Bart Koubaa, Sylvie Marie, Stephen Spender, John Montague, Josef Svatopluk Machar, Luc Dellisse, Marcel Pagnol, Benedict Wells, Martin Suter

De Vlaamse schrijver Bart Koubaa (pseudoniem van Bart van den Bossche) werd geboren op 28 februari 1968 in Eeklo. Zie ook alle tags voor Bart Koubaa op dit blog.

Uit: Ninja Nero

“Het onschuldige vlammetje dat op het kopje danste van de tweede lucifer die Jona Van Rein had afgestreken, was opgerezen tot een woeste zee van torenhoge vuurtongen die met zichtbaar plezier de eikenhouten vloer en houten muren, de boekenkast, de bamboeladder ertegen en de vleugelpiano met erop de ingelijste foto en erboven het abstracte schilderij verslonden. Het eerste lucifertje was middendoor gebroken en brandend op de doorleefde planken gevallen waar het voor zijn voeten was gedoofd. Het tweede lucifertje echter had hij een paar seconden triomfantelijk voor zich uit gehouden voor hij het op de in benzine gedrenkte aan elkaar geknoopte lakens smeet waardoor het vuur als een westelijke windstoot in een bootzeil ontvlamde en stiller dan verwacht langs de witte benzinelont naar zijn doel kroop: de moderne Steinway.
Terwijl de hitte en de rookontwikkeling binnen toenamen en de vlammen van de vleugelpiano oversprongen naar het schilderij, de gordijnen en de boekenkast, liep Jona Van Rein, die een poosje met hongerige ogen het spektakel had aanschouwd, via de klapdeur achter in de keuken over het terras diep het sombere stoppelveld achter het huis in, waar hij glimlachend de vernietigende vuurkroon met een oog dichtgeknepen tussen duim en wijsvinger gadesloeg en daarna als een indiaan rond de flarden wit licht danste die hij in de plassen tussen de stoppels verspreid zag oplichten. Dat hij zo uitgelaten in de modder de regen. en vuurgoden tegen elkaar opzette besefte de dertienjarige Jona Van Rein niet, en toen het in de verre donkerte begon te rommelen en de wind de vlammen in de vuurzee aanwakkerde verstomde hij een moment, trok zijn linkerschoen uit de slurpende modder en rende naar het in lichterlaaie staande ouderlijke huis met de blik van iemand die iets vergeten is. Ondanks de grillige najaarswindstoten was het overdekte terras nog gespaard gebleven van de uitslaande vlammen die nu atonaal in het huis knetterden en de dertienjarige liep met zijn capuchon over zijn hoofd getrokken en een hand voor de mond terug langs de keuken de vuurzee in, waar hij zag hoe een balk boven hem, als het eerste lucifertje dat hij had afgestreken, doormidden brak en een deel van het dak instortte terwijl hij opgelucht en opgewonden de sirenes van de brandweerwagens de donder en het vuur hoorde overstemmen. ‘Niet regenen,’ zong hij bijna, ‘niet regenen.’
De brandweerman had het hoofd koel gehouden en de wonden op de bewusteloze jongen die hij uit het brandend huis naar buiten had gedragen herkend: ze waren niet nat, blaarvormig en roze, maar grijs, wit en droog, wat op een ernstige graadverbranding wees. Hij had de wonden op zijn gezicht, borst, en rechterarm direct met lauw water afgekoeld en was toen met de hulpdiensten naar het brandwondencentrum meegereden terwijl zijn collega’s nog aan het blussen waren. Nadat de jongen, in kritieke toestand, was afgewerkt op de spoedgevallendienst had hij hem uit handen moeten geven. Hij had hem rijdend op een brancard door een groenige gang zien verdwijnen, een onherkenbaar voor zijn leven vechtend wezen dat toen hij het terug kon zien door woorden werd gedefinieerd waar hij zich, behalve bij ‘de huid is er zeer ernstig aan toe’ en ‘pulmonaire schade’, niets bij kon voorstellen.”


Bart Koubaa (Eeklo, 28 februari 1968)

 

De Vlaamse dichteres Sylvie Marie (pseudoniem van Sylvie De Coninck) werd geboren in Tielt op 28 februari 1984. Zie ook alle tags voor Sylvie Marie op dit blog.

we zouden kunnen gaan zitten
in een koffiekopje.

je weet wel,
een klassiek,
met schuine wanden,
zodat we telkens naar elkaar toe schuiven.

geen mok, dat niet.
geen grote cilinder
met platte bodem

maar zo’n kleintje,
bol.

misschien dat we daarin
moeten investeren:
van alle kamers kopjes maken.

*

beginnen

hij zou haar bloemen moeten brengen,
een vaas en kraanwater. een rood tafellaken
en kaarslicht om samen naar te kijken. het is dat
hij zich geen blijf weet met zijn houding. bij haar
komen er blozende kaken. krijgt hij het niet
altijd goed gezegd. hoe zou zij zich voelen
als ze er bij iemand naakt lijkt bij te zitten?
zou ze ook geen zaken zoeken om achter
te verdwijnen: haren, handen en vrolijke
verhaaltjes waarin de hoofdpersonages eerst
heel veel hindernissen moeten overwinnen
vooraleer ze in elkaars armen mogen vallen?
er zijn sprookjes die nooit eindigen
op ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’.
sommige sprookjes verlangen
‘er was eens’

 
Sylvie Marie (Tielt, 28 februari 1984)

 

De Engelse dichter, essayist en schrijver Stephen Spender werd geboren op 28 februari 1909 in Londen. Zie ook alle tags voor Stephen Spender op dit blog.

Ultima Ratio Regum

The guns spell money’s ultimate reason
In letters of lead on the spring hillside.
But the boy lying dead under the olive trees
Was too young and too silly
To have been notable to their important eye.
He was a better target for a kiss.

When he lived, tall factory hooters never summoned him.
Nor did restaurant plate-glass doors revolve to wave him in.
His name never appeared in the papers.
The world maintained its traditional wall
Round the dead with their gold sunk deep as a well,
Whilst his life, intangible as a Stock Exchange rumour, drifted outside.

O too lightly he threw down his cap
One day when the breeze threw petals from the trees.
The unflowering wall sprouted with guns,
Machine-gun anger quickly scythed the grasses;
Flags and leaves fell from hands and branches;
The tweed cap rotted in the nettles.

Consider his life which was valueless
In terms of employment, hotel ledgers, news files.
Consider. One bullet in ten thousand kills a man.
Ask. Was so much expenditure justified
On the death of one so young and so silly
Lying under the olive tree, O world, O death?

 
Stephen Spender (28 februari 1909 – 16 juli 1995)

 

De Ierse dichter John Montague werd geboren in New York op 28 februari 1929. Zie ook alle tags voor John Montague op dit blog.

Paths

We had two gardens.

A real flower garden
overhanging the road
(our miniature Babylon).
Paths which I helped
to lay with Aunt Winifred,
riprapped with pebbles;
shards of painted delph;
an old potato boiler;
a blackened metal pot,
now bright with petals.

Hedges of laurel, palm.
A hovering scent of boxwood.
Crouched in the flowering
lilac, I could oversee
the main road, old Lynch
march to the wellspring
with his bucket, whistling,
his carrotty sons herding
in and out their milch cows:
a growing whine of cars.

Then, the vegetable garden
behind, rows of broad beans
plumping their cushions,
the furled freshness of
tight little lettuce heads,
slim green pea pods above
early flowering potatoes,
gross clumps of carrots,
parsnips, a frailty of parsley,
a cool fragrance of mint.

Sealed off by sweetpea
clambering up its wired fence,
the tarred goats’ shack
which stank in summer,
in its fallow, stone-heaped corner.

With, on the grassy margin,
a well-wired chicken run,
cheeping balls of fluff
brought one by one into the sun
from their metallic mother
—the oil-fed incubator—
always in danger from
the marauding cat, or
the stealthy, hungry vixen:
I, their small guardian.

Two gardens, the front
for beauty, the back
for use. Sleepless now,
I wander through both
and it is summer again,
the long summers of youth
as I trace small paths
in a trance of growth:
flowers pluck at my coat
as I bend down to help,
or speak to my aunt,
whose calloused hands
caressing the plants
are tender as a girl’s.


John Montague (28 februari 1929 – 10 december 2016)
Hier met echtgenote, de Amerikaanse schrijfster Elizabeth Wassell

 

De Tsjechische dichter, schrijver, journalist en politicus Josef Svatopluk Machar wed geboren op 29 februari 1864 in Kolín. Zie ook alle tags voor Josef Svatopluk Machar op dit blog.

Uit: Dreißig Jahre

„Ein zweites Mal fuhren wir nicht nach Favoriten – die Sehnsucht nach Landsleuten war mir vergangen. Unsere Entdeckungsreisen
258 Josef Svatopluk Machar
setzten wir aber fort. Wir gingen in die Vorstädte – Wien war damals noch nicht Groß-Wien –, wir besuchten und besichtigten Währing, Döbling, Hernals, Ottakring, fuhren nach Schönbrunn, in den Prater und auf den Kahlenberg. Dort ereignete sich sozusagen die „Empfängnis“ jenes Gedichts, das ich drei Jahre später schrieb und das einer der bekanntesten Texte meiner „Tristia“ ist. Nach diesen Ausflügen stellte ich einen Reiseführer durch Wien zusammen: Die Ringstraße abfahren, Schönbrunn und den Prater besuchen, auf den Kahlenberg fahren – und Sie haben alles gesehen, was sich Wien nennt. Jahrelang habe ich dann jedem, der Wien zum ersten Mal besuchte und es kennenlernen wollte, diesen Führer mündlich weitergegeben – er war für jeden ausreichend, jeder von ihnen war in zwei Tagen mit Wien fertig. Die Gemäldegalerie befand sich damals im Belvedere, dem ehemaligen Lustschloß des Prinzen Eugen. Ich besichtigte auch sie und fügte sie dem Verzeichnis meines Reiseführers hinzu (für jene Personen, die sich in Wien einen Vormittag länger aufhalten wollten). Ich hatte mich dort in Velázquez verliebt – eine Liebe, der ich während der ganzen Zeit meines Wiener Aufenthalts treu blieb.“


Josef Svatopluk Machar (29 februari 1864 – 17 maart 1942)
Cover biografie

 

De Belgische-Franse dichter, schrijver, essayist, dramaturg en scenarioschrijver Luc Dellisse werd geboren op 28 februari 1953 in Brussel. Zie ook alle tags voor Luc Delisse op dit blog.

Uit: La treizième poche

“Entre deux périodes d’abattement, j’ai presque une vie sublime. Ma solitude extrême est peuplée de paysages et de rencontres imaginaires dont je suis irradié. La moindre promenade dans la rue me plonge dans une forêt transparente, et les cyclistes sont des Dianes chasseresses, et les perroquets, dans les arbres du square, un halo de Jouvence.
Le monde visible est l’antidote du monde réel. Le tamtam bipolaire du temps résonne à mes oreilles comme les échos d’une danse sans fin. N’étaient les visages effarés sur les écrans du ciel, je pourrais tenir indéfiniment.
Mais par un symptôme au moins je connais ma fêlure, la lézarde dans mon esprit. Tous les jours, à une certaine heure de l’après-midi, les quatre objets usuels sans lesquels l’existence se complique disparaissent de la portée de ma main, et pourtant je les avais sur moi. Oui, j’avais mes clés, mon téléphone, mes lunettes et mon argent. Je ne les ai abandonnés sur aucune table, aucune banquette arrière, aucun comptoir, aucun amas de coussins. Ils ne sont plus là. Commence alors l’investigation.
J’ai une méthode lente et sûre. Je sais exactement combien je trimballe de poches avec moi. Aujourd’hui, j’en ai quatorze, puisqu’il fait froid. Quatorze ? J’ai peur de vous perdre en route. Comptons ensemble. Le pantalon, quatre poches. La chemise, une. Le veston, quatre. Le manteau enfin, facultatif : cinq. Le compte juste”.


Luc Dellisse (Brussel, 28 februari 1953)

 

De Franse dichter, schrijver, dramaturg en regisseur Marcel Pagnol werd geboren op 28 februari 1895 in Aubagne, Bouches-du-Rhône. Zie ook alle tags voor Marcel Pagnol op dit blog.

Uit: Souvenirs d’enfance – Le temps des amours

Sa main, dans sa poche, tourmentait sa bouffarde, qu’il n’osait point sortir car, me confia-t-il, ce serait indécent ! Et pourtant, il avait une fameuse envie d’en incendier une… Les petites baraques étaient assaillies et chaque lycéen, ayant déjà « repéré » quelque beauté de son goût, se mettait en chasse, armé de bonbons fondants et de fleurs. Lagneau frémissait d’impatience ; il me confia tout bas qu’il allait lui proposer de l’enlever, car il ne pouvait plus vivre sans elle… Havet vint à nous et nous demanda si nous étions contents de nos épreuves ; pour lui, il nous donna son compte de points et de demi-points ; et comme nous ne l’écoutions guère, il se rabattit sur Polype qui arrivait, et l’assiégea. Tout à coup, L’agneau s’écria : « La voilà !… » C’était elle, en effet, tout de bleu vêtue, avec un col blanc qui lui donnait un air charmant de fillette. Deux cousines l’accompagnaient et, derrière elles, marchait une dame fort grosse et vêtue de soie brillante, qui semblait demander grâce à chaque pas. Elles se tournèrent vers la dame, et se concertèrent. Puis le petit groupe, à travers la foule, se dirigea vers la buvette en plein air. La grosse dame accabla de son poids une chaise de jardin, et se fit apporter de la limonade. Puis elle distribua de l’argent aux jeunes filles, qui tout de suite s’avancèrent vers les baraques.
(…)

Je me promis de ne point regarder et de remplir mon rôle avec abnégation. Pourquoi diable venait-elle avec sa cousine ? Cela me chiffonnait. Cela devait paraître peu convenable à Peluque, car il les rejoignit à quelque distance de la grotte, et je l’entendis qui offrait à la cousine (charmante, ma foi) de lui faire visiter le Parc. On aurait cru vraiment qu’il en était l’indiscutable propriétaire, et il disait ça si bien qu’elle accepta, et tous deux montèrent sous les yeuses, tandis que Lucienne s’avançait vers la caverne. De ma cachette, j’entendis éternuer Lagneau. Elle entra. Je n’entendis rien… J’eus bien envie de me retourner mais je luttai. Puis une voix, celle de Lagneau, s’éleva : « Alors, tu… tu… vous êtes un peu venue à cette kermesse ? – Oui. – Ah ah ! C’est très bien. C’est très bien… » Je n’y pus résister, et je regardai. Lagneau, écarlate, était debout, en face de Lucienne, sur la porte de la grotte. Il tournait gauchement son chapeau dans ses mains et regardait fixement son soulier gauche. La jeune personne, les joues en feu… chiffonnait nerveusement une fleur… « Il y a beaucoup de monde », fit remarquer Lagneau. Elle ne répondit pas. « La recette sera bonne », reprit-il. Puis, d’un ton convaincu : « Tant mieux. C’est pour les pauvres… »

 
Marcel Pagnol (28 februari 1895 – 18 april 1974)
Cover biografie

 

De Duitse schrijver Benedict Wells werd geboren geboren in München op 29 februari 1984. Zie ook alle tags voor Benedict Wells op dit blog.

Uit: Vom Ende der Einsamkeit

„Die spartanischen Zimmer teilte man mit Fremden, die manchmal zu Freunden wurden. Nach einem Jahr musste man wieder umziehen. Schwierig, sein ganzes Leben auf so wenig Zeit und Raum ausbreiten zu müssen, es gab viel Streit, aber auch nächtelange Unterhaltungen. Ganz selten sprachen wir über wirklich wichtige Dinge, Dinge, die wir bei Tageslicht nie wiederholt hätten, meistens jedoch redeten wir nur über Lehrer oder Mädchen. »Hat sie heute beim Essen wieder zu mir hergesehen?«, oder: »Wie, die kennst du nicht? Verdammt, Moreau, das ist die Schönste an der ganzen scheiß Schule.« Viele Heimschüler waren zu Hause schon einmal auffällig geworden oder durchgefallen, manche hatten Drogen genommen. Hin und wieder wurden auch besonders kriminelle Exemplare wie Strandgut ins Internat gespült, das als staatliche Einrichtung dazu verpflichtet war, nahezu jeden aufzunehmen. Dem gegenüber stand die fassungslose Dorfjugend, die mit ansehen musste, wie die Verrückten aus der Stadt in ihre Idylle einfielen. »Bist du auch aus dem Heim?«, fragten sie einen dann, wobei mit »Heim« weniger Internat als Irrenanstalt gemeint war. Beim Essen schlangen wir alles in uns hinein, es gab nie genug. In uns ein Hunger, der nie ganz gestillt werden konnte. Dafür gab es im Heim ein ständiges Grundrauschen von Gerüchten, es wurde genau registriert, wer mit wem sprach, welche Freundschaften entstanden und wer bei den Mädchen hoch im Kurs stand. Nicht jede Veränderung wurde gebilligt. Es gab neue Klamotten, die von ihrem Besitzer erst stolz vorgeführt wurden und dann schnell wieder im Schrank verschwanden, wenn sie keinen Anklang gefunden hatten. Manche Heimschüler versuchten, sich über die Sommerferien ein neues Image zuzulegen, sie kamen von zu Hause mit frischem Selbstbewusstsein, aber die meisten von ihnen waren bereits nach wenigen Tagen wieder die Alten. Man war und blieb der, für den die anderen einen hielten.“


Benedict Wells (München, 29 februari 1984)

 

De Zwitserse schrijver Martin Suter werd geboren op 29 februari 1948 in Zürich. Zie ook alle tags voor Martin Suter op dit blog.

Uit: Die Zeit, die Zeit

„Etwas war anders, aber er wusste nicht, was. Peter Taler stand am Fenster und hielt die Bierfla-sche mit zwei Fingern am Hals, damit seine Hand ihren Inhalt nicht wärmte. Als kitte er seinem Feierabendbier je-mals genügend Zeit gelassen, wann zu werden. Ein grauer Nissan fuhr vor und parkte auf einem der vier Parkplätze vor dem Haus. Zwischen Talers Citroin und dem Lancia der neuen Mieter. deren Namen er noch nicht kannte. Keller stieg aus, nahm sein Jackett vom Rücksitz, zog es an. ergriff seine Mappe, verriegelte den Wagen mit der Fernbedienung seines Autoschlüssels und ging zum Briefkasten. Er hob die Klappe, versicherte sich, dass seine Frau ihn schon geleert hatte, und ging auf die Haustür zu. Taler trank einen Schluck. Von allen Getränken, die er kannte, war ihm eiskaltes Bier das liebste. Die Art, wie es sich im Mund anfühlte und wie es die Kehle hinunterlief. der Geschmack, den es zurückließ, die Behutsamkeit, mit der es seine Wirkung entfaltete — alles konkurrenzlos wun-derbar. Nur den Geruch mochte er nicht. Deshalb trank er es aus der Flasche. Je enger das Gefäß, fand er, desto diskre-ter die Geruchsentfaltung. Der letzte der vier Parkplätze, von denen jeder ein Schild mit der Autonummer des legitimen Benutzen trug, war noch frei. Er gehörte Frau Feldter, deren Parkplatzbelegung so unberechenbar war wie ihr Arbeitsrhythmus. Manchmal war der Platz tagelang frei, manchmal wochenlang besetzt, manchmal stand ihr nirkisblauer Fiat joo den ganzen Tag über dort und manchmal, ganz bürgerlich, nur in der Nacht. Frau Feldter war Flugbegleiterin. Sie befand sich jetzt ir-gendwo in der Luft oder an einer ihrer Destinationen. Ihr Wagen stand wohl auf dem Personalparkplatz des Flug-hafens. Alles ging seinen gewohnten Gang. Und doch war etwas anders. Auf dem Weg in die Küche trank er die Flasche aus, stellte sie in die Tüte für Altglas, holte eine neue aus dem Kühlschrank und postierte sich wieder am Fenster. Etwas war anders. Er kannte diesen Ausschnitt der Welt sehr genau. Wenn er sich ganz nahe ans Fenster stellte, sah er links etwa hun-dertzwanzig Meter bis zu einer Kurve. aus der der Gustav-Rautner-Weg hervorkam. Rechts reichte der Blick nur etwa halb so weit bis dorthin, wo dieser in einer zweiten Kurve wieder verschwand. Die gegenüberliegende Seite der schmalen Teerstraße war gesäumt von immer wieder renovierten und umgebauten Einfamilienhäusern aus den fünfziger Jahren mit kleinen Gärten, von denen die meisten zu pflegeleichten Sitzplätzen umfunktioniert worden waren, mit mehr Betonplatten als Rasen. Auf seiner Seite der Straße standen in zwei Reihen drei-stöckige Wohnblocks, wie sie in den sechziger Jahren mo-dern gewesen waren: die Seitenfassaden mit Waschbeton-platten verkleidet, die Fronten aus beigem Verputz.“


Martin Suter (Zürich, 29 februari 1948)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e en de 29e februari ook mijn blog van 28 februari 2018 en eveneens mijn blog van 28 februari 2018 deel 2.

Zie voor de schrijvers van de 29e februari ook mijn blog van 29 februari 2016 deel 1.

Cynan Jones, Mischa Andriessen, John Steinbeck, Ruy Belo, Lawrence Durrell, André Roy, Elisabeth Borchers, James T. Farrell, Irwin Shaw

De Welshe schrijver Cynan Jones werd geboren op 27 februari 1975 in Aberystwyth, Wales. Zie ook alle tags voor Cynan Jones op dit blog.

Uit: The Long Dry

“He comes in, scraping his feet on the metal grill outside the back door, not because he needs to, but from habit. Or perhaps it is his announcement—a signal they have always had but never spoken of. They had many of these when they were younger.
She rinses the cafetière and warms the cup with water from the kettle, which she’s boiled several times while she has waited for him. She does not make the coffee. Some things she mustn’t do. She’s threatened by the coffee, about how strong to make it, how it tastes when it is made. He makes coffee every day, just for himself as no one else drinks it. He makes a strong potful of coffee at this time of the morning and it does him for the day, warming up the cupfuls in a pan as they are needed, which makes them stronger as the day goes on. No one else touches the pan. She says it’s why he does not sleep. His first coffee each morning is the remnants of the night before because he does not want to wake the house grinding the beans, and the children sleep above the thin ceiling of the kitchen.
He sits at the table with a loose fist and runs his thumb over the first joint of his forefinger in the way he has, so it makes a quiet purring sound, like rubbing leather.
“What about the dosing?”
“It’ll have to wait,” he says.
He rubs his finger. He does this always at the table, talking or reading a paper, even with the handle of a cup held there, so that this part of his finger is smooth and shines. Whenever he’s at rest.
“I don’t know,” he says. “I’ve checked the obvious places and she’s not there. She’s got her head down and gone.”
He does not tell her about the stillborn calf.
“It’s typical. It has to be today,” she says. “I should have gotten up to check.”
“She would have gone anyway,” he says quietly.
He looks down at the missing part of his little finger on his right hand and makes the sound against his thumb again. She still blames herself for this damage to him. He was trying to free the bailer from the new tractor and she had done something and the catch had just bit down. He takes a mouthful of coffee. It was a clean cut and it healed well and he could have lost his hand instead. That’s how he looks at it. In some ways he loves it.”


Cynan Jones (Aberystwyth, 27 februari 1975)

 

De Nederlandse dichter Mischa Andriessen werd geboren in Apeldoorn op 27 februari 1970. Zie ook alle tags voor Mischa Andriessen op dit blog.

De vogelkoning

Het zijn normaal jonge jongens.
In de lente verlaten ze hun huizen
halsoverkop, alsof iemand hen riep.
Wie overleeft, herinnert zich niet
wat het was – het zachte wieken
van wijd uitgestrekte vleugels
een stille roep, zoals stenen zingen
in de hoofden van krankzinnigen.
Van sommigen zijn de vaders
eerder gegaan, er is geen kaart
een richting, geen route; soms
komt er een aan, keert terug
naar waar hij eens vertrok
vertelt het na, vervormd, gehavend
kleren tot op de draad kapot
de blik spreekt louter waanzin:
Een arendsnest op de rotsen
weggedraaide ogen, paarse lippen
heel het gastpad afgedwaald
om weer hier te zijn.
De mare wil dat ze luisteren.

 

Portaal

Vader stond buiten voor de deur.
De zoon stuurde hem weg, wachtte
lange dagen tot hij terugkwam
verjaagde hem telkens opnieuw
maar keek bij elke terugkeer langer
prentte zijn trekken in als zocht hij
ten slotte iets om zich te kunnen herinneren.
Toen vader toch weer op het tuinpad stond
schoot hij ogenblikkelijk zijn jas aan, ging
naar buiten, trok de deur achter zich dicht.
Ze liepen samen op, kenden de richting.


Mischa Andriessen (Apeldoorn, 27 februari 1970)

 

De Amerikaanse schrijver John Steinbeck werd geboren in Salinas, Californië, op 27 februari 1902. Zie ook alle tags voor John Steinbeck op dit blog.

Uit: The Grapes of Wrath

“And all the time the farms grew larger and the owners fewer. And there were pitifully few farmers on the land any more. And the imported serfs were beaten and frightened and starved until some went home again, and some grew fierce and were killed or driven from the country. And farms grew larger and the owners fewer.
And the crops changed. Fruit trees took the place of grain fields, and vegetables to feed the world spread out on the bottoms: lettuce, cauliflower, artichokes, potatoes–stoop crops. A man may stand to use a scythe, a plow, a pitchfork; but he must crawl like a bug between the rows of lettuce, he must bend his back and pull his long bag between the cotton rows, he must go on his knees like a penitent across a cauliflower patch.
And it came about that owners no longer worked on their farms. They farmed on paper; and they forgot the land, the smell, the feel of it, and remembered only that they owned it, remembered only what they gained and lost by it. And some of the farms grew so large that one man could not even conceive of them any more, so large that it took batteries of bookkeepers to keep track of interest and gain and loss; chemists to test the soil, to replenish; straw bosses to see that the stooping men were moving along the rows as swiftly as the material of their bodies could stand. Then such a farmer really became a storekeeper, and kept a store. He paid the men, and sold them food, and took the money back. And after a while he did not pay the men at all, and saved bookkeeping. “These farms gave food on credit. A man might work and feed himself; and when the work was done, he might find that he owed money to the company. And the owners not only did not work the farms any more, many of them had never seen the farms they owned.
And then the dispossessed were drawn west–from Kansas, Oklahoma, Texas, New Mexico; from Nevada and Arkansas families, tribes, dusted out, tractored out. Carloads, caravans, homeless and hungry; twenty thousand and fifty thousand and a hundred thousand and two hundred thousand.”


John Steinbeck (27 februari 1902 – 20 december 1968)
Poster voor de gelijknamige film uit 1940

 

De Portugese dichter, vertaler en essayist Ruy de Moura Belo werd geboren op 27 februari 1933 in São João da Ribeira, nabij Rio Maior. Zie ook alle tags voor Ruy Belo op dit blog.

Anniversary Mass

It’s been one year since your steps
last walked in our parish
Where do you who belonged to these fields
whose wheat is again turning ripe
belong now?
What’s your new name?
Can there be a more unusual weekend
than a saturday like this one that never ends?
How do you fill your time
now that all the time ahead of you is free?
What sort of steps might take you
behind the cooing of a dove in our skies?
Why have you never again had a birthday
even though the table is set and waiting for you
and the mulberry trees along the road are in bloom again?

That’s what his voice was like that’s how he talked
says the yellow-flowered broom that grows here
and that saw him walk on the pathways of childhood
next to his first flight of partridges

Now only in our neckties do we take you who are dead
to those paths where you left the mark of your feet
Only in our neckties. Your death
has stopped dressing us up completely
The summer you departed I clearly remember
thinking profound things
It’s summer again. You have ever less place
in this corner of us where every year
we will piously unearth you
Until the death of your death

 

Vertaald door Richard Zenith


Ruy Belo (27 februari 1933 – 8 augustus 1978)
Cover

 

De Britse dichter en schrijver Lawrence George Durrell werd geboren op 27 februari 1912 in Jalandhar in India. Zie ook alle tags voor Lawrence Durrell op dit blog.

Uit: Bitter Lemons of Cyprus

“Journeys, like artists, are born and not made. A thousand differing circumstances contribute to them, few of them willed or determined by the will — whatever we may think. They flower spontaneously out of the demands of our natures — and the best of them lead us not only outwards in space, but inwards as well. Travel can be one of the most rewarding forms of introspection … These thoughts belong to Venice at dawn, seen from the deck of the ship which is to carry me down through the islands to Cyprus; a Venice wobbling in a thousand fresh-water reflections, cool as a jelly. It was as if some great master, stricken by dementia, had burst his whole colour-box against the sky to deafen the inner eye of the world. Cloud and water mixed into each other, dripping with colours, merging, overlapping, liquefying, with steeples and balconies and roofs floating in space, like the fragments of some stained-glass window seen through a dozen veils of ricepaper. Fragments of history touched with the colours of wine, tar, ochre, blood, fire-opal and ripening grain. The whole at the same time being rinsed softly back at the edges into a dawn sky as softly as circumspectly blue as a pigeon’s egg. Mentally I held it all, softly as an abstract painting, cradling it in my thoughts — the whole encampment of cathedrals and palaces, against the sharply-focused face of Stendhal as he sits forever upon a stiff-backed chair at Florian’s sipping wine: or on that of a Corvo, flitting like some huge fruit-bat down these light-bewitched alleys … The pigeons swarm the belfries. I can hear their wings across the water like the beating of fans in a great summer ballroom. The vaporetto on the Grand Canal beats too, softly as a human pulse, faltering and renewing itself after every hesitation which marks a landing-stage. The glass palaces of the Doges are being pounded in a crystal mortar, strained through a prism. Venice will never be far from me in Cyprus — for the lion of Saint Mark still rides the humid airs of Famagusta, of Kyrenia. It is an appropriate point of departure for the traveller to the eastern Levant … But heavens, it was cold. Down on the grey flagged quay I had noticed a coffee-stall which sold glasses of warm milk and croissants. It was immediately opposite the gang-plank, so that I was in no danger of losing my ship. A small dark man with a birdy eye served me wordlessly, yawning in my face, so that in sympathy I was forced to yawn too. I gave him the last of my liras. There were no seats, but I made myself comfortable on an upended barrel and, breaking my bread into the hot milk, fell into a sleepy contemplation of Venice from this unfamiliar angle of vision across the outer harbour. A tug sighed and spouted a milky jet upon the nearest cloud.”


Lawrence Durrell (27 februari 1912 – 7 november 1990)
Cover

 

De Canadese dichter, schrijver en essayist André Roy werd geboren op 27 februari 1944 in Montréal. Zie ook alle tags van André Roy op dit blog.

Het is nog nacht

Het is nog nacht
de actieve droom,
de machine van actie;
de nacht in de bossen, de woestijnen, de steden.
Ik droomde van twee werelden:
een, zichtbaar en sterfelijk;
de andere, onzichtbaar, met fantomen
moe sinds de geboorte.
Ik observeer, ik zie de dans van de tijd,
de criminelen die ’s nachts terugkwamen.

 

In de nacht houden wij ons op

In de nacht houden wij ons op
jij, ik, wij, de anderen, die zijn zoals wij.
Nogmaals de actie,
de structuur van het denken in actie.
Moderne wereld van bossen en water.
Je behoort tot de reizende kooplieden,
onze voorouders de vampieren.
De steden, de huizen, de bedden,
waar we ons mysterieus, onmogelijk,
onsterfelijk waanden
wat een waanzin!
Het verlangen stroomt;
we zouden onszelf kunnen doden
voor de kennis van het verlangen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 
André Roy (Montréal, 27 februari 1944)

 

De Duitse schrijfster en dichteres Elisabeth Borchers werd geboren in Homberg op 27 februari 1926. . Zie ook alle tags voor Elisabeth Borchers op dit blog.

Niemand behaupte

Niemand behaupte
ich sei taub.
Allabendlich höre ich
die Unrast der Sterne.

Niemand behaupte
ich sei blind oder lahm.
Ich nehme Stock und Stein
bis zum jähen Ereignis.

Niemand behaupte
ich hätte zu träumen versäumt.
Ich werde nicht nach Tibet reisen
und auch nicht nach Tanger.
Mir träumte
ich fände den Weg
nicht zurück.

 

An ein Kind

Wenn wir lange genug warten,
dann wird es kommen.
Heute noch, fragt das Kind.
Heut oder morgen. Ein Schiff,
mußt du wissen, braucht Zeit.
So weit und breit wie das Meer.
Dann bist du groß.
Dann steigen wir ein
und machen die Reise.
Zusammen. Wir beide.
Und jeder auf seine Weise.


Elisabeth Borchers (27 februari 1926 – 25 september 2013)

 

De Amerikaanse schrijver James Thomas Farrell werd geboren op 27 februari 1904 in Chicago. Zie ook alle tags voor James T. Farrell op dit blog.

Uit: Father and Son

“When he’d come home, Bill was there, white and scared. But he hadn’t hit him. He’d talked to Bill like a father. Lizz had gone to see McCarthy, the police sergeant whose boys played with Bill and Danny, and McCarthy had quashed it all. He’d paid for the pocketbook, and it was all forgotten. After that, Bill had settled down. Now, you couldn’t want for a decenter boy. He looked at his leathery face in the mirror. He washed it, dried himself, cleaned out the wash bowl, and left the bathroom. He put on his khaki shirt, passed through the small hallway to the dining room, and was ready to eat. The dining-room table was covered with dishes and papers. In the center of it there was a large glass cake-dish, which contained crumbs and a stale chunk of cake. Lizz pushed dishes aside and set coffee, sugar buns, and a plate of ham and eggs before him. She wore an old apron and had a rag tied under her chin. She looked sloppy. Jim pitched into the ham and eggs. “I was over to see my mother yesterday,” Lizz remarked, sitting down to talk with him. He nodded, but said nothing. He bit into a sugar bun. He was waiting to see whether or not she’d had another scrap with her people. “Mother said that Al isn’t well,” she said. “You wouldn’t think he would be, having a doctor like Mike Geraghty,” Jim said, suddenly bitter. His face clouded. He remembered his Little Arty, now three years dead. All their good luck had to come after Arty was long since dead. He wiped up the yolk from the plate with a bun and ate it, and then he shoved his plate aside and handed Lizz his cup for more coffee. She returned with a filled cup and sat down. “Lizz, it’s a long time since the little fellow left us. You really ought to take off your mourning. If you do that you won’t be sad so often. You have to let time heal old wounds,” he said, his voice kindly. “Oh, Jim, I see the children playing on Calumet Avenue, and it breaks my heart. Not one of them is as beautiful as our Arty was.” “Come on now, Lizz, we’ve got to brace up. We’ve got lots to be thankful for, even with the tough breaks we had in the past,” he said, but the image of little Arty stood in his mind, a lovely, light-haired boy in a dirty dress, staring with those wonderful sad eyes and saying “Fither.” Lizz wiped her eyes with her apron. “Jim, I can’t help it. I look at our new house and I think of him. Oh, how he would have loved it. He’d be going to school this year or next. Everywhere I see, Jim, makes me think of him. I can’t help it. I can’t take off my mourning,” she said in tears.”

 
James T. Farrell (27 februari 1904 – 22 augustus 1979)
Cover

 

De Amerikaanse schrijver Irwin Shaw werd geboren op 27 februari 1913 als Irwin Gilbert Shamforoff in New York. Zie alle tags voor Irwin Shaw op dit blog.

Uit: Rich Man, Poor Man

“Boylan was standing at the bar in his tweed topcoat, staring at his glass, when Rudolph came down the little flight of steps from Eighth Street, carrying the overnight bag. There were only men standing at the bar and most of them were probably fairies. “I see you have the bag,” Boylan said. “She didn’t want it.” “And the dress?” “She took the dress.” “What are you drinking?” “A beer, please.” “One beer, please,” Boylan said to the bartender. “And I’ll continue with whiskey.” Boylan looked at himself in the mirror behind the bar. His eyebrows were blonder than they had been last week. His face was very tan, as though he had been lying on a southern beach for months. Two or three of the fairies at the bar were equally brown. Rudolph knew about the sun lamp by now. “I make it a point to look as healthy and attractive as I can at all times,” Boylan had explained to Rudolph. “Even if I don’t see anybody for weeks on end. It’s a form of self-respect.” Rudolph was so dark, anyway, that he felt he could respect himself without a sun lamp. The bartender put the drinks down in front of them. Boylan’s fingers trembled a little as he picked up his glass. Rudolph wondered how many whiskies he had had. “Did you tell her I was here?” Boylan asked. “Yes.” “Is she coming?” “No. The man she was with wanted to come and meet you, but she didn’t.” There was no point in not being honest. “Ah,” Boylan said. “The man she was with.” “She’s living with somebody.” “I see,” Boylan said flatly. “It didn’t take long, did it?” Rudolph drank his beer. “Your sister is an extravagantly sensual woman,” Boylan said. “I fear for where it may lead her.” Rudolph kept drinking his beer. “They’re not married, by any chance?” “No. He’s still married to somebody else.” Boylan looked at himself in the mirror again for a while. A burly young man in a black turtle-neck sweater down the bar caught his eye in the glass and smiled. Boylan turned away slightly, toward Rudolph. “What sort of fellow is he? Did you like him?” “Young,” Rudolph said. “He seemed nice enough. Full ofjokes.” “Full of jokes,” Boylan repeated. “Why shouldn’t he be full of jokes? What sort of place do they have?” “Two furnished rooms in a walkup.” “Your sister has a romantic disregard of the advantages of money,” Boylan said. “She will regret it later. Among the other things she will regret.” “She seemed happy.” Rudolph found Boylan’s prophecies distasteful.”


Irwin Shaw (27 februari 1913 – 16 mei 1984)
Cover voor een omnibus

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e februari ook mijn blog van 27 februari 2018 en eveneens mijn blog van 27 februari 2016 deel 2.

Michel Houellebecq, Victor Hugo, Adama van Scheltema, George Barker, Ulrike Syha, Hermann Lenz, Antonin Sova, Jean Teulé, Elias Annes Borger

De Franse dichter en schrijver Michel Houellebecq werd geboren in Réunion op 26 februari 1956. Zie ook alle tags voor Michel Houellebecq op dit blog.

Uit: Submission (Vertaald door Lorin Stein)

“In that time he had managed to write books that made me consider him a friend more than a hundred years later. Much, maybe too much, has been written about literature. (I know better than anyone; I’m an expert in the field.) Yet the special thing about literature, themajor art form of a Western civilization now ending before our very eyes, is not hard to define. Like literature, music can overwhelm you with sudden emotion, can move you to absolute sorrow or ecstasy; like literature, painting has the power to astonish, and to make you see the world through fresh eyes. But only literature can put you in touch with another human spirit, as a whole, with all its weaknesses and grandeurs, its limitations, its pettinesses, its obsessions, its beliefs; with whatever it finds moving, interesting, exciting, or repugnant. Only literature can grant you access to a spirit from beyond the grave—a more direct, more complete, deeper access than you’d have in conversation with a friend. Even in our deepest, most lasting friendships, we never speak so openly as when we face a blank page and address an unknown reader. The beauty of an author’s style, the music of his sentences, have their importance in literature, of course; the depth of an author’s reflections, the originality of his thought, certainly can’t be overlooked; but an author is above all a human being, present in his books, and whether he writes very well or very badly hardly matters—as long as he gets the books written and is, indeed, present in them. (It’s strange that something so simple, so seemingly universal, should actually be so rare, and that this rarity, so easily observed, should receive so little attention from philosophers in any discipline: for in principle human beings possess, if not the same quality, at least the same quantity, of being; in principle they are all more or less equally present; and yet this is not the impression they give, at a distance of several centuries, and all too often, as we turn pages that seem to have been dictated more by the spirit of the age than by an individual, we watch these wavering, ever more ghostly, anonymous beings dissolve before our eyes.) In the same way, to love a book is, above all, to love its author: we wish to meet him again, we wish to spend our days with him. During the seven years it took me to write my dissertation, I got to live with Huysmans, in his more or less permanent presence. Born in the rue Suger, having lived in the rue de Sèvres and the rue Monsieur, Huysmans died in the rue Saint-Placide and was buried in Montparnasse. He spent almost his entire life within the boundaries of the Sixth Arrondissement of Paris, just as he spent his professional life, thirty years and more, in the Ministry of the Interior and Ecclesiastical Affairs.”

 
Michel Houellebecq (Réunion, 26 februari 1958)
Cover van de Engelse uitgave

 

De Franse dichter en schrijver Victor Hugo werd geboren in Besançon (Franche-Comté) op 26 februari 1802. Zie ook alle tags voor Victor Hugo op dit blog.

Extase

Et j’entendis une grande voix.
Apocalypse.

J’étais seul près des flots, par une nuit d’étoiles.
Pas un nuage aux cieux, sur les mers pas de voiles.
Mes yeux plongeaient plus loin que le monde réel.
Et les bois, et les monts, et toute la nature,
Semblaient interroger dans un confus murmure
Les flots des mers, les feux du ciel.

Et les étoiles d’or, légions infinies,
À voix haute, à voix basse, avec mille harmonies,
Disaient, en inclinant leurs couronnes de feu ;
Et les flots bleus, que rien ne gouverne et n’arrête,
Disaient, en recourbant l’écume de leur crête :
― C’est le Seigneur, le Seigneur Dieu!

 

Le Poète Au Calife

Tous les habitants de la terre sont devant lui comme un néant; i
l fait tout ce qui lui plaît ; et nul ne peut résister à sa main puissante, ni lui dire:
Pourquoi avez-vous fait ainsi ?
Daniel.

Ô sultan Noureddin, calife aimé de Dieu !
Tu gouvernes, seigneur, l’empire du milieu,
De la mer rouge au fleuve jaune.
Les rois des nations, vers ta face tournés,
Pavent, silencieux, de leurs fronts prosternés
Le chemin qui mène à ton trône.

Ton sérail est très grand, tes jardins sont très beaux.
Tes femmes ont des yeux vifs comme des flambeaux,
Qui pour toi seul percent leurs voiles.
Lorsque, astre impérial, aux peuples pleins d’effroi
Tu luis, tes trois cents fils brillent autour de toi
Comme ton cortège d’étoiles.

Ton front porte une aigrette et ceint le turban vert.
Tu peux voir folâtrer dans leur bain, entr’ouvert
Sous la fenêtre où tu te penches,
Les femmes de Madras plus douces qu’un parfum,
Et les filles d’Alep qui sur leur beau sein brun
Ont des colliers de perles blanches.

Ton sabre large et nu semble en ta main grandir.
Toujours dans la bataille on le voit resplendir,
Sans trouver turban qui le rompe,
Au point où la mêlée a de plus noirs détours,
Où les grands éléphants, entre-choquant leurs tours,
Prennent des chevaux dans leur trompe.

Une fée est cachée en tout ce que tu vois.
Quand tu parles, calife, on dirait que ta voix
Descend d’un autre monde au nôtre ;
Dieu lui-même t’admire, et de félicités
Emplit la coupe d’or que tes jours enchantés,
Joyeux, se passent l’un à l’autre.

Mais souvent dans ton cœur, radieux Noureddin,
Une triste pensée apparaît, et soudain
Glace ta grandeur taciturne ;
Telle en plein jour parfois, sous un soleil de feu,
La lune, astre des morts, blanche au fond d’un ciel bleu,
Montre à demi son front nocturne

 
Victor Hugo (26 februari 1802 – 22 mei 1885)
Cover

 

De Nederlandse dichter Carel Steven Adama van Scheltema werd geboren in Amsterdam op 26 februari 1877. Zie ook alle tags voor Adama van Scheltema op dit blog.

Stadsklokken

Een laatste roep der donkre stad verzonk,
Het zwijgend water wiegde gouden spranken,
Nog poosde een late lichtschijn bij een kranke,
Bij zure arbeid, of een zoete dronk.

Toen galmde de verlaten stad en schonk
Een donkre stroom van volle bronzen klanken
In mijne open ziel, – ik boog tot danken,
Toen ’t dreunend antwoord in een cirkel klonk.

Zo breekt een lied uit elke hoge toren,
En slaat een band van jublende geluiden
Om ieder eenzaam hart, dat nog kan horen;

Een krans van klokken komt me ’t uur beduiden,
Daar stijgt mijn donkre ziel in lichte koren –
Daar slaat mijn hart, dat als een klok gaat luiden!

 

Vrede

Vrede spreid gij uw zachte vleugels
Over de donkere aarde heen –
Over de moede en de gewonden,
Over de duizenden, die verzwonden,
Over al de snikkende monden,
Die verbleekt zijn van geween!

Vrede daal gij uit de lichte sferen,
Waarheen gij vluchtet voor deze wereldsmart,
Daal over hen, die u hebben verraden,
En over de dwazen, die op u smaadden,
En over de blinden, die om u baden,
Daal – daal gij weder in ons hart!

Opdat uw liefde daar weder wone,
Opdat uw liefde ons weer genas –
Liefde bove’ onze ijdele wensen,
Liefde over alle ijdele grenzen,
Liefde alleen, van mens tot mensen,
Die eindelijk leerden wat liefde was!


Adama van Scheltema (26 februari 1877 – 6 mei 1924)
Rond 1915

 

De Engelse dichter George Granville Barker werd geboren op 26 februari 1913 in Loughton, Essex. Zie ook alle tags voor George Barker op dit blog.

At Thurgarton Church (Fragment)
To the memory of my father

Haunting the December
fields their bitter lives
entreat us to remember
the lost spirit that grieves
over these fields like a scarecrow.

That grieves over all it ever
did and all, all not
done, that grieves over
its crosspurposed lot:
to know and not to know.

The masterless dog sits
outside the church door
with dereliction haunting its
heart that hankers for
the hand that loved it so.

Not in a small grave
outside the stone wall
will the love that it gave
ever be returned, not for all
time or tracks in the snow.

More mourned the death of the dog
than our bones ever shall
receive from the hand of god
this bone again, or all
that high hand could bestow.

As I stand by the porch
I believe that no one has heard
here in Thurgarton Church
a single veritable word
save the unspoken No.


George Barker (26 februari 1913 – 27 oktober 1991)

 

De Duitse schrijfster en vertaalster Ulrike Syha werd geboren op 26 februari 1976 in Wiesbaden. Zie ook alle tags voor Ulrike Syha op dit blog.

Uit: Privatleben

“Es schneit noch nicht. Nebel legt sich die Hänge eines erstaunlich nichtssagenden Mittelgebirges. Ein kleiner Teil der Menschheit fährt mit dem Zug durch Deutschland.

ER Und um gleich mit der Wahrheit anzufangen: Ich gehöre dazu. Zu dieser Minderheit. Wir haben die Welt von unseren Kindern nur geliehen. Ich fürchte, es gibt eine Menge Leute, die behaupten würden, das sei eine Art Motto von ihnen. Sie wissen schon. Klimaschutz. Im Schlamm feststeckende, sterbende Pinguine und so weiter. Wir haben die Welt von unseren Kindern nur geliehen. Schrecklich. Um aber nicht bloß mit der Wahrheit anzufangen, sondern auch eine Weile bei ihr zu bleiben, müsste ich Ihnen an dieser Stelle eigentlich erklären, wie es dazu kam, dass ich keinen Führerschein mehr habe. Und auf die degradierende Mithilfe der Bahn angewiesen bin. Aber ich denke, diese kleine, für mich etwas beschämende Anekdote sparen wir uns noch auf.
DER SCHAFFNER Personalwechsel. Ihre Fahrkarten, bitte.
ER Für einen anderen Moment unseres geselligen Beisammenseins hier.
DER SCHAFFNER Hallo. Die Fahrkarte, der Her, wenn’s recht wäre.
ER Verstehen Sie mich bitte nicht falsch. Aber ich rede nicht übermäßig GERNE über mich und mein Privatleben.
SIE Was du nicht sagst.
ER Hm?
SIE Nichts. Du warst im Zug. Du warst im Zug und redest nicht übermäßig gerne über dich und dein Privatleben.
ER Ja. Ich bin im Zug. Und IIAHE zu diesem Zeitpunkt gar kein Privatleben, über das sich reden ließe.
DER SCHAFFNER Hallo? Jemand zu Hause? Ich hab nicht bis morgen Zeit.
ER Was? Oh, Entschuldigung. Hier, bitte.
DER SCHAFFNER Sie haben ja sogar eine Reservierung. Warum stehen Sie dann hier mitten im Gang?
ER Ich, äh — also —
DER SCHAFFNER Mit Ihrem Gepäck? Tut mir leid, aber das geht nicht.
ER Ich werfe einen wenig entspannten Blick auf den von mir reservierten Platz. An einem Vierertisch. Um den Tisch gruppiert: eine junge Mutter mit Kind. Eine Thennoskanne. Apfelschnitten. Eine Mittdreißigerin mit dunklen Locken, die so unentwegt telefoniert, seit sie eingestiegen ist, dass sie es bislang nicht mal geschafft hat, Trenchcoat und Hut auszuziehen. Trenchcoat und HUT. In welchem Jahrzehnt ist die denn stecken geblieben. Ihr gegenüber, am Fenster, auf meinem Platz natürlich, ein im Vollrausch vor sich hin.“

 
Ulrike Syha (Wiesbaden, 26 februari 1976)

 

De Duitse dichter en schrijver Hermann Lenz werd op 26 februari 1913 in Stuttgart geboren. Zie ook alle tags voor Hermann Lenz op dit blog.

Verlorenes Gesicht

Niemand verraten, was dich bewegt,
Weil es jeden befremden würde,
Wenn er’s erführe.

Auch im Tod dein Gesicht behalten,
Möglichst mit einem Lächeln
Und nicht allzu geschrumpft.

Oder denkst du: was kümmert’s dich?
Wer geht neben dir, der die Entscheidung fällt?

Niemand. Vor dem Ewigen
Brauchst du nicht mal dein Gesicht.

 

Liebe Zeit

Was war es,
Im Ganzen gesehen?

Ewige Weisheiten
Können sie von dir nicht erwarten.
Vielleicht hast du etwas versäumt.

Liebschaften und Reisen?
Die Gesichter der Länder?
Immerhin sahest du mancherlei
Zwischen Leningrad und San Francisco,
Allerdings unter ungemütlichen Umständen,
Aber es macht nichts.

Ach, du liebe Zeit.

Froh bist du, wenn du unbehelligt
Irgendwo gehst oder liegst,
Am Waldrand zum Beispiel.

Bei klarer Luft ein Blick in die Weite.

 

Meeresluft

Milde Meeresluft.
Der Himmel zuweilen gewitterschwarz.

Dann ein Abendlicht,
Als wäre etwas zu finden,
Wenn einer unbeirrt westwärts fliegt.

Vielleicht leuchtende Ewigkeit.

 
Hermann Lenz (26 februari 1913 – 12 mei 1998)

 

De Tsjechische schrijver en dichter Antonín Sova werd geboren op 26 februari 1864 in Pacov (Dt. Patzau). Zie ook alle tags voor Antonín Sova op dit blog.

Fields

Now wheatstalks massed turn yellow, ripening bounty,
down footpath mazes mystic music stringing,
portent of harvest-tide, in this, our county,
where now to hazel groves the birds come winging,
as stones glow, while the waters, shallow flowing,
their shell-strewn sandy courses are revealing,
the air sears hot, far hamlets dab-wise showing
on the horizon, contoured hills appealing…
The fields are tables, spread full brimming, golden…
Who laboured, let him reap, in peace enchanted.
By blood, sweat, calloused palms to Him beholden,
unto His folk, the Lord this land has granted.

 

Vertaald door Václav Z J Pinkava

 

The First Concert

Pallid, in black array he strode
And marked the hush beneath his feet,
The air breathed perfume out and heat,
The hall with russet lustre glowed. —

Gossamer-like before him shed.
In muslin, silk and lace arrayed,
Half in the light and half in shade,
Ladies in semi-circle spread.

Billows of dark and golden hair;
These scarlet lips, these eyes on fire!
See, silhouettes of black attire,
See, the lorgnettes with gloating stare!

His violin with dazing spell
Grips the hushed air in deep refrains,
From the piano gentle strains
In waves of joy and potence fell. —

His master, whose renown is o’er
Astray within some passage quakes,
In sudden dread within him wakes
His debut in the days of yore.

Critics to shun was his desire,
Their infamy and their applause,
Their hatred with its gaping jaws,
Whose will drags beauty in the mire.

Constrained afresh, he seeks the hall;
His shrivelled fingers, how they quiver! —
Perchance that someone will deliver
His name this evening from its fall?

 

Vertaald door Paul Selver

 
Antonín Sova (26 februari 1864 – 16 augustus 1928)
Rond 1910

 

De Franse schrijver, scenarioschrijver en acteur Jean Teulé werd geboren op 26 februari 1953 in Saint-Lô, Manche. Zie ook alle tags voor Jean Teulé op dit blog

Uit: Entrez dans la danse

« Strasbourg – 12 juillet 1518
Rue du Jeu-des-Enfants, une femme sort d’une maison avec le sien dans les bras. Elle est blonde, constellée de taches de rousseur sur le nez et les pommettes sans doute dues au soleil encore brûlant aujourd’hui à l’approche de midi. Retenu au creux d’un coude gauche, le nourrisson ébloui, de trois mois, grimace. La jeune mère très mince, contre le front du petit, étend les doigts de sa main droite en visière pour le protéger de la lumière. Pâle, sans éclat ni luxe – robe grise de crin rêche et vaste voile noir usé enveloppant l’enfant nu dont la peau est si fragile –, ses pas la guident le long de la voie dans un choc régulier de sabots à travers des excréments en putréfaction, des odeurs fétides, des nuées de mouches. Aux abords d’une place entourée de façades à colombages, contre la porte d’un asile, décorée d’une croix, qu’on n’ouvre pas, des gens en haillons tambourinent. L’enfant frémit. La blonde lui bouche les oreilles. Il plisse ses lèvres pour pleurer, elle y dépose un index et traverse un marché vide sans rien aux étals. À présent, sous les arcades d’une rue plus large, les galets arrondis qui la pavent tordent les chevilles de la mère jusqu’à un imposant bâtiment officiel surmonté d’une girouette aux couleurs rouges et blanches de la ville. Elle poursuit tout droit, atteint, à l’ombre des remparts, un pont couvert chapeauté d’une toiture. Au milieu de cette passerelle, elle s’arrête et jette son enfant à la rivière. Dans une onde chargée de chaux éteinte, mauvaise à boire, le nourrisson balance. Ses petits membres y ondulent comme s’il dansait. Il culbute, roule parmi les remous pollués, pivote encore sur lui-même puis coule. Sa génitrice se retourne. Tout est dit pour elle. Par une venelle isolée où la misère pleure, pauvre voile sans boussole, sans étoile, elle s’égare ensuite sous le drapeau de l’évêché devant la somptueuse demeure privée de l’évêque. Un va-et-vient de lourdes cloches sonne midi à la cathédrale, plus haut édifice d’Occident. Celle qui a foutu son fils à la baille lève la tête. Un nuage passe. L’éclat du soleil se voile d’un crêpe alors les ombres roulent sur les sculptures des trois portails – représentations de saints, de prophètes, vices terrassés par des vertus, vierges sages et d’autres folles. Les statues intégrées à l’architecture, fondues dans la pierre, semblent en surgir et s’animer d’un pied sur l’autre. Les corps taillés dans du grès rose paraissent bouger autour des vitraux colorés de l’immense rosace. L’infanticide revient rue du Jeu-des-Enfants.”

 
Jean Teulé (Saint-Lô, Manche, 26 februari 1953)

 

De Nederlandse dichter, schrijver, letterkundige en theoloog Elias Annes Borger werd geboren in Joure op 26 februari 1784. Zie ook alle tags voor Elias Annes Borger op dit blog.

Uit: Iets voor mijn kind

Ja, treuren is mijn werk , en ’t huis een wildernis,
Waar eens het stil geluk de huwelijkstrouw bekroonde
Een stoel staat aan mijn zij, maar ‘k mis haar aan den disch,
Die eens mijn liefde en zorg, met liefde en zorg beloonde.

Komt mij , in d’ ochtendstond , het flaauwe schemerlicht
Aan de armen van den slaap , na korte rust , ontrukken,
Vergeefs in ’t rond gezocht , naar ’t vriendlijk aangezigt,
Om op dat beeld der deugd den morgenzoen te drukken.

Dan rijs ik uit het bed, bij ’t graauwen van den dag,
Om in den stillen hof, mijn’ boezem lucht te Geven.
De tuinmuur kaatst terug den weerklank van ’t geklag,
En elke kreet dien ‘k slaak , wordt weer in ’t oor gedreven.

Of wordt eens mijn gerucht vervangen door den wind,
Die lispelt in den top der hoogo notenboomen,
Dan hoort verbeelding haar, die mijne ziel bemint
En ‘k zie verrukt omhoog, alsof haar geest zal komen.

Neen ! ’t is mijn gade niet : zij is voor eeuwig heen.
Ik voel op ’t heet gelaat den kouden drop der bladen,
’t Geboomte hoort mijn klagt , en deelt in mijn geween;
En schijnt het treurig loof , in tranendauw te baden.

En ik verbied mijn’ zoon, zijn’ bittren nood en rouw
Te ontboezemen voor God der wenen schets en hoeder:
Neen, nooit heb ik bemind mijn vroeg gestorven vrouw
Zoo ik haar kind belet te weenen om zijn moeder.


Elias Annes Borger (26 februari 1784 – 12 oktober 1820)  

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e februari ook mijn blog van 26 februari 2017 deel 2.

Amin Maalouf, Gerald Murnane, Gabriël Smit, Anthony Burgess, Robert Rius, Karl May, Lesja Oekrajinka, Aldo Busi, Karel Toman

De Libanese (Franstalige) schrijver Amin Maalouf werd geboren in Beiroet, Libanon, op 25 februari 1949. Zie ook alle tags voor Amin Maalouf op dit blog.

Uit: De rots van Tanios (Vertaald door Eef Gratama)

“Het was heel lang geleden, ik was nog niet eens geboren, en mijn eigen vader ook nog niet. In die tijd voerde de pasja van Egypte oorlog tegen de Osmanen, onze voorouders hebben het niet makkelijk gehad. Vooral niet na de moord op de patriarch. Hij is precies daar, aan het begin van het dorp gedood, met het geweer van de consul van Engeland …’ Zo sprak mijn grootvader wanneer hij me geen antwoord wilde geven, hij uitte flarden van zinnen alsof hij een weg aanwees, dan weer een andere, vervolgens een derde, zonder ooit een ervan te volgen. Ik heb jaren moeten wachten voordat ik de ware toedracht ontdekte. Toch zat ik dicht bij de bron want ik kende de naam Lamia. Iedereen in de streek kende die naam, dankzij een gezegde dat ons bij toeval na een reis van twee eeuwen ter ore kwam: `Lamia, Lamia, hoe zou je je schoonheid kunnen verhullen?’ Nu nog, wanneer de jongelui die op het dorpsplein bij elkaar komen, een vrouw gehuld in een omslagdoek voorbij zien komen, is er altijd wel één die mompelt: `Lamia, Lamia …’ Wat vaak een welgemeend compliment is, maar soms ook het toppunt van wrede spot. De meesten van deze jongens weten niet veel van Lamia, noch van het drama dat dankzij dit gezegde niet in de vergetelheid is geraakt. Ze volstaan met te herhalen wat ze uit de mond van hun ouders en grootouders hebben gehoord, en soms maken ze daarbij, net als zij, een handgebaar in de richting van het hoger gelegen deel van het dorp, waar nu niemand meer woont en waar je de nog altijd de imposante ruïne van een kasteel kunt zien. Vanwege dat gebaar, dat ik zo vaak heb gezien, heb ik lange tijd gedacht dat Lamia een soort prinses was die haar schoonheid achter die hoge muren voor de blikken van de dorpelingen verhulde. Arme Lamia, als ik haar in de keukens in de weer had gezien, of blootsvoets lopend van het ene voorportaal naar het andere met een kruik in haar handen en een sjaal om haar hoofd, zou ik haar moeilijk voor de kasteelvrouwe hebben kunnen aanzien. Maar ze was evenmin een dienstmeisje. Nu weet ik iets meer over haar. In de eerste plaats dankzij de oude dorpelingen, zowel mannen als vrouwen die ik alsmaar met vragen heb bestookt. Dat was meer dan twintig jaar geleden, nu zijn ze allemaal dood, op één na. Zijn naam is Gebrayel, hij is een neef van mijn grootvader en is nu zesennegentig jaar oud. Dat ik hem ter sprake breng, komt niet alleen omdat hij het voorrecht heeft gehad de anderen te overleven, maar vooral omdat de getuigenis van deze voormalige onderwijzer met een hartstochtelijke belangstelling voor de plaatselijke geschiedenis het meest waardevol is geweest; in feite onvervangbaar. Ik kon uren naar hem blijven kijken, hij had grote neusgaten, dikke lippen en een klein, gerimpeld kaal hoofd —trekken die met het klimmen der jaren sterk de nadruk hebben gekregen. Ik heb hem de laatste tijd niet meer gezien, maar men verzekert mij dat hij nog altijd op dezelfde vertrouwelijke toon spreekt, met dezelfde waterval van woorden en een ijzeren geheugen. Tussen de woorden door die ik hierna op papier ga zetten, zal de lezer vaak de echo van zijn stem horen.”


Amin Maalouf (Beiroet, 25 februari 1949)

 

De Australische schrijver Gerald Murnane werd geboren op 25 februari 1939 in Coburg, Victoria. Zie ook alle tags voor Gerald Murnane op dit blog.

Uit: Border Districts

“Two months ago, when I first arrived in this township just short of the border, I resolved to guard my eyes, and I could not think of going on with this piece of writing unless I were to explain how I came by that odd expression.
I got some of my schooling from a certain order of religious brothers, a band of men who dressed each in a black soutane with a bib of white celluloid at his throat. I learned by chance last year, and fifty years since I last saw anyone wearing such a thing, that the white bib was called a rabat and was a symbol of chastity. Among the few books that I brought here from the capital city is a large dictionary, but the word rabat is not listed in it. The word may well be French, given that the order of brothers was founded in France. In this remote district, I am even less inclined than I was in the suburbs of the capital city to seek out some or another obscure fact; here, near the border, I am even more inclined than of old to accept as well-founded any supposition likely to complete a pattern in my mind and then to go on writing until I learn the meaning for me of such an image as that of the white patch which appeared just now against a black ground at the edge of my mind and will not be easily dislodged.
The school where the brothers taught was built in the grounds of what had been a two-storey mansion of yellow sandstone in a street lined with plane-trees in an inner eastern suburb of the capital city. The mansion itself had been converted into the brothers’ residence. On the ground floor of the former mansion, one of the rooms overlooking the return veranda was the chapel, which was used by the brothers for their daily mass and prayers but was available also to us, their students.
In the language of that place and time, a student who called at the chapel for a few minutes was said to be paying a visit. The object of his visitation was said to be Jesus in the Blessed Sacrament or, more commonly, the Blessed Sacrament. We boys were urged by teachers and priests to pay frequent visits to the Blessed Sacrament. It was implied that the personage denoted by that phrase would feel aggrieved or lonely if visitors were lacking. My class once heard from a religious brother one of a sort of story that was often told in order to promote our religious zeal. A non-Catholic of good will had asked a priest to explain the teachings of the Church in the matter of the Blessed Sacrament. The priest then explained how every disc of consecrated bread in every tabernacle in every Catholic church or chapel, even though it appeared to be mere bread, was in substance the body of Jesus Christ, the Second Person of the Blessed Trinity. The inquirer of good will then declared that if only he were able to believe this, he would spend every free moment in some or another Catholic church or chapel, in the presence of the divine manifestation.”


Gerald Murnane (Coburg, 25 februari 1939)

 

De Nederlandse dichter, essayist, toneelschrijver, vertaler, kunstcriticus, journalist, redacteur en politicus Gabriël Wijnand Smit werd geboren in Utrecht op 25 februari 1910. Zie ook alle tags voor Gabriël Smit op dit blog

Oud familieportret

Tussen de grote mensen – van de grond
gescheiden door een berg van brede plooien,
als op een onbereikbaar wereldrond –
zit zich het kind geduldig te verstrooien.

Het kijkt bevreemd de leegte in het rond:
het dikke kleed, de glinstering van het strooien
boeket, het grijze tuindoek, – al die mooie
dingen bekijkt het als een kleine hond.

Leeg is zijn hoofd achter de koele ogen,
zijn netvlies spiegelt alles onbewogen,
maar toch begint al in zijn rond gezicht

vermoeden van verwondering te trillen:
de mond bewoog, bevende om de stille
rimpeling van een wazig binnenlicht.

 

Tien sonnetten

V
En meer: Gij hebt ze om mij heen gezet,
uw hand even tevoren weggenomen
en warm van liefde, schuw in huiverend schromen,
vervullen zij hun opdracht: van uw wet

hier, voor mijn oog, de vaste stem te zijn,
mij dringend en vermanend niet te blijven
waar trots en zelfzucht mij willen inlijven
bij het verraad van hun devoten schijn.

Want alleen hier, in dit aandachtig spreken
met al wat Gij mij laat als troost en teeken,
ken ik de liefde, die de dag mij rooft.

Wat deed ik toch? Waar ben ik toch gebleven?
Bang keer ik terug naar wat mij heeft verdreven…
‘Caïn’, roept Gij, – en ik buig mijn hoofd.


Gabriël Smit (25 februari 1910 – 23 mei 1981)

 

De Britse dichter en schrijver Anthony Burgess werd geboren op 25 februari 1917 in Manchester, Engeland. Zie ook alle tags voor Anthony Burgess op dit blog.

Uit: Machten der duisternis (Vertaald door Paul Syrier)

“Ik bleef nog even liggen, naakt, vlekkerig, vaalbleek, uitgemergeld, een sigaret rokend die postcoïtaal had moeten zijn maar het niet was. Geoffrey trok puffend zijn sandalen aan, waarbij zijn buik zich in drie rollen vet plooide, en daarna zijn gebloemde overhemd. Ten slotte verborg hij zich achter zijn zonnebril, zo een van het onbeschofte soort waarvan de bolle oppervlakken de wereld een duo metalen spiegels voorhouden. Ik kon mijn eenentachtig jaar oude gezicht en hals er heel duidelijk in zien: de bekende afgeleefde grimmigheid van iemand die het leven intens heeft ervaren, de ontvleesde pezen als kabels, de anatomie van de kaken, de Fribourg & Treyersigaret in zijn Dunhillpijpje, die mijn herkomst verried uit een tijd waarin roken een handeling was die men met elegantie verrichtte. Ik bezag het dubbelbeeld zonder rancune, terwijl Geoffrey zei: ‘Ik vraag me af wat Zijne Aartsbisschap in de zin heeft. Misschien komt hij een excommunicatiebul afleveren. In kakelbonte cadeauverpakking, natuurlijk.’
‘Zestig jaar te laat,’ zei ik. Ik reikte Geoffrey de halfopgerookte sigaret aan om uit te drukken in een van de onyx asbakken en merkte op hoe ongaarne hij me zelfs die kleine dienst bewees. Ik stapte uit het bed, naakt, vlekkerig, vaal, uitgemergeld. Mijn zomerbroek zat, conform het fatsoensminimum, verre van strak. Het overhemd met begonia’s en orchideeën stond een man van mijn leeftijd belachelijk, maar ik had al lang geleden de angel uit Geoffreys rotopmerkingen getrokken met de woorden: ‘Lieve jongen, ik zal toch ééns moeten wennen aan het vooruitzicht van een laatste bloemenhulde.’ Deze zinsnede dateerde uit 1915. Ik had hem gehoord in Lamb House te Rye, maar hij was minder echt Henry James dan Henry James die de spot dreef met de echte Meredith. Hij had herinneringen opgehaald aan 1909 en het moment dat een of andere dame Meredith te veel bloemen had gestuurd. ‘Een laatste bloemenhulde, ha, ha, ha,’ had James gespot, schokschouderend van geveinsde vrolijkheid.
‘De gelukwensen van de tróúwe gelovigen, dan.’
Ik kon de overdreven stembuiging waarmee Geoffrey dit woord uitsprak geenszins waarderen. Het ademde seks en zijn eigen infame trouweloosheden; het was een woord dat ik ooit in tranen tegen hem had gebezigd; het was voor mij geladen met een ouderwetse morele ernst die voor Geoffreys generatie niet meer dan een nichtengrap was.”


Anthony Burgess (25 februari 1917 – 22 november 1993)
Cover Engelse uitgave

 

De Franse dichter Robert Rius werd geboren op 25 februari 1914 in Château-Roussillon. Zie ook alle tags voor Robert Rius op dit blog

Uit: Votre vie vaut cinquante francs (mede ondertekend door André Breton, Henry Espinouze, Maurice Henry, Georges Hugnet, Jean, Benjamin Péret en Yves Tanguy)

« Deux cents francs pour quatre cadavres, on ne peut pas dire que ce soit cher. Soyons précis : Soixante-six francs soixante-six centimes, si l’on compte à sa juste valeur, c’est-à-dire rien, la carcasse de l’adjudant Untel, qui a trouvé une fin hono-rable dans l’exercice de ses sordides fonctions. Qu’on ne vienne pas nous dire que ce n’était pas sa faute. On ne devient pas adjudant comme on devient plombier; il faut la vocation. Après tout, Dreyfus n’avait qu’à ne pas être capitaine. Ça lui aurait évité des difficultés avec l’armée. Les paysans dont le sort nous touche aujourd’hui ont été assiégés dans leur ferme parce qu’ils devaient deux cents francs au fisc. On voit ici l’effet des direc-tions données par les responsables du Front Populaire aux percepteurs : accorder des facilités, ne pas instrumenter contre les gens trop visiblement désargentés. Il est très probable que les Cornuel auraient préféré payer deux cent francs que mourir grillés et mitraillés. 11 est entendu que le pauvre serrurier qu’ils ont descendu n’y était pour rien ; d’autant plus que si on l’avait laissé chez lui, il ne serait pas refroidi maintenant. Mais on a lancé des bombes lacrymogènes sur la vache des Cornuel. Erreur politique, d’ailleurs, il n’y avait rien d’autre à saisir dans leur lamentable ferme. On a mis le feu à la ferme (en sorte que l’enterrement des martyrs retombera finalement aux frais de la commune). Ne l’oubliez pas. Nous avons tous lu Sade avec un certain plaisir. N’oubliez pas la vieille paysanne qui fuyait la fournaise, les cheveux enflammés, canardée à loisir par des gendarmes épouvantés. »


Robert Rius (25 februari 1914 – 21 juli 1944)
Divisibilité indéfinie door Yves Tanguy, 1942

 

De Duitse schrijver Karl May werd geboren op 25 februari 1842 in Hohenstein-Ernstthal. Zie ook alle tags voor Karl May op dit blog.

Uit: Old Surehand

„Ich hatte dies natürlich in unsere Zeitrechnung zu übersetzen, und war zur bestimmten Zeit dort. Es war weder Winnetou noch eine Spur von ihm zu sehen, obgleich die Schattenlänge der Eiche genau fünfmal die meinige betrug. Ich wartete mehrere Stunden lang; er stellte sich nicht ein. Ich wußte, daß ihn nur ein Unfall hindern konnte, ein einmal gegebenes Wort zu halten, und wollte darum schon besorgt um ihn werden; da kam mir der Gedanke, daß er schon hier gewesen sein und einen triftigen Grund gehabt haben könne, nicht auf mich zu warten. In diesem Falle hatte er mir ganz gewiß ein Zeichen hinterlassen. Ich untersuchte also den Stamm der Eiche, und richtig! es steckte in demselben in Manneshöhe ein kleiner, verdorrter Fichtenzweig. Da eine Eiche keine Fichtenzweige hat, so mußte er mit Absicht angebracht worden sein, und zwar schon vor längerer Zeit, weil er vollständig vertrocknet war. Ich zog ihn heraus und mit ihm ein Papier, welches um sein zugespitztes, unteres Ende festgewickelt war. Als ich es aufgerollt hatte, las ich die Worte:
»Mein Bruder komme schnell zu Bloody-Fox, den die Comantschen überfallen wollen. Winnetou eilt, ihn noch rechtzeitig zu warnen.«
Diejenigen meiner Leser, welche Winnetou kennen, wissen, daß er sehr wohl lesen und auch schreiben konnte. Er führte fast stets Papier bei sich. Die Nachricht, welche ich hiermit von ihm erhielt, war keine gute; sie machte mich um ihn besorgt, obgleich ich wußte, daß er jeder, auch der größten Gefahr gewachsen sei. Auch um Bloody-Fox wurde mir bange, denn er war sehr wahrscheinlich verloren, wenn es Winnetou nicht gelang, ihn noch vor der Ankunft der Comantschen zu erreichen. Und was mich selbst betrifft, so war auch meine Lage nichts weniger als unbedenklich. Bloody-Fox hauste auf einer, ja wohl der einzigen Oase des öden Llano estakado, und der Weg dorthin führte durch das Gebiet der Comantschen, mit denen wir oft feindlich zusammengeraten waren.“


Karl May (25 februari 1842 – 30 maart 1912)
Pierre Brice als Winnetou en Stewart Granger als Old Surehand.in de gelijknamige film uit 1965

 

De Oekraïense dichteres, schrijfster en vertaalster Lesja Oekrajinka werd geboren op 25 februari 1871 in Novograd-Volynsky. Zie ook alle tags voor Lesja Oekrajinka op dit blog.

Uit: The Forest Song (Vertaald door Percival Cundy) 

The Lost Babes
Please, oh, please! be not so savage,
Or our home you’ll surely ravage.
One small cave – for there’s none other
Than the one found by our mother.
Humble is the place we own –
Father’s love we’ve never known…
(They seize him by the hand, beseeching him.)
We’ll dive down to depths profound
Where no light or warmth is found;
There Rusalka watch is keeping
Where a fisher drowned is sleeping.
“He Who Rends the Dikes”
Let her leave him lying there!
Straightway let her come up here!
(The Lost Babes dive down into the lake.)
Come up, love, I say!
Rusalka comes up out of the water, smiling alluringly, joyfully clapping her hands. She is wearing two chaplets: the larger one, green; the other, small, like a crown of pearls, from which there hangs a veil.
Rusalka
Ah! ‘tis you, my sweetheart gay.
“He Who Rends the Dikes”
(Angrily)
Why all this delay?
Rusalka
(She starts to swim as though to meet him, but veers aside, avoiding him.)
All the night, dear, I’ve been yearning,
Dreaming that you were returning!
All the many tears I wept
In a silver cup I’ve kept.
Without you, the tears, my lover,
Filled the cup till it brimmed over.
(She claps her hands, darts forward as though to meet his embrace, but again swerves aside and avoids him.)
Some gold to the bottom fling,
And baptize the wedding ring!
(She laughs in bell-like tones.) “


Lesja Oekrajinka (25 februari 1871 – 1 augustus 1913)
Scene uit een opvoering op Bainbridge Island, 2017

 

De Italiaanse schrijver en vertaler Aldo Busi werd geboren op 25 februari 1948 in Montichiari, Brescia. Zie ook alle tags voor Aldo Busi op dit blog.

Uit: Standard Life of a Temporary Pantyhose Salesman (Vertaald door Ercole Guidi)

“In the compartment Angelo had felt uneasy toward Jürgen Ölberg, his friend always so avid of new diseases; the venereal warts Jürgen had yet to collect, and he, who had been so close to getting them, had ran away, like any other mortal still contaminated by the categories of disease and cure.
But Angelo was fed up to the back teeth with clinical testing and rubber gloves. He might as well get used to dying of health, and not speak a word to Jürgen.
No sooner was he back home than he couldn’t wait a minute longer for the imminent inhalation.
The man by the white or red shorts was having a snack, light, together with that man and that woman likewise disdainful, without a reason, as they both were freckled and freckles are the demise of all regality on lakes that be not Scandinavian. Angelo felt as if three minutes and not three days had passed since the affront suffered. He must think of something else.
At Portese an old fisherman-innkeeper had complained of the increasingly meager catch because «the lake is inclined of the discharges. He saw a shim beneath Riva, as beneath the leg of a table, and the water overflowing in all the directions of the imaginary geographical vulva. But the first to be swept away and sucked into that «inclination» were always those three, placid and manducating, with their backs turned.
It was at that moment that he saw the yacht, which surely had been there for hours, pop out of nowhere and approach with precaution the emerging rocks.
Angelo was heedful of the signs of social opulence and genetic paucity which contemporarily intercross within the same family. One of the things which he found most horrifying (splendidly subversive: nothing like nature could intervene with a more candidly vindictive and revolutionary hand), was an economical empire founded upon a couple of dynamic and capable and with attitude to leading persons who had generated a seriously handicapped or mentally challenged as their sole heir.”


Aldo Busi (Montichiari, 25 februari 1948)
Cover Italiaanse uitgave

 

De Tsjechische dichter, journalist en vertaler Karel Toman werd geboren 25 februari 1877 in Kokovice. Zie ook alle tags voor Karel Toman op dit blog.

The Sundial

A house in ruins. On holed-out walls the moss
is creeping ravenous
and lichen hordes of infestation bask.

In the yard bindweed hustles
and nettles stand a-jungled. The poisoned well
is for the rats to drink.

A cankered apple tree, half lightning-felled,
strains, of past blooms to think.

On clear days come the whistles
as linnets rummage. On sun-glowing days
the gable-end sundial arc revives,
and on it carefree jolly flits and jives
time’s shadow
reciting skyward in stern righteous gloom:
Sine sole nihil sum.

For all is but a mask.

 

Vertaald door Václav ZJ Pinkava

 
Karel Toman (25 februari 1877 – 12 juni 1946)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e februari ook mijn blog van 25 februari 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Bregje Hofstede

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse schrijfster, journaliste en columniste Bregje Hofstede werd geboren in Ede in 1988. Hofstede studeerde kunstgeschiedenis en Frans in Utrecht, Parijs en Berlijn. Ze schrijft voor diverse kranten en literaire tijdschriften en is correspondent Nieuw Feminisme bij online journalistiek platform De Correspondent. Haar debuutroman “De hemel boven Parijs” is vertaald in het Duits en Deens. Hij werd genomineerd voor onder andere de Libris Literatuur Prijs, de Anton Wachterprijs en de Gouden Boekenuil. Hofstede is lid van feministische actiegroep De Bovengrondse.

Uit: Drift

“Er was eens een winternacht. Er was een vrouw die haar huis uit wankelde, gekromd onder een veel te zware rugtas. Die vrouw ben ik. Die nacht is nu.
Ik had van alles kunnen meepakken, maar het eerste dat ik in de grijze rugtas stopte was mijn dagboek. En toen het schriftje dat vorig jaar die rol vervulde. En toen dat van het jaar daarvoor. Met elk boekje dat in de tas verdween werd duidelijker welk deel van mij ik uit dit huis wilde weghalen: niet alleen de laatste maanden, maar het afgelopen jaar en ten slotte alle jaren die we samen hebben doorgebracht. Ik bleef stapelen tot de backpack vol zat.
In de bovenste flap stak ik mijn tandenborstel, telefoon en pinpas, en ik verdween.
De waterbassins van de Brusselse Vismet zijn leeggepompt en overdekt met een glibberige plankenvloer waarop pasgeleden nog de kerstmarkt stond.
Midden op de Vismet staat een sokkel met een groot tandwiel uit de tijd dat dit een haven was.
Naast de sokkel zet ik mijn backpack neer en ik ga zitten op het randje, in het flauwe schijnsel van de restaurants.
Zo broos als nu was ik nog nooit. Er zit een trilling in mijn ellebogen en mijn knieholtes. Het gestrekte been is niet te vertrouwen, de arm voelt alsof hij elk moment kan dubbelklappen.
Al die bladzijden, al die ernstige notities om de liefde te verankeren die ik zojuist heb losgeslagen. Een anker zonder schip is kitsch, een nutteloos gewicht waarvan de onverplaatsbaarheid ineens alleen nog maar onhandig is.
Ik stel me voor dat ik op zal staan, mijn tas zal laten liggen en wegloop. Ik kan een halve kreeft gaan eten en vanaf mijn tafel toezien hoe zwervers mijn tas pakken en de episodes van ons leven tevoorschijn halen, terwijl ik binnen het warme vlees uit pantsers trek.
Maar ik blijf zitten.
Pas als ik volledig koud ben, ga ik op zoek naar een hotel, de tas op mijn rug.”


Bregje Hofstede (Ede, 1988)

John Lanchester

De Britse schrijver John Lanchester werd geboren op 25 februari 1962 in Hamburg. Lanchester groeide op in het Verre Oosten en werkte na zijn opleiding in Engeland als redacteur bij uitgeverij Penguin Books voordat hij lid van de redactieraad van de London Review of Books werd. Daarnaast was hij werkzaam voor tal van kranten en tijdschriften, waaronder Granta en The New Yorker en werkte hij als culinair criticus voor The Observer en als columnist voor The Daily Telegraph. In 1996 publiceerde Lanchester zijn veelgeprezen debuutroman “The Debt to Pleasure”, een onorthodoxe en geleerde autobiografie van de fijnproever “Tarquin Winot”. Hiervoor ontving hij meerdere literaire prijzen: de Whitbread Book Award voor de beste debuutroman, de Hawthornden Prize, de Betty Trask Prize en de Julia Child Award. Het boek werd in twintig talen vertaald. Zijn tweede boek, “Mr Phillips” (2000), is een innerlijke monoloog die de gedachten en fantasieën vertelt van een werkloze vijftigjarige accountant. De in Hong Kong spelende roman “Fragrant Harbour” (2002) werd genomineerd voor de James Tait Black Memorial Prize. Verder verschenen het autobiografisch aandoende boek “Family Romance” (2007) en ” Whoops! Why Everyone Owes Everyone and No One Can Pay”, een weergave van de financiële crisis van 2007. De roman “Capital” (2012) beschrijft in episodes de denk- en leefwereld van de inwoners van Londen gedurende een paar maanden in 2008, kort voor de bancaire crisis na het faillissement van Lehman Brothers. Van de roman, maakte de BBC een drieledige miniserie, die in 2015 werd uithezonden. Begin 2019 verscheen de dystopische roman “The Wall”, die met grimmige humor en scherpzinnigheid een ommuurde nieuwe realiteit schildert na een volwaardige Brexit. Daarin sluit het land zich na een klimaatcatastrofe achter een 10.000 kilometer lange muur van de rest van de wereld af, terwijl klimaatvluchtelingen worden geëuthanaseerd of tot slaaf worden gemaakt.

Uit: The Wall

“It’s cold on the Wall. That’s the first thing everybody tells you, and the first thing you notice when you’re sent there, and it’s the thing you think about all the time you’re on it, and it’s the thing you remember when you’re not there any more. It’s cold on the Wall.
You look for metaphors. It’s cold as slate, as diamond, as the moon. Cold as charity – that’s a good one. But you soon realise that the thing about the cold is that it isn’t a metaphor. It isn’t like anything else. It’s nothing but a physical fact. This kind of cold, anyway. Cold is cold is cold.
So that’s the first thing that hits you. It isn’t like other cold. This is a cold that is all about the place, like a permanent physical attribute of the location. The cold is one of its fundamental properties; it’s intrinsic. So it hits you as a package, the first time you go to the Wall, on the first day of your tour. You know that you are there for two years. You know that it’s basically the same everywhere, as far as the geography goes, but that everything depends on what the people you will be serving with are like. You know that there’s nothing you can do about that. It is frightening but also in its way a little bit freeing. No choice – everything about the Wall means you have no choice.
You get a little training but not much. Six weeks. Mainly it’s about how to hold, clean, look after and fire your weapon. In that order. Some fitness training, but not much; a lot of training in midnight awakening, sleep disruption, sudden panics, sudden changes of order, small-hours tests of discipline. They drum that into you: discipline trumps courage. In a fight, the people who win are the ones who do what they’re told. It’s not like it is in films. Don’t be brave, just do what you’re told. That’s pretty much it. The rest of the training happens on the Wall. You get it from the Defenders who’ve been there longer than you. Then in your turn you give it to the Defenders who come after. So that’s what you arrive able to do: get up in the middle of the night, and look after your weapon.
You usually arrive after dark. I don’t know why but that’s just how they do it. Already you had a long day to get there: walk, bus, train, second train, lorry. The lorry drops you off. You and your rucksack are left standing there in the cold and the blackness. There is the Wall in front of you, a long low concrete monster. It stretches into the distance. Although the Wall is completely vertical, when you stand underneath it, it feels as if it overhangs. As if it could topple over onto you. You feel leant on.
The air is full of moisture, even when it isn’t actually wet, which it often is, either with rain or with sea-spray splashing over the top. It isn’t usually windy, immediately behind the Wall, but it sometimes is. In the dark and the damp, the Wall looks black. The only path or sign or hint for what you should do or where you should go is a flight of concrete steps – they always drop you near the steps.”

 
John Lanchester (Hamburg, 25 februari 1962)

Alain Mabanckou, Leon de Winter, George Moore, Erich Loest, Herman Maas, Luc Verbeke, Wilhelm Grimm, Friedrich Spielhagen, Jacques Presser

De Congolese dichter en schrijver Alain Mabanckou werd geboren op 24 februari 1966 in Congo-Brazzaville (Frans Congo). Zie ook alle tags voor Alain Mabanckou op dit blog.

Uit: Black Moses (Vertaald door Helen Stevenson)

« In fact, until the year the Revolution fell on us like a rainfall which even the most celebrated fetishers hadn’t seen coming, I believed the orphanage at Loango was not an institution for minors who were parentless, or had been mistreated, or who had been born into a problem family, but rather a school for the very gifted. Bonaventure was more realistic, he said it was a place where they kept all the kids no one wanted, because if you love someone, if you want them, you take them out, go for walks with them, you don’t shut them up in some old building, as if they were in captivity. He based this on his own experience, and on his own inability to understand how a mother such as his own, who was still alive, could leave him there, surrounded by all these other boys and girls, each with their own ‘serious problem’, which led inevitably to their admission to Loango.
In my mind, our studies at Loango were designed to make us superior to most other children in the Congo. This was the impression we got from Dieudonné Ngoulmoumako. He liked to boast that he was Director of one of those public establishments whose academic results were equal in every way to those of the state primaries, secondaries and lycées. He’d puff out his chest and declare proudly that the masters and teachers at Loango earned more than their colleagues at the Charles-Miningou primary, Roger-Kimangou secondary and even the Pauline-Kengué lycée, the most prestigious lycée in Pointe-Noire. He was careful not to admit that if these teachers were indeed better paid, it was no thanks to the charity of the President of the Republic. The running costs of the orphanage and the salaries of the staff were provided for by the descendants of the former kingdom of Loango, who wanted to show that their monarchy continued to exist, at least symbolically, through the generosity of its heirs. However, as I perceived it, our orphanage was separate from the rest of the Congo, in fact from the whole of the rest of the world. Since the school was in the hinterland, we knew nothing of the neighbouring agglomerations of Mabindou, Poumba, Loubou, Tchiyèndi, or our own economic capital, Pointe-Noire, which was spoken of as though it was the promised land Papa Moupelo used to talk to us about.
Yet the village of Loango was only about twenty kilometres from Pointe-Noire, and according to Monsieur Doukou Daka, our history teacher, it had once been the capital of the kingdom of Loango, founded in the 15th century by the ancestors of the vili people and other southerners. It was here that their descendants had been taken into slavery. Monsieur Doukou Daka raged against the whites who had taken our strongest men, our most beautiful women, and piled them up in the ship’s hold to make that dreadful voyage to the land of the Americas, where they were branded with irons, some had their legs amputated, some were left with only one arm, because they’d tried to run away, even though it would have been impossible to find the path back to their village.”

 
Alain Mabanckou (Congo-Brazzaville, 24 februari 1966)

 

De Nederlandse schrijver Leon de Winter werd geboren in ’s-Hertogenbosch op 24 februari 1954. Zie ook alle tags voor Leon de Winter op dit blog.

Uit: VSV

‘Ik heb hard gewerkt,’ was het enige wat Kohn kon bedenken.
‘Jimmy ook,’ zei ze. ‘Jimmy wilde het goede verspreiden. Tot de Heer hem bij Zich riep. Zijn hart klopt nu in uw lichaam. De dokters kunnen alles tegenwoordig. Veel. Ik heb suikerziekte, daar is nog geen medicijn voor. Maar het hart van een dode kunnen ze gewoon in een andere dode zetten en die kan dan weer leven. Was u dood toen u het hart van mijn zoon kreeg?’
Kohn antwoordde: ‘Nee. Ik was dood geweest als Jimmy niet was gestorven.’
Vijf mannen met hoge hoeden in de hand – door de lage deuropeningen konden ze de hoeden niet dragen – kwamen bijna geruisloos de kamer binnen. De kist zou nu worden weggehaald.
Kohn hield nog steeds haar hand vast.
De vrouw zei: ‘Ik zal voor u bidden dat Jimmy voor u bidt. Janet is nu bij hem. Ze hebben altijd goed contact gehouden. Jimmy heeft in Afrika gewerkt, weet u dat?’
‘Ik heb daarover gelezen.’
Ze draaide haar goede oor in de richting van de kist en concentreerde zich op wat ze hoorde: ‘Zijn de dragers er?’
Father Joseph boog zich naar haar toe: ‘Ja. Ze zijn er. We gaan nu naar de begraafplaats.’
Ze trok haar vingers terug uit Kohns handen.
‘Komt u nog eens langs,’ zei ze. ‘U bent altijd welkom. U bent niet zwart, toch?’
‘Nee.’
‘Een zwart hart in een wit lijf,’ spotte ze. ‘Dat wordt nog wat.’

 
Leon de Winter (’s-Hertogenbosch, 24 februari 1954)
Cover

 

De Duitse schrijver Erich Loest werd geboren op 24 februari 1926 in Mittweida. Zie ook alle tags voor Erich Loest op dit blog.

Uit: Löwenstadt

„Siebzigtausend Bürger vereinten sich an diesem Abend zum Protest. Sie waren in Ansichten und Zielen zerklüftet, doch das minderte nicht ihre Zahl. Die meisten wollten eine freundlich funktionierende DDR mit netten Polizisten, Reisefreiheit und Bananen. Berufsschüler wollten ihre Meister ärgern und einfache Genossen den Parteisekretär, Mieter den Hausbeauftragten, Altbaubewohner mit Wasserschäden im Kinderzimmer die Zicke vom Wohnungsamt, LVZ-Leser den Leitartikler, Eltern den Schulleiter, der ihre Tochter von der Oberschule ferngehalten, die Tochter den Vater, weil der viel zu lasch reagiert hatte. Hier zogen ehemalige Bausoldaten und ihre Bräute, Zeugen Jehovas, Jugend-Fußballspieler, deren Trainer sie zusammengeschissen hatte, weil ihre Klamotten in Aldi-Beuteln steckten, Chorsänger, die sich über die ewigen Thälmann- und Stalinkantaten erbosten, Herzens-Sozialdemokraten, geschlagene des 17. Juni 1953, Nazis, Biermannfreunde, wer von einer Hochschule geflogen war, weil seine Mitarbeit im Elferrat als destruktiv gegolten hatte, Twisttänzer, von Ordnungskräften verprügelt, weil sie auseinander getanzt hatten, Althäftlinge aus den Speziallagern Bautzen, Mühlberg und Buchenwald, Ringelsockenträger der fünfziger Jahre, Teilnehmer des Olof-Palme-Friedensmarschs, RIAS-Hörer, Deutschlandfunkhörer, wer “Die Revolution entlässt ihre Kinder” verschlungen hatte. Schlesierland, mein Heimatland, drei Mal Ausreiseantrag gestellt, der Bruder wegen Fluchthilfe in Brandenburg – hier mitzuziehen löschte eigene Feigheiten aus, man zeigte es denen, war unversehens ein Hecht, ein Kerl, das Mäuschen im Männchen tanzte, da die Katze den Schwanz einkniff. Wer hier dabei war, erteilte sich selbst Absolution für getreuliche Mitarbeit an jedweder Wandzeitung.“

 
Erich Loest (24 februari 1926 – 12 september 2013)
Cover

 

De Ierse schrijver en kunstcriticus George Augustus Moore werd geboren op 24 februari 1852 in Ballyglass. Zie ook alle tags voor George Moore op dit blog.

Uit: Celibates

‘The other day when I came into the drawing-room she didn’t say a word. I waited and waited to see if she would speak–no, not a word.
She sat reading. Occasionally she would look up, stare at the ceiling, and then take a note. I wonder what she put down on that slip of paper? But when I spoke she seemed glad to talk, and she told me about Oxford. It evidently was the pleasantest time of her life. It must have been very curious. There were a hundred girls, and they used to run in and out of each other’s rooms, and they had dances; they danced with each other, and never thought about men. She told me she never enjoyed any dances so much as those; and they had a gymnasium, and special clothes to wear there–a sort of bloomer costume. It must have been very jolly. I wish I had gone to Oxford. Girls dancing together, and never thinking about men. How nice!
‘At Oxford they say that marriage is not the only mission for women– that is to say, for some women. They don’t despise marriage, but they think that for some women there is another mission. When I spoke to Mrs. Fargus about her marriage, she had to admit that she had written to her college friends to apologise–no, not to apologise, she said, but to explain. She was not ashamed, but she thought she owed them an explanation. Just fancy any of the girls in Sutton being ashamed of being married!’
The darkness was thick with wandering scents, and Mildred’s thoughts withered in the heat. She closed her eyes; she lay quite still, but the fever of the night devoured her; the sheet burned like a flame; she opened her eyes, and was soon thinking as eagerly as before.
She thought of the various possibilities that marriage would shut out to her for ever. She reproached herself for having engaged herself to Alfred Stanby, and remembered that Harold had been opposed to the match, and had refused to give his consent until Alfred was in a position to settle five hundred a year upon her. … Alfred would expect her to keep house for him exactly as she was now keeping house for her brother. Year after year the same thing, seeing Alfred go away in the morning, seeing him come home in the evening. That was how her life would pass. She did not wish to be cruel; she knew that Alfred would suffer terribly if she broke off her engagement, but it would be still more cruel to marry him if she did not think she would make him happy, and the conviction that she would not make him happy pressed heavily upon her. What was she to do? She could not, she dared not, face the life he offered her. It would be selfish of her to do so.”

 
George Moore (24 februari 1852 – 20 januari 1933)
Cover

 

De Nederlandse schrijver en journalist Herman Hubertus Joannes (Herman) Maas werd geboren in Venray op 24 februari 1877. Zie ook alle tags voor Herman Maas op dit blog.

Uit: Het goud van de Peel

“De boerin was woedend, toen zij hoorde, dat er zo over haar geschandaald werd. Zij had nooit iets gemerkt, wist van niets af, en nu moest zij zes over de tong. Het verbitterde haar juist, dat de knecht en de meid hun vrijerij zo goed voor haar verborgen hadden kunnen houden. Dat ze daar nu niks van gezien had! Het was dan toch te gek. Zij viel uit in een stroom van scheldwoorden en verwijten tegen de meid. Die even kwaad tegen haar inkeef, dat op haar niks te zeggen viel. Het gaf een heftig geruzie. En het eind was, dat de meid over zes weken zou moeten vertrekken. Maar toen de eerste woede wat aftrok, kwam de boerenberekeningszucht weer boven. Het was toch een goeie meid, die werken kon voor twee. En de knecht had de huur ook opgezegd, als Dien weg moest. Dat trof heel slecht. Vooral tegen de oogst was het erg. Zonder knecht en zonder meid.
Hoe kregen ze nog nieuw volk? En Toon was een bekwame knecht, dat moest gezegd worden. Zij hadden gemeend, dat het zo goed uitgevallen was met de `booien’ en nou moest dit er tussen komen. Het was wat te zeggen. Boeren, die niet met eigen volk konden werken, hadden toch wat leed te doorstaan. De boer en zijn vrouw braken zich het hoofd met overleggen. En Toon en Dien kwamen er nu openlijk voor uit, dat zij met elkaar wijden, de dorpspraatjes tartend door hun houding van nergens iets-om-geven. Van vrijen was voor die tijd nooit gesproken. Maar de plotseling opgelawaaide herrie in het hele dorp en op de boerderij bracht de ommekeer tussen hen, dat het nu `gemeend’ was. Geen van de twee bezat iets. Hij was blij, dat ie met zijn huur toekwam, en wat Dien had overgehouden, bracht ze aan haar ouders. Dat was zo het gebruik. Van haar elfde jaar af had zij voorgoed gediend. Op haar tiende jaar had ze ’s zomers al bij een boer gewoond om op de koeien te passen, maar was toen nog één winter thuis geweest, omdat ze naar de catechismusles moest voor haar eerste Communie. In die zomer had zij een rijksdaalder verdiend en een paar nieuwe klompen. Vader had het geld opgebeurd. Zij had plezier gekregen in het wilde ravotten buiten, in de weiden, met andere jongens en meisjes, die ook de koeien hoedden. ’s Winters verveelde ze zich, had ook op school geen aard meer, was er onhandelbaar en ruw, in spelen en spreken.”


Herman Maas (24 februari 1877 – 27 januari 1958)

 

De Vlaamse dichter en schrijver Luc Verbeke werd geboren in Wakken op 24 februari 1924. Zie ook alle tags voor Luc Verbeke op dit blog.

Vreugdegroet
Aan mijn drie Zusters in het klooster van de H. Jozef te Brugge

Blij zijn
omdat wij zijn in Hem
als de lucht in het licht,
omdat wij zijn van Hem
als van de lucht het geluid.
Blij zijn,
omdat wij zijn in Zijn Mond
als een zingende fluit
waarlangs Hij blaast
Zijn Geluk in ons uit.
Blij zijn,
in lichaam en ziel,
in ogen en hart,
vol van Zijn Geest;
en alles wordt klein,
de donkere aarde,
het lijden, het leed,
of ook wat hier roem
en rijkdom heet.
Blij zijn,
o altijd blij zijn,
omdat wij een rank,
een bloeiende rank
aan Zijn Wijnstok zijn.

 
Luc Verbeke (24 februari 1924 – 30 september 2013)

 

De Duitse schrijver en taalwetenschapper Wilhelm Karl Grimm werd geboren in Hanau op 24 februari 1786. Zie ook alle tags voor Wilhelm Grimm op dit blog.

Uit: Die drei Sprachen

„In der Schweiz lebte einmal ein alter Graf, der hatte nur einen einzigen Sohn, aber er war dumm und konnte nichts lernen. Da sprach der Vater: “Höre, mein Sohn, ich bringe nichts in deinen Kopf, ich mag es anfangen, wie ich will. Du mußt fort von hier, ich will dich einem berühmten Meister übergeben. der soll es mit dir versuchen.” Der Junge ward in eine fremde Stadt geschickt, und blieb bei dem Meister ein ganzes Jahr. Nach Verlauf dieser Zeit kam er wieder heim, und der Vater fragte: “Nun mein Sohn, was hast du gelernt?” – “Vater, ich habe gelernt, was die Hunde bellen,” antwortete er. “Daß Gott erbarm!” rief der Vater aus, “ist das alles, was du gelernt hast? ich will dich in eine andere Stadt zu einem andern Meister tun.”
Der Junge ward hingebracht, und blieb bei diesem Meister auch ein Jahr. Als er zurückkam, fragte der Vater wiederum: “Mein Sohn, was hast du gelernt?” Er antwortete: “Vater, ich habe gelernt, was die Vögli sprechen.” Da geriet der Vater in Zorn und sprach: “O, du verlorner Mensch, hast die kostbare Zeit hingebracht und nichts gelernt, und schämst dich nicht, mir unter die Augen zu treten? Ich will dich zu einem dritten Meister schicken, aber lernst du auch diesmal nichts, so will ich dein Vater nicht mehr sein.” Der Sohn blieb bei dem dritten Meister ebenfalls ein ganzes Jahr, und als er wieder nach Haus kam und der Vater fragte: “Mein Sohn, was hast du gelernt?” so antwortete er: “Lieber Vater, ich habe dieses Jahr gelernt, was die Frösche quaken.” Da geriet der Vater in den höchsten Zorn, sprang auf, rief seine Leute herbei und sprach:”Dieser Mensch ist mein Sohn nicht mehr, ich stoße ihn aus und gebiete euch, daß ihr ihn hinaus in den Wald führt und ihm das Leben nehmt.” Sie führten ihn hinaus, aber als sie ihn töten sollten, konnten sie nicht vor Mitleiden und ließen ihn gehen. Sie schnitten einem Reh Augen und Zunge aus, damit sie dem Alten die Wahrzeichen bringen konnten.“
Der Jüngling wanderte fort und kam nach einiger Zeit zu einer Burg, wo er um Nachtherberge bat. “Ja,” sagte der Burgherr, “wenn du da unten in dem alten Turm übernachten willst, so gehe hin, aber ich warne dich, es ist lebensgefährlich, denn er ist voll wilder Hunde, die bellen und heulen in einem fort, und zu gewissen Stunden müssen sie einen Menschen ausgeliefert haben, den sie auch gleich verzehren.“

 
Wilhelm Grimm (24 februari 1786 – 16 december 1859)
Jacob en Wilhelm (rechts) Grimm

 

De Duitse schrijver Friedrich Spielhagen werd geboren op 24 februari 1829 in Magdeburg. Zie ook alle tags voor Friedrich Spielhagen op dit blog.

Uit: Problematische Naturen

„Der schweigsame Kutscher klatschte zum Zeichen der Ankunft mit der Peitsche. Die einzige Antwort war der helle Ton einer Glocke in der Nähe, die langsam elf Uhr schlug. Als der letzte Ton verklungen war, tat sich die Haustür auf, ein Diener trat heraus an den Wagen, und hinter ihm wurde die Gestalt eines alten Herrn sichtbar, dessen runzliges Gesicht von dem Schein der Kerze, die er mit der einen Hand gegen den Luftzug zu schützen suchte, hell beleuchtet wurde.
Der junge Mann sprang rasch aus dem Wagen auf den alten Herrn zu, der ihm die Rechte entgegenstreckte und mit einer Stimme, deren Freundlichkeit das Zittern des Alters und ein etwas ausländischer Akzent nicht verhüllten, sagte:
»Seien der Herr Doktor bestens willkommen!«
Der junge Mann erwiderte herzlich den Druck der dargebotenen welken Hand: »Ich komme zwar etwas spät, Herr Baron«, sagte er, »aber –«
»Das tut nichts, das tut nichts«, unterbrach ihn der alte Herr. »Frau von Grenwitz ist noch auf. Johann, tragen Sie die Sachen auf das Zimmer des Herrn Doktor! Wollen Sie hier eintreten!«
Oswald hatte auf dem mit Steinfliesen ausgelegten Vorsaal seinen Anzug flüchtig geordnet und folgte jetzt dem Baron in ein hohes, schönes Zimmer.
Als er eintrat, erhoben sich zwei Damen, die an dem Tisch vor dem Sofa, wie es schien, mit Lesen beschäftigt gewesen waren.
»Meine Frau«, sagte der Baron, Oswald der älteren von den beiden Damen vorstellend, einer hohen, schlanken Frau von etwa vierzig Jahren, die dem Ankömmling ein paar Schritte entgegengegangen war und jetzt mit einiger Förmlichkeit seine Begrüßung erwiderte, und dann verbeugte er sich auch vor der jüngeren, einer zierlichen kleinen Gestalt mit einem etwas scharfen, echt französischen, von langen Locken eingerahmten Gesicht, da er in dem Umstande, daß sie ihm nicht besonders vorgestellt wurde, keinen zwingenden Grund sah, diese Höflichkeit zu unterlassen.“


Friedrich Spielhagen (24 februari 1829 – 25 februari 1911)
Cover

 

De Nederlandse historicus, schrijver en dichter Jacques (Jacob) Presser werd geboren in Amsterdam op 24 februari 1899. Zie ook alle tags voor Jacques Presser op dit blog.

Uit: Ondergang

“De geschiedschrijver mag zich ook hier ontheven achten van de plicht, diep in te gaan op waardoor of waarom, in normale tijden en in individuele gevallen al zo dikwijls ondoenlijk. Het ene woord paniek vormt in de meidagen van 1940 wel een sleutel; men kan natuurlijk die paniek zelve weer in haar oorzaken analyseren en stuit dan uiteraard weer dadelijk op het gerucht, zo op dat van een dreigende pogrom, meteen al, in de Jodenbuurt; één zegsman had het, via een bevriende relatie, van een politie-agent vernomen, had zijn deur ‘enigszins gebarricadeerd’ en met zijn vrouw de hele nacht wakker gelegen, opschrikkend bij elke voetstap, in afwachting. Anderen wachtten niet. Overigens gingen niet allen tot de daad over in paniek; er zijn gevallen bekend van opperste sereniteit, van rust, van berusting. De psycholoog spreke hier het laatste woord. Als hij dit tenminste aandurft.
Datzelfde voorbehoud moet men maken op een veel prozaïscher vlak, dat der cijfers. Wij hebben hier nl. wel heel weinig houvast, doordat de statistiek alleen de mogelijkheid biedt, het aantal Joodse zelfmoorden te benaderen, d.w.z. de geslaagde; met een getal van 150 zal men wel niet al te ver van de waarheid zijn. De Monchy vermeldt voor Den Haag ruim 30 zelfmoorden. Herzberg verwijst naar de zerken op Joodse begraafplaatsen met de sterfdata van 15 en 16 mei en eveneens naar de ‘brede grafzerken, waarop een man met zijn vrouw en kinderen zijn vermeld’. Inderdaad, er waren nogal wat gezins- of familiezelfmoorden. ‘Hoe de familieverhouding was, is niet altijd na te gaan. Het waren slachtoffers, die in eenzelfde woning werden aangetroffen. Soms had men het vermoeden, dat zij bij elkaar waren gekomen om gezamenlijk de dood in te gaan’.Aldus een onderzoeker, die ook even ingaat op de wijzen van zelfmoord (‘veelal gecombineerd met moord, waar het om jeugdige kinderen ging’): ‘in de meeste gevallen een dosis veronal, waarna men de gaskraan opende, daarnaast: ophanging, revolverschot, doorsnijding van polsslagaders en doodspuiten met morphine’. Op vele plaatsen ontmoet men het woord zelfmoordepidemie. Die term blijkt op zijn plaats, wanneer men zich rekenschap geeft van de talrijke mislukte pogingen; de mensen van die dagen zelf hadden soms de indruk van ‘talloze’. Toen enkele dagen na de capitulatie het gerucht ging, dat Joden alsnog Nederland zouden kunnen verlaten, merkte men aan de loketten van het Bevolkingsregister bij verschillende bezoekers sporen op van mislukte pogingen tot zelfmoord, zoals verbonden polsen en halzen. Dergelijke epidemieën hebben zich overal voorgedaan, waar de Duitsers binnenvielen of heersten.”

 
Jacques Presser (24 februari 1899 – 30 april 1970)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e februari ook mijn vorige blog van vandaag.