaucoup battu. En fait, il nous parlait comme s’il avait voulu nous apprendre la vérité sur ces combats. Il disait, par exemple : — Au Tourniquet, quand les poilus regar-daient s’en aller les camions vides, tous se demandaient combien d’entre eux revien-draient. Lesquels étaient d’avance marqués pour rester dans ce bourbier que tant d’autres avaient déjà arrosé de sang. Jusqu’à Bar-le-Duc, il n’a guère cessé de raconter. Il se souvenait de mille détails que j’avais oubliés. Même les noms des généraux et des colonels qui avaient commandé à Ver-dun lui étaient familiers. Et toujours revenait la grande aventure des camions se suivant à se toucher et de cette route où des centaines de territoriaux jetaient des pierres à longueur de journées et de nuits sans jamais inter-rompre ni même ralentir le trafic. Qu’un camion tombe en panne, il était aussitôt poussé hors de la chaussée. Jamais, jamais le flot ne devait se ralentir. A un moment, il a dit : — Cette route, c’était une artère. »

Bernard Clavel (29 mei 1923 – 5 oktober 2010)

 

De Engelse dichter en schrijver Terence Hanbury White werd geboren op 29 mei 1906 in Bombay (Mombai). Zie ook alle tags voor T. H. White op dit blog.

Uit: The Once and Future King

“The day for the ceremony drew near, the invitations to King Pellinore and Sir Grummore were sent out, and the Wart withdrew himself more and more into the kitchen. “Come on, Wart, old boy,” said Sir Ector ruefully. “I didn’t think you would take it so bad. It doesn’t become you to do this sulkin’.” “I am not sulking,” said the Wart. “I don’t mind a bit and I am very glad that Kay is going to be a knight. Please don’t think I am sulking.” “You are a good boy,” said Sir Ector. “I know you’re not sulkin’ really, but do cheer up. Kay isn’t such a bad stick, you know, in his way. “Kay is a splendid chap,” said the Wart. “Only I was not happy because he did not seem to want to go hawking or anything, with me, any more.” “It is his youthfulness,” said Sir Ector. “It will all clear up.” “I am sure it will,” said the Wart. “It is only that he does not want me to go with him, just at the moment. And so, of course, I don’t go. “But I will go,” added the Wart. “As soon as he commands me, I will do exactly what he says. Honestly, I think Kay is a good person, and I was not sulking a bit.” “You have a glass of this canary,” said Sir Ector, “and go and see if old Merlyn can’t cheer you up.” “Sir Ector has given me a glass of canary,” said the Wart, “and sent me to see if you can’t cheer me up.” “Sir Ector,” said Merlyn, “is a wise man.” “Well,” said the Wart, “what about it?” “The best thing for being sad,” replied Merlyn, beginning to puff and blow, “is to learn something. That is the only thing that never fails. You may grow old and trembling in your anatomies, you may lie awake at night listening to the disorder of your veins, you may miss your only love, you may see the world about you devastated by evil lunatics, or know your honour trampled in the sewers of baser minds. There is only one thing for it then—to learn. Learn why the world wags and what wags it. That is the only thing which the mind can never exhaust, never alienate, never be tortured by, never fear or distrust, and never dream of regretting.”

T. H. White (29 mei 1906 – 17 januari 1964)
Cover

 

De Oostenrijkse schrijver en theatercriticus Hans Weigel werd geboren op 29 mei 1908 in Wenen. Zie ook alle tags voor Hans Weigel op dit blog.

Uit:Ich war einmal (Biografie)

„Die Hoffnung vieler Wiener Juden, durch Assimilation Integration zu erreichen, war in der jüdischen Mittelschicht Wiens am Beginn des vorigen Jahrhunderts weit verbreitet. Geradezu exemplarisch zeigte sich diese — wie sich leidvoll herausgestellt hat — Illusion bei Hans Weigels Eltern. Sein Vater Eduard, ältestes Kind von Lazar Weigl und seiner Frau Babette, 1874 in Markt Eisenstein, einem kleinen böhmischen Ort nahe der bayrischen Grenze, geboren, kam schon in den Neunzigerjahren des 19. Jahrhunderts in die Residenzstadt der Monarchie. In Eisenstein, dem heutigen ZeleZnä Ruda, lebten nur zwei jüdische Familien, die als Kaufleute ihr Fortkommen hatten. Lazar Weigl, sein Sohn Eduard fügte erst in den 1920er-Jahren in Wien das „e” in den Namen „Weigl” ein, besaß nicht nur eine Gemischtwarenhandlung, „den Laden”, wie er genannt wurde, sondern auch Felder und Wiesen und führte eine kleine Milchwirtschaft. Er lebte streng nach den jüdischen Gebräuchen: „[…] in seinem Haus wurde koscher gekocht, Geschirr und Besteck für Fleisch und ‚Milchiges’ getrennt — es wurde kein Schweinefleisch zubereitet.”1 Dieser Großvater Lazar, Ludwig, „war ein verständiger, recht kluger Mann, der auch Humor hatte. […] Ich hatte ihn sehr gern, er war stolz auf mich, wie auf seinen Sohn Eduard, der es in Wien weit gebracht hatte”2, als Handelsakademiker bei der Glasfabrik Stölzle, bei der er seine berufliche Laufbahn begonnen hatte und bei der er zuerst als Prokurist und dann als Direktor Karriere machte. So schrieb Hans Weigel in seiner 2008 posthum von seiner Lektorin Elke Vujica herausgegebenen Autobiografie In die weite Welt hinein, in der er sein Leben von 1908 bis 1938 behandelte. Eduard hatte drei jüngere Schwestern: die Älteste, Franziska, genannt Fanni, hatte fünf Kinder: Ernst, Otto, Klara, Emma und Hedwig. Hans Weigel war in den Ferien seiner Volksschulzeit gerne bei ihnen in Chotieschau (Chotä§ov). Die Mittlere lebte mit ihrem Mann Robert Abeles und ihrer Tochter Irma in Karlsbad (Karlovy Vary), während Regine, die Jüngste, mit ihrem Mann Emil Siller in Eisenstein blieb, zwei Töchter, Roselle und Mitzi, hatte und mit ihrem Mann das Geschäft von Lazar Weigl übernahm. Der Großvater von Hans Weigel mütterlicherseits, Julius Fekete, war Kaufmann aus dem ungarischen Gyon, heute Dabas, und kam mit seiner Frau Katarina, geborene Boskowitz, schon vor der Jahrhundertwende nach Wien. Sie wohnten in Margareten, dem 5. Wiener Gemeindebezirk, und führten in der nahe gelegenen Schönbrunner Straße 31 das „Zentralversandhaus Julius Fekete”, einen Gemischtwarenhandel. Sie waren typische Vertreter des liberalen jüdischen Bildungsbürgertums, hatten drei Söhne und zwei Töchter. Hugo übernahm als Ältester, der Not gehorchend, das Zentralversandhaus, da sein Vater 1903 mit nicht einmal fünfzig Jahren verstorben war. „Onkel Hugo musste das Geschäft führen, und das war wohl tragisch, denn er war sehr musikalisch, spielte großartig Klavier, war charmant und witzig und hatte gewiß ein unerfülltes Leben. Er mochte mich sehr gern, manchmal saß ich neben ihm, wenn er am Klavier improvisierte.”2 Albert, der mittlere der drei Söhne, lebte als Ingenieur bei den Saurer-Werken in Arbon am Bodensee in der Schweiz. „Der dritte Bruder war Onkel Theo, klein und rundlich, er spielte Geige und war angestellt bei der Filmfirma Projektograph. Er schwärmte von der neuartigen Erfindung und prophezeite ihr eine große Zukunft — und wurde in der Familie nur belächelt.”

Hans Weigel (29 mei 1908 – 12 augustus 1991)

 

De Amerikaanse schrijver Max Brand (eig. Frederick Schiller Faust) werd geboren op 29 mei 1892 in Seattle. Zie ook alle tags voor Max Brand op dit blog.

Uit: The Garden of Eden

“Can’t we walk?” suggested Ben Connor, looking up and down the street at the dozen sprawling frame houses; but the fat man stared at him with calm pity. He was so fat and so good-natured that even Ben Connor did not impress him greatly.
“Maybe you think this is Lukin?” he asked. When the other raised his heavy black eyebrows he explained: “This ain’t nothing but Lukin Junction. Lukin is clear round the hill. Climb in, Mr. Connor.”
Connor laid one hand on the back of the seat, and with a surge of his strong shoulders leaped easily into his place; the fat man noted this with a roll of his little eyes, and then took his own place, the old wagon careening toward him as he mounted the step. He sat with his right foot dangling over the side of the buckboard, and a plump shoulder turned fairly upon his passenger so that when he spoke he had to throw his head and jerk out the words; but this was apparently his time-honored position in the wagon, and he did not care to vary it for the sake of conversation. A flap of the loose reins set the horses jog-trotting out of Lukin Junction down a gulch which aimed at the side of an enormous mountain, naked, with no sign of a village or even a single shack among its rocks. Other peaks crowded close on the right and left, with a loftier range behind, running up to scattered summits white with snow and blue with distance. The shadows of the late afternoon were thick as fog in the gulch, and all the lower mountains were already dim so that the snow-peaks in the distance seemed as detached, and high as clouds. Ben Connor sat with his cane between his knees and his hands draped over its amber head and watched those shining places until the fat man heaved his head over his shoulder.
“Most like somebody told you about Townsend’s Hotel?” His passenger moved his attention from the mountain to his companion. He was so leisurely about it that it seemed he had not heard.
“Yes,” he said, “I was told of the place.” “Who?” said the other expectantly. “A friend of mine.”
The fat man grunted and worked his head around so far that a great wrinkle rolled up his neck close to his ear. He looked into the eye of the stranger.
“Me being Jack Townsend, I’m sort of interested to know things like that; the ones that like my place and them that don’t.”

Max Brand (29 mei 1892 – 12 mei 1944)

De Amerikaanse dichter, schrijver en publicist Joel Benton werd geboren op 29 mei 1832 in het kleine stadje Amenia, in county New York. Zie ook alle tags voor Joel Benton op dit blog.

Grover Cleveland

Bring cypress, rosemary and rue
For him who kept his rudder true;
Who held to right the people’s will,
And for whose foes we love him still.
A man of Plutarch’s marble mould,
Of virtues strong and manifold,
Who spurned the incense of the hour,
And made the nation’s weal his dower.

His sturdy, rugged sense of right
Put selfish purpose out of sight;
Slowly he thought, but long and well,
With temper imperturbable.

Bring cypress, rosemary and rue
For him who kept his rudder true;
Who went at dawn to that high star
Where Washington and Lincoln are.

 Joel Benton (29 mei 1832 – 15 september 1911)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Mexicaanse dichteres en journaliste Dolores Dorantes werd in 1973 geboren in Veracruz aan de Golf van Mexico. Zie ook alle tags voor Dolores Dorantes op dit blog.

Give us a bottle and let’s be done with your world

Give us a bottle and let’s be done with your world. Light us and the fire will spread like a plague. We arrive at your office. At your machine. We arrive at your masterful chair. At that world that is no longer the world. Where nothing touches and we kiss each other. We join our girlish lips damp with some kind of fuel. Give us a forest. Give us the presidency.

This book does not exist

This book does not exist. All that has been said in the name of a love that does not last. Each line dispossessed. The drug that seeing blood has become. Open us in this impossible territory. Unlimited. Repeated. Uncovered. We are here as the trace of a code. We knock on your door for you to swim us. Fire and water. We are inside bottles and explosives. We are extermination. Place without country. Tie us up, put a leash on us. Command us to get out and show me your tongue: a gust of birds.

Dolores Dorantes (Veracruz, 1973)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e mei ook mijn blog van 29 mei 2018 en ook mijn blog van 29 mei 2016 deel 2.

Ad Zuiderent, Leo Pleysier, Adriaan Bontebal, Guntram Vesper, Frank Schätzing, Maeve Binchy, Ian Fleming, Sjoerd Leiker, Vladislav Chodasevitsj

De Nederlandse dichter en criticus Ad Zuiderent werd geboren in ’s-Gravendeel op 28 mei 1944. Zie ook alle tags voor Ad Zuiderent op dit blog.

Sequens 1

…die zal zijn vader en moeder verlaten,
die zal familie en vrienden verlaten,
zijn vrouw en kinderen verlaten, door hen
verlaten worden, die zal bij de pakken
neerzitten tot hij ook die kan verlaten
die zal zijn zintuigen verlaten en zijn
ledematen, zal zijn organen verlaten,
zijn geslachtelijkheid, zijn cellen,
die zal zichzelf te niet doende
zijn nalatenschap verlaten en de
nalatenschap zal verlaten, vergeten,
verdwijnen, oplossen, los van het zijne
taken, verenigd met celloos, orgaanloos,
geslachtloos, ledeloos, zintuigloos
gezang van laat laat laat verlaten –
die zal met het hoofd in de handen
niet weten welke liefsten hij verliet.

 

Sequens 2

…die zal zijn cellen zoeken en zijn
organen, zal zijn geslachtelijkheid zoeken,
zijn ledematen, zijn zintuigen, die zal
naar de pakken zoeken waarbij bij zat,
hij zal kruipen waar hij niet gaan kan,
daar zal hij door hen gezocht vrouw en kinderen
zoeken, zal hij familie en vrienden zoeken,
zijn vaderen moeder, die zal zichzelf hervindende
op zoek gaan naar eigenschappen en de
eigenschappen zullen zoeken, bedenken,
opduiken, uitbreiden, vast aan het zijne
raken, verlost van zintuigloos, ledeloos,
geslachtloos, orgaanloos, celloos gemompel
van laat laat laat het zoeken toch na
die zal met het hoofd in de wolken
weer weten welke liefsten hij zocht.


Ad Zuiderent (’s-Gravendeel, 28 mei 1944)

 

De Belgische schrijver Leo Pleysier werd geboren in Rijkevorsel op 28 mei 1945. Zie ook alle tags voor Leo Pleysier op dit blog.

Uit: De weg naar Kralingen

“Uit het ochtendnieuws vernemen dat de Belgische Petroleumfederatie nog maar eens een prijsverhoging aankondigt voor volgende week: huisbrand gaat voortaan 10,30 BF per liter kosten, de prijs van de benzine wordt opgetrokken tot 23,60 BF. Niet voor niets dus dat het begrip ‘sprokkelmaand’ hier in het dorp sedert enige tijd weer letterlijk wordt genomen en zelfs wordt uitgebreid. Zie maar: heel de winter lang en ook nu nog kan men in de omliggende bossen het janken horen van de motorzagen, het kletsen van bijlen in de takken, het over en weer rijden van tractors die de boomstammen het bos uit sleuren, of die met hoogopgestapelde ladingen weer huistoe rijden. Overwinteren blijkt plotseling weer problematisch te worden. Lijfsbehoud blijkt ineens ook weer te maken hebben met beschutting tegen de vrieskoude. En wat de temperaturen betreft: de vreemde mogendheid die het mocht gemunt hebben op dit landje doet er goed aan zijn invasiestrategie nog eens te bekijken in het licht van wat alhier in de winter van het voorbije jaar bleek. De wissels van de Belgische Spoorwegen functioneren niet meer vanaf het ogenblik dat het kwik onder de 10o C daalt. Ideaal tijdstip dus om met een militair treinkonvooi in één ruk tot vlak voor de poorten van het Nato Hoofdkwartier te Evere of tot aan de voet van het EEG-complex te Brussel door te stomen.
Door het raam de kinderen zien die blauw van de kou op hun fietsjes naar school toe rijden. Als zij verdwenen zijn, valt op hoe de beweging over de weg die naar het dorp voert plotseling in rust omslaat. Wie zijn woonst nu nog niet verlaten heeft, vertrekt vandaag niet meer. Die blijft alleen achter in huis en weet zich voor de rest van de dag enkel nog vaag verbonden met hier en daar een jonge moeder die baby’s oppast, met huisvrouwen die alweer lang begonnen zijn met opruimen en schoonmaken, met werklozen die door de keuken lopen drentelen in afwachting van het ogenblik waarop zij naar het stempellokaal moeten, met hier en daar een bedlegerige zieke die heeft afgebeld op zijn werk, met ouwelui op rustpensioen.”

 
Leo Pleysier (Rijkevorsel, 28 mei 1945)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Adriaan Bontebal werd als Aad van Rijn op 28 mei 1952 in Leidschendam geboren. Zie ook alle tags voor Adriaan Bontebal op dit blog.

Uit: Tot hier en niet verder (Het eerste avondmaal)

“Met enkele collega’s moest ik een voordracht verzorgen in een jongerencentrum te Zoetermeer. Het pad van een schrijver gaat bepaald niet over rozen. Men dacht ons te verwennen; juist op die dag werd het eethuisje van die tent geopend en ons viel de eer te beurt om als voorproevers van het dorp te fungeren. Daar moet je echt mij voor hebben: je kan net zo goed een generaal vragen de verslaggeving van een vredesdemonstratie te doen. IJzeren Heinig kweet ik me van mijn taak. Laat ik het erop houden, dat het eetbaar was en niet eens vegetarisch. Vaak zie je in dat soort tenten een interne tegenstelling: aan de ene kant gezondheidsfanatisme in de eethoek, terwijl men aan de andere kant de begroting van het totale centrum sluitend probeert te krijgen door de bezoekers te pushen zoveel mogelijk bier en wijn te zuipen. Na afloop van de maaltijd kwam de ‘chef’ aan onze tafel: een zenuwachtige inboorlinge, de moeder van een medewerker. ‘Bent u één van de dichters van vanavond?’ vroeg ze mij. Ik beging de stommiteit om dat, uit een soort misplaatste trots, toe te geven. Ze vertelde me dat ze ter completering van de inrichting graag een spreuk aan de muur wilde hebben en of ik die maar even kon verzinnen. De dichter als tekstverwerker in de meest letterlijke zin van het woord.. Om depri van te worden, maar ik ben de rotste niet, nou ja, niet altijd, dus ik dacht een ogenblik na en schreef: ‘Hier smaken bonen keer op keer Zoeter en naar meer.’ Ik begreep hem zelf niet zo goed, maar het rijmde en zij was in de wolken. Ik had er eigenlijk meteen alweer spijt van. Ieder zijn vak en ik kan het ontwerpen van wandtegeltjes beter overlaten aan Toon Hermans of Nel Benschop. En stroop om monden smeren is ook al geen dagelijkse hobby van me. Daarom schreef ik, toen zij weer terug naar de keuken was, een volgende spreuk voor haar om de zaak weer in evenwicht te brengen. Ik had graag haar gezicht gezien toen zij bij het afruimen een servetje tegenkwam met daarop de tekst:
‘Toch is het hier een zwijnenstal.
Was getekend: Bontebal.’


Adriaan Bontebal (28 mei 1952 – 11 februari 2012)

 

De Duitse schrijver Guntram Vesper werd geboren op 28 mei 1941 in Frohburg. Zie ook alle tags voor Guntram Vesper op dit blog.

Uit: Nördlich der Liebe und südlich des Hasses

„Meistens wird lautes Jammern unterdrückt, damit der Tote nicht wider aufgeschrien werde. Der Herr ist tot. Dann geht jemand durch die Ställe mit demselben Ruf, um das Vich zu wecken. Das Kinn wird aufgebunden, auch durch ein Rasenstück gestützt. Der Tote soll kein Nachzeh-rer werden. Nach der Waschung muß das Wasser an einem Ort vergraben werden, wo niemand darübergehen kann. Be-vor jedoch der Tote in einen Sarg gelegt wird, hebt man ihn vom Bett auf eine Bank oder ein Brett in der Wohnstube. Das Brett wird später an eine sumpfige Wegstelle oder über einen Bach gelegt. Es mahnt vielleicht doch. Zwei ganze oder halbe Nächte wird die Leiche verwacht, um den Toten durch Scherze zu unterhalten. Auch werden diese Nächte zu Stell-dichein und ausgelassenen Pfänderspielen genutzt. Kinder berühren, küssen, beißen die nackte große Zehe des Toten. Bleibt er geschmeidig, so folgt ihm bald ein anderer Haus-bewohner. Auf alle Fälle schütte man dem Zug einen Topf Wasser nach. Die nächstverwandten Männer legen die Hüte nicht ab. Öfter wird die Leiche im offenen Sarg begraben, das Gesicht von einem kleinen Brett verdeckt. Einige Orte kennen sogar den Gemeinsarg, aus dem die Leiche genom-men wird, um auf einer Bohle in das Grab gelassen zu wer-den. Nacheinander, immer aus anderer Sicht, tragen die Angehörigen der Gemeinde die Biografie des Verstorbenen klagend vor. Die Dämmerung ist für Fehlgeburten und Selbstmörder. Abgerissene und abgenommene Gliedmaßen kommen beiseite, bis sie Platz in einem Sarg finden. War der Tote verschuldet, so hat die ‘Witwe ihren Gürtel ins Grab zu geben. Anschließendes Essen heißt nicht selten: das Fell versaufen. Je schneller einer vergessen werden muß, desto prächtiger soll das Begräbnis sein. Deshalb werden selbst im Stall lische und Bänke aufgestellt. Ehrenplätze für Pfarrer, Arzt, Hebamme, Kirchendiener, Bürgermeister, Totengrä-ber, Schreiner, die Verwandten der Leiche. Alkohol verleitet zu Schlägereien. Die folgende Nacht verbringen die Haus-bewohner am Tisch sitzend. Es dürfen nur einsilbige Wörter gesprochen, nur unumstößliche Wahrheiten verkündet wer-den. Zu allen Zeiten hat es den Herrn und den Knecht gege-ben. Gut und schlecht. Arm und reich. Hoch und tief. Rechts und links. Vorschrift bleibt Vorschrift.“


Guntram Vesper (Frohburg, 28 mei 1941)
Cover

 

De Duitse schrijver Frank Schätzing werd geboren in Keulen op 28 mei 1957. Zie ook alle tags voor Frank Schätzing op dit blog.

Uit: Breaking News

„Die Vorstellung beginnt von Hagen Besitz zu ergreifen, dass sie ihm genau einen der Säcke verpasst haben, unter denen sich die Entführten an den Szenarien ihres Sterbens abgearbeitet haben. Als seien nicht Hunderte solcher Säcke im Umlauf, Tausende. Wer stellt sowas eigentlichher, denkt er. Gibt es einen Versandhandel für Geiselnehmer? – Aktionswochen, jetzt zugreifen! Kapuze, blickdicht, in S, M oder L, exzellente Qualität, ein Jahr Garantie, sofort lieferbar. Dazu Fußfesseln ›Dadullah‹ mit geräuscharmem Klickverschluss. Nie wieder Knotenmachen, wenn’s schnell gehen muss, klick, und die Fessel sitzt. Bei Abnahme von zehn Sets gibt es den Folterkasten ›Fromme Taten‹ als Gratisgeschenkdazu,alsozögernSienicht!RufenSiejetztan,verschlüsselt unter – Degas. Keller. Bakhtari. Seit Husain ihm eröffnet hat, den Aufenthaltsort der drei Entwicklungshelfer zu kennen, die seit anderthalb Monaten vermisst werden, denkt Hagen an nichts anderes. Zwei Mitarbeiter einer deutschen Hilfsorganisation und ihr einheimischer Fahrer, auf dem Weg nach Qowngowrat im nördlichen Kunduz­Delta verschollen, wohin sie mit einerWagenladungMedikamenteundInfusionslösungenaufgebrochen waren. Nie angekommen. Zuletzt gesehen in der Gegend um Aqli Bur, einem Kaff, das zwischen Reisfeldern und Melonenplantagen in eine Hügelkette gekrümelt liegt, keine zehn Kilometer von Kunduz­Stadt entfernt. Das Übliche. Lehmbauten, Strohdächer, Ziegen, winkende Kinder. Dort sind sie verschwunden. DreiTagespäterinformiertdieOrganisation–HealAfghanistan,ein Name, dem das Odium der Selbstüberschätzung anhaftet – das Auswärtige Amt und gibt eine Pressemeldung heraus. Der Faktengehalt geht gegen null. Es gibt kein Bekennervideo, keine Forderung.“

 
Frank Schätzing (Keulen, 28 mei 1957)

 

De Ierse schrijfster en columniste Maeve Binchy werd geboren op 28 mei 1940 in Dalkey. Zie ook alle tags voor Maeve Binchy op dit blog.

Uit: Minding Frankie

“Yes, but she wants a hairdo.”
“You mean she trusts us again?” Sometimes life was extraordinary.
“No, I don’t think she was ever here before. . . .” He looked bewildered.
“And your interest in all this, Father?”
“I am Brian Flynn and I am acting chaplain at St. Brigid’s Hospital at the moment, while the real chaplain is in Rome on a pilgrimage. Apart from being asked to bring in cigarettes and drink for the patients, this is the only serious request I’ve had.”
“You want me to go and do someone’s hair in hospital?”
“She’s seriously ill. She’s dying. I thought she needed a senior person to talk to. Not, of course, that you look very senior. You’re only a girl yourself,” the priest said.
“God, weren’t you a sad loss to the women of Ireland when you went for the priesthood,” Katie said. “Give me her details and I’ll bring my magic bag of tricks in to see her.”
“Thank you so much. I have it all written out here.” Father Flynn handed her a note.
A middle-aged woman approached the desk. She had glasses on the tip of her nose and an anxious expression.
“I gather you teach people the tricks of hairdressing,” she said.
“Yes, or more the art of hairdressing, as we like to call it,” Katie said.
“I have a cousin coming home from America for a few weeks. She mentioned that in America there are places where you could get your hair done for near to nothing cost if you were letting people practice on you.”
“Well, we do have a students’ night on Tuesdays; people bring in their own towels and we give them a style. They usually contribute five euros to a charity.”
“Tonight is Tuesday!” the woman cried triumphantly.
“So it is,” Katie said through gritted teeth.
“So, could I book myself in? I’m Josie Lynch.”
“Great, Mrs. Lynch—see you after seven o’clock,” Katie said, writing down the name. Her eyes met the priest’s. There was sympathy and understanding there.
It wasn’t all champagne and glitter running your own hairdressing salon.”


Maeve Binchy (28 mei 1940 – 30 juli 2012)
Hier bij een portret door Maeve McCarthy in 2015

 

De Britse schrijver Ian Fleming werd geboren op 28 mei 1908 in Londen. Zie ook alle tags voor Ian Fleming op dit blog.

Uit: Thunderball

“Would you like to know what I think of you?’ She smiled. ‘Every woman likes to hear about herself. Tell me, but make it sound true, otherwise I shall stop listening.’ `I think you’re a young girl, younger than you pretend to be, younger than you dress. I think you were carefully brought up, in a red-carpet sort of way, and then the red carpet was suddenly jerked away from under your feet and you were thrown more or less into the street. So you picked yourself up and started to work your way back to the red carpet you had got used to. You were probably fairly ruthless about it. You had to be. You only had a woman’s weapons and you probably used them pretty coolly. I expect you used your body. It would be a wonderful asset. But in using it to get what you wanted, your sensibilities had to be put aside. I don’t expect they’re very far underground. They certainly haven’t atrophied. They’ve just lost their voice because you wouldn’t listen to them. You couldn’t afford to listen to them if you were to get back on that red carpet and have the things you wanted. And now you’ve got the things.’ Bond touched the hand that lay on the banquette between them. ‘And perhaps you’ve almost had enough of them.’ He laughed. ‘But I mustn’t get too serious. Not about the smaller things. You know all about them, but just for the record, you’re beautiful, sexy, provocative, independent, self-willed, quick-tempered, and cruel.’ She looked at him thoughtfully. ‘There’s nothing very clever about all that. I told you most of it. You know something about Italian women. But why do you say I’m cruel?’ `If I was gambling and I took a knock like Largo did and I had my woman, a woman, sitting near me watching and she didn’t give me one word of comfort or encouragement I would say she was being cruel. Men don’t like failing in front of their women.’ She said impatiently, ‘I’ve had to sit there too often and watch him show off. I wanted you to win. I cannot pretend. You didn’t mention my only virtue. It’s honesty. I love to the hilt and I hate to the hilt. At the present time, with Emilio, I am half way. Where we were lovers, we are now good friends who understand each other. When I told you he was my guardian, I was telling a white lie. I am his kept woman. I am a bird in a gilded cage. I am fed up with my cage and tired of my bargain.’


Ian Fleming (28 mei 1908 – 12 augustus 1964)
Cover

 

De Nederlandse schrijver en dichter Sjoerd Leiker werd geboren in Drachten op 28 mei 1914. Zie ook alle tags voor Sjoerd Leiker op dit blog.

Uit: Kind van het elysium

“Het bruine Pierke heeft tot dezen stond geen lang verhaal van zijn leven. Het ventje is nu vijf jaar oud.
Vijf jaar geleden werd hij geboren in een klein huis met een bladeren dak. Daar dichtbij stond een palmboom, roerloos in den zengenden zon van Nederlandsch Oost-Indië. Met dezen naam was zeer in het bijzonder zijn vader verbonden. Zijn vader was fuselier van het Indisch leger. Zijn moeder was een bruine vrouw, een Javaansche. Hij heeft haar oogen, heur blauwzwarte haren en haar tengere gestalte als een onvervreemdbaar erfdeel meegekregen naar dit koude land: Nederland, Friesland.
De vader van het bruine Pierke kreeg groot verlof. Hij mocht in Friesland of ook in Indië zijn pensioen gaan beuren en behoefde er niet dát voor te doen. Geen slag. Hij kon tot aan zijn dood toe de lijn trekken.
Hij kwam te wonen in het huis met het bladeren dak en zag gaarne vanuit de schaduw hoe de kinders zich vermeiden in het heete zand. Maar toen hij daar zoo zat en al in geen maand gehoorzaamd had aan eenig bevel, geeft acht, linksom en rechtsom, werd hij peinzend en treurig. Hij schreef een brief naar zijn moeder, om wie hij eigenlijk nooit gegeven had en die zelf blij was, dat hij met zijn ongedurigheid onder de knoet van het leger zat. Nu schreef hij sentimenteel over het leven, dat hem murw gemaakt had, over zijn jammerlijke fouten van vroeger, over zijn goede hoedanigheden van thans en over zijn pensioen. Hij schreef niet over zijn vrouw, de bruine vrouw, en evenmin over zijn kinderen. Hij zou zoo graag weer bij zijn moeder de beenen om de kachel strekken, wat pijpje rooken, zooals vader vroeger deed en eens weer met wanten aan door een kouden wintermorgen stappen. En schaatsen…… Neen, daar kwam hij niet aan toe. Dat was haast te mooi om aan te denken. Hij kon wel schreien van heimwee.”


Sjoerd Leiker (28 mei 1914 – 15 december 1988)

 

De Russische schrijver en dichter Vladislav Felitsianovitsj Chodasevitsj werd geboren in Moskou op 28 mei 1885. Zie ook alle tags voor Vladislav Chodasevitsj op dit blog.

Ondeugd en dood

Ondeugd en dood! Wat een verleiding gloeit,
en hoeveel wellust ademt er in een klein woord!
De ondeugd en de dood steken met eendere angel,
en alleen hij ontkomt aan hun gesels
die het geheimzinnige woord op het hart bewaart –
de troostende sleutel van een ander bestaan.

 

Ineens werden vanuit de wolken

Ineens werden vanuit de wolken
het tafeltje en de koude thee verguld.
Kalm aan, winters hemellichaam,
val niet achter het zwarte bos!

Laat nog wat glanzen in blozende pracht,
nog wat krassen met de vlijtige pen.
In zijn bedrijvig knersen leeft
heel de zucht over mijn bestaan.

Met een trillende, stekelige stroom
rent hij van de gesplitste punt –
en op het brede blad sta ik dan
afgespiegeld… nee, niet ik:

slechts een hoekige kromme,
het vluchtige profiel van die hoogten,
waar, opgaand en neervallend,
mijn geest lijdt en leeft.

Vertaald door Jan Paul Hinrichs

 
Vladislav Chodasevitsj (28 mei 1885 – 14 juni 1939)Rond 1915

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e mei ook mijn blog van 28 mei 2017 deel 2 en ook mijn blog van 28 mei 2016.

Meg Wolitzer

De Amerikaanse schrijfster Meg Wolitzer werd geboren op 28 mei 1959 in Brooklyn, New York. Zie ook alle tags voor Meg Wolitzer op dit blog.

Uit: The Wife

“He looked over at me suddenly, watched my face, and said, “What’s the matter? You look a little . . . something.” “No. It’s nothing,” I told him. “Nothing worth talking about now, anyway,” and he accepted this as a good-enough answer, returning to his plate of Tollhouse cookies, a small belch puffing his cheeks out froglike, briefly. It was difficult to disturb this man; he had everything he could possibly ever need. He was Joseph Castleman, one of those men who own the world. You know the type I mean: those advertisements for themselves, those sleepwalking giants, roaming the earth and knocking over other men, women, furniture, villages. Why should they care? They own everything, the seas and mountains, the quivering volcanoes, the dainty, ruffling rivers. There are many varieties of this kind of man: Joe was the writer version, a short, wound-up, slack-bellied novelist who almost never slept, who loved to consume ninny cheeses and whiskey and wine, all of which he used as a vessel to carry the pills that kept his blood lipids from congealing like yesterday’s pan drippings, who was as entertaining as anyone I have ever known, who had no idea of how to take care of himself or anyone else, and who derived much of his style from The Dylan Thomas Handbook of Personal Hygiene and Etiquette. There he sat beside me on Finnair flight 702, and whenever the brunette brought him something, he took it from her, every single cookie and smokehouse-treated nut and pair of spongy, throwaway slippers and steaming washcloth rolled Torah-tight. If that luscious cookie-woman had stripped to her waist and offered him one of her breasts, mashing the nipple into his mouth with the assured authority of a La Leche commandant, he would have taken it, no questions asked. As a rule, the men who own the world are hyperactively sex-ual, though not necessarily with their wives. Back in the 1960s, Joe and I leaped into beds all the time, occasionally even during a lull at cocktail parties, barricading someone’s bedroom door and then climbing a mountain of coats. People would come banging, wanting their coats back, and we’d laugh and shush each other and try to zip up and tuck in before letting them enter. We hadn’t had that in a long time, though if you’d seen us here on this airplane heading for Finland, you’d have assumed we were content, that we still touched each other’s sluggish body parts at night. “Listen, you want an extra pillow?” he asked me. “No, I hate those doll pillows,” I said. “Oh, and don’t forget to stretch your legs like Dr. Krentz said.”

Meg Wolitzer (New York, 28 mei 1959)

Linda Pastan, Niels ’t Hooft, Jan Blokker, Louis-Ferdinand Céline, Georges Eekhoud, Said, John Cheever, John Barth, Max Brod

De Amerikaanse dichteres Linda Pastan werd geboren op 27 mei 1932 in New York. Zie ook alle tags voor Linda Pastan op dit blog.

Something About The Trees

I remember what my father told me:
There is an age when you are most yourself.
He was just past fifty then,
Was it something about the trees that make him speak?

There is an age when you are most yourself.
I know more than I did once.
Was it something about the trees that make him speak?
Only a single leaf had turned so far.

I know more than I did once.
I used to think he’d always be the surgeon.
Only a single leaf had turned so far,
Even his body kept its secrets.

I used to think he’d always be the surgeon,
My mother was the perfect surgeon’s wife.
Even his body kept its secrets.
I thought they both would live forever.

My mother was the perfect surgeon’s wife,
I can still see her face at thirty.
I thought they both would live forever.
I thought I’d always be their child.

I can still see her face at thirty.
When will I be most myself?
I thought I’d always be their child.
In my sleep it’s never winter.

When will I be most myself?
I remember what my father told me.
In my sleep it’s never winter.
He was just past fifty then.

 

What We Want

What we want
is never simple.
We move among the things
we thought we wanted:
a face, a room, an open book
and these things bear our names–
now they want us.
But what we want appears
in dreams, wearing disguises.
We fall past,
holding out our arms
and in the morning
our arms ache.
We don’t remember the dream,
but the dream remembers us.
It is there all day
as an animal is there
under the table,
as the stars are there
even in full sun.

 

Vermilion

Pierre Bonnard would enter
the museum with a tube of paint
in his pocket and a sable brush.
Then violating the sanctity
of one of his own frames
he’d add a stroke of vermilion
to the skin of a flower.
Just so I stopped you
at the door this morning
and licking my index finger, removed
an invisible crumb
from your vermilion mouth. As if
at the ritual moment of departure
I had to show you still belonged to me.
As if revision were
the purest form of love.

Linda Pastan (New York, 27 mei 1932)

 

 

De Nederlandse schrijver, journalist, blogger en gamedeskundige Niels ’t Hooft werd geboren in Leiderdorp op 27 mei 1980. Zie ook alle tags voor Niels ‘t Hooft op dit blog.

Uit: De verdwijners

“De
vorige keer dat ze haar ouders om hulp had gevraagd, was dat uitgelopen
op een drama. Inmiddels wilde ze niet alleen Isobel opsporen, maar
waren er nieuwe problemen ontstaan door de afwezigheid van haar zusje:
Marthes psychologiestudie was uitgelopen, en haar spaargeld was opgegaan
aan de huur van het gezamenlijke zolderappartement, dat ze nu in haar
eentje bewoonde. ‘We hebben jou en Isobel tot jullie achttiende
gespekt,’ hadden ze gezegd. `We hebben een fortuin in jullie opleidingen
gestoken. Wat verwacht je in vredesnaam nog meer van ons? We hebben
Isobel steeds onderdak geboden na haar zelfmoordpogingen en haar
psycholoog betaald. Wij vinden het een opluchting dat ze rust heeft
gevonden in Amerika. Ben jij daar dan niet blij mee?’ Er was iets
losgeschoten in Marthes hoofd. Ze was zeldzaam kwaad geworden en gaan
schreeuwen. Haar ouders hadden haar hoofdschuddend het huis uit gezet.
Dit waren mensen die hun hond beter begrepen dan hun bloedeigen dochter.
Het stinkbeest. Ook nu gebeurde aanvankelijk waarvoor ze had gevreesd.
Het gesprek ging er in eerste instantie over hoe zwaar zij het hadden,
twee ploeterende Hollanders die de last van de wereld op hun schouders
droegen. Over hun moeizame relatie en de bijbehorende therapie. Over de
perikelen in het ziekenhuis, haar moeder was arts, en over de krimp in
de 1T -sector, haar vader was reorganisatiemanager. Maar gaandeweg was
de toon veranderd, of misschien had Marthe met een ander oor geluisterd.
`Laat me even uitpraten,’ had haar moeder gezegd. ‘Hoe het filmpje ook
is gemaakt, waar in de wereld ze zich ook bevindt, Isobel wil ons
vertellen dat we ons geen zorgen moeten maken. Je vader en ik hebben ons
bij die boodschap neergelegd, en misschien moet jij dat ook doen.
Isobel zal altijd onze dochter zijn, tot het bittere eind heeft zij een
plekje in ons hart. Daar verandert dit niets aan. Ze zal ook altijd jouw
zusje zijn. Juist daarom zou je verder moeten gaan met je eigen leven.’
Haar vader was naar de kast in de voorkamer gelopen. ‘Kijk eens,’ zei
hij. Hij pakte een Google-bril uit zijn postvakje. Marthe zag dat het
een nieuw model was, met een buffelhoornen montuur waarin de techniek nu
onzichtbaar was verwerkt. ‘De bril legt beelden op de wereld om me
heen. Extra informatie, ontzettend handig. Hij laat me bijvoorbeeld zien
wat de route naar de supermarkt is, en wat jouw hobby’s zijn.’ `Dat
weet ik toch allang,’ had Marthe gezegd. Haar vader zette de bril op en
tikte met zijn wijsvinger tegen de zijkant. ‘Je moeder en ik hebben oude
beelden van Isobel laten bewerken. Homevideo’s, dat soort dingen. Haar
beeltenis is vrijstaand gemaakt en reageert realistisch op de omgeving.’
Er verscheen een glimlach op zijn gezicht. Marthe beet op haar
onderlip. ‘Nu is ze altijd bij ons, als we dat willen.’ Marthe zag haar
vaders ogen vochtig worden. ‘Wil je ook?’ zei hij. ‘Ze heeft nu het
spijkerjasje aan dat ze kreeg op haar vijftiende verjaardag.’

Niels ’t Hooft (Leiderdorp, 27 mei 1980)

 

De Nederlandse schrijver, journalist en columnist Jan Blokker werd geboren in Amsterdam op 27 mei 1927. Zie ook alle tags voor Jan Blokker op dit blog.

Uit: Séjour

“De vrouw zette haastig de boodschappentas naast zich neer en knielde. Tien roodgelakte nagels rustten op de smalle handruggen. Ze schraapte haar keel, keek vluchtig naar de priester en viel in: … que vous nous voyez, que vous nous entendez, que vous connaissez toutes nos pensées, tous nos désirs, les mouvements les plus secrets de nos coeurs… Ze merkte niet, dat haar tas omviel; ze zou evenmin gemerkt hebben, dat ik naast haar schoof. Maar ik schoof niet naast haar. Ik zat in de nachttrein uit Parijs, die net Aurillac had gepasseerd, waar het daagde. We stegen, het bergland van Cantal in. Ik vertelde het meisje tegenover me, dat in Brives was ingestapt, van de mensen die ik in onze coupé had ontmoet sinds ik Parijs verliet, de vorige avond. Een reis als een destillatie, een gefractionneerde. Ze scheen vaag te begrijpen hoe complimenteus mijn relaas voor haar was. Ik noemde de naam Chateauroux, die ze kende. In het holst van de nacht was de trein er binnengelopen. Er waren uit mijn coupé drie mensen gestapt, ik bleef alleen over. Ik had het gevoel dat daarna de trein voor mij alleen reed, maar er moeten nog andere mensen in gezeten hebben. Toch was de destillatie niet voltooid: uit de laatste fractie was damp, gezuiverde damp overgebleven, die condenseerde in Brives van waar het meisje naar Murat reisde, waar de vrouw haar morgengebed zei.
We passeerden een dorp: Polminhac. In de ijle morgen van het hoogland hoorde ik een lichte, hoge stem: ‘J’ai un papillon dans ma main …’ De woorden vormden een melodie, een concert desnoods. De zwevende klank van het ‘main’ bleef in de coupé hangen, nauwelijks vermengd met het harde ratelen van de spoorwagens.
– Bent u hier voor het eerst? vroeg het meisje.
Ik knikte en zag haar wegvallen in gedachten, in een ernstig pogen, zich de omgeving, die haar zeer bekend moest zijn, als nieuw voor te stellen. Zij keek naar buiten. Tegen de steile berghellingen tornden de hoge sparren tot ze de strijd om hun evenwicht verloren en zich moesten vernederen tot struiken en stronken tenslotte. Het meisje zag ze, nieuw en bekend. Ze dacht waarschijnlijk aan de burons en hoorde het melodieuze bellen van de koeien, dat ik nog niet kende. Of aan een bergtocht, een beklimming. Hier wordt hoog boven de aarde bemind.
– Komt u van Parijs? vroeg ze.
– Van nog veel verder, zei ik.
Ze lachte alsof ze het niet geloofde. Daarna moest ze niezen. Ze hief hoog haar hoofd op en ik zag twee neusgaten, sierlijk-kleine olijfbladen.”

Jan Blokker (27 mei 1927 – 6 juli 2010)
In 1966

 

De Franse schrijver Louis-Ferdinand Céline (pseudoniem van Louis Ferdinand Destouches) werd geboren in Courbevoie op 27 mei 1894. Zie ook alle tags voor Louis-Ferdinand Céline op dit blog.

Uit: Journey to the End of the Night (Vertaald door Ralph Mannheim)

“Suddenly our street widened, like a crevasse opening out into a bright clearing. Up ahead of us we saw a great pool of sea-green light, wedged between hordes of monstrous buildings. And in the middle of the clearing stood a rather countrified-looking house, surrounded by woebegone lawns.
I asked several people in the crowd what this edifice was, but most of them pretended not to hear me. They couldn’t spare the time. But one young fellow right next to me was kind enough to tell me it was City Hall, adding that it was an ancient monument dating back to colonial times, ever so historical… so they’d left it there… The fringes of this oasis formed a kind of park with benches, where you could sit comfortably enough and look at the building. When I got there, there was hardly anything else to see.
I waited more than an hour in the same place, and then toward noon, from the half-light, from the shuffling, discontinuous, dismal crowd, there erupted a sudden avalanche of absolutely and undeniably beautiful women.
What a discovery! What an America! What ecstasy! I thought of Lola… Her promises had not deceived me! It was true.
I had come to the heart of my pilgrimage. And if my appetite hadn’t kept calling itself to my attention, that would have struck me as one of those moments of supernatural aesthetic revelation. If I’d been a little more comfortable and confident, the incessant beauties I was discovering might have ravished me from my base human condition. In short, all I needed was a sandwich to make me believe in miracles. But how I needed that sandwich!
And yet, what supple grace! What incredible delicacy of form and feature! What inspired harmonies! What perilous nuances! Triumphant where the danger is greatest! Every conceivable promise of face and figure fulfilled! Those blondes! Those brunettes! Those Titian redheads! And more and more kept coming! Maybe, I thought, this is Greece starting all over again. Looks like I got here just in time.
What made those apparitions all the more divine in my eyes was that they seemed totally unaware of my existence as I sat on a bench close by, slap-happy, drooling with erotico-mystical admiration and quinine, but also, I have to admit, with hunger. If it were possible for a man to jump out of his skin, I’d have done it then, once and for all. There was nothing to hold me back.
Those unlikely midinettes could have wafted me away, sublimated me; a gesture, a word would have sufficed, and in that moment I’d have been transported, all of me, into the world of dreams. But I suppose they had other fish to fry.”

Louis-Ferdinand Céline (27 mei 1894 – 1 juli 1961)

 

De Belgische Franstalige schrijver Georges Eekhoud werd in Antwerpen geboren op 27 mei 1854. Zie ook alle tags voor Georges Eekhoud op dit blog.

Uit: Kees Doorik (Vertaald door August Peeters)

“Nelis Cramp was veel te slim, om niet te begrijpen, wat al voordeelen die openbare liefdadigheid opleveren kon, vooral voor een wroeter en een gierigaard als hij. Als ’t maar voor den scharbij was, deed hij voor niemand onder, en, zoo hij van den beginne af van dit middel geen gebruik gemaakt had om nog maar toe te potten, dan was het slechts, dat er hem nog een greintje eigenliefde overschoot.
Wat zouden de benijders en rondbrievers van Dinghelaar wel niet gezegd hebben, indien Nelis Cramp, de welgezette grondeigenaar van de Wit-Hoef, zijn toevlucht niet meer nam tot de eerlijke diensten van een struischen kerel der streek, om de zwakke armen van een stadskind uit te buiten. Wat een gebabbel! En wat zouden ze af te keuren vinden!
Nochtans, na al de leegloopers en stakkers van ’t omliggende in dienst gehad te hebben, – hij kon er geen enkelen houden, want ze lieten ’t allen bij hem staan, nog méer uitgehongerd dan ze binnen gekomen waren, tenminst als de pachter ze zelf nog niet doorzond, daar hij het karig loon en de harde korst brood nóg te veel betaald vond voor hun zwoegen – besloot hij, al moest zijn schrokkigheid hem het laatst aanzien in de streek kosten, zoo’n verstooteling van ’t ‘Gesticht’ in te nemen. De duivel hale hem, zoo hij ’t niet deed!
Niet alleen zou Nelis hem doen wroeten gelijk een volwassene, maar op den koop toe zou hij het kostgeld, dat die goede, liefdadige lieden uit de stad hem uitbetaalden, nog in den zak steken.
Kees zag dikwijls Cramp terug in den geest, gelijk hij was dien heuglijken dag, op zijn vijf en vijftigste jaar: aamborstig en ineengedrogen, met afgebrokkelde, zwarte tanden, galachtig, het vel zoo verfrommeld als een mispel; met leepoogen, een grijnzende lip, en een als weggedrukten platneus. Peper- en zoutachtige, pikkige haarklissen plakten op zijn slapen, en in de groote, behaarde ooren, die hem wijd van het hoofd stonden, droeg hij zilveren ringskens, als behoedmiddel voor ’t gezicht.
Hij onderbrak slechts zijn opwerpingen betreffende het smeeg uitzicht van den wees, om een trek te doen aan zijn korte, zabberig en doorgerookte steenen pijp – met een dekseltje van koperdraad, dat aan den steel bevestigd was -, of om groenige fluimen in ’t zandbakje te spuwen. Onder zijn borstelige, tot een helm samenlooepnde wenkbrauwen schenen zijn grijze oogen te slapen, onbetrouwbaar, gelijk de stilstaande moerassen in de griendlanden.
De bestuurder drong nog eens aan:
– Hij kan al lezen! Hij is zoo zacht als een lammeken en gehoorzaam gelijk ‘nen hond. Toe, wat geeft ge voor ‘

Georges Eekhoud (27 mei 1854 – 29 mei 1927)

 

De Duits-Iraanse dichter en schrijver Said werd geboren op 27 mei 1947 in Teheran. Zie ook alle tags voor Said op dit blog.

Uit: Der lange Arm der Mullahs

„20. Juni 1981

Heute ist Said Sultanpur zusammen mit acht anderen hingerichtet worden. Er wurde bei seiner Hochzeit verhaftet und jetzt wegen Devisenschmuggels exekutiert.
Er war Dichter, Dramatiker, Schauspieler und Regisseur. Hier eine Geschichte von Said Sultanpur, der auch schon zu Zeiten des Schahs wiederholt im Gefängnis saß. Diese Geschichte erzählte er unmittelbar nach dem Sturz des Schahs bei einer Dichterlesung in Teheran: „1976 übersetzte ich ein Stück von Maxim Gorki, Die Parasi-ten, fand einen Intendanten, der bereit war, das Stück unter meiner Regie in seinem Theater aufzuführen, und fand auch die Schauspieler, die ich brauchte. Dann trug ich das Manuskript zur Zensurbehörde des SAVAK. Auf dem Manuskript standen vorschriftsmäßig der Name des Autors Maxim Gorki, mein Name als Übersetzer, der Name des Theaterintendanten und die Namen der Schauspieler. Ich bat also offiziell um die Genehmigung, das Stück auffüh-ren zu dürfen. Man nahm mir das Manuskript ab, schrieb meine Adresse auf und teilte mir mit, ich werde von der Be-hörde hören. Nach einigen Wochen erhielt ich einen Brief vom SAVAK, in dem man mich aufforderte, an einem bestimmten Tag vorstel-lig zu werden. Weiter unten stand deutlich und von Hand un-terstrichen: ,Der Autor des Stücks ist unbedingt mitzubringen.’ Der SAVAK wollte 1976 Maxim Gorki sehen.” Sultanpur hat all das mit- und überlebt. Dann wurde er vom Regime Chomeinis hingerichtet, während wir noch darüber witzelten, ob er in seiner Hoch-zeitsnacht nichts Besseres zu tun gehabt hätte, als Devisenschmuggel zu betreiben.
Herbst 1981
Puran wurde hingerichtet. Sie war eine schöne Frau, großgewachsen, charakterfest, intelligent und wortgewandt. Als sie hingerichtet wurde, war sie vielleicht 29 Jahre alt. Wir waren gute Freunde, hatten aber nie ein erotisches Verhältnis.“

Said (Teheran, 27 mei 1947)

 

De Amerikaanse schrijver John Cheever werd geboren op 27 mei 1912 in Quincy, Massachusetts. Zie ook alle tags voor John Cheever op dit blog.

Uit: The Journals of John Cheever

“Prolly
want a crackeer.” Woke tired and took the 7:44. The river blanketed
with a mist. The voices overheard. “Well, then she boiled it and then
she broiled it.” He raised his face and drew over it a beatific look as
if he were tasting last night’s dinner again. “Well, we’ve got one of
those electric rotisseries.” “Oh, New York’s nothing like Chicago;
nothing like it.” On Twenty-third Street I read a sign: “DON’T LOSE YOUR
LOVED ONE BECAUSE OF UGLY FAT.” There was a window full of crucifixes
made out of plastic. The surface of the city is paradoxical. For a mind
cast in paradox it is reassuring to find this surface. Thinking again,
in the dentist’s chair, that I am like a prisoner who is trying to
escape from jail by the wrong route. For all one knows, that door may
stand open, although I continue to dig a tunnel with a teaspoon. Oh, I
think, if I could only taste a little success. But don’t I approach it
by deepening the pit in which I stand? Mary in the morning, asleep,
looking like the girl I fell in love with. Her round arms lie outside
the covers. Her brown hair is loose. The abiding quality of seriousness
and pureness.In the dark hour you cannot call on goods and chattels to
save you, or old ski trails or the paths to streams. You must find
something greater. And the mind in which the forces of contumely and
destruction seem greater than the forces of creativity. Creativity is
there, but it seems, in relation to the forces of destruction, like the
nipple on a balloon. So, made up of so much destruction and with such a
slender knowledge of love he appears poorly as a husband, son, and
lover—masked in a rag of a smile and a striped tie and a few faint
observations. Oh so deeply rooted in this mind are the needs and the
habits of prayer. Having triumphantly separated himself from the
foolishness of religion, he goes by the church—he hears the bells in the
morning—in the churlish and unhappy frame of mind of a man who has been
excommunicated. He feels the lash of expulsion. And oh this poor mind,
casting desperately around a room for some detail that will give it form
and meaning, seizes always on an ashtray heaped with butts or a crooked
stocking, a tear in the rug. And then he sees the sky! the poignant
blue, the line of darkness rising like a lid; the perfect clearness of
line and color that means that a northwest wind has scoured the overcast
and blown it out to sea. So his mind wanders between the ashtray and
the twilight while most of the known world lies somewhere in between. He
worries, he worries about his mustache, his old navy raincoat, his
weight, his hair, his teeth, the stiffness in his left knee, and if his
anxiety ever transcends this it is to worry about a nation of paltry
men, conceived in his image and likeness—or, if he is a world
federalist, to worry about a world. Why has the sweetness gone? It would
all come back with a new car or a bonus or a little of the recognition
that he deserves for his hard work.”

John Cheever (27 mei 1912 – 18 juni 1982)
Portret door Henry Koerner, 1964

 

De Amerikaanse schrijver John Barth werd geboren op 27 mei 1930 in Cambridge, Maryland. Zie ook alle tags voor John Barth op dit blog.

Uit:Where Three Roads Meet

“Not to mention what one learned from him in the classroom, as one’s junior instructor in Literature & Philosophy I & II, about Homer and Virgil (and Sappho and Petronius and Catullus), Plato and Aristotle (and the Gnostics and the Kabbalists), Dante and Chaucer and Boccaccio (and Scheherazade and Somadeva, Poggio and Aretino and Rabelais), and other classics on (and off) one’s freshman/sophomore syllabus, up to and including James Joyce’s Ulysses (and Finnegans Wake) …
“And trivia, class, as you may have heard, comes from Latin trivium: literally, a place where three roads intersect-as in Sophocles?-but by extension any public square where people swap idle gossip.” The Trivium was also (he went on) the medieval division of the seven liberal arts into Grammar, Logic, and Rhetoric-not to be confused with Cambridge University’s tripos, which was a different story altogether: “Okay?”
If you say so, Teach. And so indeed Al said, back then back there, in class and out-all which curricular and extracurricular input Will Chase eagerly “downloaded,” as one might put it three decades later, his own background having been a different story indeed from Alfred Baumann’s: Depression-era child of minimally schooled though by no means unintelligent small-town storekeepers in the state’s least affluent county; graduate of a wartime local public school system so strapped for funds and faculty that its eleventh grade was perforce one’s senior year, whence nearly none of the seventeen-year-old diplomates “went off” to college- especially if they’d been lucky enough to escape military service and thus unlucky enough to have no GI Bill to subsidize a higher education that, as a group, they weren’t competitive for admission to anyhow. A few of the girls managed nursing school, secretarial school, or the nearby teachers college; most became store clerks, telephone operators, beauticians, or/and young housewives and mothers. Most of the boys found jobs in local offices and retail stores or became tradesmen, farmers, or crab-and-oyster watermen like their dads before them. A few enlisted in the peacetime military.
And a handful shrug-shoulderedly took the application exam one spring afternoon for “senatorial” scholarships (whereof every Annapolis legislator was allotted a few to award and then to renew or redistribute annually) to various colleges and universities in the Old Line State. Having so done, the applicants proceeded to their summer employment fully expecting that at season’s end it would become their real employment: their life’s work.
Which, however, in Will Chase’s case and that of a few others in his (all-white) graduating class, it did not. Since junior high school-or “upper elementary,” as sixth and seventh grades were called in that abbreviated system-the lad had made an avid, if noisy, hobby of jazz percussion, and with comparably amateur-but-dedicated classmates on piano, trombone, and alto saxophone had formed a combo to play weekend dances at the local yacht and country club.”

John Barth (Cambridge, 27 mei 1930)

 

De Tsjechisch-Israëlische dichter, schrijver, criticus en componist Max Brod werd geboren in Praag op 27 mei 1884. Zie ook alle tags voor Max Brod op dit blog.

Uit: Lord Byron kommt aus der Mode

„„AUGUSTA: Eine alberne Geschichte.
BYRON: Erzähle.
AUGUSTA: Sie ist ziemlich unanständig.
BYRON: Bitte.
AUGUSTA: Nein.
BYRON: Bitte.
AUGUSTA: Niemals. Ich sag’s nicht.
BYRON: Du mußt. AUGUSTA: Müssen?
BYRON: Mein altes Mittel. Aus Aberdeen.
AUGUSTA: Was denn?
BYRON: Weißt du’s nicht mehr? Ich drücke dir die Hand blau —
AUGUSTA (ist schon vorhin zurückgewichen): Das wirst du nicht.
BYRON: Wer hindert mich. (Verfolgt sie erst um den kleinen, dann um den großen Tisch herum) AUGUSTA: Weil du mich nicht fängst!
BYRON
(ereilt sie): Und doch! (Ihre Hand an sich reißend —plötzlich ernst) Es
ist meine Hand. Ich kann dir nichts tun. — Und Augen, Mund — alles wie
bei mir, als sähe ich hinab, zurück, ins Rätsel meiner Zeugung. (Er
streicht ihr über Haar und Wangen) Unseres gemeinsamen Vaters Kopf.
AUGUSTA (ihre Hand losmachend): Er war gewalttätig wie du.
BYRON (wieder heftiger): Jetzt erzähle deine Geschichte.
AUGUSTA: Ich will nicht.
BYRON: Du weißt: schon als Kind hat es mich verrückt gemacht, wenn du ein Geheimnis vor mir hattest. (Pause)“

Max Brod (27 mei 1884 – 20 december 1968)
Hier echts met regisseurs van het Habimah theater in Tel Aviv

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e mei ook mijn blog van 27 mei 2018 deel 2.