Het einde (Inge Boulonois)

Alle bezoekers en mede-bloggers een prettige jaarwisseling en een gelukkig Nieuwjaar!

 


Hollands winterlandschap met schaatsers door Frederik Marinus Kruseman, 1857

 

Het einde

De scheurkalender op z’n dunst.
We ezelen de files in, de winkels
uit met mondvoorraad voor tien.
De oude kuddegeest drijft ons
de laatste avond bij elkaar.

Om samen van alles te nemen, te eten,
kwinkslagen te kaatsen en oud zeer
te soppen, onze hoofden dik gevoerd met roes.
De koelkast zoemt van welbehagen.

Aan alles komt een begin.
Klokslag scheurt het jaar zich los,
het jongste uur ontfermt zich over ons,
zoent zich wijd in. We drommen
vrieskou in voor namaaklicht
en gierende bewijzen van bestaan.

Veel later krabbelen we zeldzaam traag
en zeldzaam langzaam op. We gaan
het jaar weer overdoen –

 


Inge Boulonois (Alkmaar, 23 september 1945)
Alkmaar in de Kersttijd. Inge Boulonois werd geboren in Alkmaar.

 

Zie voor de schrijvers van de 31e december ook mijn vorige drie blogs van vandaag.

 

Anne Vegter, Arjen Duinker, Junot Díaz, Bastian Böttcher, Jacob Israël de Haan, August van Cauwelaert, Paula Dehmel

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anne Vegter werd geboren in Delfzijl op 31 december 1958. Zie ook alle tags voor Anne Vegter op dit blog.

In IJsland
Naar Psalm 116

Ik vond liefhebben altijd lastig:
Hoè zou ik liefhebben, zijnde opgevoed
In luisterrijk verpakte leugen?
Ik toostte op ontluistering, op de nacht
Die de zon verkrachtte, dronk
Op zegeningen van gebrek aan uitzicht,

Niets was mij liever. Mijn ritme
Was de teloorgang van het jaar.
Zolang de winter de herfst, de herfst
De zomer, de zomer etc.
Herkende ik de aanzet der lente:
Kortstondige leugen van leven.

Wie mij teder raakte, sloeg ik hard.
Ontvangen geeft, weet ik nu,
Geen recht op kwijting van schuld.
Mijn gang was niet naar iemand toe,
Maar van iemand weg;
Ik wilde op een rots staan.

In een hitsige wind, onder het dak
Van triljoenen muggen waar God –
Toegang werd ontzegd, was ik thuis.
Mijn land is een heidens pandemonium:
Schede van steen, feest van ontvelling,
Slechting van kunne, geslachten

Schaamteloos hoorde ik mij mompelen:
God, waarom hebt gij mij verlaten?
Dit, dat van u kwam –
Redeloos einde, begin –
IJsland der ziel, wees gestenigd:
Enkele reis naar zichzelf:

Maar onhoorbaar in de wind,
Onzichtbaar op het steen,
Onvindbaar in de nacht
Sprak alles tegen mij,
Ja, alles sprak tègen mij:
‘Het zij zo het zij’

En ik rustte in de armen van de wanhoop,
Ik sliep op de akkoorden van de wind,
Ik droomde de droom der dolers:
‘Het zij zo het zij’
En zo zij het –
Gelooft God!

 

De middelen

Wat helpt is een wonder,
een zintuig is ook een gunst

wat helpt is een tatoeage:
‘liefde is de som van gemis’

wat helpt is de zin van een peer
die openscheurt in de pluk

wat helpt is een dwars kind,
het verandert, het begint

wat helpt is de gift van een vriend,
hij likt zijn schitterende hand

wat helpt is een buigende koning,
hij lekt een traan op zijn land.

 
Anne Vegter (Delfzijl, 31 december 1958)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Arjen Duinker werd geboren in Delft op 31 december 1956. Zie ook alle tags voor Arjen Duinker op dit blog.

Sailor’s home

De roep van de golven rood.
Een bloem glijdt door een glooiing
En geeft haar parfum aan een steilte
Die vrij in de lucht zwijgt.

De trots van de golven zwart.
De ogen roven het onverwachte
Dat de striemen op de huid
Met blaadjes kalmeert.
 

 

Snoepgoed

Mijn liefde voor apen
Heeft weinig to maken met een achternaam
Soorten zijn onbelangrijk
Details doen er niet toe
Leven en dood smaken als dropjes
Ik ben noch familieziek noch verzot op bomen
Ik geef de voorkeur aan kale kades
Die de verte laten zien.

 

Delft is het centrum van de wereld

Ga ik de hoek van de Choorstraat om
Kom ik die kapper tegen die zijn zaak met pokeren verloor

Ga je de hoek van de Peperstraat om
Kom je die uitvinder tegen die met een been in de sloot stond

Loop ik op de Oude Langendijk
Zie ik die fietsenmaker die zijn hond een verkeerd commando gaf

Loop je op Dertienhuizen
Zie je die tuinman die op de markt een tros bananen stal

Delft is het centrum van de wereld
En toevallig wonen wij daar.

 
Arjen Duinker (Delft, 31 december 1956)

 

De Amerikaans-Dominicaans schrijver Junot Díaz werd geboren in Santo Domingo op 31 december 1968. Zie ook alle tags voor Junot Diaz op dit blog.

Uit: The Brief Wondrous Life of Oscar Wao

“Mami, stop it, his sister cried, stop it!
She threw him to the floor. Dale un galletazo, she panted, then see if the little puta respects you.
If he’d been a different nigger he might have considered the galletazo. It wasn’t just that he didn’t have no kind of father to show him the masculine ropes, he simply lacked all aggressive and martial tendencies. (Unlike his sister, who fought boys and packs of morena girls who hated her thin nose and straightish hair.) Oscar had like a zero combat rating; even Olga and her toothpick arms could have stomped him silly. Aggression and intimidation out of the question. So he thought it over. Didn’t take him long to decide. After all, Maritza was beautiful and Olga was not; Olga sometimes smelled like pee and Maritza did not. Maritza was allowed over their house and Olga was not. (A puertorican over here? his mother scoffed. Jamás!) His logic as close to the yes/no math of insects as a nigger could get. He broke up with Olga the following day on the playground, Maritza at his side, and how Olga had cried! Shaking like a rag in her hand-me-downs and in the shoes that were four sizes too big! Snots pouring out her nose and everything!
In later years, after he and Olga had both turned into overweight freaks, Oscar could not resist feeling the occasional flash of guilt when he saw Olga loping across a street or staring blankly out near the New York bus stop, couldn’t stop himself from wondering how much his cold-as-balls breakup had contributed to her present fucked-upness. (Breaking up with her, he would remember, hadn’t felt like anything; even when she started crying, he hadn’t been moved. He’d said, No be a baby.) What had hurt, however, was when Maritza dumped him. Monday after he’d fed Olga to the dogs he arrived at the bus stop with his beloved Planet of the Apes lunch box only to discover beautiful Maritza holding hands with butt-ugly Nelson Pardo. Nelson Pardo who looked like Chaka from Land of the Lost! Nelson Pardo who was so stupid he thought the moon was a stain that God had forgotten to clean. (He’ll get to it soon, he assured his whole class.) Nelson Pardo who would become the neighborhood B&E expert before joining the Marines and losing eight toes in the First Gulf War. At first Oscar thought it a mistake; the sun was in his eyes, he’d not slept enough the night before. He stood next to them and admired his lunch box, how realistic and diabolical Dr. Zaius looked. But Maritza wouldn’t even smile at him! Pretended he wasn’t there.”

 
Junot Díaz (Santo Domingo, 31 december 1968)

 

De Duitse dichter schrijver Bastian Böttcher werd op 31 december 1974 in Bremen geboren. Zie ook alle tags voor Bastian Bötcher op dit blog.

Schnappschüsse
(zum Andenken an H. A.)

Nimm diesen Fotoapparat
Nimm diese Kamera
Schau wie der Spiegel sein Reflex-Spiel treibt
mit Brennweite, Blende und zweiunddreißig Gigabyte

Für die vorübergehende Schönheit, die anhaltende Zeit
sie passiert dir, sie passiert dich
im Vorbeigehen ein Blitzen, das bleibt
So erscheint sie dir und so erscheint sie allen
im Begriff zu strahlen, gleich ihr verfallen

Finde Motive, mach Fotos
Drücke den Auslöser
für die Fortfolge von hell aufbrennenden
keine Sekunde dauernden
jede Hundertstel beginnenden und endenden Momenten

Knips das
Sonne-steht-im-Gegenlichtadrette-
Silhouette-stichtaus-
Massen-in-der-Bahn-zur
Morgen-Frühschicht-hervor-Jetzt

Knips das
Matt-im-Schatten-schlafen-legen
satt-und-schlapp-die-Trägheit-pflegen
rasten-und-die-Lider-zufalln
lassen-unterm-Baum-Jetzt

Knips
Beim-Blick-aus-Flugzeugfensterglänzt-
der-Flügel-Fliegerschattenauf-
den-Wolken-und-nkreisrunder-
Regenbogen-drum-Jetzt

Fokussier die Fortfolge von hell aufbrennenden
keine Sekunde dauernden
jede Hundertstel beginnenden und endenden Momenten

Und so viel du auch knipst
es bleiben Pixel gebannt auf Chips

Und die vorübergehende Schönheit, die anhaltende Zeit
sie passiert dir, sie passiert dich
im Vorbeigehen ein Blitzen, das bleibt
So erscheint sie dir und so erscheint sie allen
im Begriff zu strahlen, gleich ihr verfallen

 
Bastian Böttcher (Bremen, 31 december 1974)

 

De Nederlandse schrijver, dichter, publicist, rechtsgeleerde Jacob Israël de Haan werd geboren in Smilde op 31 december 1881. Zie ook alle tags voor Jacob Israël de Haan op dit blog.

Zaterdagavond

Avond; aan de bleke blauwe lucht, zie
Hoe ’t bloeisel van de sterren stil ontspruit,
Ach: nu vieren vromen de Sabbath uit
Met wijn en wierook, licht en melodie.

Mijn Vader schenkt de wijn over de randen
Van zijn beker, teken van overvloed;
Hij ruikt de specerijen scherp en zoet,
En zegent het licht met geheven handen.

Dit is zijn bede: ‘Die ’t onheilig scheidt
Van ’t heilig hoede ons in zijn veiligheid,
Vermere ons als sterren in ’t nachtgetijde.’

Vader, Vader, hoe fel heb ik geleden
Sinds ik uw zegen schond en uwe beden
En ’t heilig niet van ’t heilloos onderscheidde.

 

De stille nacht

De nacht is stil. Zo wijd als mijn oog ziet
Hangt aan de lucht nu geen bloeiende schijn
Van een Stad. Oovral rust. De sterren zijn
Rondom de maan roerloos. Zij tinklen niet.

Dit is de vrede, die ik zocht. Nooit vond
Ik vrede in u. En nu haat ik u, Stad,
Teedre stad, wrede stad. Ik haat de schat
Van al uw lust, die harten drijft en wondt.

Oceaan, Oceaan, vóór ons duinhuis
Vallen uw golven uit met licht gedruis.
Zonder schuim, zonder wind, want het is zomer.

Ik, die de Stad ziek ontweek, hoor uw Zang
Eindloze Zee, de stille vóórnacht lang
En ‘k ben gelukkig. Mijn lied herleeft schoner.

 

Specerijen-bazar

Dromend gaan door de specerijenstraatjes.
De huisjes zijn van zoete geur doorstoofd.
Het wolkt uit dozen, balen, kast en laadjes
Ene bedwelming om mijn zalig hoofd.

 
Jacob Israël de Haan (31 december 1881 – 30 juni 1924)

 

De Vlaamse dichter, advocaat en rechter August van Cauwelaert werd geboren in Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek op 31 december 1885. Zie ook alle tags voor August van Cauwelaert op dit blog.

Van een jongetje

Hij sloeg zijne armen op en sloot
Zijne ogen op het licht der dagen.
Wie zal zijne arme moeder dragen
De droeve mare van zijn dood?

Zijn moederken was oud en stram
En moe van arbeid en van jaren;
Ze leerde ’t leed: in pijn te baren
Kroost dat de dood weer spade ontnam.

Dan zag ze ’t hoofd van ’t huisgezin
Een morgen van de drempel dragen.
Toen stapte een rei van donkre dagen,
Vertwijfling, schaamte en armoede in.

Maar op een nacht raasde angstgeluid,
En dwaas rumoer van volk dat rende;
Toen trad, naar ’t gruwbare onbekende,
Haar jongste kind haar woning uit.

Veel zorg en ziekte en zwart verdriet
Was al wat de oude geest nog heugde:
Hij was de laatste schaamle vreugde
Die ’t leven in haar handen liet.

Eén hoop doorlichtte nog haar rouw;
Nog sterkte één doel haar wankler schreden:
De wil, na wat ze had doorleden,
Dat ze eens haar jongen weerzien wou.

Ach, beter neeg ze ’t hoofd en sloot
Hare ogen op het licht der dagen;
Want wie zal de arme moeder dragen
De droeve mare van zijn dood.

 
August van Cauwelaert (31 december 1885 – 4 juli 1945)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Paula Dehmel werd geboren op 31 december 1862 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Paula Dehmel op dit blog.

Das Königskind

Wer tanzt mit mir?
Wer spielt mit mir?
Ich bin so sehr allein.
Kam da der gelbe Sonnenstrahl:
Ich tanze Tippel – Huschemal,
Willst du meine Tänzerin sein?
Wer tanzt mit mir?
Wer spielt mit mir?
Der Sonnenstrahl ist zu fein;
Kam da der wilde Pustewind:
Heideih! ich spiele Wegefind,
Lauf doch! fang mich ein!
Wer tanzt mit mir?
Wer spielt mit mir?
Der Wind macht mein Krönchen entzwei.
Kam da unser brauner Junge an,
Macht ′nen Diener wie ′n Edelmann:
Prinzeß, ich bin so frei!

 

Widmung

Klänge wachsen auf den Wegen,
Im Gebüsch, im jungen Grün:
Alle meine Melodien
Möchte ich mit leisem Segen
Abends auf dein Kissen legen.

Wilde Blumen, seltne Früchte:
Was der reife Sommer bringt,
Möcht′ ich in dein Zimmer tragen;
Sollst mir keine Antwort sagen.
Still! – der Traum versinkt – verklingt.

 
Paula Dehmel (31 december 1862 – 9 juli 1918)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 31e december ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Dieter Noll, Nicolas Born, Dal Stivens, Connie Willis, Giovanni Pascoli, Marie d’,Agoult

De Duitse dichter en schrijver Dieter Noll werd geboren op 31 december 1927 in Riesa. Zie ook alle tags voor Dieter Noll op dit blog.

Uit: Die Abenteuer des Werner Holt

“Es ist ein Jammer, dachte Holt, als er sich unlustig und frierend mit kaltem Wasser wusch und dabei in den Spiegel starrtet es ist ein großer Jammer: Wolzow und ich, wir würden die ganze Schule beherrschen, wenn wir Freunde wären, denn die älteren Jahrgänge sind beim Militär, wir sind die oberste Klasse. Er trocknete sich ab. Er befühlte Wangen und Oberlippe der Bart ließ sich Zeit, das war Holts Kummer. Er rasierte sich nur aus Prestigegründen. Mit sechzehneinhalb noch fast ohne Bart… eine Schande! Kein Wunder, dass er sich mit so einer glatten Haut nicht an die Marie Krüger herantraute, wenn sie dann und wann wie eine Katze in der Badeanstalt herumstrich. Immerhin: als er ihr kürzlich begegnet war, da – er besann sich genau -hatte sie ihn mit einem verwirrenden Blick angeschaut… Außerdem: kratzte es am Kinn nicht doch schon ganz ordentlich? Einsfünfundsiebzig groß, siebenundsechzig Kilo schwer, schmal, doch muskulös, aber neben Wolzow, der einsachtundachtzig maß und fast neunzig Kilo wog, eben doch beinahe knabenhaft. Dunkeläugig, dunkelhaarig sah er sich im Spiegel, und das Haar war sehr widerborstig und ringelte sich gern in die Höhe. Er kämmte sich, er kleidete sich an. Der Kopfschmerz war vergangen, nur ein dumpfer Druck wollte nicht von der Stirn weichen. Auch machte das Schlingen Beschwerden, und der Mund war trocken. Wolzow galt seit eh und je als der größte Flegel der Schule, zweimal Consilium, das dritte Mal nur durch Intervention seines Generalsonkels dem Hinauswurf entgangen. – Und ich Idiot komm neu in die Klasse und lauf ihm den Rang ab, statt seine Freundschaft zu suchen! Das wär ein Freund, Gilbert Wolzow, ein Freund wie Hagen von Tronje, Winnetou oder Roller! Er war fertig, er stopfte ein paar Bücher in die Aktentasche, dann lief er die Treppen hinab.
Das Haus gehörte den Schwestern Eulalia und Veronika Dengelmann, eigentlich deren Mutter, einer fünfundachtzigjährigen Greisin, die wegen Altersschwachsinn entmündigt worden war. Die beiden Schwestern, zweiundfünfzig und sechsundvierzig Jahre alt, unterhielten eine Pension, “Kost und Logis für alleinstehende Herren”. Holt wurde verwöhnt, da seine Mutter großzügig zahlte; er war zeitlebens verwöhnt worden. Seit zwei Monaten lebte er in der Pension und tyrannisierte die Schwestern. Er trat in das Wohnzimmer im Erdgeschoß und rief nach dem Kaffee. Veronika Dengelmann, die jüngere der Schwestern, das Gesicht dick mit Fett eingerieben und die Haare voller Lockenwickel, setzte die Tasse und den Teller mit Broten vor ihn hin. “Guten Morgen.” Holt antwortete nicht. Er dachte: Ich bin krank. Gleich wird sie wieder anfangen: Beeilen Sie sich… Das Schlucken schmerzte, die Kehle war wund. Fräulein Dengelmann sagte: “Beeilen Sie sich! Es fällt wieder auf uns zurück, wenn Sie zu spät kommen…” Holt schob den Teller mit den Broten von sich. Durch die für trat Eulalia, in einen verwaschenen Schlafrock gewickelt. Sie hat ein Gesicht wie ein Schaf, dachte er, und Veronika sieht aus wie der Vollmond.“

 
Dieter Noll (31 december 1927 – 6 februari 2008)
Poster voor de gelijknamige film uit 2002

 

De Duitse dichter en schrijver Nicolas Born werd geboren op 31 december 1937 in Duisburg. Zie ook alle tags voor Nicolas Born op dit blog.

Dick vermummtes Winterbild (Fragment)

Vergleiche sind mir verhaßt aber einmal
hat man uns in Wiesloch kein Zimmer vermietet
weil wir irgendwie aussahen.
Dir zuliebe besauf ich mich Weihnachten nicht.
Schon seh ich dich in der Sonne auf einem Strohhalm
kauen.
Im Radio singt ein Quartett Engel
die Seele eines Hahns fliegt auf vom Klotz
und der Briefträger fliegt vorbei und gibt mir
vierhundert Mark
und die Reisenden fliegen in den Himmel
der stumpf ist von Schnee.
Ich rauche schon wieder.
Die Könige müssen in der Nähe sein – es klingelt.
Erleuchtete Fenster in dunklen Wolken.
Du bist Jesus aber andere sind es auch.
In der Brieftasche trag ich das Funkbild einer
Rehfütterung im Harz
durch deine Kindheit geht die russische
Schlittenfahrt.
Diese Engel quietschen ganz schlüpfrig.
Sie haben ihr Geheimnis verloren und trudeln
wie Flugzeugteile.
Es riecht nach Braten, das ist so bei uns.
Nie werde ich erfahren wie alt du einmal wirst
Jesus
von mir zu meinem Ebenbild gemacht
damit kommst du nicht weit.

 
Nicolas Born (31 december 1937 – 7 december 1979)

 

De Australische schrijver Dal Stivens werd geboren op 31 december 1911 in Blayney, New South Wales. Zie ook alle tags voor Dal Stivens op dit blog.

Uit:Jimmy Brockett. Portrait of a Notable Australian

“One December day in 1938, two stonemasons walked along a gravel road in the North Sydney Cemetery. They wore dungarees and flannel shirts. The hot noon sun beat down on them. The men carried two shovels, a pick and a small leather tool bag. They were looking for Lot 213 in the Presbyterian section. They went up the hill, past graves with iron railings, past the broken columns and wedding-cake angels, past glaringly white tombstones with gold and black lettering and black stones with gilt lettering. The men grumbled constantly as they walked. “Bloody silly idea,” said the taller of the two. “He was always a mad bastard” said the other. “You can’t do a decent job this way,” said the taller man, kicking at a pebble. “He ought at least have waited until the grave settled ” Up in the top end of the cemetery they came on Lot 213, marked with a lettered wooden peg. The newly-filled grave was heaped with flowers. The workmen walked round the puffed-up mould, rolled cigarettes and read some of the inscriptions on the wreaths. “Jimmy, with love from Helen,” the tall workman read out aloud. “Bloody girl friend, I suppose.” “He got amongst it.” “Here’s one with ‘Nan’ on it.” “Do you reckon it’s true about him being a Governor’s son?” “Dunn. Could be.” They opened up the leather bag and took out a tape, some cord and a half-dozen small wooden pegs. “A bloody waste of money, I call it,” the taller workman said “Five thousand quid for a monument. Eight thousand for the pair of them. Labour man, my arse.” The workmen marked an area with the tape, hammered in the small pegs, stretched string between them. Then they began to dig the trenches for the monument. The ground was hard clay and the pick continually came up against stones. The sun grew hotter and the flowers on the mound withered. They didn’t say much while they worked. After they had dug and shovelled for almost an hour, they stopped for a smoke-oh. “They say Jimmy was planted lying on his face,” the shorter workman, who was bald, said “Do you think it’s true?” “I dunno but Joe Anderson would know. He did the job.”
“I heard that too about Jimmy.” “Why would he want to be planted like that, I’d like to know?” The other grimaced, tapped his forehead. “Maybe,” said the bald workman. “You remember when his first wife died?” “Yes.” He turned to the left and pointed. Beyond a three-row stretch of graves was a giant mausoleum of black marble. It was built like a miniature parthenon with Ionic columns twenty feet high. Behind the eight columns was an iron gate.”

 
Dal Stivens (31 december 1911 – 16 juni 1997)
Cover

 

De Amerikaanse (sciencefiction) schrijfster Connie Willis werd geboren in Denver (Colorado) op 31 december 1945. Zie ook alle tags voor Connie Willis op dit blog.

Uit: A Lot Like Christmas

Nobody, before Andersen came along, had thought of writing such depressing Christmas stories. Even Dickens, who had killed a fair number of children in his books, didn’t kill Tiny Tim. But Andersen, apparently hell-bent on ruining everybody’s holidays, froze innocent children, melted loyal toys into lumps of lead, and chopped harmless fir trees who were just standing there in the forest, minding their own business, into kindling. Worse, he inspired dozens of imitators, who killed off saintly children (some of whom, I’ll admit, were pretty insufferable and deserved to die) and poor people for the rest of the Victorian era. In the twentieth century, the Andersen-style tearjerker moved into the movies, which starred Margaret O’Brien (who definitely deserved to die) and other child stars, chosen for their pallor and their ability to cough. They had titles like All Mine to Give and The Christmas Tree, which tricked hapless moviegoers into thinking they were going to see a cheery Christmas movie, when really they were about little boys who succumbed to radiation poisoning on Christmas Eve. When television came along, this type of story turned into the “Very Special Christmas Episode” of various TV shows, the worst of which was Little House on the Prairie, which killed off huge numbers of children in blizzards and other pioneer-type disasters every Christmas for years. Hadn’t any of these authors ever heard that Christmas stories are supposed to have happy endings? Well, unfortunately, they had, and it resulted in improbably sentimental and saccharine stories too numerous to mention. So are there any good Christmas stories out there? You bet, starting with the original. The recounting of the first Christmas (you know, the baby in the manger) has all the elements of great storytelling: drama, danger, special effects, dreams and warnings, betrayals, narrow escapes, and—combined with the Easter story—the happiest ending of all. And it’s got great characters—Joseph, who’s in over his head but doing the best he can; the wise men, expecting a palace and getting a stable; slimy Herod, telling them, “When you find this king, tell me where he is so I can come and worship him,” and then sending out his thugs to try to murder the baby; the ambivalent innkeeper. And Mary, fourteen years old, pondering all of the above in her heart. It’s a great story. No wonder it’s lasted two thousand years. Modern Christmas stories I love (for a more complete list, see the end of this book) include 0. Henry’s “The Gift of the Magi,” T. S. Eliot’s “Journey of the Magi,” and Barbara Robinson’s The Best Christmas Pageant Ever, about a church Nativity pageant overrun by a gang of hooligans called the Herdmans.

 
Connie Willis (Denver, 31 december 1945)
Denver in de kersttijd

 

De Italiaanse dichter Giovanni Pascoli werd geboren op 31 december 1855 in San Mauro di Romagna. Zie ook alle tags voor Giovanni Pascoli op dit blog.

The Truth (Fragment)

And over the unchanging calm of the sea,
a voice rises from him, deep and sure,
‘I am he! I’ve returned, to learn!
I am here, as you see me now.
Yes; all that I see in the world
regards me; questions me: asks me what I am.”
And the current ran on, quiet and smooth,
pushing the ship forward more and more.
And the old man sees a great pile of bones
men’s bones, and shriveled skin near them,
close to the Sirens, stretched out,
motionless, on the shore, like two reefs.
“I see. Let it be. You may be innocent. But
how much this hard pile of bones
has grown. Speak, you two.
Tell me the truth, to me alone,
of all men, before I doubt that I have lived!”
And the current ran on, quiet and smooth,
pushing the ship forward more and more.
And the ship thrust itself high, and above,
the brows of the two Sirens with the fixed eyes looked on.
‘I will have but a moment. I beg
you! At least tell me what I am, what I will be.”
And between the two reefs the ship was shattered.

 
Giovanni Pascoli (31 december 1855 – 6 april 1912)
Gefotografeerd door Michele Bertagna, ca. 1905

 

De Franse schrijfster gravin Marie de Flavigny d’Agoult werd in 1805 geboren in Frankfurt Am Main. Zie ook alle tags voor Marie d’Agoult op dit blog.

Uit: Mes souvenirs

« Son royalisme, lui-même, ne me semble pas exempt d’hérésie. Malgré la persuasion qu’il met en rimes que « c’est gloire de mourir le coutelas au poin, pour son prince, et l’avoir de sa vertu témoin », mon ancêtre loue d’un accent qui m’est suspect, en son livre des Rois, le bel ordre de France, composé de toutes sortes de républiques différentes, où chaque province particulièrement s’assemble, clercs, nobles, roturiers, pour conférer librement aux affaires de conséquence. Il déclare que « régner ne se doit proprement dire que là où la raison et justice commandent. » Il admire la constitution, ou ce que l’on appelait alors le cantonnement de la République helvétique. De moi, si j’estoi Souisse, s’écrie-t-il, dans un singulier élan d’orgueil républicain, et qu’un Bourgmaistre voulût empiéter la souveraineté de mon païs, j’emploierais mille vies, si je les avois, pour maintenir ma liberté populaire.
Ces sentiments indépendants du vrai gentilhomme au regard des maximes absolues de l’Église ou de l’État, avec un fond inaltérable de bon sens et de belle humeur, je les retrouve aux siècles suivants chez plusieurs autres de mes ancêtres qui ont égale ment le goût et le don des lettres. Au xviiie siècle, cette indépendance s’imprègne de la sensibilité du temps. En 1768, mon grand-père, le vicomte Gratien de Flavigny, né le 11 octobre 1741 à Craonne en Picardie, et qui mourut en 1783, âgé de quarantedeux ans, chevalier de Saint-Louis, colonel de dragons, adressait au duc de Choiseul des Réflexions sur la désertion et sur la peine des déserteurs où il conclut à la suppression de la peine de mort, et demande des lois plus conséquentes aux sentiments ineffables du cœur et du génie français. Ayant vécu, dit-il, avec le soldat autant que le service du roi l’exigeait, autant que sa fortune, sa naissance et sa façon de penser, indépendante de son métier, le permettaient, il a observé que le Français a pour partage la fierté et l’inconstance, avec l’excellente vanité de croire sa patrie supérieure à toutes les nations de la terre. Il le déclare « généralement plus sensible à la perte de l’honneur qu’à celle de la vie ; il ne croit pas la peine de mort, appliquée aux déserteurs, efficace ; et, à ce sujet, il entre dans des considérations de l’ordre le plus élevé sur ce qu’il appelle hardiment le meurtre public. Il affirme que : en France, dans un règne tranquille, sous une forme de gouvernement consolidée par les vœux réunis de la nation, il ne doit y avoir jamais de nécessité d’ôter la vie à un citoyen.”

 
Marie d’Agoult (31 december 1805 – 5 maart 1876)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 31e december ook mijn vorige blog van vandaag.

Nicholas Sparks, Irina Korschunow, Gottfried August Bürger, Alexander Smith, Horacio Quiroga, Stephan Krawczyk, Kingbotho

De  Amerikaanse schrijver Nicholas Sparks werd geboren in Omaha, Nebraska op 31 december 1965. Zie ook alle tags voor Nicolas Sparks op dit blog.

Uit: Every Breath

“There are stories that rise from mysterious, unknown places, and others that are discovered, a gift from someone else. This story is one of the latter. On a cool and blustery day in the late spring of 2016, I drove to Sunset Beach, North Carolina, one of many small islands between Wilmington and the South Carolina border. I parked my truck near the pier and hiked down the beach, heading for Bird Island, an uninhabited coastal preserve. Locals had told me there was something I should see; perhaps, they’d even suggested, the site would end up in one of my novels. They told me to keep my eye out for an American flag; when I spotted it in the distance, I’d know I was getting close.
Not long after the flag came into view, I kept my eyes peeled. I was to look for a mailbox called Kindred Spirit near the dunes. The mailbox—planted on a pole of aging driftwood near a saw grass–speckled dune—has been around since 1983 and belongs to no one and everyone. Anyone can leave a letter or postcard; any passerby can read whatever has been placed inside the mailbox. Thousands of people do so every year. Over time, Kindred Spirit has been a repository of hopes and dreams in written form . . . and always, there are love stories to be found. The beach was deserted. As I approached the isolated mailbox on its lonely stretch of shoreline, I could just make out a wooden bench beside it. It was the perfect resting place, an outpost of reflection.
Reaching inside the mailbox, I found two postcards, several previously opened letters, a recipe for Brunswick stew, a journal that appeared to have been written in German, and a thick manila envelope. There were pens, a pad of unused paper, and envelopes—presumably for anyone who was inspired to add their own story to the contents. Taking a seat on the bench, I perused the postcards and the recipe before turning to the letters. Almost immediately, I noticed that no one used last names. Some of the letters had first names, others had only initials, and still others were completely anonymous, which only added to the sense of mystery.
But anonymity seemed to allow for candid reflection. I read about a woman who, in the aftermath of a struggle with cancer, had met the man of her dreams at a Christian bookstore, but worried that she wasn’t good enough for him. I read about a child who hoped to one day become an astronaut. There was a letter from a young man who planned to propose to his sweetheart, and still another from a man who was afraid to ask his neighbor on a date for fear of rejection.”

 
Nicholas Sparks (Omaha, 31 december 1965)

 

De Duitse schrijfster Irina Korschunow werd geboren op 31 december 1925 in Stendal in Sachsen-Anhalt. Zie ook alle tags voor Irina Korschunow op dit blog.

Uit: Langsamer Abschied

„Einer unserer Freunde beispielsweise hatte das ProgrammdereigenenTrauerfeierrechtzeitigfestgelegt, worauf zwei Celli ungehindert sämtliche Strophen von MackieMessersHaifisch-SonganseinemSargdarboten, feierlich wie ein Largo, man wusste nicht, ob man weinen oder lachen sollte, aber der Wille des Toten wurde erfüllt. Pierre indessen, weil unser alttestamentarischer Pastor Kröger Sakrilege solcher Art nicht zuließ, durfte nur mit einem Bach’schen Geigensolo sowie dem langsamen Satz aus Beethovens zweitem Streichquartett verabschiedet werden. Kein einziger Takt Yesterday, meine Schuld, ich hätte darum kämpfen müssen. Doch jetzt war wohl auch dies nicht mehr von Belang. »Pierre«, hatte er mir damals beim Tanzen mitgeteilt, »ich bin Pierre. Und du?« »Nora«, sagte ich. »Nora«, er zog das O breit auseinander. »Etwa nach der aufmüpfigen Dame von Ibsen?« »Mag sein«, sagte ich, »da müsste man mit meiner Mutter reden.« Er lachte: »Wohl eine frühe Emanze?«, was der Sache ziemlich nahe kam, und um der Antwort auszuweichen, fragte ich, ob denn hinter jedem Namen das passende Programm stecken müsse und wie es bei ihm damit stehe. Pierre, da könne man ja sicher etwas Französisches vermuten.
Er runzelte kurz die Stirn, »mag ebenfalls sein, aber das verrate ich erst, wenn wir uns besser kennen. Gibt es eine Chance?« »Ich bin doch keine Kassandra«, sagte ich, alles nur so hingeworfen, nicht mehr als Geplänkel. Im Übrigen gefielermirmitseinerlässigenArtundderIronieinder Stimme, und dann die Augen, die dunkel waren, neugierig und beredt, französische Augen. Wir tanzten den ganzen Abend zusammen, und gegen Mitternacht, auf dem Waldweg, der vom Rohns in die Stadt hinunterführte, küsste er mich, er mich und ich ihn, nein, keine Rede von Einseitigkeit. Doch auf die damals bereits übliche Frage, ob wir zu mir gehen wollten oder zu ihm in sein Zimmer am Goldgraben, bekam er ein entschiedenes »Weder-noch« hingeworfen, zu meiner eigenen Verwunderung. Ich war, was die sogenannten Beziehungen betraf,bishernichtbesondersheikelgewesen,vielleicht aus Angst vor irgendetwas Ernsthaftem, das mich von meinem Studium hätte entfernen können, und wohl auch,weileskeinemderwechselndenFreundegelungen war, die Erde erbeben zu lassen, wie ich es einst, gerade vierzehn geworden, in Hemingways »Wem die Stunde schlägt« gelesen hatte. Maria und Roberto unter dem spanischen Sternenhimmel, und die Erde zittert, unvergesslich, dieses Bild, tiefverwurzelt in der Phantasie. Möglich,dassnun,achtJahrespäter,PierremiralsBote ausBezirken,woesWundersolcherArtzugebenschien, vorgekommen war, ein Wissender, nicht geschaffen für die üblichen Banalitäten, und mein »Weder-noch« die einzig richtige Reaktion.“

 
Irina Korschunow (31 december 1925 – 31 december 2013)

 

De Duitse dichter en schrijver Gottfried August Bürger werd geboren op 31`december 1747 in Molmerswende. Zie ook alle tags voor Gottfried August Bürger op dit blog.

Sanct Stephan (Fragment)

“Nennt mir Propheten, die sie nicht
Verfolgt und hingerichtet,
Wenn sie aus göttlichem Gesicht
Des Heilands Kunft berichtet,
Des Heilands, welchen eu’r Verrath
Zu Tode jetzt gekreuzigt hat.
Ihr wißt zwar Gottes Willen,
Doch wollt ihn nie erfüllen.”

Und horch! ein dumpfer Lärm erscholl.
Es knirschte das Getümmel.
Er aber ward des Geistes voll
Und blickt’ empor gen Himmel
Und sah eröffnet weit und breit
Des ganzen Himmels Herrlichkeit
Und Jesum in den Höhen
Zur Rechten Gottes stehen.

Nun rief er hoch im Jubelton:
“Ich seh’ im offnen Himmel,
Zu Gottes Rechten, Gottes Sohn!”
Da stürmte das Getümmel
Und brauste wie ein wildes Meer
Und übertäubte das Gehör,
Und wie von Sturm und Wogen
Ward er hinweggezogen.

Hinaus zum nächsten Thore brach
Der Strom der tollen Menge
Und schleifte den Mann Gottes nach,
Zerstoßen im Gedränge;
Und tausend Mörderstimmen schrien,
Und Steine hagelten auf ihn
Aus tausend Mörderhänden,
Die Rache zu vollenden.

Als er den letzten Odem zog,
Zerschellt von ihrem Grimme,
Da faltet’ er die Hände hoch
Und bat mit lauter Stimme:
“Behalt’, o Herr, für dein Gericht
Dem Volke diese Sünde nicht! –
Nimm meinen Geist von hinnen!”
Hier schwanden ihm die Sinnen.


Gottfried August Bürger (31 december 1747 – 8 juni 1794)
Molmerswende

 

De Schotse dichter Alexander Smith werd geboren op 31 december 1830 in Kilmarnock. Zie ook alle tags voor Alexander Smith op dit blog.

Barbara

On the Sabbath-day,
Through the churchyard old and gray,
Over the crisp and yellow leaves I held my rustling way;
And amid the words of mercy, falling on my soul like balms,
‘Mid the gorgeous storms of music–in the mellow organ-calms,
‘Mid the upward-streaming prayers, and the rich and solemn psalms,
I stood careless, Barbara.

My heart was otherwhere,
While the organ shook the air,
And the priest, with outspread hands, bless’d the people with a
prayer;
But when rising to go homeward, with a mild and saintlike shine
Gleam’d a face of airy beauty with its heavenly eyes on mine–
Gleam’d and vanish’d in a moment–O that face was surely thine
Out of heaven, Barbara!

O pallid, pallid face!
O earnest eyes of grace!
When last I saw thee, dearest, it was in another place.
You came running forth to meet me with my love-gift on your wrist:
The flutter of a long white dress, then all was lost in mist–
A purple stain of agony was on the mouth I kiss’d,
That wild morning, Barbara.

I search’d, in my despair,
Sunny noon and midnight air;
I could not drive away the thought that you were lingering there.
O many and many a winter night I sat when you were gone,
My worn face buried in my hands, beside the fire alone–
Within the dripping churchyard, the rain plashing on your stone,
You were sleeping, Barbara.

 
Alexander Smith (31 december 1830 – 5 januari 1867)

 

De Uruguayaanse schrijver Horacio Quiroga werd geboren op 31 december 1878 in Salto. Zie ook alle tags voor Horacio Quiroga op dit blog.

Uit: For a Night of Insomnia (Vertaald door Stephen Mc.)

“In that moment the deceased escaped from between our knees and fell to the floor of the carriage in complete nightfall, in the darkness, we grabbed each other’s hands, shaking from top to bottom, without daring to look at one another.
All of those old ideas from when you are a kid, absurd beliefs, took shape within us. We lifted out feet up to the seats, unconsciously, out of horror, while on the floor of the carriage, the deceased jolted from one side to the other.
After a while, our feet began to grow cold. It was an icy cold that came from the bottom and made its way through the whole body, as if death was contagiously clinging to us. We did not dare move. From time to time we would lean toward the floor, and would stay staring into the darkness, with our eyes aghast, believing to see the deceased sit up with his delirious look, laughing, looking at us, putting death into each one of us, laughing, putting his face close to ours, in the darkness we could see his eyes shine, and he laughed, we were frozen, dead, dead, in that carriage that led us through damp streets…
We found ourselves again in the parlor, all of us together, seated in rows. The coffin had been placed in the middle of the parlor and the deceased’s clothes had not been changed given that his limps were too stiff. His head was gently elevated with his nose and mouth stuffed with cotton.
Seeing him again, a tremble filled our bodies and we looked at each other shamefully. The parlor was filled with people walking about constantly, and this distracted us a bit. From time to time, one by one, we observed the deceased, bloated and green stretched out in the coffin.
After half an hour, I felt someone touch me and I turned around. My friends were numb. From where we were, the deceased was staring at us.”

 
Horacio Quiroga (31 december 1878 – 19 februari 1939)
Cover

 

De Duitse schrijver en musicus Stephan Krawczyk werd geboren op 31 december 1955 in Weida in Thüringen. Zie ook alle tags voor Stephan Krawczyk op dit blog.

Uit: Steine hüten

„Es ist dumm oder gut gelaufen – wie er plötzlich am Kaffeetisch saß, saß ich plötzlich im Westen. Reichlich zwei Jahre später erfuhr ich aus der Ferne von Schnurs innerem Reichtum – alles besaß er doppelt – vielleicht blieb sein Mund beim Gähnen geschlossen, um die doppelte Zunge zu verbergen. Er hörte auf den Decknamen Torsten.
Zu dieser Zeit besuchte ich regelmäßig einen Bauernhof. Dort lebte ein namenloses Kalb, dessen müde Augen mich an meinen Verteidiger erinnerten. Fortan hieß es Torsten. Ich durfte Torsten anpflocken, begab mich aus dem Radius seines Kettenkreises und hielt etwa folgende Rede: „Mein lieber Torsten! Ich danke dir, dass du mir in der Bedrängnis die Brust geboten hast. Für mehr habe ich dir nicht zu danken, ansonsten bist du ein Arsch. Wie kann man nur so verlogen sein?“
Torsten antwortete mir mit einem Vers von Cernuda: „Wahrheiten und Lügen sind Vögel die fortziehen, wenn die Augen sterben.“ Sein Muhen klang wie die Klage über das Gras – er fraß.
„Torsten, du kannst mir jetzt nicht mit Metaphern kommen – was du dir geleistet hast, war unter aller Sau!“
Mit vollem Maul griff er zu Dante: „Sieh hin und geh’ vorüber.“ Er muhte, das sei sein Leben – wären die Verhältnisse andere gewesen, hätten wir nie miteinander zu tun gehabt. Was würde ich überhaupt herumstreiten – ich sei doch lebendig, nicht wie andere.
„Nicht zuletzt wegen euch Verrätern mussten die ins Gras beißen!“
„Es gibt Gute und Böse. Wenn alle gut wären, gäbe es das Gute nicht.“ Torsten war Jenseits jeglichen Eingeständnisses, er erklärte die Welt mit der Schnauze. „Ich hatte meine Gründe, du hattest deine Gründe, geh’ mir von der Weide.“
Was sollte ich mich mit diesem Rindvieh herumstreiten. Es war alles gesagt: Verräter, Gras beißen, Arsch. Mit Worten kann man dem Ungerechten sowieso nicht beikommen. Es hat eine dicke, knochenharte Haut. Doch wie weich sie von Torsten überspielt wurde, deutet auf eine Begabung hin, die unter Theaterverhältnissen geschätzt wird. Er hat sich einen Bart wachsen lassen und macht noch heute mit dubiosen Geschäften auf sich aufmerksam. So ging er letztens mit einem Koffer voller gefälschter Wertpapiere in eine Bank, um sich auszahlen zu lassen. Noch nach seiner Festnahme tat er so, als hätte alles seine Richtigkeit – ein Mann ohne Furcht und Tadel – mit Fotos von sich und dem Einheitskanzler: Fast wäre Torsten ein ganz hohes Vieh geworden – ohne Schnur und Kette.“

 
Stephan Krawczyk (Weida, 31 december 1955)

 

De Surinaamse dichter, percussionist, beeldend kunstenaar, Surinamist, toneelschrijver, regisseur, acteur en maatschappelijk werker Noeki André Mosis (Kingbotho) werd geboren in het District Marowijne op 31 december 1954. Zie ook alle tags voor Kingbotho op dit blog.

Uit: Reisverslag Shanghai

“Zondag 14 juli 2013
Na een lange vlucht van ruim 10 uren, landden wij keurig op tijd bij de Internationale Airport Pudong te Shanghai. De paspoortcontrole bij de luchthaven verliep snel. Terwijl wij in de hal bij de bagagebelt stonden te wachten op onze koffers, rinkelde mijn telefoon. Ik nam op en ik hoorde iemand roepen! “kijk naar boven bij het restaurant”! Daar zaten Georgio, Jennifer, Nio en de kleine Elly-Mae Chen op ons te wachten. Wij zwaaiden naar elkaar.
Het wachten op de koffers duurde langer dan verwacht tot dat ik ging vragen of wij wel bij de juiste bagagebelt stonden. Dat was wel het geval. Maar als alle koffers weggedragen waren door de passagiers en wij met lege handen stonden, liep een Douane ambtenaar ons tegemoet en vroeg ons hem te volgen. Hij bracht ons naar een ruimte waar een aantal koffers onder een visnet lagen. Die koffers werden eruit gehaald en streng gecontroleerd. De douane ambtenaar heeft verder niets gezegd over de inhoud van onze koffer maar wij weten dat het ging om bepaalde etenswaren die bij hen niet bekend zijn, zoals cassavepoeder, pomtajer en overigen. Vooral de casave poeder was verdacht. De Marrons maken soep van maar poeder kan natuurlijk ook iets anders zijn. Die spullen waren onbekend maar blijkbaar niet verboden, dus mochten wij door tot opluchting van onze gastheer en gastvrouw Mosis. Eindelijk ontmoetten wij elkaar in de hal waar wij elkaar een stevige ‘brasa’ gaven en de kindjes geknuffeld. Het geduld van de Taxi chauffeur raakte net niet op van het wachten. Maar als wij uiteindelijk alle bagages hebben ingeladen en nog steeds klem zaten tussen andere taxi’s, liet hij zijn stem horen. Dat hielp! De taxi vóór ons reed een klein beetje vooruit, de ene achter, ons rolde een paar centimeters achteruit en wij konden net schuiven en doorrijden.”

 
Kingbotho (District Marowijne, 31 december 1954)

Steven Herrick

De Australische dichter en schrijver Steven Herrick werd geboren in Brisbane op 31 december 1958 als jongste van zeven kinderen. Zijn eerste gepubliceerde gedicht, geschreven op de leeftijd van 18, heette “Love is like a gobstopper”. Herrick studeerde poëzie en behaalde zijn B.A. aan de Universiteit van Queensland in 1982. In 1984 verhuisde hij naar Sydney en begon hij zijn gedichten in de pubs en clubs van de binnenstad voor te dragen, vaak als een voorprogramma voor lokale bands. Kort daarna werd hij benaderd door Mighty Boy Records om een ​​album met zijn poëzie op te nemen, getiteld ‘The Esoteric Herrick’. Deze plaat werd gedraaid op alternatieve muziekradiostations en werd snel gevolgd door de release van zijn tweede album ‘The Herrick Manifesto’. In 1994 verhuisde hij met zijn vrouw en kinderen naar zijn huidige huis in de Blue Mountains en begon hij met het schrijven van boeken voor kinderen en jonge volwassenen. Voor zijn boeken ontving hij de NSW Premier’s Literary Awards in 2000 en 2005 en ze stonden diverse keren op de shortlist voor de “Children’s Book of the Year Awards”. Zijn werk in tal van talen vertaald en worden regelmatig op schooltekstlijsten in zijn geboorteland Australië geplaatst. Herrick heeft ook zes reisboeken geschreven op basis van zijn fietsavonturen door heel Europa, waaronder de enorm succesvolle ‘baguettes and bicycles’. Tot zijn andere reisboeken behoren ‘Cycling North’, over een 4000 kilometer lange fietstocht van Marseille, Frankrijk naar Bergen, Noorwegen en ‘Cycling South’ over zijn trektocht van de Schotse Hooglanden naar de eilanden van de Middellandse Zee (Sardinië en Corsica) ). Herrick schrijft ook fietsartikelen voor de krant The Guardian (Australië).

Pearce Swamp

I take off my clothes
and place them,
folded,
on a rock.
I walk slowly into
the cold water
and swim to the middle.
A mild ripple
creases the surface
as I roll
on my back
and look up
through the red gums
to the cloudless sky.
My breath is slow in my ears.
It’s all I hear
as I float,
knowing
I’m alone
with the ghost
of the swamp,
somewhere
near the weeping willows.
No one visits this place,
except me
and the mysterious ring-bearer.
At school
Linda
would sit near the oval,
surrounded by girls.
They talked
of music,
and clothes,
and the secrets of the weekend,
until the rainstorm
drove them all indoors,
except Linda,
holding out her hands
to catch the heavy drops
that ran down her cheeks
like perfect tears.

Steven Herrick (Brisbane, 31 december 1958)

 

For The Holy Family By Michelangelo (Dante Gabriel Rossetti)

Bij het Feest van de Heilige Familie

 

 
De Heilige Familie door Michelangelo, 1504

 

For The Holy Family By Michelangelo

Turn not the prophet’s page, O Son! He knew
All that Thou hast to suffer, and hath writ.
Not yet Thine hour of knowledge. Infinite
The sorrows that Thy manhood’s lot must rue
And dire acquaintance of Thy grief. That clue
The spirits of Thy mournful ministerings
Seek through yon scroll in silence. For these things
The angels have desired to look into.
Still before Eden waves the fiery sword,—
Her Tree of Life unransomed: whose sad Tree
Of Knowledge yet to growth of Calvary
Must yield its Tempter,—Hell the earliest dead
Of Earth resign,—and yet, O Son and Lord,
The seed o’ the woman bruise the serpent’s head.

 

 
Dante Gabriel Rossetti (12 mei 1828 – 9 april 1882)
De St Paul’s Cathedral, in Londen, de geboorteplaats van Dante Gabriel Rossetti, in de kersttijd

 

Zie voor de schrijvers van de 30e december ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

 

Peter Buwalda, Theodor Fontane, Miklós Bánffy, Peter Lund, Joshua Clover, Paul Bowles, Rudyard Kipling, Douglas Coupland

De Nederlandse schrijver, journalist en redacteur Peter Buwalda werd geboren in Blerick op 30 december 1971. Zie ook alle tags voor Peter Buwalda op dit blog.

Uit: De kleine voeten van Lowell George (Bestekla)

“Vorige week wilde ik een column schrijven over de eerste werkdag, als fenomeen, maar ook de mens erachter. De methode-Geert Mak, kun je zeggen, waarbij je ogenschijnlijk ontspannen iets over de eerste werkdag van je schoonmaakster vertelt, maar eigenlijk de Grote Geschiedenis op het canvas van je column slingert. (Zie: Geert Mak, De eeuw van mijn hulp.)
Dus begon ik over Carmen, mijn eigen hulp, en haar eerste werkdag, met de bedoeling om van daaruit, als een raket die trappen afstoot, voort te spuiten naar andere, historische eerstewerkdagen.
Totaal mislukt. Die column ging alleen maar over stofzuigen en ramenlappen.
Terwijl er dus een hele aardige eerste werkdag in de startblokken stond, snuivend als een renpaardje, te weten die van Ingrid. Op haar eerste kantoordag haastte ik me de trappen af, ik werkte in die tijd nog als asbestspecialist bij Uitgeverij L.J. Veen, afdeling debuten. In mijn kielzog donderde het hele kantoorpand, al gauw een mannetje of vijftig, de receptie in, een onvertoonde kantoorstampede richting uitgang. In onze oren loeide de sirene die iedereen kende van de jaarlijkse brandoefening.
Nu was er geen oefening. Nu was er brand.
Achter de receptie zat Ingrid, andere Ingrid, moet ik zeggen, waarom iets helder navertellen als het ook troebel en mistig kan. Andere Ingrid was een echte Jordanese, in wier keukentje Maartje en Marie-Anne altijd koffie zetten. In zo’n grote kantoorkan, met een parasol als filter en een kilo Douwe Egberts. Ik kreeg klachten: zet ook eens koffie, lul de behanger.
Dus ik dacht: oké, ik zet ook eens koffie. Ik stond alweer een roman te puntlassen, toen Ingrid belde, de andere dus, de Jordanese. ‘Peterrrr…’ fleemde ze zangerig, ‘je koffie is klaarrrrr…! Hij ligt in de bestek- laaaa…!’
Ik erheen, jezus, wat nú weer – bleek ik vergeten de oude koffie uit die vijfliterkan te gieten. Alles overgelopen. De hele bestekla tot de rand vol met kokende koffie. Iemand een lepeltje?
Maar het gaat me om ándere andere Ingrid, je kunt wel zeggen de echte, want zij en ik kwamen nog samen te wonen, later. Nu zag ik haar voor het eerst, en ze bloosde. Niet vanwege mij, maar omdat ze op de alarmknop had gedrukt. Ze stond achter de receptie, even kletsen met andere ándere andere Ingrid, zo gaat dat op je eerste werkdag – je hebt nog niks te doen, je had net zo goed thuis kunnen blijven, maar ja, dan schuift alles op tot in de urn.”

 
Peter Buwalda (Blerick, 30 december 1971)

 

De Duitse dichter en schrijver Theodor Fontane werd geboren in Neuruppin op 30 december 1819. Zie ook alle tags voor Theodor Fontane op dit blog.

Uit: Meine Kinderjahre

„Freilich, wenn ich, was möglich, es dieser Procedur verdanken sollte, daß ich immer noch einen bescheidenen Bestand von Haar habe, so habe ich nicht umsonst gelitten und bitte reumüthig ab. Neben dieser sorglichen Behandlung der Kopfhaut, stand eine gleich fürsorgliche Behandlung des Teint. Aber auch diese Fürsorge lief auf Anwendung zu scharf einschneidender Mittel hinaus. Wenn bei Ostwind oder starker Sonnenhitze die Haut aufsprang, hatte meine Mutter das unfehlbare Heilmittel der Citronenscheibe zur Hand. Es half auch immer. Aber Coldcream oder Aehnliches wäre mir doch lieber gewesen und hätt es wohl auch gethan. Uebrigens verfuhr die Mama mit gleicher Unerbittlichkeit gegen sich selbst und wer muthig in die Schlacht vorangeht, darf auch Nachfolge fordern.
Ich wurde, wie schon erwähnt, während der Zeit, wo wir die Miethswohnung inne hatten sieben Jahr alt, gerade alt genug, um allerlei zu behalten, weiß aber doch herzlich wenig aus jener Zeit. Nur zweier Ereignisse erinnere ich mich, wobei wahrscheinlich eine starke Farbenwirkung auf mein Auge, mein Gedächtniß unterstützte. Das eine dieser Ereignisse war ein großes Feuer, bei dem die vor dem Rheinsberger Thore gelegenen Scheunen abbrannten. Es war aber, wie ich gleich vorweg zu bemerken habe, nicht der Scheunenbrand selbst, der sich mir einprägte, sondern eine sich unmittelbar vor meinen Augen abspielende Scene, zu der das Feuer, dessen Schein ich nicht mal sah, nur die zufällige Veranlassung gab.“

 
Theodor Fontane (30 december 1819 – 20 september 1898)
Cover

 

De Hongaarse schrijver en politicus Miklós Bánffy (graaf van Losoncz) werd geboren op 30 december 1873 in Kolozsvár, op dat moment gelegen in het koninkrijk Hongarije. Zie ook alle tags voor Miklós Bánffy op dit blog.

Uit: The Transylvanian Trilogy (Vertaald door Patrick Thursfield en Katalin Banffy-Jelen)

“That this agreement had been made was not, until now, public knowledge and indeed had been expressly denied during the summer when Laszlo Voros, Minister of the Economy in Fejervary’s so-called ‘Bodyguard’ government, had first announced the existence of the Pactum, the settlement of differences between the royal nominees and the elected representatives. These denials had then been in somewhat vague terms, but now the matter had been brought out into the open. The new government’s problem was how openly to face the situation provoked by the People’s Party representative, offer a solution that would content the opposition, and at the same time keep their word to the King.
Everyone’s face was saved by the intervention of Ferenc Kossuth, who boldly risked his reputation in the discussion in the committee when he declared that no Pactum existed since secret agreements of that sort were unconstitutional. This was a dangerous statement to make since everyone knew that for the King to have made the new appointments, agreement must have been reached on specific points such as this; but it sounded well and so dignity had been maintained by oratory. As a result it was planned that the House would reject the impeachment proposal and instead give its approval to an official statement which branded Fejervary and his cabinet as ‘disloyal counsellors of the King and nation’ and delivered them to the ‘scornful judgement of history’. It was further decided that this official statement should be everywhere displayed on posters.
The formula was a good one and all the committee members had left the meeting satisfied in their own ways; the radicals because the hated ‘Bodyguard’ government would be publicly degraded, and the new cabinet because they were no longer faced with a constitutional obligation to initiate an impeachment which would be most embarrassing to them.”

 
Miklós Bánffy (30 december 1873 – 5 juni 1950)

 

De Duitse schrijver en regisseur Peter Lund werd geboren op 30 december 1965 in Flensburg. Zie ook alle tags voor Peter Lund op dit blog.

Uit: Das Wunder von Neukölln

„Johannes:
Das sagst du. Deswegen arbeitest du ja auch bei der TAZ.
Dorothea:
Dafür bezahlen wir zweimal irn Jahr hundert Mark an die S.0.S.-Kinderdörfer und kaufen fußgemalte Postkarten. Mehr muß definitv nicht sein.
Johannes:
Aber-
Dorothea:
Wir haben nichts mit diesem Mädchen zu tun. Nichts!
Du weißt nicht einmal, woher sie deine Visitenkarte hat.
Johannes:
Vielleicht ist das ein Zeichen?
Dorothea:
Daß du dich nicht erinnerst, wo du sie angebaggert hast?
Johannes: ehrfürchtig
Ich fühle mich aufgefordert. Wir tun eh’ viel zu wenig.
Dorothea:
WIR?
Johannes:
Ich. Ich als Journalist hab immerhin einige Möglichkeiten.
Dorothea:sehr zuckersüß
Du könntest eine Spendenkampagne in’s Leben rufen.“

 
Peter Lund (Flensburg, 30 december 1965)
Flensburg in de kersttijd

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en criticus Joshua Clover werd geboren op 30 december 1962 in Berkeley, California. Zie ook alle tags voor Joshua Clover op dit blog.

I want to read at the white house

I want to read at the white house.
I want to read poems at the white house.
I want to read poems at the white house with all the pomp available.
With celebratory music and all my beloveds watching.
With Baraka and DiPrima and Roque Dalton behind me
I want to read at the white house.
I want to read poems at the white house wearing my favorite clothes probably a hoodie or perhaps my Belgian suit.
Belgium is a failed state in the heart of Europe which is something to aspire to.
I like Belgium and one day I might like to read poems at the palace of the nation but for now I want to read poems at the white house.
I want to read poems and sing karaoke and I will probably tell a few nervous jokes.
It will be like all the other readings.
We will be there together.
I want to read poems at the white house and then like any house reading we will all clean up together.
We will clean up the mess we have made together.
All that rubble and all those ashes. These are my conditions.


Joshua Clover (Berkeley, 30 december 1962)

 

De Amerikaanse schrijver, dichter en componist Paul Bowles werd geboren in New York op 30 december 1910. Zie ook alle tags voor Paul Bowles op dit blog.

Uit: Next to nothing: collected poems

Yes, I said we would need the machine-guns by next March,
but I also warned against saying life was easy.
I mixed hoops and coffins, cradles and needles
while the lights twinkled on far-off Monte Tomas.
We sat in a park that smelled of pine trees,
and that night there were voices in the corridors
and I remembered the empty face of the blind man as, he sang.

                                                         Tu misma tienes la culpa
                                                   de lo que has hecho conmigo.

You will find yourself among people.
There is no help for this
nor should you want it otherwise.
The passages where no one waits are dark
and hard to navigate.
The wet walls touch your shoulders on each side.
When the trees were there I cared that they were there.
And now they are gone, does it matter?
The passages where no one waits go on
and give no promise of an end.
You will find yourself among people,
Faces, clothing, teeth and hair
and words, and many words.
When there was life, I said that life was wrong.
What do I say now? You understand?

 
Paul Bowles (30 december 1910 – 18 november 1999)
Cover

 

De Britse schrijver en dichter Joseph Rudyard Kipling werd geboren op 30 december 1865 in Bombay, India. Zie ook alle tags voor Rudyard Kipling op dit blog.

The City of Sleep

Over the edge of the purple down,
Where the single lamplight gleams,
Know ye the road to the Merciful Town
That is hard by the Sea of Dreams –
Where the poor may lay their wrongs away,
And the sick may forget to weep?
But we – pity us! Oh, pity us!
We wakeful; ah, pity us! –
We must go back with Policeman Day –
Back from the City of Sleep!

Weary they turn from the scroll and crown,
Fetter and prayer and plough –
They that go up to the Merciful Town,
For her gates are closing now.
It is their right in the Baths of Night
Body and soul to steep,
But we – pity us! ah, pity us!
We wakeful; oh, pity us! –
We must go back with Policeman Day –
Back from the City of Sleep!

Over the edge of the purple down,
Ere the tender dreams begin,
Look – we may look – at the Merciful Town,
But we may not enter in!
Outcasts all, from her guarded wall
Back to our watch we creep:
We – pity us! ah, pity us!
We wakeful; ah, pity us! –
We that go back with Policeman Day –
Back from the City of Sleep!

 
Rudyard Kipling (30 december 1865 –18 januari 1936)
Portret door John Collier, ca. 1891

 

De Canadese schrijver Douglas Coupland werd geboren op 30 december 1961 in een militaire kazerne in Rheinmünster-Söllingen in Duitsland. Zie ook alle tags voor Douglas Coupland op dit blog.

Uit: Worst. Person. Ever.

“Dear Reader . . .
Like you, I consider myself a reasonable enough citizen. You know: live life in moderation, enjoy the occasional YouTube clip of frolicking otters and kittens, perhaps overtip a waitress who goes to the trouble of tarting herself up a bit or maybe just make the effort to try to be nice to the poor—yay, poor people!
I suppose, in general, I enjoy traveling through life with a certain Jason Bourne–like dashingness. Oh, no! An assassin is rappelling down the side of the building, armed with a dozen box cutters! What are we going to do? It’s Raymond Gunt! We’re saved!
That’s my name, Raymond Gunt, and welcome to my world. I don’t know about you, but I believe that helping others is a way of helping yourself; what goes around comes around—karma and that sort of guff. So, seeing that I’m such a good soul and all, I really don’t know how to explain the most recent month of my life. There I was, at home in West London, just trying to live as best I could—karma, karma, karma, sunshine and lightness!— when, out of nowhere, the universe delivered unto me a searing-hot kebab of vasectomy leftovers drizzled in donkey jizz.
Whuzzat?! Hello, universe? It’s me, Raymond! What the fuck!
I am left, dear reader, with no other option than to believe that when my world turned to shit last month, it was not in fact me who had done anything wrong. Rather it was the universe, for I, Raymond Gunt, am a decent chap who always does the right thing.
And as I look back to try to figure out when the universe and I veered away from each other, I think it definitely had to be that ill-starred morning when I made the mistake of visiting my leathery cumdump of an ex-wife, Fiona.
Fi.
It was a blighted Wednesday off Charing Cross Road. After about fifty ignored e-mails, Fi deigned to allow me to come to her office, in a gleaming steel-and-limestone executive tombstone that straddles one of those tiny streets near Covent Garden. The building’s lobby was redeemed by being filled with heaps of that 1990s art about death and fucking—pickled goats, fried eggs and tampons—and there was a faint hissing sound as I passed through it and into the elevator, the sound of my soul being sucked out of me, ever so nicely, thank you.”

 
Douglas Coupland (Rheinmünster-Söllingen, 30 december 1961)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e december ook mijn vorige blog van vandaag.